Uitgelicht bericht

De onbeminde islam

Ik heb een vraag. De meeste mensen die ik spreek – ik spreek bijna niemand, want het het is corona-tijd – vinden radicaal-rechtse partijen maar niks. En diezelfde mensen vinden de islam vaak ook maar niks.

De islam is een godsdienst – dat is al erg natuurlijk – maar het is bovendien een heel beperkende godsdienst. Het legt ontoelaatbare beperkingen op aan de vrije ontplooiing van de gelovigen en het eist een gehoorzaamheid die ernstig afbreuk doet aan de persoonlijke autonomie.

De islam wil van alles van de mensen, de islam geeft kleding- en gedragsvoorschriften, de islam onderdrukt en mutileert vrouwen, de islam wordt vanuit autocratische buitenlanden gefinancierd (hoe worden de christelijke zending en missie eigenlijk gefinancierd?), de islam slingert luide gebedsoproepen de wijk in vanuit moskeeën die als paddenstoelen uit de grond lijken te rijzen, juist nu de kerkklokken – god zij geloofd en gedankt en geprezen – hun gebeier grotendeels lijken te willen staken, en de islam gaat ten slotte uit van een God wiens bestaan op zichzelf al hoogst onwaarschijnlijk is, wetenschappelijk gezien. Ook mag je niet van je geloof vallen, wat natuurlijk het eerste is wat je zou willen als je in een dergelijk geloof opgroeit.

Veel verschillen zijn er eigenlijk niet binnen de islam. Na enig aandringen komen sommigen nog met soennieten en sjiïeten aanzetten, maar het twistpunt is vanzelfsprekend een betrekkelijk kleine theologische kwestie die uit de begintijd van de islam stamt. Spot is zo goed als verboden, het salafisme rukt op, de moslimbroederschap is, in weerwil van de naam, een heel sinister genootschap, de meeste moslims willen volgens de Leidse rechtenfaculteit dat de sharia wordt ingevoerd, en er zou wel wat meer weerstand in eigen kring mogen bestaan tegen de neiging van jonge moslimmannen om terroristische aanslagen te plegen.

Dan nu mijn vraag: hoe weten al die mensen die ik niet spreek dit allemaal?

Ik zal mijn verwondering een beetje toelichten. Het is mijn ervaring dat de meeste mensen niet veel weten van het christendom. De doorsnee Nederlander kan niet vertellen wat er gevierd wordt op Goede Vrijdag of Pasen of Pinksteren. De meesten van ons kunnen geen protestant van een katholiek onderscheiden, laat staan dat ze enig benul hebben van wat bevindelijke protestanten eigenlijk zijn, en in welke kerkgenootschappen je dat soort exotische figuren aantreft.

Als er op televisie een onderwerp wordt besproken dat heel in de verte iets met het christendom te maken heeft – het liefst een misbruikschandaal – dan brengen de programmamakers in het zwart geklede figuren met hoedjes op in beeld, vaak enorm grote gezinnen die in dociele gehoorzaamheid naar de kerk wandelen waar ze met een tergend laag tempo uit volle borst uiterst sombere psalmen meezingen. En soms wordt er misschien zelfs een heuse katholieke geestelijke geïnterviewd, vooral nadat deze een boekje open heeft gedaan over zijn pornoverslaving en darkroom-bezoek. En een hoogst enkele keer tref je op de televisie een katholiek aan die het celibaat verdedigt en seksuele onthouding goed vindt passen bij de priesterroeping. Talkshowhost en publiek kunnen hun lachen bijna niet inhouden.

De doorsnee Nederlander weet bar weinig van het christendom.

Maar hoe weten diezelfde mensen dan wel hoe het met de islam zit?

De meeste mensen komen in de praktijk waarschijnlijk niet zo vaak een moslim tegen, en als ze bij toeval wel een moslim tegenkomen, en ze zoeken een keertje geen dekking, dan blijkt die moslim meestal allerhartelijkst te wezen. Zelfs is het zo dat je, zodra je enigszins met ze in contact komt en respect toont, spontaan wordt uitgenodigd om het Suikerfeest mee te vieren, en dan mag je ook echt helemaal meedoen. Het eten dat bij die gelegenheid geserveerd wordt is niet alleen overheerlijk maar ook allerovervloedigst. Op het punt van de gastronomische geneugten moeten we eerlijk toegeven dat we van de islam nog wat kunnen leren. Het Turkse winkeltje is ook best aardig.

Maar dat zijn slechts incidentele belevenissen.

Er is natuurlijk ook nog zoiets als intellectuele nieuwsgierigheid, een zeldzame geestelijke afwijking die gelukkig bijna geheel is uitgestorven. Ik betrap zelden of nooit een medemens met een koran op schoot. Vertalingen hebben immers toch geen gezag. En geen niet-moslim peinst erover om zich in de islamitische theologie te verdiepen. Geen van de mensen die ik niet spreek is in staat om de vijf zuilen van de islam op te noemen.

Het is overigens heel erg jammer dat die moslims onze waarden niet delen, en met waarden bedoel ik natuurlijk het recht om te beledigen, de VvMU, de enige waarde die er werkelijk toe doet, en die de Vrijheid van Godsdienst gerust kan vervangen, zelfs beter, want godsdienst is een mening als alle andere. En artikel 23 van de Grondwet die kwezels het recht geeft om het onderwijs naar eigen smaak en inzicht in te richten, moet uiteraard zo snel mogelijk worden afgeschaft.

Het is heel raadselachtig allemaal. Wat de islam is weten de mensen niet, maar dat de islam niet deugt, dat weten ze heel zeker.

Uitgelicht bericht

Maar als het stil is in de geest – R.S. Thomas

R.S. Thomas op een kerkhof in Eglwys Fach. Foto: John Hedgecoe.

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilderes Mildred Eldridge (1909-1991).

R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).

Een aardig artikel over Thomas’ leven en werk is van de hand van Theodore DalrympleA Man Out of Time.

Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.

In genoemd boek gaat de schrijver ook in op het onderhavige gedicht, en wel op de pagina’s 40-41.

In het gedicht But the silence in the mind stelt Thomas stil-zijn – echt stil zijn, ook je gedachten stil zetten – gelijk aan het luisteren naar God. Als ervaring wordt dit idee beschreven in een ander gedicht van Thomas, namelijk De gloeiende akker – hierin wordt de tijd getranscendeerd, en is de spreker aanwezig in een moment die de eeuwigheid in zich draagt.

Er zijn drie leidende gedachten: 1. de stilte, een stilte die een gehoorsafstand kent, een stilte ook die in staat is jou iets toe te roepen over je eigen diepten heen, 2. de ‘aanwezigheid’ van iets wat strikt genomen afwezig is, en 3. de bodemloosheid, de afgrond, de diepte.

De metafoor van de afgrond wordt ontleend aan psalm 42 waarin vers 8 in de Statenvertaling als volgt klinkt:

De afgrond roept tot den afgrond, bij het gedruis Uwer watergoten; al Uw baren en Uw golven zijn over mij heengegaan.

De armada van onze gedachten komt – eenmaal te water gelaten op het oppervlak van de bodemloze oceaan – nooit op zijn bestemming aan. De afgrond blijkt te roepen tot de afgrond, en de stem van de alomtegenwoordige stilte – die strikt genomen afwezigheid is van geluid – klinkt over onze eigen afgrond heen.

Het idee van de afgrond in onszelf ontleende Thomas aan Søren Kierkegaard die het bestaan beschreef als eng en subliem, als het oversteken van een afgrond die thousands of fathoms diep is.

Temidden van al deze paradoxen, blijkt het luisteren naar de alomtegenwoordige stilte toch het allerhoogste wat we bereiken kunnen binnen de omtrek van onszelf die gelijk is aan de omtrek van God, tot wie we via de stilte toegang hebben.

Het gedicht lijkt pardoes te beginnen, alsof Thomas met het gedicht een tegenwerping maakt tegen iets wat hij zojuist heeft gehoord.

Enfin, genoeg diepzinnig gepraat.

Dit gedicht is gepubliceerd in de bundel Counterpoint (1990).

Vertaling:

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

——————————————————————————————————————————-

Maar als het stil is in de geest

Maar als het stil is in de geest
zijn we op ons best, binnen
gehoorsafstand van de stilte
die we God noemen. Dit is
de afgrond van de psalmist die roept
tot de afgrond, de peilloze oceaan
waarop we de armada van onze
gedachten loslaten – die nooit aankomt.

Zo is het een aanwezigheid
waarvan de omtrek onze omtrek is;
die roept ons toe over onze eigen
diepten heen. Wat kun je anders doen
om nader te komen tot zo’n alom

tegenwoordigheid dan stil te blijven?

Origineel:

But the silence in the mind

But the silence in the mind
is when we live best, within
listening distance of the silence
we call God. This is the deep
calling to deep of the psalm-
writer, the bottomless ocean
we launch the armada of
our thoughts on, never arriving.

It is a presence, then,
whose margins are our margins;
that calls us out over our
own fathoms. What to do
but draw a little nearer to
such ubiquity by remaining still?

Uitgelicht bericht

Een leven – R.S. Thomas

R.S. Thomas in Eglwys Fach. Fotograaf: John Hedgecoe

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilderes Mildred Eldridge (1909-1991).

R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).

Een aardig artikel over Thomas’ leven en werk is van de hand van Theodore DalrympleA Man Out of Time.

Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.

In een treffend filmpje uit 1996 dat Bloodaxe Books beschikbaar heeft gemaakt – hier raadpleegbaar – zegt Thomas (vanaf 4’18”):

“Mocht er sowieso later nog aan mij gedacht worden, dan zal dat wel zijn om de intensiteit van een paar gedichten die ik heb geschreven. Maar, los van de gedichten, als mens hoop ik dat m’n voorbeeld van iemand die ervan hield buiten te zijn, die hield van de aardse dingen, en die het talent had meegekregen om ze niet alleen te horen maar ook te zien, voor anderen een zeker nut heeft gehad.”

Het gedicht A Life is een zelfportret. Dat geldt natuurlijk wel voor meer gedichten, maar in dit geval is dat heel letterlijk zo. Het is een ernstig gedicht, maar ook in zekere zin een onbekommerd gedicht, niet zonder zelfspot.

De grappig-bittere zin: “Waar twee / bijeen zijn, was hij de ongewenste / derde” is een toespeling op het bijbelwoord: “Waar twee of drie in Mijn Naam bijeengekomen zijn, daar ben Ik in hun midden” (Mattheüs 18:20).

Dit gedicht wordt treffend besproken in de openingsalinea van de R.S. Thomas-herdenkingsrede die Seamus Heaney heeft gehouden in Westminster Abbey op 28 maart 2001. Deze rede is in vertaling beschikbaar op deze website.

Dat Thomas zijn gezicht redde met gedichten ten overstaan van de krenkingen die het proza voor hem in petto had, betekent dat hij kletspraat en cynische rechttoe-rechtaan-praatjes zonder diepzinnigheid en zonder het besef dat er ook nog zoiets als een ‘hoger honing’ kon worden verzameld, enigszins op afstand wist te houden door zijn dichterschap, en misschien ook door de pastorale kant van zijn predikantschap.

Zijn religieuze inslag wordt uitgedrukt met de zin: “Slechts visionair / in het besef van een horizon / achter de horizon.”

De ‘gewetensbezwaarde’, de ‘doodspropaganda’ en de ‘dwangmatige vrijwilliger’ zijn verwijzingen naar Thomas’ pacifistische inslag en de oorlogsretoriek die hij om zich heen hoorde – maar ze moeten hier dichterlijk worden opgevat: hij volgde zijn eigen spoor, bleef zijn dichterlijke en geestelijke roeping trouw, en gaf niet toe aan druk van buitenaf. Maar het vrijwilligerschap is wel dwangmatig – hier stond hij, en hij kon niet anders.

Het gedicht is opgenomen in de bundel Experimenting with an Amen (1986).

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

——————————————————————————————————————————-

Vertaling:

Een leven

Lang geleefd; veel angst, minder
moed. In de school der liefde slechtste
van de klas; wat de Tijd vroeg
is te ver heen om te achterhalen.
Goed in knielen; geeft toe,
verticaal, aan kleine verleidingen.
Een mond waaraan halfbakken
ideeën ontsnapten. Waar twee
bijeen zijn, was hij de ongewenste
derde. Een Narcissus, gekweld
door de fluisterstemmen achter
de spiegel. Slechts visionair
in het besef van een horizon
achter de horizon. Twijfelend
aan God, te lafhartig om hem
te verwerpen. Met verzen
z’n gezicht reddend voor de krenking
van proza. Een van ‘s levens
gewetensbezwaarden, nooit
zwichtend voor de doodspropaganda,
maar een dwangmatige vrijwilliger.

Origineel:

A Life

Lived long; much fear, less
courage. Bottom in love’s school
of his class; time’s reasons
too far back to be known.
Good on his knees, yielding,
vertical, to petty temptations.
A mouth thoughts escaped
from unfledged. Where two
were company, he the unwanted
third. A Narcissus tortured
by the whisperers behind
the mirror. Visionary only
in his perception of an horizon
beyond the horizon. Doubtful
of God, too pusillanimous
to deny him. Saving his face
in verse from the humiliations prose
inflicted on him. One of life’s
conscientious objectors, conceding
nothing to the propaganda of death
but a compulsion to volunteer.

Uitgelicht bericht

Evans – R.S. Thomas

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilderes Mildred Eldridge (1909-1991).

R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).

Een aardig artikel over Thomas’ leven en werk is van de hand van Theodore DalrympleA Man Out of Time.

Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.

Het gedicht Evans is een van Thomas’ bekendste ‘pastorale’ gedichten, in de zin dat het ontleend is aan zijn herderlijke werk als predikant – van een bucolische sfeer is verder in het geheel geen sprake. Het gedicht is afgedrukt bij het Engelse Wikipedia-artikel over R.S. Thomas, en het werd ook voorgedragen door Seamus Heaney toen hij zijn aan Thomas gewijde herdenkingsrede uitsprak in Westminster Abbey op 28 maart 2001.

Deze rede heb ik vertaald. Elders op deze website kunt u de vertaling raadplegen. In deze rede vergelijkt Heaney een gedicht van de dichter-priester Gerard Manley Hopkins – ook een gedicht over het sterven van een parochiaan: Felix Randal – met het onderhavige gedicht van de dichter-dominee R.S. Thomas.

In een ontroerend filmpje uit 1996 dat Bloodaxe Books beschikbaar heeft gemaakt op Youtube waaraan ook beide afbeeldingen zijn ontleend – hier raadpleegbaar (vanaf 4’18”) – zegt Thomas:

“Mocht er sowieso later nog aan mij gedacht worden, dan zal dat wel zijn om de intensiteit van een paar gedichten die ik heb geschreven. Maar – los van de gedichten – als mens hoop ik dat m’n voorbeeld van iemand die hield van buiten-zijn, die hield van de aardse dingen, en die de gave bezat om die dingen niet alleen te horen maar ook te zien, voor anderen een zeker nut heeft gehad.”

Evans was een van Thomas’ parochianen. Het betrof een 49-jarige man – William Evans – die een ongeluk had gehad. Hij werd begraven in de eerste maanden van 1946.

Het gedicht lijkt pardoes te beginnen, alsof er antwoord wordt gegeven op een vraag.

Veel toelichting heeft het gedicht verder niet nodig. De woorden die ter karakterisering voor trap, keuken, keteltje, druppend water en boom worden gebruikt, roepen al een besef van menselijk einde op. Een prominente rol spelen hier schemering en duisternis. De verlaten-kustmetafoor in de slotregels wordt voorafgegaan door het opkomend tij van de nacht.

Het gedicht is opgenomen in de bundel Poetry for Supper (1958)

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

——————————————————————————————————————————-

Vertaling:

Evans

Evans? Ja, heel wat keren
daalde ik af langs de kale
trap naar de knokige keuken
met het houtvuur, met krekelgezang
ter begeleiding van het huilende
zwarte keteltje, zo het koude donker in
om te smoren in het wassend tij
van de nacht, vloeiend langs de muren
van z’n schrale hoeve op de kam.

’t Was niet het donker dat me tegenstond,
al vulde het oog en mond; zelfs niet de regen
die als bloed drupte van die ene door het weer
geteisterde boom. Het was het donker
dat de aderen dichtslibde van deze zieke man
die ik liet stranden op de uitgestrekte
en eenzame kust van zijn verlaten bed.

Origineel:

Evans

Evans? Yes, many a time
I came down his bare flight
Of stairs into the gaunt kitchen
With its wood fire, where crickets sang
Accompaniment to the black kettle’s
Whine, and so into the cold
Dark to smother in the thick tide
Of night that drifted about the walls
Of his stark farm on the hill ridge.

It was not the dark filling my eyes
And mouth appalled me; not even the drip
Of rain like blood from the one tree
Weather-tortured. It was the dark
Silting the veins of that sick man
I left stranded upon the vast
And lonely shore of his bleak bed.

Uitgelicht bericht

R.S. Thomas-herdenkingsrede – Seamus Heaney

Uitgesproken door Seamus Heaney in Westminster Abbey op 28 maart 2001

Titel: R.S. Thomas Memorial. Delivered at Westminster Abbey, March 28th, 2001
Bron: The Ireland Poetry Review, nr. 69, zomer 2001, p.11-14
Stabiele URL: https://www.jstor.org/stable/25579620

Herdenkingsrede R.S. Thomas

In een van zijn latere gedichten, getiteld A life, dat duidelijk bedoeld is als zelfportret, bestempelt R.S. Thomas zichzelf als “een van ‘s levens / gewetensbezwaarden”. De levensschets getuigt van een typerende eerlijkheid en een typerende strengheid, maar wat me er het meest aan bevalt is de enigszins atypische onbekommerdheid die eruit spreekt. Voor even is degene die ons uit dit portret aanstaart bereid om zichzelf van opzij te bekijken om te zien wat andere mensen wel eens zouden kunnen zien. Thomas wist heel goed dat hij in veler ogen een grimmige figuur was, en elders in het gedicht bekende hij, met opnieuw vermakelijk-ongemakkelijke gestrengheid, “waar twee / bijeen zijn, was hij de ongewenste / derde.” Maar Thomas wist ook, net als wij, dat hij niet samenviel met deze karikatuur: hij was weliswaar soms iemand die anderen bekritiseerde en kastijdde, hij was ook een zielzorger, iemand die op zijn knieën ging, iemand die bij voortduring klopte op de deur van de waarheid, en die geen toegang kreeg. Een visionair, maar, zoals het gedicht ook zegt, “slechts visionair / in het besef van een horizon / voorbij de horizon”.

Het is één van de aardige samenlopen van de literatuurgeschiedenis dat Thomas zijn zoektocht naar die horizon aanving juist toen de tochten van twee andere Wijzen afliepen; het is met andere woorden mogelijk om het streven van zijn Verzamelde gedichten te lezen als de vervulling van het streven van W.B. Yeats en T.S. Eliot, zijn grote voorgangers die geprobeerd hebben om religieuze poëzie te schrijven in een areligieuze tijd. Hij leek op een van Yeats’ “onbevredigde bleke types”, maar wel een wiens doorleefde onvrede rechtstreeks zou leiden tot wat in zijn werk bij uitstek bevredigend is.

Toen ik Thomas voor het eerst las, had ik waardering voor zijn trouw aan het armeluisleven van de boeren in het heuvelland wier predikant hij was. De mensen in zijn gedichten deden mij denken aan de keuterboeren en landarbeiders die ik zelf had gekend, en het waren onder andere zijn verzen die mij hielpen bij mijn eerste schrijfpogingen. Song at the Year’s Turning [Lied bij de jaarwisseling] was een bundel waar ik van hield. De stofomslag had een ontwerp dat was gebaseerd op een stapelmuur, en dat paste goed bij de ruwe, bergachtige sfeer van afzondering en overleving die de gedichten opriepen. De spaarzaamheid van Thomas’ taal resoneerde in mij. Er zat iets van zelfbeteugeling in dit schrijven, alsof de dichter een afkeer koesterde van zijn eigen lyrische talent – en dat beviel mij. Dat beviel mij vooral omdat het lyrische talent zo zuiver was en ernaar leek te verlangen om zalig uitgeoefend te worden. Al heel vroeg had hij zichzelf toegestaan om te doen wat de jonge Yeats had gedaan, afstand nemen van de rijmende versregel en het volksdeuntje. Maar kort daarop volgde hij het voorbeeld van een andere Ierse dichter, Austin Clarke; hij koos de taal van de torenklok en kreeg een voorkeur voor de muziek van de vastentijd, met als gevolg dat zijn gedichten gaandeweg net zo kaal en onverbiddelijk werden als de crotalus (houten klepper) in het heiligdom van Goede Vrijdag.

Als dichter dorstte R.S. Thomas naar religieuze waarheid, en het is omdat die dorst onverminderd groot bleef dat zijn werk de toekomstige generaties van de een-en-twintigste eeuw zal kunnen overtuigen. Voor hem geldt niet de gebedsverhoring die in vrees en beven wordt verwacht, zoals opgeroepen door George Herbert. Er weerklinkt geen gebeier achter het gesternte; er is geen vorm van hemels getokkel of getingel. Als dichter-dominee staat Thomas natuurlijk wel in dezelfde traditie als Herbert, maar het is de Herbert van de kale toonladders, van een harp die ‘ongestemd, ongespannen’ is, de Herbert van ‘Deniall’ [Afwijzing] en ‘The Collar’ [Het boordje], bij wie de cholerische neiging niet zozeer merkteken is van het kerkelijk ambt, maar eerder een kenmerk van een onmatige persoonlijkheid, leidend tot uitbarstingen van opstandige toorn.

Maar het werk van R.S. Thomas toont niettemin een fantastisch doorzettingsvermogen, een besef dat hij zich niet van zijn roeping zal laten afbrengen, en ook dat hij niet de dupe zal worden van zijn vroomheid, en het is deze pelgrimsvolharding die zijn poëzie een blijvende kracht verleent. Als we hier en nu deze dichter gedenken, dan is wat we eren juist deze ootmoedige standvastigheid. In onze voorstelling heeft hij een eenzelvig profiel gekregen, een beetje zoals de verzamelaar van bloedzuigers bij Wordsworth, maar droefgeestiger, veeleer geneigd om zijn staf te werpen naar degene die hij tegenkomt dan om erop te leunen bij het verstrekken van z’n kluizenaarswijsheden. Thomas bezat een ongeremde en onbeheerste kant, altijd klaar om elke plannenmakerij te ontregelen, een kant die tekeer ging tegen Engelse vakantiehuizen op het Welshe platteland. En toch schuilde er gedrevenheid en accuratesse in zijn culturele en nationalistische boosheid; zijn vervreemding van het steeds meer door rijke nieuwkomers volgebouwde landschap was een aspect van een algemenere, moderne ontworteling, een toestand die zowel betrokkenheid als ironische afstandelijkheid nodig heeft – een toestand die zeker zou zijn herkend door schrijvers als George Seferis en Patrick Kavanagh. Hoe onsympathieker zijn land zich voordeed, hoe dieper hij de noodzaak voelde zich ermee te verbinden.

Ik zal twee gedichten van hem voorlezen zonder veel commentaar, want ze hebben geen uitleg nodig. De eerste is getiteld The One Furrow, een heel eenvoudig gedicht, kennelijk nog een imitatie, en toch is het al een voorafschaduwing van de vorm die R.S. Thomas’ geestelijke en artistieke leven zou aannemen: het verantwoordelijkheidsbesef, de niet aflatende zoektocht, de vore die wordt geploegd naar de horizon voorbij de horizon.

[Het oorspronkelijke gedicht heeft eindrijm (aabab ccdcd eefef) dat in vertaling niet is gehandhaafd]

De ene vore

Toen ik jong was ging ik naar school
met lineaal en schrijfstift,
griffel en lei,
en ik zat op een hoog bankje
aan de poort van de kennis.

Toen ik ouder werd, zwaaide de poort open;
slim en oplettend als ik was
wurmde ik me erdoor,
maar vond in de trots van mijn geest
geen vrede, geen rust.

Toen leerde iemand me terug te gaan
naar vee en mesthoop;
veld en ploeg:
om zich te richten op die ene vore,
dezelfde die ik nog volg?

Het volgende gedicht is heel bekend, een van de ‘pastorale gedichten’ dat het bezoek van een priester aan een zieke parochiaan als onderwerp heeft. Voor mijn gevoel is dit gedicht in een tweegesprek verwikkeld met een ander gedicht van een andere dichter-priester over hetzelfde onderwerp, een gedicht dat op dezelfde manier begint als dat van Thomas, met het uitspreken van de naam van de parochiaan. “Felix Randal de hoefsmid, O is hij echt dood?” vraagt Gerard Manley Hopkins, en hij gaat verder met zich te herinneren hoe het uitdelen van het sacrament aan de hoefsmid verzachting en verlichting had geschonken, en op het eind had gezorgd voor leniging van nood en geestelijke verkwikking. Maar als R.S. Thomas zich zijn herderlijke zorg aan Evans herinnert, is de uitkomst heel anders:

Evans

Evans? Ja, heel wat keren
daalde ik af langs de kale
trap naar de knokige keuken
met het houtvuur, met krekelgezang
ter begeleiding van het huilende
zwarte keteltje, zo het koude donker in
om te smoren in het wassend tij
van de nacht, deinend langs de muren
van z’n schrale hoeve op de kam.

t Was niet het donker dat me tegenstond,
al vulde het oog en mond; zelfs niet de regen
die als bloed drupte van die ene door het weer
geteisterde boom. Het was het donker
dat de aderen dichtslibde van deze zieke man
die ik liet stranden op de uitgestrekte
en eenzame kust van zijn verlaten bed.

Uitgelicht bericht

Over een biografie van R.S. Thomas – The Man Who Went Into the West

Byron Rogers, The Man Who Went Into the West: The Life of R.S. Thomas, Aurum 2006

Ik heb de afgelopen jaren enkele tientallen gedichten van de Welshe dichter Ronald Stuart Thomas (1913-2000) vertaald – zie elders op deze website. Ik houd van zijn werk: de lyrische toon, de soms weinig troostrijke waarheden, de tederheid, de genadeloze eerlijkheid, de prachtige taal, de schitterende metaforen die zijn gedichten bijna altijd hun stuwende kracht verlenen. Ik had me natuurlijk al wel enigszins in RST, zijn context, zijn verstechniek, zijn godsdienstigheid verdiept, maar aan een biografie was ik nog niet eerder toegekomen. Tot nu.

RST was een Welshman van geboorte, maar schreef bijna al zijn werk in het Engels (op enkele prozawerken na), leerde pas op latere leeftijd Welsh, en hij sprak Engels met een upper-class accent. Als hij een Engelsman tegenkwam die de weg vroeg naar een toeristische attractie, dan pretendeerde hij soms dat hij geen Engels verstond.

Zijn geboorteplaats was Cardiff, in het zuiden van Wales. Het gezin met de kleine RST verhuisde al vrij snel naar Holyhead op het eiland Anglesey, gelegen in het noordwesten van Wales. Holyhead was ook de plaats waar RST opgroeide. Hij studeerde klassieke talen en theologie aan de universiteit van het Welshe Bangor en in Cardiff. Hij trouwde in 1940 met een Engelse schilder – Mildred ‘Elsi’ Eldridge – die op dat moment veel beroemder was dan hij. Ze kregen samen één zoon: Gwydion.

Hij diende als predikant in verschillende Welshe kerkelijke gemeenten, achtereenvolgens: Chirk, Manafon, Eglwys Fach, Aberdaron. Hij is op zijn oude dag, nadat Elsi was overleden, hertrouwd. Hij hield er een vast levensritme op na: ’s morgens studeren en schrijven, ’s middags tuinieren of wandelen, ’s avonds bezoek van gemeenteleden. In de laatste decennia van zijn leven was hij beroemd, hield hij lezingen, ontving hij literaire eerbewijzen, en werd hij – als ik zijn biograaf mag geloven – een stuk gezelliger – Byron Rogers noemt hem dan zelfs ergens een ‘socialite’, enigszins tongue in cheek.

Zoon Gwydion (overleden in 2016) bewaarde slechte herinneringen aan zijn jeugd. Vanaf betrekkelijk jonge leeftijd werd hij intern geplaatst op Engelse boarding schools. Hij woonde steeds in plaatsen met weinig vriendjes, vond zijn ouders abnormaal en ronduit asociaal, en hij blijkt bepaald weinig vergevingsgezind. De geest van Gwydion hangt soms wel vrij zwaar over dit boek, tot in de hoofdtitel toe – RST’s hang naar het westen is een running gag van Gwydion.

R.S. Thomas – The Ogre of Wales. Fotograaf: Howard Barlow

De hoofdtitel – The Man Who Went Into the West – verwijst naar het feit dat RST steeds westelijker in Wales ging wonen en werken. De eerste kerkelijke gemeente – Chirk – lag helemaal op de grens met Engeland in het oosten van Wales, en de laatste – Aberdaron – in het uiterste westen, op het puntje van het schiereiland Lleyn, met de Ierse zee op loopafstand.

De biograaf suggereert dat met die trek naar het westen een soort mythische droom werd nagejaagd, en hij verbindt daaraan ook het Welsh nationalisme van RST. Dat nationalisme bestond inderdaad, en het kreeg soms zelfs lachwekkende proporties, maar toch schuilt hierin misschien nog wel iets anders dan puur nationalisme. RST vond dat de wereld veranderde in een verwend welvaartsparadijs waarin de geestelijke zaken die hij essentieel achtte schandelijk werden verwaarloosd. Uit die houding zijn bijna al zijn nogal in het oog lopende eigenaardigheden te verklaren: zijn keuze voor de theologie, de ontwijkende rollen die hij speelde als hij op voorhand vermoedde (soms ten onrechte) toch niet begrepen te worden, zijn afkeer van moderne voorzieningen (zelfs een stofzuiger moest er weer uit omdat die te veel lawaai maakte), zijn volhardende streven om elke ochtend te studeren en te schrijven en zich aan preek of poëzie te wijden, zijn zelfdiscipline, zijn trouw aan een al even solitaire echtgenote, zijn verhuizing naar steeds stillere plaatsen waar hij zijn grote liefde – vogels kijken – kon uitleven.

De biografie is springerig, impressionistisch en praterig, met veel grapjes die soms door andere recensenten geprezen worden, maar die ik vond afleiden van het onderwerp. De auteur schrijft op een populair-journalistieke manier met toespelingen die voor een buitenlander niet altijd gemakkelijk te begrijpen zijn – ongeveer zoals de kopjes van de berichten en artikelen in Engelse tabloids voor iemand die Engels als tweede taal heeft op het eerste gezicht vaak onbegrijpelijk zijn. Het is lastig om de lijn van dit leven goed vast te houden tijdens het lezen.

Schilderij van Mildred ‘Elsi’ Eldridge

De mooiste passages in deze biografie – en ook de meest leesbare – zijn de uitgebreide citaten. Af en toe geeft Byron Rogers een collage van citaten uit de dagboeken van Elsi, of van de dingen die zijn informanten hem schreven, en stuk voor stuk zijn die passages informatiever en helderder dan wat de biograaf zelf te vertellen heeft. Zelfs de poëzie van RST vind ik vaak makkelijker te lezen dan het proza van Byron Rogers.

De biograaf is Welsh en dat heeft voordelen en nadelen. Voordeel is dat hij de Welshe wereld goed kent, de taal spreekt en toegang heeft tot soms vrij bijzondere mensen uit de directe nabijheid van RST. Voordeel is ook dat hij de eigenaardigheden in de omgang tussen Welshmen en sommige eigenaardigheden van zijn onderwerp goed kan duiden.

Er zijn ook nadelen. Hij gaat er soms van uit dat dingen vanzelfsprekend zijn die het in ieder geval voor mij niet zijn: er wordt vrijwel niets uitgelegd over kerkelijke bijzonderheden, liggingen of verschillen, er wordt heel weinig verteld over andere kerkelijke activiteiten dan preken: waren er regionale activiteiten, waren er ook kerkpolitieke onderwerpen, en – zo ja – wat was dan zijn positie daarin, hoe ging die verhuizing van de ene parochie naar de andere in zijn werk, welke morele, pastorale, kerkrechtelijke kwesties speelden er, was er ook een jongerenbeleid, wat deed hij eigenlijk tijdens die avondlijke huisbezoeken bij gemeenteleden.

Dit nadeel wijst – vrees ik – op een structureel gebrek van deze biografie. In het algemeen mis ik intellectuele diepgang. Pogingen om het werk uit het leven te laten voortkomen blijven oppervlakkig. De biograaf houdt duidelijk wel van de poëzie van RST, en hij laat dat ook wel merken, hij is er heel goed in om alle psychologische eigenaardigheden van RST stralend uit de verf te laten komen, diens tegenstellingen, de inconsistenties tussen woord en daad, diens zo nu en dan bijna solipsistische aard. Maar een poging om systematisch zijn leven en werk te begrijpen uit het principiële beginsel waaruit dat leven volgens mij goed te begrijpen is, doet Byron Rogers niet: er zijn weinig levens die zo volhardend gewijd zijn aan de evocatie van wat verloren gaat als het religieuze aspect uit het leven verdwijnt, en dat is precies wat er gebeurde in de jaren waarin hij leefde.

