Uitgelicht bericht

Alleenspraak – R.S. Thomas

R.S. Thomas in Eglwys Fach. Fotograaf: John Hedgecoe

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilderes Mildred Eldridge (1909-1991).

R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).

Een aardig artikel over Thomas’ leven en werk is van de hand van Theodore DalrympleA Man Out of Time.

Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.

In een treffend filmpje uit 1996 dat Bloodaxe Books beschikbaar heeft gemaakt – hier raadpleegbaar – zegt Thomas (vanaf 4’18”):

“Mocht er sowieso later nog aan mij gedacht worden, dan zal dat wel zijn om de intensiteit van een paar gedichten die ik heb geschreven. Maar, los van de gedichten, als mens hoop ik dat m’n voorbeeld van iemand die ervan hield buiten te zijn, die hield van de aardse dingen, en die het talent had meegekregen om ze niet alleen te horen maar ook te zien, voor anderen een zeker nut heeft gehad.”

Het onderhavige gedicht is een monoloog waarin een voor R.S. Thomas karakteristieke, bittere fantasie wordt uitgewerkt: er wordt een God opgevoerd die het helemaal gehad heeft met de mensheid, en er een eind aan gaat maken.

Het gedicht heeft zelfs een actuele kant: er worden virussen opgevoerd als de dienstwillige, duistere medewerkers van deze bittere God.

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling:

Alleenspraak

En God dacht: bid maar een eind weg,
schepsels; ik ga er zodadelijk
een eind aan maken; het is, als je wilt,
m’n eigen fout. ‘t Was niet mijn eerste
blunder; mijn misstap werd gewist
door een gletsjer.
                                      Ik zag ze gaan,
buiten jullie blik – paleizen,
raketten. Mijn privacy
werd geschonden; dan openden
zich de scheuren; een verbond
met de aarde ontstond. Winden bliezen
de vlakten leeg. Vanuit de woestijnen
seinden de geraamten naar me,
tevergeefs.
                                      En na de aarde, het vuur;
de wereld brandde. Ik weet niet meer
hoe lang, want het felle schrijven
heeft me versuft. Ik blies mijn koude
adem uit; de damp condenseerde
in de holten. De zon werd losgerukt
uit mijn zijde. Je verscheen uit de
wateren, verfijnd als
water, met je minerale
gedichten en beloften
van gehoorzaamheid. Ik heb te lang
naar je geluisterd. In de kerken
die je voor me bouwde, knielde je neer
voor de Machine. Waar kun je
schuilen voor de onzichtbare
virussen, mijn dienstwillige
personeel van de duisternis?

Origineel:

Soliloquy

And God thought: Pray away,
Creatures; I’m going to destroy
It. The mistake’s mine,
If you like. I have blundered
Before; the glaciers erased
My error.
                    I saw them go
Further than you – palaces,
Missiles. My privacy
Was invaded; then the flaw
Took over; they allied themselves
With the dust. Winds blew away
Their pasture. Their bones signalled
From the desert to me
In vain.
                    After the dust, fire;
The earth burned. I have forgotten
How long, but the fierce writing
Seduced me. I blew with my cool
Breath; the vapour condensed
In the hollows. The sun was torn
From my side. Out of the waters
You came, as subtle
As water, with your mineral
Poetry and promises
Of obedience. I listened to you
Too long. Within the churches
You built me you genuflected
To the machine. Where will it
Take you from the invisible
Viruses, the personnel
Of the darkness that do my will?

Uitgelicht bericht

De rat – E.A. Robinson

De Amerikaanse dichter Edwin Arlington Robinson (1869-1935) won in de jaren twintig van de twintigste eeuw drie keer de Pulitzer Prize en werd een paar keer genomineerd voor de Nobelprijs voor literatuur.

Toch is de kans vrij groot dat u nog niet vaak van hem hebt gehoord. Hij leefde – literair gesproken – ook een beetje in een tussentijd: half negentiende eeuw, half twintigste eeuw. Maar hem om die reden negeren zou een ernstige vergissing zijn.

Een voortreffelijke inleiding tot zijn werk kunt u elders op deze website vinden – het is in vertaling beschikbaar. Het betreft de inleiding die Robert Frost schreef bij het lange gedicht van E.A. Robinson dat de titel draagt ‘King Jasper’. Frost geeft daarin een goede duiding van zijn techniek en zijn levensopvatting. Robinson was – anders dan veel tijdgenoten – niet erg geneigd tot het schudden met gebalde vuisten, maar hij onderzocht liever de donkere kanten van de menselijke natuur.

Het gedicht The Rat beschrijft de manier waarop mensen elkaar vaak bejegenen, en ook hier is zijn kijk op dit verschijnsel bepaald ontnuchterend. We zagen een mens, maar we deden altijd alsof het een rat kon zijn, en nu, nu we hem niet meer zien, veinzen we medeleven. Fijn is het niet, maar realistisch toch misschien wel.

Het gedicht is een sonnet.

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling:

De rat

Zo vaak als hij zich ergens kwam vertonen,
bekroop ons meelij, afschuw, bitse spot
met juist die vreemde overdaad van God
die lage dingen schiep om onder ons te wonen –

zo menselijk, terwijl het toch zijn lot
kon zijn een rat te wezen die ons honen
eerbaar maakt: zie hem nu tussen griezels tronen:
steevast onbruikbaar, riekend als een vod.

Nu zit hij ergens eenzaam in een trens,
een laatste put die toen nog niet bestond;
waarschijnlijk overschreed hij reeds de grens

van hen die niemand meer op aarde vond.
En wij, die ratten zagen voor een mens,
doen gaarne van ons medeleven kond.

Origineel:

The Rat

As often as he let himself be seen
We pitied him, or scorned him, or deplored
The inscrutable profusion of the Lord
Who shaped as one of us a thing so mean—

Who made him human when he might have been
A rat, and so been wholly in accord
With any other creature we abhorred
As always useless and not always clean
.

Now he is hiding all alone somewhere,
And in a final hole not ready then;
For now he is among those over there

Who are not coming back to us again.
And we who do the fiction of our share
Say less of rats and rather more of men.

Uitgelicht bericht

Twist – Elizabeth Bishop

Elizabeth Bishop

Elizabeth Bishop (1911-1979) was een Amerikaans schrijfster van gedichten en korte verhalen.

Het gedicht One Art, in het verleden door mij vertaald als De kunst bij uitstek (elders op deze kleine website raadpleegbaar), is een bekend gedicht in haar oeuvre.

Ze heeft weinig gemeen met de Confessional Poets, tijdgenoten die erg openhartig waren over hun persoonlijk leven, en die details daarvan openlijk gebruikten in hun poëzie. Ze was daar terughoudend mee, en ze was, hoewel ze de feministische zaak zeker was toegedaan, onwillig om met nadruk te worden bejegend als de lesbische vrouw die ze was, bijvoorbeeld in door feministen samengestelde bloemlezingen.

Er zijn tijdens haar leven niet veel meer dan honderd gedichten gepubliceerd. Ze cultiveerde een objectieve dichtstijl, die rijk is aan details, en haar gedichten zijn zeer evocatief. Het effect ontlenen ze mede aan de sterke emotie die schemert door die uiterlijke objectiviteit heen.

Het artikel van Bridget Read, ‘The Powerful Reticence of Elizabeth Bishop‘, The New Republic, 9 juni 2017, is een goede eerste kennismaking met Elizabeth Bishop. (Het onderschrift bij de openingsfoto van dat artikel is misleidend. De fotograaf is haar toenmalige levenspartner Alice Methfessel, en de afgebeelde persoon is Elizabeth Bishop op latere leeftijd.)

Fraai citaat uit dit artikel:

She sought to tap into “the surrealism of everyday life, unexpected moments of empathy” in order to produce something universal, whole. She had felt most of her life that she was at odds with the world around her, and that poetry was her salve. Verse could break into the essential, crack open “the horrible and terrible world,” which had given her such pain. Why bring reality back in?

In het gedicht worstelt ze met de grote afstand die er bestond tussen degene die ze liefhad – Alice Methfessel – die zich in New York bevond – en haar eigen persoon, die daar ver vandaan was (meestal in Florida).

Het gedicht dat ik vertaald heb wordt gebruikt in het boek Where Reasons End van Yiyun Li, een Chinese die in China is opgegroeid en in Amerika heeft gestudeerd, en daar is blijven wonen. Het boek wordt momenteel vertaald door de vertaalster Manon Smits. Op verzoek van Manon heb ik twee gedichten vertaald die in het boek worden gebruikt: Argument (Twist) van Elizabeth Bishop, en This Solitude of Cataracts (Die solitaire cataracten) van Wallace Stevens.

Vertaling:

Twist

Dagen die jou niet nader kunnen brengen,
of dat niet willen,
Afstand die zich alsmaar blijft verlengen
volgens een granieten wet of losse grillen,
ze twisten twisten twisten met me
onophoudelijk
maar hunkering naar jou blijft me verzengen.

Afstand: weet je nog van al dat land
onder het vliegtuig;
die zeelijn
van wazige kusten verzonken in zand
die zich onontwarbaar uitstrekt
in de verte,
in de verte waar elk bedenksel strandt?

Dagen: denk nog eens mee
aan die warwinkel van werktuigen,
die elk hun ding doen,
en harteloos elkaars ervaring uitvegen;
hoe ze waren
als zo’n afzichtelijke kalender
“Beste wensen van Nimmer & Immer bv.”

Het intimiderende krakeel
van deze stemmen
– elk afzonderlijk ons deel –
kan en zal worden bedwongen:
Dagen en Afstand weer wanordelijk dooreen
en verdwenen,
voorgoed, en weg van ‘t oude strijdtoneel.

Origineel:

Argument

Days that cannot bring you near
or will not,
Distance trying to appear
something more than obstinate,
argue argue argue with me
endlessly
neither proving you less wanted nor less dear.

Distance: Remember all that land
beneath the plane;
that coastline
of dim beaches deep in sand
stretching indistinguishably
all the way,
all the way to where my reasons end?

Days: And think
of all those cluttered instruments,
one to a fact,
canceling each other’s experience;
how they were
like some hideous calendar
“Compliments of Never & Forever, Inc.”

The intimidating sound
of these voices
we must separately find
can and shall be vanquished:
Days and Distance disarrayed again
and gone
both for good and from the common battleground.

Uitgelicht bericht

Inleiding tot het gedicht ‘King Jasper’ van Edwin Arlington Robinson – Robert Frost

Ten geleide

Dit is geen poëzievertaling, maar een prozavertaling. Het is de tekst van een dichter over een dichter, en het is een poëtische tekst. Robert Frost (1874-1963) is de schrijver, en het onderwerp is de dichtkunst van Edwin Arlington Robinson (1869-1935).

Deze introductie tot het gedicht King Jasper van E.A. Robinson werd geschreven kort na de dood van Robinson, zoals ook wel uit de tekst blijkt. Ook het gedicht zelf werd postuum gepubliceerd. Frost legt de nadruk op de balans in echte poëzie tussen ernst en humor, en op het cruciale belang van fantasie, speelsheid, het spelelement. En hij bepleit aan de hand van het werk van E.A. Robinson het geduldig gedragen leed tegenover het woedende maatschappelijke protest dat geen zelfcorrectie meer toestaat.

Ik heb in het verleden een paar gedichten van Frost vertaald, en ik ben zeer geïnteresseerd in zijn eenvoudige, subtiele, overrompelende taal, zijn verstechniek, zijn wanhoop, zijn humor. Maar ook Robinson – een dichter die ik nog niet erg goed ken – blijkt prachtige dingen te hebben geschreven.

Veel kennis van het lange gedicht King Jasper is niet vereist om de tekst van Frost te kunnen lezen. The Oxford Companion to American Literature (6th ed.) zegt over King Jasper:

King Jasperblank-verse narrative by E.A. Robinson, posthumously published in 1935. The symbolism is considered to refer to the destruction of the capitalistic social structure by vengeful acts of the disinherited, who also perish in the holocaust, leaving only the enduring creative principle of life itself.

(King Jasper – verhalend gedicht in vrije versvorm door E.A. Robinson, postuum gepubliceerd in 1935. Algemeen aangenomen wordt dat de symboliek verwijst naar de vernietiging van de kapitalistische sociale orde als gevolg van de handelingen van wraakzuchtige bezitlozen, die tevens ten onder gaan in de holocaust, waarbij slechts het creatieve levensbeginsel overblijft.)

Er worden in Frosts algemene introductie een stuk of tien gedichten van Robinson aangehaald. Ik heb ook de betreffende versfragmenten vertaald. Het oorspronkelijke Engels geef ik tussen haken.

In het gedicht In Memory of William Butler Yeats – de dichter Yeats leefde van 1865-1939 – gebruikt de dichter W.H. Auden (1907-1973) de zin: “For poetry makes nothing happen“. Deze zin is heel beroemd geworden omdat daarin kernachtig wordt samenvat dat poëzie geen vehikel is in welke maatschappelijke of politieke strijd dan ook. Het is wel aardig om te zien dat Frost dit standpunt al duidelijk onder woorden bracht een paar jaar voordat Auden dat inzicht in versvorm samenbalde. Als je de tekst van Frost leest, besef je opeens hoe actueel die kwesties toen waren, hoe urgent, en hoe goed het is dat er mensen zijn die niet hun kop kwijtraken in het tumult van de tijd.

De dichter Joseph Brodsky schreef ooit een essay over Aleksandr Solzjenitsyn. Hij beschreef een passage in Een dag uit het leven van Ivan Denisovitsj. Solzjenitsyn deed toen verslag van een ondraaglijke opeenvolging van kampellende. Het was niet te harden. En toen stopte hij. Volgens Brodsky had hij nog even moeten doorgaan, om de ondraaglijkheid verder op te voeren, “dan hadden we een echte moderniteit gehad”. Ik vermoed dat die passage is ontstaan na lezing van Frosts beschouwing over de viervoudige herhaling van ‘thought’ bij Edwin Arlington Robinson in diens gedicht Miniver Cheevy (zie de paragrafen 12 en 13).

Een belangrijk onderscheid in deze beschouwing is het onderscheid tussen griefs en grievances. Met griefs wordt onontkoombaar menselijk leed bedoeld, en met grievances maatschappelijk protest, het gedachtegoed van de boze verontwaardiging. Je kunt bij dat laatste denken aan de communistische ideologie, aan Pim Fortuyns ‘puinhopen van paars’ en aan de dromerij die belichaamd wordt door ‘de uil van Minerva’ (Thierry Baudet).

Ik heb het bedoelde onderscheid niet altijd op dezelfde manier vertaald, maar gebruik ‘in stilte gedragen leed’ en ‘stille weeklachten’ voor ‘griefs’, en ik gebruik ‘openbare’, ‘verontwaardigde’ en ‘luidruchtige aanklachten’ voor ‘grievances’ om ook in het Nederlands een semantische- en klank-relatie tussen de begrippen te behouden.

De oorspronkelijke tekst uit 1935 is hier in het internetarchief na te lezen, inclusief de tekst van King Jasper.

Hier vindt u het grootste deel van de tekst in Google Books: The Collected Prose of Robert Frost, edited by Mark Richardson, gepubliceerd door The Belknap Press of Harvard University Press in 2007, p.117-122.

In The Collected Prose is een alineanummering toegevoegd die de editie uit 1935 niet bezat. Deze nummering heb ik ook toegevoegd, zij het dat ik een nummeringsfout op p.119 heb gecorrigeerd. Wat in mijn vertaling nr. 12 is, is in The Colected Prose nr. 12 en nr.14. Vanaf nr. 13 in mijn vertaling moet je bij het alineanummer 2 optellen om het nummer in The Collected Prose te krijgen. Voor het citaat uit het gedicht Old King Cole ben ik opnieuw afgeweken van The Collected Prose. Ik heb de editie van 1935 er weer bij gepakt, gewoon omdat die correct was.

Op de plaatsen waar Frost citeert uit Robinsons oeuvre, geef ik een hyperlink naar het betreffende gedicht.

Genoeg gekletst. Voor de dag met die vertaling.

Introductie tot het gedicht King Jasper van Edwin Arlington Robinson

Auteur: Robert Frost

Bron: King Jasper – A Poem By Edwin Arlington Robinson. With an Introduction by Robert Frost, New York: The Macmillan Company 1935

1.

Bij het nageslacht zou weleens het besef kunnen dagen (maar misschien ook niet) dat juist deze tijd, de onze, zich te buiten gaat aan de zoektocht naar steeds nieuwe manieren om nieuw te zijn. Niet langer voldeed de reeds bekende, oude manier om nieuw te zijn. De wetenschap plantte in onze hoofden de gedachte dat er toch nieuwe manieren zouden moeten zijn om te vernieuwen. Het betrof vooral een poging tot reductie – eliminatie. Poëzie werd uitgeprobeerd zonder interpunctie. Het werd uitgeprobeerd zonder hoofdletters. Het werd uitgeprobeerd zonder metrisch patroon waartegen het ritme zich zou kunnen aftekenen. Het werd uitgeprobeerd zonder beelden, behalve dan die zichtbaar waren voor het oog; en een nadrukkelijk gescandeer moest verhullen dat er voor het oor weinig bijzonders meer te ontdekken viel, bijvoorbeeld de dramatische stembuigingen die tot dan toe het voornaamste deel van de poëzie hadden gevormd. Het werd uitgeprobeerd zonder inhoud, onder de merknaam poesie pure. Het werd uitgeprobeerd zonder zinsbouw, puntigheid, samenhang, logica of consistentie. Het werd uitgeprobeerd zonder bekwaamheid. Ik baseer me op de bekentenissen van een man die opzettelijk had moeten afleren wat hij beheerste. Hij maakte een terugtrapbeweging met zijn handen om dit proces te illustreren. En het werd onvolgroeid uitgeprobeerd, als een delicatesse van kalfsfoetus in Azië. Het werd uitgeprobeerd zonder gevoel of sentiment, als een slecht betaalde moord in de onderwereld. Van al deze dingen probeerde men af te komen, en wat hielden we over? Toch nog iets. De grenzen van de dichtkunst waren enorm opgerekt, maar de hoop bleef bestaan dat het idee toch nog iets had opgeleverd.

2.

Robinson was tevreden met de ouderwetse manier om nieuw te zijn. Ik herinner me dat ik het een keer bij hem ter sprake bracht. Hoe ontdekt een mens dat hij anders is en hoe ondergaat hij het de eerste keer dat hij erachter komt? Aanvankelijk kan het hem schrik aanjagen, zoals de kloof met de kerk aanvankelijk Maarten Luther schrik aanjoeg. Er bestaat ook nog iets als een te grote gretigheid om anders te zijn. En wat moet je tegen iemand zeggen die niet alleen erg gretig is, maar echt bang om niet anders genoeg te zijn? Hoe kun je er zeker van zijn dat jouw anders-zijn niet krankzinnig is, totaal buitenissig, onvruchtbaar, onnavolgbaar? Twee angsten zullen ons steeds vergezellen in het leven. Er is de angst dat we onwaardig zijn in de ogen van iemand die ons minstens zo goed kent als wij onszelf kennen. Dat is de vrees voor God. En er is de vrees voor de Mens – de vrees dat de medemens ons niet zal begrijpen en dat we van hem zullen worden losgerukt.

3.

We beginnen als pasgeborene met de uitwisseling van oogcontact. We leerden dat ogen veel overeenkomsten hebben en dat we er dezelfde dingen mee konden doen. We gingen verder met zichtbare lipbewegingen – een lach beantwoordde een lach; vervolgens probeerden we voorzichtig, met vallen en opstaan, de onzichtbare spierbeweginkjes van keel en mond na te doen. Ook die werkten net zo, en ze konden net zulke geluiden voortbrengen. We waren nog steeds samen. Tot zover ging alles goed. Vanaf hier groeide het wonder verder. Er wordt wel gezegd dat herkenning in de kunst allesbepalend is. Beter misschien: uitwisseling is allesbepalend. De ene geest moet de andere geest ervan overtuigen dat deze zich kan openen en dezelfde vezels van subtiliteit in beweging kan brengen, de ene ziel moet de andere ziel ervan overtuigen dat deze dezelfde gloed van eeuwigheid kan afgeven. In geen enkel stadium zal ook maar iemand, behalve de grootste lomperik, deze uitwisseling willen afbreken. Er is niets dat ons meer kan verrijken; en het is aan te bevelen om het definitieve einde ervan met vrees tegemoet te zien.

4.

Het laatste experiment dat de experimentelen hebben voorgesteld is om poëzie te gebruiken als een vehikel voor verontwaardigde aanklachten tegen de niet-utopische staat. Als gezegd, de meeste experimenten behelsden een reductie. Maar dit zou een ingrediënt toevoegen aan de tot nu toe bekende poëzie. We moeten onderscheid maken tussen stille weeklachten en luidruchtige aanklachten. Aanklachten zijn vast nuttiger dan weeklachten. Ik lees in een soort zondagsschoolkrantje uit Moskou dat de aanklachten van Tsjechov tegen de smerigheid en saaiheid van zijn stedelijke woonomgeving een einde hebben gemaakt aan de smerigheid en saaiheid van alle stedelijke woonomgevingen in geheel Rusland. Ze vierden dit als iets groots. De aanklachten van de grote Russen uit de afgelopen eeuw hebben Rusland een revolutie geschonken. De aanklachten van hun grote navolgers in Amerika zouden ons misschien niet meteen een revolutie schenken, maar dan toch wel een palliatief pensioentje. We kunnen beter leren om te verdragen dat het leven zich in zijn akeligste gedaante voordoet, en we kunnen daarbij beter geen verboden uitvaardigen, om onze reputatie van vrijheidslievendheid hoog te houden.

5.

Het volgende hoorde ik onlangs van een van onze jongere collega’s: “Hoewel we aanvankelijk dachten dat literatuur het wel zonder inhoud kon stellen, hebben we nu geleerd dat literatuur ook een propagandistische lading moet hebben.” Dubbel fout, zei ik hem. Dubbel fout en theoretisch partijdig. Maar nadat hij even uit het veld was geslagen bleef hij bij zijn bewering: “Maar kunst kan toch alleen maar goed zijn als het ons in beweging brengt.” Nu meteen of later, vroeg ik hem? Enfin, er schuilt snel een element van ongepaste frivoliteit in het treiteren van de jeugd. Met een dergelijk experiment is duidelijk al een begin gemaakt. De neiging om aan te klagen is sterk en zal zich zeker doen gelden. We moeten heel lief zijn voor onze dromers. Misschien lijken ze soms op stakingsleiders of op een comité van beleidsbepalers. Enfin, welke gedaante ze aannemen kan ons niet schelen, als ze maar echte gedichten maken.

6.

Wat mijzelf betreft: ik houd niet van openbare aanklachten.  Ik laat ze gaarne links liggen waar ze ook worden gepubliceerd. Waar ik wel van houd is weeklachten, en ik wil graag dat  ze Robinsoniaanse diepten bezitten. Het zal wel geen zin hebben dat ik het vraag, maar het komt mij voor dat wij er baat bij zouden hebben als openbare aanklachten zich zouden beperken tot proza – aangenomen dat het proza deze dwingelandij wil accepteren – en dat de dichtkunst zijn weg zou mogen vervolgen in tranen.

7.

Robinson was de grootste van de dichters die hartzeer bezongen, te midden van de tallozen die zongen van andersoortige pijn. De ernst waarmee hij werkte was in alle opzichten treurig gekleurd. Hij hield het hoge doel van de dichtkunst hoog door met zijn borst tegen een doorn te duwen en op zijn droevigst te zingen. Laat al die wezels dan maar eieren leegslurpen. Ik weet beter waar ik terecht kan voor melancholie. Er zijn misschien een paar overbodige, overgevoelige aanklachten – niet meer dan menselijk – maar deze kunnen we gauw vergeten naast de diepten van de weeklachten over het leed waarin hij ons onderdompelde.

8.

Openbaar aanklagen is een vorm van ongeduld. In stilte weeklagen is een vorm van geduld. Misschien worden we straks door de wet gedwongen om ons geduld weg te werpen zoals we ooit werden gedwongen ons goud weg te doen; want door geduld weg te werpen en mee te doen met de ongeduldigen in een laatste bestorming van het bastion van het kwaad, delen we in de hoop dat we een eind kunnen maken aan de noodzaak om geduldig te zijn. Er zal niks meer overblijven om geduld bij te betrachten. De dag der volmaaktheid wacht voor wie eendrachtig meedoet met de sociale actiegroep. Een stuk of wat goede landelijke verkiezingen zullen het helemaal afmaken. Ongeveer net zo heeft men ons gesommeerd om niet langer moedig te zijn, lafheid als deugd te beschouwen, om te bezien of dat geen eind aan de oorlog zou maken, evenals aan de noodzaak om moedig te zijn. Verlaat religie voor wetenschap, breng de nissen en hoekjes met de laatste restanten onwetendheid in kaart, en we hebben geen godsdienst meer nodig. (Religie is slechts troost voor wat we niet weten.) Maar stel nu eens dat hier toch een fout was gemaakt, dat het kwaad zou zegevieren, het was niet afgelopen met de oorlog, en er bleven dingen over die we niet wisten. Onze weerloosheid zou maken dat we er slechter voorstonden dan ooit. Niets in de laatste bulletins van Wall Street, De Verenigde Naties of het Vaticaan kunnen mij afbrengen van mijn rotsvaste vertrouwen in een leed dat met geduld gedragen wordt.

9.

Robinson en ik, we waren samen, het is al jaren geleden, en de plaats (vlakbij Boston Common) werd door ons naderhand grappenderwijs Bitterplein genoemd, omdat we daar met bittertjes, zij het zonder bitterheid, konden samenzijn om uit te zien op de warboel van onvrede en experiment in de wereld om ons heen. Het is te lang geleden om nog te weten wie wat zei, maar de teneur van het samenzijn was dat het ons niet uitmaakte in welke mate iemand extreem-reformistisch of -experimentalistisch was als hij maar met echte gedichten voor de dag kwam. Voor ons gold dat we een intense afkeer hadden om ons werk te laten toetsen aan enige theorie die ons voorschreef hoe we zouden moeten schrijven. We betwijfelden of er ook maar één gedicht in onze taal bestond die staande zou blijven bij toetsing aan de theorie waarop het was gebaseerd. Neem nu de theorie dat poëzie in onze taal als een strik metrisch, kwantitatief verschijnsel zou moeten worden behandeld. Genoeg gedichten die zich daar niks van aantrekken. En gedichten zijn het enige wat er toe doet. Het hoogste streven is om een paar gedichten veilig te stellen waar je niet omheen kunt, waarin een paar onomstotelijke dingen zijn ondergebracht, en op dat punt heeft Robinson bepaald meer gedaan dan van hem verwacht mocht worden.

10.

Veertig jaar lang schreef Robinson versregel na versregel na versregel, en al die regels waren de allerbeste omschrijving van dingen die echt iets voorstellen. Elke dichter die hem enigszins nabij wil komen, zal die grazige nabijheid tot de spirituele realiteiten moeten zien te bereiken. Als gedichtenbundels zouden worden geïndexeerd op belangrijke regels in plaats van op eerste regels, dan zouden veel van Robinsons gedichten meerdere keren voorkomen. Dat zou wat zijn. De enige tegenwerping die denkbaar is, is dat dit niet kan worden uitgevoerd door een incidentele huurling, maar gedaan zou moeten worden door iemand die zijn indrukken in vrijheid verzameld had, zonder nog enig besef te hebben van het effect. Een individueel gedicht dat meerdere keren zou voorkomen, zou slechts de kans vergroten dat je het vinden zou.

11.

De eerste dichter met wie ik ooit heb zitten praten over poëzie was Ezra Pound. Het was in Londen in 1913. En de eerste dichter over wie we spraken was, als ik het mij goed herinner, Edwin Arlington Robinson. Ik kwam net uit Amerika en had zojuist The Town Down the River (Het stadje aan de rivier) gelezen. Sinds ik met dat boek begon ben ik gaandeweg meer van Robinson gaan lezen, twintig jaar vooruit en twintig jaar terug, ongeveer in gelijke mate beide kanten op.

12.

Ik herinner me het plezier waarmee Pound en ik lachten om het vierde ‘dacht’ in [Miniver Cheevy]:

Miniver dacht, en dacht, en dacht,
en dacht erover na.

(Miniver thought, and thought, and thought,
And thought about it.)

Drie keer ‘dacht’ zou ‘adequaat’ geweest zijn, om de kritische lof die destijds gangbaar was te gebruiken. Er zou niks mis zijn gegaan als hij het bij drie had gelaten. De vierde bracht het aanstootgevende stempel van de poëzie tevoorschijn. Met de vierde werd het pas echt leuk. Op grond van dit eensgezinde oordeel werd ik ter beloning meegetroond om kennis te maken met mevr. May Sinclair, die naam had gemaakt als de voornaamste autoriteit op het gebied van nieuwe poëzie en jonge dichters door de welwillendheid waarmee ze hen bejegende in The Divine Fire.

13.