Ik mis ook wat RST’s relatie was met het toch vrij verhitte links-radicale intellectuele debat in de jaren zeventig en tachtig. Dat hij zo zwijgzaam was, kan niet alleen de reden zijn. Hij sprak zich, al of niet sarcastisch en afwerend, over van alles en nog wat uit. Zijn pacifisme past natuurlijk wel bij de geest des tijds, en hij ondernam ook wat activiteiten om de kernbom tegen te gaan, maar wat stemde hij bijvoorbeeld, wat zei hij daarover – dat soort dingen. Hij was sterk voor behoud van het landschap en hij was tegen massatoerisme gekant: maar dat is weer iets dat pas veel later een geliefd onderwerp voor sommige intellectuelen werd. In sommige opzichten was hij toch eerder behoudend: als predikant, als ijveraar voor kerkgang, als afwerende rots in een branding van aanzwellend consumentisme, hedonisme, materialisme.

Ik zou ook wel eens willen weten welke boeken hij las, theologisch, filosofisch, natuurhistorisch en literair – en in welke verhouding. Er is sprake van een bibliotheek van drieduizend banden, maar hoe zag die bibliotheek eruit? Waar kocht hij die boeken, en wanneer?

Er worden een paar woorden gewijd aan de preken die hij hield: hij vond het niet zijn taak om zijn eigen opvattingen te etaleren, maar hij wilde de boodschap van de kerk vertellen. Hij heeft die preken niet bewaard, maar er moet toch wel iets over te zeggen zijn, en dan geen met humor vertelde lokale babbels, maar iets inhoudelijks.

Een literatuurhistorische plaatsbepaling ontbreekt ook grotendeels, behalve impressionistische kwalificaties als ‘modernist in form’.

Aan het eind van zijn leven was RST – zo zegt de biograaf – eindelijk niet meer orthodox. Ik vraag mij af of je veel opschiet met het onderscheid tussen orthodox en niet-orthodox, zeker in het geval van RST. Over de details van zijn theologische positie vernemen we verder niets, zelfs de titel van één van zijn kerngedichten – Via Negativa – wordt niet toegelicht.

In het algemeen vind ik deze biografie overladen met oudewijvengeklets – reden misschien waarom de psychiater Theodore Dalrymple het boek wel met plezier heeft gelezen. Dalrymple schreef overigens een aardige beschouwing naar aanleiding van het boek in City Journal (2006): A Man Out of Time – en de titel van zijn beschouwing is ook nog eens veel beter dan de titel van het boek. Dalrymple heeft de kern van RST vrij goed getroffen. Ter lezing aanbevolen.

In de Irish Times verscheen in 2006 een uitstekende recensie van Dennis O’Driscoll: A Poet of a Few Words. Hieruit citeer ik tot slot met instemming de volgende passage:

Byron Rogers’s lively biography will be enjoyed most by those who like their poets eccentric to the point of caricature and who don’t object to the inner life – albeit essential to the poems – being played down. His book is a trove of biographical trivia. For instance, we are twice (which is more than once too often by my count) treated to Gwydion Thomas’s earth-shattering insight that his father, out walking, was a “great pee-er in fields”; but Thomas père’s greatness in the literary field is obfuscated in certain respects. Rogers’s emphasis is on the man who, in the course of a number of parish transfers, moved increasingly further west in search of the “old, unchanged Wales”. The crucial literary narrative – the story of Thomas’s courage, dedication and extraordinary independence as a poet – tends to be lost somewhere among the hill farms and bird sanctuaries.

Voor Byron Rogers spreekt het vanzelf dat de soms eigenaardige reacties op tegenspraak of onbegrip voortkwamen uit het ontbreken van weerwoord op wat RST van de kansel verkondigde en in zijn poëzie te berde bracht. Dat zou natuurlijk kunnen, maar schuilt in deze verklaring niet vooral het ressentiment van wijlen Gwydion? En gaat die verklaring niet voorbij aan RST’s ernst en eerlijkheid, en ook aan de vooroordelen waarmee hij soms te kampen had?

Op een dag zou RST gefilmd worden door de BBC als de stijve dichter-dominee die ze dachten dat hij was. Hij kwam in vol ornaat het kerkje uitgelopen en de camera’s snorden. Toen begon hij met zijn armen te zwaaien en te springen: “I am a bird, I am a bird …

Het leven is interessanter, rijker en samenhangender dan de biografie laat zien, maar het zijn in mijn ogen de gedichten die zullen voortleven.

Uitgelicht bericht

Net als Jericho – R.S. Thomas

Ronald Stuart Thomas (foto overgenomen van quartetbooks.wordpress.com)

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilderes Mildred Eldridge (1909-1991).

R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).

Een aardig artikel over Thomas’ leven en werk is van de hand van Theodore DalrympleA Man Out of Time.

Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.

In een ontroerend filmpje uit 1996 dat Bloodaxe Books beschikbaar heeft gemaakt op Youtube – hier raadpleegbaar (vanaf 4’18”) – zegt Thomas:

“Mocht er sowieso later nog aan mij gedacht worden, dan zal dat wel zijn om de intensiteit van een paar gedichten die ik heb geschreven. Maar, los van de gedichten, als mens hoop ik dat m’n voorbeeld van iemand die hield van buiten-zijn, die hield van de aardse dingen, en die het talent had gekregen om ze niet alleen te horen maar ook te zien, voor anderen een zeker nut heeft gehad.”

Het gedicht After Jericho is een poëticaal gedicht, het gaat over het dichten zelf. Het beschrijft wat dichten is, en contrasteert die activiteit met de alledaagse, bureaucratische, door macht en structuur en onrechtvaardigheid geteisterde wereld.

Toen de Joden in de oudtestamentische oudheid op weg gingen naar het Beloofde Land, troffen ze een wereld aan die reeds bewoond werd. Een van de eerste hindernissen die ze wisten te nemen was de stad Jericho. Ze moesten daarbij op God vertrouwen. De Joden trokken zes dagen lang om de ommuurde stad, blazend op hun ramsbazuinen. Op de zevende dag trokken ze zeven maal om de ommuurde stad, waarop ze vervolgens, luidkeels juichend en vurig op hun ramshorens blazend, de muren van de stad lieten instorten. Daarna was het relatief eenvoudig om de stad daadwerkelijk in te nemen.

De taal waartegen de dichter zijn bazuin verheft is de platgeslagen taal van het succes en de macht en de meedogenloosheid. De grote vreugde van de dichter is dat hij die officiële en glamoureuze wereld, een wereld ook die zich gesteund weet door een staand, goed betaald en weldoorvoed leger, weet te verslaan met een vrijwilligerslegertje, zoals de grote en machtige stad Jericho in het Oude Testament werd ingenomen door een volkje dat vlak daarvoor nog uit de woestijn tevoorschijn was gekomen.

Het gedicht is opgenomen in de bundel Frequencies (1978).

Geluidsopname vertaling – Arie Sonneveld

——————————————————————————————————————————-

Vertaling:

Net als Jericho

Er schuilt een agressie in feiten
die slechts met succes wordt weerstaan
door het vers, dat taal bestrijdt
met eigen wapens. Dichter, lach

tussen de puinhopen van een idioom
waartegen je jouw bazuin verhief.
‘t Waren rekruten; al jouw woorden,
niet één uitgezonderd, zijn vrijwilligers.

Origineel:

After Jericho

There is an aggression of fact
to be resisted successfully
only in verse, that fights language
with its own tools. Smile, poet

among the ruins of a vocabulary
you blew your trumpet against.
It was a conscript army; your words,
every one of them, are volunteers.

Uitgelicht bericht

De witte tijger – R.S. Thomas

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilderes Mildred Eldridge (1909-1991).

R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).

Een aardig artikel over Thomas’ leven en werk is van de hand van Theodore DalrympleA Man Out of Time.

Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.

In een ontroerend filmpje uit 1996 dat Bloodaxe Books beschikbaar heeft gemaakt op Youtube – hier raadpleegbaar (vanaf 4’18”) – zegt Thomas:

“Mocht er sowieso later nog aan mij gedacht worden, dan zal dat wel zijn om de intensiteit van een paar gedichten die ik heb geschreven. Maar, los van de gedichten, als mens hoop ik dat m’n voorbeeld van iemand die hield van buiten-zijn, die hield van de aardse dingen, en die het talent had gekregen om ze niet alleen te horen maar ook te zien, voor anderen een zeker nut heeft gehad.”

R.S. Thomas – The Ogre of Wales. Fotograaf: Howard Barlow

Het gedicht The White Tiger is gebaseerd op een aandachtige waarneming. De waarnemer beschrijft een witte tijger die zich in een kooi bevindt. Maar het gedicht wordt voortgestuwd door een metafoor, door beeldspraak: Thomas vergelijkt de ondoorgrondelijkheid van de gevangen tijger met de in onze godsbeelden gevangen God.

De tijger is ondoorgrondelijk in zijn gevangen bestaan; hij ademt en beweegt en kijkt naar jou, maar kijkt jou niet aan. Dit lijkt een gevolg van de ernstige beperkingen en hindernissen van zijn veel te nauwe bewegingsruimte. En zo ademt en beweegt ook God, gevangen als hij is binnen de te nauwe ruimte van ons beperkte en ingesnoerde godsbegrip.

Het gedicht doet enigszins denken aan het gedicht Der Panther van Rainer Maria Rilke. Maar hoewel ook in dat gedicht sprake is van zowel een aandachtige waarneming als de perceptie van iets ondoorgrondelijks, ontbreekt bij Rilke de vergelijking met ons godsbeeld die zo kenmerkend is voor de poëzie van R.S. Thomas.

Het zou me niet verbazen als Thomas zijn gedicht schreef als een reactie op het gedicht van Rilke. Maar weten doe ik dat niet.

Een witte tijger is een kleurvariant die voorkomt bij de Bengaalse en de Siberische tijger.

Het gedicht is opgenomen in de bundel Frequencies (1978).

Geluidsopname vertaling – Arie Sonneveld

——————————————————————————————————————————-

Vertaling:

De witte tijger

Hij was prachtig zoals God
prachtig moet zijn; ijzige
ogen die geweld hadden
gezien en het hadden

aanvaard; een lichaam te groot
en majesteitelijk voor de kooi waarin
hij was neergezet; deinend
voortgaand in de schaduw

van zijn eigen gestalte, zich
omdraaiend, verhief hij
de verfrommelde bloem
van zijn gelaat naar

het mijne zonder me aan te zien. Hij
had de kleur van maanlicht
op sneeuw en zweeg ook
als maanlicht, maar hij ademde

zoals je je kunt indenken dat
God ademt binnen de begrenzing
van onze godsdefinitie, getergd
door onbereikbare onmetelijkheden
.

Origineel:

The White Tiger

It was beautiful as God
must be beautiful; glacial
eyes that had looked on
violence and come to terms

with it; a body too huge
and majestic for the cage in which
it had been put; up
and down in the shadow

of its own bulk it went,
lifting, as it turned,
the crumpled flower of its face
to look into my own

face without seeing me. It
was the colour of the moonlight
on snow and as quiet
as moonlight, but breathing

as you can imagine that
God breathes within the confines
of our definition of him, agonising
over immensities that will not return.

Uitgelicht bericht

2. JHvdB – Jan Hendrik van den Berg – jeugd, carrière en schrijverschap

Dit is het tweede deel in een reeks beschouwingen over de metableticus Jan Hendrik van den Berg. Het behandelt beknopt zijn levensloop: jeugd, academische carrière en schrijverschap.

  1. JHvdB – Jan Hendrik van den Berg: wegbereider van een radicaal conservatisme (link)
  2. JHvdB – Jan Hendrik van den Berg – jeugd, carrière en schrijverschap
  3. JHvdB – Leermeester Rümke en de Utrechtse School (link)
  4. JHvdB – Internationale contacten: Heidegger, Lacan, Bachelard (link)
  5. JHvdB – Opkomst en ondergang van een echte schrijver (link)
  6. JHvdB – Geestdrift en wetenschap: de betekenis van de roes (link)
  7. JHvdB – Metabletica – een vorm van historische fenomenologie (link)
  8. JHvdB – Rebellie: euthanasie, apartheid, racisme, christendom (link)
  9. JHvdB – Paradoxaal conservatisme (link)
  10. JHvdB – Slotbeschouwing (link)
  11. JHvdB – Bronnen (link)
Jan Hendrik van den Berg. Foto: Wim van Vossen sr.

In 2002 publiceerde de Rotterdamse hoogleraar en rector van de Erasmus School of Philosophy Hub Zwart een boek dat geheel aan leven en werk van Van den Berg is gewijd: Boude bewoordingen. De historische fenomenologie (‘metabletica’) van Jan Hendrik van den Berg. Het is geen biografie in de geijkte zin, maar het verschaft ruimschoots biografische informatie. Ook heeft Zwart kennelijk het vertrouwen van Van den Berg weten te winnen.

Boude bewoordingen is een intellectuele biografie: de wereld van gedachte en gemoed worden in hun samenhang en ontwikkeling vanuit verschillende invalshoeken belicht en besproken. Zwart was geïntrigeerd geraakt door de kloof tussen de aanhoudende buitenlandse belangstelling voor de metabletica en de relatieve inheemse vergetelheid waarin de latere Van den Berg was verzonken. Hij noemt hem ergens ‘de grootste Nederlandse filosoof’ (van zijn tijd).

Er zijn meer bronnen voor Van den Bergs levensloop: interviews natuurlijk, gepubliceerde briefwisselingen en ook besprekingen van zijn levenswerk. Maar ook verder heeft hij zich niet onbetuigd gelaten: in zijn latere werk geeft hij vaak biografische informatie, bijvoorbeeld in het Woord vooraf in zijn Koude rillingen over de rug van Charles Darwin (1981), De kop van de Bromvlieg (2001), Geen toeval (1996), Op het scherp van de snede, waarvan de ondertitel veelzeggend luidt: Memoires van een gewraakt schrijver (2013). Ook is hij als fenomenoloog –  een wetenschapsman dus voor wie het subjectieve nadrukkelijk medebepalend is voor de resultaten van het onderzoek – nooit geheel afwezig in zijn werk.

Hub Zwart leest Metabletica van Jan Hendrik van den Berg. Foto RD, Henk Visscher

Jan Hendrik van den Berg heeft bijna een volle eeuw geleefd: hij werd in 1914 in Deventer geboren en overleed in 2012 in Gorinchem. Hij groeide ook op in Deventer, als jongste van twee broers. Het landschap van zijn jeugdige ontdekkingstochten was een waterwingebied dat hij als een ‘dorado’ beleefde. Hij raakte verrukt van de natuur, ontwikkelde een grote liefde voor insecten, en raakte gefascineerd door het wonderbaarlijke van de natuurlijke historiën. Ook zijn moeder was een natuurliefhebster die tevens graag literaire boeken las, zoals de Max Havelaar en Woutertje Pieterse. Zijn vader was natuurwetenschappelijk geïnteresseerd en nam hem mee naar kloosters. Hij leek uiterlijk het meest op zijn moeder.

Het milieu waarin hij opgroeide kan getypeerd worden als idealistisch en sociaaldemocratisch met veel aandacht voor verheven cultuur. Er was begrip en aandacht voor een enigszins christelijke spiritualiteit, zonder dat de ouders naar de kerk gingen. Ze waren beiden wel van Nederlands-Hervormde afkomst. Er was geen bezwaar tegen de kerkgang waarvoor de jonge Van den Berg soms koos. Hij werd bekoord door de stilte, het ritueel en de mystiek, en ook door de kerkelijke aandacht voor het woord.

Om zijn studie geneeskunde (1936-1946) te bekostigen wordt hij wiskundeleraar. Over zijn studie schrijft Hub Zwart (Boude bewoordingen, p. 18): “Bij zijn eerste kennismaking met de geneeskunde wordt hij vooral getroffen door het romantisch-mysterieuze aspect ervan: het mysterie van het leven, de eerbied voor het lijk in de snijzaal, de highlights uit de geschiedenis van het vak.” Maar het klinische werk ligt hem minder – hij vindt het fysieke contact onprettig, vooral met vrouwelijke patiënten – en hij kiest voor psychiatrie. Zijn leermeester wordt de fenomenologische psychiater Henricus Cornelis Rümke – in zijn tijd een internationaal vermaard man –  bij wie hij ook in 1946 promoveert op het proefschrift: De betekenis van de phaenomenologische of existentiële anthropologie in de psychiatrie. Van den Berg begon een psychotherapeutische praktijk in Utrecht, trouwde en kreeg vier kinderen.

Rümke was een psychiater die aandacht had voor spiritualiteit en geloof, iemand die de stelling van Freud – ‘geloof is een ontwikkelingsstoornis’ – omdraaide: hij beschouwde juist ‘ongeloof’ als een stoornis (Karakter en aanleg in verband met het ongeloof. Psychologie van het ongeloof, 1939). Deze aandacht is voor Van den Berg niet zonder betekenis geweest. In zijn Metabletica wijst hij erop dat ten tijde van Freud de seksualiteit onderdrukt was en de spiritualiteit bloeide, maar dat in zijn tijd (dat is de tijd waarin Van den Berg schreef: tweede helft van de twintigste eeuw) juist de spiritualiteit het kind van de rekening was: zijn patiënten hadden veelal een bloeiend seksleven, maar een gevoel van geestelijke leegheid, ongerichtheid en onvervuldheid vormde voor hen een permanente kwelling.

In de jaren na de oorlog legt hij ook veel internationale contacten: Henri Ey, Jean Wahl, Jacques Lacan, Gaston Bachelard, Martin Heidegger.

In 1949 wordt hij geroyeerd als lid van het Psychoanalytische Genootschap omdat hij het bestaan van het onbewuste ontkend zou hebben, in 1951 wordt hij hoogleraar Pastorale Psychologie aan de Theologische Faculteit te Utrecht, in 1954 wordt hij hoogleraar Fenomenologische Methoden en Conflictpsychologie te Leiden.

In 1956 publiceert hij het boek Metabletica waarvan 26 drukken verschenen en 80.000 exemplaren werden verkocht. Er verschenen vele vertalingen van het boek. Het succes drukte een groot stempel op zijn verdere levensloop.

Zijn eerste metabletische ervaringen had hij overigens al veel eerder. Hij had in zijn jonge jaren een boek van Adolf Meyer uit 1936 gelezen die samenhang zag tussen de ontdekking van de bloedsomloop en het ontstaan van de barok. En een tweede ervaring: toen hij na de oorlog een poos in Frankrijk was, begreep hij de Franse psychiatrie niet. Op advies van een collega ging hij Franse belletrie lezen. Pas toen begreep hij dat de Franse cultuur gericht was op waarnemen, en dat de centrale psychiatrische categorie de hallucinatie was. De Duitse cultuur daarentegen is een denkcultuur en de corresponderende psychiatrische categorie is daar niet de hallucinatie, maar de waan.

Eersteling Metabletica bleek bepaald geen eenling te zijn; het was het begin van een reusachtig intellectueel project. Er volgde in de jaren vijftig en zestig een grote reeks metabletische publicaties, die allemaal graag gelezen en veel verkocht werden, maar die hem geen waardering in de Nederlandse wetenschappelijke wereld opleverden. Internationale waardering ondervond hij soms wel: in Amerika, Engeland, Canada, Japan, Zuid-Afrika.

In 1969 verscheen Medische macht en medische ethiek, een regelrechte bestseller, een boek dat ook serieuze invloed had op de ontwikkeling van het medisch-ethisch denken in een tijd waarin het medisch kunnen enorm toenam. Maar het was ook een provocerend boek, omdat het actieve levensbeëindiging als serieuze mogelijkheid noemde in die gevallen waarin de medische macht in de positie was geraakt om een – volgens Van den Berg – mensonwaardig leven in stand te houden.

Begin jaren zeventig treedt een keerpunt op: zijn geschriften worden maatschappijkritisch en hij raakt regelrecht in conflict met zijn tijd over de bezoeken die hij aan Zuid-Afrika brengt, een land  dat, zoals bekend, in die tijd een apartheidsregime kent. Hij weigert apartheid te veroordelen, en doet uitlatingen die getuigen van racisme en van een opvatting die later ‘witte (of blanke) suprematie’ zou worden genoemd.

Hooligans

Zijn metabletische werk wordt na dit keerpunt steeds actualiteitskritischer, zoals uit De reflex, Metabletica van de materie en Gedane Zaken blijkt. De belangrijkste voorbeelden hiervan zijn Hooligans – een metabletisch onderzoek naar oorsprong en verspreiding van het verschijnsel anarchisme – en een nakomende maar bijbehorende publicatie: Pest, Syphilis, Aids. In deze boeken uit hij zich soms onomwonden reactionair en in laatstgenoemde publicatie zelfs racistisch.

In de jaren vijftig vervreemdde hij zich dus van zijn vakgenoten; in de zeventiger en tachtiger jaren vervreemdde hij zich van het grote publiek door zich tegen het toen heersende radicaal-linkse intellectuele – soms zelfs regelrecht marxistische – klimaat te verzetten, en zich als conservatief te profileren.

Na deze periode keert hij terug – hij is dan inmiddels met emeritaat – naar zijn liefde voor de natuur met het boek Koude rillingen over de rug van Charles Darwin. Er volgt ook nog een klassiek-metabletische studie met Metabletica van God. En hij schrijft een aantal kleinere beschouwelijke boeken. De toon is dan een stuk serener, en de stijl minder gespannen, bezwerend en overredend.

Koude rillingen over de rug van Charles Darwin

Hub Zwart wijst erop (Boude bewoordingen, p.24-25) dat onbehagen in wezen aan al zijn metabletische publicaties ten grondslag ligt:

Voor al zijn metabletisch onderzoek geldt dat onbehagen in de actualiteit het vertrekpunt vormt en tot historisch onderzoek inspireert. Zoals onvrede met de actuele geneeskunde aanzette tot een onderzoek naar de geschiedenis van het vakgebied, dat zich uitstrekte van Mundinus (±1300) tot en met Röntgen (± 1900), zo zet onvrede met de actuele onderwijspolitiek aan tot een onderzoek naar de geschiedenis van het anarchisme, dat zich uitstrekt van de Franse Revolutie tot en met de Baader-Meinhof Gruppe.

Hub Zwart onderscheidt ten slotte vier fasen in het schrijverschap van Van den Berg:

  1. 1946-1956 – psychologische en psychiatrische teksten die een fenomenologische sfeer ademen;
  2. 1956-1971 – idem, maar daarnaast publiceert hij een aanzienlijk aantal metabletische teksten;
  3. 1971-1991 – metabletische studies met een geprononceerd maatschappijkritische inzet;
  4. 1991-2012 – metabletische teksten waaruit de maatschappijkritiek goeddeels is verdwenen en miniaturen.

In alle perioden is Van den Berg een schrijver die je puur voor je genoegen kunt lezen, die altijd glashelder is, die ongelooflijk veel weet, die origineel is en soms verrassende inzichten heeft.

Hub Zwart vertelt dat Van den Berg ooit voor de P.C. Hooftprijs in aanmerking leek te komen, maar dat zijn unzeitgemäße en een enkele keer ook regelrecht afstotende maatschappijkritische opvattingen een te grote belemmering hebben gevormd om hem voor te dragen.

In 2012 overleed hij op hoge leeftijd. Hij vond dat hij een prachtig leven had gehad.

Uitgelicht bericht

1. JHvdB – Jan Hendrik van den Berg: wegbereider van een radicaal conservatisme

Dit is de eerste aflevering van een reeks beschouwingen die ik de komende weken op mijn website zal publiceren. De bronnen die ik vooraf heb verzameld en gelezen, publiceer ik gelijktijdig als elfde slotbijdrage. Navigatie tussen de bijdragen kan plaatsvinden met behulp van het navolgende overzicht. Dat kan uiteraard pas nadat de betreffende afleveringen zijn geplaatst en de hyperlinks onder “(link)” zijn aangebracht.

  1. JHvdB – Jan Hendrik van den Berg: wegbereider van een radicaal conservatisme
  2. JHvdB – Beknopte biografie van Jan Hendrik van den Berg (link)
  3. JHvdB – Leermeester Rümke en de Utrechtse School (link)
  4. JHvdB – Internationale contacten: Heidegger, Lacan, Bachelard (link)
  5. JHvdB – Opkomst en ondergang van een echte schrijver (link)
  6. JHvdB – Geestdrift en wetenschap: de betekenis van de roes (link)
  7. JHvdB – Metabletica – een vorm van historische fenomenologie (link)
  8. JHvdB – Rebellie: euthanasie, apartheid, racisme, christendom (link)
  9. JHvdB – Paradoxaal conservatisme (link)
  10. JHvdB – Slotbeschouwing (link)
  11. JHvdB – Bronnen (link)
Jan Hendrik van den Berg. Foto: Wim van Vossen sr.

In 2019, op een zaterdag in juni, organiseerde Henk Jan Prosman – een PKN-predikant met radicaal-conservatieve opvattingen – een boekpresentatie en een debat in een voormalige synagoge in Gouda. Onderwerp van de bijeenkomst was: Het christendom en het einde van Europa. Voor het debat waren ook Bart Jan Spruyt, medeoprichter van de conservatieve Edmund Burke-stichting, en Thierry Baudet, oprichter en partijleider van Forum voor Democratie, uitgenodigd. Prosman presenteerde er zijn vertaling van een boek van Douglas Murray: Het opmerkelijke einde van Europa. Immigratie, identiteit en islam.

V.l.n.r.: Thierry Baudet, Bart Jan Spruyt en Henk Jan Prosman – Gouda. Copyright foto: Reformatorisch Dagblad

Deze kleine maar drukbezochte bijeenkomst was typerend voor het radicale conservatisme dat ruwweg sinds de Fortuyn-revolte het publieke debat in Nederland domineert: een besef dat de eigen beschaving teloorgaat, het idee dat de islam onverenigbaar is met Westerse waarden, de overtuiging dat er zoiets onwenselijks als ‘massa-immigratie’ plaatsvindt, een ambivalente houding jegens het christendom (mooie woorden zonder commitment), een utopische, bijna eschatologische voorstelling van het heil dat het conservatisme zal brengen, bittere afkeer van alles wat links-liberaal is  (‘cultuurmarxisme’), verwerping van nauwere samenwerking binnen Europa, scepsis over multilaterale verbanden in de buitenlandse politiek, geestdrift voor een patriottisch nationalisme, bagatellisering van het vrijheidsbenemende streven van autoritaire regimes, een gerichtheid op de eigen blanke identiteit.

De Franse Revolutie vertegenwoordigt in deze sfeer de zondeval: Vrijheid is losbandigheid, Gelijkheid de grote boosdoener, Broederschap het kind van de rekening. De studentenopstand van 1968 toont de doorwerking van het kwaad dat in 1789 voet aan de grond kreeg.

Baudet had Spruyt in een ver verleden ooit ‘Johannes’ genoemd, een verwijzing naar Johannes de Doper, wegbereider van Jezus van Nazareth, de Messias. Tijdens dat symposium haalde Spruyt die Johannes-verwijzing aan, en hij stelde Baudet bijna dezelfde vraag die Johannes de Doper ooit aan Jezus had gesteld: “Ben jij Thierry, degene die komen zou, of verwachten wij een ander?” Spruyt vroeg zich af of Baudet de man was bij wie het conservatieve gedachtegoed van Bolkestein en Fortuyn in goede handen was en of hij er politiek resultaat mee zou boeken.

Baudets typering van Spruyt als heraut van het radicale conservatisme was niet helemaal uit de lucht gegrepen. Spruyt ijvert al vrij lang voor een herwaardering van het conservatieve gedachtegoed. Dit gedachtegoed krijgt in zijn handen vaak een revolutionaire strekking. De medeoprichter van de Burke-stichting was tevens betrokken bij de oprichting van de PVV, heeft een tijdlang als Wilders’ medewerker gefungeerd, maar raakte teleurgesteld in diens koers. Vervolgens vestigde hij zijn hoop op Baudet, in wie hij inmiddels ook wel teleurgesteld zal zijn. Who’s next?

Toch denk ik dat de echte heraut van deze radicaal-conservatieve ontwikkelingen niet Bart Jan Spruyt is. De ware wegbereider in Nederland lijkt me de metableticus, filosoof en zenuwarts Jan Hendrik van den Berg (1914-2012), auteur van een groot, leesbaar en in sommige opzichten interessant oeuvre, maar ook een auteur die wetenschappelijke dwaalwegen bewandelde, en in een later stadium van zijn ontwikkeling soms een bitter, racistisch, agressief en christelijk getoonzet conservatisme uitdroeg.

Van den Berg bleek in zijn nadagen ook een zekere waardering voor het optreden en de verschijning van Pim Fortuyn te hebben, een politicus immers die zich kleedde als een heer, die voornaam woonde, die de gave van het woord bezat, die graag poseerde als hoeder van vergeten waarden, de man ook die ons kwam verlossen van een doorgeslagen egaliteitsdenken.

Metabletica

Tegelijkertijd schuilt er iets merkwaardigs in het feit dat Van den Berg niet zag dat Pim Fortuyn eigenlijk een intellectuele ‘hooligan’ was – een woord dat Van den Berg graag gebruikte om daarmee moderne revolutionaire dwaallichten te typeren. Fortuyn was namelijk een man met een hedonistische en adolescente levensstijl, iemand die moeiteloos zwenkte van een marxistische naar een radicaal-conservatieve koers, iemand die niet schroomde om de betrekkelijk gematigde kabinetten-Kok de ‘puinhopen van Paars’ aan te wrijven, iemand die lachend over zijn darkroom-avonturen met Marokkaanse jongetjes vertelde. Dit raadsel zal later uitgebreider aan de orde zal komen, maar een tipje van de sluier kan al wel worden opgelicht: Van den Berg zwom ook zelf graag in tegen het tij, was eveneens een provocateur, was in zekere zin ook een hemelbestormer, iemand die zijn best deed om met zijn boeken heel te maken wat kapot dreigde te gaan.

Van den Berg was in de jaren vijftig en de vroege jaren zestig van de twintigste eeuw een schrijver van naam, een originele hoogleraar die boeken schreef die in veel talen vertaald werden. Zijn bekendste werk is Metabletica. Leer der veranderingen (1956), een vorm van historische fenomenologie. Daarop volgden een groot aantal ‘metabletische’ publicaties. Vakgenoten bekeken zijn groeiende reputatie van meet af aan met reserve of regelrechte vijandigheid.

Medische macht en medische ethiek

Van den Berg was weliswaar een heer van stand, een man van de wetenschap, maar hij ontpopte zich gaandeweg ook als een intellectuele rebel, een agressieve cultuurcriticus. Deze wending kwam op den duur zijn reputatie niet ten goede.

Van den Berg was de eerste die al heel vroeg openlijk voor euthanasie pleitte door middel van een kleine publicatie: Medische macht en medische ethiek (1969). Hij geloofde in de superioriteit van de cultuur die zich in Europa had ontwikkeld, en meende dat de raciale constitutie van andere volkeren hen minder geschikt maakte om dezelfde hoogten zelfstandig te bereiken. Hij meende ook dat de verwerping van de christelijke erfenis de mensen blind maakte voor de synchroniciteitsgedachte die hij vurig bepleitte, de gedachte dat er iets planmatigs schuilt in het samen optreden van ongelijksoortige gebeurtenissen, waardoor zich scharniermomenten in de menselijke geschiedenis openbaren. Hij betreurde de democratische ontwikkelingen aan de universiteiten en geloofde in een op gezag en talent gebaseerde hiërarchische ordening van instituties. En hij raakte bitter gestemd door de tegenwerking die hij ondervond, of meende te ondervinden.

Als onbekende Wikipedia-schrijver heb je soms meer invloed dan je zelf beseft. In 2008 (her)schreef ik onder het van Kurt Tucholsky geleende pseudoniem Theobald Tiger delen van het Wikipedia-artikel Jan Hendrik van den Berg. Ik typeerde daarin Van den Bergs metabletische geschriften als volgt:

“De kern van zijn leer is dat gelijktijdig optredende ongelijksoortige verschijnselen, in samenhang beschouwd, licht kunnen werpen op het menselijk bestaan en de geschiedenis.”

Deze zin is letterlijk overgenomen op een gedenkplaat die op 12 juni 2014 werd aangebracht bij het drinkwaterpompstation in het Nieuwe Plantsoen aan de Ceintuurbaan te Deventer ter gelegenheid van het feit dat Van den Berg op 11 juni 1914 geboren was.

(Hier voeg ik het grootste deel van de bettreffende zin aan het Wikipedia-artikel toe. En hier voeg ik er ten slotte nog de bepaling ‘in samenhang beschouwd’ aan toe.)

Op deze website hoop ik de komende weken zo nu en dan een bijdrage te plaatsen over deze zo interessante, maar bijna geheel vergeten schrijver, over zijn ontwikkelingsgang, denkbeelden en ontsporingen, in de hoop wat meer licht te werpen op het radicaal-conservatieve verschijnsel dat overal om ons heen in wisselende gedaanten en intensiteiten zichtbaar is.

Daarbij zal ik proberen ook enige aandacht te schenken aan de paradoxen van het huidige conservatisme, overigens zonder de pretentie te voeren daarmee iets nieuws te zeggen. Mijn bronnen verantwoord ik in de slotbijdrage. Die bronnen heb ik uiteraard vooraf verzameld en gelezen. Ik publiceer ze daarom gelijktijdig met deze introductie op mijn website.

Uitgelicht bericht

De ontmythologisering van Spinoza

In het tijdschrift Soφie verscheen deze maand De ontmythologisering van Spinoza, een beschouwing van mijn hand n.a.v. het boek De list van Spinoza van Victor Kal. Wie mijn reeks beschouwingen over dat boek op deze website gevolgd heeft, zal bepaalde passages wel herkennen.

Soφie is een uitgave van de Stichting voor Christelijke Filosofie.

Het artikel is hier raadpleegbaar.

Uitgelicht bericht

Kerst – R.S. Thomas

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilderes Mildred Eldridge (1909-1991).

R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).

Een aardig artikel over Thomas’ leven en werk is van de hand van Theodore DalrympleA Man Out of Time.

Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.

In dit gedicht wordt de sereniteit van de kerstviering sterk gecontrasteerd met de hardheid van het gelovige hart. Het gaat hier uiteraard over een Avondmaalsviering waarin het brood dat wordt uitgereikt het lichaam van Christus is (of symboliseert, afhankelijk van de christelijke traditie), en de wijn die wordt rondgedeeld het bloed van Christus.

Het Engelse parish heeft een kerkelijke en een burgerlijke betekenis, net als het Nederlandse woord kerspel. N.a.v. deze prettige twitterdiscussie over vertaalkwesties die spelen bij dit gedicht (dank aan alle deelnemers), heb ik in mijn vertaling het woord ‘parochies’ dat in een Nederlandse context een exclusief kerkelijke betekenis heeft, vervangen door ‘kerspels’. Het nadeel dat ‘kerspel’ minder bekend is dan ‘parochie’ neem ik daarmee voor lief. Het woord ‘kerspel’ spreek je net zo uit als het woord ‘mispel’, met een schwa of stomme e in de laatste lettergreep dus.

Llanbadrig Church on Anglesey waarop een uiterst eenvoudige lantaarn met kerkklok staat.

Het woord lantaarn heeft in dit gedicht een architectonische betekenis: het is de meestal open bekroning van een groter dakelement of koepel waarin soms een klok of carillon is geplaatst. De daklantaarns van de Welshe kerkjes kennen een zeer grote eenvoud. Op bijgaande afbeelding is zo’n uiterst eenvoudige Welshe lantaarn te zien. Ze worden bell-cot of bellcote genoemd.

Het is goed om te bedenken dat het woord ‘lantaarn’ ook betrekking kan hebben op de verfijnde bekroning van de Dom van Florence.

Dit gedicht is opgenomen in de bundel Not That He Brought Flowers (1968).

Vertaling:

Kerst

Een nieuwe morgen;
Tijd brengt die nader,
broos van vorst
en sterrenlicht. Uilen zingen
in de kerspels. Mensen staan op
en lopen naar de stenen kerk-
lantaarns; daar knielen ze,
en eten het nieuwe brood
van de liefde, wat ze wegspoelen
met de scherpe smaak
van bloed dat ze zullen vergieten.

Origineel:

Christmas

There is a morning;
Time brings it nearer,
Brittle with frost
And starlight. The owls sing
In the parishes. The people rise
And walk to the churches’
Stone lanterns, there to kneel
And eat the new bread
Of love, washing it down
With the sharp taste
Of blood they will shed.

Uitgelicht bericht

Kerstkind – R.S. Thomas

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilderes Mildred Eldridge (1909-1991).

R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).

Een aardig artikel over Thomas’ leven en werk is van de hand van Theodore DalrympleA Man Out of Time.

Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.

Dit gedicht komt uit de bundel Experimenting with an Amen uit 1986, en de titel van die bundel suggereert dat hij moeite doet om tot een vorm van geloofsaanvaarding te komen – uitgedrukt met het bekende slotwoord van het gebed, Amen (= zo zal het zijn).

Het stralende kerstkind wordt vergeleken met de stralende maan, en zoals de maan naar beneden straalt vanuit het heelal, zo straalt het kind op een vreemde manier naar het heelal, tussen de wolkenflarden door, als een lamp tussen scherven. Het woord ‘abroad’ betekent hier zowel ‘uitheems’, ‘vreemd’, ‘niet-passend’, ‘misplaatst’, ‘ongerijmd’ als ‘verreikend’, ‘grensoverschrijdend’. Ik heb geprobeerd dit uit te drukken met ‘verdwaald’.

Vertaling

Kerstkind

De maan wordt geboren
en een kind wordt geboren,
gewikkeld in witte lakens
als de maan in de wolken.

Ze stralen allebei, maar
het licht van de één
is verdwaald in het heelal
als tussen scherven van glas.

Origineel:

Nativity

The moon is born
and a child is born,
lying among white clothes
as the moon among clouds.

They both shine, but
the light from the one
is abroad in the universe
as among broken glass.

Uitgelicht bericht

Veluwezoom

Veluwezoom

Om beurten laten takken tonen los.
Geen talkshow, kerk of industrie
zingt antifonen van melancholie
als hier – waar zijn de saters in dit bos?

’t Is bijna Kerst vrijzinnig rendiermos
om steile sparren. Oecumene. Parodie.
Geen vogel zingt in deze liturgie;
een eik knielt neer voor Thanatos.

Zo ga ik zwijgend heen naar waar ik was,
en eigen langzaam toe wat ik verliet.
Met deze winteropbrengst in mijn tas,

bereik ik nu het glooiende verschiet,
waar een orkestje met een contrabas
de inzet speelt van een hermetisch lied.

(Eigen werk)

[Ingrijpend aangepast op 16/17-12-2020]

Uitgelicht bericht

Bedevaartstochten – R.S. Thomas

Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de subtiele schilderes Mildred Eldridge (1909-1991).

Een aardig artikel over Thomas’ leven en werk is van de hand van Theodore DalrympleA Man Out of Time.

Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.

In dit gedicht maakt Thomas zich op voor een ontmoeting met God, een ontmoeting die uit lijkt te blijven, maar paradoxalerwijs toch plaats lijkt te vinden. De setting is vertrouwd: een verlaten eiland, de zee, een door de tijd getekend kerkje. Andere mensen van wie hij zich vervreemd voelt. Een intense stilte, eenzaamheid, twijfel, twijfelend geloof.

Het is een ongebonden vers, voortgestuwd door enjambementen, zinnen die over de versregels heenlopen. Van groot belang is hier het ritme van de zinnen.

Het eiland is Bardsey Island (Welsh: Ynys Enlli), het eindstation van de North Wales Pilgrim’s Way, een eiland dat R.S. Thomas kon zien liggen als hij uitkeek over zee.

Het gedicht is gepubliceerd in de bundel Between Here and Now (1981).

Vertaling:

Voordracht van de vertaling

Bedevaartstochten

Er is een eiland waar je niet naar toe
kunt, alleen met een bootje zoals
vroeger de heiligen, gaande de gang
langs de doodsbange koppen van
hen die reeds lang zijn verdronken, kauwend
op het gruis van zijn stranden. Zo ging
ik de zoutweg op naar het gebouw
met het stenen altaar en de gedoofde
kaarsen, en ik knielde en hief mijn blik
op naar de woedende waterspuwer,
een uiltje dat lijkt op een gekrompen en
wrokkig geworden god. Geen gestalte
is meer te zien in het glas-in-lood
van de hemel. Ben ik te laat?
Waren ze ook te laat, deze
eerste pelgrims? Hij is zo’n snelle
God, ons altijd vooruit, en
steeds weggaand als we komen.
Er zijn er hier ook die
niet gekomen zijn om te bidden, wier
dagelijkse eredienst de eeuwige zee is.
Ze luisteren niet naar gezangen
maar naar de trage chemie van de bodem
die heiligenbeenderen tot stof maakt,
stof die kriebelt in de neusgaten.

Op dit eiland is alles tijdloos.
De slingerbeweging van het tij
kent geen klok: wat gebeurt
heeft dag noch uur. Deze mensen zijn niet
vroeg of laat: ze zijn hier slechts
om die ene vraag te stellen
die het leven beantwoordt door
zich in hen te roeren. Degene die de
vraag stelt ben ik. Was mijn bedevaart
misschien om te komen tot
mezelf, om te beseffen dat op zulke
momenten en voor iemand als ik
God zich nooit klaar en helder
buiten vertoont, maar veeleer duister en
onbegrijpelijk – alsof hij hierbinnen was?

Origineel:

Pilgrimages

There is an island there is no going
to but in a small boat the way
the saints went, travelling the gallery
of the frightened faces of
the long-drowned, munching the gravel
of its beaches. So I have gone
up the salt lane to the building
with the stone altar and the candles
gone out, and kneeled and lifted
my eyes to the furious gargoyle
of the owl that is like a god
gone small and resentful. There
is no body in the stained window
of the sky now. Am I too late?
Were they too late also, those
first pilgrims? He is such a fast
God, always before us and
leaving as we arrive.
There are those here
not given to prayer, whose office
is the blank sea that they say daily.
What they listen to is not
hymns but the slow chemistry of the soil
that turns saints’ bones to dust,
dust to an irritant of the nostril.

There is no time on this island.
The swinging pendulum of the tide
has no clock: the events
are dateless. These people are not
late or soon: they are just
here with only the one question
to ask, which life answers
by being in them. It is I
who ask. Was the pilgrimage
I made to come to my own
self, to learn that in times
like these and for one like me
God will never be plain and
out there, but dark rather and
inexplicable, as though he were in here
?

Uitgelicht bericht

Kaketoes

voor de dichter L.

strakke kuifjes scheefstaand op pratende hoofdjes
rare kaketoes die konterfeitsels kakelen

woedende wenkbrauwen aardbol sprenkelend
met giftige pedagoochempraat

niemand zal ooit meer deftig zijn
niemand zal krakelieren
zoals de zwanen vroeger krakelierden
lyrisch krakelierden
stervend zullen krakelieren
in de kerker van hun hoofd

een twee een twee een twee drie
opgemarcheerd
naar de vette landerijen
onverveerd en vanzelfsprekend
ulieden warm aanbevelend

katers warm als geile broodjes
spinnen op de vensterbank

hoe harder ik schreeuw
hoe naakter de geeuw
van al die krioelende
kraaiende krakelierende kaketoes
en hun onvolkomen
naar de hemel reikende
konterfeitsels

(Eigen werk – Lucebert-pastiche)

Uitgelicht bericht

Kaketoe

Kaketoe

Een schertsvers

Oote, oote, oote boe,
sprak de geelkuifkaketoe.
Niemand die de dichter kent,
want de dichter is een koe.

Toen het spartelend serpent
in haar bedje werd verwend,
zei de dichter zomaar ‘boe’
zonder zuinig sentiment.

Maar de steile kariboe
wordt het grazen nimmer moe.
Dichtend hurkt hij op zijn krent,
schrijvend naar de lezer toe.

Meestal is hij indolent
(Pierre Bourdieu is hem bekend).
Toen vervloekte hij zijn moe;
iedereen was hoogst content.

Driemaal ‘oote’ gaf hij toe,
wordt de lezer misschien moe.
‘Tiefsinn’ is dan wel absent,
Maar toch niet de kaketoe!

(Eigen werk)

Uitgelicht bericht

Victor Kal – De list van Spinoza – 10

Dit is het tiende deel van een beschouwing over het werk van Victor Kal – Slot

  1. Enkele gedachten over het werk van de filosoof Victor Kal (link)
  2. Wie was Spinoza (link)
  3. De Spinoza-receptie in Nederland (link)
  4. Victor Kal en De list van Spinoza (link)
  5. Gelijkschakeling (link)
  6. Kals levensbeschouwelijke positie (link)
  7. Theocratie en Democratie (link)
  8. De rehabilitatie van de schuld (link)
  9. De list van Spinoza (link)
  10. Besluit
  11. Geraadpleegde literatuur (link)

10. Besluit

Klaas Schilder

Ik erger me al heel lang aan mensen die met afgrijzen spreken over het ‘individualisme’ dat om zich heen zou grijpen en elk gemeenschapsleven in de verdrukking duwt. Ik begreep heel lang niet wat mij in die afkeer van individualisme tegenstond, want het is natuurlijk duidelijk dat iemand die alleen aan zichzelf denkt geen waardering verdient. Narcisme en solipsisme zijn ontaardingen, maar – meende ik – ze constitueren het individualisme niet.

De list van Spinoza van Victor Kal heeft me geholpen om meer helderheid te krijgen. De gelijkschakeling waarvan Spinoza’s vernuftige bedenksels getuigen, is het meest voor de hand liggende alternatief voor het individualisme, en het is op dit moment bovendien geenszins denkbeeldig dat zo’n gelijkschakeling zal optreden of plaatsvinden.

De charme, de betovering, het verlangen om iets bijzonders van je leven te maken, om iets met de aan jou gegeven vrijheid te doen, kun je weliswaar individualistisch noemen, maar het is iets dat ik niet wens te verloochenen.

En er is nog iets: ik kom uit een vrijgemaakt-gereformeerd milieu. Ook in deze minizuil vond een gelijkschakeling plaats die enigszins het schema van Spinoza volgde: alle deelnemers droegen hun individualiteit over aan het geheel, en het getrapte vrijgemaakte regime zorgde ervoor dat de juiste opvattingen de enige waren die kans kregen om te worden geuit.

De welhaast vergoddelijkte leiders waren natuurlijk K. Schilder en Piet Jongeling, en het is een geluk geweest dat hun opvolgers – Douma, Kamphuis, enz. – zulke middelmatige figuren waren.

Mijn vorig jaar overleden moeder betreurde het vaak dat ‘het eerste vuur’ dat na de vrijmaking in de harten van de mensen brandde, gedempt werd door het verstrijken van de tijd, maar ik volg haar daarin niet. Ik denk dat het individualisme meer heeft gebracht dan mijn moeder voor mogelijk hield, en ik denk ook dat de vrijgemaakt-gereformeerde gelijkschakeling meer kapot heeft gemaakt dan ze ooit heeft beseft.

Piet Jongeling

Het is uiteraard beter om niet op het zand te blijven kauwen waarin je ooit bent neergedrukt, maar dat betekent niet dat je niet aangenaam getroffen kunt worden door een boek dat licht werpt op wat voor jouzelf een duistere periode was.

Onder militante atheïsten is Spinoza een held die het leven zelf in de schaduw stelt met zijn formidabele geestkracht en zijn schroeiende bijbelkritiek. Ik heb daar altijd mijn bedenkingen bij gehad, omdat het Theologisch-politieke tractaat mij vanaf eerste lezing (jaren ’80) tegenstond. Maar ik wist niet waarom.

Het optreden van populistische en autoritaire bewegingen in een wereld waarin een moreel nihilisme lijkt schuil te gaan achter een façade van legaliteit en fatsoen, maakt mij onrustig. Op dit punt heeft Kal mijn gedachten zeker verhelderd.

Veel van mijn gelovige generatiegenoten met intellectuele belangstelling hebben het christendom verworpen, en een aantal van hen hebben zich ontwikkeld tot militante atheïsten.

Ayaan Hirsi Ali – een bijna archetypische renegaat, fanatieker dan Paulus na zijn Damascus-ervaring, zendeling van het militante ongeloof – meent dat het haar taak is om de Islam tot een reformatie op te roepen. Iets van Spinoza’s minachting voor het domme volk klinkt daarin door. Zelf beschouwt ze de godsdienst als een krankzinnige dwaling – niet voor niets is ze één van de woordvoerders van het New Atheism (met onder anderen Dawkins, Harris, Dennett, Hitchens) – maar het domme volk kan misschien met een enigszins hervormde, afgezwakte vorm van godsdienst nog wel uit de voeten.

Onder conservatieven tref je relatief veel mensen aan die zich ‘cultuurchristen’ noemen, die de inhoud van het christendom afwijzen, die het christendom hoogst onvolwassen achten, of een pueriele projectie, die de rite niet volgen, die het nochtans wel mooi vinden dat het blijft bestaan, die het christendom heel waardevol vinden, maar dan vooral voor anderen. Frits Bolkestein en J.L. Heldring noemde ik in dit verband al.

Dat ‘cultuurchristendom’ is een eigenaardig modern verschijnsel. Ik noem een paar kenmerken: nestgeur, samenbindende retoriek, zwakke innerlijke overtuiging, Mattheus Passion, inspiratieloos, onvrij uit loyaliteit, kathedralen & symbolen, kalmerende morele werking, door de staat bevorderd en gekoesterd. Het heeft duidelijk een paar wezenstrekken die het geschikt maken om te figureren in ‘De list van Spinoza’: het is misschien in onze tijd een hartverwarmende mythe waarmee gedroomde leiders het nostalgische, naar de vleespotten van Egypte hunkerende volk aan zich menen te kunnen binden. En – God zij geloofd en gedankt en geprezen – de transcendentie is effectief geëlimineerd.

Misschien vergis ik me – ik hoop het – maar ik ben er niet zeker van.

Ten slotte ben ik een religieus mens, en het treft me dat Kal zo volhardend de waarde van echte religie, een oriëntatie op het transcendente, beargumenteert in een wereld die er prat op gaat dat ze de religie definitief achter zich heeft gelaten, vaak zonder te beseffen hoe religieus die vol trots beleden areligiositeit is, en zonder te beseffen hoe gemakkelijk oude dwalingen waarvan men meent afstand te hebben gedaan, incognito en met een brutaal lachje opnieuw de politieke arena binnenwandelen.

Uitgelicht bericht

Victor Kal – De list van Spinoza – 9

Dit is het negende deel van een beschouwing over het werk van Victor Kal

  1. Enkele gedachten over het werk van de filosoof Victor Kal (link)
  2. Wie was Spinoza (link)
  3. De Spinoza-receptie in Nederland (link)
  4. Victor Kal en De list van Spinoza (link)
  5. Gelijkschakeling (link)
  6. Kals levensbeschouwelijke positie (link)
  7. Theocratie en Democratie (link)
  8. De rehabilitatie van de schuld (link)
  9. De list van Spinoza
  10. Besluit (link)
  11. Geraadpleegde literatuur (link)

9. De list van Spinoza

Ik begin met vier korte Spinoza-citaten:

“Het volk […] nodig ik niet uit om dit te lezen …” (Sp. 93, Kal, p.64)

“[…] die vroomheid kan niet gehandhaafd worden als de enkeling zou mogen leven naar het goeddunken van zijn eigen geest.” (Sp. 428, Kal, p.50)

“… dienaren van Gods woord zijn zij die het volk op autoriteit van het machtsregime de vroomheid leren in een vorm die volgens het besluit van dat machtsregime het publieke nut dient.” (Sp. 420, Kal, p.57)

“ … dat gehoorzaamheid niet zozeer een uiterlijke prestatie, als wel een innerlijke prestatie is. Daarom staat hij het meest onder het gezag van een ander, die vanuit zijn hart besluit de ander op al zijn bevelen te gehoorzamen. Dit impliceert dat diegene de grootste macht bezit die over de harten van de onderdanen heerst.” (Sp. 368, Kal, p. 156)

Volgens de fascisme-kenner Ernst Nolte – later omstreden geraakt door zijn vermeende ‘Verharmlosung’ van de Holocaust, omdat hij de misdadigheid van nazisme en communisme met elkaar vergelijkbaar achtte, en bovendien ook wederzijds door elkaar beïnvloed – is het onzichtbare fundament van het fascisme de ‘Widerstand gegen die Tranzendenz’.

Het doel van De list van Spinoza is om deze fundamentele gedachte van Nolte uit te werken. Spinoza elimineerde eerst elke vorm van transcendentie door God te laten samenvallen met de Natuurlijke Orde. Over die Natuurlijke Orde hebben de filosofen, en in de eeuwen daarna de wetenschappers, het voor het zeggen. Vervolgens schiep hij een ‘ware religie’ waarover de machthebbers het voor het zeggen hebben, niet omdat ze veel vertrouwen hebben in de religieuze voorstellingen, maar omdat het nuttig is om het onstandvastige en wufte volk in dociele gehoorzaamheid te houden aan een publieke moraal die rust en orde en gemeenschappelijkheid zal garanderen.

Allereerst maakt Spinoza daarom een scherp onderscheid tussen filosofie en religie. Het doel van de TTP is dat die twee nooit meer door elkaar worden gehaald. De ontwarring maakt het mogelijk om met het oog op de rust in de samenleving de ‘ware religie’ in te zetten. Daarom staat in religieus opzicht niet ‘de vrijheid om te filosoferen’, maar ‘de gehoorzaamheid’ centraal.

Gehoorzaamheid is het grote doel waar het hele project om draait. Het slaken van de kluisters van onwetendheid en loze begeerten waarin het volk onherroepelijk vastzit, is niet Spinoza’s doel. Het TTP is volstrekt geen emancipatoir project (Kal, p.29). In dit opzicht staat hij lijnrecht tegenover Immanuel Kant (Kal, p. 36-37).

De moderne vrijheid wordt hier heel duidelijk in verband gebracht met Kierkegaard, Kant en Nietzsche.

Het hele project van Spinoza betreft daarom geen vooruitlopen op de moderniteit, maar het is onomwonden en uitgesproken conservatief: “Het is Spinoza’s diepste wens het volk veilig opgesloten te zien binnen de eenvoudige vroomheid die hij voor het eenvoudige volk geschikt acht (Kal, p. 31).

Nietzsche

Kal wijst erop dat het pantheïstische credo van Spinoza – Deus sive natura (God oftewel de natuur) – door Nietzsche spottend vervangen wordt door Chaos sive natura. Dat is niet onbegrijpelijk, zegt Kal:

“Wanneer het erop aankomt te ontdekken wat voor leven je moet leiden, dan helpt inzicht in wat in de natuur onontkoombaar is de mens immers geen zier. Blijft over dat je je in opperste ernst op jezelf oriënteert.” (Kal, p.34)

Kal wijst erop dat de transcendentie die Spinoza afwijst in de ‘ware religie’ toch weer schoorvoetend terugkeert. Spinoza moet wel, want het volk beschikt immers niet over de rede. Maar in het domein van de theologie gelden uiteraard heel andere regels dan in de filosofie (Kal, p.39).

Het is duidelijk dat:

“… Spinoza werkelijk niets van doen heeft met het latere project van verlichting en emancipatie. Door aan het gewone volk de religie toe te wijzen, als surrogaat voor redelijk inzicht, heeft hij voor dat volk de weg richting verlichting en emancipatie bovendien grondig geblokkeerd. Want de ‘ware religie’ is bij Spinoza per se ‘eenvoudige religie’. Deze religie kan alleen naar behoren functioneren zolang zij weggehouden wordt van geleerdheid en redelijk inzicht. […] Daar komt dan nog bij een staat waarvan het de taak is erop toe te zien dat volk en religie ook werkelijk in hun eenvoud opgesloten blijven.” (Kal, p. 39)

De Hollandse eigenzinnigheid reduceert hij tot obscurantisme, de pluriformiteit die hij aantreft tot sektarisme:

“De ‘nieuwe wereld’ die Holland begonnen is te vertegenwoordigen wordt door hem dus grondig verkwanseld. Hij kan die wereld niet serieus nemen. In feite besluit hij heel deze ‘ moderniteit’ in de kiem te smoren.” (Kal, p.52)

Voor Spinoza is de ontwikkelde mens een filosoof en atheïst. De filosoof houdt een transcendente God niet voor een zinvolle gedachte. Toch is zo’n transcendente God de kern van de religie. Ook voor Spinoza. Maar waarde heeft zo’n transcendente God in Spinoza’s optiek uiteraard niet. De religie is uitsluitend een instrument in de handen van een machtsregime. De religie is alleen middel om bij een op zich onhandelbaar volk toch iets te bereiken (Kal, p.110).

En vervolgens (Kal, p. 118): “Zonder enige ophef heeft Spinoza de religie gereduceerd tot een rijtje deugden – alsof dat vanzelf spreekt.”

Spinoza reduceert de religie tot moraliteit:

“Offers en gebeden, of welke praktijk dan ook door middel waarvan de mens zijn God onderhoudt, worden door Spinoza überhaupt niet in aanmerking genomen als serieus te nemen religie. De bedoelde praktijken hebben in de Bijbel overigens dikwijls een ritueel of ceremonieel aspect. Vanuit zijn Joodse achtergrond is Spinoza daar goed bekend mee. Hij ziet er echter de waarde niet van in. Maar ook de ‘ceremoniën van de christenen’ (Spinoza noemt: ‘doop, avondmaal, feesten, uiterlijke gebeden, enzovoort’)  beschouwt hij als volstrekt overbodig.” (Kal, p.119)

Voor zover Spinoza begrijpt wat al deze vormen behelzen, vindt hij ze alleen nuttig als ze het volk tot de vereiste gehoorzaamheid weten te bewegen.

“Tenslotte volgt dat het geloof niet zozeer ware, als wel vrome dogma’s eist, dat wil zeggen, dogma’s die zodanig zijn dat ze het gemoed tot gehoorzaamheid bewegen. Er mogen er best vele onder zijn die geen schijn van waarheid bevatten, als degene die ze aanvaardt maar niet weet dat ze onwaar zijn; anders zou hij noodzakelijk opstandig worden.” (Sp 328, Kal, p.133)

Kortom: volksbedrog wordt Spinoza’s leidraad. In de filosofie gaat het om ‘niets dan de waarheid’, in het geloof om ‘niets anders dan gehoorzaamheid en vroomheid’ (Sp. 332-333, Kal, p. 136).

Om het volk bij de les te houden, dient de leider een list te gebruiken. Hij dient het volk te overtuigen van zijn ‘goddelijke kracht’. Daarvoor dienen de bijbelverhalen goed te worden benut. Dat al die oudtestamentische profeten onzin spreken en dat die evangelieverhalen niet waar zijn, is van ondergeschikt belang, zolang het maar in voldoende mate wonderlijk en exotisch is, zolang het primitieve volk er maar door geïmponeerd wordt (Kal, p.158-159).

Deze list is in de moderne context pervers, al gebruiken ook moderne autoritaire leiders dergelijke middelen om een gedesoriënteerd volk in geestdrift samen te brengen voor een groots nationalistisch doel en onder verheerlijking van de grote leider. “Het aardige van Spinoza is dan”, zegt Kal, “dat hij, beter dan wie dan ook, onbevangen zichtbaar maakt hoe deze perversiteit in elkaar zit” (Kal, p. 163).

Allereerst wordt een amputatie uitgevoerd: er is geen transcendente instantie waarop het volk zich oriënteren kan; vervolgens wordt het volk in de waan gebracht zich toch op enige transcendente bron te oriënteren, waarbij deze transcendente oriëntatie gewiekst op de leider zelf wordt betrokken, zodat het vrome volk zich eendrachtig schaart achter het vaderlandslievende doel van deze ‘goddelijke leider’.

Het schema van de amputatie wordt dan als volgt: “De staat vormt de objectieve inhoud van de religie, terwijl de religie de subjectieve inhoud van de staat vormt”, en: “Men gehoorzaamt God door aan de staat te gehoorzamen, terwijl men aan de staat gehoorzaamt door aan God te gehoorzamen (Sp. 367, 415; Kal p. 173).

“Op grond van dit schema is het mogelijk dat het volk tegelijk ‘op grond van het gezag van het machtsregime handelt’ (de objectieve inhoud van het handelen) en daartoe ‘uit eigen beweging’ overgaat (de subjectieve motivatie van het handelen). Het is de list en de kunst van de machthebber het volk in deze dubbele positie te brengen.” (Kal, p. 174)

Georg Wilhelm Friedrich Hegel

Kal merkt ten slotte op dat het politiek-theologische schema van Spinoza school lijkt te hebben gemaakt bij Hegel (Grondbeginselen van de filosofie van het recht).

Democratie staat bij Spinoza in dienst van het gezag. Het vrome volk draagt zijn macht over aan een machtsregime zodat de macht van dat regime onbedreigd kan worden uitgeoefend. Een machthebber die zich laat toejuichen door het gehele volk staat sterker dan een machthebber die zich laat vleien door een beperkt aantal edelen (Kal, p.181).

Spinoza begrijpt wel dat je zou kunnen tegenwerpen dat het volk zo eigenlijk toch tot slaaf gemaakt wordt. Maar dat is volgens hem toch niet zo: voor het primitieve volk is dit de enige manier om met de rede in aanraking te komen, en zo leven die primitieve mensen toch nog in ‘vrijheid’. Kijk ook maar naar kinderen: die moeten doen wat hun ouders zeggen, want de geboden van de ouders zijn uiteraard altijd op het kinderbelang gericht. (Kal, p. 183)

In deze zin moet ook het bekende Spinoza-citaat Het doel van de staat is de vrijheid (Sp. 427) begrepen worden:

“De geciteerde zin wil zeggen dat de betekenis van de verstandige bevoogding door de staat erin ligt een mens, die dikwijls van geen rede weet, alsnog in te voegen in de orde die de staat voor die mens in petto heeft. Die invoeging bevrijdt een mens ervan overgeleverd te zijn aan de eigen subjectieve willekeur.” (Kal, p. 183)

U ziet: slavernij is vrijheid, en democratie is het uit handen geven van individualiteit. Ook het hart van de mensen moet onder het beslag van de staat gebracht worden. Een voorvechter van een liberale samenleving kunnen we Spinoza moeilijk noemen.

“Daar het nu van het machtsregime de taak is te bepalen wat voor het heil van het hele volk en voor de veiligheid van dat gezag noodzakelijk is, en op te leggen wat het als noodzakelijk geoordeeld heeft, volgt hieruit dat het ook de taak van niemand anders dan het machtsregime is te bepalen op welke wijze ieder zijn naaste met vroomheid moet koesteren, dat wil zeggen op welke wijze ieder verplicht is God te gehoorzamen” (Sp. 414; Kal, p. 210).

Mozes toont de wetstafelen

Ook de scheiding van kerk en staat kunnen we onmogelijk op Spinoza’s conto zetten. Spinoza bespreekt ook Mozes en Christus uitgebreid, maar hij slaagt erin om de centrale preoccupaties van De list van Spinoza, preoccupaties waarmee we inmiddels uitgebreid kennis hebben gemaakt, ongeschonden en gesteund door Bijbelse overwegingen overeind te houden.

En ook de vrijheid van meningsuiting is bij Spinoza niet in goede handen: hij gaat er blind van uit dat de zeer weinigen die met rede begiftigd zijn en toegang hebben tot begrip van de Natuurlijke Orde niets anders kunnen zeggen dan wat die rede hen influistert, en anders is er altijd nog het machtsregime dat de juiste opvattingen over goed en kwaad kan afdwingen.

Ten slotte wijst Kal erop dat de uitwendige riten in het jodendom door Spinoza geheel verkeerd worden geïnterpreteerd als ‘gehoorzaamheid’, terwijl de zin van de rite het ‘voorbereidende handelen’ is dat we eerder al tegenkwamen (in het stuk over Theocratie en Democratie). Deze voorbereiding is nu juist gericht op openheid voor “leven, dat wil zeggen inspiratie, identificatie, oriëntatie, inzicht, kortom al datgene wat je jezelf niet moedwillig kunt toe-eigenen” (Kal, p.250).

De list van Spinoza is heel leesbaar, met mooie citaten. Wel recapituleert Kal vrij vaak, en geeft hij zijn bevindingen steeds opnieuw op een iets andere manier, met een andere invalshoek en met nieuwe conclusies. Misschien heeft hij een collegereeks omgewerkt tot een boek?

In mijn laatste bijdrage aan deze reeks probeer ik – morgen of overmorgen – antwoord te geven op de vraag wat mij bezielde om me zo intensief met dit boek, en met het werk van Kal, bezig te houden.

Uitgelicht bericht

Victor Kal – De list van Spinoza – 8

Dit is het achtste deel van een beschouwing over het werk van Victor Kal

  1. Enkele gedachten over het werk van de filosoof Victor Kal (link)
  2. Wie was Spinoza (link)
  3. De Spinoza-receptie in Nederland (link)
  4. Victor Kal en De list van Spinoza (link)
  5. Gelijkschakeling (link)
  6. Kals levensbeschouwelijke positie (link)
  7. Theocratie en Democratie (link)
  8. De rehabilitatie van de schuld
  9. De list van Spinoza (link)
  10. Besluit (link)
  11. Geraadpleegde literatuur (link)

8. Rehabilitatie van de schuld

Wetboek van Strafrecht

In 2000 publiceerde Victor Kal een artikel in Radix (een christelijk tijdschrift waarin door academici van diverse pluimage – ook joden en atheïsten – geschreven wordt over wetenschap, cultuur en geloof) een artikel waarin hij ‘de rehabilitatie van de schuld’ bepleit – en zo heet dat artikel dan ook.