Het aantal keren ‘dacht’ is niet het enige. Er is ook de manier waarop het laatste ‘dacht’ opeens opduikt om de hoek, de manier waarop gespeeld wordt met de vorm van het hele vers, het gemak waarmee de weerstand die eigen is aan het gedicht wordt omgebogen in een voordeel. Beetnemen hoort erbij [Flammonde]:

Men hield onzeker op met lezen
om echt te weten of het spel zou wezen

(One pauses half afraid
To say for certain that he played –)

… en dat voor een man zo droefgeestig als Robinson. Zijn dood maakte degenen die hem kenden bedroefd, maar die dood was op geen stukken na zo droevig als de poëzie waaraan hij ons had leren wennen en die hij zijn leven lang gediend had. Maar toch zeg ik dat zijn veelgeroemde terughoudendheid juist gelegen was in het feit dat hij zijn lijden nooit verder liet gaan dan mogelijk was in het spel. Zo ver mag leed gaan, zo ver mag de wijsbegeerte gaan, zo ver mogen bekentenissen gaan, en geen stap verder. Smaak bepaalt de grens. Humor is een nog duidelijker teken.

14.

Eens was een man een nachtlang op
onafgebroken en in opperste verwachting.

(Once a man was there all night
Expecting something every minute.)

Ik weet wat die man wilde van Old King Cole. Hij wilde dat z’n mysterie eens en voor al ontrafeld werd. Hij was die vriend die aan het eind van de voordracht klaarstaat om je dolenthousiast met beide handen vast te grijpen en die je na je laatste uitroepteken alsnog uit je evenwicht brengt met het verzoek om meer te zeggen dan je van plan was. “Ik begrijp het gedicht natuurlijk helemaal, maar vertel me asjeblieft wat er achter zit?” Een dergelijk verzoek moet met een knipoog worden begroet en vervolgens de voet dwars gezet. Het antwoord moet luiden: “Als ik je dat had willen vertellen, had ik het je moeten vertellen in het gedicht.”

15.

Al heel vroeg kregen we het juiste antwoord van Robinson [Dear Friends]:

Het spel dat we spelen
Om al die versnipperde minuten te vullen
Een goede bril om de geest te kunnen doorzien.

(The games we play
To fill the frittered minutes of a day
Good glasses are to read the spirit through.)

16.

Ergens spreekt hij van de onverzettelijkheid van Crabbe’s talent. Zijn eigen talent was eerder gelukkig. Zijn thema was het ongeluk zelf, maar zijn talent was even gelukkig als het speels was. En dat is een troostrijke gedachte voor hen die eronder leden hem te zien lijden. Laten we het hardop zeggen op gevaar af dat we de humorlozen in de karavaan der poëzie (er zijn er nogal wat) schofferen: zijn kunst was niet alleen speels, maar ronduit humoristisch.

17.

De stijl is de man. Of beter: de stijl is de manier waarop iemand zichzelf aanvaardt, en waarop hij aangenaam of althans draaglijk weet te zijn – veel speelruimte is er niet voor een dergelijke zelfaanvaarding. Als het met duidelijke ernst is, dan moet het gepaard gaan met zichtbare humor. Als het met duidelijke humor is, dan moet het gepaard gaan met innerlijke ernst. Geen van beide voldoet als de ander ontbreekt. Zoiets dacht ook Robinson in zijn sonnet over Tom Hood. Een van de angsten van Mark Twain was dat zijn bedekte ernst over het hoofd zou worden gezien. Die angst leidde hem op de dwaalweg van twee of drie boeken die ernstig zijn van haver tot gort.

18.

Miniver Cheevy is al heel oud. De stijlglans waarop ik doel is Robinsons dichtersbedrijvigheid in al die jaren daarna blijven kenmerken. Gister sprak ik iemand en ik verwees naar The Mill. Robinson kon een lyrisch vers laten praten als drama. Wat een talige verbeeldingskracht schuilt er in John Gorham! Hij bereikt zijn grootste hoogten tussen aanhalingstekens [The Mill]:

De molenaarsvrouw had lang gewacht,
de thee was koud, het vuur gesmoord;
ze wist nog niet waar hij aan dacht,
tot hij bewoog – hij nam het woord:
“De molenaar bestaat niet meer”,
was al wat hij ten slotte zei.

(The miller’s wife had waited long,
The tea was cold, the fire was dead;
And there might yet be nothing wrong
In how he went and what he said:
“There are no millers any more,”
Was all that she had heard him say.)

19.

“De molenaar bestaat niet meer.” Het zou haast een verdragstekst tegen de industrialisering kunnen zijn. Maar nee, de strekking ervan is breder. Het is een onheilspellende scherts ten koste van iedereen die levenslust of kapitaal investeert. De onberekenbare markt zorgt ervoor dat je achterblijft met een showroom vol dode trolley-bussen. Op twintigjarige leeftijd kies je voor een aan de godsdienst gewijd leven. En als de godsdienst vervolgens uit de mode raakt in de komende vijf-en-twintig jaar, waar sta je dan, volstrekt ongeschikt als je bent voor iets anders. Het is haast immoreel om te gokken op zulke hoge dingen als een leven voor de kunst, het zakendoen of de kerk. Maar feitelijk kunnen we niks anders. Alleen een alwijze en almachtige overheid kan de verantwoordelijkheid op zich nemen om ons te vrijwaren van de onzekerheden die onze levenskeuzes noodzakelijkerwijs met zich meebrengen.

20.

Het bedekte pathos van Mr. Flood’s Party is wat het gedicht meedogenloos maakt. We doen er goed aan het aantal manen in gedachten houden dat fungeert als toehoorder. Twee, net als op Mars? Niet meer, niet minder  (“Niet meer, meneer, dat is genoeg”). Eén maan (weliswaar een maan, geen zon) zou het stille leed al te zichtbaar hebben gemaakt. Meer dan twee zouden het stille leed geheel hebben doen vervluchtigen en zouden ertoe hebben geleid dat het totaal verdween. De emotie moest worden vastgehouden.

Hij zet de kruik voorzichtig voor zich neer
met bevende aandacht, wetend dat haast alles breekt;
pas toen hij zeker wist dat het op vaste grond
bleef staan, wat broze mensenlevens
bepaald niet doen …

(He set the jug down slowly at his feet
With trembling care, knowing that most things break;
And only when assured that on firm earth
It stood, as the uncertain lives of men
Assuredly did not …)

21.

Twee keer voel je de emotie. Zelfs verdwijnt deze niet waar ze uit het zicht raakt in het gewervel van al die jonge goudblonde meisjes aan het eind van The Sheaves (de korenschoven). Een paar gouden dagen worden ons gegund in een wereld waarin bepaald niet alle dagen van goud zijn.

Kijk, Flood, de oogstmaan zien we daar
als vroeger, en al te vaak zien wij hem vast niet meer;
de vogel van de tijd is in de lucht, zoals de dichter zegt,
en jij en ik herhalen wat we eerder zeiden nog een keer.
Drink op de vogel.

(Well, Mr. Flood, we have the harvest moon
Again, and we may not have many more;
The bird is on the wing, the poet says,
And you and I have said it here before.
Drink to the bird.)

De dichtkunst reikt boven zichzelf uit in de speelsheid van dit toasten.

22.

Robinson heeft in de Amerikaanse literatuur zijn plaats gevonden en hij heeft zijn plaats onder de mensen vacant gelaten. We rouwen, maar met de kanttekening dat hoe dan ook zijn leven een uitbundig feest van taalgenietingen was. En niet alles was vergeefs. Niemand kwam wat tekort [The Rat]:

De onnavolgbare gulheid van de Heer
Die ‘t laagste wezen schiep als was ’t een mens

(The inscrutable profusion of the Lord
Who shaped as one of us a thing)

Zo treurig is het, en tegelijkertijd is het zo’n zalige, geslaagde regel. Het is niet aan mij om z’n verdriet tot de bodem uit te zoeken. Hij wist hoe hij zich effectief kon afschermen. En er schuilt echte voldoening in een verdriet dat niet slechts uit is op zorg en troost. Geef ons onafwendbare weeklachten – weeklachten waar niks aan kan worden gedaan  – weeklachten voor eens en voor al. En laten we spelen. Het spel is waar het om gaat.  Het spel. De essentie ligt in het “alsof” [The Dark Hills]:

Alsof de last der dagen
was weggeëbd, de oorlogen voorgoed verdwenen.

(As if the last of days
Were fading and all wars were done.)

Alsof dat allemaal zo was. Alsof, alsof!

Uitgelicht bericht

Trede voor trede – haiku

Op Twitter trof ik een aardige gedachtewisseling aan over ‘het sublieme’ in de romantiek, een gedachtewisseling die met deze tweet begon. Ik deed deed de suggestie dat in de Nederlandse romantiek eerder sprake was van ‘het verhevene’ dan van ‘het sublieme, en noemde een boek waarin nader wordt ingegaan op dat ‘verhevene’.

Een sympathieke en erudiete plaatsgenoot, leraar Nederlands, iemand die deelnam aan die gedachtewisseling, merkte toen op:

“Lijkt me een geweldig boek, echt iets voor mij. Maar ja, je wil niet weten hoe hoog de toren nog is.”

Toen schreef ik, zonder daar aanvankelijk erg in te hebben, bijna een haiku waarvan alleen de langste regel de laatste was geworden: “Trede voor trede, gestadig omhoog, langzaam worden het stipjes.”

Ik heb deze bijna-haiku een beetje omgewerkt zodat aan de vormeisen van de haiku wordt voldaan.

Trede voor trede –
Langzaam worden het stipjes –
Het hoofd naar de wolk

Uitgelicht bericht

Correspondentie – R.S. Thomas

R.S. Thomas aan de Welshe kust

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilderes Mildred Eldridge (1909-1991).

R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).

Een aardig artikel over Thomas’ leven en werk is van de hand van Theodore DalrympleA Man Out of Time.

Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.

Het vertaalde gedicht is karakteristiek voor Thomas: hij zoekt naar zin en betekenis, naar diepte, naar religieuze openbaring, en eigenlijk vindt hij die ook, maar het is alleen niet in de vorm van een stem die weerklinkt uit den hoge, of een teken dat uit de hemel nederdaalt.

Correspondence heeft in het Engels dezelfde dubbele betekenis als in het Nederlands: schriftelijke gedachtewisseling en overeenkomst(igheid).

De zin ‘Younger I deemed truth / was to come at beyond the horizon‘ bevat een verwijzing naar een ander gedicht van R.S. Thomas, namelijk A life / Een leven (elders op deze website in vertaling beschikbaar).

Het gedicht is opgenomen in de bundel Between Here and Now uit 1981.

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling:

Correspondentie

Je vraagt waarom ik niet schrijf.
Maar wat kun je zeggen?
Het zoute zeewater deint de baai in
en uit, zoals het gedaan heeft sinds
onheuglijke tijden. Wat heb je daaraan?
Het laat slecht leesbaar schrift achter
op de kust. Als je hier zou zijn,
hadden we er vast over getwist.
Mensen drommen net zo onwetend
langs dit zeetableau als door een galerij
met hoge kunst. Steeds zoek ik naar betekenis.
De golven zijn een roltrap
die je op kunt, maar slechts in gedachten.
Naar beneden storten blijft een steile
zaak. Als jongeman dacht ik dat je
waarheid zou aantreffen achter de horizon.
Nu ik ouder ben zwijg ik, en ben ik
nog even ver als toen. Zulk gepietepeuter
vind je saai? Het verklaart mijn zwijgen.
Ik wou dat er net zo’n simpele
verklaring was voor het zwijgen van God.

Origineel:

Correspondence

You ask why I don’t write.
But what is there to say?
The salt current swings in and out
of the bay, as it has done
time out of mind. How does that help?
It leaves illegible writing
on the shore. If you were here,
we would quarrel about it.
People file past this seascape
as ignorantly as through a gallery
of great art. I keep searching for meaning.
The waves are a moving staircase
to climb, but in thought only.
The fall from the top is as sheer
as ever. Younger I deemed truth
was to come at beyond the horizon.
Older I stay still and am
as far off as before. These nail-parings
bore you? They explain my silence.
I wish there were as simple
An explanation for the silence of God.

Uitgelicht bericht

De panter – Rainer Maria Rilke

Rainer Maria Rilke (Wikimedia Commons)

Rainer Maria Rilke (1875-1926) is een van de grootste lyrische dichters van het Duitse taalgebied. Het gedicht Der Panther oogt eenvoudig en is een beroemd gedicht in zijn oeuvre.

Een kleine excursie vooraf: ooit heb ik het verzameld proza van Martinus Nijhoff (1894-1953) gelezen, uiteraard nadat ik een bewonderaar van Nijhoffs gedichten was geworden. Nijhoff besprak veel boeken, en op zeker moment werd hij geacht Uren met Dirk Coster van E. du Perron (1899-1940) te bespreken (Du Perron was iemand met wie hij op zeker moment letterlijk op de vuist zou gaan). Dirk Coster was een man van gezag in zijn tijd, over wie Henriëtte de Beaufort (1890-1982) in haar levensbericht voor de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde schreef:

Nooit is hij afgeweken van zijn beginsel, dat ook de literaire schoonheid verworteld is met religieuze moraal, die hij soms liefde, een andermaal goedheid noemt. Wordt de schoonheid van deze groeibodem afgesplitst, dan kan zij geen levenskracht blijven en is gedoemd uiteen te vallen.

Dat kon natuurlijk niet verder afstaan van de beginselen van Forum, het tijdschrift waarin Ter Braak en Du Perron schreven. En Du Perron ondernam dan ook een poging om Coster te verpletteren, een poging die grotendeels geslaagd moet worden genoemd. Niemand weet meer wie Dirk Coster is.

Nijhoff kon destijds Du Perrons totale afwijzing van Dirk Coster niet bespreken; hij vond het boek te polemisch, te vernietigend, te negatief. En precies dat schreef hij toen ook op, in een heel kort stukje in plaats van de gevraagde bespreking.

Er zijn duidelijke overeenkomsten tussen Nijhoff en Rilke: beiden zijn het ‘witte magiërs’ – de term is van de dichter Hendrik de Vries (1896-1989) – dat wil zeggen sensitieve dichters die probeerden alles wat ze voelden en beseften, en ook alle dromen, gruwelen, verwachtingen, angsten, hoge gedachtevluchten, een plaats te geven in hun poëzie, vaak door aan realistische scènes een symbolische kracht te verlenen, in een eenvoudige, overrompelende taal. Felle pennentwisten, onverzoenlijke meningenstrijd konden ze daar eigenlijk niet bij gebruiken.

Gekooide panter

Het gedicht Der Panther is heel beroemd. Het is niet lang geleden nog aangehaald door een geradicaliseerde rechtse politicus wiens romantische hang naar grandeur en een onbestaande historische zuiverheid voedsel gaf aan zijn ongeduld en narcisme. Deze hang werd ook niet getemperd door religieuze aanvaarding of andersgeaard levensbeschouwelijk realiteitsbesef. En voor hem symboliseerde het gedicht de tragedie van een prachtig dier dat binnen de tralies van cultuurmarxistische leugens en politiek-correcte dwalingen gedoemd was te sterven. Het zij zo. Het past in ieder geval goed bij de gewoonte van literatuurtheoretici om te zeggen dat elke lezer zijn eigen beeld bij de tekst schept.

Heel moeilijk is het gedicht niet. Rilke is een tijdlang in de leer geweest bij de beeldhouwer Auguste Rodin. Die zei hem dat hij niet te veel moest verwijlen in droom en fantasie, maar dat hij de werkelijkheid aandachtig en onbevangen en ontvankelijk moest toelaten in zijn werk.

Het resultaat is een heel mooi gedicht waarin aandachtige werkelijkheidsbeschouwing en symbool prachtig zijn vermengd.

Het is wel aardig dit gedicht eens te vergelijken met The White Tiger (elders op deze website met vertaling beschikbaar) van de minder bekende maar niet minder grote Welshe dichter Ronald Stuart Thomas.

De Jardin des Plantes (botanische tuin) ligt aan de Quai Saint-Bernard langs de Seine op loopafstand van de Notre Dame.

Het gedicht bestaat uit drie kwatrijnen met een vast en eenvoudig rijmschema. De versregels bestaan uit vijfvoetige jamben. Ik heb op een paar plaatsen halfrijm gebruikt waar het origineel volrijm heeft. Ik heb ook een paar lichte inhoudelijke verschuivingen toegepast om ook in het Nederlands een aardig gedicht te krijgen.

Ik hoop dat het gelukt is.

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling:

De panter
In de Jardin des Plantes, Parijs

Zijn blik is van het dwalen langs de tralies
zo afgemat, dat alles hem ontglijdt.
Wie in zo’n traliezee verdwaald is,
raakt de wereld tussen tralies kwijt.

De soepelheid en veerkracht van zijn schreden,
waarmee hij zich in nauwe kringen wendt,
is als een dans waarin zijn kracht wil treden
rondom een midden dat geen wil meer kent.

Heel soms verheft de voorhang der pupillen
zich ongemerkt – een beeld weet te ontstaan,
’t gaat voort in stilten die van spierkracht trillen,
om in het hart teloor te gaan.

Origineel:

Der Panther
Im Jardin des Plantes, Paris

Sein Blick ist vom Vorübergehn der Stäbe
so müd geworden, daß er nichts mehr hält.
Ihm ist, als ob es tausend Stäbe gäbe
und hinter tausend Stäben keine Welt.

Der weiche Gang geschmeidig starker Schritte,
der sich im allerkleinsten Kreise dreht,
ist wie ein Tanz von Kraft um eine Mitte,
in der betäubt ein großer Wille steht.

Nur manchmal schiebt der Vorhang der Pupille
sich lautlos auf — . Dann geht ein Bild hinein,
geht durch der Glieder angespannte Stille —
und hört im Herzen auf zu sein.

Uitgelicht bericht

Die solitaire cataracten – Wallace Stevens

Illustration by John Gall; Source: Bettmann Archive / Getty (Photograph)

Wallace Stevens (1879-1955) is een van de belangrijkste Amerikaanse dichters van de twintigste eeuw. Hij was een modernist, een kwalificatie die niet al te veel betekent, behalve dat hij de strakke versvormen en de stijve levensopvattingen van de negentiende eeuw achter zich liet en zocht naar een nieuwe zingeving die niet nauw gebonden was aan overgeleverde vormen van christendom.

Zijn bekendste gedichten zijn: Anecdote of the Jar, Disillusionment of Ten O’Clock, The Idea of Order at Key West, Sunday Morning and Thirteen Ways of Looking at a Blackbird.

Hij werd geboren in een Luthers gezin in Pennsylvania. Hij volgde colleges aan Harvard University, leerde de filosoof en schrijver George Santayana goed kennen, studeerde af als jurist aan New York Law School, trouwde in 1909 met Elsie Moll tegen het advies van zijn ouders in, want zij voldeed niet aan de eisen van klasse en welstand die zijn ouders stelden. Ze kregen samen één kind.

In zijn poëzie ontwikkelde hij zich vrij langzaam, maar wel opvallend en sterk. Hij probeerde in zijn poëzie de teloorgegane zingeving van het christendom te hervinden. Hij kreeg hoge functies in een verzekeringsbedrijf, werkte hard, had aanleg voor depressiviteit, dronk veel als hij niet werkte, en schreef daarnaast geweldige poëzie. Op zijn sterfbed werd hij katholiek.

Het gedicht dat ik vertaald heb wordt als motto gebruikt in het boek Where Reasons End van Yiyun Li, een Chinese die in China is opgegroeid en in Amerika heeft gestudeerd, en daar is blijven wonen. Het boek wordt momenteel vertaald door de vertaalster Manon Smits. Op verzoek van Manon heb ik twee gedichten vertaald die in het boek worden gebruikt: Argument van Elizabeth Bishop, en This Solitude of Cataracts van Wallace Stevens.

Over dit gedicht heeft Wallace Stevens zelf iets gezegd in een brief aan Mr. Poggioli. Mount Monadnock is een berg in New Hampshire. Ook over dat ‘thought-like’ dat voorafgaat aan Monadnocks geeft hij in die brief zinvolle toelichting. “The oscillations of planetary pass-pass” verwijst naar “the seeming-to-go-round of the planets by day and night“. Dat pass-pass verwijst bovendien naar het Franse ‘passe-passe’, wat iets als ‘misleidende goocheltruc’ betekent – Stevens beheerste vrij goed Frans.

Cataracten zijn steile watervallen of stroomversnellingen. Ik heb in de titel het woord gehandhaafd omdat het ook in het Engels niet zeer algemeen is. De sensatie van iemand die langs het neerstortende en snelstromende water loopt, wordt heel goed getroffen. Daarnaast thematiseert het gedicht de kloof tussen de realiteit en de beleefde of gedroomde werkelijkheid.

Een zinvolle beschouwing over de biografie van Wallace Stevens kunt u hier nalezen: Peter Schjeldahl, Insurance Man. The life and Art of Wallace Stevens, The New Yorker, 25 april 2016 (n.a.v. de verschijning van Paul Mariani, The Whole Harmonium: The Life of Wallace Stevens, gepubliceerd door Simon & Schuster).

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling:

Die solitaire cataracten

Hij voelde nooit twee keer hetzelfde bij de gevlokte rivier,
die altijd stroomde, nooit twee keer hetzelfde, steeds stroomde

langs duizend plaatsen, alsof het ergens toch stilstond,
vastgezet als een meer waarop de wilde eenden spetterden,

kringen jagend in de spiegelingen, ideeërieke Monadnocks.
Ergens was een apostrof, leek het, die onuitgesproken bleef.

Zo veel was er dat echt was, dat toch niet echt was.
Dit wou hij altijd voelen, steeds weer opnieuw.

Hij wou dat de rivier zo zou doorgaan met stromen,
alsmaar stromen. Hij wou ernaast blijven lopen,

onder de mangroven, met boven hem een vastgenagelde maan.
Hij wou dat zijn hart zou stilstaan, zijn geest zou rusten

in een bestendig beseffen, geheel zonder wilde eenden
of bergen die geen bergen waren, slechts om te weten hoe het is,

slechts om te weten hoe het voelt, de vernietiging ontstegen,
om een man van brons te zijn die ademt onder archaïsch lazuriet,

zonder de oscillaties van planetair geflits-flits,
die zijn bronzen adem ademt naar het azuren hart van de tijd.

Origineel:

This Solitude of Cataracts

He never felt twice the same about the flecked river,
Which kept flowing and never the same way twice, flowing

Through many places, as if it stood still in one,
Fixed like a lake on which the wild ducks fluttered,

Ruffling its common reflections, thought-like Monadnocks.
There seemed to be an apostrophe that was not spoken.

There was so much that was real that was not real at all.
He wanted to feel the same way over and over.

He wanted the river to go on flowing the same way,
To keep on flowing. He wanted to walk beside it,

Under the buttonwoods, beneath a moon nailed fast.
He wanted his heart to stop beating and his mind to rest

In a permanent realization, without any wild ducks
Or mountains that were not mountains, just to know how it would be,

Just to know how it would feel, released from destruction,
To be a bronze man breathing under archaic lapis,

Without the oscillations of planetary pass-pass,
Breathing his bronzen breath at the azury center of time.

Uitgelicht bericht

De Schone Zakdoek

[Dit artikel heb ik in november 2012 geschreven op de Nederlandstalige Wikipedia onder het pseudoniem Theobald Tiger. Hier kunt u het destijds door mij gepubliceerde artikel nalezen. Het is sindsdien vrijwel onveranderd gebleven, maar omdat iedereen op Wikipedia kan wijzigen, aanvullen, inkorten als dat hem/haar belieft, hecht ik eraan om het door mij geschreven artikel in de vorm waarin ik het toen geschreven heb te herpubliceren op mijn eigen website.]

De Schone Zakdoek was een Nederlands literair maandblad dat gedurende de oorlogsjaren 1941-1944 werd gemaakt – ‘uitgegeven’ is een te groot woord – in een oplage van één exemplaar. Het tijdschrift vormde het literaire hoogtepunt van de surrealistische beweging in Nederland, schonk veel aandacht aan beeldende kunst, was het enige surrealistische tijdschrift dat in Nederland heeft bestaan, en werd opgericht in Utrecht door de dichter, beeldend kunstenaar en latere godsdiensthistoricus Theo van Baaren en zijn levensgezellin, de dichteres, vertaalster en beeldend kunstenares Gertrude Pape. Het blad was tevens het eerste, langstlopende en meest avantgardistische ondergrondse literaire tijdschrift in Nederland tijdens de oorlogsjaren.

Surrealistische oriëntatie

De medewerkers aan De Schone Zakdoek, over het algemeen jongeren van in de twintig, hadden grote belangstelling voor surrealismedadaïsme en literaire experimenten. Hun bijdragen getuigden daarvan. Het surrealisme was een culturele beweging die in de twintiger jaren van de twintigste eeuw ontstond in Parijs. De beweging wilde het onbewuste, het droomkarakter van de werkelijkheid verkennen en benutten om met fantastische en absurdistische middelen en door middel van vrije associatie nieuwe ervaringen op te roepen. De surrealisten hadden veel belangstelling voor Freud en ze gebruikten nieuwe technieken en speelse vormen van samenwerking om hun doel te bereiken: écriture automatiquecadavre exquisdecalcomaniefrottagecollageobjet trouvé (readymade) enzovoort. Naast het surrealisme was de baldadigheid van het Dadaïsme een inspiratiebron. Overigens kan niet elke bijdrage aan De Schone Zakdoek als surrealistisch worden gekwalificeerd.

Gertrude Pape bracht haar toekomstige echtgenoot Theo van Baaren in aanraking met het surrealisme, een invloed die blijvend zou zijn. Het tijdschrift was als gevolg van deze surrealistische oriëntatie tekstueel en visueel zeer gevarieerd en bevatte gedichten, vertalingen, essays, collages, cadavres-exquis, foto’s, decalcomanieën, objecten, nonsensverzen, gefingeerde (soms macabere) advertenties en (kinder)tekeningen.

In september 1941 werd een dubbelnummer van De Schone Zakdoek samengesteld dat speciaal aan het Surrealisme was gewijd.

Omdat tezelfdertijd ook de vooraanstaande surrealistische schilders J.H. Moesman en Willem Wagenaar in Utrecht woonden en werkten, alsmede de met het surrealisme verwante magisch realist Pyke Koch, wordt Utrecht wel ‘De stad van het surrealisme’ genoemd.

De oorlogsjaren

Het idee voor het maandblad – het eerste nummer had op de omslag nog de oude spelling De Schoone Zakdoek – ontstond toen Van Baaren en Pape in de Utrechtse Pieterskerk zaten te wachten op een proefpreek van een vriend van Jan Wit, de blinde dichter, theologiestudent en latere hymnoloog, die ook bijdragen zou leveren aan De Schone Zakdoek. Van Baaren bedacht de titel, die mede was geïnspireerd op het gedicht Palmström van de Duitse dichter Christian Morgenstern.[1]

Het eerste nummer verscheen in april 1941 – jrg.1, afl.1 – en het bevatte geen beginselverklaring, maar een ‘beginselverduistering’ in de vorm van een zwart vierkant. Dat het blad in een oplage van slechts één exemplaar verscheen had een aantal voordelen: het was in oorlogstijd moeilijk om aan papier en druk- of stencilmachines te komen, het bleef clandestien en daarmee zonder censuur, één exemplaar was gemakkelijker aan het oog te onttrekken dan een grotere oplage en er waren geen ingewikkelde druktechnieken nodig om foto’s en collages in het tijdschrift op te nemen. Daarbij bood het de medewerkers de gelegenheid om te publiceren, zonder dat ze gebruik hoefden te maken van de met censuur bedreigde officiële literaire tijdschriften, waarin je alleen mocht publiceren als je lid was geworden van de Kultuurkamer.

Het blad werd samengesteld op vriendenbijeenkomsten, meestal op de maandagavond ten huize van Gertrude Pape, boven een winkel aan de Utrechtse straat Bemuurde Weerd. De bijdragen werden soms ter plaatse gemaakt en vaak voorgelezen, omdat Jan Wit blind was. Tijdens de bijeenkomsten werd er ook regelmatig ‘gekruist’. Dit hield in dat er met behulp van een houten kruis seances werden gehouden waarbij geesten werden opgeroepen. Theologische onderwerpen – op een onorthodoxe manier behandeld – werden veelvuldig besproken.

Aan het blad werkten onder anderen mee: Theo van Baaren, Gertrude Pape, Emiel van Moerkerken (pseud. Eric Terduyn), Louis Th. LehmannJan WitAd den BestenChris van GeelKo Rooduyn (later Hans Rooduyn), Max de JongA.G. KloppersJacob Evenhuis, Cornelia (Cok) Brinkman, Henk Schellevis (pseud.: Perdok; Schellevis was de begeleider van Jan Wit), Leo VromanJaap RomijnWillem Hussem en Cees Buddingh’. Er waren ook kindertekeningen van bijvoorbeeld Gerdi Wagenaar, de dochter van de surrealistische schilder Willy Wagenaar.

Sommige bijdragen aan het maandblad zijn later beroemd geworden, zoals de gorgelverzen (“Ik ben de blauwbilgorgel…”) van Cees Buddingh en de foto’s die Emiel van Moerkerken maakte van Menno ter BraakSimon Vestdijk en E. du Perron. De teksten van het blad werden, voor een groot deel door Gertrude Pape, getypt.