Het schuldprincipe bestaat in onze wereld wel, maar heeft de gedaante aangenomen van een schadebeginsel dat legalistisch, via een nauwkeurig juridisch protocol, kan worden opgelost. De moraal verdwijnt uit het gezichtsveld, of – beter gezegd – gaat samenvallen met de jurisdictie en het algemeen aanvaarde fatsoen die in de publieke ruimte van kracht zijn. Dit verschijnsel, dat manifest is in onze geseculariseerde wereld, leidt tot een ongevoeligheid voor schuld, tot verdoving, tot anaesthesie, tot onverschilligheid – we voelen de schuld niet meer, en wanneer het schuldgevoel toch opspeelt, redeneren we die schuld behendig weg.

Ik geef allereerst een wat langer citaat dat duidelijk maakt wat Kal onder een geseculariseerde maatschappij verstaat:

Men kan een samenleving voor geseculariseerd houden wanneer de leden van die samenleving geen weet meer hebben van de kloof die hen scheidt van een hogere instantie, die beslissend zou zijn voor het lot dat hun deel is. Hebben zij daar wèl weet van, dan onderhouden zij tot die hogere instantie een relatie. Deze relatie krijgt gestalte als vertrouwen en geloof, lofprijzing en klacht, hoop en vrees, dankbaarheid en boetedoening, liturgie en rite, enzovoort. In de geseculariseerde samenleving kent men het daartoe vereiste referentiepunt-op-afstand niet, en ziet een mens zich tot zichzelf gereduceerd. Dit betekent echter in het geheel niet dat de nu niet meer aan een hoger gezag gebonden, vrije mens overgaat tot een teugelloos bestaan. Integendeel juist; we worden geconfronteerd met een verzameling heiligen. Als regel beschikt de seculiere mens, immers de brave burger van een moderne rechtsstaat, niet over een strafblad; hij heeft niets gedaan en is zonder schuld.

Dit ‘heilige leven’ heeft volgens Kal het al genoemde ‘schade-principe’ als moreel-juridische grondslag. Hier wordt meestal een strikte scheiding aangebracht tussen het publieke en het privé-domein. In het privé-domein heerst vrijblijvendheid en wordt de moraal indifferent; in het publieke domein mag je anderen niet schaden. Maar dit blijft niet zonder gevolgen.

“Het gevolg is niet alleen dat het ‘waartoe’ van die zo grootse moderne vrijheid onbespreekbaar wordt, bovendien raakt het menselijke voelen hier op een specifiek punt geamputeerd. In zeker opzicht is het voortaan overbodig zich de dingen nog aan te trekken. Waar men een nette burger is, en voor het overige het gemakkelijke leven leidt dat aanbevolen wordt, heeft gevoel voor schuld geen zin meer.”

De reductie van de moraal tot het schade-principe, maakt ongevoelig voor verantwoordelijkheden en het tekortschieten jegens morele plichten. Zolang je een ander niet hebt geschaad is er immers niets aan de hand.

Klein intermezzo: in mijn jeugd werd mij geleerd dat er zonden zijn van bedrijf en zonden van nalatigheid. Het is die laatste categorie die helemaal uit beeld lijkt te verdwijnen in een wereld waarin de moraal wordt gereduceerd tot het schade-principe. Het is ook hier dat het schuldbesef uit beeld verdwijnt. ‘Je had iets moeten doen, maar je hebt het niet gedaan.’ ‘So what, heb ik iemand schade berokkend dan?’

Dit is de stand van zaken die Kal de ‘seculiere normaliteit’ noemt.

En dan zegt Kal:

“De vraag is, […], hoe men aan een zekere anaesthesie kan ontkomen, zodat het mogelijk is verplichtingen te voelen en het bijhorende verschuldigdzijn te onderhouden. Wanneer mensen er met groot gemak toe in staat zijn een onschuldig leven te leiden, ontbreken in het systeem van coördinaten dat het leven bepaalt echter enkele op dit punt beslissende elementen.”

De vrijheid is voor de moderne mens heel belangrijk, maar toch blijft het precieze waartoe van die vrijheid volstrekt onbepaald. Kal spreekt in dit verband van iets dat lijkt op een ‘beeldverbod’.

En dan citeer ik nu een kernpassage uit het artikel.

“De moderne mens schijnt vol te zijn van iets dat voor hem bij nader inzien volstrekt onbenoembaar blijft. Op dit punt nu verkrijgt men slechts dan duidelijkheid wanneer men een compleet systeem van coördinaten hanteert.

De moderne vrijheid is het seculiere product van een buitengewone charme. Gecharmeerd is men van de komst, ter plaatste van het eigen leven, van een vervulling die dat leven tot vrede met zichzelf kan brengen. Zulk een omvattende vervulling heeft men geenszins in handen, niettemin vormt ze de norm waaronder het leven staat.

Kennelijk is het mogelijk zich verplicht te achten aan een kritisch gezichtspunt, zonder dat men ertoe in staat is zich dat gezichtspunt werkelijk toe te eigenen.

In die zin betreft het een gezichtspunt waarvan men zich als door een diepe kloof gescheiden ziet. Het gaat om die kloof die aan de seculiere mens niet bekend is en waaroverheen hij niet probeert te reiken; eerder in deze uiteenzetting heb ik daarover reeds gesproken. De charme waarvan ook de moderne, maar geseculariseerde mens de facto nog vol is, is derhalve wel beschouwd een religieuze charme, en krijgt als zodanig pas goed reliëf. Aan zulk een charme acht hij zich verplicht, en deze charme brengt het gevoel van altijd-méér-verschuldigd-zijn voort waardoor de vrijheid zich rusteloos laat voortdrijven.

Wanneer een mens over een kloof heen een buitengewone charme aangereikt krijgt, zonder dat dit hem ertoe in staat stelt zich het aangereikte zomaar toe te eigenen, kunnen we spreken van ‘openbaring’. De term ‘openbaring’ laat nauwkeurige definitie toe: beginnen ter plaatse van zichzelf en de wereld de komst te verwachten van een rijk van recht en vrede, dit is, van bekommernis en toewijding. Voor zichzelf en de wereld acht men dat weggelegd. In principe zou de komst ervan reeds een mogelijkheid zijn. Men zou er niet per se ontoegankelijk voor zijn. De verzoening van een rijke belofte met de vooralsnog wat schamele realiteit zou het teken zijn waarin men zijn leven nu reeds kan stellen. Voorwaar een gedachte die men niet verzint en, als ze er eenmaal is, evenmin kan reconstrueren. De wereld raakt betoverd; zoiets kun je niet organiseren. Er is sprake van een charme die over je komt, en van een excentrieke openbaring.

De term ‘charme’ gaat terug op de Griekse woorden charis en charisma; je zou ook kunnen spreken van ‘gratie’, corresponderend met het Latijnse woord gratia. Traditioneel worden deze woorden onder meer met de term ‘genade’ vertaald. Tot charme word je uitverkoren. Gratie word je verleend. De formulering onttrekt de schaduwzijde enigszins aan het gezicht.

We zijn begonnen met te zeggen dat de verplichting en het verschuldigd-zijn die de moderne vrijheid voortdrijven een buitengewone charme veronderstellen; kort gezegd: de charme achter de schuld. Maar het omgekeerde is evenzeer het geval. Eerst de charme die over je komt confronteert je met een verschuldigd-zijn waaraan je niet zomaar voldaan zult hebben; kort gezegd: de schuld achter de charme. Het mag zo zijn dat je je leven in principe kunt stellen in het teken van een allesomvattende openbaring en verzoening, de facto heb je op dat moment ter plaatste van jezelf en je wereld nog maar in beperkte mate toegang gegeven aan datgene waarvan je de komst verwacht. Het leven verliest zijn schamele aspect niet zomaar. Een buitengewone charme maakt het verschuldigd-zijn daarom tot iets dat niet ophoudt te schrijnen.”

Kern van de zaak is dat deze betovering, deze charme, deze openbaring – de eerste coördinaat die we nodig hebben – onvermijdelijk met zich meebrengt dat men tekortschiet, dat men het verschuldigd-zijn niet waarmaakt.

“De verantwoordelijkheid die een mens op zich laadt wanneer hij een rijk van recht en vrede voor zichzelf en de wereld weggelegd acht, is naar het schijnt per se te groot voor de mens. Juist dit onvermijdelijke conflict tussen het ‘waartoe’ van een grandioze vrijheid en de vooralsnog telkens opnieuw weer beperkte mogelijkheden van het menselijk bestaan is in de genoemde verjuridisering van de moraal en in de bijbehorende anaesthesie schitterend gepacificeerd. Het is niet werkelijk nodig ergens nog last van te hebben. Intussen veronderstelt een gemakkelijke pacificatie van het conflict tevens dat men bereid is de zaak waarom het gaat te verraden, ook al is het maar even, bijvoorbeeld totdat de charme bij een andere gelegenheid opnieuw de kop opsteekt. Onder anaesthesie is ook dit verraad niet bovenmate pijnlijk.”

Chazanoetconcert in de StadttempelWenen, augustus 2006 (Wikimedia Commons)

Een tweede coördinaat is daarom de tempel, dat is de plaats waar het rijk van recht en vrede, van bekommernis en toewijding – de inhoud van de charme die bijna onbespreekbaar is buiten deze context – toegang heeft, waar de tekortschietende mens zijn vrijheid, zijn tekortschieten en vernieuwing kan leren kennen.

De rituelen in de tempel moeten steeds opnieuw worden herhaald: zonder garanties en zonder waarborg moet de mens zich overgeven, en iedere keer opnieuw leren wie hij is, waar hij staat en wat hij kan.

Dat is de derde coördinaat die in onze wereld grotendeels ontbreekt: de aanwijzingen ten leven, waarin verschuldigd-zijn en charme worden verzoend: dit is de komst waarop men voorbereid dient te zijn.

De anaesthesie die het moderne leven verschaft, heeft nog een effect: je kunt niet meer rouwen over je tekortschieten. Toch is die rouw heel belangrijk om voorbereid te zijn op een nieuw leven, op mogelijkheden die soms bijna een wonder lijken voor wie geen vertrouwen weet te stellen, voor wie in moedeloosheid neerzinkt. Rouw is een noodzakelijke voorwaarde voor levensvernieuwing.

De tempeldienst heeft ondersteuning nodig van liturgie en rite, die beide op gespannen voet staan “met elke poging om recht en vrede door middel van een verdoving voor zich te verwerven”.

En Kal besluit zijn artikel aldus:

“In de liturgie eerst krijgt de schuld haar voor iedereen zichtbare plaats. Een aparte plaats, want het heilige van de liturgie valt niet samen met het profane van het gewone leven. Een volledig geseculariseerde wereld zal zo’n aparte plaats niet meer kennen. Alles wordt daar opgeslokt door het profane leven, dat niet schroomt zich als onschuldig te afficheren. Wordt de schuld echter weggedrongen, dan verkommeren vrijheid en verantwoordelijkheid. Een liturgie kan daartegen beschermen, en helpen de schuld, die men niet graag mag, in het eigen leven te rehabiliteren.”

Uitgelicht bericht

Victor Kal – De list van Spinoza – 7

Dit is het zevende deel van een beschouwing over het werk van Victor Kal

  1. Enkele gedachten over het werk van de filosoof Victor Kal (link)
  2. Wie was Spinoza (link)
  3. De Spinoza-receptie in Nederland (link)
  4. Victor Kal en De list van Spinoza (link)
  5. Gelijkschakeling (link)
  6. Kals levensbeschouwelijke positie (link)
  7. Theocratie en Democratie
  8. De rehabilitatie van de schuld (link)
  9. De list van Spinoza (link)
  10. Besluit (link)
  11. Geraadpleegde literatuur (link)

7. Theocratie en Democratie

Flavius Josephus (Wikimedia Commons)

In 2006 verschijnt van Ger Groot, Het krediet van het credo: godsdienst, ongeloof, katholicisme. Het is een essay waarin een atheïstisch-filosofische poging wordt gedaan om te begrijpen wat de christelijke religiositeit in een moderne en seculiere Europese cultuur nog betekent. Op p. 20 van dat boek schrijft Groot:

“Als we zoeken naar een mogelijke betekenis van de zin ‘God bestaat’, dan kan daarmee geen bestaan in de natuur bedoeld zijn. We kunnen natuurlijk, net als Spinoza, de knoop doorhakken en God eenvoudig met die natuur gelijkstellen (deus sive natura), maar daarin lost het goddelijke feitelijk op en komen we van de regen in de drup. Met een dergelijke god-natuur is nu eenmaal geen persoonlijke relatie mogelijk en dus zijn ook het gebed en de godsdienstoefening, waarin de gelovige zich tot God richt en antwoord verwacht, zinloos. En juist die godsdienstoefeningen zijn, zoals we later zullen zien, van doorslaggevend belang.”

Groot noemt zich atheïst, maar hij ziet wel scherp het belang van de rite, het gebed en ‘de godsdienstoefening’ voor de religieuze houding, een kernthema van Victor Kal. En Ger Groot acht Spinoza’s gelijkstelling van God en natuur dodelijk voor de continuering van de religieuze praktijk, ook net als Kal.

Victor Kal opent het artikel Theocratie en Democratie (gepubliceerd in het Tijdschrift voor Filosofie, 2009) met twee zuivere tegenstellingen: op het niveau van het individu plaatst hij de wereld van de vroomheid tegenover de wereld van de emancipatie, en op  het niveau van de samenleving plaatst hij de godsbeschikking tegenover de zelfbeschikking. Beide posities sluiten elkaar uit, en zo’n schema confronteert ons, zegt hij dan, met een vorm van manicheïsme.

Het manicheïsme gaat uit van twee onafhankelijke en ongeschapen principes: het goede en het kwade, een Rijk van het Licht en een Rijk van de Duisternis. Hier dus: een wereld waarin vroomheid en godsbeschikking centraal staan tegenover een wereld waarin emancipatie en zelfbeschikking centraal staan.

Tegen de achtergrond van deze dichotomie, verdedigt Kal vervolgens de stelling dat een ‘liberale democratie’ baat heeft bij de ‘formele theocratie’ en dat – ook andersom –  de formele theocratie baat heeft bij de liberale democratie.

Vervolgens zegt hij een beetje spottend dat zijn these de aanhangers van het manicheïsme confronteert met een gemeenschappelijke vijand, of althans met iemand ‘die alles door elkaar haalt’. Kal zet immers de wereld op zijn kop door te zeggen dat beide Rijken – die elkaar lijken uit te sluiten – hun onverzoenlijke vijand hard nodig hebben.

Het begrip ‘theocratie’ heeft hier met nadruk geen betrekking op het politieke domein, al heeft het op een indirecte manier natuurlijk wel betekenis voor dat domein, zoals zo ongeveer alles voor dat domein betekenis heeft. ‘Theocratie’ wordt hier begrepen als de erkenning van, de relatie tot en de openstelling voor de transcendente instantie die het morele domein beheerst door het individu.

Dit individu kan ervoor kiezen om door bemiddeling van een religieus instituut de plichten van de uitwendige rite te voltrekken met het oog op de verwezenlijking van zijn vrijheid – dat noemt Kal de formele theocratie. De informele theocratie is de wereld waarin de banden met de traditie zijn geslaakt, en waar de religiositeit, de theocratie verveelvoudigd is in evenzovele individualistische en autonome individuen

Een kort historisch exposé

Flavius Josephus is de eerste die de term ‘theocratie’ gebruikt. In een theocratie heeft God het voor het zeggen, in een monarchie de koning, in een democratie het volk, in een oligarchie de rijken. Het joodse volk waarover Josephus schrijft leeft in ballingschap, en de theocratie heeft derhalve bij Josephus wel een religieuze betekenis, maar geen politieke. Op dit punt staat Josephus lijnrecht tegenover Spinoza die de joodse theocratie tot een politieke constitutie meent te kunnen herleiden.

Bij Plato is de aristocratie de hoogste staatsvorm. Deze kan alleen tot stand komen krachtens goddelijke beschikking. Hiervoor is geen clerus noodzakelijk. De protagonist van deze theocratie is een door God beschikte enkeling die zijn eigen weg gaat maar zich door de godheid laat gezeggen.

Mozes die de stenen tafelen kapot werpt – Rembrandt (Wikimedia Commons)

Het joodse volk ontvangt via Mozes de stenen tafelen van God. Dit is de grote theocratische gebeurtenis in het Oude Testament. Deze wet vraagt om kritische en creatieve interpretatie, reden waarom Mozes zich steeds opnieuw tot God wendt met de vraag wat er nu precies moet gebeuren. Opschorting is een vast onderdeel van het theocratisch bestel. God moet steeds opnieuw worden geraadpleegd in een theocratisch bestel dat die naam waardig is. Dit blijkt ook uit de vorm en de dienst van de tabernakel.

De Thora propageert een vrijheid door binding. Wie zich aan de transcendente instantie bindt, bevrijdt zich van de machten die deze wereld beheersen. Deze vrijheid door binding heeft zeker ook een resonans in de moderne wijsbegeert gehad: Kierkegaard, Kant, Buber, Heidegger.

De multiplicatie van de theocratie

Theocratie heeft een slechte naam. Kal betwijfelt of dat terecht is: de mens verbindt zich slechts hoogst aarzelend met de transcendente instantie waarnaar de theocratie zich richt. Uniformering en nivellering in onze moderne wereld gaan terug op heel andere factoren: kapitaal, techniek, internationale wetgeving, mode.

De huidige monarchen zijn wel bijna allemaal onthoofd, en de meeste theocratische banden zijn geslaakt of worden belachelijk gemaakt, maar heeft het wel tot iets anders geleid dan tot een veelheid aan nieuwe absolutisten, tot de autonome, individualistische burgers? De moderne afkeer van de theocratie heeft misschien eerder tot een verveelvoudiging van de theocratie geleid.

Het ontstaan van de informele theocratie

Bij de overgang naar de moderne wereld geldt, volgens Kal het volgende (p.57-58):

“Het oude monarchale regime en het oude clericale regime [worden] wat hun theocratische aspect niet zozeer afgeschaft, als wel gemultipliceerd. Deze decentralisatie en multiplicatie van de theocratie of deze substitutie van de ene soeverein door de talloze soevereinen, gaat gepaard met een reeks van verschijnselen: verinnerlijking van de vroomheid (de anticeremoniële revolutie), individualisering van de vroomheid, verloren gaan van de religieuze vormen en de religieuze taal, en dan vanzelf, ten slotte, een secularisatie waarin die vroomheid tegelijk haar hoogtepunt bereikt en voor zichzelf onbegrijpelijk wordt. Op dit punt aangekomen vallen vroomheid en emancipatie exact samen. De theocratie is nu helemaal informeel geworden en ligt vanaf dit moment zelf ten grondslag aan de roep om democratie.”

En dan ontstaat een nieuw probleem (p.58-59):

Welnu, op het moment dat de theocratie informeel wordt, valt al die ‘uitwendigheid’ weg. De omgang met zichzelf wordt dan al gauw vluchtig en ondefinieerbaar. De sfeer van ‘theocratie’ en ‘vroomheid’ blijft echter, en leeft voort in de ernst van de vrije en verantwoordelijke moderne mens. Uitermate kwetsbaar, zo niet regelrecht bedreigd, is nu echter de grote veronderstelling ervan: dat vrijheid niet kan bestaan tenzij zij zich haar inhoud of ‘waartoe’ of grond laat geven, en dat een mens zich daarop telkens opnieuw moet voorbereiden. Wordt de genoemde vooronderstelling werkelijk niet meer gehonoreerd, dan degenereert soevereiniteit tot willekeur. De logische implicatie van de stand van zaken is dat de moderne democratie steeds de mogelijkheid heeft zich onverhoeds te manifesteren als een bij uitstek verraderlijke constitutie, met name daar waar, dankzij een gepolijst regime van legaliteit en fatsoen, velen zich van geen kwaad meer bewust zijn. Plotseling blijkt dan dat de paragraaf die vandaag nog wet is, morgen geschrapt kan zijn. Heilige ernst en dodelijke ontrouw wisselen elkaar voortaan af alsof het niets is. Een uitwendig regime dat de zaak waarom het gaat op afstand plaatst en door zijn ontnuchterende effect zowel het ene als het andere euvel zou kunnen doorbreken, staat niet meer ter beschikking.

Kant

Immanuel Kant heeft zich ook gunstig over de theocratie in de betekenis die Kal daaraan hecht uitgelaten. Het derde stuk van zijn Religion innerhalb der Grenzen der blossen Vernunft, draagt als titel: Der Sieg des guten Prinzips über das böse und die Gründung eines Reiches Gottes auf Erden (de overwinning van het goede principe over het kwade en de stichting van een Rijk van God op aarde). De stichting van zo’n Rijk acht Kant nodig om de overwinning – waarover Kant zich pessimistisch en met ongerustheid uitlaat – zeker te stellen.

Immanuel Kant (Wikimedia Commons)

Om verantwoordelijk te kunnen zijn in vrijheid, is een morele gemeenschap nodig. Kant neemt als wetgever van die morele gemeenschap een transcendente instantie aan – Gott als moralischer Welturheber (God als oorsprong/schepper/bewerker van de moraal). De hoop op deze transcendente instantie is volgens Kant alleen gerechtvaardigd als de mens doet ‘alsof alles op hemzelf aankomt’ (p.65)

De morele wet waarop Kant doelt is innerlijk. De wet van het Rijk van God is een morele wet, in tegenstelling tot de joodse wetgeving die, zo meent Kant, uit uiterlijke en willekeurige decreten bestaat. Ook Kant construeert hier de tegenstelling tussen innerlijke moraliteit en uiterlijke, door de staat beheerste legaliteit. Bij deze legaliteit worden innerlijke instemming en vrijheid niet verondersteld, anders dus dan bij de morele wet.

Immanuel Kant beschouwt als wezenlijk voor de vorming van het menselijke gemoed, de deugdzame mens, drie dingen (ik volg hier Kal bijna letterlijk):

  1. Deze vorming gaat niet buiten de vrije instemming van de mens om,
  2. Deze vorming gaat buiten de staat om en kan dus niet politiek zijn,
  3. Deze vorming moet ertoe bijdragen dat de burger als individu een vrij en goed mens is.

De morele gemeenschap die langs deze lijnen ontstaat, heeft daarbij tevens een transcendent oriëntatiepunt nodig.

En Kal zegt dan:

Punt voor punt staan deze condities in contrast met de politiek van het gemoed die Spinoza in zijn Theologisch-politiek tractaat (TPT) propageert.

Als de morele vrijheid, de ernst en het besef van verantwoordelijkheid van het individu niet wordt gecultiveerd, kan gemakkelijk achter de façade van fatsoen en legaliteit nihilisme schuil gaan. Kal licht dit toe, en citeert Spinoza uitgebreid. Hij eindigt dan met:

Wanneer Spinoza daarop laat volgen dat “de liefde voor het vaderland de hoogste vorm van plichtsbetrachting is” en dat “het heil van het volk [zoals vastgesteld door de ‘hoogste overheid’] de hoogste wet is, naar welke alle andere wetten, zowel menselijke als goddelijke, zich moeten voegen (TPT 414)” dan is duidelijk dat Spinoza gezien moet worden als een vroege grondlegger van het fascisme. Hem stond voor ogen elke vorm van theocratie grondig te neutraliseren.

Het is duidelijk dat in dit opzicht de Victor Kal van 2020, de schrijver van De list van Spinoza, gelijk is aan de Victor Kal van 2009, de schrijver van Theocratie en Democratie. Wel gebruikt Kal in De list van Spinoza het woord ‘fascisme’ met iets meer terughoudendheid en historische relativering.

Liberale democratie en theocratie hebben elkaar nodig

Vervolgens betoogt Kal dat de theocratie zoals hij die bedoelt, urgent is voor de liberale democratie. Een volstrekt informeel geworden theocratie die van elke traditie is losgekoppeld kan het individu niet langer steunen, waardoor zo’n individu op zichzelf wordt teruggeworpen. Achter een façade van legaliteit en fatsoen blijft er van verantwoordelijkheid en vrijheid weinig meer over, woekert en sluimert het nihilisme, en zal ook de democratie degenereren tot iets dat die naam niet langer verdient. De theocratie kan het nihilisme voorkomen, en kan ook weerstand bieden aan de manipulatieve en demonische schijn-uitweg die demagogen hebben te bieden.

Maar ook het omgekeerde geldt: de liberale democratie is ook urgent voor de theocratie. Het probleem wordt gevormd doordat de liberale democratie een moreel-indifferent domein van ‘onverschilligheid’ creëert die op gespannen voet staat met de ‘vroomheid’ waartoe de theocratie inspireert.

Toch kan deze onverschilligheid, deze onernst, deze speelruimte de theocratie dienen. Voor het individu dat in gemeenschap een relatie cultiveert met een transcendente instantie, waardoor vrijheid, morele ernst en verantwoordelijkheid mogelijk worden gemaakt, de moed ook om af te wijken, en zich niet in de luren te laten leggen door mode, kapitaal, massabeweging en de façade van legelaiteit en fatsoen, kan dat heel belangrijk zijn.

Een ding nog: “Van een transcendente functionaris kan niemand de onberispelijke functionaris zijn”, schrijft Kal op p.70. Oog in oog met een transcendente instantie kan onze ernst niet anders dan luchtige ernst zijn, reden waarom Plato en Kierkegaard de ironie nodig hadden, reden ook waarom de jood niet zonder de joodse humor kan.

Op zijn plaats is steeds een voorbereidend handelen dat het voorgenomen handelen opschort en in het geding brengt ten overstaan van een transcendente instantie.

Koning Saul (Wikimedia Commons)

Kal besluit zijn artikel met de volgende woorden:

“Het blijft zo dat de informele, geïndividualiseerde theocratie aan de basis ligt van de liberale democratie. Ter oriëntatie, ter ondersteuning en ter bescherming van de individuele soevereiniteit die daarin geïmpliceerd is, heeft rehabilitatie van de formele theocratie heden echter de grootste urgentie. Juist de liberale democratie biedt daartoe bij uitstek de gelegenheid: ook de formele theocratie krijgt binnen de maatschappij gestalte, en concurreert derhalve niet met het politieke regime – eerst nu is het mogelijk de wens ‘een koning’ te hebben werkelijk los te laten.”

In de slotzin wordt verwezen naar de wens die het joodse volk uitsprak een koning te hebben, waarna enigszins onwillig Saul, de voorganger van koning David, tot koning werd gekroond, een besluit dat niet in alle opzichten zegenrijk bleek.

Uitgelicht bericht

Victor Kal – De list van Spinoza – 6

Dit is het zesde deel van een beschouwing over het werk van Victor Kal

  1. Enkele gedachten over het werk van de filosoof Victor Kal (link)
  2. Wie was Spinoza (link)
  3. De Spinoza-receptie in Nederland (link)
  4. Victor Kal en De list van Spinoza (link)
  5. Gelijkschakeling (link)
  6. Kals levensbeschouwelijke positie
  7. Theocratie en Democratie (link)
  8. De rehabilitatie van de schuld (link)
  9. De list van Spinoza (link)
  10. Besluit (link)
  11. Geraadpleegde literatuur (link)

6. Kals levensbeschouwelijke positie

Edward Moran, Unveiling of the Statue of Liberty, 1886 (schilderij)

Voor Kal is het moderne vrijheidsbegrip belangrijk: geestelijk vrij zijn, geen slaaf zijn van een massabeweging, ondermaans bestel, materiële zaak of enige vorm van dwang.

Het gevoel of het besef van die vrijheid noemt Kal charme, betovering of openbaring, een geestestoestand die als kenmerken ook verwondering en verlangen heeft. Heel belangrijk is dat die betovering niet is voorbehouden aan mensen die zich met zoveel woorden godsdienstig of religieus noemen. Ook mensen die zichzelf niet-religieus noemen kennen die betovering en kennen die vrijheid.

In een interview in Wapenveld uit 2003 merkte Kal op:

“Wat mij zorgen baart”, zegt Kal, “is de kwetsbaarheid van de moderne mens. Het gevoel dat mensen niet meer zichzelf kunnen zijn, omdat iets anders hun de wet voorschrijft. Het idee dat mensen hun wortels hebben verloren en daardoor gemakkelijk op sleeptouw worden genomen. Dat is wat er gebeurt in onze moderne maatschappij. Mensen denken te leven in een individualistische samenleving. Maar de particuliere identiteit van het individu is flinterdun. We lopen allemaal achter de mode aan. Op het niveau van de waarden, de opvattingen, hebben we persoonlijk nog maar weinig in huis. Het is de vraag, of wij ons nog kunnen verweren als ons leven in het gedrang komt.”

“Deze situatie is niet zo moeilijk te verklaren. Als mensen een binding verliezen met levensbeschouwelijke tradities, worden ze teruggeworpen op zichzelf. Hoe radicaler ze afscheid nemen van hun wortels, des te gemakkelijker worden ze een speelbal van wat zich op het politieke forum voordoet. Ze hebben geen reserve meer waarmee ze kritisch kunnen reageren op iemand die belooft al hun problemen te zullen oplossen. We hebben het gezien met Pim Fortuyn. Hoe zou iemand in zo korte tijd zoveel aanhangers kunnen krijgen, als deze mensen geen zwevend bestaan zouden leiden? Ik wil niet al te pessimistisch zijn, maar soms denk ik dat wij leven in omstandigheden waarin zoiets als het fascisme bij uitstek kan gedijen. Mensen zonder wortels zijn een potentiële prooi van ideologieën.”

Betovering maakt mensen religieus, ongeacht of ze dat erkennen. Om reden dat die betovering ook bij niet-godsdienstige mensen volop voorkomt, spreekt Kal ook niet van de secularisering van de maatschappij; hij spreekt van de secularisering van de religie. De religiositeit verdwijnt niet als de uiterlijke vormen van de godsdienst verdwijnen, maar deze wordt onzichtbaar, en daarmee wordt de algemeen voorkomende religiositeit onbewust en onbegrepen. En met de secularisering van de religie wordt de religiositeit ook onmededeelbaar omdat een gemeenschappelijke taal om erover te spreken verdwijnt.

De betovering brengt idealiter een opdracht met zich mee, de realisering van de vrijheid, en deze wordt in ernst en in verantwoordelijkheid aanvaard. De aanvaarde opdracht is voor iedereen anders en hangt uiteraard ook helemaal van de individuele historische context en de eigen aanleg af.

Voor de instandhouding van de vrijheid en de geestelijke onafhankelijkheid die daarvoor van belang is, als anker voor de morele verantwoordelijkheid en de morele ernst, is het belangrijk om zich te verhouden tot een transcendente, buiten onze wereld gesitueerde instantie.

Kal vestigt daarom vaak de aandacht op de betekenis van de rite, de liturgie, de vaste gewoonten die elke godsdienst kent, en op een gemeenschappelijke taal om over de transcendentie te spreken. Deelname aan de rite is een ‘voorbereidend handelen’ dat een mens in staat stelt te ontdekken waarheen zijn vrijheid hem zou kunnen of zou moeten voeren. Dit voorbereidend handelen maakt hem tevens vrij voor de taak waarvoor zijn ernst en zijn verantwoordelijkheid – het antwoord op zijn betovering – hem plaatsen. Deze deelname stelt een mens ook in staat om stand te houden tegen de druk van materiële en geestelijke modes, tegen de machtsontplooiing door internationaal opererend kapitaal, tegen de massamedia, tegen de kracht van de gelijkschakeling, de collectieve geestdrift die vaak vooraf gaat aan ideologische slavernij.

Kleine toevoeging die niet bij Kal voorkomt: de ‘religieloze godsdienst’ waarvoor Dietrich Bonhoeffer aan het eind van zijn leven in de gevangenisbrieven pleitte (Widerstand und Ergebung), lijkt wel enigszins op het laatste stadium van de onzichtbaarmaking van de godsdienst. Er rest dan immers weinig anders dan terugvallen op het vrome gemoed – er is geen uitwendige rite meer die de mens disciplineert in zijn omgang met de transcendentie.

Uitgelicht bericht

Victor Kal – De list van Spinoza – 5

Dit is het vijfde deel van een beschouwing over het werk van Victor Kal

  1. Enkele gedachten over het werk van de filosoof Victor Kal (link)
  2. Wie was Spinoza (link)
  3. De Spinoza-receptie in Nederland (link)
  4. Victor Kal en De list van Spinoza (link)
  5. Gelijkschakeling
  6. Kals levensbeschouwelijke positie (link)
  7. Theocratie en Democratie (link)
  8. De rehabilitatie van de schuld (link)
  9. De list van Spinoza (link)
  10. Besluit (link)
  11. Geraadpleegde literatuur (link)

5. Gelijkschakeling

Nederlands wetboek, 1940: Per decreet van Adolf Hitler werden in Nederland wetten ingevoerd of aangepast, naar Duits model.

In De list van Spinoza schrijft Kal op p.218:

Welk spoor je ook volgt in het Theologisch-politiek tractaat, telkens kom je uit bij de ‘gelijkschakeling’: een van bovenaf geregisseerde, maar tegelijk van onderaf in vrijheid opgebrachte loyaliteit aan een machtsregime, dat langs die weg borg staat voor de gelijkgerichtheid van de mensen. Daarbij wordt de transcendente oriëntatie van het volk van de ene kant brutaal geëxploiteerd, van de andere kant even gewiekst weer geneutraliseerd.