Vanaf de tweede jaargang verscheen het blad eens in de twee maanden in meestal dubbeldikke dubbelnummers. Het laatste dubbelnummer – jrg.3, afl.35-36 – verscheen in februari/maart 1944. De door de Duitsers ingestelde vervroeging van de avondklok (Sperr) maakte de geregelde bijeenkomsten op maandagavond onmogelijk. In totaal zijn 36 afleveringen verschenen in 23 afzonderlijke nummers.

Na de oorlog

Er hebben ongeveer veertig literatoren en kunstenaars bijdragen geleverd aan De Schone Zakdoek. Veel van hen hebben na de oorlog een (soms voorname) rol gespeeld in het culturele leven van Nederland: als uitgever, cultureel ondernemer, schilder, beeldend kunstenaar, filmer, schrijver of dichter. De Vijftigers met hun aandacht voor het irrationele element in de poëzie, kunnen als erfgenamen van De Schone Zakdoek worden beschouwd. Enkele medewerkers aan het blad hebben later veel gepubliceerd in het tijdschrift Barbarber, dat in een aantal opzichten (humor, readymades, baldadigheid) verwant was aan De Schone Zakdoek.

De contacten tussen de medewerkers aan De Schone Zakdoek bleven voor een deel na de opheffing van het blad bestaan. In 1953 werd er een tentoonstelling gehouden in kunstzaal Le Canard. Deze kunstzaal was opgericht door Hans Rooduyn en had zich ontwikkeld tot het trefpunt van de Beweging van Vijftig. Er werden foto’s en collages tentoongesteld van Van Baaren, Lehmann, Van Moerkerken, Willem Frederik HermansAd Pieters en Maurits Dekkers. Deze tentoonstelling werd door de surrealismekenner Laurens van Krevelen een “nagekomen nummer” van De Schone Zakdoek genoemd.

De drie complete jaargangen van De Schone Zakdoek bevinden zich in het archief van het Nederlands Letterkundig Museum in Den Haag. Alle afleveringen zijn ook op microfilm gezet om de raadpleegbaarheid duurzaam te kunnen garanderen. In 1981 verscheen bij Meulenhoff een bloemlezing met zwart-witafbeeldingen. De selectie was gedaan door Van Baaren, Pape en Buddingh.

Theo van Baaren publiceerde tussen 1986 en 1989 kleine gelegenheidsuitgaven, door hem ephemeriden genoemd, bij de door hem opgerichte huisuitgeverij die naar De Schone Zakdoek was vernoemd: Clean Kerchief Incorporated. De meeste ephemeriden bevatten werk van hemzelf, maar hij gaf ook werk van anderen uit: Jan G. ElburgPiet van KlaverenL.Th. LehmannRik Lina, Gertrude Pape, Perdok, Hans van StratenLaurens Vancrevel en Dolf Verspoor. De bekendste van de 71 Clean Kerchief Inc.-uitgaven was een bundel met 25 geïllustreerde gorgelrijmen die in 1987 werd uitgebracht na de dood van Buddingh: Hommage à Kees Buddingh, met teksten van Van Baaren en illustraties van Pape.

Uitgaven

  • Theo van Baaren, Gertrude Pape en Cees Buddingh’ (selectie), De Schone Zakdoek. Onafhankelijk tijdschrift onder red. van Theo van Baaren en Gertrude Pape. 1941-1944. Verhalen, gedichten, cadavres-exquis, collages, tekeningen, foto’s, objecten, Amsterdam: Meulenhoff 1981.

Externe links

Bronnen
– Hans Renders, Verijdelde dromen. Een surrealistisch avontuur tussen De Stijl en Cobra, Haarlem: Enschedé 1989
– Piet Calis, Het ondergronds verwachten. Schrijvers en tijdschriften tussen 1941 en 1945, Amsterdam: Meulenhoff 1989, ‘Hfdst. 1 – De Schone Zakdoek: spel zonder grenzen’ & Slot
– Marieke Winkler, ‘Authenticiteit of creatieve recycling? Over een heruitgave van het ondergrondse tijdschrift De Schone Zakdoek (1941-1944)’, in: Eenheid in verscheidenheid. Liber amicorum Prof.em.dr. A.M. Musschoot, Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, Verslagen en mededelingen 2009, p.217 e.v.
– Laurens van Krevelen, ‘Theodorus Petrus van Baaren. Utrecht 13 mei 1912 – Groningen 4 mei 1989’, levensbericht in het Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1994, p.90-101
– Lisette Lewin, Het clandestiene boek 1940-1945, Amsterdam: Van Gennep 1983, p.274-276
– Marieke Winkler, De metamorfoses van Laocoön: Woord&Beeld interactie in De Schone Zakdoek (1941-43) en Barbarber (1958-71) (doctoraalscriptie), Universiteit van Utrecht 2007

Voetnoot
1) Het vers is hier raadpleegbaar (Galgenlieder, Berlijn: Bruno Cassirer 1917, p.48). In het gedicht opent Palmström een zakdoek met daarop een fraaie afbeelding om daarin zijn neus te snuiten. Uit eerbied voor de schoonheid van de afbeelding vouwt hij echter met ongesnoten neus de ‘schone’ zakdoek weer dicht, wat – volgens het gedicht – iedereen met enig gevoel zal kunnen billijken.

Uitgelicht bericht

China News Analysis

China News Analysis

[Dit artikel heb ik in september 2014 geschreven op de Nederlandstalige Wikipedia onder het pseudoniem Theobald Tiger. Hier kunt u het destijds door mij gepubliceerde artikel nalezen. Het is sindsdien vrijwel onveranderd gebleven, maar omdat iedereen op Wikipedia kan wijzigen, aanvullen, inkorten als dat hem/haar belieft, hecht ik eraan om het door mij geschreven artikeltje in de vorm waarin ik het toen geschreven heb te herpubliceren op mijn eigen website.]

China News Analysis (CNA) – Analyse van het Chinese nieuws – was van 1953 tot 1998 een wekelijkse – vanaf 1979 tweewekelijkse – nieuwsbrief die feiten, achtergronden en analyses gaf van de politieke en maatschappelijke gebeurtenissen in de volksrepubliek China. De nieuwsbrief werd gemaakt in Hong Kong en was geschreven in het Engels. De oprichter en belangrijkste redacteur van het blad was de Hongaarse jezuïet László Ladány. De nieuwsbrief omvatte zeven of acht pagina’s per aflevering, had een weinig opvallende vormgeving, maar bezat een opzienbarende, met de westerse intellectuele opinie vaak op gespannen voet staande inhoud die was gebaseerd op oorspronkelijke Chinese bronnen. Het blad was daarom decennialang belangrijke lectuur voor geleerden, journalisten, diplomaten en inlichtingendiensten.[1]

Periode 1953-1982

Ladány – een Hongaarse jood – was in 1940 van Hongarije naar China gegaan om de golf van moorddadig antisemitisme die Europa zou overspoelen te ontvluchten en zich voor te bereiden op het missiewerk. In 1949, bij de communistische machtsovername aan het einde van de Chinese Burgeroorlog, vertrok hij noodgedwongen naar Hongkong. Toen hij het verzoek kreeg van de overste van de onder dwang opgeheven jezuïetische missieposten in China om de buitenwacht op de hoogte te houden van de ontwikkelingen in China en de omliggende landen, begon hij China News Analysis te publiceren. Op 25 augustus 1953 verscheen het eerste nummer.

Ladány was van 1953-1982 de enige vaste redacteur. Patrick James Honey (1922-2005), een Ierse Vietnam-kenner, schreef regelmatig bijdragen over Vietnam. Incidenteel traden anderen op als gastredacteur. Reeds in 1961 had Ladány beschreven welke gruwelijke realiteit er schuil ging achter de Grote Sprong Voorwaarts (1958-1961/2). In 1962 schatte hij het aantal doden als gevolg van de optredende hongersnoden op vijftig miljoen, een aantal dat door latere onderzoekers is bevestigd.[2] Ladány werd bijgestaan door collega’s die correctiewerk deden, met wie hij discussieerde en die voor hem kranten lazen en radio-uitzendingen beluisterden.

In 1979 veranderde de verschijningsfrequentie van wekelijks naar eens in de twee weken.

In totaal verschenen er gedurende Ladány’s redacteurschap tot en met 1982 1248 nummers, ongeveer 8750 pagina’s.

Periode 1983-1998

Na Ladány’s terugtreden werd verschijning van de nieuwsbrief tijdelijk opgeschort om in 1984 weer te worden hervat onder hoofdredactie van de jezuïet Dominique Tyl. In 1985 veranderde de verschijningsfrequentie opnieuw, nu naar twee maal per maand, met een index aan het einde van het jaar (25 nummers per jaar). Tyl werd in 1988 als hoofdredacteur opgevolgd door de jezuïet Yves Nalet. In december 1998 werd besloten om de nieuwsbrief te staken.

In 1994 verhuisde het tijdschrift naar Taiwan, als onderdeel van de Socio-Cultural Research Center van Fujen Universiteit.

Van 1984 tot 1998 verschenen nog 375 nummers, ongeveer 3450 pagina’s in totaal.

Belang

Het blad was decennialang verplichte kost voor iedereen die serieuze belangstelling voor China had. De Belgische sinoloog Pierre Ryckmans (pseud. Simon Leys) noemt als belangrijkste kwaliteiten van het blad dat de auteur Ladány – anders dan de meeste China-experts in die dagen – het Chinees uitstekend beheerste en vloeiend sprak, dat hij zich baseerde op oorspronkelijke Chinese bronnen zoals kranten, overheidspublicaties en (regionale) radio-uitzendingen, en dat hij het vermogen had om de ondoorgrondelijke en misleidende berichtgeving, de onder terreur tot stand gekomen getuigenissen en de leugenachtige overheidspropaganda, zo te analyseren dat duidelijk werd welke verwrongen relatie al deze uitingen hadden tot de (destijds veelal verschrikkelijke) werkelijkheid van China.

Het blad was onmodieus en werd door fellow-travelers van het maoïstische regime als verderfelijk beschouwd. Simone de Beauvoir, auteur van La Longue Marche. Essai sur la Chine (1957), noemde China News Analysis “une publication venimeuse” (een giftige publicatie).

Externe link

Bronnen

Voetnoten

  1.  Voor de CIA, zie: James R. Lilley & Jeffrey Lilley, China Hands: Nine Decades of Adventure, Espionage, and Diplomacy in Asia, Cambridge, MA: Public Affairs 2004, p.139. Voor de andere groepen, zie Simon Leys, ‘The Art of Interpreting Nonexistent Inscriptions Written in Invisible Ink on a Blank Page’, The New York Review of Books, 11 oktober 1990. Zie ook: ‘China-watcher turns in Telescope’The Telegraph, 7 februari 1983. (geraadpleegd 17 september 2014).
  2.  Frank Dikötter (2011), Mao’s massamoord. De geschiedenis van China’s grootste drama, 1958-1962 (Het voorwoord spreekt van ten minste 45 miljoen).
Uitgelicht bericht

De onbeminde islam

Ik heb een vraag. De meeste mensen die ik spreek – ik spreek bijna niemand, want het het is corona-tijd – vinden radicaal-rechtse partijen maar niks. En diezelfde mensen vinden de islam vaak ook maar niks.

De islam is een godsdienst – dat is al erg natuurlijk – maar het is bovendien een heel beperkende godsdienst. Het legt ontoelaatbare beperkingen op aan de vrije ontplooiing van de gelovigen en het eist een gehoorzaamheid die ernstig afbreuk doet aan de persoonlijke autonomie.

De islam wil van alles van de mensen, de islam geeft kleding- en gedragsvoorschriften, de islam onderdrukt en mutileert vrouwen, de islam wordt vanuit autocratische buitenlanden gefinancierd (hoe worden de christelijke zending en missie eigenlijk gefinancierd?), de islam slingert luide gebedsoproepen de wijk in vanuit moskeeën die als paddenstoelen uit de grond lijken te rijzen, juist nu de kerkklokken – god zij geloofd en gedankt en geprezen – hun gebeier grotendeels lijken te willen staken, en de islam gaat ten slotte uit van een God wiens bestaan op zichzelf al hoogst onwaarschijnlijk is, wetenschappelijk gezien. Ook mag je niet van je geloof vallen, wat natuurlijk het eerste is wat je zou willen als je in een dergelijk geloof opgroeit.

Veel verschillen zijn er eigenlijk niet binnen de islam. Na enig aandringen komen sommigen nog met soennieten en sjiïeten aanzetten, maar het twistpunt is vanzelfsprekend een betrekkelijk kleine theologische kwestie die uit de begintijd van de islam stamt. Spot is zo goed als verboden, het salafisme rukt op, de moslimbroederschap is, in weerwil van de naam, een heel sinister genootschap, de meeste moslims willen volgens de Leidse rechtenfaculteit dat de sharia wordt ingevoerd, en er zou wel wat meer weerstand in eigen kring mogen bestaan tegen de neiging van jonge moslimmannen om terroristische aanslagen te plegen.

Dan nu mijn vraag: hoe weten al die mensen die ik niet spreek dit allemaal?

Ik zal mijn verwondering een beetje toelichten. Het is mijn ervaring dat de meeste mensen niet veel weten van het christendom. De doorsnee Nederlander kan niet vertellen wat er gevierd wordt op Goede Vrijdag of Pasen of Pinksteren. De meesten van ons kunnen geen protestant van een katholiek onderscheiden, laat staan dat ze enig benul hebben van wat bevindelijke protestanten eigenlijk zijn, en in welke kerkgenootschappen je dat soort exotische figuren aantreft.

Als er op televisie een onderwerp wordt besproken dat heel in de verte iets met het christendom te maken heeft – het liefst een misbruikschandaal – dan brengen de programmamakers in het zwart geklede figuren met hoedjes op in beeld, vaak enorm grote gezinnen die in dociele gehoorzaamheid naar de kerk wandelen waar ze met een tergend laag tempo uit volle borst uiterst sombere psalmen meezingen. En soms wordt er misschien zelfs een heuse katholieke geestelijke geïnterviewd, vooral nadat deze een boekje open heeft gedaan over zijn pornoverslaving en darkroom-bezoek. En een hoogst enkele keer tref je op de televisie een katholiek aan die het celibaat verdedigt en seksuele onthouding goed vindt passen bij de priesterroeping. Talkshowhost en publiek kunnen hun lachen bijna niet inhouden.

De doorsnee Nederlander weet bar weinig van het christendom.

Maar hoe weten diezelfde mensen dan wel hoe het met de islam zit?

De meeste mensen komen in de praktijk waarschijnlijk niet zo vaak een moslim tegen, en als ze bij toeval wel een moslim tegenkomen, en ze zoeken een keertje geen dekking, dan blijkt die moslim meestal allerhartelijkst te wezen. Zelfs is het zo dat je, zodra je enigszins met ze in contact komt en respect toont, spontaan wordt uitgenodigd om het Suikerfeest mee te vieren, en dan mag je ook echt helemaal meedoen. Het eten dat bij die gelegenheid geserveerd wordt is niet alleen overheerlijk maar ook allerovervloedigst. Op het punt van de gastronomische geneugten moeten we eerlijk toegeven dat we van de islam nog wat kunnen leren. Het Turkse winkeltje is ook best aardig.

Maar dat zijn slechts incidentele belevenissen.

Er is natuurlijk ook nog zoiets als intellectuele nieuwsgierigheid, een zeldzame geestelijke afwijking die gelukkig bijna geheel is uitgestorven. Ik betrap zelden of nooit een medemens met een koran op schoot. Vertalingen hebben immers toch geen gezag. En geen niet-moslim peinst erover om zich in de islamitische theologie te verdiepen. Geen van de mensen die ik niet spreek is in staat om de vijf zuilen van de islam op te noemen.

Het is overigens heel erg jammer dat die moslims onze waarden niet delen, en met waarden bedoel ik natuurlijk het recht om te beledigen, de VvMU, de enige waarde die er werkelijk toe doet, en die de Vrijheid van Godsdienst gerust kan vervangen, zelfs beter, want godsdienst is een mening als alle andere. En artikel 23 van de Grondwet die kwezels het recht geeft om het onderwijs naar eigen smaak en inzicht in te richten, moet uiteraard zo snel mogelijk worden afgeschaft.

Het is heel raadselachtig allemaal. Wat de islam is weten de mensen niet, maar dat de islam niet deugt, dat weten ze heel zeker.

Uitgelicht bericht

Maar als het stil is in de geest – R.S. Thomas

R.S. Thomas op een kerkhof in Eglwys Fach. Foto: John Hedgecoe.

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilderes Mildred Eldridge (1909-1991).

R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).

Een aardig artikel over Thomas’ leven en werk is van de hand van Theodore DalrympleA Man Out of Time.

Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.

In genoemd boek gaat de schrijver ook in op het onderhavige gedicht, en wel op de pagina’s 40-41.

In het gedicht But the silence in the mind stelt Thomas stil-zijn – echt stil zijn, ook je gedachten stil zetten – gelijk aan het luisteren naar God. Als ervaring wordt dit idee beschreven in een ander gedicht van Thomas, namelijk De gloeiende akker – hierin wordt de tijd getranscendeerd, en is de spreker aanwezig in een moment die de eeuwigheid in zich draagt.

Er zijn drie leidende gedachten: 1. de stilte, een stilte die een gehoorsafstand kent, een stilte ook die in staat is jou iets toe te roepen over je eigen diepten heen, 2. de ‘aanwezigheid’ van iets wat strikt genomen afwezig is, en 3. de bodemloosheid, de afgrond, de diepte.

De metafoor van de afgrond wordt ontleend aan psalm 42 waarin vers 8 in de Statenvertaling als volgt klinkt:

De afgrond roept tot den afgrond, bij het gedruis Uwer watergoten; al Uw baren en Uw golven zijn over mij heengegaan.

De armada van onze gedachten komt – eenmaal te water gelaten op het oppervlak van de bodemloze oceaan – nooit op zijn bestemming aan. De afgrond blijkt te roepen tot de afgrond, en de stem van de alomtegenwoordige stilte – die strikt genomen afwezigheid is van geluid – klinkt over onze eigen afgrond heen.

Het idee van de afgrond in onszelf ontleende Thomas aan Søren Kierkegaard die het bestaan beschreef als eng en subliem, als het oversteken van een afgrond die thousands of fathoms diep is.

Temidden van al deze paradoxen, blijkt het luisteren naar de alomtegenwoordige stilte toch het allerhoogste wat we bereiken kunnen binnen de omtrek van onszelf die gelijk is aan de omtrek van God, tot wie we via de stilte toegang hebben.

Het gedicht lijkt pardoes te beginnen, alsof Thomas met het gedicht een tegenwerping maakt tegen iets wat hij zojuist heeft gehoord.

Enfin, genoeg diepzinnig gepraat.

Dit gedicht is gepubliceerd in de bundel Counterpoint (1990).

Vertaling:

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

——————————————————————————————————————————-

Maar als het stil is in de geest

Maar als het stil is in de geest
zijn we op ons best, binnen
gehoorsafstand van de stilte
die we God noemen. Dit is
de afgrond van de psalmist die roept
tot de afgrond, de peilloze oceaan
waarop we de armada van onze
gedachten loslaten – die nooit aankomt.

Zo is het een aanwezigheid
waarvan de omtrek onze omtrek is;
die roept ons toe over onze eigen
diepten heen. Wat kun je anders doen
om nader te komen tot zo’n alom

tegenwoordigheid dan stil te blijven?

Origineel:

But the silence in the mind

But the silence in the mind
is when we live best, within
listening distance of the silence
we call God. This is the deep
calling to deep of the psalm-
writer, the bottomless ocean
we launch the armada of
our thoughts on, never arriving.

It is a presence, then,
whose margins are our margins;
that calls us out over our
own fathoms. What to do
but draw a little nearer to
such ubiquity by remaining still?

Uitgelicht bericht

Een leven – R.S. Thomas

R.S. Thomas in Eglwys Fach. Fotograaf: John Hedgecoe

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilderes Mildred Eldridge (1909-1991).

R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).

Een aardig artikel over Thomas’ leven en werk is van de hand van Theodore DalrympleA Man Out of Time.

Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.

In een treffend filmpje uit 1996 dat Bloodaxe Books beschikbaar heeft gemaakt – hier raadpleegbaar – zegt Thomas (vanaf 4’18”):

“Mocht er sowieso later nog aan mij gedacht worden, dan zal dat wel zijn om de intensiteit van een paar gedichten die ik heb geschreven. Maar, los van de gedichten, als mens hoop ik dat m’n voorbeeld van iemand die ervan hield buiten te zijn, die hield van de aardse dingen, en die het talent had meegekregen om ze niet alleen te horen maar ook te zien, voor anderen een zeker nut heeft gehad.”

Het gedicht A Life is een zelfportret. Dat geldt natuurlijk wel voor meer gedichten, maar in dit geval is dat heel letterlijk zo. Het is een ernstig gedicht, maar ook in zekere zin een onbekommerd gedicht, niet zonder zelfspot.

De grappig-bittere zin: “Waar twee / bijeen zijn, was hij de ongewenste / derde” is een toespeling op het bijbelwoord: “Waar twee of drie in Mijn Naam bijeengekomen zijn, daar ben Ik in hun midden” (Mattheüs 18:20).

Dit gedicht wordt treffend besproken in de openingsalinea van de R.S. Thomas-herdenkingsrede die Seamus Heaney heeft gehouden in Westminster Abbey op 28 maart 2001. Deze rede is in vertaling beschikbaar op deze website.

Dat Thomas zijn gezicht redde met gedichten ten overstaan van de krenkingen die het proza voor hem in petto had, betekent dat hij kletspraat en cynische rechttoe-rechtaan-praatjes zonder diepzinnigheid en zonder het besef dat er ook nog zoiets als een ‘hoger honing’ kon worden verzameld, enigszins op afstand wist te houden door zijn dichterschap, en misschien ook door de pastorale kant van zijn predikantschap.

Zijn religieuze inslag wordt uitgedrukt met de zin: “Slechts visionair / in het besef van een horizon / achter de horizon.”

De ‘gewetensbezwaarde’, de ‘doodspropaganda’ en de ‘dwangmatige vrijwilliger’ zijn verwijzingen naar Thomas’ pacifistische inslag en de oorlogsretoriek die hij om zich heen hoorde – maar ze moeten hier dichterlijk worden opgevat: hij volgde zijn eigen spoor, bleef zijn dichterlijke en geestelijke roeping trouw, en gaf niet toe aan druk van buitenaf. Maar het vrijwilligerschap is wel dwangmatig – hier stond hij, en hij kon niet anders.

Het gedicht is opgenomen in de bundel Experimenting with an Amen (1986).

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

——————————————————————————————————————————-

Vertaling:

Een leven

Lang geleefd; veel angst, minder
moed. In de school der liefde slechtste
van de klas; wat de Tijd vroeg
is te ver heen om te achterhalen.
Goed in knielen; geeft toe,
verticaal, aan kleine verleidingen.
Een mond waaraan halfbakken
ideeën ontsnapten. Waar twee
bijeen zijn, was hij de ongewenste
derde. Een Narcissus, gekweld
door de fluisterstemmen achter
de spiegel. Slechts visionair
in het besef van een horizon
achter de horizon. Twijfelend
aan God, te lafhartig om hem
te verwerpen. Met verzen
z’n gezicht reddend voor de krenking
van proza. Een van ‘s levens
gewetensbezwaarden, nooit
zwichtend voor de doodspropaganda,
maar een dwangmatige vrijwilliger.

Origineel:

A Life

Lived long; much fear, less
courage. Bottom in love’s school
of his class; time’s reasons
too far back to be known.
Good on his knees, yielding,
vertical, to petty temptations.
A mouth thoughts escaped
from unfledged. Where two
were company, he the unwanted
third. A Narcissus tortured
by the whisperers behind
the mirror. Visionary only
in his perception of an horizon
beyond the horizon. Doubtful
of God, too pusillanimous
to deny him. Saving his face
in verse from the humiliations prose
inflicted on him. One of life’s
conscientious objectors, conceding
nothing to the propaganda of death
but a compulsion to volunteer.

Uitgelicht bericht

Evans – R.S. Thomas

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilderes Mildred Eldridge (1909-1991).

R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).

Een aardig artikel over Thomas’ leven en werk is van de hand van Theodore DalrympleA Man Out of Time.

Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.

Het gedicht Evans is een van Thomas’ bekendste ‘pastorale’ gedichten, in de zin dat het ontleend is aan zijn herderlijke werk als predikant – van een bucolische sfeer is verder in het geheel geen sprake. Het gedicht is afgedrukt bij het Engelse Wikipedia-artikel over R.S. Thomas, en het werd ook voorgedragen door Seamus Heaney toen hij zijn aan Thomas gewijde herdenkingsrede uitsprak in Westminster Abbey op 28 maart 2001.

Deze rede heb ik vertaald. Elders op deze website kunt u de vertaling raadplegen. In deze rede vergelijkt Heaney een gedicht van de dichter-priester Gerard Manley Hopkins – ook een gedicht over het sterven van een parochiaan: Felix Randal – met het onderhavige gedicht van de dichter-dominee R.S. Thomas.

In een ontroerend filmpje uit 1996 dat Bloodaxe Books beschikbaar heeft gemaakt op Youtube waaraan ook beide afbeeldingen zijn ontleend – hier raadpleegbaar (vanaf 4’18”) – zegt Thomas:

“Mocht er sowieso later nog aan mij gedacht worden, dan zal dat wel zijn om de intensiteit van een paar gedichten die ik heb geschreven. Maar – los van de gedichten – als mens hoop ik dat m’n voorbeeld van iemand die hield van buiten-zijn, die hield van de aardse dingen, en die de gave bezat om die dingen niet alleen te horen maar ook te zien, voor anderen een zeker nut heeft gehad.”

Evans was een van Thomas’ parochianen. Het betrof een 49-jarige man – William Evans – die een ongeluk had gehad. Hij werd begraven in de eerste maanden van 1946.

Het gedicht lijkt pardoes te beginnen, alsof er antwoord wordt gegeven op een vraag.

Veel toelichting heeft het gedicht verder niet nodig. De woorden die ter karakterisering voor trap, keuken, keteltje, druppend water en boom worden gebruikt, roepen al een besef van menselijk einde op. Een prominente rol spelen hier schemering en duisternis. De verlaten-kustmetafoor in de slotregels wordt voorafgegaan door het opkomend tij van de nacht.

Het gedicht is opgenomen in de bundel Poetry for Supper (1958)

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

——————————————————————————————————————————-

Vertaling:

Evans

Evans? Ja, heel wat keren
daalde ik af langs de kale
trap naar de knokige keuken
met het houtvuur, met krekelgezang
ter begeleiding van het huilende
zwarte keteltje, zo het koude donker in
om te smoren in het wassend tij
van de nacht, vloeiend langs de muren
van z’n schrale hoeve op de kam.

’t Was niet het donker dat me tegenstond,
al vulde het oog en mond; zelfs niet de regen
die als bloed drupte van die ene door het weer
geteisterde boom. Het was het donker
dat de aderen dichtslibde van deze zieke man
die ik liet stranden op de uitgestrekte
en eenzame kust van zijn verlaten bed.

Origineel:

Evans

Evans? Yes, many a time
I came down his bare flight
Of stairs into the gaunt kitchen
With its wood fire, where crickets sang
Accompaniment to the black kettle’s
Whine, and so into the cold
Dark to smother in the thick tide
Of night that drifted about the walls
Of his stark farm on the hill ridge.

It was not the dark filling my eyes
And mouth appalled me; not even the drip
Of rain like blood from the one tree
Weather-tortured. It was the dark
Silting the veins of that sick man
I left stranded upon the vast
And lonely shore of his bleak bed.

Uitgelicht bericht

R.S. Thomas-herdenkingsrede – Seamus Heaney

Uitgesproken door Seamus Heaney in Westminster Abbey op 28 maart 2001

Titel: R.S. Thomas Memorial. Delivered at Westminster Abbey, March 28th, 2001
Bron: The Ireland Poetry Review, nr. 69, zomer 2001, p.11-14
Stabiele URL: https://www.jstor.org/stable/25579620

Herdenkingsrede R.S. Thomas

In een van zijn latere gedichten, getiteld A life, dat duidelijk bedoeld is als zelfportret, bestempelt R.S. Thomas zichzelf als “een van ‘s levens / gewetensbezwaarden”. De levensschets getuigt van een typerende eerlijkheid en een typerende strengheid, maar wat me er het meest aan bevalt is de enigszins atypische onbekommerdheid die eruit spreekt. Voor even is degene die ons uit dit portret aanstaart bereid om zichzelf van opzij te bekijken om te zien wat andere mensen wel eens zouden kunnen zien. Thomas wist heel goed dat hij in veler ogen een grimmige figuur was, en elders in het gedicht bekende hij, met opnieuw vermakelijk-ongemakkelijke gestrengheid, “waar twee / bijeen zijn, was hij de ongewenste / derde.” Maar Thomas wist ook, net als wij, dat hij niet samenviel met deze karikatuur: hij was weliswaar soms iemand die anderen bekritiseerde en kastijdde, hij was ook een zielzorger, iemand die op zijn knieën ging, iemand die bij voortduring klopte op de deur van de waarheid, en die geen toegang kreeg. Een visionair, maar, zoals het gedicht ook zegt, “slechts visionair / in het besef van een horizon / voorbij de horizon”.