Dat begrip ‘gelijkschakeling’ is een kernbegrip van het boek, en daarom ook opgenomen in de ondertitel. Gelijkschakeling – Gleichschaltung – heeft in zijn Duitse vorm uiteraard een zeer negatieve en beladen betekenis. In 1933 zorgt Hitler met een reeks wetten dat er “op elk gebied een einde [komt] aan de scheiding der machten en aan de vrijheid zich naar eigen smaak en opvatting te ontwikkelen.” (Website Bij Nader Inzien)

Kal laat daarop volgen:

Aan deze formele, bij wet geregelde gelijkschakeling ligt echter een informele gelijkschakeling ten grondslag die minstens zo belangrijk is: vanwege het talent van de Leider om de geesten van de mensen te absorberen, brengen die mensen de gelijkgerichtheid waarom het de Leider te doen is als het ware zelf tot stand. Dit is het ‘democratische’ aspect van de gelijkschakeling.

Het is dit vermogen van een Leider – een leider die erin geslaagd is om de wil van het volk met een ideologische mythe te belichamen – om het volk met verleidingskunst onder zijn beslag te brengen, en de neiging van een volk om zich door zo’n Leider bij de neus te laten nemen, het vermogen ook van zo’n Leider om de kwalijke gevolgen van de vervolgens onvermijdelijk optredende volksinvloed te ‘neutraliseren’, die een centrale rol spelen in wat Kal ‘de list van Spinoza’ noemt.

De moderne liberale samenleving verwacht iets van mensen, heeft vertrouwen in ze. Mensen worden niet gereduceerd tot hun levensgeschiedenis of afkomst. Vrijheid is hiervoor essentieel, en deze betekent ‘openheid’ en de mogelijkheid tot oorspronkelijkheid. Hiertoe creëert een liberale staat speelruimte voor de burgers, een speelruimte waarin pluriformiteit bestaat en tot bloei kan komen. Deze speelruimte is ook gestoeld op de hoop dat de individualistische burger verantwoordelijkheid op zich neemt.

De list van Spinoza: de grote gelijkschakeling

Het is duidelijk dat Spinoza niet een dergelijke speelruimte op het oog heeft. Bij hem ligt het zwaartepunt bij het machtsregime omdat zijn theologisch-politieke overwegingen uitgaan van een diep wantrouwen in het volk, en eigenlijk ook van diep wantrouwen in de elite. De speelruimte van die elite wordt alleen toegestaan in zoverre deze elite het machtsregime niet ondermijnt (p.219).

De ‘list van Spinoza’ is ook de reden waarom Kal Spinoza op verschillende plaatsen een wegbereider van het ‘fascisme’ noemt, al is ‘fascisme’ op zichzelf genomen natuurlijk een anachronisme, en al blijkt uit de naïviteit van Spinoza’s theologisch-politieke beschouwingen dat hij dat zelf geenszins besefte.

Kal noemt Spinoza daarom premodern en vindt hem bepaald geen wegbereider van het modernisme.

Uitgelicht bericht

Victor Kal – De list van Spinoza – 4

Dit is het vierde deel van een beschouwing over het werk van Victor Kal

  1. Enkele gedachten over het werk van de filosoof Victor Kal (link)
  2. Wie was Spinoza (link)
  3. De Spinoza-receptie in Nederland (link)
  4. Victor Kal en De list van Spinoza
  5. Gelijkschakeling (link)
  6. Kals levensbeschouwelijke positie (link)
  7. Theocratie en Democratie (link)
  8. De rehabilitatie van de schuld (link)
  9. De list van Spinoza (link)
  10. Besluit (link)
  11. Geraadpleegde literatuur (link)

4. Victor Kal en De list van Spinoza

Victor Kal

Een paar woorden ter introductie van Victor Kal en De list van Spinoza.

Victor Kal is als docent filosofie verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, Faculteit der Geesteswetenschappen, Capaciteitsgroep Philosophical Tradition in Context. De link geeft ook een publicatielijst.

Ik maakte voor het eerst kennis met hem door middel van dit filmpje. Kal bekritiseert daarin wat Arnon Grunberg onder de titel Blinde gehoorzaamheid had betoogd in de Abraham Kuyper-lezing 2020. Grunberg had gesproken over Kierkegaard en diens boek Vrees en Beven. In dat boek geeft Kierkegaard een interpretatie van het bijbelse verhaal van Abraham die op weg ging om zijn zoon Izaäk te offeren. In die geschiedenis uit de Thora – in het boek Genesis – werd het vertrouwen van Abraham in de door God gedane belofte van een nieuw land en een talrijk volk zwaar op de proef gesteld.

Die beproeving ging als volgt: Abraham moest kiezen of hij zijn zoon, drager van de belofte, wilde offeren. Hij koos ervoor om dat offer daadwerkelijk te brengen. Dat offer ging na goddelijk ingrijpen op de valreep niet door. Maar door met Izaäk op weg te gaan en alles voor het offer in gereedheid te brengen, inclusief het geheven mes, had Abraham wel de beproeving doorstaan – hij had zonder waarborg zijn toekomst op huiveringwekkende wijze uit handen gegeven, en daarmee ontving hij, in de gestalte van de levende Izaäk, zijn toekomst terug uit handen van God.

Ik herinner me nog uit mijn jeugd een zin die letterlijk voorkomt in de bijbelvertaling uit 1951 (NBG51). Abraham gaat de berg op met zijn zoon Izaäk om hem te offeren – Izaäk weet van niets! – en dan staat er: “Zo gingen die beiden tezamen.” De rillingen liepen mij over de rug. Kierkegaard spreekt niet zonder reden in dit verband van ‘huivering’.

Overigens kan ik me niet herinneren ooit een Kierkegaardiaanse duiding van de kansel te hebben vernomen.

Arnon Grunberg

Op Grunbergs lezing mocht Kal reageren als coreferent. Hij concludeerde op een beschaafde en sympathieke manier dat Grunberg er niet in geslaagd was tot deze Thora-geschiedenis door te dringen, en evenmin tot de zinrijke interpretatie die Kierkegaard aan die geschiedenis gaf, mede omdat hij de specifieke aard van het offer had miskend. Kal wees Grunberg erop dat het verhaal behalve een letterlijke interpretatie – de buitenkant van het mes – ook een andere interpretatie nodig had – de binnenkant van het mes – en dat het niet aanging om Abraham als een ontaarde en gewetenloze vader af te schilderen.

In het gesprek dat Kal en Grunberg naderhand hadden, bleef Kal heel goed overeind; Grunberg was ook hogelijk geïnteresseerd in Kals opvatting en de implicaties ervan.

Voor een aantal publicaties van Kal kunt u de literatuurlijst raadplegen. Ik zal proberen in de afleveringen die hierna komen enkele kernbegrippen uit een paar van die publicaties van Victor Kal beknopt te beschrijven.

Kal is opgegroeid in de Achterhoek in een gereformeerd milieu. Hij brak daarmee toen zijn vader overleed. Na een zoektocht – katholieken, protestanten, antroposofen (Zutphen) – sloot hij zich aan bij een joodse gemeenschap in Amsterdam.

Ten slotte citeer ik een accuraat stukje van de achterflap van De List van Spinoza:

In De list van Spinoza laat filosoof Victor Kal zien dat woorden als ‘vrijheid’ en ‘democratie’ voor Spinoza inderdaad belangrijk zijn, maar in een heel andere richting wijzen dan men meestal denkt. Aan de hand van citaten uit het Theologisch-politiek tractaat bewijst Kal dat Spinoza in dit werk met buitengewoon vernuft een ‘religie’ ontwerpt, in feite een staatsideologie, om het volk daarin met list en bedrog op te sluiten. Stap voor stap maakt Kal de grote ‘gelijkschakeling’ zichtbaar waarvan Spinoza denkt dat je die nodig hebt met het oog op de eenheid van de samenleving. Het ontwerp en de strategie van Spinoza zijn heden aan de orde van de dag, en dat wereldwijd.

Uitgelicht bericht

Victor Kal – De list van Spinoza – 3

Dit is het derde deel van een beschouwing over het werk van Victor Kal

  1. Enkele gedachten over het werk van de filosoof Victor Kal (link)
  2. Wie was Spinoza (link)
  3. De Spinoza-receptie in Nederland
  4. Victor Kal en De list van Spinoza (link)
  5. Gelijkschakeling (link)
  6. Kals levensbeschouwelijke positie (link)
  7. Theocratie en Democratie (link)
  8. De rehabilitatie van de schuld (link)
  9. De list van Spinoza (link)
  10. Besluit (link)
  11. Geraadpleegde literatuur (link)

3. De Spinoza-receptie in Nederland

Volgens Wiep van Bunge (1960), hoogleraar in de geschiedenis van de filosofie, dateert de geestdrift voor Spinoza als kernfilosoof van het modernisme uit de jaren zestig van de twintigste eeuw. Noch de achttiende, noch de negentiende eeuw, noch de eerste helft van de twintigste eeuw hadden het erg druk met Spinoza, ook de positivisten niet. In Spinoza’s eigen tijd was er wel degelijk sprake van een zekere renommée, maar het belang dat aan zijn werk wordt gehecht en zelfs de grote geestdrift voor zijn wijsgerige persoon, is van betrekkelijk recente datum.

In Nederland is de taal- en letterkundige Johannes van Vloten (1818-1883) – domineeszoon en grondlegger van de Nederlandse humanistisch-atheïstische beweging – belangrijk geweest voor de Spinoza-receptie. Hij was bezorger van Spinoza’s verzamelde werken in twee delen, schrijver van een Spinoza-biografie, en ijveraar voor een Spinoza-standbeeld dat in 1880 daadwerkelijk in Den Haag werd onthuld (zie foto). Bij die onthulling hield Van Vloten een toespraak die is uitgegeven onder de titel: “Spinoza de blijde boodschapper der mondige menschheid”.

Aan het Duitse Wikipedia-artikel over Einsteins kosmische Religion ontleen ik de volgende anekdote. In 1929 antwoordde Albert Einstein op de vraag van een New Yorkse rabbijn “Glauben Sie an Gott?”:

Ich glaube an Spinozas Gott, der sich in der gesetzlichen Harmonie des Seienden offenbart, nicht an einen Gott, der sich mit dem Schicksal und den Handlungen der Menschen abgibt.

Deze anekdote treedt regelmatig op in werk van atheïsten met zendingsijver zoals Richard Dawkins, bijvoorbeeld in diens The God Delusion (God als misvatting). God wordt door Einstein als een pantheïstische God opgevoerd, een God dus die samenvalt met de werkelijkheid en die zich openbaart in de complexiteit en de schoonheid van het bestaande. Einstein beriep zich in dit opzicht terecht op Spinoza.

In 2008 werd in Amsterdam het Spinoza-monument opgericht (zie foto), met daarop een korte tekst gegraveerd: Het doel van de staat is de vrijheid. Deze tekst is afkomstig uit het Theologisch-politiek traktaat.

Boris van der Ham (voormalig D66-politicus), die in 2012 afscheid nam als volksvertegenwoordiger, schonk de Tweede Kamer bij die gelegenheid een exemplaar van het Theologisch-politiek traktaat. Een bijbel en een koran hadden de volksvertegenwoordigers in het verleden al eens ten geschenke gekregen. Het was nu tijd voor een werk ‘uit meer seculiere hoek’.

Dirk van Weelden schrijft in 2003 (hij heeft zijn alter ego Michiel gedoopt, en Michiel blijkt een lyrisch oor te hebben voor Spinoza’s proza):

Spinoza’s filosofie is een van taal gemaakt instrument dat ervoor zorgt dat gevoelens, rationele denkbeelden en intuïtieve noties over vrijheid, geluk, rechtvaardigheid, kennis en wijsheid soepel, zonder ruis of storing, samenwerken. Het doel van die samenwerking is het aanmoedigen en helpen ontstaan van een autonoom, levenslustig individu, dat weerbaar is tegen lijden en tegenslag.

Van Weelden heeft ook een bijdrage geleverd aan de kunstmanifestatie My Name is Spinoza – dit is bijvoorbeeld een tekst bij de aankondiging van die manifestatie in 2009: “De ideeën van Spinoza (Amsterdam, 1632) over god en religie, goed en kwaad, rede en emotie vormen de pijlers onder kernwaarden als tolerantie, respect en vrijheid van meningsuiting.”

De Volkskrant-columnist Erdal Balci zond in reactie op Stefan Paas (mei 2020) de volgende tweet de wereld in:

Alles wat mooi is aan de wereld hebben we te danken aan de strijd van Spinoza en de seculieren die zijn pad volgden. Door mensen als jij besef ik iedere dag meer dat er een goede roman over de grootmeester moet komen. Ik ga meteen aan de slag. Bedankt Stefan.

Ayaan Hirsi Ali speaking at the 2016 Conservative Political Action Conference (CPAC) in National Harbor, Maryland.

En Ayaan Hirsi Ali – Infidel van professie – heeft het Spinozahuis nog bezocht, samen met een paar vriendinnen, de dag voordat ze naar Amerika vertrok (1 september 2006). Ze hebben er een fles champagne leeggedronken.

Volgens De historische Canon van Nederland (2006, vernieuwd in 2020), moet Spinoza beschouwd worden als iemand “wiens ideeën over de vrijheid van denken en van meningsuiting belangrijk [zijn] geweest voor de moderne democratie.”

Onder het kopje Tolerantie lezen we in de Canon:

Spinoza is niet de enige die afstand wil nemen van vaststaande denkbeelden en hij krijgt steun van verschillende aanhangers, die zich net als hij losmaken van filosofische en godsdienstige tradities. In zijn Tractatus theologico-politicus geeft Spinoza in 1670 een aanzet tot een vrijere uitleg van de Bijbel. Hij spreekt zich uit voor de democratie en wijst op het grote belang van principiële tolerantie en vrijheid van meningsuiting.

De bekende Britse historicus Jonathan Israel, gerenommeerd schrijver over de Nederlandse zeventiende eeuw, schrijver van een groot tweedelig werk over de Nederlandse Republiek, en schrijver van een aantal werken over de (Radicale) Verlichting, beschouwt Spinoza als de grootste filosoof die ooit heeft geleefd, omdat

  1. hij de bijl legde aan de wortel van het theologisch denken en een scherp onderscheid maakte tussen filosofie en theologie (theologisch denken beschouwde Spinoza überhaupt niet als ‘denken’),
  2. hij de godsdienstige praktijken terug wilde brengen tot een verschijnsel dat geen noemenswaardige verwijzing naar enige transcendentie bezit of impliceert (alleen in naam),
  3. hij de onbetwiste voorvechter zou zijn van de democratie, het vrije denken en de vrijheid van meningsuiting, iemand die de grondslag heeft gelegd voor onze moderniteit.

De opvattingen van Israel hebben een grote weerklank gehad, ze hebben veel enthousiasme gegenereerd, maar ze zijn toch niet geheel onweersproken gebleven. Zie bijvoorbeeld de bespreking die de historicus Rob Hartmans (‘Jonathan Israel, of: het slagveld van de ideeëngeschiedenis’) wijdde aan de Radicale-Verlichtingstrilogie van Israel.

Hartmans opende zijn kritiek op Israels centrale these met een metafoor van de historicus David A. Bell. Deze sprak in een recensie getiteld Where Do We Come From? over de voorzichtigheid die de meeste historici betrachten als ze generalisaties over de geschiedenis naar voren brengen, maar Bell nam ook een ander type historicus waar, een historicus die zich eerder gedroeg als Maarschalk Zjoekov, iemand die zijn manschappen rücksichtslos door een mijnenveld joeg, met zeer veel doden tot gevolg, om daardoor ten slotte zijn doel – Berlijn – gemakkelijker te kunnen bereiken. Volgens Bell – en Hartmans valt hem daarin bij – is Israel meer een historicus van het Zjoekov-type. Hartmans vraagt zich zelfs af of het doel: Berlijn  – dat is bij Israel: de allesbeslissende Radicale Verlichting – wel ergens anders dan alleen in het hoofd van Israel bestaat.

Israel reageerde not amused op deze kritiek, en Hartmans eindigde zijn dupliek met deze zinnen:

Dat Jonathan Israel grote verdiensten heeft voor de geschiedschrijving, en dat zijn boeken een enorme stimulans hebben gegeven aan de bestudering van de Verlichting, staat buiten kijf. Het is alleen jammer dat hij zich sinds 2001 vooral is gaan opstellen als een ideoloog die de heilsboodschap van het radicale, seculiere Verlichtingsdenken erin wil rammen.

Ook Wiep van Bunge polemiseerde in zijn lezingen aan de Vrije Universiteit van Brussel (De Nederlandse Republiek, Spinoza en de radicale Verlichting, 2010) met Israels opvattingen. Hij concludeerde:

Vooral Spinoza’s overtuiging dat onder ‘wijzen’ noodzakelijkerwijs eensgezindheid zal ontstaan, heeft mij altijd benauwd. Het is misschien wel dit onvermogen verschillende intellectuele perspectieven te accommoderen, dat nog wel de meeste twijfel oproept over de geschiktheid van Spinoza als kompas voor de eenentwintigste eeuw. Weer wreekt zich hier, vrees ik, het ontbreken in de Ethica van de epistemologische bescheidenheid die juist in de Verlichting zulke goede diensten bewees.

Spinoza-huis Rijnsburg

De historicus Jan Dirk Snel schreef in een bespreking van Steven Nadler: Spinoza (Historisch Nieuwsblad 8/2001), nadat hij had genoemd hoe bijzonder het was dat in Spinoza’s tijd ontdekt werd dat “de natuur mechanisch begrepen kon worden”:

… En dus draafde Spinoza braaf door en dacht hij dat alles vanuit de rede begrepen kon worden. Hij verwarde causaliteit met noodzakelijkheid. En ethiek probeerde hij wiskundig te funderen.

Een eindje verderop spreekt Snel van “de arrogante betweterij van Spinoza” die alleen nog interessant is voor “dogmatische geesten”. Snel wijst er ook op dat de lof die Israel Spinoza toezwaait, en de blaam die veel orthodoxe protestanten Spinoza toewerpen, bijna gelijkluidend klinkt, en sprekend lijkt op Groen van Prinsterers ‘Ongeloof = Revolutie’.

Rob Hartmans schreef elders (De stamvaders van de  tolerantie – hij sluit zich aan bij de directeur van het Titus Brandsma Instituut en universitair docent aan de Radboud Universiteit Inigo Bocken):

Dat de diepreligieuze Locke een belangrijke wegbereider van de Verlichting was, valt niet te ontkennen. Maar juist radicale Verlichters als Spinoza hebben de Verlichting een antireligieuze richting opgestuwd. Met Bocken kan men zich afvragen of dit, zoals Israel beweert, alleen maar positief is geweest. Het precaire evenwicht tussen religie en politiek, zoals dat door Locke is beschreven, wordt uiteraard volledig verstoord als een van beide pijlers wordt weggevaagd. Als de heilsverwachting niet meer gescheiden is van de politiek, maar wordt beschouwd als quantité négligeable, als iets wat er niet zou behoren te zijn, is de kans groot dat het juist weer de politiek wordt binnen gesmokkeld. De twintigste eeuw heeft laten zien hoe rampzalig een dergelijk politiek messianisme is.

Op dit punt gaat Victor Kal nog een stap verder: de heilsverwachting wordt in het Theologisch-politiek tractaat niet alleen quantité négligeable, maar wordt opgevoerd in een verleidelijke schijngestalte. Deze schijngestalte wordt vervolgens aan het volk – van welks vermogen tot nadenken Spinoza minder dan niets verwacht – voorgehouden en ook opgelegd, met als doel om dat volk, moreel gesproken, in een vrijwillig aanvaard keurslijf te houden.

De sympathie die Frits Bolkestein en J.L. Heldring bij leven voor het christendom voelden, lijkt (naast een zekere nostalgie) op vergelijkbare overwegingen te berusten: aan een losgeslagen volk heb je niks. Overigens heeft Heldring herhaaldelijk gewezen op de altijd aanwezige mogelijkheid van een fascistische ontaarding van de democratie.

Spinoza voor het lyceum in Amsterdam-Zuid

Enfin, onder sommige vakgenoten lijkt Jonathan Israels jubelende Spinoza-beeld nogal wat scepsis te ontmoeten. In het publieke debat lijkt de sterk opgekomen en ronduit positieve reputatie van Spinoza nauwelijks omstreden.

Het is verleidelijk om te speculeren hoe dat komt. Mijn voorzichtige hypothese luidt dat er bij Israel sprake is van een vlucht naar voren: anders dan het liberale secularisme wil – het meerderheidsstandpunt van de geseculariseerde Noordwest-Europese protestantse wereld – is de godsdienst niet zozeer aan een terugtocht bezig, maar beleeft deze misschien zelfs een bescheiden réveil. In ieder geval is de religie – ook onder invloed van een nadrukkelijk aanwezige islam – teruggekeerd in het publieke debat, zij het vooralsnog op een vrij verwrongen manier. Aan dat mogelijke réveil, die terugkeer, die misstand moet een beslissend ‘halt’ worden toegeroepen. Dat ‘halt’ is Spinoza

Uitgelicht bericht

Victor Kal – De list van Spinoza – 2

Dit is het tweede deel van een beschouwing over het werk van Victor Kal

  1. Enkele gedachten over het werk van de filosoof Victor Kal (link)
  2. Wie was Spinoza
  3. De Spinoza-receptie in Nederland (link)
  4. Victor Kal en De list van Spinoza (link)
  5. Gelijkschakeling (link)
  6. Kals filosofische stellingname (link)
  7. Theocratie en Democratie (link)
  8. De rehabilitatie van de schuld (link)
  9. De list van Spinoza (link)
  10. Besluit (link)
  11. Geraadpleegde literatuur (link)

2. Wie was Spinoza?

Tractatus theologico-politicus – ed. 1670

Dit is deel 2 van een serie. De introductie tot deze reeks afleveringen over Victor Kal, De list van Spinoza, Amsterdam: Prometheus 2020, kunt u hier nalezen.

In onze tijd is Benedictus de Spinoza (1632-1677) zonder twijfel de bekendste Nederlandse filosoof van de zeventiende eeuw. Hij was van portugees-joodse afkomst; hij stamde af van sefardische joden. Zijn bekendste werken zijn de Tractatus theologico-politicus (Theologisch-politiek traktaat) en de Ethica.

Een goede introductie tot Spinoza’s leven en werk biedt de historicus Rob Hartmans in zijn artikel: Baruch de SpinozaDe Groene Amsterdammer, nr. 2, 10 januari 1996.

Het Theologisch-politiek tractaat is een verhandeling waarin Spinoza de ideale verhouding tussen godsdienst en samenleving beschreef. De Ethica is een streng opgebouwd moraalfilosofisch werk waarin hij een levensleer ontvouwde. Volgens sommigen was hij een volbloed-atheïst; anderen nemen wat hij bijvoorbeeld aan het slot van de Ethica schrijft over het ‘heil’ van de wijze dat uiteindelijk gevonden wordt in de ‘amor intellectualis Dei’ wel serieus (Wiep van Bunge). Hij schreef in het Latijn.

Spinoza – Den Haag (Wikimedia Commons)

Wat zijn godsdienstige opvattingen betreft is het goed om te vermelden dat hij God en de Natuur (of de Natuurlijke Orde) aan elkaar gelijk stelde. Zijn godsbeeld was onpersoonlijk en immanent: God valt samen met, en bevindt zich dus niet boven of buiten de voor ons kenbare werkelijkheid, en God bezit geen persoonlijke, mensgelijkvormige eigenschappen.

Omdat Spinoza’s denkbeelden in zijn tijd en zijn omgeving niet in goede aarde vielen, werd hij verbannen uit de joodse gemeenschap, en week hij als 23-jarige uit van Amsterdam naar Rijnsburg (1661-1663). Daar bedreef hij filosofie en voorzag hij in zijn levensonderhoud met het slijpen van microscooplenzen. Het Spinozahuis in Rijnsburg kan tot op de huidige dag worden bezocht als een museumpje met gereconstrueerde bibliotheek. Later kwam Spinoza, via Voorburg, terecht in Den Haag.

Spinozahuis Rijnsburg

Het was Spinoza’s doel om filosofie en theologie zo strikt mogelijk te scheiden: de godsdienstige veelkleurigheid, en met name de felle en militante twisten die tussen de godsdienstige groepen in zijn tijd werden gevoerd, baarden hem zorgen, ook met het oog op de stabiliteit van de jonge Republiek. En stabiliteit was nodig om zich ongestoord aan de filosofie, de beschouwing van God of de Natuurlijke Orde, te kunnen wijden.

Uitgelicht bericht

Victor Kal – De list van Spinoza – 1

Dit is het eerste deel van een beschouwing over het werk van Victor Kal

  1. Enkele gedachten over het werk van de filosoof Victor Kal
  2. Wie was Spinoza (link)
  3. De Spinoza-receptie in Nederland (link)
  4. Victor Kal en De list van Spinoza (link)
  5. Gelijkschakeling (link)
  6. Kals levensbeschouwelijke positie (link)
  7. Theocratie en Democratie (link)
  8. De rehabilitatie van de schuld (link)
  9. De list van Spinoza (link)
  10. Besluit (link)
  11. Geraadpleegde literatuur (link)

1. Enkele gedachten over het werk van de filosoof Victor Kal

Victor Kal

N.a.v. de verschijning van Victor Kal, De list van Spinoza, de grote gelijkschakeling, Amsterdam: Prometheus 2020.

Friedrich Nietzsche publiceerde ooit een bundel onder de titel Unzeitgemäße Betrachtungen.

Het boek dat de directe aanleiding vormt voor de beschouwing waarvan u nu de eerste aflevering onder ogen heeft – het in 2020 uitgekomen boek van de Amsterdamse filosoof Victor Kal (1951): De list van Spinoza, de grote gelijkschakeling – kan zonder overdrijving unzeitgemäß (oneigentijds) worden genoemd: het is een boek dat wijdverbreide en moderne ideeën over Spinoza ernstig relativeert. Misschien is het zelfs beter te zeggen dat Kal deze ideeën weerlegt.

Deze reeks afleveringen komt voort uit mijn bestudering van een deel van het wijsgerige werk van Victor Kal. Zijn bezorgdheid deel ik: het morele nihilisme dat schuil gaat achter een façade van legaliteit en fatsoen, de bijna totale verdwijning in de westerse wereld van de godsdienstige riten die bewustwording, beleving en openbaring van het religieuze leven bemoeilijkt, de grootkapitalistische en fascistische ontaardingen van de democratische rechtsorde die als gevolg van voornoemd nihilisme kansen krijgen.

De list van Spinoza

Het is misschien goed er meteen op te wijzen dat de ‘conservatieve revolutie’ (de term is innerlijk tegenstrijdig) die al een paar decennia gaande is, zich ook voedt met deze ongerustheid. Met deze ‘conservatieve revolutie’ heb ik geen affiniteit. Ik ben voor een liberale democratische rechtsorde die alle elementaire vrijheden garandeert, aansluiting zoekt bij internationale verbanden, ernaar streeft om aan een internationale rechtsorde bij te dragen. En ik heb een hekel aan complotdenken, xenofobie en ergdenkendheid. Ten slotte: het sjibbolet dat ‘vrijheid van meningsuiting’ heet, spreek ik steevast verkeerd uit.

Klein intermezzo: het begrip Conservatieve Revolutie gebruikte men aanvankelijk voor de stellingname van een bonte verzameling denkers die zich ruwweg tussen 1850 en 1950 manifesteerden. Ze keerden zich tegen het moderne individualisme en het moderne liberalisme: Carl Schmidt, Richard Wagner, Oswald Spengler, Ernst Jünger, Isaäc da Costa, Carel Gerretson. Gemeenschap wordt belangrijker geacht dan het individu, ze streven naar meer autoriteit, ze proberen de tegenstelling tussen maatschappij en staat op te heffen. Moderne conservatieve revolutionairen met nationalistische doelstellingen waren/zijn Pim Fortuyn, Thierry Baudet en Bart Jan Spruyt. De meesten flirten met het christendom zonder zich eraan te committeren (geldt niet voor Spruyt).

Ik noemde allereerst Nietzsche. Het drama van Nietzsche – de dood van God – is in zekere zin ook het drama van Kal, alleen werkt hij, zo lijkt het, de andere kant op. Bovendien beschrijft Kal het drama met een zekere luchtigheid en didactische kalmte, al schemert een echte ongerustheid door zijn woorden heen. Nietzsche moet daarbij vergeleken eerder theatraal genoemd worden, zelfs theatraal par excellence, om een van zijn geliefde uitdrukkingen te gebruiken.

Misschien is ook die tegenstelling schijn, en hebben ze beiden – Nietzsche en Kal – het culturele gemis in beeld gebracht dat met de bijna onzichtbaar-wording van het christendom in de westerse wereld begon: ze brengen verschillende kanten van dezelfde kloof in kaart: Nietzsche het gemis; Kal de noodzaak van een verhouding tot een transcendente oorsprong die ons besef van vrijheid steeds weer hernieuwt en die onze morele ernst schraagt.

Friedrich Nietzsche

Het is daarbij van belang te beseffen dat Kal een filosoof is. Hij is geen zendeling of theoloog, er is geen godsdienstig belang, er is geen godsdienst die wordt voorgetrokken. Wel meent hij dat het monotheïstisch uitgangspunt er wezenlijk toe doet.

Kal is van mening dat een transcendent oriëntatiepunt waartoe (of tot wie) de mensen zich in rite en met een bepaalde taal verhouden, van belang is om bewuste en vrije mensen te blijven die zich niet laten gelijkschakelen door een Leider die hen met een ideologisch of pseudoreligieus ideaal verleidt, waarna zo’n Leider diezelfde mensen pseudo-democratisch inschakelt voor zijn machtsdoeleinden – en dit is precies het programma van Spinoza waartegen Kal zich verzet. Kal beroept zich daarvoor op een aantal belangrijke denkers uit de geschiedenis van de filosofie: Plato, Kierkegaard, Heidegger, Kant, Derrida.

Spinoza heeft zich sinds de jaren zestig van de twintigste eeuw gaandeweg ontwikkeld tot een seculiere heilige, iemand die de wereld – godlof! Spinoza handhaafde de godvruchtige teksten – heeft ontdaan van goddelijke bemoeienis, met als gevolg dat veel moderne verworvenheden, zoals materialistische verklaringen voor verschijnselen, democratie, mensenrechten, tolerantie, gelijkheid en vrijheid van meningsuiting konden bloeien.

Benedictus de Spinoza

Victor Kal is er niet zo van overtuigd dat al die mooie dingen daadwerkelijk uit Spinoza’s filosofie voortvloeien. Hij beschouwt Spinoza onomwonden als een filosoof die elke vorm van aanraking met het goddelijke probeert te dwarsbomen, die het volk minacht, die premodern is, en dus geen werkelijk besef heeft van het moderne vrijheidsidee, die ronduit antiliberaal is, die onbewust een aantal grondslagen heeft gelegd voor de fascistische ontaarding van de democratie waarvan we onder andere in de twintigste eeuw getuige waren, en mogelijk ook nu weer opnieuw getuige zijn.

Wat in een aantal afleveringen volgt – ik zet vanaf vandaag elke dag een nieuwe aflevering op mijn website – is geen recensie. Ik ben een amateur reader, ongeschoold in de geschiedwetenschap, en ik ben tevens een filosofische dilettant. Maar ik lees soms wel met veel interesse en aandacht een historische of wijsgerige verhandeling. Als laatste aflevering treft de lezer een overzicht aan van de bronnen die ik heb gebruikt.

Ik geef in de volgende aflevering een paar summiere feiten over leven en werk van Spinoza, de filosoof wiens theologisch-politieke opvattingen het onderwerp vormen van De list van Spinoza. En ik vertel in de daarop volgende aflevering iets over de Spinoza-receptie in Nederland.

Ik wijd ook een paar afleveringen aan ouder werk van Victor Kal, de schrijver van het boek, voorheen filosoof aan de Universiteit van Amsterdam, een man die actief verbonden is met de joodse godsdienstige traditie. Ik ken de auteur niet persoonlijk.

Spinoza-monument in Amsterdam

De voornaamste gedachten van De list van Spinoza komen in de diverse afleveringen aan de orde. Ik heb er naar gestreefd geen filosofisch jargon te gebruiken, maar ben er niet geheel aan ontkomen bepaalde begrippen die af en toe bij Kal terugkeren en die hij een specifieke betekenis geeft, te introduceren en soms beknopt toe te lichten.

Eén opmerking nog aan het eind van deze introductie: het is niet mijn doel om iemand ertoe te brengen de standbeelden en monumenten die aan Spinoza zijn gewijd omver te halen. Ook hoeven er geen waarschuwende bordjes bij die monumenten te worden gezet. Hij was een zeer bijzondere historische figuur, een filosoof die onze geschiedenis heeft beroerd, die geesten heeft bewogen, en die zijn plaats in de geschiedenisboeken verdient. Maar wie dat hardop zegt, zegt daarmee niet dat hij bewonderd moet worden om de verkeerde redenen.