Het is één van de aardige samenlopen van de literatuurgeschiedenis dat Thomas zijn zoektocht naar die horizon aanving juist toen de tochten van twee andere Wijzen afliepen; het is met andere woorden mogelijk om het streven van zijn Verzamelde gedichten te lezen als de vervulling van het streven van W.B. Yeats en T.S. Eliot, zijn grote voorgangers die geprobeerd hebben om religieuze poëzie te schrijven in een areligieuze tijd. Hij leek op een van Yeats’ “onbevredigde bleke types”, maar wel een wiens doorleefde onvrede rechtstreeks zou leiden tot wat in zijn werk bij uitstek bevredigend is.

Toen ik Thomas voor het eerst las, had ik waardering voor zijn trouw aan het armeluisleven van de boeren in het heuvelland wier predikant hij was. De mensen in zijn gedichten deden mij denken aan de keuterboeren en landarbeiders die ik zelf had gekend, en het waren onder andere zijn verzen die mij hielpen bij mijn eerste schrijfpogingen. Song at the Year’s Turning [Lied bij de jaarwisseling] was een bundel waar ik van hield. De stofomslag had een ontwerp dat was gebaseerd op een stapelmuur, en dat paste goed bij de ruwe, bergachtige sfeer van afzondering en overleving die de gedichten opriepen. De spaarzaamheid van Thomas’ taal resoneerde in mij. Er zat iets van zelfbeteugeling in dit schrijven, alsof de dichter een afkeer koesterde van zijn eigen lyrische talent – en dat beviel mij. Dat beviel mij vooral omdat het lyrische talent zo zuiver was en ernaar leek te verlangen om zalig uitgeoefend te worden. Al heel vroeg had hij zichzelf toegestaan om te doen wat de jonge Yeats had gedaan, afstand nemen van de rijmende versregel en het volksdeuntje. Maar kort daarop volgde hij het voorbeeld van een andere Ierse dichter, Austin Clarke; hij koos de taal van de torenklok en kreeg een voorkeur voor de muziek van de vastentijd, met als gevolg dat zijn gedichten gaandeweg net zo kaal en onverbiddelijk werden als de crotalus (houten klepper) in het heiligdom van Goede Vrijdag.

Als dichter dorstte R.S. Thomas naar religieuze waarheid, en het is omdat die dorst onverminderd groot bleef dat zijn werk de toekomstige generaties van de een-en-twintigste eeuw zal kunnen overtuigen. Voor hem geldt niet de gebedsverhoring die in vrees en beven wordt verwacht, zoals opgeroepen door George Herbert. Er weerklinkt geen gebeier achter het gesternte; er is geen vorm van hemels getokkel of getingel. Als dichter-dominee staat Thomas natuurlijk wel in dezelfde traditie als Herbert, maar het is de Herbert van de kale toonladders, van een harp die ‘ongestemd, ongespannen’ is, de Herbert van ‘Deniall’ [Afwijzing] en ‘The Collar’ [Het boordje], bij wie de cholerische neiging niet zozeer merkteken is van het kerkelijk ambt, maar eerder een kenmerk van een onmatige persoonlijkheid, leidend tot uitbarstingen van opstandige toorn.

Maar het werk van R.S. Thomas toont niettemin een fantastisch doorzettingsvermogen, een besef dat hij zich niet van zijn roeping zal laten afbrengen, en ook dat hij niet de dupe zal worden van zijn vroomheid, en het is deze pelgrimsvolharding die zijn poëzie een blijvende kracht verleent. Als we hier en nu deze dichter gedenken, dan is wat we eren juist deze ootmoedige standvastigheid. In onze voorstelling heeft hij een eenzelvig profiel gekregen, een beetje zoals de verzamelaar van bloedzuigers bij Wordsworth, maar droefgeestiger, veeleer geneigd om zijn staf te werpen naar degene die hij tegenkomt dan om erop te leunen bij het verstrekken van z’n kluizenaarswijsheden. Thomas bezat een ongeremde en onbeheerste kant, altijd klaar om elke plannenmakerij te ontregelen, een kant die tekeer ging tegen Engelse vakantiehuizen op het Welshe platteland. En toch schuilde er gedrevenheid en accuratesse in zijn culturele en nationalistische boosheid; zijn vervreemding van het steeds meer door rijke nieuwkomers volgebouwde landschap was een aspect van een algemenere, moderne ontworteling, een toestand die zowel betrokkenheid als ironische afstandelijkheid nodig heeft – een toestand die zeker zou zijn herkend door schrijvers als George Seferis en Patrick Kavanagh. Hoe onsympathieker zijn land zich voordeed, hoe dieper hij de noodzaak voelde zich ermee te verbinden.

Ik zal twee gedichten van hem voorlezen zonder veel commentaar, want ze hebben geen uitleg nodig. De eerste is getiteld The One Furrow, een heel eenvoudig gedicht, kennelijk nog een imitatie, en toch is het al een voorafschaduwing van de vorm die R.S. Thomas’ geestelijke en artistieke leven zou aannemen: het verantwoordelijkheidsbesef, de niet aflatende zoektocht, de vore die wordt geploegd naar de horizon voorbij de horizon.

[Het oorspronkelijke gedicht heeft eindrijm (aabab ccdcd eefef) dat in vertaling niet is gehandhaafd]

De ene vore

Toen ik jong was ging ik naar school
met lineaal en schrijfstift,
griffel en lei,
en ik zat op een hoog bankje
aan de poort van de kennis.

Toen ik ouder werd, zwaaide de poort open;
slim en oplettend als ik was
wurmde ik me erdoor,
maar vond in de trots van mijn geest
geen vrede, geen rust.

Toen leerde iemand me terug te gaan
naar vee en mesthoop;
veld en ploeg:
om zich te richten op die ene vore,
dezelfde die ik nog volg?

Het volgende gedicht is heel bekend, een van de ‘pastorale gedichten’ dat het bezoek van een priester aan een zieke parochiaan als onderwerp heeft. Voor mijn gevoel is dit gedicht in een tweegesprek verwikkeld met een ander gedicht van een andere dichter-priester over hetzelfde onderwerp, een gedicht dat op dezelfde manier begint als dat van Thomas, met het uitspreken van de naam van de parochiaan. “Felix Randal de hoefsmid, O is hij echt dood?” vraagt Gerard Manley Hopkins, en hij gaat verder met zich te herinneren hoe het uitdelen van het sacrament aan de hoefsmid verzachting en verlichting had geschonken, en op het eind had gezorgd voor leniging van nood en geestelijke verkwikking. Maar als R.S. Thomas zich zijn herderlijke zorg aan Evans herinnert, is de uitkomst heel anders:

Evans

Evans? Ja, heel wat keren
daalde ik af langs de kale
trap naar de knokige keuken
met het houtvuur, met krekelgezang
ter begeleiding van het huilende
zwarte keteltje, zo het koude donker in
om te smoren in het wassend tij
van de nacht, deinend langs de muren
van z’n schrale hoeve op de kam.

t Was niet het donker dat me tegenstond,
al vulde het oog en mond; zelfs niet de regen
die als bloed drupte van die ene door het weer
geteisterde boom. Het was het donker
dat de aderen dichtslibde van deze zieke man
die ik liet stranden op de uitgestrekte
en eenzame kust van zijn verlaten bed.

Uitgelicht bericht

Over een biografie van R.S. Thomas – The Man Who Went Into the West

Byron Rogers, The Man Who Went Into the West: The Life of R.S. Thomas, Aurum 2006

Ik heb de afgelopen jaren enkele tientallen gedichten van de Welshe dichter Ronald Stuart Thomas (1913-2000) vertaald – zie elders op deze website. Ik houd van zijn werk: de lyrische toon, de soms weinig troostrijke waarheden, de tederheid, de genadeloze eerlijkheid, de prachtige taal, de schitterende metaforen die zijn gedichten bijna altijd hun stuwende kracht verlenen. Ik had me natuurlijk al wel enigszins in RST, zijn context, zijn verstechniek, zijn godsdienstigheid verdiept, maar aan een biografie was ik nog niet eerder toegekomen. Tot nu.

RST was een Welshman van geboorte, maar schreef bijna al zijn werk in het Engels (op enkele prozawerken na), leerde pas op latere leeftijd Welsh, en hij sprak Engels met een upper-class accent. Als hij een Engelsman tegenkwam die de weg vroeg naar een toeristische attractie, dan pretendeerde hij soms dat hij geen Engels verstond.

Zijn geboorteplaats was Cardiff, in het zuiden van Wales. Het gezin met de kleine RST verhuisde al vrij snel naar Holyhead op het eiland Anglesey, gelegen in het noordwesten van Wales. Holyhead was ook de plaats waar RST opgroeide. Hij studeerde klassieke talen en theologie aan de universiteit van het Welshe Bangor en in Cardiff. Hij trouwde in 1940 met een Engelse schilder – Mildred ‘Elsi’ Eldridge – die op dat moment veel beroemder was dan hij. Ze kregen samen één zoon: Gwydion.

Hij diende als predikant in verschillende Welshe kerkelijke gemeenten, achtereenvolgens: Chirk, Manafon, Eglwys Fach, Aberdaron. Hij is op zijn oude dag, nadat Elsi was overleden, hertrouwd. Hij hield er een vast levensritme op na: ’s morgens studeren en schrijven, ’s middags tuinieren of wandelen, ’s avonds bezoek van gemeenteleden. In de laatste decennia van zijn leven was hij beroemd, hield hij lezingen, ontving hij literaire eerbewijzen, en werd hij – als ik zijn biograaf mag geloven – een stuk gezelliger – Byron Rogers noemt hem dan zelfs ergens een ‘socialite’, enigszins tongue in cheek.

Zoon Gwydion (overleden in 2016) bewaarde slechte herinneringen aan zijn jeugd. Vanaf betrekkelijk jonge leeftijd werd hij intern geplaatst op Engelse boarding schools. Hij woonde steeds in plaatsen met weinig vriendjes, vond zijn ouders abnormaal en ronduit asociaal, en hij blijkt bepaald weinig vergevingsgezind. De geest van Gwydion hangt soms wel vrij zwaar over dit boek, tot in de hoofdtitel toe – RST’s hang naar het westen is een running gag van Gwydion.

R.S. Thomas – The Ogre of Wales. Fotograaf: Howard Barlow

De hoofdtitel – The Man Who Went Into the West – verwijst naar het feit dat RST steeds westelijker in Wales ging wonen en werken. De eerste kerkelijke gemeente – Chirk – lag helemaal op de grens met Engeland in het oosten van Wales, en de laatste – Aberdaron – in het uiterste westen, op het puntje van het schiereiland Lleyn, met de Ierse zee op loopafstand.

De biograaf suggereert dat met die trek naar het westen een soort mythische droom werd nagejaagd, en hij verbindt daaraan ook het Welsh nationalisme van RST. Dat nationalisme bestond inderdaad, en het kreeg soms zelfs lachwekkende proporties, maar toch schuilt hierin misschien nog wel iets anders dan puur nationalisme. RST vond dat de wereld veranderde in een verwend welvaartsparadijs waarin de geestelijke zaken die hij essentieel achtte schandelijk werden verwaarloosd. Uit die houding zijn bijna al zijn nogal in het oog lopende eigenaardigheden te verklaren: zijn keuze voor de theologie, de ontwijkende rollen die hij speelde als hij op voorhand vermoedde (soms ten onrechte) toch niet begrepen te worden, zijn afkeer van moderne voorzieningen (zelfs een stofzuiger moest er weer uit omdat die te veel lawaai maakte), zijn volhardende streven om elke ochtend te studeren en te schrijven en zich aan preek of poëzie te wijden, zijn zelfdiscipline, zijn trouw aan een al even solitaire echtgenote, zijn verhuizing naar steeds stillere plaatsen waar hij zijn grote liefde – vogels kijken – kon uitleven.

De biografie is springerig, impressionistisch en praterig, met veel grapjes die soms door andere recensenten geprezen worden, maar die ik vond afleiden van het onderwerp. De auteur schrijft op een populair-journalistieke manier met toespelingen die voor een buitenlander niet altijd gemakkelijk te begrijpen zijn – ongeveer zoals de kopjes van de berichten en artikelen in Engelse tabloids voor iemand die Engels als tweede taal heeft op het eerste gezicht vaak onbegrijpelijk zijn. Het is lastig om de lijn van dit leven goed vast te houden tijdens het lezen.

Schilderij van Mildred ‘Elsi’ Eldridge

De mooiste passages in deze biografie – en ook de meest leesbare – zijn de uitgebreide citaten. Af en toe geeft Byron Rogers een collage van citaten uit de dagboeken van Elsi, of van de dingen die zijn informanten hem schreven, en stuk voor stuk zijn die passages informatiever en helderder dan wat de biograaf zelf te vertellen heeft. Zelfs de poëzie van RST vind ik vaak makkelijker te lezen dan het proza van Byron Rogers.

De biograaf is Welsh en dat heeft voordelen en nadelen. Voordeel is dat hij de Welshe wereld goed kent, de taal spreekt en toegang heeft tot soms vrij bijzondere mensen uit de directe nabijheid van RST. Voordeel is ook dat hij de eigenaardigheden in de omgang tussen Welshmen en sommige eigenaardigheden van zijn onderwerp goed kan duiden.

Er zijn ook nadelen. Hij gaat er soms van uit dat dingen vanzelfsprekend zijn die het in ieder geval voor mij niet zijn: er wordt vrijwel niets uitgelegd over kerkelijke bijzonderheden, liggingen of verschillen, er wordt heel weinig verteld over andere kerkelijke activiteiten dan preken: waren er regionale activiteiten, waren er ook kerkpolitieke onderwerpen, en – zo ja – wat was dan zijn positie daarin, hoe ging die verhuizing van de ene parochie naar de andere in zijn werk, welke morele, pastorale, kerkrechtelijke kwesties speelden er, was er ook een jongerenbeleid, wat deed hij eigenlijk tijdens die avondlijke huisbezoeken bij gemeenteleden.

Dit nadeel wijst – vrees ik – op een structureel gebrek van deze biografie. In het algemeen mis ik intellectuele diepgang. Pogingen om het werk uit het leven te laten voortkomen blijven oppervlakkig. De biograaf houdt duidelijk wel van de poëzie van RST, en hij laat dat ook wel merken, hij is er heel goed in om alle psychologische eigenaardigheden van RST stralend uit de verf te laten komen, diens tegenstellingen, de inconsistenties tussen woord en daad, diens zo nu en dan bijna solipsistische aard. Maar een poging om systematisch zijn leven en werk te begrijpen uit het principiële beginsel waaruit dat leven volgens mij goed te begrijpen is, doet Byron Rogers niet: er zijn weinig levens die zo volhardend gewijd zijn aan de evocatie van wat verloren gaat als het religieuze aspect uit het leven verdwijnt, en dat is precies wat er gebeurde in de jaren waarin hij leefde.

Ik mis ook wat RST’s relatie was met het toch vrij verhitte links-radicale intellectuele debat in de jaren zeventig en tachtig. Dat hij zo zwijgzaam was, kan niet alleen de reden zijn. Hij sprak zich, al of niet sarcastisch en afwerend, over van alles en nog wat uit. Zijn pacifisme past natuurlijk wel bij de geest des tijds, en hij ondernam ook wat activiteiten om de kernbom tegen te gaan, maar wat stemde hij bijvoorbeeld, wat zei hij daarover – dat soort dingen. Hij was sterk voor behoud van het landschap en hij was tegen massatoerisme gekant: maar dat is weer iets dat pas veel later een geliefd onderwerp voor sommige intellectuelen werd. In sommige opzichten was hij toch eerder behoudend: als predikant, als ijveraar voor kerkgang, als afwerende rots in een branding van aanzwellend consumentisme, hedonisme, materialisme.

Ik zou ook wel eens willen weten welke boeken hij las, theologisch, filosofisch, natuurhistorisch en literair – en in welke verhouding. Er is sprake van een bibliotheek van drieduizend banden, maar hoe zag die bibliotheek eruit? Waar kocht hij die boeken, en wanneer?

Er worden een paar woorden gewijd aan de preken die hij hield: hij vond het niet zijn taak om zijn eigen opvattingen te etaleren, maar hij wilde de boodschap van de kerk vertellen. Hij heeft die preken niet bewaard, maar er moet toch wel iets over te zeggen zijn, en dan geen met humor vertelde lokale babbels, maar iets inhoudelijks.

Een literatuurhistorische plaatsbepaling ontbreekt ook grotendeels, behalve impressionistische kwalificaties als ‘modernist in form’.

Aan het eind van zijn leven was RST – zo zegt de biograaf – eindelijk niet meer orthodox. Ik vraag mij af of je veel opschiet met het onderscheid tussen orthodox en niet-orthodox, zeker in het geval van RST. Over de details van zijn theologische positie vernemen we verder niets, zelfs de titel van één van zijn kerngedichten – Via Negativa – wordt niet toegelicht.

In het algemeen vind ik deze biografie overladen met oudewijvengeklets – reden misschien waarom de psychiater Theodore Dalrymple het boek wel met plezier heeft gelezen. Dalrymple schreef overigens een aardige beschouwing naar aanleiding van het boek in City Journal (2006): A Man Out of Time – en de titel van zijn beschouwing is ook nog eens veel beter dan de titel van het boek. Dalrymple heeft de kern van RST vrij goed getroffen. Ter lezing aanbevolen.

In de Irish Times verscheen in 2006 een uitstekende recensie van Dennis O’Driscoll: A Poet of a Few Words. Hieruit citeer ik tot slot met instemming de volgende passage:

Byron Rogers’s lively biography will be enjoyed most by those who like their poets eccentric to the point of caricature and who don’t object to the inner life – albeit essential to the poems – being played down. His book is a trove of biographical trivia. For instance, we are twice (which is more than once too often by my count) treated to Gwydion Thomas’s earth-shattering insight that his father, out walking, was a “great pee-er in fields”; but Thomas père’s greatness in the literary field is obfuscated in certain respects. Rogers’s emphasis is on the man who, in the course of a number of parish transfers, moved increasingly further west in search of the “old, unchanged Wales”. The crucial literary narrative – the story of Thomas’s courage, dedication and extraordinary independence as a poet – tends to be lost somewhere among the hill farms and bird sanctuaries.

Voor Byron Rogers spreekt het vanzelf dat de soms eigenaardige reacties van RST op tegenspraak of onbegrip voortkwamen uit het systematische en in zekere zin overmijdelijke ontbreken van weerwoord op wat hij van de kansel verkondigde en in zijn poëzie te berde bracht. Dat zou natuurlijk kunnen, maar schuilt in deze verklaring niet vooral het ressentiment van wijlen Gwydion? En gaat die verklaring niet voorbij aan RST’s ernst en eerlijkheid, en ook aan de vooroordelen waarmee hij soms te kampen had?

Op een dag zou RST gefilmd worden door de BBC als de stijve dichter-dominee die ze dachten dat hij was. Hij kwam in vol ornaat het kerkje uitgelopen en de camera’s snorden. Toen begon hij met zijn armen te zwaaien en te springen: “I am a bird, I am a bird …

Het leven is interessanter, rijker en samenhangender dan de biografie laat zien, maar het zijn in mijn ogen de gedichten die zullen voortleven.

Uitgelicht bericht

Net als Jericho – R.S. Thomas

Ronald Stuart Thomas (foto overgenomen van quartetbooks.wordpress.com)

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilderes Mildred Eldridge (1909-1991).

R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).

Een aardig artikel over Thomas’ leven en werk is van de hand van Theodore DalrympleA Man Out of Time.

Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.

In een ontroerend filmpje uit 1996 dat Bloodaxe Books beschikbaar heeft gemaakt op Youtube – hier raadpleegbaar (vanaf 4’18”) – zegt Thomas:

“Mocht er sowieso later nog aan mij gedacht worden, dan zal dat wel zijn om de intensiteit van een paar gedichten die ik heb geschreven. Maar, los van de gedichten, als mens hoop ik dat m’n voorbeeld van iemand die hield van buiten-zijn, die hield van de aardse dingen, en die het talent had gekregen om ze niet alleen te horen maar ook te zien, voor anderen een zeker nut heeft gehad.”

Het gedicht After Jericho is een poëticaal gedicht, het gaat over het dichten zelf. Het beschrijft wat dichten is, en contrasteert die activiteit met de alledaagse, bureaucratische, door macht en structuur en onrechtvaardigheid geteisterde wereld.

Toen de Joden in de oudtestamentische oudheid op weg gingen naar het Beloofde Land, troffen ze een wereld aan die reeds bewoond werd. Een van de eerste hindernissen die ze wisten te nemen was de stad Jericho. Ze moesten daarbij op God vertrouwen. De Joden trokken zes dagen lang om de ommuurde stad, blazend op hun ramsbazuinen. Op de zevende dag trokken ze zeven maal om de ommuurde stad, waarop ze vervolgens, luidkeels juichend en vurig op hun ramshorens blazend, de muren van de stad lieten instorten. Daarna was het relatief eenvoudig om de stad daadwerkelijk in te nemen.

De taal waartegen de dichter zijn bazuin verheft is de platgeslagen taal van het succes en de macht en de meedogenloosheid. De grote vreugde van de dichter is dat hij die officiële en glamoureuze wereld, een wereld ook die zich gesteund weet door een staand, goed betaald en weldoorvoed leger, weet te verslaan met een vrijwilligerslegertje, zoals de grote en machtige stad Jericho in het Oude Testament werd ingenomen door een volkje dat vlak daarvoor nog uit de woestijn tevoorschijn was gekomen.

Het gedicht is opgenomen in de bundel Frequencies (1978).

Geluidsopname vertaling – Arie Sonneveld

——————————————————————————————————————————-

Vertaling:

Net als Jericho

Er schuilt een agressie in feiten
die slechts met succes wordt weerstaan
door het vers, dat taal bestrijdt
met eigen wapens. Dichter, lach

tussen de puinhopen van een idioom
waartegen je jouw bazuin verhief.
‘t Waren rekruten; al jouw woorden,
niet één uitgezonderd, zijn vrijwilligers.

Origineel:

After Jericho

There is an aggression of fact
to be resisted successfully
only in verse, that fights language
with its own tools. Smile, poet

among the ruins of a vocabulary
you blew your trumpet against.
It was a conscript army; your words,
every one of them, are volunteers.

Uitgelicht bericht

De witte tijger – R.S. Thomas

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilderes Mildred Eldridge (1909-1991).

R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).

Een aardig artikel over Thomas’ leven en werk is van de hand van Theodore DalrympleA Man Out of Time.

Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.

In een ontroerend filmpje uit 1996 dat Bloodaxe Books beschikbaar heeft gemaakt op Youtube – hier raadpleegbaar (vanaf 4’18”) – zegt Thomas:

“Mocht er sowieso later nog aan mij gedacht worden, dan zal dat wel zijn om de intensiteit van een paar gedichten die ik heb geschreven. Maar, los van de gedichten, als mens hoop ik dat m’n voorbeeld van iemand die hield van buiten-zijn, die hield van de aardse dingen, en die het talent had gekregen om ze niet alleen te horen maar ook te zien, voor anderen een zeker nut heeft gehad.”

R.S. Thomas – The Ogre of Wales. Fotograaf: Howard Barlow

Het gedicht The White Tiger is gebaseerd op een aandachtige waarneming. De waarnemer beschrijft een witte tijger die zich in een kooi bevindt. Maar het gedicht wordt voortgestuwd door een metafoor, door beeldspraak: Thomas vergelijkt de ondoorgrondelijkheid van de gevangen tijger met de in onze godsbeelden gevangen God.

De tijger is ondoorgrondelijk in zijn gevangen bestaan; hij ademt en beweegt en kijkt naar jou, maar kijkt jou niet aan. Dit lijkt een gevolg van de ernstige beperkingen en hindernissen van zijn veel te nauwe bewegingsruimte. En zo ademt en beweegt ook God, gevangen als hij is binnen de te nauwe ruimte van ons beperkte en ingesnoerde godsbegrip.

Het gedicht doet enigszins denken aan het gedicht Der Panther van de grote Duitse dichter Rainer Maria Rilke. Maar hoewel ook in dat gedicht sprake is van zowel een aandachtige waarneming als de perceptie van iets ondoorgrondelijks, ontbreekt bij Rilke de vergelijking met ons godsbeeld die zo kenmerkend is voor de poëzie van R.S. Thomas.

Het zou me niet verbazen als Thomas zijn gedicht schreef als een reactie op het gedicht van Rilke. Maar weten doe ik dat niet.

Een witte tijger is een kleurvariant die voorkomt bij de Bengaalse en de Siberische tijger.

Het gedicht is opgenomen in de bundel Frequencies (1978).

Geluidsopname vertaling – Arie Sonneveld

——————————————————————————————————————————-

Vertaling:

De witte tijger

Hij was prachtig zoals God
prachtig moet zijn; ijzige
ogen die geweld hadden
gezien en het hadden

aanvaard; een lichaam te groot
en majesteitelijk voor de kooi waarin
hij was neergezet; deinend
voortgaand in de schaduw

van zijn eigen gestalte, zich
omdraaiend, verhief hij
de verfrommelde bloem
van zijn gelaat naar

het mijne zonder me aan te zien. Hij
had de kleur van maanlicht
op sneeuw en zweeg ook
als maanlicht, maar hij ademde

zoals je je kunt indenken dat
God ademt binnen de begrenzing
van onze godsdefinitie, getergd
door onbereikbare onmetelijkheden
.

Origineel:

The White Tiger

It was beautiful as God
must be beautiful; glacial
eyes that had looked on
violence and come to terms

with it; a body too huge
and majestic for the cage in which
it had been put; up
and down in the shadow

of its own bulk it went,
lifting, as it turned,
the crumpled flower of its face
to look into my own

face without seeing me. It
was the colour of the moonlight
on snow and as quiet
as moonlight, but breathing

as you can imagine that
God breathes within the confines
of our definition of him, agonising
over immensities that will not return.

Uitgelicht bericht

2. JHvdB – Jan Hendrik van den Berg – jeugd, carrière en schrijverschap

Dit is het tweede deel in een reeks beschouwingen over de metableticus Jan Hendrik van den Berg. Het behandelt beknopt zijn levensloop: jeugd, academische carrière en schrijverschap.

  1. JHvdB – Jan Hendrik van den Berg: wegbereider van een radicaal conservatisme (link)
  2. JHvdB – Jan Hendrik van den Berg – jeugd, carrière en schrijverschap
  3. JHvdB – Leermeester Rümke en de Utrechtse School (link)
  4. JHvdB – Internationale contacten: Heidegger, Lacan, Bachelard (link)
  5. JHvdB – Opkomst en ondergang van een echte schrijver (link)
  6. JHvdB – Geestdrift en wetenschap: de betekenis van de roes (link)
  7. JHvdB – Metabletica – een vorm van historische fenomenologie (link)
  8. JHvdB – Rebellie: euthanasie, apartheid, racisme, christendom (link)
  9. JHvdB – Paradoxaal conservatisme (link)
  10. JHvdB – Slotbeschouwing (link)
  11. JHvdB – Bronnen (link)
Jan Hendrik van den Berg. Foto: Wim van Vossen sr.

In 2002 publiceerde de Rotterdamse hoogleraar en rector van de Erasmus School of Philosophy Hub Zwart een boek dat geheel aan leven en werk van Van den Berg is gewijd: Boude bewoordingen. De historische fenomenologie (‘metabletica’) van Jan Hendrik van den Berg. Het is geen biografie in de geijkte zin, maar het verschaft ruimschoots biografische informatie. Ook heeft Zwart kennelijk het vertrouwen van Van den Berg weten te winnen.

Boude bewoordingen is een intellectuele biografie: de wereld van gedachte en gemoed worden in hun samenhang en ontwikkeling vanuit verschillende invalshoeken belicht en besproken. Zwart was geïntrigeerd geraakt door de kloof tussen de aanhoudende buitenlandse belangstelling voor de metabletica en de relatieve inheemse vergetelheid waarin de latere Van den Berg was verzonken. Hij noemt hem ergens ‘de grootste Nederlandse filosoof’ (van zijn tijd).

Er zijn meer bronnen voor Van den Bergs levensloop: interviews natuurlijk, gepubliceerde briefwisselingen en ook besprekingen van zijn levenswerk. Maar ook verder heeft hij zich niet onbetuigd gelaten: in zijn latere werk geeft hij vaak biografische informatie, bijvoorbeeld in het Woord vooraf in zijn Koude rillingen over de rug van Charles Darwin (1981), De kop van de Bromvlieg (2001), Geen toeval (1996), Op het scherp van de snede, waarvan de ondertitel veelzeggend luidt: Memoires van een gewraakt schrijver (2013). Ook is hij als fenomenoloog –  een wetenschapsman dus voor wie het subjectieve nadrukkelijk medebepalend is voor de resultaten van het onderzoek – nooit geheel afwezig in zijn werk.