Uitgelicht bericht

Sonnet 146 – Shakespeare

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is shakespeare_oval-cropped-1.png
Olieverfschilderij van William Shakespeare, waarschijnlijk geschilderd door John Taylor in 1610

De Engelse dichter, toneelschrijver en acteur William Shakespeare (1564-1616) wordt algemeen beschouwd als een van de grootste dichters die ooit heeft geleefd. Naast toneelwerk in verzen heeft hij ook 154 sonnetten geschreven die al vaker in het Nederlands vertaald zijn. Veel van die vertalingen zijn ook wel online te vinden.

Sonnet 146 is één van de laatste gedichten in de sonnettenreeks, en algemeen wordt aangenomen dat Shakespeare dit sonnet gericht heeft aan The Dark Lady, de zwarte dame. Over die dame weten we niet bijzonder veel. Wel is duidelijk dat Shakespeare met zijn beeldspraak optutten, ijdel vertoon voorstelt als iets van geringe waarde, en de voeding van de ziel als uiterst waardevol. En de teloorgang van het lichaam kan zelfs voeding zijn voor de ziel, waardoor de dood wordt overwonnen.

De sonnetvorm bij Shakespeare wijkt enigszins af van het Italiaanse sonnet dat door Petrarca is vervolmaakt. Het Shakespeareaanse sonnet telt drie kwatrijnen en een afsluitend distichon. De wending, cesuur of volta bevindt zich niet na het tweede kwatrijn – zoals bij Petrarca – maar tussen de drie kwatrijnen en de afsluitende slotregels.

In mijn vertaling heb ik in twaalf van de veertien versregels de vijfvoetige jambe (tien of elf lettergrepen, afhankelijk van het rijm – staand of slepend) vervangen door de zesvoetige jambe (twaalf of dertien lettergrepen, idem).

Over dit gedicht wordt vaak gezegd dat het een van de weinige gedichten is in Shakespeare’s oeuvre met een religieuze strekking, iets wat ik overigens betwijfel.

Het gedicht lijkt duidelijke toespelingen op de bijbel te bevatten, in de zin dat het verheerlijken van ijdel vertoon en het opmaken van het lichaam wordt verworpen, en er veel waarde wordt gehecht aan het voeden van de ziel met zaken die tijdloos zijn, waarmee – getuige het afsluitende distichon (de twee slotregels) – zelfs de dood onschadelijk wordt gemaakt.

Maar uiteraard ontbreekt de Shakespeareaanse ironie nooit helemaal.

In het Engelse Wikipedia-artikel over dit sonnet wordt ook een link gelegd met Psalm 146, een link die in mijn ogen op getalsmatige toeval berust.

Hier treft u een vrij goede toelichting op het sonnet aan, met een heldere en uitvoerige uitleg per zin.

In regel twee is in de eerste druk van de uitgave van de Sonnetten een zetfout gemaakt. De laatste drie woorden van de eerste regel – ‘my sinful earth’ – werden herhaald als de eerste drie woorden van de tweede regel. Dat klopt sowieso niet, en het klopt ook niet met de lettergreeptelling. Er is door heel veel redacteuren en commentatoren gegist wat er moet staan. Ik heb in deze vertaling op grond van persoonlijke voorkeur voor ‘[Why feed’st]‘ gekozen, maar het is goed om te bedenken dat er ook iets heel anders bedoeld kan zijn. Het woord ‘array’ aan het eind van de tweede regel kan zowel ‘in slagorde opstellen’ als ‘fraai uitdossen’ betekenen.

Voor de Engelse tekst volg ik de uitgave van de sonnetten in de reeks The Arden Shakespeare, met uitzondering van de genoemde keuze voor de eerste twee woorden van regel 2. Genoemde Arden-editie heeft: ‘Feeding these’. Peter Verstegen koos voor: ‘Repel these’. De Engelse acteur en filmproducent Sir Patrick Stewart draagt hier het gedicht voor met – als ik goed heb geluisterd – op die plaats de woorden ‘Pressed by’.

Vertaling:

Sonnet 146

O ziel, kern van mijn zondige, stoffelijke aard,
waarom toch voed je dwarsheid die laat paraderen,
waarom toch kwijn je weg, is ’t nodige zo schaars,
en schilder je jouw buitenmuur in dure kleuren?

Waarom toch zou je, met zo’n kort contract, zo gul
spenderen aan een landhuis dat vergaat?
Zal de aardworm, erfgenaam van deze overdaad,
er straks van smullen? Is dat van ‘t sterfelijk lijf het doel?

Mijn ziel, trek toch profijt van dienaars diepe smart,
en laat zijn pijn steeds jou tot voordeel zijn.
Koopt hemelse schatten op de markt van schuim en as;
weest innerlijk welgevoed, uitwendig zonder schijn.

Dus voed je met de dood, die zich met mensen voedt;
geen mens die – als de dood straks dood is – sterven moet.

Origineel:

Sonnet 146

Poor soul, the centre of my sinful earth,
[Why feed’st] these rebel powers that thee array,
Why dost thou pine within and suffer dearth,
Painting thy outward walls so costly gay?

Why so large cost, having so short a lease,
Dost thou upon thy fading mansion spend?
Shall worms, inheritors of this excess,
Eat up thy charge? Is this thy body’s end?

Then, soul, live thou upon thy servant’s loss,
And let that pine to aggravate thy store;
Buy terms divine in selling hours of dross,
Within be fed, without be rich no more
:

So shalt thou feed on death, that feeds on men,
And death once dead, there’s no more dying then.

Uitgelicht bericht

Het model – W.H. Auden

De dichter Wystan Hugh Auden (1907-1973) groeide op in Engeland, ging vlak voor de Tweede Wereldoorlog naar Amerika, ontving zijn opvoeding in een Anglicaans gezin, hield aanvankelijk van Freud, een tijdje halfhartig van Marx, keerde gerijpt terug naar het geloof van zijn jeugd, schreef gedichten, libretti en toneelteksten, en wordt veelal beschouwd als een van de grootste Engelse dichters in de twintigste eeuw.

Wie meer wil weten over Auden kan elders op mijn website terecht. Ik houd veel van zijn werk en heb al aardig wat vertalingen van zijn gedichten gemaakt. Peter Verstegen – een gelauwerd vertaler – heeft hier een Ten Geleide bij het vertalen van Auden gepubliceerd.

En hier maakte Verstegen een (naar mijn smaak) geslaagde vertaling van The Model openbaar.

Met betrekking tot dit gedicht is het nog wel goed om te vermelden dat de homoseksuele Auden vanaf zijn studietijd, de tijd dat hij zichzelf losmaakte van de afkeer die zijn milieu had jegens homoseksualiteit, de sterke neiging had – een neiging die hij gedurende zijn leven grotendeels heeft behouden – om te denken dat psychische verkramptheid, neurosen, het onvermogen om je te bevrijden van dat wat je belemmert, een onmiskenbaar effect heeft op je lichaam, op je fysieke gesteldheid, en dus op de kans dat je akelige ziekten (zoals kanker) ontwikkelt.

Alfred Binet (1857-1911) was een Franse psycholoog naar wie de Stanford-Binet-intelligentieschaal is genoemd, de eerste intelligentietest. Hermann Rorschach was een Zwitsers psychiater die de inktvlektest ontwikkelde. Uit de resultaten van deze test konden psychische eigenaardigheden van de testpersoon worden afgeleid zonder dat deze het zelf besefte.

Dit gedicht vertaalde ik al in 1998. Hierbij de publicatie met een paar kleine aanpassingen.

Vertaling:

Het Model

Wie in nette heren verleiders ziet, of in een verlegen
meisje de angst voor een afwijzing leest,
beseft wel terdege,
dat iets uit handpalm, handschrift of gezicht te halen
een zaak is van vertalen;
maar dit oude dameslichaam geeft haarscherp een beeld van haar geest.

Ook zonder Rorschach of Binet begrijpt de grootste dwaas
van haar krasheid en fiere verschijning de taal;
want als je de tachtig haalt
maakt zelfs een ietsie-pietsie vrekkigheid
dat je aan duizend kwalen lijdt,
en zonder mankeren blijkt een korreltje wanhoop fataal.

Of de stad zich ooit bezatte aan haar boezem, ze evident
een dame was met faam en hippe habitus
in kerkelijke kring, en grondig werd verwend
door haar echtgenoot, of ze haar zoon verloor,
dat alles verdween en ging teloor
wat ook gebeurde, ze is er nog, ze vergaf, ze werd wat zij is.

Zo kan de schilder zijn gang gaan: een Engelse tuin wellicht,
Chinese rijstvelden, een grootstedelijke wildernis,
de lucht donker maken of licht,
haar afzetten tegen groen pluche of een rode muur,
eenheid verleent ze aan elk decor,
door het oog te richten op wat waarlijk menselijk is.

Origineel:

The Model

Generally, reading palms or handwriting or faces
Is a job of translation, since the kind
Gentleman often is
A seducer, the frowning schoolgirl may
Be dying to be asked to stay;
But the body of this old lady exactly indicates her mind;

Rorschach or Binet could not add to what a fool can see
From the plain fact that she is alive and well;
For when one is eighty
Even a teeny-weeny bit of greed
Makes one very ill indeed,
And a touch of despair is instantaneously fatal:

Whether the town once drank bubbly out of her shoes or whether
She was a governess with a good name
In Church circles, if her
Husband spoiled her or if she lost her son,
Is by this time all one.
She survived whatever happened; she forgave; she became.

So the painter may please himself; give her an English park,
Rice-fields in China, or a slum tenement;
Make the sky light or dark;
Put plush green behind her or a red brick wall.
She will compose them all,
Centering the eye on their essential human element.

Uitgelicht bericht

Avond – R.S. Thomas

Boogschutter

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de subtiele schilderes Mildred Eldridge (1909-1991).

Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).

Een aardig artikel over Thomas’ leven en werk is van de hand van Theodore DalrympleA Man Out of Time.

Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.

Het onderhavige gedicht was één van de gedichten waarop Thomas zelf erg was gesteld, en dat ook is voorgedragen op zijn begrafenis.

Het werd gepubliceerd in No Truce with the Furies (Newcastle upon Tyne : Bloodaxe Books, 1995).

Vertaling:

Avond

De boogschutter die aanlegt
met de pijl van de tijd – heeft hij z’n pees
gebroken nu de regenboog
zo roerloos hangt boven ons dorp?

Laat ons daar staan, even, in de korte spanne
tussen onze verwondingen, tot de stilte
van goud wordt, en liefde ons
overstroomt in een eeuwig moment.

Origineel:

Evening

The archer with time
as his arrow – has he broken
his strings that the rainbow
is so quiet over our village?

Let us stand, then, in the interval
of our wounding, till the silence
turn golden and love is
a moment eternally overflowing.

Uitgelicht bericht

Ik preekte over grote dingen – R.S. Thomas

rs_thomas_01

R.S. Thomas

Ik heb in het verleden al een vrij groot aantal gedichten van de dichter Ronald Stuart Thomas vertaald. Als u iets meer wilt weten van zijn achtergrond, dan verwijs ik u graag naar berichten die ik al eerder geschreven heb, bijvoorbeeld hier.

Hier kunt u de voordracht beluisteren die Thomas van dit gedicht gaf.

Ik vrees dat ik het aantal lettergrepen van het origineel vrij ver heb overschreden.

Dit gedicht komt uit de bundel The Echoes Return Slow (1988).

Vertaling:

Ik preekte over grote dingen

Ik preekte over grote dingen
in een kleine gemeente. Kleingeestig
zal ik niet zeggen, sommigen
hadden diepten waarvoor ik terug-
deinsde, welputten waarin je het
wegstervende woord ‘God’ laat vallen,
en waarin het, zover ik weet, alsmaar
verder valt. Wie erheen gaat
voor water, moet rekenen op een lange
zit. Hun ogen keken me aan
als de restanten van bloemen
op een oud graf. Ik kwam er,
voelde ik, om sintels aan te blazen
die reeds lang waren afgekoeld. Vaak,
als ik meende dat ze op het punt stonden
om zich voor me te ontsluiten, kwam
de tocht uit hun lege ruimten me
suizend tegemoet, en wikkelde ik mijzelf
in het gewichtiger gewaad van mijn roeping,
sprekend van licht en liefde in de steeds
zwaardere schaduwen van hun keukens.

Origineel:

I was vicar of large things

I was vicar of large things
in a small parish. Small-minded
I will not say, there were depths
in some of them I shrank back
from, wells that the word ‘God’
fell into and died away,
and for all I know is still
falling. Who goes for water
to such must prepare for a long
wait. Their eyes looked at me
and were the remains of flowers
on an old grave. I was there,
I felt, to blow on ashes
that were too long cold. Often,
when I thought they were about
to unbar to me, the draught
out of their empty places
came whistling, so that I wrapped
myself in the heavier clothing
of my calling, speaking of light and love
in the thickening shadows of their kitchens.

Uitgelicht bericht

Het duurde eeuwig en het duurde even

Ze waren warm, en, ja, ze wilden leven.
Liefde wilden ze, voedsel, nutteloosheid,
ze spartelden, ze knuffelden zo-even.

Het noodlot blijft aan kleine dingen kleven.
Ze dansten in hun kooi van zorgeloosheid,
ze waren warm, en, ja, ze wilden leven.

Het duurde eeuwig en het duurde even,
alsof je in een rijpe abrikoos snijdt …
Ze spartelden, ze knuffelden zo-even.

Het mes zal wat het nam niet kunnen geven.
Het hachelijke leven in zijn broosheid.
Ze waren warm, en, ja, ze wilden leven.

De snoetjes hielden niet bepaald van sneven.
O, koene snijders in verstand en boosheid!
Ze spartelden, ze knuffelden zo-even.

Het snoer viel niet in liefelijke dreven.
Gebod voor wie aan dit memento schrijft:
“Ze waren warm, en, ja, ze wilden leven,
ze spartelden, ze knuffelden zo-even.”

(Eigen werk)

Uitgelicht bericht

Golven kijken

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die ook in Wales woonde en werkte als een Anglicaans priester. Hij was een groot natuurliefhebber, had een vrij vergaande afkeer van moderne zaken die hij vond afleiden van waar het in het leven echt om ging, en hij schreef in het Engels.

Een aardige bespreking door Theodore Dalrymple van zijn biografie – Byron Rogers, The Man Who Went into the West: The Life of R. S. Thomas, Aurum Press – vindt u hier.

Hij was een merkwaardige, eenzelvige figuur die prachtige gedichten schreef, getrouwd was met de schilder Mildred (Elsi) Eldridge, aan wie hij een paar fraaie gedichten heeft gewijd – zie elders op dit blog (bereikbaar via het menu op de hoofdpagina, onder de naam R.S. Thomas).

Kingsley Amis – zeker geen geestverwant – schreef dat zijn poëzie “reduces most modern verse to footling whimsy” (=triviale gekkigheid). Hij is in Nederland niet zeer bekend. John Betjeman meende dat Thomas’ poëzie nog gelezen zou worden lang nadat zijn gedichten zouden zijn vergeten.

Het gedicht Sea-watching is een karakteristiek gedicht in Thomas’ oeuvre: bidden, afwezigheid, zee, vogels. Thomas was een vogelaar. In dit gedicht kijkt hij uit over de zee – het lijkt een terugkeer te betreffen. Zijn ogen zoeken vergeefs naar de vogel die zich niet vertoont. De schoonheid van dit alles is zo overweldigend dat de afwezigheid van de vogel er bijna niet meer toe doet. Het gedicht behandelt hiermee het thema van de Via Negativa op een gedempte manier: zie elders op dit blog.

De titel luidt dan ook Sea -watching en geen ‘Bird-watching’, Golven kijken en geen ‘Vogels kijken’.

Het gedicht is opgenomen in de bundel Laboratories of the Spirit, uitgegeven bij Macmillan in Londen (1976).

(Met dank aan deze dichter en Twitter-collega voor het aanreiken van de vertaling van ‘omwoond’ voor ‘habited’.)

Vertaling:

Golven kijken

Grijze wateren, uitgestrekt
                               als de gebedscontreien
die je betreedt. Dagelijks,
                               gedurende een aantal jaren,
liet ik het oog erop rusten.
Was er iets waarop ik wachtte?
                               Niets gebeurde
behalve dat onophoudelijke aanrollen
                               van doelloze
golven.
                               Ah, maar een vogel die je haast nooit ziet,
zie je haast nooit. Hij komt pas
als je niet kijkt, op een moment
                              dat je er niet bent.
Je moet je ogen verslijten,
zoals een ander zijn knieën.
                               Ik werd de kluizenaar
van de rotsen, omwoond door de wind
en de mist. Er waren dagen –
zo prachtig was de leegte
die hij had kunnen vullen –
                              dat z’n afwezigheid
was als z’n aanwezigheid; zo onlosmakelijk
zijn die twee, dat in mijn verwoede geest,
na het lange vasten,
                              mijn kijken met bidden versmolt.

Origineel:

Sea-watching

Grey waters, vast
                              as an area of prayer
that one enters. Daily
                              over a period of years
I have let the eye rest on them.
Was I waiting for something?
                              Nothing
but that continuous waving
                              that is without meaning
occurred.
                              Ah, but a rare bird is
rare. It is when one is not looking
at times one is not there
                              that it comes.
You must wear your eyes out,
as others their knees.
                              I became the hermit
of the rocks, habited with the wind
and the mist. There were days,
so beautiful the emptiness
it might have filled,
                              its absence
was as its presence; not to be told
any more, so single my mind
after its long fast,
                              my watching from praying.

Uitgelicht bericht

De zomen van het leed

Tijdens de bosrand valt de avondzon.
Er is een uil die in zijn stilte vliegt.
Ik hoor een stem die samenzwerend liegt.
(Misschien denkt u dat ik wel zonder kon.)

Het gif schuilt onmiskenbaar in de bron.
Al wat gebeurd is, heeft ons zeer gegriefd.
‘Misschien dat u een rode twist belieft?’
Een woord is geen partij voor het kanon.

Het blanke leven is niet steeds naar wens.
Verwoesten is wat ik in zwartheid deed.
Het leven kent een prikkeldraden-grens.

Verwijt mij nooit wat ik mijzelf verweet.
Ik maak – kent u nog rare bohemiens? –
een fietstocht naar de zomen van het leed.

(Eigen werk)

Uitgelicht bericht

De Elfenkoningin (Proloog Boek 2) – Edmund Spenser

Edmund Spenser (1552/1553 – 1599) was een Engels protestants dichter uit de zestiende eeuw. Hij was ruim tien jaar ouder dan Shakespeare (1564-1616), en ze waren dus tijdgenoten. Beiden waren jonger dan ik nu ben (geb. 1964) toen ze stierven.

Maar voor hun poëzie geldt misschien wel een tweetal regels van Ida Gerhardt, ontleend aan Twee Uur, de klokken antwoordden elkaar:

… wat ontsprong aan hun verwondering
en stralend de millennia doorscheen

Spensers bekendste werk is The Faerie Queene. Dat is een episch gedicht dat heldenverhalen vertelt, en het is ook een allegorisch gedicht waarin gepersonifieerde begrippen worden opgevoerd. The Faerie Queene is één van de langste gedichten in het Engelse taalgebied.

Een Faerie Queene is een elfenkoningin, een feeënkoningin, een koningin van sprookjesland. Het lange gedicht is opgedragen aan Elizabeth I, en kan ook gelezen worden als een eerbetoon aan de vorstin, naast de allegorische uitbeelding van een flink aantal ridderlijke deugden.

In 1590 kwamen de eerste drie boeken van The Faerie Queene uit, en in 1596 opnieuw drie boeken. Het voornemen lijkt te zijn geweest twaalf boeken te laten verschijnen, maar we beschikken alleen over de eerste zes.

Het vertaalde gedicht is een proloog die tevens een opdracht is aan Elizabeth I. De proloog gaat vooraf aan de tekst van Boek 2 waarin de avonturen van Sir Guyon worden verteld, een ridder die de deugd van de zelfbeheersing, de matiging, de discipline belichaamt.

Het gedicht heeft vijf strofen die geschreven zijn in een vorm die de ‘Spenserian Stanza‘ wordt genoemd: een strofevorm met negen regels, geschreven in jambische vijfvoeten, met een alexandrijn (een jambische zesvoet met een cesuur) als afsluitende slotzin. Het rijmschema is heel strak: ababbcbcc.

De aanleiding voor deze vertaling is het verhelderende voorwoord dat de C.S. Lewis-vertaler Arend Smilde heeft geschreven bij de vertaling van Of This and Other Worlds (1982), een boek van Lewis dat in de nabije toekomst in Nederlandse vertaling verschijnt onder de titel Andere Werelden en de onze. In dat voorwoord laat Smilde het verband zien tussen Lewis’ christelijke geloof en diens geloof in de literaire verbeeldingskracht. De titel van die Lewis-bundel lijkt een toespeling te bevatten op een zinsnede uit de derde strofe van het onderhavige gedicht (regel 7/8):

What if in euery other starre vnseene
Of other worldes he happily should heare?

Uiteindelijk heeft Smilde mijn vertaling niet gebruikt, maar hij heeft wel grondig en waardevol commentaar geleverd op mijn vertaling toen deze nog niet helemaal af was, waardoor het resultaat zeer is verbeterd, waarvoor veel dank. Uiteraard ben ik zelf geheel verantwoordelijk voor alle vertaalfouten die het gedicht mogelijk nog bevat.

De eerste vier strofen zijn eerder vertaald door Christine D’Haen en werden aangeboden aan koningin Beatrix en koningin Fabiola ter gelegenheid van Beatrix’ bezoek aan België in 1981.

Hier vindt u de geannoteerde tekst van het gedicht.

Vertaling:

De Elfenkoningin – proloog Boek 2

Ik weet heel goed, doorluchte soeverein,
dat heel deez’ roemrijke geschiedenis
het schuim lijkt van een ijdel brein,
verzinsel slechts, een bron van ergernis,
in plaats van raak herleefde heugenis,
want geen die adem heeft, heeft weet
waar toch dat fraaie elfenland wel is,
dat ik zo blij bezing, ´t ontglipt ons steeds
tenzij men tijd met ijle oudheden verdeed.

Maar laat ons het verstand als leidraad nemen,
veel van het aardrijk is nog niet ontdekt:
haast dagelijks wordt door vlijtig ondernemen,
besef van nieuwe streken opgewekt,
tot nu toe onvermoed, of hoogst suspect.
Wie had voorheen iets van Peru vernomen?
Welk dapper schip had een gegist bestek
der grote Amazone, met haar zomen?
Of van Virginia, welks vruchten tot ons komen?

Dit al bestond reeds – niemand die het wist,
en ’t bleef de knapste eeuwen onbekend:
een later tijd kent nieuwe zaken, onbetwist.
Waarom ontkennen als je nog onwetend bent,
slechts prijzen wat je uit aanschouwing kent?
Wat schuilt er in de lichtkring van de maan?
Wat als ‘n vreemde ster een boodschap zendt
van nieuwe oorden? – je zou perplex staan,
en je verwonderen – er zijn er die ’t verstaan.

Over dat elfenland kun je misschien
nog tekens vinden die jou vroeg of laat
een tipje geven. Mocht je ‘t niet doorzien,
besef dat speurzin bot kan zijn, inadequaat,
en volg het fijne spoor van rijm en maat.
Dan zult gij toch, o schone hemelkoningin,
in deze klare spiegel schouwen uw gelaat,
zoals uw rijk aan ‘t elfenland ontspringt,
uw voorgeslacht zich in dit oude beeld bevindt.

Een beeld dat ik, vergeef me, op zal bouwen,
gehuld in sluiers, vol van schaduwtonen,
zodat uw glorie zich durft te ontvouwen,
die anders zich niet makk’lijk zou vertonen,
verblinding treft wie schittering aanschouwen.
Vergeef me, en verleen aandachtig oor
aan ‘t avontuur dat Guyon zal bekronen,
met elfendapperheid, en tussendoor
vindt ook de schone deugd der Matiging gehoor.

Origineel:

The Faerie Queene (Book 2, Prologue)

Right well I wote most mighty Soueraine,
That all this famous antique history,
Of some th’aboundance of an idle braine
Will iudged be, and painted forgery
Rather than matter of iust memory,
Sith none, that breatheth liuing aire, does know,
Where is that happy land of Faery,
Which I so much do vaunt, yet no where show,
But vouch antiquities, which nobody can know.

But let that man with better sence aduize,
That of the world least part to vs is red:
And dayly how through hardy enterprize,
Many great Regions are discouered,
Which to late age were neuer mentioned.
Who euer heard of th’Indian Peru?
Or who in venturous vessell measured
The Amazons huge riuer now found trew?
Or fruitfullest Virginia who did euer vew?

Yet all these were, when no man did them know;
Yet haue from wisest ages hidden beene:
And later times things more vnknowne shall show.
Why then should witlesse man so much misweene
That nothing is, but that which he hath seene?
What of within the Moones faire shining spheare?
What if in euery other starre vnseene
Of other worldes he happily should heare?
He wonder would much more: yet such to some appeare.

Of Faerie lond yet if he more inquire,
By certaine signes here set in sundry place
He may it find; ne let him then admire,
But yield his sence to be too blunt and bace,
That no’te without an hound fine footing trace.
And thou, O fairest Princesse vnder sky,
In this faire mirrhour maist behold thy face,
And thine owne realmes in lond of Faery,
And in this antique Image thy great auncestry.

The which O pardon me thus to enfold
In couert vele, and wrap in shadowes light,
That feeble eyes your glory may behold,
Which else could not endure those beames bright
But would be dazled by exceeding light.
O pardon, and vouchsafe with patient eare
The braue aduentures of this Faery knight
The good Sir Guyon gratiously to heare,
In whom great rule of Temp’raunce goodly doth appeare.

Uitgelicht bericht

Tinkelvers

Welk tinkelvers wil gaarne zingen
van staatsmanschap, van moed en durf,
van slavenhandel, deltawerken, turf,
van soevereiniteit in eigen kringen,

van graaien en de dans ontspringen,
van gulzigheid met snuit of slurf?
De taal der liefde kakel je wel murw,
geen God heeft weet van deze dingen.

Maar wat ten leste halfweg zal beklijven,
de bloeddorst van ons nationale zelf,
de spartelzucht van onze geile lijven,

al wat ons ooit deed komen tot onszelf,
het blijft in bloeddoorlopen vlekken wrijven,
gedruis dat hol weerklinkt in het gewelf.

(Eigen werk)

Uitgelicht bericht

De berg – Elizabeth Bishop

elizabeth-bishop 1

Elizabet Bishop (Bron: The Library of America)

Elizabeth Bishop (1911-1979) was een Amerikaans schrijfster van gedichten en korte verhalen.

Het gedicht One Art, in het verleden door mij vertaald als De kunst bij uitstek (elders op dit kleine blog raadpleegbaar), is een bekend gedicht in haar oeuvre.

Ze heeft weinig gemeen met de Confessional Poets, tijdgenoten die erg openhartig waren over hun persoonlijk leven, en die details daarvan openlijk gebruikten in hun poëzie. Ze was daar terughoudend mee, en ze was, hoewel ze de feministische zaak zeker was toegedaan, onwillig om met nadruk te worden bejegend als de lesbische vrouw die ze was, bijvoorbeeld in door feministen samengestelde bloemlezingen.

Er zijn tijdens haar leven niet veel meer dan honderd gedichten gepubliceerd. Ze cultiveerde een objectieve dichtstijl, die rijk is aan details, en haar gedichten zijn zeer evocatief. Het effect ontlenen ze mede aan de sterke emotie die schemert door die uiterlijke objectiviteit heen.

Het artikel van Bridget Read, ‘The Powerful Reticence of Elizabeth Bishop‘, The New Republic, 9 juni 2017, is een goede eerste kennismaking met Elizabeth Bishop. (Het onderschrift bij de openingsfoto van dat artikel is misleidend. De fotograaf is haar toenmalige levenspartner Alice Methfessel, en de afgebeelde persoon is Elizabeth Bishop op latere leeftijd.)

Fraai citaat uit dit artikel:

She sought to tap into “the surrealism of everyday life, unexpected moments of empathy” in order to produce something universal, whole. She had felt most of her life that she was at odds with the world around her, and that poetry was her salve. Verse could break into the essential, crack open “the horrible and terrible world,” which had given her such pain. Why bring reality back in?

The Mountain lijkt enigszins op een villanelle, een strenge dichtvorm, al voldoet dit gedicht zeker niet aan alle eisen van die vorm. De openingsstrofe opent bijvoorbeeld niet met de keerregels in de eerste en derde regel, zoals gebruikelijk. Er zijn ook meer strofen. Alle strofen zijn vierregelig, in plaats van meestentijds drieregelig. Er is geen noemenswaardig rijm.

Het gedicht kent dramatiek. Er komt een berg aan het woord bij het vallen van de avond. Deze vertelt hoe het overdag is. En ten slotte wordt het donker en valt de nacht. En steeds de herhaalde dramatische mededeling: ik weet mijn leeftijd niet, en de herhaalde vraag: zeg me hoe oud ik ben.

De stem van het gedicht is die van de berg, en de berg personifieert natuurlijk de dichter, of de mens in het algemeen, iemand met misschien een onverwoestbare kern, maar die ook onderworpen is aan de nacht, zoals wij allemaal.

Vertaling:

De berg

’s Avonds, er doemt wat achter me.
Ik kom in beweging, ik krimp ineen,
of houd moeizaam stil en brand.
Ik weet mijn leeftijd niet.

‘s Morgens is alles anders.
Een boek ligt open voor mij,
al te dichtbij om fijn te lezen.
Zeg me hoe oud ik ben.

En dan vult zich het dal
Met een potdichte mist
Als een katoenprop in mijn oor.
Ik weet mijn leeftijd niet.

Niet dat ik klagen wil.
Ze zeggen ‘t ligt aan mij.
Niemand vertelt me iets.
Zeg me hoe oud ik ben.

De scherpste scheidslijn
loopt langzaam uit en wijkt
als een verwelkte tattoo.
Ik weet mijn leeftijd niet.

Een schaduw valt; licht stijgt.
Klauterende lichtjes, oh jeugd,
nooit ben je hier lang genoeg!
Zeg me hoe oud ik ben.

Een steenkam zeefde hier
met tanden de versteende veren.
De klauwen gingen toen teloor.
Ik weet mijn leeftijd niet.

Ik word steeds dover. Vogelroep
sijpelt nog voort, en de waterval
wordt niet gewist. Mijn leeftijd?
Zeg me hoe oud ik ben.

Tijd voor de maan om te hangen,
voor sterren om te vliegeren.
Ik wil mijn leeftijd weten.
Zeg me hoe oud ik ben.

Origineel:

The Mountain

At evening, something behind me.
I start for a second, I blench,
or staggeringly halt and burn.
I do not know my age.

In the morning it is different.
An open book confronts me,
too close to read in comfort.
Tell me how old I am.

And then the valleys stuff
impenetrable mists
like cotton in my ears.
I do not know my age.

I do not mean to complain.
They say it is my fault.
Nobody tells me anything.
Tell me how old I am.

The deepest demarcation
can slowly spread and sink
like any blurred tattoo.
I do not know my age.

Shadows fall down; lights climb.
Clambering lights, oh children!
You never stay long enough.
Tell me how old I am.

Stone wings have sifted here
with feathers hardening feathers.
The claws are lost somewhere.
I do not know my age.

I am growing deaf. Bird-calls
dribble and the waterfalls
go unwiped. What is my age?
Tell me how old I am.

Let the moon go hang,
the stars go fly their kites.
I want to know my age.
Tell me how old I am.

Uitgelicht bericht

Wonder en Afgrond

A Welsh Landscape

EeEen Welsh landschap

Een paar gedachten over een gedicht van Ronald Stuart Thomas (1913-2000). Misschien dat u ze leuk vindt om te lezen.

Onlangs had ik op Twitter een korte discussie met een collega over de interpretatie van een gedicht van Ronald Stuart Thomas, een Welshe dominee-dichter. Het betrof het gedicht Three Countries (Uncollected Poems, @BloodaxeBooks), dat als volgt luidt:

Three Countries

At Soay at the Cuillins I saw the salmon leap,
Uneasy captives at the coble’s side,
Where four stern men were hauling at the nets
That bore the glittering burden of the tide.

At Keem in Achill, when the nets were spread,
The basking sharks came cruising in the bay;
I saw the water broken by their fins,
And the bright eddies as they turned away.

But once in Malldraeth when the whitebait lay,
A serried harvest, in the grottoed shade
Of some green pool, I saw the mackerel fall
Softly upon them like a silver blade.

Dit is een fraai gedicht, mooi van taal, geheimzinnig van betekenis. Ik vind dit gedicht ongeschikt voor een vertaling, vanwege de plaatsnamen, en ook wel vanwege de culturele context die ik haast niet kan oproepen zonder de vertaling te bedelven onder een berg voetnoten.

Ik moest sommige dingen opzoeken. Omdat ik het mogelijk acht dat u momenteel net zo onwetend bent als ik tot voor kort was, geef ik een paar woordbetekenissen die u misschien niet paraat hebt.