Hub Zwart leest Metabletica van Jan Hendrik van den Berg. Foto RD, Henk Visscher

Jan Hendrik van den Berg heeft bijna een volle eeuw geleefd: hij werd in 1914 in Deventer geboren en overleed in 2012 in Gorinchem. Hij groeide ook op in Deventer, als jongste van twee broers. Het landschap van zijn jeugdige ontdekkingstochten was een waterwingebied dat hij als een ‘dorado’ beleefde. Hij raakte verrukt van de natuur, ontwikkelde een grote liefde voor insecten, en raakte gefascineerd door het wonderbaarlijke van de natuurlijke historiën. Ook zijn moeder was een natuurliefhebster die tevens graag literaire boeken las, zoals de Max Havelaar en Woutertje Pieterse. Zijn vader was natuurwetenschappelijk geïnteresseerd en nam hem mee naar kloosters. Hij leek uiterlijk het meest op zijn moeder.

Het milieu waarin hij opgroeide kan getypeerd worden als idealistisch en sociaaldemocratisch met veel aandacht voor verheven cultuur. Er was begrip en aandacht voor een enigszins christelijke spiritualiteit, zonder dat de ouders naar de kerk gingen. Ze waren beiden wel van Nederlands-Hervormde afkomst. Er was geen bezwaar tegen de kerkgang waarvoor de jonge Van den Berg soms koos. Hij werd bekoord door de stilte, het ritueel en de mystiek, en ook door de kerkelijke aandacht voor het woord.

Om zijn studie geneeskunde (1936-1946) te bekostigen wordt hij wiskundeleraar. Over zijn studie schrijft Hub Zwart (Boude bewoordingen, p. 18): “Bij zijn eerste kennismaking met de geneeskunde wordt hij vooral getroffen door het romantisch-mysterieuze aspect ervan: het mysterie van het leven, de eerbied voor het lijk in de snijzaal, de highlights uit de geschiedenis van het vak.” Maar het klinische werk ligt hem minder – hij vindt het fysieke contact onprettig, vooral met vrouwelijke patiënten – en hij kiest voor psychiatrie. Zijn leermeester wordt de fenomenologische psychiater Henricus Cornelis Rümke – in zijn tijd een internationaal vermaard man –  bij wie hij ook in 1946 promoveert op het proefschrift: De betekenis van de phaenomenologische of existentiële anthropologie in de psychiatrie. Van den Berg begon een psychotherapeutische praktijk in Utrecht, trouwde en kreeg vier kinderen.

Rümke was een psychiater die aandacht had voor spiritualiteit en geloof, iemand die de stelling van Freud – ‘geloof is een ontwikkelingsstoornis’ – omdraaide: hij beschouwde juist ‘ongeloof’ als een stoornis (Karakter en aanleg in verband met het ongeloof. Psychologie van het ongeloof, 1939). Deze aandacht is voor Van den Berg niet zonder betekenis geweest. In zijn Metabletica wijst hij erop dat ten tijde van Freud de seksualiteit onderdrukt was en de spiritualiteit bloeide, maar dat in zijn tijd (dat is de tijd waarin Van den Berg schreef: tweede helft van de twintigste eeuw) juist de spiritualiteit het kind van de rekening was: zijn patiënten hadden veelal een bloeiend seksleven, maar een gevoel van geestelijke leegheid, ongerichtheid en onvervuldheid vormde voor hen een permanente kwelling.

In de jaren na de oorlog legt hij ook veel internationale contacten: Henri Ey, Jean Wahl, Jacques Lacan, Gaston Bachelard, Martin Heidegger.

In 1949 wordt hij geroyeerd als lid van het Psychoanalytische Genootschap omdat hij het bestaan van het onbewuste ontkend zou hebben, in 1951 wordt hij hoogleraar Pastorale Psychologie aan de Theologische Faculteit te Utrecht, in 1954 wordt hij hoogleraar Fenomenologische Methoden en Conflictpsychologie te Leiden.

In 1956 publiceert hij het boek Metabletica waarvan 26 drukken verschenen en 80.000 exemplaren werden verkocht. Er verschenen vele vertalingen van het boek. Het succes drukte een groot stempel op zijn verdere levensloop.

Zijn eerste metabletische ervaringen had hij overigens al veel eerder. Hij had in zijn jonge jaren een boek van Adolf Meyer uit 1936 gelezen die samenhang zag tussen de ontdekking van de bloedsomloop en het ontstaan van de barok. En een tweede ervaring: toen hij na de oorlog een poos in Frankrijk was, begreep hij de Franse psychiatrie niet. Op advies van een collega ging hij Franse belletrie lezen. Pas toen begreep hij dat de Franse cultuur gericht was op waarnemen, en dat de centrale psychiatrische categorie de hallucinatie was. De Duitse cultuur daarentegen is een denkcultuur en de corresponderende psychiatrische categorie is daar niet de hallucinatie, maar de waan.

Eersteling Metabletica bleek bepaald geen eenling te zijn; het was het begin van een reusachtig intellectueel project. Er volgde in de jaren vijftig en zestig een grote reeks metabletische publicaties, die allemaal graag gelezen en veel verkocht werden, maar die hem geen waardering in de Nederlandse wetenschappelijke wereld opleverden. Internationale waardering ondervond hij soms wel: in Amerika, Engeland, Canada, Japan, Zuid-Afrika.

In 1969 verscheen Medische macht en medische ethiek, een regelrechte bestseller, een boek dat ook serieuze invloed had op de ontwikkeling van het medisch-ethisch denken in een tijd waarin het medisch kunnen enorm toenam. Maar het was ook een provocerend boek, omdat het actieve levensbeëindiging als serieuze mogelijkheid noemde in die gevallen waarin de medische macht in de positie was geraakt om een – volgens Van den Berg – mensonwaardig leven in stand te houden.

Begin jaren zeventig treedt een keerpunt op: zijn geschriften worden maatschappijkritisch en hij raakt regelrecht in conflict met zijn tijd over de bezoeken die hij aan Zuid-Afrika brengt, een land  dat, zoals bekend, in die tijd een apartheidsregime kent. Hij weigert apartheid te veroordelen, en doet uitlatingen die getuigen van racisme en van een opvatting die later ‘witte (of blanke) suprematie’ zou worden genoemd.

Hooligans

Zijn metabletische werk wordt na dit keerpunt steeds actualiteitskritischer, zoals uit De reflex, Metabletica van de materie en Gedane Zaken blijkt. De belangrijkste voorbeelden hiervan zijn Hooligans – een metabletisch onderzoek naar oorsprong en verspreiding van het verschijnsel anarchisme – en een nakomende maar bijbehorende publicatie: Pest, Syphilis, Aids. In deze boeken uit hij zich soms onomwonden reactionair en in laatstgenoemde publicatie zelfs racistisch.

In de jaren vijftig vervreemdde hij zich dus van zijn vakgenoten; in de zeventiger en tachtiger jaren vervreemdde hij zich van het grote publiek door zich tegen het toen heersende radicaal-linkse intellectuele – soms zelfs regelrecht marxistische – klimaat te verzetten, en zich als conservatief te profileren.

Na deze periode keert hij terug – hij is dan inmiddels met emeritaat – naar zijn liefde voor de natuur met het boek Koude rillingen over de rug van Charles Darwin. Er volgt ook nog een klassiek-metabletische studie met Metabletica van God. En hij schrijft een aantal kleinere beschouwelijke boeken. De toon is dan een stuk serener, en de stijl minder gespannen, bezwerend en overredend.

Koude rillingen over de rug van Charles Darwin

Hub Zwart wijst erop (Boude bewoordingen, p.24-25) dat onbehagen in wezen aan al zijn metabletische publicaties ten grondslag ligt:

Voor al zijn metabletisch onderzoek geldt dat onbehagen in de actualiteit het vertrekpunt vormt en tot historisch onderzoek inspireert. Zoals onvrede met de actuele geneeskunde aanzette tot een onderzoek naar de geschiedenis van het vakgebied, dat zich uitstrekte van Mundinus (±1300) tot en met Röntgen (± 1900), zo zet onvrede met de actuele onderwijspolitiek aan tot een onderzoek naar de geschiedenis van het anarchisme, dat zich uitstrekt van de Franse Revolutie tot en met de Baader-Meinhof Gruppe.

Hub Zwart onderscheidt ten slotte vier fasen in het schrijverschap van Van den Berg:

  1. 1946-1956 – psychologische en psychiatrische teksten die een fenomenologische sfeer ademen;
  2. 1956-1971 – idem, maar daarnaast publiceert hij een aanzienlijk aantal metabletische teksten;
  3. 1971-1991 – metabletische studies met een geprononceerd maatschappijkritische inzet;
  4. 1991-2012 – metabletische teksten waaruit de maatschappijkritiek goeddeels is verdwenen en miniaturen.

In alle perioden is Van den Berg een schrijver die je puur voor je genoegen kunt lezen, die altijd glashelder is, die ongelooflijk veel weet, die origineel is en soms verrassende inzichten heeft.

Hub Zwart vertelt dat Van den Berg ooit voor de P.C. Hooftprijs in aanmerking leek te komen, maar dat zijn unzeitgemäße en een enkele keer ook regelrecht afstotende maatschappijkritische opvattingen een te grote belemmering hebben gevormd om hem voor te dragen.

In 2012 overleed hij op hoge leeftijd. Hij vond dat hij een prachtig leven had gehad.

Uitgelicht bericht

1. JHvdB – Jan Hendrik van den Berg: wegbereider van een radicaal conservatisme

Dit is de eerste aflevering van een reeks beschouwingen die ik de komende weken op mijn website zal publiceren. De bronnen die ik vooraf heb verzameld en gelezen, publiceer ik gelijktijdig als elfde slotbijdrage. Navigatie tussen de bijdragen kan plaatsvinden met behulp van het navolgende overzicht. Dat kan uiteraard pas nadat de betreffende afleveringen zijn geplaatst en de hyperlinks onder “(link)” zijn aangebracht.

  1. JHvdB – Jan Hendrik van den Berg: wegbereider van een radicaal conservatisme
  2. JHvdB – Beknopte biografie van Jan Hendrik van den Berg (link)
  3. JHvdB – Leermeester Rümke en de Utrechtse School (link)
  4. JHvdB – Internationale contacten: Heidegger, Lacan, Bachelard (link)
  5. JHvdB – Opkomst en ondergang van een echte schrijver (link)
  6. JHvdB – Geestdrift en wetenschap: de betekenis van de roes (link)
  7. JHvdB – Metabletica – een vorm van historische fenomenologie (link)
  8. JHvdB – Rebellie: euthanasie, apartheid, racisme, christendom (link)
  9. JHvdB – Paradoxaal conservatisme (link)
  10. JHvdB – Slotbeschouwing (link)
  11. JHvdB – Bronnen (link)
Jan Hendrik van den Berg. Foto: Wim van Vossen sr.

In 2019, op een zaterdag in juni, organiseerde Henk Jan Prosman – een PKN-predikant met radicaal-conservatieve opvattingen – een boekpresentatie en een debat in een voormalige synagoge in Gouda. Onderwerp van de bijeenkomst was: Het christendom en het einde van Europa. Voor het debat waren ook Bart Jan Spruyt, medeoprichter van de conservatieve Edmund Burke-stichting, en Thierry Baudet, oprichter en partijleider van Forum voor Democratie, uitgenodigd. Prosman presenteerde er zijn vertaling van een boek van Douglas Murray: Het opmerkelijke einde van Europa. Immigratie, identiteit en islam.

V.l.n.r.: Thierry Baudet, Bart Jan Spruyt en Henk Jan Prosman – Gouda. Copyright foto: Reformatorisch Dagblad

Deze kleine maar drukbezochte bijeenkomst was typerend voor het radicale conservatisme dat ruwweg sinds de Fortuyn-revolte het publieke debat in Nederland domineert: een besef dat de eigen beschaving teloorgaat, het idee dat de islam onverenigbaar is met Westerse waarden, de overtuiging dat er zoiets onwenselijks als ‘massa-immigratie’ plaatsvindt, een ambivalente houding jegens het christendom (mooie woorden zonder commitment), een utopische, bijna eschatologische voorstelling van het heil dat het conservatisme zal brengen, bittere afkeer van alles wat links-liberaal is  (‘cultuurmarxisme’), verwerping van nauwere samenwerking binnen Europa, scepsis over multilaterale verbanden in de buitenlandse politiek, geestdrift voor een patriottisch nationalisme, bagatellisering van het vrijheidsbenemende streven van autoritaire regimes, een gerichtheid op de eigen blanke identiteit.

De Franse Revolutie vertegenwoordigt in deze sfeer de zondeval: Vrijheid is losbandigheid, Gelijkheid de grote boosdoener, Broederschap het kind van de rekening. De studentenopstand van 1968 toont de doorwerking van het kwaad dat in 1789 voet aan de grond kreeg.

Baudet had Spruyt in een ver verleden ooit ‘Johannes’ genoemd, een verwijzing naar Johannes de Doper, wegbereider van Jezus van Nazareth, de Messias. Tijdens dat symposium haalde Spruyt die Johannes-verwijzing aan, en hij stelde Baudet bijna dezelfde vraag die Johannes de Doper ooit aan Jezus had gesteld: “Ben jij Thierry, degene die komen zou, of verwachten wij een ander?” Spruyt vroeg zich af of Baudet de man was bij wie het conservatieve gedachtegoed van Bolkestein en Fortuyn in goede handen was en of hij er politiek resultaat mee zou boeken.

Baudets typering van Spruyt als heraut van het radicale conservatisme was niet helemaal uit de lucht gegrepen. Spruyt ijvert al vrij lang voor een herwaardering van het conservatieve gedachtegoed. Dit gedachtegoed krijgt in zijn handen vaak een revolutionaire strekking. De medeoprichter van de Burke-stichting was tevens betrokken bij de oprichting van de PVV, heeft een tijdlang als Wilders’ medewerker gefungeerd, maar raakte teleurgesteld in diens koers. Vervolgens vestigde hij zijn hoop op Baudet, in wie hij inmiddels ook wel teleurgesteld zal zijn. Who’s next?

Toch denk ik dat de echte heraut van deze radicaal-conservatieve ontwikkelingen niet Bart Jan Spruyt is. De ware wegbereider in Nederland lijkt me de metableticus, filosoof en zenuwarts Jan Hendrik van den Berg (1914-2012), auteur van een groot, leesbaar en in sommige opzichten interessant oeuvre, maar ook een auteur die wetenschappelijke dwaalwegen bewandelde, en in een later stadium van zijn ontwikkeling soms een bitter, racistisch, agressief en christelijk getoonzet conservatisme uitdroeg.

Van den Berg bleek in zijn nadagen ook een zekere waardering voor het optreden en de verschijning van Pim Fortuyn te hebben, een politicus immers die zich kleedde als een heer, die voornaam woonde, die de gave van het woord bezat, die graag poseerde als hoeder van vergeten waarden, de man ook die ons kwam verlossen van een doorgeslagen egaliteitsdenken.

Metabletica

Tegelijkertijd schuilt er iets merkwaardigs in het feit dat Van den Berg niet zag dat Pim Fortuyn eigenlijk een intellectuele ‘hooligan’ was – een woord dat Van den Berg graag gebruikte om daarmee moderne revolutionaire dwaallichten te typeren. Fortuyn was namelijk een man met een hedonistische en adolescente levensstijl, iemand die moeiteloos zwenkte van een marxistische naar een radicaal-conservatieve koers, iemand die niet schroomde om de betrekkelijk gematigde kabinetten-Kok de ‘puinhopen van Paars’ aan te wrijven, iemand die lachend over zijn darkroom-avonturen met Marokkaanse jongetjes vertelde. Dit raadsel zal later uitgebreider aan de orde zal komen, maar een tipje van de sluier kan al wel worden opgelicht: Van den Berg zwom ook zelf graag in tegen het tij, was eveneens een provocateur, was in zekere zin ook een hemelbestormer, iemand die zijn best deed om met zijn boeken heel te maken wat kapot dreigde te gaan.

Van den Berg was in de jaren vijftig en de vroege jaren zestig van de twintigste eeuw een schrijver van naam, een originele hoogleraar die boeken schreef die in veel talen vertaald werden. Zijn bekendste werk is Metabletica. Leer der veranderingen (1956), een vorm van historische fenomenologie. Daarop volgden een groot aantal ‘metabletische’ publicaties. Vakgenoten bekeken zijn groeiende reputatie van meet af aan met reserve of regelrechte vijandigheid.

Medische macht en medische ethiek

Van den Berg was weliswaar een heer van stand, een man van de wetenschap, maar hij ontpopte zich gaandeweg ook als een intellectuele rebel, een agressieve cultuurcriticus. Deze wending kwam op den duur zijn reputatie niet ten goede.

Van den Berg was de eerste die al heel vroeg openlijk voor euthanasie pleitte door middel van een kleine publicatie: Medische macht en medische ethiek (1969). Hij geloofde in de superioriteit van de cultuur die zich in Europa had ontwikkeld, en meende dat de raciale constitutie van andere volkeren hen minder geschikt maakte om dezelfde hoogten zelfstandig te bereiken. Hij meende ook dat de verwerping van de christelijke erfenis de mensen blind maakte voor de synchroniciteitsgedachte die hij vurig bepleitte, de gedachte dat er iets planmatigs schuilt in het samen optreden van ongelijksoortige gebeurtenissen, waardoor zich scharniermomenten in de menselijke geschiedenis openbaren. Hij betreurde de democratische ontwikkelingen aan de universiteiten en geloofde in een op gezag en talent gebaseerde hiërarchische ordening van instituties. En hij raakte bitter gestemd door de tegenwerking die hij ondervond, of meende te ondervinden.

Als onbekende Wikipedia-schrijver heb je soms meer invloed dan je zelf beseft. In 2008 (her)schreef ik onder het van Kurt Tucholsky geleende pseudoniem Theobald Tiger delen van het Wikipedia-artikel Jan Hendrik van den Berg. Ik typeerde daarin Van den Bergs metabletische geschriften als volgt:

“De kern van zijn leer is dat gelijktijdig optredende ongelijksoortige verschijnselen, in samenhang beschouwd, licht kunnen werpen op het menselijk bestaan en de geschiedenis.”

Deze zin is letterlijk overgenomen op een gedenkplaat die op 12 juni 2014 werd aangebracht bij het drinkwaterpompstation in het Nieuwe Plantsoen aan de Ceintuurbaan te Deventer ter gelegenheid van het feit dat Van den Berg op 11 juni 1914 geboren was.

(Hier voeg ik het grootste deel van de bettreffende zin aan het Wikipedia-artikel toe. En hier voeg ik er ten slotte nog de bepaling ‘in samenhang beschouwd’ aan toe.)

Op deze website hoop ik de komende weken zo nu en dan een bijdrage te plaatsen over deze zo interessante, maar bijna geheel vergeten schrijver, over zijn ontwikkelingsgang, denkbeelden en ontsporingen, in de hoop wat meer licht te werpen op het radicaal-conservatieve verschijnsel dat overal om ons heen in wisselende gedaanten en intensiteiten zichtbaar is.

Daarbij zal ik proberen ook enige aandacht te schenken aan de paradoxen van het huidige conservatisme, overigens zonder de pretentie te voeren daarmee iets nieuws te zeggen. Mijn bronnen verantwoord ik in de slotbijdrage. Die bronnen heb ik uiteraard vooraf verzameld en gelezen. Ik publiceer ze daarom gelijktijdig met deze introductie op mijn website.

Uitgelicht bericht

De ontmythologisering van Spinoza

De avond voordat Ayaan Hirsi Ali naar Amerika vertrok, begaf zij zich met een paar vriendinnen naar het Spinozahuis in Rijnsburg, een museumpje met gereconstrueerde bibliotheek. Dat was de plaats waar de uit de Amsterdamse joodse gemeenschap verbannen Benedictus de Spinoza op 23-jarige leeftijd onderdak kreeg om er ongehinderd te kunnen filosoferen. En hij sleep er microscooplenzen om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien.

Hirsi Ali, die in Somalië als moslima was opgegroeid, had zich in Nederland ontwikkeld tot een militante atheïste. In het Spinozahuisje dronk ze op die bewuste avond in 2006 met haar vriendinnen een fles champagne leeg ter nagedachtenis aan de filosoof die de gruwel van het geloof in een transcendente God de genadeslag had toegebracht.

In datzelfde jaar werd Benedictus de Spinoza opgenomen in de Canon van Nederland, een initiatief van de overheid om de kern van de Nederlandse geschiedenis samen te vatten in een aantal ‘vensters’.

Vijf jaar eerder, in 2001, had de Britse historicus Jonathan Israel, gelauwerd schrijver over de Nederlandse 17e eeuw en geharnast strijder voor een verlichtingsidee waarin geen plaats bestaat voor religie, Spinoza uitgeroepen tot de kernfilosoof van de Radicale Verlichting.

De belangstelling voor Spinoza’s persoon en verdiensten is van betrekkelijk recente datum. Volgens hoogleraar wetenschapsgeschiedenis Wiep van Bunge had Spinoza in zijn eigen tijd –  de 17e eeuw – wel een zekere renommée, maar de belangstelling verflauwde in de eeuwen daarna. Pas in de 19e eeuw kwam deze weer op gang, en ze is pas werkelijk groot geworden in onze tijd.

Spinoza’s bekendste werken zijn de Tractatus theologico-politicus en de Ethica. Hij schreef in het Latijn. Het Theologisch-politiek traktaat is een verhandeling waarin Spinoza de ideale verhouding tussen godsdienst en samenleving beschreef. De Ethica is een streng opgebouwd moraalfilosofisch werk waarin hij een levensleer ontvouwde.

Spinoza stelt God en de Natuur (of ‘de Natuurlijke Orde’) aan elkaar gelijk. Zijn godsbeeld is onpersoonlijk en immanent: God valt samen met, en bevindt zich dus niet boven of buiten de voor ons kenbare werkelijkheid, en God bezit geen persoonlijke, mensgelijkvormige eigenschappen.

Het was Spinoza’s doel om filosofie en theologie zo strikt mogelijk te scheiden: de godsdienstige veelkleurigheid, en met name de felle en militante twisten die tussen de godsdienstige groeperingen in zijn tijd werden gevoerd, baarden hem zorgen, ook met het oog op de stabiliteit van de jonge Republiek. Stabiliteit was in Spinoza’s optiek hoognodig om zich ongestoord aan de filosofie, de beschouwing van God of de Natuurlijke Orde, te kunnen wijden.

Een dubbele ontmythologisering

Victor Kal

In 2020 verscheen het boek van de Amsterdamse filosoof Victor Kal (1951): De list van Spinoza, de grote gelijkschakeling. Dit boek kan zonder overdrijving unzeitgemäß worden genoemd: het is een boek dat wijdverbreide en moderne ideeën over Spinoza weerlegt, er wordt een moderne mythe onttakeld.

Spinoza, de dwarse denker die zich niet wilde onderwerpen aan het joodse ritueel, die elke transcendentie loochende, die de joodse en christelijke riten en mythen minachtend beschouwde als een goedkope truc, uitsluitend geschikt om het domme volk in toom te houden, blijkt in onze tijd ook zelf te zijn getransformeerd tot een droom, een verhaal dat eigentijdse zelfbeelden schraagt, een verhaal ook dat niet onvatbaar blijkt te zijn voor ernstige misvattingen. Het boek van Kal is aan de bestrijding van die misvattingen gewijd.

Friedrich Nietzsche

Het drama van Nietzsche – de dood van God – is in zekere zin ook het drama van Kal, alleen werkt hij de andere kant op. Kal beschrijft het drama met een zekere luchtigheid en didactische kalmte, al schemert een echte ongerustheid door zijn woorden heen. Beiden brengen het drama in beeld dat met de bijna onzichtbaar-wording van het christendom in de westerse wereld begon: Nietzsche het gemis, Kal de noodzaak van een verhouding tot een transcendente oorsprong die ons besef van vrijheid hernieuwt en die onze morele ernst schraagt.

Het bijzondere is dat de door Kal uitgevoerde demythologisering plaatsvindt op het moment dat de demythologisering van het christendom lijkt te zijn voltooid. Het christendom heeft in zijn protestantse gedaanten de meeste riten en mythen geëlimineerd en vervangen door preek en moraal, en wordt in zijn katholieke en oosterse gedaanten door moderne mensen een beetje kinderlijk en sprookjesachtig gevonden. Gerard Reve beschrijft in Moeder en Zoon – de roman die zijn bekeringsgeschiedenis vertelt – hoe hij zich doodschaamde toen hij toetrad tot de Rooms-katholieke kerk.

Kal is een filosoof. Hij is geen zendeling of theoloog, er is geen godsdienst die wordt voorgetrokken. Wel meent hij dat het monotheïstisch uitgangspunt er wezenlijk toe doet. Hij is van mening dat een transcendent oriëntatiepunt waartoe de mensen zich in rite en met een bepaalde taal verhouden, van belang is om bewuste en vrije mensen te blijven die zich niet laten gelijkschakelen door een leider die hen met een ideologisch of pseudoreligieus ideaal verleidt en manipuleert – en dit is exact het programma van Spinoza waartegen Kal zich in zijn boek verzet.

Spinoza heeft zich sinds de jaren zestig van de twintigste eeuw gaandeweg ontwikkeld tot een seculiere heilige, iemand die de wereld heeft ontdaan van goddelijke bemoeienis, met als gevolg dat veel moderne verworvenheden, zoals materialistische verklaringen voor verschijnselen, democratie, mensenrechten, tolerantie, gelijkheid en vrijheid van meningsuiting konden bloeien.

Spinozahuis in Rijnsburg

Victor Kal is er niet van overtuigd dat al die mooie dingen daadwerkelijk uit Spinoza’s filosofie voortvloeien. Hij beschouwt Spinoza als een filosoof die elke vorm van aanraking met het goddelijke probeert te dwarsbomen, die het volk minacht, die premodern is, die antiliberaal is, die onbewust een aantal grondslagen heeft gelegd voor de fascistische ontaarding van de democratie.

Gelijkschakeling

Het begrip ‘gelijkschakeling’ is een kernbegrip van het boek, en daarom ook opgenomen in de ondertitel. Gleichschaltung heeft een zeer beladen betekenis. In 1933 zorgt Hitler met een reeks wetten dat er op elk gebied een einde komt aan de scheiding der machten en aan de vrijheid zich naar eigen smaak en opvatting te ontwikkelen. Maar de onbewuste bereidheid zich te laten gelijkschakelen, de mens die zijn vrijheid vrijwillig en ‘democratisch’ afstaat, is volgens Kal minstens zo belangrijk.

Het is het vermogen van een Leider om de wil van het volk met een ideologische of religieuze mythe te belichamen, om het volk te verleiden, en de neiging van een volk om zich door zo’n Leider bij de neus te laten nemen, het vermogen ook van zo’n Leider om de kwalijke gevolgen van de vervolgens onvermijdelijk optredende volksinvloed te ‘neutraliseren’, die de kern vormen van wat Kal de list van Spinoza noemt.

De moderne liberale samenleving verwacht iets van mensen, heeft vertrouwen in ze. Mensen worden niet gereduceerd tot hun levensgeschiedenis of afkomst. Vrijheid is hiervoor essentieel, en deze betekent ‘openheid’ en de mogelijkheid tot oorspronkelijkheid. Hiertoe creëert een liberale staat speelruimte voor de burgers, een speelruimte waarin pluriformiteit bestaat en tot bloei kan komen. Deze speelruimte is ook gestoeld op de hoop dat de individualistische burger verantwoordelijkheid op zich neemt.

Spinoza heeft niet een dergelijke speelruimte op het oog. Bij hem ligt het zwaartepunt bij het machtsregime, omdat zijn theologisch-politieke overwegingen uitgaan van een diep wantrouwen in het volk, en eigenlijk ook van diep wantrouwen in de elite. De speelruimte van die elite wordt alleen toegestaan in zoverre deze elite het machtsregime niet ondermijnt.

Spinoza-standbeeld in Den Haag (noem je een zittend beeld eigenlijk ook een ‘standbeeld’?)

Dit is ook de reden waarom Kal Spinoza op verschillende plaatsen een wegbereider van het ‘fascisme’ noemt, al is ‘fascisme’ op zichzelf genomen natuurlijk een anachronisme, en al blijkt uit de naïviteit van Spinoza’s theologisch-politieke beschouwingen dat hij dat zelf geenszins besefte.

Kal noemt Spinoza daarom premodern en vindt hem bepaald geen wegbereider van het modernisme.

Victor Kal en de secularisering van de religie

Victor Kal is als docent filosofie verbonden aan de Universiteit van Amsterdam. Voor Kal is het moderne vrijheidsbegrip belangrijk: geestelijk vrij zijn, geen slaaf zijn van een massabeweging, ondermaans bestel, materiële zaak of enige vorm van dwang.

Het gevoel of het besef van die vrijheid noemt Kal charme, betovering of openbaring, een geestestoestand die als kenmerken ook verwondering en verlangen heeft. Heel belangrijk is dat die betovering niet is voorbehouden aan mensen die zich met zoveel woorden godsdienstig of religieus noemen. Ook mensen die zichzelf niet-religieus noemen kennen die betovering en kennen die vrijheid.