  • Soay at the Cuillins: een eilandje bij het Schotse Isle of Skye, met uitzicht op de bergruggen van de Cuillins.
  • Keem in Achill: een baai van het Ierse eiland Achill.
  • Malldraeth (meestal gespeld als Malltraeth): plaatsje aan het einde van een diepe baai van Isle of Anglesey, gelegen ten noordwesten van Wales.
  • Coble: een Schotse platbodem, gebruikt voor de visserij.
  • Basking shark: reuzenhaai, een vredelievende haai die voorkomt in de zeeën rondom het Verenigd Koninkrijk en Ierland (lengte tot 11 meter). ‘Basking’ betekent: zich koesterend.
  • Eddies: draaikolken – ‘the bright eddies’ worden heel fraai met een antimetrie (afwijking van het metrum) tot uitdrukking gebracht.
  • Whitebait: zeebliek (meestal: jonge haring).
  • Serried: dicht opeengepakt.

De vraag die opgeworpen werd in de korte Twitter-discussie was of je ‘bovennatuur’ nodig hebt om dit gedicht te begrijpen; R.S. Thomas was immers een Welshe dominee-dichter. In eerste instantie antwoordde ik van niet, want de betekenis van het gedicht liet zich immers ongeveer als volgt samenvatten:

Het gaat over drie landen: Schotland, Ierland en Wales. De scènes spelen zich allemaal af op een eiland. In de eerste strofe is sprake van zalm, in de tweede van de reuzenhaai, in de slotstrofe van makreel.

In die drie landen gebeuren verschillende dingen tussen mens en vis: de mens die de tegenspartelende vis vangt (Schotland), de vis die genietend zijn gang gaat tussen de vissende mens (Ierland), de vis die wreed en ongerept zijn natuurlijke gang gaan, andere visjes aanvalt, ongetwijfeld opeet, gadegeslagen door een eenzame toeschouwer (Wales). Het zijn een soort ‘scènes moralisées’.

Na er in de vroege ochtend tussen de lakens een beetje over te hebben gepeinsd, vond ik toch dat er nog wat meer over die bovennatuur moest worden gezegd. Dat stukje van de discussie heeft zich buiten de openbaarheid afgespeeld.

R.S. Thomas in a Welsh landscape seen on the back

R.S. Thomas in een Welsh landschap op de rug gezien

Bij Thomas overheerst bijna in alles wat hij schrijft een zin voor het wonderbaarlijke en een zin voor het afgrondelijke (een bijzondere vorm van het wonderbaarlijke).

Als je dat tot de bovennatuur rekent, dan kun je in je interpretatie niet om zo’n bovennatuur heen.

Thomas was bijzonder gesteld op Kierkegaard, iemand die veel heeft gefilosofeerd over de afgrond, het zweven daarboven, en de moed om dat te doen. Thomas was ook een aandachtig natuurliefhebber, net als zijn vrouw de schilder Mildred Eldridge (1909-1991).

Het gedicht bevat heel zuivere beelden, en drie indringende voorstellingen.

Thomas ontpopte zich bij tijd en wijle als een Welshe nationalist. Als dominee vond hij dat de meeste moderne kwalen voortkomen uit het feit dat de mens vergeten is hoe hij moet leven, en gedachteloos welvaart en genietingen najaagt.

Ik denk dat de zuiverheid, de wreedheid, de natuurlijkheid, de eenzaamheid en de ongereptheid van de Welshe voorstelling hem zeer aansprak.

 

 

 

 

 

Uitgelicht bericht

Rauw – R.S. Thomas

r.-s.-thomas-4da1a5eab4f6b_360x225
R.S. Thomas

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die ook in Wales woonde en werkte als een Anglicaans priester. Hij was een groot natuurliefhebber, had een vrij vergaande afkeer van moderne zaken die hij vond afleiden van waar het in het leven echt om ging, en hij schreef in het Engels.

Een aardige bespreking door Theodore Dalrymple van zijn biografie – Byron Rogers, The Man Who Went into the West: The Life of R. S. Thomas, Aurum Press – vindt u hier.

Hij was een merkwaardige, eenzelvige figuur die prachtige gedichten schreef, getrouwd was met de schilder Mildred (Elsi) Eldridge, aan wie hij een paar fraaie gedichten heeft gewijd – zie elders op dit blog (bereikbaar via het menu op de hoofdpagina, onder de naam R.S. Thomas).

Kingsley Amis – zeker geen geestverwant – schreef dat zijn poëzie “reduces most other modern verse to footling whimsy” (=triviale gekkigheid). Hij is in Nederland niet zeer bekend. John Betjeman meende dat Thomas’ poëzie nog gelezen zou worden lang nadat zijn gedichten zouden zijn vergeten.

Ik heb op dit kleine blog al aardig wat vertalingen gepubliceerd. De twee dichters van wie ik het meeste heb vertaald zijn W.H. Auden en R.S. Thomas. Joseph Brodsky zei ooit van Auden – de dichter van wie hij het meeste hield – dat ‘godsdienstwaanzin’ een aandoening was waarvan Auden niet geheel vrij was. Als dat waar is – en het is waar, als je dat ‘waanzin’ niet al te letterlijk neemt – geldt het ook voor Thomas. En ook voor de vertaler wiens stukje u nu aan het lezen bent.

Het gedicht Rough is een heel merkwaardig, hard, sardonisch gedicht. Het beschrijft een schepper-god die zijn malicieuze grillen volgt en die de bedenker lijkt te zijn van een leven dat slechts gruwelijke hindernissen voor mens en dier oplevert en een akelige dood ten gevolge heeft. Van liefde en mededogen lijkt geen sprake. Aan het eind blijkt God een wezen te zijn dat bulderend lacht, met een steek in zijn zij tot gevolg, een steek die iemand verbeeldt die in de christelijke traditie Gods zoon genoemd wordt, namelijk Jezus.

De steek in de zij van de lachende God verwijst niet alleen naar de bulderlach, maar ook naar het verhaal van de kruisiging in het evangelie: toen Jezus aan het kruis was gestorven werd een steek in zijn zij toegebracht door soldaten om daarmee vast te kunnen stellen dat hij inderdaad niet meer leefde. De boosaardige schepper-god blijkt daarmee over een van de kruiswonden, de stigmata, te beschikken, en leeft verrassenderwijs voort als een gekruisigde, terwijl Jezus in de vorm van het stigma opduikt.

Dat we hier ver verwijderd zijn van vroompraterij, is wel duidelijk.

De kale tekst en de sardonisch gecomponeerde voorstellingswereld zijn typerend voor een aantal Thomas-gedichten, en ze sorteren een sterk effect bij de lezer.

Het gedicht verscheen in zijn bundel Laboratories of the Spirit, en het is opgenomen in zijn Collected Poems: 1945-1990.

(Ik heb twee suggesties overgenomen en enkele aanpassingen gedaan n.a.v. het scherpe commentaar van een mede-twitteraar, onder dank!)

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

——————————————————————————————————————————-

Vertaling:

Rauw

God keek naar de arend die keek naar
de wolf die spiedde naar de haas
die graasde van het gras, groen en golvend
als Gods baard. Hij deed een stapje terug;
het was perfect, een zelfregulerende machine
van bloed en feces. Een ding ontbrak nog:
hij scheidde in zeewater een vage nabootsing
af van zichzelf, blies er lucht in, en liet
de rode bloedlichaampjes wervelen. Het schepsel
liet daarop al gauw de arend, de wolf en
de haas smeken om genade. Alleen het gras
bood weerstand. Dat diende om zijn verbeelding
te verhitten. God nam een handvol ziektekiemen,
die hij zaaide in het malse vlees. Zeer opmerkelijk
was de oogst: de ledematen vormden een obscene
vraag, het hoofd zwol op, uit de ogen kwamen
tranen van pus. Er was een geluid als van de
donder, de luide, onbedaarlijke lach van
God, met een steek in zijn zij tot gevolg, Jezus.

Origineel:

Rough

God looked at the eagle that looked at
the wolf that watched the jack-rabbit
cropping the grass, green and curling
as God’s beard. He stepped back;
it was perfect, a self-regulating machine
of blood and faeces. One thing was missing:
he skimmed off a faint reflection of himself
in sea-water; breathed air into it,
and set the red corpuscles whirling. It was not long
before the creature had the eagle, the wolf and
the jack-rabbit squealing for mercy. Only the grass
resisted. It used it to warm its imagination
by. God took a handful of small germs,
sowing them in the smooth flesh. It was curious,
the harvest: the limbs modelled an obscene
question, the head swelled, out of the eyes came
tears of pus. There was the sound
of thunder, the loud, uncontrollable laughter of
God, and in his side like an incurred stitch, Jesus.

Uitgelicht bericht

Toen te leven – R.S. Thomas

Ronald Stuart Thomas - Cottage

R.S. Thomas

Ronald Stuart Thomas was een Welshe dichter-dominee die in het Engels schreef en getrouwd was met de fijnzinnige schilder Mildred Eldridge. Hij had samen met zijn vrouw één zoon.

Thomas was een man die het moderne leven voor een groot deel beschouwde als een dwaling, als een miskenning van het centrale levensthema, als minachting voor datgene waar het werkelijk op aan kwam, namelijk het volgen van het liefdegebod en het met aandacht en verwondering opgaan in de ongelooflijke rijkdom van al het geschapene. Hij preekte en gedroeg zich heel onalledaags, en hij ontpopte zich ook wel eens als een fanatieke Welshe nationalist.

Ik vermoed sterk dat de neiging binnen delen van de Nederlandse christenheid om zich conservatief te noemen, samenhangt met de afkeer van de moderniteit die ook voor R.S. Thomas zo opvallend aanwezig was.

Een goede introductie tot deze dichter wordt gevormd door deze bespreking van zijn biografie: A Man out of Time, door Theodore Dalrymple, niet toevallig ook zelf een uitgesproken conservatief.

Zo geformuleerd zullen veel mensen misschien denken dat ze zijn werk met een gerust hart ongelezen kunnen laten, maar dan zouden ze zichzelf toch te kort doen. Vergeleken met zijn gedichten doet veel moderne poëzie aan als “triviale gekkigheid” (footling whimsy), zei Kingsley Amis, en John Betjeman meende dat Thomas nog gelezen zou worden lang nadat zijn eigen werk al in de vergetelheid zou zijn verzonken.

Het onderhavige gedicht behandelt het centrale thema van Thomas expliciet.

Het is een betrekkelijk vrij gedicht, modern van vorm, vol ingehouden spot, en met een zware, het gehele gedicht doortrekkende ernst.

The lips of time zijn misschien een stille verwijzing naar het gedicht The force that through the green fuse drives the flower (1934) van Dylan Thomas:

The lips of time leech to the fountain head;
Love drips and gathers, but the fallen blood
Shall calm her sores.

Bron van het gedicht: R.S. Thomas, Counterpoint – A.D. p. 44, Bloodaxe Books 1990.

Vertaling:

Toen te leven

Toen te leven
was beseffen hoe onmisbaar
het gebed was, hoe onmogelijk.

Geweldig werk deden ze, de filosofen,
de vloer aanvegend met verklaringen
waarin niemand ooit geloofde.

We dreven weg in de ruimte-
tijd, vasthoudend aan het voorgoed
onbereikbare dat we hadden achtergelaten.

Tersluiks wegkijkend, repeteerden we
de smoesjes voor de tekortkomingen
van het rijk der liefde.

Omsingeld als we waren door
wetenschappelijke wegwijzers, snikten we
vergeefs dat we het spoor bijster waren.

We zijn er nog. Welke band
heeft voortbestaan met
zin en betekenis? Het antwoord was ooit

het lied van het gebeente op de lippen
van de tijd. Beide laten we nu
tot as vergaan in het crematorium van de geest.

Origineel:

To be alive then

To be alive then
was to be aware how necessary
prayer was and impossible.

The philosophers had done
their work well, demolishing
proofs we never believed in.

We were drifting in space –
time, in touch with what we had
left and could not return to.

We rehearsed the excuses
for the deficiencies of love’s
kingdom, avoiding our eyebeams.

Beset, as we were,
with science’s signposts, we whimpered
to no purpose that we were lost.

We are here still. What
is survival’s relationship
with meaning? The answer once

was the bone’s music at the lips
of time. We are incinerating
them both now in the mind’s crematorium.

Uitgelicht bericht

Liefdeslied van een dwaas meisje – Sylvia Plath

Sylvia Plath (1932-1963) was een Amerikaanse dichter en schrijver van romans en korte verhalen. Ze trouwde met de dichter Ted Hughes (1930-1998) en kreeg twee kinderen met hem. Sylvia Plath leed haar hele leven onder depressies. Haar worsteling daarmee heeft ze vormgegeven in de roman The Bell Jar. Ze maakte in 1963 zelf een eind aan haar leven.

Het gedicht Mad Girl’s Love Song is een bekend gedicht in haar oeuvre. Plath beschouwde het zelf als een van haar beste gedichten.

Het gedicht is een villanelle: er zijn zes strofen, vijf drieregelige strofen en een vierregelige slotstrofe. De eerste en de derde regel keren afwisselend als keerregels terug in de volgende strofen. De slotregels van de slotstrofe zijn de beide keerregels. Een villanelle heeft twee rijmklanken. In dit geval is Sylvia Plath daar enigszins vrij mee omgesprongen: ze gebruikte soms halfrijmen. Die vrijheid heeft deze vertaler ook genomen.

Veel toelichting heeft dit gedicht niet nodig. Door de ogen te sluiten kun je de wereld en je angsten laten verdwijnen, en kun je ook dingen oproepen. Maar het heeft wel een prijs: de dingen keren terug als je je ogen open doet, de dromen verdwijnen, en de liefde die je met je ogen dicht oproept, biedt geen wederliefde.

Serafiem zijn zesvleugelige tempelwezens – een soort engelen.

Ik heb Sylvia Plath altijd een beetje een drama queen gevonden, en eigenlijk vind ik dat nog wel. Maar ik houd me momenteel bezig met de villanelle, en ik vond dit gedicht toch wel heel goed gedaan.

Vertaling:

Liefdeslied van een dwaas meisje

“Mijn ogen toe, en al wat is valt dood;
Ik sla ze op, en alles doet weer mee.
(Je bent er vast alleen maar in mijn hoofd.)

De sterren walsen nu in blauw en rood,
En zwartheid doet nu lukraak mee;
Mijn ogen toe, en al wat is valt dood.

Ik ben behekst – je hebt me in je bed genood,
Je wiegde me in maanlicht, gulzig en extreem.
(Je bent er vast alleen maar in mijn hoofd.)

God tuimelt uit de lucht, en hellevuur dat dooft:
Exit de serafiem, de duivelen gaan heen:
Mijn ogen toe, en al wat is valt dood.

Ik hoopte dat je kwam, zoals je had beloofd;
Zo oud ben ik, dat ik je naam niet langer weet.
(Je bent er vast alleen maar in mijn hoofd.)

Had ik maar in mijn dondervogeltje geloofd;
Dat brult ten minste in het voorjaar nog voor twee.
Mijn ogen toe, en al wat is valt dood.
(Je bent er vast alleen maar in mijn hoofd.)”

Origineel:

Mad Girl’s Love Song

“I shut my eyes and all the world drops dead;
I lift my lids and all is born again.
(I think I made you up inside my head.)

The stars go waltzing out in blue and red,
And arbitrary blackness gallops in:
I shut my eyes and all the world drops dead.

I dreamed that you bewitched me into bed
And sung me moon-struck, kissed me quite insane.
(I think I made you up inside my head.)

God topples from the sky, hell’s fires fade:
Exit seraphim and Satan’s men:
I shut my eyes and all the world drops dead.

I fancied you’d return the way you said,
But I grow old and I forget your name.
(I think I made you up inside my head.)

I should have loved a thunderbird instead;
At least when spring comes they roar back again.
I shut my eyes and all the world drops dead.
(I think I made you up inside my head.)”

Uitgelicht bericht

Een wild konijntje

Er zit een wild konijntje op het gras.
De wildernis is nu een voederbak.
De vrijheid groeit voortreffelijk in een kas.

Beschaving is vergeten wie je was.
Je zorgde dat het jou aan niets ontbrak.
Er zit een wild konijntje op het gras.

Vergeefs zijn alle boeken die je las.
Natuur sterft meestal in gehakketak.
De vrijheid groeit voortreffelijk in een kas.

We produceren zuiver blauwzuurgas.
Een meubelzaak ontwierp de ballenbak.
Er zit een wild konijntje op het gras.

Rousseau verheerlijkte de wildebras.
De schedel is een diamanten dak.
De vrijheid groeit voortreffelijk in een kas.

Plafonds zijn dikwijls voor wie streeft van glas.
Lof zij de authentieke schobbejak.
Er zit een wild konijntje op het gras.
De vrijheid groeit voortreffelijk in een kas.

(Eigen werk)

Uitgelicht bericht

Als ik het zeggen kon – W.H. Auden

De dichter Wystan Hugh Auden (1907-1973) is een van de grootste twintigste-eeuwse dichters in het Engelse taalgebied. Hij stamde uit een anglicaans middle class milieu, studeerde in Oxford, werd al snel de centrale figuur van een groep dichters in de jaren dertig – Louis MacNeice, Stephen Spender, Christopher Isherwood, John Betjeman – was zich al vroeg bewust van zijn dichterlijke roeping, gebruikte Freud in zijn beginjaren, Marx in de jaren die erop volgden, en keerde op middelbare leeftijd terug naar de christelijke levensovertuiging die hij al van kindsbeen aan kende.

Het gedicht If I could tell you is een van de bekendste gedichten uit Audens oeuvre. Het is een villanelle, een dichtvorm met zes strofen, vijf drieregelige strofen en een slotstrofe met vier regels. De openingsregel en de slotregel van de eerste strofe keren afwisselend terug als keerregels aan het eind van de volgende strofen. In de slotstrofe keren beide regels als slotregels terug. In het gedicht komen maar twee eindrijmklanken voor.

Dit gedicht speelt met wat je kunt zeggen, met dat waarover je wel of niet kunt spreken. Misschien dat de bekende slotzin van Ludwig Wittgensteins Tractatus Logico-Philosophicus hierbij een rol heeft gespeeld: “En van dat, waarover niet gesproken kan worden, moet men zwijgen” (vertaling W.F. Hermans).

Hier vindt u de vertaling van Arie van der Krogt, en hier de vertaling van Ans Bouter. Beide vertalingen houden zich goed aan de vorm, zijn inventief, en verschillen in hun interpretatie op een paar punten aanzienlijk van de mijne.

Auden draagt hier zijn gedicht zelf voor.

[De openingszin van mijn vertaling luidde aanvankelijk bij publicatie op dit kleine blog: “De Tijd zwijgt stil, maar ’t is zoals ik zei”.

Ik had die zin niet goed vertaald. Deze betekent: “De Tijd zegt niets, behalve: ik heb het je toch gezegd”. De ‘ik’ in het tweede deel van de zin is de Tijd en niet de stem van het gedicht.

Ik heb de verkeerde vertaling vervangen door: “De Tijd zegt niets, slechts: hoor je wat ik zei”.]

Vertaling:

Als ik het zeggen kon

De Tijd zegt niets, slechts: hoor je wat ik zei,
De Tijd weet goed wat je betalen moet;
Als ik het zeggen kon, dan hoorde je het van mij.

Ook als een clown zou maken dat ik schrei,
Of een stuk muziek mij bijna wankelen doet,
De Tijd zegt niets, slechts: hoor je wat ik zei.

Veel gunstigs is het niet, zeg ik er alvast bij,
Maar sinds m’n liefde meer is dan mijn woordenvloed,
Als ik het zeggen kon, dan hoorde je het van mij.

Niet zonder reden waait de wind ons straks voorbij,
Er moet een grond zijn voor de najaarsgloed;
De Tijd zegt niets, slechts: hoor je wat ik zei.

Misschien ontluikt de roos opzettelijk in mei,
En dringt het visioen wel aan op spoed;
Als ik het zeggen kon, dan hoorde je het van mij.

Stel nu dat alle leeuwen gingen, eindelijk vrij,
En beken en soldaten met een afscheidsgroet;
De Tijd zegt niets, slechts: hoor je wat ik zei.
Als ik het zeggen kon, dan hoorde je het van mij.

Origineel:

If I could tell you

Time will say nothing but I told you so,
Time only knows the price we have to pay;
If I could tell you I would let you know.

If we should weep when clowns put on their show,
If we should stumble when musicians play,
Time will say nothing but I told you so.

There are no fortunes to be told, although,
Because I love you more than I can say,
If I could tell you I would let you know.

The winds must come from somewhere when they blow,
There must be reasons why the leaves decay;
Time will say nothing but I told you so.

Perhaps the roses really want to grow,
The vision seriously intends to stay;
If I could tell you I would let you know.

Suppose the lions all get up and go,
And all the brooks and soldiers run away;
Will Time say nothing but I told you so?
If I could tell you I would let you know.

 

Uitgelicht bericht

Verdwijn niet vredig in die goedertieren nacht – Dylan Thomas

Dylan_Thomas_Getty

Dylan Thomas (Getty Images)

Dylan Thomas (1914-1953) was een Welshe dichter die in het Engels schreef. Hij wordt beschouwd als een van de grootste Engelse modernistische dichters van de 20e eeuw. Een bekend hoorspel/toneelstuk van hem is Under Milk Wood.

Thomas had een militant-atheïstische vader en een nonconformistische moeder die een trouwe kerkganger was. Deze tegenstelling leidde ook tot huiselijke twisten. Thomas’ ambivalente houding jegens godsdienstige zaken kan daardoor niet als een verrassing komen. Hij bleef zijn leven lang wel gevoelig voor bijbelse taal en bijbelse voorstellingen.

Hij is vrij jong gestorven in New York City, tijdens een tour in Amerika, waarschijnlijk als gevolg van overmatig alcoholgebruik.

Het gedicht Do not go gentle into that good night is een van de bekendste gedichten die Dylan Thomas heeft geschreven. Het is een opstandig gedicht.

Alle metaforen in dit gedicht wijzen op de dood: ‘good night‘, ‘end of day‘, ‘dying of the light‘, ‘wise men at their end‘, ‘the last wave by‘, ‘near death‘, ‘there on that sad height‘ (vlak voor de dood zal intreden).

De vader die in de slotstrofe wordt aangesproken is reeds ‘on that sad height’ waar de zoon nog tegen te hoop loopt. Het is eigenlijk niet zo’n nobel sentiment dat onder woorden wordt gebracht – accepteer die ellendige rotdood niet – maar het gedicht ontleent zijn effect aan de rauwe bitterheid die schemert door de sonore versregels, een beetje vergelijkbaar met het beroemde gedicht ‘Het huwelijk’ van Willem Elsschot. Je voelt de onontkoombaarheid van ‘that good night‘.

Het gedicht is een ‘villanelle’: zes strofen met keerregels. De eerste en de laatste regel van de drieregelige openingsstrofe keren om de beurt terug in de vervolgstrofen, en ze keren samen terug in de slotstrofe. Er zijn maar twee rijmklanken.

Andere vertalingen van dit gedicht vindt u hier.

En hier hoort u Dylan Thomas zelf  op gedragen toon het gedicht voordragen.

Vertaling:

Verdwijn niet vredig in die goedertieren nacht

Verdwijn niet vredig in die goedertieren nacht,
De ouderdom moet laaien – ‘t is nog niet voorbij;
Blijf tieren tegen ‘t lot dat alle vuurgloed wacht.

Omdat zijn woord geen bliksems heeft teweeggebracht,
Beseft de wijze dat het donker goed is, maar ook hij
Verdwijnt niet vredig in die goedertieren nacht.

De goede, voortgaand op z’n laatste golf, huilt zacht
Om hoe zijn broze daden konden dansen in de wei,
Blijf tieren tegen ’t lot dat alle vuurgloed wacht.

De wilde, die de zon ontvoerde in een jubelende jacht,
Beseft te laat: de jammerende zon is niet van mij.
Verdwijn niet vredig in die goedertieren nacht.

De ernstige, het graf nabij, ziet nog uit alle macht
Dat blinde ogen vonken als een meteoor, ook hij
Blijft tieren tegen ’t lot dat alle vuurgloed wacht.

En gij, mijn vader, die uw grijsheid reeds volbracht,
Vloek mij met felle tranen, bid ik, zegen mij.
Verdwijn niet vredig in die goedertieren nacht.
Blijf tieren tegen ’t lot dat alle vuurgloed wacht.

Origineel:

Do not go gentle into that good night

Do not go gentle into that good night,
Old age should burn and rave at close of day;
Rage, rage against the dying of the light.

Though wise men at their end know dark is right,
Because their words had forked no lightning they
Do not go gentle into that good night.

Good men, the last wave by, crying how bright
Their frail deeds might have danced in a green bay,
Rage, rage against the dying of the light.

Wild men who caught and sang the sun in flight,
And learn, too late, they grieved it on its way,
Do not go gentle into that good night.

Grave men, near death, who see with blinding sight
Blind eyes could blaze like meteors and be gay,
Rage, rage against the dying of the light.

And you, my father, there on the sad height,
Curse, bless, me now with your fierce tears, I pray.
Do not go gentle into that good night.
Rage, rage against the dying of the light.

Uitgelicht bericht

En de dood zal niet meer heersen – Dylan Thomas

Dylan_Thomas_Getty

Dylan Thomas (Getty Images)

Dylan Thomas (1914-1953) was een Welshe dichter die in het Engels schreef. Hij wordt beschouwd als een van de grootste Engelse modernistische dichters van de 20e eeuw. Een bekend hoorspel/toneelstuk van hem is Under Milk Wood.

Thomas had een militant-atheïstische vader en een nonconformistische moeder die een trouwe kerkganger was. Deze tegenstelling leidde ook tot huiselijke twisten. Thomas’ ambivalente houding jegens godsdienstige zaken kan daardoor niet als een verrassing komen. Hij bleef zijn leven lang wel gevoelig voor bijbelse taal en bijbelse voorstellingen.

Hij is vrij jong gestorven in New York City, tijdens een tour in Amerika, waarschijnlijk als gevolg van overmatig alcoholgebruik.

Het onderhavige gedicht – And death shall have no dominion – is een van de beroemdste gedichten uit zijn oeuvre. Het werd geschreven in 1933, toen Dylan Thomas nog geen twintig was.

Het gedicht ontstond uit een afspraak die Thomas had gemaakt met een bevriende dichter – Bert Trick (zelf niet bekend geworden) – om een gedicht over onsterfelijkheid te maken. Trick schreef een vers waarin de regel voorkwam: For death is not the end. Thomas schreef daarop het vers waarvan ik hier een vertaling publiceer.

De titel is tevens een refreinregel waarmee elke strofe opent en eindigt. Deze is een verwijzing naar Romeinen 6:9, een bijbelvers dus, dat in de King James-vertaling luidt:

Knowing that Christ being raised from the dead dieth no more; death hath no more dominion over him.

Romeinen 6:9 luidt in de Statenvertaling:

Wetende, dat Christus, opgewekt zijnde uit de doden, niet meer sterft; de dood heerst niet meer over Hem.

Ook in de rest van het vers komen veel bijbelse verwijzingen voor. Het slot van de openingsstrofe doet denken aan de retoriek van de Bergrede, een beroemde toespraak van Christus. De strekking van het vers – vergankelijke lichamen hebben deel aan de onvergankelijkheid – lijkt schatplichtig aan 1 Korinthiërs 15:40-44.

Het gedicht kent drie strofen met enigszins wisselende regellengte en onregelmatige eindrijmen, binnenrijmen, alliteraties en halfrijmen. Ik heb me bij de vertaling een paar vrijheden veroorloofd om de inhoud goed te kunnen overbrengen. De slotwoorden van de meeste regels van Thomas zijn eenlettergrepig (mannelijk rijm). Ik heb regelmatig gekozen voor tweelettergrepige slotwoorden (vrouwelijk rijm).

De zinsnede ‘man in the wind and the west moon‘ is een ongebruikelijke uitdrukking in het Engels. Thomas verplaatste de attributen. Gewoon zou zijn: ‘man in the moon [het gezicht dat je in de maan kunt zien] and the west wind‘.

De zinsnede ‘hammer through daisies‘ – stoten door de margrieten – verwijst naar de uitdrukking ‘pushing up the daisies‘, wat een toespeling is op de doden die, nadat ze begraven zijn, de bloemen omhoog zouden duwen. In dit geval lijkt Thomas het opstandingsmotief te gebruiken. Ze stoten zich door de bloemen op het graf omhoog, en enteren de zon.

Een eerdere vertaling door Arie van der Krogt, een vertaling die wat kaler, wat minder gedragen is, die ook wat minder bijbels klinkt, vindt u hier. (Er zijn ook een paar duidelijke inhoudelijke verschillen.)

En hier hoort u de sonore stem van Dylan Thomas die het gedicht op bezwerende toon voordraagt.

Vertaling:

En de dood zal niet meer heersen

En de dood zal niet meer heersen.
Naakte doden, zij zullen één zijn
Met het mannetje van de wind en de westenmaan;
Als hun gebeente is kaalgepikt, hun kale gebeente verdwenen,
Dragen ze sterren aan elleboog en voet;
Al worden zij dwazen, zij zullen heel zijn,
Al zinken zij weg in de diepten, zij zullen herrijzen;
Al gaan geliefden teloor, de liefde zal blijven;
En de dood zal niet meer heersen.

En de dood zal niet meer heersen.
Zelfs onder de woelingen der zee
Zal wie daar langgerekt ligt niet weggewaaid sterven;
Gelegd op de pijnbank tot pezen het begeven,
Gebonden op het rad, zullen zij nochtans niet breken;
In hun hand zal overtuiging splijten in tweeën,
En het eenhoornkwaad zal hen doorboren;
Trek alle rafels uiteen, zij zullen niet scheuren;
En de dood zal niet meer heersen.

En de dood zal niet meer heersen.
Nooit meer krijsen meeuwen aan hun oren,
Of zullen golven luide kapotslaan op rotsen;
Waar een bloem tierde, zal een bloem nooit meer
Zijn hoofd heffen onder de tierende regen;
Al werden ze dwaas en dood als een pier,
De markante koppen stoten zich door de grafbloesem,
Enteren de zon, tot de zon zal bezwijken,
En de dood zal niet meer heersen.

Origineel:

And death shall have no dominion

And death shall have no dominion.
Dead men naked they shall be one
With the man in the wind and the west moon;
When their bones are picked clean and the clean bones gone,
They shall have stars at elbow and foot;
Though they go mad they shall be sane,
Though they sink through the sea they shall rise again;
Though lovers be lost love shall not;
And death shall have no dominion.

And death shall have no dominion.
Under the windings of the sea
They lying long shall not die windily;
Twisting on racks when sinews give way,
Strapped to a wheel, yet they shall not break;
Faith in their hands shall snap in two,
And the unicorn evils run them through;
Split all ends up they shan’t crack;
And death shall have no dominion.

And death shall have no dominion.
No more may gulls cry at their ears
Or waves break loud on the seashores;
Where blew a flower may a flower no more
Lift its head to the blows of the rain;
Though they be mad and dead as nails,
Heads of the characters hammer through daisies;
Break in the sun till the sun breaks down,
And death shall have no dominion.

Uitgelicht bericht

La Belle Dame sans Merci, een ballade – John Keats

John Keats (1795-1821) is een van de belangrijkste romantische Engelse dichters.

Hij behoorde tot een groep dichters waartoe ook Percy Byssche Shelley en Lord Byron behoorden. Zijn dichterlijke productie kwam in ongeveer zes jaar tot stand, want hij overleed al heel vroeg – op 25-jarige leeftijd – aan tuberculose.

Zijn vader stierf toen hij acht was, en zijn moeder toen hij veertien was. Hij stierf in Rome en ligt ook daar begraven. Enkele weken na zijn dood schreef Shelley een gedicht ter herdenking aan Keats, onder de titel Adonais.

De biografische schets van Keats in de Encyclopaedia Brittannica vindt u hier.

Keats was heel productief in de weinige jaren die hem ter beschikking stonden. Het onderhavige gedicht, La Belle Dame sans Merci: A Ballad, is een van de beroemdste, romantische gedichten uit de Engelse letterkunde. Het werd voor het eerst gepubliceerd in 1820, en het wordt beschouwd als de tegenhanger van Keats’ gedicht The Eve of St. Agnes, een gedicht dat een idyllische liefde bezingt.

La Belle Dame sans Merci – de mooie meedogenloze dame – beschrijft de destructieve kant en de ontredderende gevolgen van een onvoorwaardelijke liefde die slechts in de vorm van valse verleidingskunst beantwoord wordt.

Keats ontleende de titel van het gedicht aan de Franse dichter Alain Chartier (1385 – ca. 1433).

Gerard Reve heeft zijn ‘Meedogenloze jongen’- een homoseksule pendant van de fatale vrouw – ontleend aan het romantische motief dat Keats in dit gedicht mede heeft gemunt.