Betovering maakt mensen dus religieus, ongeacht of ze dat erkennen. Om die reden spreekt Kal niet over de secularisering van de maatschappij, maar over de secularisering van de religie. De religiositeit verdwijnt niet als de uiterlijke vormen van de godsdienst verdwijnen, maar deze wordt onzichtbaar, en daarmee wordt religiositeit onbewust en onbegrepen. En met de secularisering van de religie verdwijnt een gemeenschappelijke taal om erover te spreken. Op dit punt is er verwantschap tussen het denken van Kal en het denken van de reformatorische wijsbegeerte: hoe een mens ook in het leven staat, er is steeds een religieus grondmotief werkzaam.

De betovering brengt idealiter een opdracht met zich mee, de realisering van de vrijheid, en deze wordt in ernst en in verantwoordelijkheid aanvaard. De aanvaarde opdracht is voor iedereen anders en hangt uiteraard ook helemaal van de individuele historische context en de eigen aanleg af.

In een interview in Wapenveld uit 2003 wijst Kal erop dat de individualiteit van de moderne mens flinterdun is geworden. Mensen zonder wortels, zegt Kal, zijn een potentiële prooi van ideologieën.

Voor de instandhouding van de vrijheid en de geestelijke onafhankelijkheid die daarvoor van belang is, als anker voor de morele verantwoordelijkheid en de morele ernst, is het belangrijk om zich te verhouden tot een transcendente, buiten onze wereld gesitueerde instantie.

Kal vestigt daarom vaak de aandacht op de betekenis van de rite, de liturgie, de vaste gewoonten die elke godsdienst kent, en op een gemeenschappelijke taal om over de transcendentie te spreken. Deelname aan de rite is een ‘voorbereidend handelen’ dat een mens in staat stelt te ontdekken waarheen zijn vrijheid hem zou kunnen of zou moeten voeren. Deze deelname stelt een mens ook in staat om stand te houden tegen de druk van materiële en geestelijke modes, tegen de machtsontplooiing door internationaal opererend kapitaal, tegen de massamedia, tegen de kracht van de gelijkschakeling, de collectieve geestdrift die vaak vooraf gaat aan ideologische slavernij.

Hoe werkt de list van Spinoza

Ernst Nolte – Daniel Janin/Agence France-Presse — Getty Images

Volgens de fascisme-kenner Ernst Nolte – later omstreden geraakt door zijn vermeende ‘Verharmlosung’ van de Holocaust, die hem werd aangewreven omdat hij de misdadigheid van nazisme en communisme met elkaar vergelijkbaar achtte, en bovendien ook wederzijds door elkaar beïnvloed – is het onzichtbare fundament van het fascisme de ‘Widerstand gegen die Tranzendenz’. Het doel van De list van Spinoza is om deze fundamentele gedachte van Nolte uit te werken.

Spinoza elimineert eerst elke vorm van transcendentie door God te laten samenvallen met de Natuurlijke Orde. Over die Natuurlijke Orde hebben de filosofen, en in de eeuwen daarna de wetenschappers, het voor het zeggen. Vervolgens schept hij een ‘ware religie’ waarover de machthebbers het voor het zeggen hebben, niet omdat ze veel vertrouwen hebben in de religieuze voorstellingen, maar omdat het nuttig is om het onstandvastige en wufte volk in dociele gehoorzaamheid te houden aan een publieke moraal die rust en orde en gemeenschappelijkheid zal garanderen.

Allereerst maakt Spinoza daarom een scherp onderscheid tussen filosofie en religie. Het doel van zijn traktaat is dat die twee nooit meer door elkaar worden gehaald. De ontwarring maakt het mogelijk om met het oog op de rust in de samenleving de ‘ware religie’ in te zetten. Daarom staat in religieus opzicht niet ‘de vrijheid om te filosoferen’, maar ‘de gehoorzaamheid’ centraal.

Gehoorzaamheid is het grote doel waar het hele project om draait. Het slaken van de kluisters van onwetendheid en loze begeerten waarin het volk onherroepelijk vastzit, is niet Spinoza’s doel. Spinoza’s traktaat is volstrekt geen emancipatoir project (Kal, p.29).

Het hele project van Spinoza betreft daarom geen vooruitlopen op de moderniteit, maar het is onomwonden en uitgesproken conservatief: “Het is Spinoza’s diepste wens het volk veilig opgesloten te zien binnen de eenvoudige vroomheid die hij voor het eenvoudige volk geschikt acht” (Kal, p. 31).

Kal wijst erop dat het pantheïstische credo van Spinoza – Deus sive natura (God oftewel de natuur) – door Nietzsche spottend vervangen wordt door Chaos sive natura. Dat is niet onbegrijpelijk, zegt Kal:

“Wanneer het erop aankomt te ontdekken wat voor leven je moet leiden, dan helpt inzicht in wat in de natuur onontkoombaar is de mens immers geen zier. Blijft over dat je je in opperste ernst op jezelf oriënteert.” (Kal, p.34)

Spinoza – Het doel van de staat is vrijheid

De transcendentie die Spinoza afwijst keert in de ‘ware religie’ toch weer schoorvoetend terug. Spinoza moet ook wel, want het volk beschikt immers niet over de rede. Maar in het domein van de theologie gelden uiteraard veel onbenulligere regels dan in de filosofie. De transcendentie kan bovendien door het machtsregime weer worden geneutraliseerd, zodat de maatschappelijke rust die het doel is van de religieuze schijngestalten die de ‘ware religie’ vormen, wordt gegarandeerd.

Afkeer van wat hij om zich heen waarnam is Spinoza’s leidraad. De Hollandse eigenzinnigheid reduceert Spinoza tot obscurantisme, de pluriformiteit die hij aantreft tot sektarisme: “In feite besluit hij heel deze ‘ moderniteit’ in de kiem te smoren.” (Kal, p.52)

Een transcendente God is de kern van de religie. Ook voor Spinoza. Maar waarde heeft zo’n transcendente God in Spinoza’s optiek uiteraard niet. De religie is uitsluitend een instrument in de handen van een machtsregime. De religie is alleen middel om bij een op zich onhandelbaar volk toch iets te bereiken (Kal, p.110).

Spinoza verwerpt alle religieuze vormen:

“Offers en gebeden, of welke praktijk dan ook door middel waarvan de mens zijn God onderhoudt, worden door Spinoza überhaupt niet in aanmerking genomen als serieus te nemen religie.” (Kal, p.119)

Voor zover Spinoza begrijpt wat al deze vormen behelzen, vindt hij ze alleen nuttig als ze het volk tot de vereiste gehoorzaamheid weten te bewegen.

“Tenslotte volgt dat het geloof niet zozeer ware, als wel vrome dogma’s eist, dat wil zeggen, dogma’s die zodanig zijn dat ze het gemoed tot gehoorzaamheid bewegen. Er mogen er best vele onder zijn die geen schijn van waarheid bevatten, als degene die ze aanvaardt maar niet weet dat ze onwaar zijn; anders zou hij noodzakelijk opstandig worden.” (Sp. 328, Kal, p.133)

Kortom: volksbedrog wordt Spinoza’s leidraad. Om het volk bij de les te houden, dient de leider een list te gebruiken. Hij dient het volk te overtuigen van zijn ‘goddelijke kracht’. Daarvoor dienen de bijbelverhalen goed te worden benut. Dat al die oudtestamentische profeten onzin spreken en dat die evangelieverhalen niet waar zijn, is van ondergeschikt belang, zolang het maar in voldoende mate wonderlijk en exotisch is, zolang het primitieve volk er maar door geïmponeerd wordt (Kal, p.158-159).

Deze list is in de moderne context pervers, al gebruiken ook moderne autoritaire leiders dergelijke middelen om een gedesoriënteerd volk in geestdrift samen te brengen voor een groots nationalistisch doel en onder verheerlijking van de grote leider. “Het aardige van Spinoza is dan”, zegt Kal, “dat hij, beter dan wie dan ook, onbevangen zichtbaar maakt hoe deze perversiteit in elkaar zit” (Kal, p. 163).

In deze zin moet ook het bekende Spinoza-citaat Het doel van de staat is de vrijheid (Sp. 427) begrepen worden:

“De geciteerde zin wil zeggen dat de betekenis van de verstandige bevoogding door de staat erin ligt een mens, die dikwijls van geen rede weet, alsnog in te voegen in de orde die de staat voor die mens in petto heeft. Die invoeging bevrijdt een mens ervan overgeleverd te zijn aan de eigen subjectieve willekeur.” (Kal, p. 183)

Slavernij is vrijheid, en democratie is het uit handen geven van individualiteit. Ook de scheiding van kerk en staat kunnen we onmogelijk op Spinoza’s conto zetten:

“Daar het nu van het machtsregime de taak is te bepalen wat voor het heil van het hele volk en voor de veiligheid van dat gezag noodzakelijk is, en op te leggen wat het als noodzakelijk geoordeeld heeft, volgt hieruit dat het ook de taak van niemand anders dan het machtsregime is te bepalen op welke wijze ieder zijn naaste met vroomheid moet koesteren, dat wil zeggen op welke wijze ieder verplicht is God te gehoorzamen” (Sp. 414; Kal, p. 210).

En evenmin is de vrijheid van meningsuiting bij Spinoza in goede handen: hij gaat er blind van uit dat de zeer weinigen die met rede begiftigd zijn en toegang hebben tot begrip van de Natuurlijke Orde niets anders kunnen zeggen dan wat die rede hen influistert.

Ten slotte wijst Kal erop dat de uitwendige riten in het jodendom door Spinoza verkeerd worden geïnterpreteerd als ‘gehoorzaamheid’, terwijl de zin van de rite het ‘voorbereidende handelen’ is. Deze voorbereiding is nu juist gericht op openheid voor “leven, dat wil zeggen inspiratie, identificatie, oriëntatie, inzicht, kortom al datgene wat je jezelf niet moedwillig kunt toe-eigenen” (Kal, p.250).

Besluit

Ger Groot – Het krediet van het credo

In 2006 verschijnt van Ger Groot Het krediet van het credo. Groot is atheïst, maar hij ziet scherp het belang van de rite, het gebed en ‘de godsdienstoefening’ voor de religieuze houding. En ook Groot acht Spinoza’s gelijkstelling van God en natuur dodelijk voor de continuering van de religieuze praktijk (Groot, p.20).

De protestantse neiging om kerkelijk ritueel niet zelden als ‘sleur en bijgeloof’ te verwerpen, wordt impliciet door Kal bekritiseerd. Dit ritueel stelt de gelovige in staat om zich met al zijn twijfels en schuldgevoelens en plannen, in afwezigheid van inhoudelijke godsdienstige bemoeienis, te wenden tot zijn God, buiten het zicht van een ijdele, bedilzuchtige staat. Dat is misschien toch iets moois.

Kal was bepaald niet de eerste met kritiek. De historici Rob Hartmans, Jan Dirk Snel en Wiep van Bunge hadden reeds bezwaren geopperd tegen de overschatting van Spinoza. Van Bunge spreekt van het “onvermogen verschillende intellectuele perspectieven te accommoderen, dat nog wel de meeste twijfel oproept over de geschiktheid van Spinoza als kompas voor de 21e eeuw”. Hartmans spreekt over Jonathan Israel als “een ideoloog die de heilsboodschap van het radicale, seculiere Verlichtingsdenken erin wil rammen.” Jan Dirk Snel heeft het over de ‘betweterij van Spinoza’ die alleen nog interessant is voor ‘dogmatische geesten’.” Maar het lijkt erop dat deze kritiek nauwelijks is doorgedrongen tot het grote publiek.

De list van Spinoza is een zeer leesbaar boek, met overtuigende citaten. Wel recapituleert Kal vrij vaak. Ik veronderstel dat hij een collegereeks omgewerkt heeft tot een boek. Het boek vormt een heilzame correctie op een grotesk vertekend Spinoza-beeld. Dat beeld is uitgegroeid tot een valse mythe waarin elke vorm van godsdienstigheid een bedreiging vormt voor ons zelfbeeld als vrije en mondige individuen.

Geraadpleegde bronnen

Naschrift

In het tijdschrift Soφie verscheen in jaargang 10, 2020 De ontmythologisering van Spinoza, deze beschouwing van mijn hand n.a.v. het boek De list van Spinoza van Victor Kal. Wie mijn reeks beschouwingen over dat boek op deze website gevolgd heeft, zal bepaalde passages wel herkennen.

Soφie is een uitgave van de Stichting voor Christelijke Filosofie.

Uitgelicht bericht

Kerst – R.S. Thomas

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilderes Mildred Eldridge (1909-1991).

R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).

Een aardig artikel over Thomas’ leven en werk is van de hand van Theodore DalrympleA Man Out of Time.

Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.

In dit gedicht wordt de sereniteit van de kerstviering sterk gecontrasteerd met de hardheid van het gelovige hart. Het gaat hier uiteraard over een Avondmaalsviering waarin het brood dat wordt uitgereikt het lichaam van Christus is (of symboliseert, afhankelijk van de christelijke traditie), en de wijn die wordt rondgedeeld het bloed van Christus.

Het Engelse parish heeft een kerkelijke en een burgerlijke betekenis, net als het Nederlandse woord kerspel. N.a.v. deze prettige twitterdiscussie over vertaalkwesties die spelen bij dit gedicht (dank aan alle deelnemers), heb ik in mijn vertaling het woord ‘parochies’ dat in een Nederlandse context een exclusief kerkelijke betekenis heeft, vervangen door ‘kerspels’. Het nadeel dat ‘kerspel’ minder bekend is dan ‘parochie’ neem ik daarmee voor lief. Het woord ‘kerspel’ spreek je net zo uit als het woord ‘mispel’, met een schwa of stomme e in de laatste lettergreep dus.

Llanbadrig Church on Anglesey waarop een uiterst eenvoudige lantaarn met kerkklok staat.

Het woord lantaarn heeft in dit gedicht een architectonische betekenis: het is de meestal open bekroning van een groter dakelement of koepel waarin soms een klok of carillon is geplaatst. De daklantaarns van de Welshe kerkjes kennen een zeer grote eenvoud. Op bijgaande afbeelding is zo’n uiterst eenvoudige Welshe lantaarn te zien. Ze worden bell-cot of bellcote genoemd.

Het is goed om te bedenken dat het woord ‘lantaarn’ ook betrekking kan hebben op de verfijnde bekroning van de Dom van Florence.

Dit gedicht is opgenomen in de bundel Not That He Brought Flowers (1968).

Vertaling:

Kerst

Een nieuwe morgen;
Tijd brengt die nader,
broos van vorst
en sterrenlicht. Uilen zingen
in de kerspels. Mensen staan op
en lopen naar de stenen kerk-
lantaarns; daar knielen ze,
en eten het nieuwe brood
van de liefde, wat ze wegspoelen
met de scherpe smaak
van bloed dat ze zullen vergieten.

Origineel:

Christmas

There is a morning;
Time brings it nearer,
Brittle with frost
And starlight. The owls sing
In the parishes. The people rise
And walk to the churches’
Stone lanterns, there to kneel
And eat the new bread
Of love, washing it down
With the sharp taste
Of blood they will shed.

Uitgelicht bericht

Kerstkind – R.S. Thomas

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilderes Mildred Eldridge (1909-1991).

R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).

Een aardig artikel over Thomas’ leven en werk is van de hand van Theodore DalrympleA Man Out of Time.

Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.

Dit gedicht komt uit de bundel Experimenting with an Amen uit 1986, en de titel van die bundel suggereert dat hij moeite doet om tot een vorm van geloofsaanvaarding te komen – uitgedrukt met het bekende slotwoord van het gebed, Amen (= zo zal het zijn).

Het stralende kerstkind wordt vergeleken met de stralende maan, en zoals de maan naar beneden straalt vanuit het heelal, zo straalt het kind op een vreemde manier naar het heelal, tussen de wolkenflarden door, als een lamp tussen scherven. Het woord ‘abroad’ betekent hier zowel ‘uitheems’, ‘vreemd’, ‘niet-passend’, ‘misplaatst’, ‘ongerijmd’ als ‘verreikend’, ‘grensoverschrijdend’. Ik heb geprobeerd dit uit te drukken met ‘verdwaald’.

Vertaling

Kerstkind

De maan wordt geboren
en een kind wordt geboren,
gewikkeld in witte lakens
als de maan in de wolken.

Ze stralen allebei, maar
het licht van de één
is verdwaald in het heelal
als tussen scherven van glas.

Origineel:

Nativity

The moon is born
and a child is born,
lying among white clothes
as the moon among clouds.

They both shine, but
the light from the one
is abroad in the universe
as among broken glass.

Uitgelicht bericht

Veluwezoom

Veluwezoom

Om beurten laten takken tonen los.
Geen talkshow, kerk of industrie
zingt antifonen van melancholie
als hier – waar zijn de saters in dit bos?

’t Is bijna Kerst vrijzinnig rendiermos
om steile sparren. Oecumene. Parodie.
Geen vogel zingt in deze liturgie;
een eik knielt neer voor Thanatos.

Zo ga ik zwijgend heen naar waar ik was,
en eigen langzaam toe wat ik verliet.
Met deze winteropbrengst in mijn tas,

bereik ik nu het glooiende verschiet,
waar een orkestje met een contrabas
de inzet speelt van een hermetisch lied.

(Eigen werk)

[Ingrijpend aangepast op 16/17-12-2020]

Uitgelicht bericht

Bedevaartstochten – R.S. Thomas

Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de subtiele schilderes Mildred Eldridge (1909-1991).

Een aardig artikel over Thomas’ leven en werk is van de hand van Theodore DalrympleA Man Out of Time.

Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.

In dit gedicht maakt Thomas zich op voor een ontmoeting met God, een ontmoeting die uit lijkt te blijven, maar paradoxalerwijs toch plaats lijkt te vinden. De setting is vertrouwd: een verlaten eiland, de zee, een door de tijd getekend kerkje. Andere mensen van wie hij zich vervreemd voelt. Een intense stilte, eenzaamheid, twijfel, twijfelend geloof.

Het is een ongebonden vers, voortgestuwd door enjambementen, zinnen die over de versregels heenlopen. Van groot belang is hier het ritme van de zinnen.

Het eiland is Bardsey Island (Welsh: Ynys Enlli), het eindstation van de North Wales Pilgrim’s Way, een eiland dat R.S. Thomas kon zien liggen als hij uitkeek over zee.

Het gedicht is gepubliceerd in de bundel Between Here and Now (1981).

Vertaling:

Voordracht van de vertaling

Bedevaartstochten

Er is een eiland waar je niet naar toe
kunt, alleen met een bootje zoals
vroeger de heiligen, gaande de gang
langs de doodsbange koppen van
hen die reeds lang zijn verdronken, kauwend
op het gruis van zijn stranden. Zo ging
ik de zoutweg op naar het gebouw
met het stenen altaar en de gedoofde
kaarsen, en ik knielde en hief mijn blik
op naar de woedende waterspuwer,
een uiltje dat lijkt op een gekrompen en
wrokkig geworden god. Geen gestalte
is meer te zien in het glas-in-lood
van de hemel. Ben ik te laat?
Waren ze ook te laat, deze
eerste pelgrims? Hij is zo’n snelle
God, ons altijd vooruit, en
steeds weggaand als we komen.
Er zijn er hier ook die
niet gekomen zijn om te bidden, wier
dagelijkse eredienst de eeuwige zee is.
Ze luisteren niet naar gezangen
maar naar de trage chemie van de bodem
die heiligenbeenderen tot stof maakt,
stof die kriebelt in de neusgaten.

Op dit eiland is alles tijdloos.
De slingerbeweging van het tij
kent geen klok: wat gebeurt
heeft dag noch uur. Deze mensen zijn niet
vroeg of laat: ze zijn hier slechts
om die ene vraag te stellen
die het leven beantwoordt door
zich in hen te roeren. Degene die de
vraag stelt ben ik. Was mijn bedevaart
misschien om te komen tot
mezelf, om te beseffen dat op zulke
momenten en voor iemand als ik
God zich nooit klaar en helder
buiten vertoont, maar veeleer duister en
onbegrijpelijk – alsof hij hierbinnen was?

Origineel:

Pilgrimages

There is an island there is no going
to but in a small boat the way
the saints went, travelling the gallery
of the frightened faces of
the long-drowned, munching the gravel
of its beaches. So I have gone
up the salt lane to the building
with the stone altar and the candles
gone out, and kneeled and lifted
my eyes to the furious gargoyle
of the owl that is like a god
gone small and resentful. There
is no body in the stained window
of the sky now. Am I too late?
Were they too late also, those
first pilgrims? He is such a fast
God, always before us and
leaving as we arrive.
There are those here
not given to prayer, whose office
is the blank sea that they say daily.
What they listen to is not
hymns but the slow chemistry of the soil
that turns saints’ bones to dust,
dust to an irritant of the nostril.

There is no time on this island.
The swinging pendulum of the tide
has no clock: the events
are dateless. These people are not
late or soon: they are just
here with only the one question
to ask, which life answers
by being in them. It is I
who ask. Was the pilgrimage
I made to come to my own
self, to learn that in times
like these and for one like me
God will never be plain and
out there, but dark rather and
inexplicable, as though he were in here
?

Uitgelicht bericht

Kaketoes

voor de dichter L.

strakke kuifjes scheefstaand op pratende hoofdjes
rare kaketoes die konterfeitsels kakelen

woedende wenkbrauwen aardbol sprenkelend
met giftige pedagoochempraat

niemand zal ooit meer deftig zijn
niemand zal krakelieren
zoals de zwanen vroeger krakelierden
lyrisch krakelierden
stervend zullen krakelieren
in de kerker van hun hoofd

een twee een twee een twee drie
opgemarcheerd
naar de vette landerijen
onverveerd en vanzelfsprekend
ulieden warm aanbevelend

katers warm als geile broodjes
spinnen op de vensterbank

hoe harder ik schreeuw
hoe naakter de geeuw
van al die krioelende
kraaiende krakelierende kaketoes
en hun onvolkomen
naar de hemel reikende
konterfeitsels

(Eigen werk – Lucebert-pastiche)

Uitgelicht bericht

Kaketoe

Kaketoe

Een schertsvers

Oote, oote, oote boe,
sprak de geelkuifkaketoe.
Niemand die de dichter kent,
want de dichter is een koe.

Toen het spartelend serpent
in haar bedje werd verwend,
zei de dichter zomaar ‘boe’
zonder zuinig sentiment.

Maar de steile kariboe
wordt het grazen nimmer moe.
Dichtend hurkt hij op zijn krent,
schrijvend naar de lezer toe.

Meestal is hij indolent
(Pierre Bourdieu is hem bekend).
Toen vervloekte hij zijn moe;
iedereen was hoogst content.

Driemaal ‘oote’ gaf hij toe,
wordt de lezer misschien moe.
‘Tiefsinn’ is dan wel absent,
Maar toch niet de kaketoe!

(Eigen werk)

Uitgelicht bericht

Victor Kal – De list van Spinoza – 10

Dit is het tiende deel van een beschouwing over het werk van Victor Kal – Slot

  1. Enkele gedachten over het werk van de filosoof Victor Kal (link)
  2. Wie was Spinoza (link)
  3. De Spinoza-receptie in Nederland (link)
  4. Victor Kal en De list van Spinoza (link)
  5. Gelijkschakeling (link)
  6. Kals levensbeschouwelijke positie (link)
  7. Theocratie en Democratie (link)
  8. De rehabilitatie van de schuld (link)
  9. De list van Spinoza (link)
  10. Besluit
  11. Geraadpleegde literatuur (link)

10. Besluit

Klaas Schilder

Ik erger me al heel lang aan mensen die met afgrijzen spreken over het ‘individualisme’ dat om zich heen zou grijpen en elk gemeenschapsleven in de verdrukking duwt. Ik begreep heel lang niet wat mij in die afkeer van individualisme tegenstond, want het is natuurlijk duidelijk dat iemand die alleen aan zichzelf denkt geen waardering verdient. Narcisme en solipsisme zijn ontaardingen, maar – meende ik – ze constitueren het individualisme niet.

De list van Spinoza van Victor Kal heeft me geholpen om meer helderheid te krijgen. De gelijkschakeling waarvan Spinoza’s vernuftige bedenksels getuigen, is het meest voor de hand liggende alternatief voor het individualisme, en het is op dit moment bovendien geenszins denkbeeldig dat zo’n gelijkschakeling zal optreden of plaatsvinden.

De charme, de betovering, het verlangen om iets bijzonders van je leven te maken, om iets met de aan jou gegeven vrijheid te doen, kun je weliswaar individualistisch noemen, maar het is iets dat ik niet wens te verloochenen.

En er is nog iets: ik kom uit een vrijgemaakt-gereformeerd milieu. Ook in deze minizuil vond een gelijkschakeling plaats die enigszins het schema van Spinoza volgde: alle deelnemers droegen hun individualiteit over aan het geheel, en het getrapte vrijgemaakte regime zorgde ervoor dat de juiste opvattingen de enige waren die kans kregen om te worden geuit.

De welhaast vergoddelijkte leiders waren natuurlijk K. Schilder en Piet Jongeling, en het is een geluk geweest dat hun opvolgers – Douma, Kamphuis, enz. – zulke middelmatige figuren waren.

Mijn vorig jaar overleden moeder betreurde het vaak dat ‘het eerste vuur’ dat na de vrijmaking in de harten van de mensen brandde, gedempt werd door het verstrijken van de tijd, maar ik volg haar daarin niet. Ik denk dat het individualisme meer heeft gebracht dan mijn moeder voor mogelijk hield, en ik denk ook dat de vrijgemaakt-gereformeerde gelijkschakeling meer kapot heeft gemaakt dan ze ooit heeft beseft.

Piet Jongeling

Het is uiteraard beter om niet op het zand te blijven kauwen waarin je ooit bent neergedrukt, maar dat betekent niet dat je niet aangenaam getroffen kunt worden door een boek dat licht werpt op wat voor jouzelf een duistere periode was.

Onder militante atheïsten is Spinoza een held die het leven zelf in de schaduw stelt met zijn formidabele geestkracht en zijn schroeiende bijbelkritiek. Ik heb daar altijd mijn bedenkingen bij gehad, omdat het Theologisch-politieke tractaat mij vanaf eerste lezing (jaren ’80) tegenstond. Maar ik wist niet waarom.

Het optreden van populistische en autoritaire bewegingen in een wereld waarin een moreel nihilisme lijkt schuil te gaan achter een façade van legaliteit en fatsoen, maakt mij onrustig. Op dit punt heeft Kal mijn gedachten zeker verhelderd.

Veel van mijn gelovige generatiegenoten met intellectuele belangstelling hebben het christendom verworpen, en een aantal van hen hebben zich ontwikkeld tot militante atheïsten.

Ayaan Hirsi Ali – een bijna archetypische renegaat, fanatieker dan Paulus na zijn Damascus-ervaring, zendeling van het militante ongeloof – meent dat het haar taak is om de Islam tot een reformatie op te roepen. Iets van Spinoza’s minachting voor het domme volk klinkt daarin door. Zelf beschouwt ze de godsdienst als een krankzinnige dwaling – niet voor niets is ze één van de woordvoerders van het New Atheism (met onder anderen Dawkins, Harris, Dennett, Hitchens) – maar het domme volk kan misschien met een enigszins hervormde, afgezwakte vorm van godsdienst nog wel uit de voeten.

Onder conservatieven tref je relatief veel mensen aan die zich ‘cultuurchristen’ noemen, die de inhoud van het christendom afwijzen, die het christendom hoogst onvolwassen achten, of een pueriele projectie, die de rite niet volgen, die het nochtans wel mooi vinden dat het blijft bestaan, die het christendom heel waardevol vinden, maar dan vooral voor anderen. Frits Bolkestein en J.L. Heldring noemde ik in dit verband al.

Dat ‘cultuurchristendom’ is een eigenaardig modern verschijnsel. Ik noem een paar kenmerken: nestgeur, samenbindende retoriek, zwakke innerlijke overtuiging, Mattheus Passion, inspiratieloos, onvrij uit loyaliteit, kathedralen & symbolen, kalmerende morele werking, door de staat bevorderd en gekoesterd. Het heeft duidelijk een paar wezenstrekken die het geschikt maken om te figureren in ‘De list van Spinoza’: het is misschien in onze tijd een hartverwarmende mythe waarmee gedroomde leiders het nostalgische, naar de vleespotten van Egypte hunkerende volk aan zich menen te kunnen binden. En – God zij geloofd en gedankt en geprezen – de transcendentie is effectief geëlimineerd.

Misschien vergis ik me – ik hoop het – maar ik ben er niet zeker van.

Ten slotte ben ik een religieus mens, en het treft me dat Kal zo volhardend de waarde van echte religie, een oriëntatie op het transcendente, beargumenteert in een wereld die er prat op gaat dat ze de religie definitief achter zich heeft gelaten, vaak zonder te beseffen hoe religieus die vol trots beleden areligiositeit is, en zonder te beseffen hoe gemakkelijk oude dwalingen waarvan men meent afstand te hebben gedaan, incognito en met een brutaal lachje opnieuw de politieke arena binnenwandelen.

Uitgelicht bericht

Victor Kal – De list van Spinoza – 9

Dit is het negende deel van een beschouwing over het werk van Victor Kal

  1. Enkele gedachten over het werk van de filosoof Victor Kal (link)
  2. Wie was Spinoza (link)
  3. De Spinoza-receptie in Nederland (link)
  4. Victor Kal en De list van Spinoza (link)
  5. Gelijkschakeling (link)
  6. Kals levensbeschouwelijke positie (link)
  7. Theocratie en Democratie (link)
  8. De rehabilitatie van de schuld (link)
  9. De list van Spinoza
  10. Besluit (link)
  11. Geraadpleegde literatuur (link)

9. De list van Spinoza

Ik begin met vier korte Spinoza-citaten:

“Het volk […] nodig ik niet uit om dit te lezen …” (Sp. 93, Kal, p.64)

“[…] die vroomheid kan niet gehandhaafd worden als de enkeling zou mogen leven naar het goeddunken van zijn eigen geest.” (Sp. 428, Kal, p.50)

“… dienaren van Gods woord zijn zij die het volk op autoriteit van het machtsregime de vroomheid leren in een vorm die volgens het besluit van dat machtsregime het publieke nut dient.” (Sp. 420, Kal, p.57)

“ … dat gehoorzaamheid niet zozeer een uiterlijke prestatie, als wel een innerlijke prestatie is. Daarom staat hij het meest onder het gezag van een ander, die vanuit zijn hart besluit de ander op al zijn bevelen te gehoorzamen. Dit impliceert dat diegene de grootste macht bezit die over de harten van de onderdanen heerst.” (Sp. 368, Kal, p. 156)

Volgens de fascisme-kenner Ernst Nolte – later omstreden geraakt door zijn vermeende ‘Verharmlosung’ van de Holocaust, omdat hij de misdadigheid van nazisme en communisme met elkaar vergelijkbaar achtte, en bovendien ook wederzijds door elkaar beïnvloed – is het onzichtbare fundament van het fascisme de ‘Widerstand gegen die Tranzendenz’.

Het doel van De list van Spinoza is om deze fundamentele gedachte van Nolte uit te werken. Spinoza elimineerde eerst elke vorm van transcendentie door God te laten samenvallen met de Natuurlijke Orde. Over die Natuurlijke Orde hebben de filosofen, en in de eeuwen daarna de wetenschappers, het voor het zeggen. Vervolgens schiep hij een ‘ware religie’ waarover de machthebbers het voor het zeggen hebben, niet omdat ze veel vertrouwen hebben in de religieuze voorstellingen, maar omdat het nuttig is om het onstandvastige en wufte volk in dociele gehoorzaamheid te houden aan een publieke moraal die rust en orde en gemeenschappelijkheid zal garanderen.

Allereerst maakt Spinoza daarom een scherp onderscheid tussen filosofie en religie. Het doel van de TTP is dat die twee nooit meer door elkaar worden gehaald. De ontwarring maakt het mogelijk om met het oog op de rust in de samenleving de ‘ware religie’ in te zetten. Daarom staat in religieus opzicht niet ‘de vrijheid om te filosoferen’, maar ‘de gehoorzaamheid’ centraal.

Gehoorzaamheid is het grote doel waar het hele project om draait. Het slaken van de kluisters van onwetendheid en loze begeerten waarin het volk onherroepelijk vastzit, is niet Spinoza’s doel. Het TTP is volstrekt geen emancipatoir project (Kal, p.29). In dit opzicht staat hij lijnrecht tegenover Immanuel Kant (Kal, p. 36-37).

De moderne vrijheid wordt hier heel duidelijk in verband gebracht met Kierkegaard, Kant en Nietzsche.

Het hele project van Spinoza betreft daarom geen vooruitlopen op de moderniteit, maar het is onomwonden en uitgesproken conservatief: “Het is Spinoza’s diepste wens het volk veilig opgesloten te zien binnen de eenvoudige vroomheid die hij voor het eenvoudige volk geschikt acht (Kal, p. 31).

Nietzsche

Kal wijst erop dat het pantheïstische credo van Spinoza – Deus sive natura (God oftewel de natuur) – door Nietzsche spottend vervangen wordt door Chaos sive natura. Dat is niet onbegrijpelijk, zegt Kal:

“Wanneer het erop aankomt te ontdekken wat voor leven je moet leiden, dan helpt inzicht in wat in de natuur onontkoombaar is de mens immers geen zier. Blijft over dat je je in opperste ernst op jezelf oriënteert.” (Kal, p.34)

Kal wijst erop dat de transcendentie die Spinoza afwijst in de ‘ware religie’ toch weer schoorvoetend terugkeert. Spinoza moet wel, want het volk beschikt immers niet over de rede. Maar in het domein van de theologie gelden uiteraard heel andere regels dan in de filosofie (Kal, p.39).

Het is duidelijk dat:

“… Spinoza werkelijk niets van doen heeft met het latere project van verlichting en emancipatie. Door aan het gewone volk de religie toe te wijzen, als surrogaat voor redelijk inzicht, heeft hij voor dat volk de weg richting verlichting en emancipatie bovendien grondig geblokkeerd. Want de ‘ware religie’ is bij Spinoza per se ‘eenvoudige religie’. Deze religie kan alleen naar behoren functioneren zolang zij weggehouden wordt van geleerdheid en redelijk inzicht. […] Daar komt dan nog bij een staat waarvan het de taak is erop toe te zien dat volk en religie ook werkelijk in hun eenvoud opgesloten blijven.” (Kal, p. 39)

De Hollandse eigenzinnigheid reduceert hij tot obscurantisme, de pluriformiteit die hij aantreft tot sektarisme:

“De ‘nieuwe wereld’ die Holland begonnen is te vertegenwoordigen wordt door hem dus grondig verkwanseld. Hij kan die wereld niet serieus nemen. In feite besluit hij heel deze ‘ moderniteit’ in de kiem te smoren.” (Kal, p.52)

Voor Spinoza is de ontwikkelde mens een filosoof en atheïst. De filosoof houdt een transcendente God niet voor een zinvolle gedachte. Toch is zo’n transcendente God de kern van de religie. Ook voor Spinoza. Maar waarde heeft zo’n transcendente God in Spinoza’s optiek uiteraard niet. De religie is uitsluitend een instrument in de handen van een machtsregime. De religie is alleen middel om bij een op zich onhandelbaar volk toch iets te bereiken (Kal, p.110).

En vervolgens (Kal, p. 118): “Zonder enige ophef heeft Spinoza de religie gereduceerd tot een rijtje deugden – alsof dat vanzelf spreekt.”

Spinoza reduceert de religie tot moraliteit:

“Offers en gebeden, of welke praktijk dan ook door middel waarvan de mens zijn God onderhoudt, worden door Spinoza überhaupt niet in aanmerking genomen als serieus te nemen religie. De bedoelde praktijken hebben in de Bijbel overigens dikwijls een ritueel of ceremonieel aspect. Vanuit zijn Joodse achtergrond is Spinoza daar goed bekend mee. Hij ziet er echter de waarde niet van in. Maar ook de ‘ceremoniën van de christenen’ (Spinoza noemt: ‘doop, avondmaal, feesten, uiterlijke gebeden, enzovoort’)  beschouwt hij als volstrekt overbodig.” (Kal, p.119)

Voor zover Spinoza begrijpt wat al deze vormen behelzen, vindt hij ze alleen nuttig als ze het volk tot de vereiste gehoorzaamheid weten te bewegen.

“Tenslotte volgt dat het geloof niet zozeer ware, als wel vrome dogma’s eist, dat wil zeggen, dogma’s die zodanig zijn dat ze het gemoed tot gehoorzaamheid bewegen. Er mogen er best vele onder zijn die geen schijn van waarheid bevatten, als degene die ze aanvaardt maar niet weet dat ze onwaar zijn; anders zou hij noodzakelijk opstandig worden.” (Sp 328, Kal, p.133)

Kortom: volksbedrog wordt Spinoza’s leidraad. In de filosofie gaat het om ‘niets dan de waarheid’, in het geloof om ‘niets anders dan gehoorzaamheid en vroomheid’ (Sp. 332-333, Kal, p. 136).

Om het volk bij de les te houden, dient de leider een list te gebruiken. Hij dient het volk te overtuigen van zijn ‘goddelijke kracht’. Daarvoor dienen de bijbelverhalen goed te worden benut. Dat al die oudtestamentische profeten onzin spreken en dat die evangelieverhalen niet waar zijn, is van ondergeschikt belang, zolang het maar in voldoende mate wonderlijk en exotisch is, zolang het primitieve volk er maar door geïmponeerd wordt (Kal, p.158-159).

Deze list is in de moderne context pervers, al gebruiken ook moderne autoritaire leiders dergelijke middelen om een gedesoriënteerd volk in geestdrift samen te brengen voor een groots nationalistisch doel en onder verheerlijking van de grote leider. “Het aardige van Spinoza is dan”, zegt Kal, “dat hij, beter dan wie dan ook, onbevangen zichtbaar maakt hoe deze perversiteit in elkaar zit” (Kal, p. 163).

Allereerst wordt een amputatie uitgevoerd: er is geen transcendente instantie waarop het volk zich oriënteren kan; vervolgens wordt het volk in de waan gebracht zich toch op enige transcendente bron te oriënteren, waarbij deze transcendente oriëntatie gewiekst op de leider zelf wordt betrokken, zodat het vrome volk zich eendrachtig schaart achter het vaderlandslievende doel van deze ‘goddelijke leider’.

Het schema van de amputatie wordt dan als volgt: “De staat vormt de objectieve inhoud van de religie, terwijl de religie de subjectieve inhoud van de staat vormt”, en: “Men gehoorzaamt God door aan de staat te gehoorzamen, terwijl men aan de staat gehoorzaamt door aan God te gehoorzamen (Sp. 367, 415; Kal p. 173).

“Op grond van dit schema is het mogelijk dat het volk tegelijk ‘op grond van het gezag van het machtsregime handelt’ (de objectieve inhoud van het handelen) en daartoe ‘uit eigen beweging’ overgaat (de subjectieve motivatie van het handelen). Het is de list en de kunst van de machthebber het volk in deze dubbele positie te brengen.” (Kal, p. 174)

Georg Wilhelm Friedrich Hegel

Kal merkt ten slotte op dat het politiek-theologische schema van Spinoza school lijkt te hebben gemaakt bij Hegel (Grondbeginselen van de filosofie van het recht).

Democratie staat bij Spinoza in dienst van het gezag. Het vrome volk draagt zijn macht over aan een machtsregime zodat de macht van dat regime onbedreigd kan worden uitgeoefend. Een machthebber die zich laat toejuichen door het gehele volk staat sterker dan een machthebber die zich laat vleien door een beperkt aantal edelen (Kal, p.181).

Spinoza begrijpt wel dat je zou kunnen tegenwerpen dat het volk zo eigenlijk toch tot slaaf gemaakt wordt. Maar dat is volgens hem toch niet zo: voor het primitieve volk is dit de enige manier om met de rede in aanraking te komen, en zo leven die primitieve mensen toch nog in ‘vrijheid’. Kijk ook maar naar kinderen: die moeten doen wat hun ouders zeggen, want de geboden van de ouders zijn uiteraard altijd op het kinderbelang gericht. (Kal, p. 183)

In deze zin moet ook het bekende Spinoza-citaat Het doel van de staat is de vrijheid (Sp. 427) begrepen worden:

“De geciteerde zin wil zeggen dat de betekenis van de verstandige bevoogding door de staat erin ligt een mens, die dikwijls van geen rede weet, alsnog in te voegen in de orde die de staat voor die mens in petto heeft. Die invoeging bevrijdt een mens ervan overgeleverd te zijn aan de eigen subjectieve willekeur.” (Kal, p. 183)

U ziet: slavernij is vrijheid, en democratie is het uit handen geven van individualiteit. Ook het hart van de mensen moet onder het beslag van de staat gebracht worden. Een voorvechter van een liberale samenleving kunnen we Spinoza moeilijk noemen.

“Daar het nu van het machtsregime de taak is te bepalen wat voor het heil van het hele volk en voor de veiligheid van dat gezag noodzakelijk is, en op te leggen wat het als noodzakelijk geoordeeld heeft, volgt hieruit dat het ook de taak van niemand anders dan het machtsregime is te bepalen op welke wijze ieder zijn naaste met vroomheid moet koesteren, dat wil zeggen op welke wijze ieder verplicht is God te gehoorzamen” (Sp. 414; Kal, p. 210).

Mozes toont de wetstafelen

Ook de scheiding van kerk en staat kunnen we onmogelijk op Spinoza’s conto zetten. Spinoza bespreekt ook Mozes en Christus uitgebreid, maar hij slaagt erin om de centrale preoccupaties van De list van Spinoza, preoccupaties waarmee we inmiddels uitgebreid kennis hebben gemaakt, ongeschonden en gesteund door Bijbelse overwegingen overeind te houden.

En ook de vrijheid van meningsuiting is bij Spinoza niet in goede handen: hij gaat er blind van uit dat de zeer weinigen die met rede begiftigd zijn en toegang hebben tot begrip van de Natuurlijke Orde niets anders kunnen zeggen dan wat die rede hen influistert, en anders is er altijd nog het machtsregime dat de juiste opvattingen over goed en kwaad kan afdwingen.

Ten slotte wijst Kal erop dat de uitwendige riten in het jodendom door Spinoza geheel verkeerd worden geïnterpreteerd als ‘gehoorzaamheid’, terwijl de zin van de rite het ‘voorbereidende handelen’ is dat we eerder al tegenkwamen (in het stuk over Theocratie en Democratie). Deze voorbereiding is nu juist gericht op openheid voor “leven, dat wil zeggen inspiratie, identificatie, oriëntatie, inzicht, kortom al datgene wat je jezelf niet moedwillig kunt toe-eigenen” (Kal, p.250).

De list van Spinoza is heel leesbaar, met mooie citaten. Wel recapituleert Kal vrij vaak, en geeft hij zijn bevindingen steeds opnieuw op een iets andere manier, met een andere invalshoek en met nieuwe conclusies. Misschien heeft hij een collegereeks omgewerkt tot een boek?

In mijn laatste bijdrage aan deze reeks probeer ik – morgen of overmorgen – antwoord te geven op de vraag wat mij bezielde om me zo intensief met dit boek, en met het werk van Kal, bezig te houden.

Uitgelicht bericht

Victor Kal – De list van Spinoza – 8

Dit is het achtste deel van een beschouwing over het werk van Victor Kal

  1. Enkele gedachten over het werk van de filosoof Victor Kal (link)
  2. Wie was Spinoza (link)
  3. De Spinoza-receptie in Nederland (link)
  4. Victor Kal en De list van Spinoza (link)
  5. Gelijkschakeling (link)
  6. Kals levensbeschouwelijke positie (link)
  7. Theocratie en Democratie (link)
  8. De rehabilitatie van de schuld
  9. De list van Spinoza (link)
  10. Besluit (link)
  11. Geraadpleegde literatuur (link)

8. Rehabilitatie van de schuld

Wetboek van Strafrecht

In 2000 publiceerde Victor Kal een artikel in Radix (een christelijk tijdschrift waarin door academici van diverse pluimage – ook joden en atheïsten – geschreven wordt over wetenschap, cultuur en geloof) een artikel waarin hij ‘de rehabilitatie van de schuld’ bepleit – en zo heet dat artikel dan ook.

Het schuldprincipe bestaat in onze wereld wel, maar heeft de gedaante aangenomen van een schadebeginsel dat legalistisch, via een nauwkeurig juridisch protocol, kan worden opgelost. De moraal verdwijnt uit het gezichtsveld, of – beter gezegd – gaat samenvallen met de jurisdictie en het algemeen aanvaarde fatsoen die in de publieke ruimte van kracht zijn. Dit verschijnsel, dat manifest is in onze geseculariseerde wereld, leidt tot een ongevoeligheid voor schuld, tot verdoving, tot anaesthesie, tot onverschilligheid – we voelen de schuld niet meer, en wanneer het schuldgevoel toch opspeelt, redeneren we die schuld behendig weg.

Ik geef allereerst een wat langer citaat dat duidelijk maakt wat Kal onder een geseculariseerde maatschappij verstaat:

Men kan een samenleving voor geseculariseerd houden wanneer de leden van die samenleving geen weet meer hebben van de kloof die hen scheidt van een hogere instantie, die beslissend zou zijn voor het lot dat hun deel is. Hebben zij daar wèl weet van, dan onderhouden zij tot die hogere instantie een relatie. Deze relatie krijgt gestalte als vertrouwen en geloof, lofprijzing en klacht, hoop en vrees, dankbaarheid en boetedoening, liturgie en rite, enzovoort. In de geseculariseerde samenleving kent men het daartoe vereiste referentiepunt-op-afstand niet, en ziet een mens zich tot zichzelf gereduceerd. Dit betekent echter in het geheel niet dat de nu niet meer aan een hoger gezag gebonden, vrije mens overgaat tot een teugelloos bestaan. Integendeel juist; we worden geconfronteerd met een verzameling heiligen. Als regel beschikt de seculiere mens, immers de brave burger van een moderne rechtsstaat, niet over een strafblad; hij heeft niets gedaan en is zonder schuld.

Dit ‘heilige leven’ heeft volgens Kal het al genoemde ‘schade-principe’ als moreel-juridische grondslag. Hier wordt meestal een strikte scheiding aangebracht tussen het publieke en het privé-domein. In het privé-domein heerst vrijblijvendheid en wordt de moraal indifferent; in het publieke domein mag je anderen niet schaden. Maar dit blijft niet zonder gevolgen.

“Het gevolg is niet alleen dat het ‘waartoe’ van die zo grootse moderne vrijheid onbespreekbaar wordt, bovendien raakt het menselijke voelen hier op een specifiek punt geamputeerd. In zeker opzicht is het voortaan overbodig zich de dingen nog aan te trekken. Waar men een nette burger is, en voor het overige het gemakkelijke leven leidt dat aanbevolen wordt, heeft gevoel voor schuld geen zin meer.”

De reductie van de moraal tot het schade-principe, maakt ongevoelig voor verantwoordelijkheden en het tekortschieten jegens morele plichten. Zolang je een ander niet hebt geschaad is er immers niets aan de hand.

Klein intermezzo: in mijn jeugd werd mij geleerd dat er zonden zijn van bedrijf en zonden van nalatigheid. Het is die laatste categorie die helemaal uit beeld lijkt te verdwijnen in een wereld waarin de moraal wordt gereduceerd tot het schade-principe. Het is ook hier dat het schuldbesef uit beeld verdwijnt. ‘Je had iets moeten doen, maar je hebt het niet gedaan.’ ‘So what, heb ik iemand schade berokkend dan?’

Dit is de stand van zaken die Kal de ‘seculiere normaliteit’ noemt.

En dan zegt Kal:

“De vraag is, […], hoe men aan een zekere anaesthesie kan ontkomen, zodat het mogelijk is verplichtingen te voelen en het bijhorende verschuldigdzijn te onderhouden. Wanneer mensen er met groot gemak toe in staat zijn een onschuldig leven te leiden, ontbreken in het systeem van coördinaten dat het leven bepaalt echter enkele op dit punt beslissende elementen.”

De vrijheid is voor de moderne mens heel belangrijk, maar toch blijft het precieze waartoe van die vrijheid volstrekt onbepaald. Kal spreekt in dit verband van iets dat lijkt op een ‘beeldverbod’.

En dan citeer ik nu een kernpassage uit het artikel.

“De moderne mens schijnt vol te zijn van iets dat voor hem bij nader inzien volstrekt onbenoembaar blijft. Op dit punt nu verkrijgt men slechts dan duidelijkheid wanneer men een compleet systeem van coördinaten hanteert.

De moderne vrijheid is het seculiere product van een buitengewone charme. Gecharmeerd is men van de komst, ter plaatste van het eigen leven, van een vervulling die dat leven tot vrede met zichzelf kan brengen. Zulk een omvattende vervulling heeft men geenszins in handen, niettemin vormt ze de norm waaronder het leven staat.

Kennelijk is het mogelijk zich verplicht te achten aan een kritisch gezichtspunt, zonder dat men ertoe in staat is zich dat gezichtspunt werkelijk toe te eigenen.

In die zin betreft het een gezichtspunt waarvan men zich als door een diepe kloof gescheiden ziet. Het gaat om die kloof die aan de seculiere mens niet bekend is en waaroverheen hij niet probeert te reiken; eerder in deze uiteenzetting heb ik daarover reeds gesproken. De charme waarvan ook de moderne, maar geseculariseerde mens de facto nog vol is, is derhalve wel beschouwd een religieuze charme, en krijgt als zodanig pas goed reliëf. Aan zulk een charme acht hij zich verplicht, en deze charme brengt het gevoel van altijd-méér-verschuldigd-zijn voort waardoor de vrijheid zich rusteloos laat voortdrijven.

Wanneer een mens over een kloof heen een buitengewone charme aangereikt krijgt, zonder dat dit hem ertoe in staat stelt zich het aangereikte zomaar toe te eigenen, kunnen we spreken van ‘openbaring’. De term ‘openbaring’ laat nauwkeurige definitie toe: beginnen ter plaatse van zichzelf en de wereld de komst te verwachten van een rijk van recht en vrede, dit is, van bekommernis en toewijding. Voor zichzelf en de wereld acht men dat weggelegd. In principe zou de komst ervan reeds een mogelijkheid zijn. Men zou er niet per se ontoegankelijk voor zijn. De verzoening van een rijke belofte met de vooralsnog wat schamele realiteit zou het teken zijn waarin men zijn leven nu reeds kan stellen. Voorwaar een gedachte die men niet verzint en, als ze er eenmaal is, evenmin kan reconstrueren. De wereld raakt betoverd; zoiets kun je niet organiseren. Er is sprake van een charme die over je komt, en van een excentrieke openbaring.

De term ‘charme’ gaat terug op de Griekse woorden charis en charisma; je zou ook kunnen spreken van ‘gratie’, corresponderend met het Latijnse woord gratia. Traditioneel worden deze woorden onder meer met de term ‘genade’ vertaald. Tot charme word je uitverkoren. Gratie word je verleend. De formulering onttrekt de schaduwzijde enigszins aan het gezicht.

We zijn begonnen met te zeggen dat de verplichting en het verschuldigd-zijn die de moderne vrijheid voortdrijven een buitengewone charme veronderstellen; kort gezegd: de charme achter de schuld. Maar het omgekeerde is evenzeer het geval. Eerst de charme die over je komt confronteert je met een verschuldigd-zijn waaraan je niet zomaar voldaan zult hebben; kort gezegd: de schuld achter de charme. Het mag zo zijn dat je je leven in principe kunt stellen in het teken van een allesomvattende openbaring en verzoening, de facto heb je op dat moment ter plaatste van jezelf en je wereld nog maar in beperkte mate toegang gegeven aan datgene waarvan je de komst verwacht. Het leven verliest zijn schamele aspect niet zomaar. Een buitengewone charme maakt het verschuldigd-zijn daarom tot iets dat niet ophoudt te schrijnen.”

Kern van de zaak is dat deze betovering, deze charme, deze openbaring – de eerste coördinaat die we nodig hebben – onvermijdelijk met zich meebrengt dat men tekortschiet, dat men het verschuldigd-zijn niet waarmaakt.

“De verantwoordelijkheid die een mens op zich laadt wanneer hij een rijk van recht en vrede voor zichzelf en de wereld weggelegd acht, is naar het schijnt per se te groot voor de mens. Juist dit onvermijdelijke conflict tussen het ‘waartoe’ van een grandioze vrijheid en de vooralsnog telkens opnieuw weer beperkte mogelijkheden van het menselijk bestaan is in de genoemde verjuridisering van de moraal en in de bijbehorende anaesthesie schitterend gepacificeerd. Het is niet werkelijk nodig ergens nog last van te hebben. Intussen veronderstelt een gemakkelijke pacificatie van het conflict tevens dat men bereid is de zaak waarom het gaat te verraden, ook al is het maar even, bijvoorbeeld totdat de charme bij een andere gelegenheid opnieuw de kop opsteekt. Onder anaesthesie is ook dit verraad niet bovenmate pijnlijk.”

Chazanoetconcert in de StadttempelWenen, augustus 2006 (Wikimedia Commons)

Een tweede coördinaat is daarom de tempel, dat is de plaats waar het rijk van recht en vrede, van bekommernis en toewijding – de inhoud van de charme die bijna onbespreekbaar is buiten deze context – toegang heeft, waar de tekortschietende mens zijn vrijheid, zijn tekortschieten en vernieuwing kan leren kennen.

De rituelen in de tempel moeten steeds opnieuw worden herhaald: zonder garanties en zonder waarborg moet de mens zich overgeven, en iedere keer opnieuw leren wie hij is, waar hij staat en wat hij kan.

Dat is de derde coördinaat die in onze wereld grotendeels ontbreekt: de aanwijzingen ten leven, waarin verschuldigd-zijn en charme worden verzoend: dit is de komst waarop men voorbereid dient te zijn.

De anaesthesie die het moderne leven verschaft, heeft nog een effect: je kunt niet meer rouwen over je tekortschieten. Toch is die rouw heel belangrijk om voorbereid te zijn op een nieuw leven, op mogelijkheden die soms bijna een wonder lijken voor wie geen vertrouwen weet te stellen, voor wie in moedeloosheid neerzinkt. Rouw is een noodzakelijke voorwaarde voor levensvernieuwing.

De tempeldienst heeft ondersteuning nodig van liturgie en rite, die beide op gespannen voet staan “met elke poging om recht en vrede door middel van een verdoving voor zich te verwerven”.

En Kal besluit zijn artikel aldus:

“In de liturgie eerst krijgt de schuld haar voor iedereen zichtbare plaats. Een aparte plaats, want het heilige van de liturgie valt niet samen met het profane van het gewone leven. Een volledig geseculariseerde wereld zal zo’n aparte plaats niet meer kennen. Alles wordt daar opgeslokt door het profane leven, dat niet schroomt zich als onschuldig te afficheren. Wordt de schuld echter weggedrongen, dan verkommeren vrijheid en verantwoordelijkheid. Een liturgie kan daartegen beschermen, en helpen de schuld, die men niet graag mag, in het eigen leven te rehabiliteren.”

Uitgelicht bericht

Victor Kal – De list van Spinoza – 7

Dit is het zevende deel van een beschouwing over het werk van Victor Kal

  1. Enkele gedachten over het werk van de filosoof Victor Kal (link)
  2. Wie was Spinoza (link)
  3. De Spinoza-receptie in Nederland (link)
  4. Victor Kal en De list van Spinoza (link)
  5. Gelijkschakeling (link)
  6. Kals levensbeschouwelijke positie (link)
  7. Theocratie en Democratie
  8. De rehabilitatie van de schuld (link)
  9. De list van Spinoza (link)
  10. Besluit (link)
  11. Geraadpleegde literatuur (link)

7. Theocratie en Democratie

Flavius Josephus (Wikimedia Commons)

In 2006 verschijnt van Ger Groot, Het krediet van het credo: godsdienst, ongeloof, katholicisme. Het is een essay waarin een atheïstisch-filosofische poging wordt gedaan om te begrijpen wat de christelijke religiositeit in een moderne en seculiere Europese cultuur nog betekent. Op p. 20 van dat boek schrijft Groot:

“Als we zoeken naar een mogelijke betekenis van de zin ‘God bestaat’, dan kan daarmee geen bestaan in de natuur bedoeld zijn. We kunnen natuurlijk, net als Spinoza, de knoop doorhakken en God eenvoudig met die natuur gelijkstellen (deus sive natura), maar daarin lost het goddelijke feitelijk op en komen we van de regen in de drup. Met een dergelijke god-natuur is nu eenmaal geen persoonlijke relatie mogelijk en dus zijn ook het gebed en de godsdienstoefening, waarin de gelovige zich tot God richt en antwoord verwacht, zinloos. En juist die godsdienstoefeningen zijn, zoals we later zullen zien, van doorslaggevend belang.”

Groot noemt zich atheïst, maar hij ziet wel scherp het belang van de rite, het gebed en ‘de godsdienstoefening’ voor de religieuze houding, een kernthema van Victor Kal. En Ger Groot acht Spinoza’s gelijkstelling van God en natuur dodelijk voor de continuering van de religieuze praktijk, ook net als Kal.

Victor Kal opent het artikel Theocratie en Democratie (gepubliceerd in het Tijdschrift voor Filosofie, 2009) met twee zuivere tegenstellingen: op het niveau van het individu plaatst hij de wereld van de vroomheid tegenover de wereld van de emancipatie, en op  het niveau van de samenleving plaatst hij de godsbeschikking tegenover de zelfbeschikking. Beide posities sluiten elkaar uit, en zo’n schema confronteert ons, zegt hij dan, met een vorm van manicheïsme.

Het manicheïsme gaat uit van twee onafhankelijke en ongeschapen principes: het goede en het kwade, een Rijk van het Licht en een Rijk van de Duisternis. Hier dus: een wereld waarin vroomheid en godsbeschikking centraal staan tegenover een wereld waarin emancipatie en zelfbeschikking centraal staan.

Tegen de achtergrond van deze dichotomie, verdedigt Kal vervolgens de stelling dat een ‘liberale democratie’ baat heeft bij de ‘formele theocratie’ en dat – ook andersom –  de formele theocratie baat heeft bij de liberale democratie.