Omdat het licht werpt op het romantische motief van de fatale dame, citeer ik een passage uit Klaus Beekman en Mia Meijer, Kort Revier, Gerard Reve en het oordeel van zijn medeburgers (1973), waarin ze Johan Polak uitgebreid citeren, als volgt:

“Een van de in het oog springende motieven in de romantiek, vooral in de late romantiek, is de fatale vrouw. Hoewel de eerste specimina van dit verschrikkelijke slag al optreden in de vroegste griekse literatuur in de gedaante van de Sirenen die Odysseus moeten verleiden, wemelt het in de romantische letteren van deze vrouwen. Klassiek is het gedicht van Keats: La belle dame sans merci (de uitdrukking zelf is gevleugeld geworden):

I saw pale kings and princes too,
Pale warriors, death-pale were they all;
They cried—‘La Belle Dame sans Merci
Thee hath in thrall!’

 

Op dit stramien zitten de andere fatale vrouwen geborduurd. Of ze nu pacteren met de duivel (en dat doen ze graag), geselend rondgaan (dit vooral is een geliefde fantasie: she slays and her hands are not bloody, zingt Swinburne), eindeloze masturbaties bedrijven bij de man die in haar macht is (Mirbeau), één motief blijft hetzelfde: de man die zich in haar macht bevindt, komt daar niet meer van los.”

Vertaling:

La Belle Dame sans Merci – een ballade

Wat scheelt eraan, O, ridder-met-de-helm,
Zo eenzaam, bleek, door schrik omringd?
De zegge langs het meer is al verdord,
Geen vogel zingt.

Wat scheelt eraan, O, ridder-met-de-helm,
Zo afgemat, zo aangedaan?
De eekhoorn-voorraadschuur is vol,
De oogst gedaan.

Een lelie prijkt er op je hoofd,
Zo klam van angst, met koorts berijpt,
En op je wang een schrale roos
Die snel verkwijnt.

Ik trof een dame in het veld,
Ze was beeldschoon – een elfenkind,
Haar haar was lang, haar tred was licht,
Haar ogen waren wild.

Ik vlocht een krans voor om haar hoofd,
Een sjerp, een armband – geur en pracht;
Ze keek naar mij heel liefdevol,
En neuriede zacht.

Ik zette haar op mijn snelle hengst,
En wat ik zag was anders niet
Dan zij die zijwaarts hangend zong
Een elfenlied.

Ze vond mij bron van alle zoets,
Van wilde honing, manna-dauw,
Toen zei ze op haar vreemde wijs –
“’k hou echt van jou”.

Ze ontvoerde mij naar de elfengrot,
Ze huilde, zuchtte diep en puur,
Ik kuste toen haar wilde ogen
Met laaiend vuur.

Daar wiegde ze me toen in slaap,
Daar droomde ik – afgrondelijk erg! –
De laatste droom die ‘k heb gedroomd
Daar op die koude berg.

‘k Zag menig koning, menig prins,
Ze waren allemaal lijkbleek,
Het klonk – ‘La Belle Dame Sans Merci,
Ze houdt je in de greep’

‘k Zag grauwe lippen in de schemering,
Hun wrede lessen, wijd gesperd,
En ik ontwaakte en bevond
Me op die koude berg.

En dit is waarom ik hier toef,
Zo eenzaam, bleek, door schrik omringd,
Al is de zegge langs het meer verdord,
Geen vogel meer die zingt.

Origineel:

La Belle Dame sans Merci: A Ballad

O what can ail thee, knight-at-arms,
Alone and palely loitering?
The sedge has withered from the lake,
And no birds sing.

O what can ail thee, knight-at-arms,
So haggard and so woe-begone?
The squirrel’s granary is full,
And the harvest’s done.

I see a lily on thy brow,
With anguish moist and fever-dew,
And on thy cheeks a fading rose
Fast withereth too.

I met a lady in the meads,
Full beautiful—a faery’s child,
Her hair was long, her foot was light,
And her eyes were wild.

I made a garland for her head,
And bracelets too, and fragrant zone;
She looked at me as she did love,
And made sweet moan

I set her on my pacing steed,
And nothing else saw all day long,
For sidelong would she bend, and sing
A faery’s song.

She found me roots of relish sweet,
And honey wild, and manna-dew,
And sure in language strange she said—
‘I love thee true’.

She took me to her Elfin grot,
And there she wept and sighed full sore,
And there I shut her wild wild eyes
With kisses four.

And there she lullèd me asleep,
And there I dreamed—Ah! woe betide!—
The latest dream I ever dreamt
On the cold hill side.

I saw pale kings and princes too,
Pale warriors, death-pale were they all;
They cried—‘La Belle Dame sans Merci
Thee hath in thrall!’

I saw their starved lips in the gloam,
With horrid warning gapèd wide,
And I awoke and found me here,
On the cold hill’s side.

And this is why I sojourn here,
Alone and palely loitering,
Though the sedge is withered from the lake,
And no birds sing.

 

Uitgelicht bericht

Sestina – Elizabeth Bishop

Elizabeth Bishop

Elizabeth Bishop

Elizabeth Bishop (1911-1979) was een Amerikaans schrijfster van gedichten en korte verhalen.

Uit het Nederlandse Wikipedia-artikel citeer ik een passage omdat die relevant is om het gedicht Sestina te begrijpen:

Bishops vader stierf kort na haar geboorte. Haar moeder kampte vaak met depressies en werd in later ook in een inrichting opgenomen. Vanaf haar derde tot haar zesde jaar werd Elizabeth liefdevol opgevoed door haar grootouders van moederszijde, in Great Village (Nova Scotia). Daarna werd de voogdij toegewezen aan de familie van haar vader in Worcester en twee jaar later werd ze ondergebracht bij de oudste zus van haar moeder in Revere, die leefden in relatief armoedige omstandigheden. Na de scheiding van haar grootouders had ze een ongelukkige kindertijd. Ze ontwikkelde ze chronische astma, die haar de rest van haar leven parten zou spelen.

De vorm van dit gedicht is een Sestina, ‘zesregelige strofe’ in het Italiaans. Uit het Lexicon der poëzie, p.291 (beschikbaar via de dbnl) citeer ik de volgende beschrijving:

[Het betreft] een Italiaanse laatmiddeleeuwse dichtvorm die tijdens de renaissance geïmiteerd werd in West-Europa en een heropleving kende in de 19de eeuw. Hij bestaat uit zes strofen van elk zes versregels, en een drieregelige eindstrofe. De rijmwoorden uit de eerste strofe keren alle terug als rijmwoorden in de volgende strofen, in een welbepaalde conventionele orde. Voorbeelden vinden we bij Petrarca, Dante en Camões.

Deze vorm wordt soms ook een sextine genoemd.

De volgorde van de slotwoorden van de versregels dient als volgt gekozen te worden (a is het slotwoord van de eerste regel, f is het slotwoord van de zesde regel):

1e strofe – abcdef
2e strofe – faebdc
3e strofe – cfdabe
4e strofe – ecbfad
5e strofe – deacfb
6e strofe – bdfeca
7e strofe – eca of ace

De slotstrofe van drie regels wordt wel de ‘envoi’ genoemd. Meestal komen alle zes slotwoorden terug in de envoi.

De vorm van dit gedicht is – zoals elke poëtische vorm – een spel. Het gedicht opent met heel gewone dingen: een huis, een kacheltje, een almanak, een grootmoeder, een kind.

Maar er zijn ook de tranen van de grootmoeder.

De verschuiving van de slotwoorden en de verschuiving van de rollen die die woorden in het gedicht spelen, maken dat het gedicht zich op een verrassende manier ontwikkelt.

Op de achtergrond lijkt zich een onuitgesproken drama af te spelen, waar het kind met haar fantasie op een geheel eigen manier op reageert. De instabiliteit van de situatie wordt in de slotstrofen gecontrasteerd met de schepping van een robuust huis in tweevoud, weliswaar vooralsnog in de tekeningen van het kind.

Bishops biografie verklaart het gedicht niet, maar maakt de keuze van deze thematiek wel begrijpelijk. Een vroege werktitel – Early Sorrow – werd later door Bishop vervangen door Sestina.

Wie iets meer over dit gedicht wil lezen, kan hier terecht, of hier.

Vertaling:

Sestina

De herfstregen valt op het huis.
In het slechte licht zit de oude grootmoeder
in de keuken samen met het kind
naast het Kleine Wonder-Kacheltje;
ze leest grapjes voor uit de almanak,
verbergt met gelach en gepraat haar tranen.

Ze denkt dat haar equinoctische tranen
en de regen die slaat op het dak van het huis
beide waren voorspeld door de almanak,
zij het slechts bekend bij een grootmoeder.
De fluitketel zingt op het kacheltje.
Ze snijdt wat brood en zegt tot het kind,

Het is nu theetijd; maar het kind
kijkt naar de kleine, harde theepot-tranen
die driftig dansen op de plaat van het kacheltje,
zoals de regen ook vast zal dansen op het huis.
Bij het opruimen hangt de oude grootmoeder
hem op aan z’n touwtje, de almanak

die zo wijs is. Als een vogel spreidt de almanak
zich half geopend uit boven het kind,
spreidt zich uit boven de oude grootmoeder
en haar theekopje vol donkerbruine tranen.
Ze huivert en zegt dat het misschien in huis
koud aanvoelt, en doet wat hout in het kacheltje.

Het moest zo zijn, zegt het Wonder-Kacheltje.
Ik weet wat ik weet, zegt de almanak.
Met krijtjes tekent het kind een standvastig huis
en een kronkelig paadje. Dan voegt het kind
er een mannetje aan toe met knopen als tranen
en laat het trots zien aan de grootmoeder.

Maar stiekem, terwijl de grootmoeder
druk bezig is met het kacheltje
vallen de maantjes omlaag als tranen
van tussen de bladzijden van de almanak
recht in het bloembed dat het kind
zo netjes heeft neergezet in het voorhuis.

Tijd om tranen te zaaien, zegt de almanak.
De grootmoeder zingt tot het wonderlijke kacheltje
en het kind tekent nog een ondoorgrondelijk huis.

Origineel:

Sestina

September rain falls on the house.
In the failing light, the old grandmother
sits in the kitchen with the child
beside the Little Marvel Stove,
reading the jokes from the almanac,
laughing and talking to hide her tears.

She thinks that her equinoctial tears
and the rain that beats on the roof of the house
were both foretold by the almanac,
but only known to a grandmother.
The iron kettle sings on the stove.
She cuts some bread and says to the child,

It’s time for tea now; but the child
is watching the teakettle’s small hard tears
dance like mad on the hot black stove,
the way the rain must dance on the house.
Tidying up, the old grandmother
hangs up the clever almanac

on its string. Birdlike, the almanac
hovers half open above the child,
hovers above the old grandmother
and her teacup full of dark brown tears.
She shivers and says she thinks the house
feels chilly, and puts more wood in the stove.

It was to be, says the Marvel Stove.
I know what I know, says the almanac.
With crayons the child draws a rigid house
and a winding pathway. Then the child
puts in a man with buttons like tears
and shows it proudly to the grandmother.

But secretly, while the grandmother
busies herself about the stove,
the little moons fall down like tears
from between the pages of the almanac
into the flower bed the child
has carefully placed in the front of the house.

Time to plant tears, says the almanac.
The grandmother sings to the marvelous stove
and the child draws another inscrutable house.

 

 

Uitgelicht bericht

Zeventigste verjaardag – R.S. Thomas

r.-s.-thomas-4da1a5eab4f6b_360x225

R.S. Thomas

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die ook zijn leven lang in Wales woonde en werkte als een Anglicaans priester. Hij was een groot natuurliefhebber, had een vrij vergaande afkeer van moderne zaken die hij vond afleiden van waar het in het leven echt om ging, en hij schreef in het Engels.

Een aardige bespreking door Theodore Dalrymple van zijn biografie – Byron Rogers, The Man Who Went into the West: The Life of R. S. Thomas, Aurum Press – vindt u hier.

Hij was een merkwaardige, eenzelvige figuur die prachtige gedichten schreef, getrouwd was met de schilder Mildred (Elsi) Eldridge, aan wie hij, behalve dit gedicht, nog een paar fraaie gedichten heeft gewijd – zie elders op dit blog (bereikbaar via het menu op de hoofdpagina, onder de naam R.S. Thomas).

Kingsley Amis – zeker geen geestverwant – schreef dat zijn poëzie “reduces most other modern verse to footling whimsy” (=triviale gekkigheid). Hij is in Nederland niet zeer bekend.

Dit gedicht is wel geheimzinnig, maar niet heel moeilijk.

De openingsstrofe begint met het hart als een samenstel van chemische en histologische (weefselkundige) elementen, neemt dan een bewust-archaïsche wending – legend / oude held – en eindigt met de ietwat spottende vraag: zit je er nog wel in?

De tweede strofe proclameert de definitieve overwinning van de aangesproken vrouw – ongetwijfeld zijn eigen vrouw, Mildred Eldridge. Vervolgens wordt de tijd die het leven aantast benoemd met een aan Yeats  – dat is de beroemde dichter William Butler Yeats – ontleende humoristische beeldspraak: de tijd die als een rups de kroonblaadjes van de roos aanvreet.

De slotstrofe is ontroerend: deze beschrijft beeldend de effecten die het klimmen van de jaren heeft op de geliefde en op hemzelf, met een slotregel die, ondanks het voortschrijden van de onverbiddelijke tijd, voelt als een triomf: de liefde zal worden behouden.

Het gedicht komt voor in de Collected Poems op p.384.

In het boek van M. Wynn Thomas, R.S. Thomas: Serial Obsessive, University of Wales Press, p.142, kunt u nog iets meer over dit gedicht lezen.

Vertaling:

Zeventigste verjaardag

Gemaakt van weefsel en H2O,
en bewogen door aanvurende
cellen – Ah, hart, de oude held
van jouw wezen! Verzon ik
hem, en zit hij er nog steeds in?

In de strijd met andere vrouwen
is jouw overwinning verzekerd.
Het is de tijd, zei Yeats, die
de rups is in de roos van de wang,
de taaie uitzuiger van je kroonbladeren.

Je drijft nu van me weg
op de grijzende golf van je haren.
Ik buig ver af van de hoofdtak van mijn gebeente,
wel wetend dat de hand die ik uitstrek
niets van je kan behouden, alleen je liefde.

Origineel:

Seventieth Birthday

Made of tissue and H2O,
and activated by cells
firing – Ah, heart, the legend
of your person! Did I invent
it, and is it in being still?

In the competition with other
women your victory is assured.
It is time, as Yeats said, is
the caterpillar in the cheek’s rose,
the untiring witherer of your petals.

You are drifting away from
me on the whitening current of your hair.
I lean far out from the bone’s bough,
knowing the hand I extend
can save nothing of you but your love.

Uitgelicht bericht

Wanneer ik vrees – John Keats

John Keats (1795-1821) is een van de belangrijkste romantische Engelse dichters.

Hij behoorde tot een groep dichters waartoe ook Percy Byssche Shelley en Lord Byron behoorden. Zijn dichterlijke productie kwam in ongeveer zes jaar tot stand, want hij overleed al heel vroeg – op 25-jarige leeftijd – aan tuberculose.

Zijn vader stierf toen hij acht was, en zijn moeder toen hij veertien was. Hij stierf in Rome en ligt ook daar begraven in een graf naast zijn vriend, de romantische kunstschilder Joseph Severn.

Enkele weken na zijn dood schreef Shelley een gedicht ter herdenking aan Keats, onder de titel Adonais. Ook Shelley ligt op diezelfde begraafplaats in Rome begraven – de Cimitero acattolico (de protestantse begraafplaats).

Het onderhavige gedicht is een sonnet in de traditie van Shakespeare, dat wil zeggen het heeft veertien regels, met twee afsluitende slotregels die een soort pointe bevatten. Het rijmschema is abab cdcd efef gg. Het gedicht wordt vaak als één blok tekst afgedrukt, maar ik heb er bij de opmaak de gebruikelijke drie kwatrijnen en een afsluitend distichon van gemaakt, vooral omwille van de leesbaarheid. Ik heb de regels soms iets langer gemaakt dan in het origineel om de inhoud recht te kunnen doen.

FannyBrawne1833_color

Fanny Brawne, c.1833 (R. Goodsell, Keats House)

Het gedicht is een meditatie over de dood, en het beschrijft de gevoelens van iemand die beseft dat de dood misschien wel eens eerder zou kunnen komen dan dat hij zijn droom van een onsterfelijk dichterschap zal kunnen verwezenlijken.

Het verdrietige is dat John Keats inderdaad heel vroeg gestorven is, maar het mooie is dat hij vrij veel verzen heeft geschreven die we vandaag nog steeds met plezier en ontroering lezen.

De ‘you’ in de derde strofe is naar alle waarschijnlijkheid Keats’ geliefde Fanny Brawne, met wie hij een niet altijd even gemakkelijke relatie had, en met wie hij door zijn voortijdige dood nooit getrouwd is geweest.

Wie iets meer wil weten, kan hier een beknopte toelichting vinden die niet al te vervelend is – wat niet vanzelf spreekt bij gedichten.

Dit is een aardige website over Keats: Mapping Keats’s Progress, A Critical Chronology.

En hier is A chapter from the biography of John Keats that inspired the Jane Campion film Bright Star.

Vertaling:

Wanneer ik vrees …

Wanneer ik vrees dat straks m’n einde aan zal breken
Eer ooit mijn pen geproefd heeft van mijn gulle geest,
Eer stapels boeken, rijk van taal en teken,
Als rijpe akkers zijn, waarop men aren leest;

Als ik aanschouw ’t gelaat van de besterde nacht,
Enorme wolksymbolen van de diepste innigheid,
En weet dat geen gelukshand mij ooit onverwacht
Hun schaduw zal doen schetsen bij gelegenheid;

En als ik voel – een breekbaar mensenkind –
Dat nu mijn blik voor ‘t laatst nog op jou rust,
Maar dat ik nooit de tovermacht meer ondervind
Van redeloze liefde – dan sta ik uitgeblust

Aan ‘t einde van de aarde, om te overwegen
Hoe roem en liefde schrompelden en zwegen.

Origineel:

When I have fears that I may cease to be

When I have fears that I may cease to be
Before my pen has gleaned my teeming brain,
Before high-pilèd books, in charactery,
Hold like rich garners the full ripened grain;

When I behold, upon the night’s starred face,
Huge cloudy symbols of a high romance,
And think that I may never live to trace
Their shadows with the magic hand of chance;

And when I feel, fair creature of an hour,
That I shall never look upon thee more,
Never have relish in the faery power
Of unreflecting love—then on the shore

Of the wide world I stand alone, and think
Till love and fame to nothingness do sink.

Uitgelicht bericht

Ode aan de herfst – John Keats

John Keats (1795-1821) is een van de belangrijkste romantische Engelse dichters.

Hij behoorde tot een groep dichters waartoe ook Percy Byssche Shelley en Lord Byron behoorden. Zijn dichterlijke productie kwam in ongeveer zes jaar tot stand, want hij overleed al heel vroeg – op 25-jarige leeftijd – aan tuberculose.

Zijn vader stierf toen hij acht was, en zijn moeder toen hij veertien was. Hij stierf in Rome en ligt ook daar begraven. Enkele weken na zijn dood schreef Shelley een gedicht ter herdenking aan Keats, onder de titel Adonais.

Keats was heel productief in de weinige jaren die hem ter beschikking stonden. Het onderhavige gedicht, To Autumn, is een van de beroemdste gedichten uit de Engelse letterkunde en het behoort tot de ‘odes’ die Keats schreef in 1819, een jaar waarin hij veel problemen kende.

Het gedicht heeft drie strofen van elf regels, elk met een vrij strikt rijmschema en lettergreepaantal. In mijn vertaling ben ik soms van dat rijmschema en dat aantal afgeweken om in staat te zijn om ook de inhoud enigszins getrouw over te brengen. Ik heb vanzelfsprekend wel gestreefd naar beknoptheid en zeggingskracht.

In de eerste strofe wordt de herfst gepersonifieerd en voorgesteld als iemand die complotten smeedt met zijn boezemvriend, de zon. De rijkdom van de oogst wordt bezongen. De personificatie wordt het gehele gedicht volgehouden.

De tweede strofe roept de herfstsfeer op die gepaard gaat met verschillende vormen van oogstverwerking.

In de derde strofe worden de kleuren en de geluiden aan het einde van een herfstdag opgeroepen.

Het gedicht wordt – volgens de intro van het Engelse Wikipedia-artikel, dat voldoet aan hoge encyclopedische eisen (het heeft de etalagestatus) – op verschillende manieren geïnterpreteerd: als een bespiegeling over de dood, of als een allegorie over scheppende arbeid, of als een commentaar op de Peterloo Massacre (een cavaleriecharge in 1819 tegen een verzamelde menigte met gruwelijke afloop), of – ten slotte – als een nationalistisch gedicht.

Ik geloof daar allemaal weinig van.

Natuurlijk is elk gedicht ook een triomf, en als zodanig een lofzang op de scheppende arbeid, en bijna elk gedicht laat je voelen wat eindigheid en schoonheid betekenen, maar met die massaslachting en met dat nationalisme heeft dit gedicht niets te maken. Het gedicht ontstond na een herfstwandeling, en het is wat de titel ook zegt: een ode aan de herfst, het maakt de ontroering voelbaar van iemand die de herfst echt beleeft.

Dit gedicht is heel strak van vorm, heel natuurlijk van zegging, en heel mooi van sfeer. Het was daarom voor mij bijzonder moeilijk te vertalen. Ik hoop dat het althans een beetje gelukt is.

Mijn favoriete jaargetijde is de herfst, en ik ben ook persoonlijk bijzonder gesteld op dit gedicht. Commentaar, suggesties ter verbetering zijn altijd welkom. Mijn e-mailadres wordt vermeld op de pagina Over de vertaler/auteur.

[Slotregel verbeterd, 18 maart 2020, met dank aan Henny van den Born.]

Vertaling:

Ode aan de herfst

Seizoen van mist en malse overvloed!
Naaste hartsvriend van de rijpende zon,
Samen smoezend hoe je de wijnrank zoet
En zwaar langs rieten daken leiden kan,
Hoe de bemoste appeltak kan buigen,
En alle fruit kan geuren en kan gloeien,
De kalebas kan zwellen, hazelnoten kraken
Met puike kern, knoppen weer gaan groeien,
Steeds opnieuw, en bijen verse bloemen krijgen,
Totdat ze denken dat ze eeuwig kunnen zuigen,
De zomer zal hun kleverige raat bewaken.

Wie zou jou niet herkennen in die weelde?
En wie jou elders zocht, zag dat je goedgezind,
En rustig in de voorraadschuur verwijlde,
De haren wiegend in de dorsvloerwind,
Of dat je heerlijk sliep in half gemaaide voren,
Bedwelmd door klaproosgeuren, terwijl jouw zeis
De slag liet lopen met de bloemen en het koren;
En soms, net als wie aren leest, ben je in een staat
Van diepe ernst, als je uit een beek oprijst,
Of als je, bij de ciderpers, met kalm gelaat,
Het uitknijpen beziet, dat alsmaar verdergaat.

Waar zijn de lenteliederen. Waar zijn ze? Ach,
Vergeet ze maar, jij hebt je eigen lied, –
Een lage lucht bloost op de kwijnende dag
En dekt het stoppelveld met rozig coloriet;
Daar is de treurzang van het muggenkoor
Tussen de waterwilgen, hoger, alsmaar door,
Of dalend, als de wind weer komt of gaat,
En zie het forse lam dat bij het kreekje blaat,
De krekels zingend in de haag – nu komt het uur
Dat de roodborst in de tuin zijn triller horen laat;
daar gaan de zwaluwen, kwetterend in ’t azuur.

Origineel:

To Autumn

Season of mists and mellow fruitfulness!
Close bosom-friend of the maturing sun;
Conspiring with him how to load and bless
With fruit the vines that round the thatch-eaves run;
To bend with apples the mossed cottage-trees,
And fill all fruit with ripeness to the core;
To swell the gourd, and plump the hazel shells
With a sweet kernel; to set budding more,
And still more, later flowers for the bees,
Until they think warm days will never cease,
For Summer has o’erbrimmed their clammy cells.

Who hath not seen thee oft amid thy store?
Sometimes whoever seeks abroad may find
Thee sitting careless on a granary floor,
Thy hair soft-lifted by the winnowing wind;
Or on a half-reaped furrow sound asleep,
Drowsed with the fume of poppies, while thy hook
Spares the next swath and all its twined flowers;
And sometimes like a gleaner thou dost keep
Steady thy laden head across a brook;
Or by a cider-press, with patient look,
Thou watchest the last oozings, hours by hours.

Where are the songs of Spring? Ay, where are they?
Think not of them, thou hast thy music too, –
While barred clouds bloom the soft-dying day
And touch the stubble-plains with rosy hue;
Then in a wailful choir the small gnats mourn
Among the river sallows, borne aloft
Or sinking as the light wind lives or dies;
And full-grown lambs loud bleat from hilly bourn;
Hedge-crickets sing, and now with treble soft
The redbreast whistles from a garden-croft;
And gathering swallows twitter in the skies.

11. JHvdB – Bronnen

Dit is de slotaflevering van mijn reeks beschouwingen over Jan Hendrik van den Berg waarin ik de geraadpleegde bronnen geef.

  1. JHvdB – Jan Hendrik van den Berg: wegbereider van een radicaal conservatisme (link)
  2. JHvdB – Jan Hendrik van den Berg – jeugd, carrière en schrijverschap (link)
  3. JHvdB – Leermeester Rümke en de Utrechtse School (link)
  4. JHvdB – Internationale contacten: Heidegger, Lacan, Bachelard (link)
  5. JHvdB – Opkomst en ondergang van een echte schrijver (link)
  6. JHvdB – Geestdrift en wetenschap: de betekenis van de roes (link)
  7. JHvdB – Metabletica – een vorm van historische fenomenologie (link)
  8. JHvdB – Rebellie: euthanasie, apartheid, racisme, christendom (link)
  9. JHvdB – Paradoxaal conservatisme (link)
  10. JHvdB – Slotbeschouwing (link)
  11. JHvdB – Bronnen

Jan Hendrik van den Berg

  1. Hub Zwart, Boude bewoordingen. De historische fenomenologie (‘metabletica’) van Jan Hendrik van den Berg, Kampen: Klement/Kapellen: Pelckmans 2002
  2. Hub Zwart, Synchroniciteit. De historische fenomenologie van J.H. van den Berg, Kunst & Wetenschap, 13 (3), 11-12 (2004)
  3. Dreyer Kruger (red.), The Changing Reality of Modern Man. Opstellen aangeboden aan Dr. J.H. van den Berg, Nijkerk: Uitgeverij G.F. Callenbach bv 1984
  4. J.A. van Belzen (red.), Metabletica en wetenschap. Kritische bestandsopname van het werk van J.H. van den Berg, Rotterdam: Erasmus Publishing 1997 (incl. bijdrage J.H. van den Berg)
  5. Ruud Abma, Jaap Bos, Willem Koops en Henk van Rinsum, Ontmoeting over de grenzen. Internationale contacten van de Utrechtse School, in: L.J. Dorsman & P.J. Knegtmans (red.), Over de grens. Internationale contacten aan Nederlandse universiteiten sedert 1876, Hilversum: Verloren 2009, p.141-166
  6. Geert Van Coillie, Nabootsing, rivaliteit en religie. De nieuwe wetenschap over de oorsprong van mens en cultuur, Roeselare: Uitgave van de Oud-leerlingenbond Klein Seminarie Roeselare (2005), p.10-43
  7. Hans Achterhuis, Historische fenomenologie, De uil van Minerva, vol.19, nr.2 (2003) (gunstige bespreking van Hub Zwart, Boude bewoordingen)
  8. Jan-Kees Karels, We worden opgevoed tot kwetsbaarheid (interview met Jan Hendrik van den Berg), Reformatorisch Dagblad 6 juni 2004 (beschikbaar via digibron) (afkeer vd islam)
  9. Jan-Kees Karels, In memoriam: Jan Hendrik van den Berg (1914-2012), Reformatorisch Dagblad 24 sept 2012
  10. Jaap de Jong & Johan Snel, ‘Met hartstocht en passie in de wetenschap staan.’ Een gesprek met Jan Hendrik van den Berg, Wapenveld, jrg. 51, nr. 2 (april 2001), p. 19-26
  11. Erno Eskens, De onbevangen blik (interview met Jan Hendrik van den Berg), Filosofie Magazine, nr. 1/2003
  12. Hans Ree, Metableticus J.H. van den Berg en het patroon in de materie (over de grote geesten die zijn leven hebben beïnvloed), NRC Handelsblad 5 feb 2005
  13. Jan Dirk Snel, Een normaal mens – Enkele oude woorden bij het verschijnen van DSM-5 (persoonlijke website van de auteur, geraadpleegd 30-12-2020)
  14. Rob Dulmers, Disteltijdperk, De Groene Amsterdammer, nr.29 (21 juli 1999)
  15. A. de Froe, Berg’s metabletica en veel willekeur – Goede en wonderlijke uitspraken in nieuw boek, Trouw 10 juni 1977 (n.a.v. Gedane Zaken)
  16. Hans Meissner, In memoriam Prof. dr. J.H. van den Berg (1914 – 2012), Pastorale psychologie (ongedateerd, waarschijnlijk sept/okt 2012)
  17. Koert van der Velde, We hebben onze principes prijsgegeven (interview met Jan Hendrik van den Berg), Trouw 11 sept 2001 (Iedereen moet christelijk zijn; We zijn ons als zotten aan het vertillen)
  18. Pieter van der Ven, Veranderingen / Eerherstel voor een iezegrim, Trouw 29 juni 2006
  19. Jan-Kees Karels, Hub Zwart en hoe het gezag verdween uit Nederland (interview met Hub Zwart), Reformatorisch Dagblad 15 nov 2012
  20. Kees ’t Hart, Jan Hendrik van den Berg 11 juni 1914 – 22 september 2012, De Groene Amsterdammer, nr.40 (3 okt 2012)
  21. Hans Achterhuis, Het misverstand Avondland, De Volkskrant 7 okt 2017 (over Oswald Spengler)
  22. Rob Hartmans, Liever geen rücksichtslose omwentelingen, De Groene Amsterdammer, nr. 15 (14 april 2010) (over Baudet en Visser, Conservatieve vooruitgang)
  23. Hugo Brandt Corstius, Grijsboek of De nagelaten bekentenissen van Raoul Chapkis (Hfst. Parallellen snijden geen hout), Amsterdam: Querido 1970
  24. Willem van Toorn, Het nut van een heks. Aantekeningen bij het herlezen van Bruno Bettelheim: The Uses of Enchantment, Terras, 16 nov 2016

Conservatisme

  1. Marcel ten Hooven, Het verweesde conservatisme. In de greep van radicaal-rechts, De Groene Amsterdammer, nr. 36 (2 sept 2020)
  2. The European Conservative, Issue 15, Summer/Fall 2018:
    1. Theodore Dalrymple, The Legacy of ’68 (p.2);
    2. Andreas Kinneging, On True (and False) Conservatism (p.3-6);
    3. Kai Weiss, A Sea of Trouble in Europe – interview met Ryszard Legutko (p.7-10);
    4. Balász M. Mezei, The Migration Crisis & the Culture of Europe (p.11-18);
    5. Darragh McDonagh, Choosing Our Battles (p.19)
    6. Stefan Beig, The Weakness of the West – interview met Martin van Creveld (p.20-24);
    7. Mark Dooley, Burke, Prophet of Peace (p.25-28);
    8. François La Choüe, A Parable for the Fall of the West (p.29-32);
    9. André P. DeBattista, The Brilliance of Aleksandr Solzhenitsyn (p.33-38);
    10. Ryan T. Anderson, Natural Law, Social Justice & the Crisis of the West (p.39-43);
    11. Carrie Gress, Krakow: The City that Remembers (p.45-50);
    12. Filip Mazurczak, Communist Terror in Modern Film (p.51-56);
    13. Ryszard Legutko, Miłowit Kuniński (1946–2018) (p.57-58).
  3. J.L. Heldring, Lof van het conservatisme, in: Liberaal Reveil, 13 april 1974, p.15-16, opgenomen in: J.L. Heldring, Het verschil met anderen, Amsterdam: Van Oorschot 1975, p.125-133
  4. H.W. von der Dunk, Conservatisme, Bussum: Unieboek b.v. 1976
  5. Merijn Oudenampsen, Revolutionairen van deze tijd. Thierry Baudet en het Nederconservatisme, De Groene Amsterdammer, nr. 27 (3 juli 2019) – Oudenampsen schreef ook zijn proefschrift over de verlate aansluiting van conservatief-rechts in Nederland – de Fortuyn-revolte – bij de angelsaksische neoconservatieve revolutie, onder de titel: De conservatieve revolte
  6. Jerker Spits, De omstreden erfenis van de Conservatieve Revolutie, Trouw 14 dec 2002

Een aantal boeken van Jan Hendrik van den Berg is via internet beschikbaar: Metabletica of leer der veranderingen (1956), Op het scherp van de snede (2013), en een aantal verspreide teksten waaronder deze lezing voor de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (gepubliceerd in het Jaarboek van 1963) waarin hij de hoofdzaak van zijn metabletische studie Leven in meervoud samenvat. Hier is de overzichtspagina van Jan Hendrik van den Berg bij de DBNL. Voor het overige verwijs ik naar de lijst met publicaties die staan vermeld in het Wikipedia-artikel over Jan Hendrik van den Berg.