Vervolgens zegt hij een beetje spottend dat zijn these de aanhangers van het manicheïsme confronteert met een gemeenschappelijke vijand, of althans met iemand ‘die alles door elkaar haalt’. Kal zet immers de wereld op zijn kop door te zeggen dat beide Rijken – die elkaar lijken uit te sluiten – hun onverzoenlijke vijand hard nodig hebben.

Het begrip ‘theocratie’ heeft hier met nadruk geen betrekking op het politieke domein, al heeft het op een indirecte manier natuurlijk wel betekenis voor dat domein, zoals zo ongeveer alles voor dat domein betekenis heeft. ‘Theocratie’ wordt hier begrepen als de erkenning van, de relatie tot en de openstelling voor de transcendente instantie die het morele domein beheerst door het individu.

Dit individu kan ervoor kiezen om door bemiddeling van een religieus instituut de plichten van de uitwendige rite te voltrekken met het oog op de verwezenlijking van zijn vrijheid – dat noemt Kal de formele theocratie. De informele theocratie is de wereld waarin de banden met de traditie zijn geslaakt, en waar de religiositeit, de theocratie verveelvoudigd is in evenzovele individualistische en autonome individuen

Een kort historisch exposé

Flavius Josephus is de eerste die de term ‘theocratie’ gebruikt. In een theocratie heeft God het voor het zeggen, in een monarchie de koning, in een democratie het volk, in een oligarchie de rijken. Het joodse volk waarover Josephus schrijft leeft in ballingschap, en de theocratie heeft derhalve bij Josephus wel een religieuze betekenis, maar geen politieke. Op dit punt staat Josephus lijnrecht tegenover Spinoza die de joodse theocratie tot een politieke constitutie meent te kunnen herleiden.

Bij Plato is de aristocratie de hoogste staatsvorm. Deze kan alleen tot stand komen krachtens goddelijke beschikking. Hiervoor is geen clerus noodzakelijk. De protagonist van deze theocratie is een door God beschikte enkeling die zijn eigen weg gaat maar zich door de godheid laat gezeggen.

Mozes die de stenen tafelen kapot werpt – Rembrandt (Wikimedia Commons)

Het joodse volk ontvangt via Mozes de stenen tafelen van God. Dit is de grote theocratische gebeurtenis in het Oude Testament. Deze wet vraagt om kritische en creatieve interpretatie, reden waarom Mozes zich steeds opnieuw tot God wendt met de vraag wat er nu precies moet gebeuren. Opschorting is een vast onderdeel van het theocratisch bestel. God moet steeds opnieuw worden geraadpleegd in een theocratisch bestel dat die naam waardig is. Dit blijkt ook uit de vorm en de dienst van de tabernakel.

De Thora propageert een vrijheid door binding. Wie zich aan de transcendente instantie bindt, bevrijdt zich van de machten die deze wereld beheersen. Deze vrijheid door binding heeft zeker ook een resonans in de moderne wijsbegeert gehad: Kierkegaard, Kant, Buber, Heidegger.

De multiplicatie van de theocratie

Theocratie heeft een slechte naam. Kal betwijfelt of dat terecht is: de mens verbindt zich slechts hoogst aarzelend met de transcendente instantie waarnaar de theocratie zich richt. Uniformering en nivellering in onze moderne wereld gaan terug op heel andere factoren: kapitaal, techniek, internationale wetgeving, mode.

De huidige monarchen zijn wel bijna allemaal onthoofd, en de meeste theocratische banden zijn geslaakt of worden belachelijk gemaakt, maar heeft het wel tot iets anders geleid dan tot een veelheid aan nieuwe absolutisten, tot de autonome, individualistische burgers? De moderne afkeer van de theocratie heeft misschien eerder tot een verveelvoudiging van de theocratie geleid.

Het ontstaan van de informele theocratie

Bij de overgang naar de moderne wereld geldt, volgens Kal het volgende (p.57-58):

“Het oude monarchale regime en het oude clericale regime [worden] wat hun theocratische aspect niet zozeer afgeschaft, als wel gemultipliceerd. Deze decentralisatie en multiplicatie van de theocratie of deze substitutie van de ene soeverein door de talloze soevereinen, gaat gepaard met een reeks van verschijnselen: verinnerlijking van de vroomheid (de anticeremoniële revolutie), individualisering van de vroomheid, verloren gaan van de religieuze vormen en de religieuze taal, en dan vanzelf, ten slotte, een secularisatie waarin die vroomheid tegelijk haar hoogtepunt bereikt en voor zichzelf onbegrijpelijk wordt. Op dit punt aangekomen vallen vroomheid en emancipatie exact samen. De theocratie is nu helemaal informeel geworden en ligt vanaf dit moment zelf ten grondslag aan de roep om democratie.”

En dan ontstaat een nieuw probleem (p.58-59):

Welnu, op het moment dat de theocratie informeel wordt, valt al die ‘uitwendigheid’ weg. De omgang met zichzelf wordt dan al gauw vluchtig en ondefinieerbaar. De sfeer van ‘theocratie’ en ‘vroomheid’ blijft echter, en leeft voort in de ernst van de vrije en verantwoordelijke moderne mens. Uitermate kwetsbaar, zo niet regelrecht bedreigd, is nu echter de grote veronderstelling ervan: dat vrijheid niet kan bestaan tenzij zij zich haar inhoud of ‘waartoe’ of grond laat geven, en dat een mens zich daarop telkens opnieuw moet voorbereiden. Wordt de genoemde vooronderstelling werkelijk niet meer gehonoreerd, dan degenereert soevereiniteit tot willekeur. De logische implicatie van de stand van zaken is dat de moderne democratie steeds de mogelijkheid heeft zich onverhoeds te manifesteren als een bij uitstek verraderlijke constitutie, met name daar waar, dankzij een gepolijst regime van legaliteit en fatsoen, velen zich van geen kwaad meer bewust zijn. Plotseling blijkt dan dat de paragraaf die vandaag nog wet is, morgen geschrapt kan zijn. Heilige ernst en dodelijke ontrouw wisselen elkaar voortaan af alsof het niets is. Een uitwendig regime dat de zaak waarom het gaat op afstand plaatst en door zijn ontnuchterende effect zowel het ene als het andere euvel zou kunnen doorbreken, staat niet meer ter beschikking.

Kant

Immanuel Kant heeft zich ook gunstig over de theocratie in de betekenis die Kal daaraan hecht uitgelaten. Het derde stuk van zijn Religion innerhalb der Grenzen der blossen Vernunft, draagt als titel: Der Sieg des guten Prinzips über das böse und die Gründung eines Reiches Gottes auf Erden (de overwinning van het goede principe over het kwade en de stichting van een Rijk van God op aarde). De stichting van zo’n Rijk acht Kant nodig om de overwinning – waarover Kant zich pessimistisch en met ongerustheid uitlaat – zeker te stellen.

Immanuel Kant (Wikimedia Commons)

Om verantwoordelijk te kunnen zijn in vrijheid, is een morele gemeenschap nodig. Kant neemt als wetgever van die morele gemeenschap een transcendente instantie aan – Gott als moralischer Welturheber (God als oorsprong/schepper/bewerker van de moraal). De hoop op deze transcendente instantie is volgens Kant alleen gerechtvaardigd als de mens doet ‘alsof alles op hemzelf aankomt’ (p.65)

De morele wet waarop Kant doelt is innerlijk. De wet van het Rijk van God is een morele wet, in tegenstelling tot de joodse wetgeving die, zo meent Kant, uit uiterlijke en willekeurige decreten bestaat. Ook Kant construeert hier de tegenstelling tussen innerlijke moraliteit en uiterlijke, door de staat beheerste legaliteit. Bij deze legaliteit worden innerlijke instemming en vrijheid niet verondersteld, anders dus dan bij de morele wet.

Immanuel Kant beschouwt als wezenlijk voor de vorming van het menselijke gemoed, de deugdzame mens, drie dingen (ik volg hier Kal bijna letterlijk):

  1. Deze vorming gaat niet buiten de vrije instemming van de mens om,
  2. Deze vorming gaat buiten de staat om en kan dus niet politiek zijn,
  3. Deze vorming moet ertoe bijdragen dat de burger als individu een vrij en goed mens is.

De morele gemeenschap die langs deze lijnen ontstaat, heeft daarbij tevens een transcendent oriëntatiepunt nodig.

En Kal zegt dan:

Punt voor punt staan deze condities in contrast met de politiek van het gemoed die Spinoza in zijn Theologisch-politiek tractaat (TPT) propageert.

Als de morele vrijheid, de ernst en het besef van verantwoordelijkheid van het individu niet wordt gecultiveerd, kan gemakkelijk achter de façade van fatsoen en legaliteit nihilisme schuil gaan. Kal licht dit toe, en citeert Spinoza uitgebreid. Hij eindigt dan met:

Wanneer Spinoza daarop laat volgen dat “de liefde voor het vaderland de hoogste vorm van plichtsbetrachting is” en dat “het heil van het volk [zoals vastgesteld door de ‘hoogste overheid’] de hoogste wet is, naar welke alle andere wetten, zowel menselijke als goddelijke, zich moeten voegen (TPT 414)” dan is duidelijk dat Spinoza gezien moet worden als een vroege grondlegger van het fascisme. Hem stond voor ogen elke vorm van theocratie grondig te neutraliseren.

Het is duidelijk dat in dit opzicht de Victor Kal van 2020, de schrijver van De list van Spinoza, gelijk is aan de Victor Kal van 2009, de schrijver van Theocratie en Democratie. Wel gebruikt Kal in De list van Spinoza het woord ‘fascisme’ met iets meer terughoudendheid en historische relativering.

Liberale democratie en theocratie hebben elkaar nodig

Vervolgens betoogt Kal dat de theocratie zoals hij die bedoelt, urgent is voor de liberale democratie. Een volstrekt informeel geworden theocratie die van elke traditie is losgekoppeld kan het individu niet langer steunen, waardoor zo’n individu op zichzelf wordt teruggeworpen. Achter een façade van legaliteit en fatsoen blijft er van verantwoordelijkheid en vrijheid weinig meer over, woekert en sluimert het nihilisme, en zal ook de democratie degenereren tot iets dat die naam niet langer verdient. De theocratie kan het nihilisme voorkomen, en kan ook weerstand bieden aan de manipulatieve en demonische schijn-uitweg die demagogen hebben te bieden.

Maar ook het omgekeerde geldt: de liberale democratie is ook urgent voor de theocratie. Het probleem wordt gevormd doordat de liberale democratie een moreel-indifferent domein van ‘onverschilligheid’ creëert die op gespannen voet staat met de ‘vroomheid’ waartoe de theocratie inspireert.

Toch kan deze onverschilligheid, deze onernst, deze speelruimte de theocratie dienen. Voor het individu dat in gemeenschap een relatie cultiveert met een transcendente instantie, waardoor vrijheid, morele ernst en verantwoordelijkheid mogelijk worden gemaakt, de moed ook om af te wijken, en zich niet in de luren te laten leggen door mode, kapitaal, massabeweging en de façade van legelaiteit en fatsoen, kan dat heel belangrijk zijn.

Een ding nog: “Van een transcendente functionaris kan niemand de onberispelijke functionaris zijn”, schrijft Kal op p.70. Oog in oog met een transcendente instantie kan onze ernst niet anders dan luchtige ernst zijn, reden waarom Plato en Kierkegaard de ironie nodig hadden, reden ook waarom de jood niet zonder de joodse humor kan.

Op zijn plaats is steeds een voorbereidend handelen dat het voorgenomen handelen opschort en in het geding brengt ten overstaan van een transcendente instantie.

Koning Saul (Wikimedia Commons)

Kal besluit zijn artikel met de volgende woorden:

“Het blijft zo dat de informele, geïndividualiseerde theocratie aan de basis ligt van de liberale democratie. Ter oriëntatie, ter ondersteuning en ter bescherming van de individuele soevereiniteit die daarin geïmpliceerd is, heeft rehabilitatie van de formele theocratie heden echter de grootste urgentie. Juist de liberale democratie biedt daartoe bij uitstek de gelegenheid: ook de formele theocratie krijgt binnen de maatschappij gestalte, en concurreert derhalve niet met het politieke regime – eerst nu is het mogelijk de wens ‘een koning’ te hebben werkelijk los te laten.”

In de slotzin wordt verwezen naar de wens die het joodse volk uitsprak een koning te hebben, waarna enigszins onwillig Saul, de voorganger van koning David, tot koning werd gekroond, een besluit dat niet in alle opzichten zegenrijk bleek.

Uitgelicht bericht

Victor Kal – De list van Spinoza – 6

Dit is het zesde deel van een beschouwing over het werk van Victor Kal

  1. Enkele gedachten over het werk van de filosoof Victor Kal (link)
  2. Wie was Spinoza (link)
  3. De Spinoza-receptie in Nederland (link)
  4. Victor Kal en De list van Spinoza (link)
  5. Gelijkschakeling (link)
  6. Kals levensbeschouwelijke positie
  7. Theocratie en Democratie (link)
  8. De rehabilitatie van de schuld (link)
  9. De list van Spinoza (link)
  10. Besluit (link)
  11. Geraadpleegde literatuur (link)

6. Kals levensbeschouwelijke positie

Edward Moran, Unveiling of the Statue of Liberty, 1886 (schilderij)

Voor Kal is het moderne vrijheidsbegrip belangrijk: geestelijk vrij zijn, geen slaaf zijn van een massabeweging, ondermaans bestel, materiële zaak of enige vorm van dwang.

Het gevoel of het besef van die vrijheid noemt Kal charme, betovering of openbaring, een geestestoestand die als kenmerken ook verwondering en verlangen heeft. Heel belangrijk is dat die betovering niet is voorbehouden aan mensen die zich met zoveel woorden godsdienstig of religieus noemen. Ook mensen die zichzelf niet-religieus noemen kennen die betovering en kennen die vrijheid.

In een interview in Wapenveld uit 2003 merkte Kal op:

“Wat mij zorgen baart”, zegt Kal, “is de kwetsbaarheid van de moderne mens. Het gevoel dat mensen niet meer zichzelf kunnen zijn, omdat iets anders hun de wet voorschrijft. Het idee dat mensen hun wortels hebben verloren en daardoor gemakkelijk op sleeptouw worden genomen. Dat is wat er gebeurt in onze moderne maatschappij. Mensen denken te leven in een individualistische samenleving. Maar de particuliere identiteit van het individu is flinterdun. We lopen allemaal achter de mode aan. Op het niveau van de waarden, de opvattingen, hebben we persoonlijk nog maar weinig in huis. Het is de vraag, of wij ons nog kunnen verweren als ons leven in het gedrang komt.”

“Deze situatie is niet zo moeilijk te verklaren. Als mensen een binding verliezen met levensbeschouwelijke tradities, worden ze teruggeworpen op zichzelf. Hoe radicaler ze afscheid nemen van hun wortels, des te gemakkelijker worden ze een speelbal van wat zich op het politieke forum voordoet. Ze hebben geen reserve meer waarmee ze kritisch kunnen reageren op iemand die belooft al hun problemen te zullen oplossen. We hebben het gezien met Pim Fortuyn. Hoe zou iemand in zo korte tijd zoveel aanhangers kunnen krijgen, als deze mensen geen zwevend bestaan zouden leiden? Ik wil niet al te pessimistisch zijn, maar soms denk ik dat wij leven in omstandigheden waarin zoiets als het fascisme bij uitstek kan gedijen. Mensen zonder wortels zijn een potentiële prooi van ideologieën.”

Betovering maakt mensen religieus, ongeacht of ze dat erkennen. Om reden dat die betovering ook bij niet-godsdienstige mensen volop voorkomt, spreekt Kal ook niet van de secularisering van de maatschappij; hij spreekt van de secularisering van de religie. De religiositeit verdwijnt niet als de uiterlijke vormen van de godsdienst verdwijnen, maar deze wordt onzichtbaar, en daarmee wordt de algemeen voorkomende religiositeit onbewust en onbegrepen. En met de secularisering van de religie wordt de religiositeit ook onmededeelbaar omdat een gemeenschappelijke taal om erover te spreken verdwijnt.

De betovering brengt idealiter een opdracht met zich mee, de realisering van de vrijheid, en deze wordt in ernst en in verantwoordelijkheid aanvaard. De aanvaarde opdracht is voor iedereen anders en hangt uiteraard ook helemaal van de individuele historische context en de eigen aanleg af.

Voor de instandhouding van de vrijheid en de geestelijke onafhankelijkheid die daarvoor van belang is, als anker voor de morele verantwoordelijkheid en de morele ernst, is het belangrijk om zich te verhouden tot een transcendente, buiten onze wereld gesitueerde instantie.

Kal vestigt daarom vaak de aandacht op de betekenis van de rite, de liturgie, de vaste gewoonten die elke godsdienst kent, en op een gemeenschappelijke taal om over de transcendentie te spreken. Deelname aan de rite is een ‘voorbereidend handelen’ dat een mens in staat stelt te ontdekken waarheen zijn vrijheid hem zou kunnen of zou moeten voeren. Dit voorbereidend handelen maakt hem tevens vrij voor de taak waarvoor zijn ernst en zijn verantwoordelijkheid – het antwoord op zijn betovering – hem plaatsen. Deze deelname stelt een mens ook in staat om stand te houden tegen de druk van materiële en geestelijke modes, tegen de machtsontplooiing door internationaal opererend kapitaal, tegen de massamedia, tegen de kracht van de gelijkschakeling, de collectieve geestdrift die vaak vooraf gaat aan ideologische slavernij.

Kleine toevoeging die niet bij Kal voorkomt: de ‘religieloze godsdienst’ waarvoor Dietrich Bonhoeffer aan het eind van zijn leven in de gevangenisbrieven pleitte (Widerstand und Ergebung), lijkt wel enigszins op het laatste stadium van de onzichtbaarmaking van de godsdienst. Er rest dan immers weinig anders dan terugvallen op het vrome gemoed – er is geen uitwendige rite meer die de mens disciplineert in zijn omgang met de transcendentie.

Uitgelicht bericht

Victor Kal – De list van Spinoza – 5

Dit is het vijfde deel van een beschouwing over het werk van Victor Kal

  1. Enkele gedachten over het werk van de filosoof Victor Kal (link)
  2. Wie was Spinoza (link)
  3. De Spinoza-receptie in Nederland (link)
  4. Victor Kal en De list van Spinoza (link)
  5. Gelijkschakeling
  6. Kals levensbeschouwelijke positie (link)
  7. Theocratie en Democratie (link)
  8. De rehabilitatie van de schuld (link)
  9. De list van Spinoza (link)
  10. Besluit (link)
  11. Geraadpleegde literatuur (link)

5. Gelijkschakeling

Nederlands wetboek, 1940: Per decreet van Adolf Hitler werden in Nederland wetten ingevoerd of aangepast, naar Duits model.

In De list van Spinoza schrijft Kal op p.218:

Welk spoor je ook volgt in het Theologisch-politiek tractaat, telkens kom je uit bij de ‘gelijkschakeling’: een van bovenaf geregisseerde, maar tegelijk van onderaf in vrijheid opgebrachte loyaliteit aan een machtsregime, dat langs die weg borg staat voor de gelijkgerichtheid van de mensen. Daarbij wordt de transcendente oriëntatie van het volk van de ene kant brutaal geëxploiteerd, van de andere kant even gewiekst weer geneutraliseerd.

Dat begrip ‘gelijkschakeling’ is een kernbegrip van het boek, en daarom ook opgenomen in de ondertitel. Gelijkschakeling – Gleichschaltung – heeft in zijn Duitse vorm uiteraard een zeer negatieve en beladen betekenis. In 1933 zorgt Hitler met een reeks wetten dat er “op elk gebied een einde [komt] aan de scheiding der machten en aan de vrijheid zich naar eigen smaak en opvatting te ontwikkelen.” (Website Bij Nader Inzien)

Kal laat daarop volgen:

Aan deze formele, bij wet geregelde gelijkschakeling ligt echter een informele gelijkschakeling ten grondslag die minstens zo belangrijk is: vanwege het talent van de Leider om de geesten van de mensen te absorberen, brengen die mensen de gelijkgerichtheid waarom het de Leider te doen is als het ware zelf tot stand. Dit is het ‘democratische’ aspect van de gelijkschakeling.

Het is dit vermogen van een Leider – een leider die erin geslaagd is om de wil van het volk met een ideologische mythe te belichamen – om het volk met verleidingskunst onder zijn beslag te brengen, en de neiging van een volk om zich door zo’n Leider bij de neus te laten nemen, het vermogen ook van zo’n Leider om de kwalijke gevolgen van de vervolgens onvermijdelijk optredende volksinvloed te ‘neutraliseren’, die een centrale rol spelen in wat Kal ‘de list van Spinoza’ noemt.

De moderne liberale samenleving verwacht iets van mensen, heeft vertrouwen in ze. Mensen worden niet gereduceerd tot hun levensgeschiedenis of afkomst. Vrijheid is hiervoor essentieel, en deze betekent ‘openheid’ en de mogelijkheid tot oorspronkelijkheid. Hiertoe creëert een liberale staat speelruimte voor de burgers, een speelruimte waarin pluriformiteit bestaat en tot bloei kan komen. Deze speelruimte is ook gestoeld op de hoop dat de individualistische burger verantwoordelijkheid op zich neemt.

De list van Spinoza: de grote gelijkschakeling

Het is duidelijk dat Spinoza niet een dergelijke speelruimte op het oog heeft. Bij hem ligt het zwaartepunt bij het machtsregime omdat zijn theologisch-politieke overwegingen uitgaan van een diep wantrouwen in het volk, en eigenlijk ook van diep wantrouwen in de elite. De speelruimte van die elite wordt alleen toegestaan in zoverre deze elite het machtsregime niet ondermijnt (p.219).

De ‘list van Spinoza’ is ook de reden waarom Kal Spinoza op verschillende plaatsen een wegbereider van het ‘fascisme’ noemt, al is ‘fascisme’ op zichzelf genomen natuurlijk een anachronisme, en al blijkt uit de naïviteit van Spinoza’s theologisch-politieke beschouwingen dat hij dat zelf geenszins besefte.

Kal noemt Spinoza daarom premodern en vindt hem bepaald geen wegbereider van het modernisme.

Uitgelicht bericht

Victor Kal – De list van Spinoza – 4

Dit is het vierde deel van een beschouwing over het werk van Victor Kal

  1. Enkele gedachten over het werk van de filosoof Victor Kal (link)
  2. Wie was Spinoza (link)
  3. De Spinoza-receptie in Nederland (link)
  4. Victor Kal en De list van Spinoza
  5. Gelijkschakeling (link)
  6. Kals levensbeschouwelijke positie (link)
  7. Theocratie en Democratie (link)
  8. De rehabilitatie van de schuld (link)
  9. De list van Spinoza (link)
  10. Besluit (link)
  11. Geraadpleegde literatuur (link)

4. Victor Kal en De list van Spinoza

Victor Kal

Een paar woorden ter introductie van Victor Kal en De list van Spinoza.

Victor Kal is als docent filosofie verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, Faculteit der Geesteswetenschappen, Capaciteitsgroep Philosophical Tradition in Context. De link geeft ook een publicatielijst.

Ik maakte voor het eerst kennis met hem door middel van dit filmpje. Kal bekritiseert daarin wat Arnon Grunberg onder de titel Blinde gehoorzaamheid had betoogd in de Abraham Kuyper-lezing 2020. Grunberg had gesproken over Kierkegaard en diens boek Vrees en Beven. In dat boek geeft Kierkegaard een interpretatie van het bijbelse verhaal van Abraham die op weg ging om zijn zoon Izaäk te offeren. In die geschiedenis uit de Thora – in het boek Genesis – werd het vertrouwen van Abraham in de door God gedane belofte van een nieuw land en een talrijk volk zwaar op de proef gesteld.

Die beproeving ging als volgt: Abraham moest kiezen of hij zijn zoon, drager van de belofte, wilde offeren. Hij koos ervoor om dat offer daadwerkelijk te brengen. Dat offer ging na goddelijk ingrijpen op de valreep niet door. Maar door met Izaäk op weg te gaan en alles voor het offer in gereedheid te brengen, inclusief het geheven mes, had Abraham wel de beproeving doorstaan – hij had zonder waarborg zijn toekomst op huiveringwekkende wijze uit handen gegeven, en daarmee ontving hij, in de gestalte van de levende Izaäk, zijn toekomst terug uit handen van God.

Ik herinner me nog uit mijn jeugd een zin die letterlijk voorkomt in de bijbelvertaling uit 1951 (NBG51). Abraham gaat de berg op met zijn zoon Izaäk om hem te offeren – Izaäk weet van niets! – en dan staat er: “Zo gingen die beiden tezamen.” De rillingen liepen mij over de rug. Kierkegaard spreekt niet zonder reden in dit verband van ‘huivering’.

Overigens kan ik me niet herinneren ooit een Kierkegaardiaanse duiding van de kansel te hebben vernomen.

Arnon Grunberg

Op Grunbergs lezing mocht Kal reageren als coreferent. Hij concludeerde op een beschaafde en sympathieke manier dat Grunberg er niet in geslaagd was tot deze Thora-geschiedenis door te dringen, en evenmin tot de zinrijke interpretatie die Kierkegaard aan die geschiedenis gaf, mede omdat hij de specifieke aard van het offer had miskend. Kal wees Grunberg erop dat het verhaal behalve een letterlijke interpretatie – de buitenkant van het mes – ook een andere interpretatie nodig had – de binnenkant van het mes – en dat het niet aanging om Abraham als een ontaarde en gewetenloze vader af te schilderen.

In het gesprek dat Kal en Grunberg naderhand hadden, bleef Kal heel goed overeind; Grunberg was ook hogelijk geïnteresseerd in Kals opvatting en de implicaties ervan.

Voor een aantal publicaties van Kal kunt u de literatuurlijst raadplegen. Ik zal proberen in de afleveringen die hierna komen enkele kernbegrippen uit een paar van die publicaties van Victor Kal beknopt te beschrijven.

Kal is opgegroeid in de Achterhoek in een gereformeerd milieu. Hij brak daarmee toen zijn vader overleed. Na een zoektocht – katholieken, protestanten, antroposofen (Zutphen) – sloot hij zich aan bij een joodse gemeenschap in Amsterdam.

Ten slotte citeer ik een accuraat stukje van de achterflap van De List van Spinoza:

In De list van Spinoza laat filosoof Victor Kal zien dat woorden als ‘vrijheid’ en ‘democratie’ voor Spinoza inderdaad belangrijk zijn, maar in een heel andere richting wijzen dan men meestal denkt. Aan de hand van citaten uit het Theologisch-politiek tractaat bewijst Kal dat Spinoza in dit werk met buitengewoon vernuft een ‘religie’ ontwerpt, in feite een staatsideologie, om het volk daarin met list en bedrog op te sluiten. Stap voor stap maakt Kal de grote ‘gelijkschakeling’ zichtbaar waarvan Spinoza denkt dat je die nodig hebt met het oog op de eenheid van de samenleving. Het ontwerp en de strategie van Spinoza zijn heden aan de orde van de dag, en dat wereldwijd.

Uitgelicht bericht

Victor Kal – De list van Spinoza – 3

Dit is het derde deel van een beschouwing over het werk van Victor Kal

  1. Enkele gedachten over het werk van de filosoof Victor Kal (link)
  2. Wie was Spinoza (link)
  3. De Spinoza-receptie in Nederland
  4. Victor Kal en De list van Spinoza (link)
  5. Gelijkschakeling (link)
  6. Kals levensbeschouwelijke positie (link)
  7. Theocratie en Democratie (link)
  8. De rehabilitatie van de schuld (link)
  9. De list van Spinoza (link)
  10. Besluit (link)
  11. Geraadpleegde literatuur (link)

3. De Spinoza-receptie in Nederland

Volgens Wiep van Bunge (1960), hoogleraar in de geschiedenis van de filosofie, dateert de geestdrift voor Spinoza als kernfilosoof van het modernisme uit de jaren zestig van de twintigste eeuw. Noch de achttiende, noch de negentiende eeuw, noch de eerste helft van de twintigste eeuw hadden het erg druk met Spinoza, ook de positivisten niet. In Spinoza’s eigen tijd was er wel degelijk sprake van een zekere renommée, maar het belang dat aan zijn werk wordt gehecht en zelfs de grote geestdrift voor zijn wijsgerige persoon, is van betrekkelijk recente datum.

In Nederland is de taal- en letterkundige Johannes van Vloten (1818-1883) – domineeszoon en grondlegger van de Nederlandse humanistisch-atheïstische beweging – belangrijk geweest voor de Spinoza-receptie. Hij was bezorger van Spinoza’s verzamelde werken in twee delen, schrijver van een Spinoza-biografie, en ijveraar voor een Spinoza-standbeeld dat in 1880 daadwerkelijk in Den Haag werd onthuld (zie foto). Bij die onthulling hield Van Vloten een toespraak die is uitgegeven onder de titel: “Spinoza de blijde boodschapper der mondige menschheid”.

Aan het Duitse Wikipedia-artikel over Einsteins kosmische Religion ontleen ik de volgende anekdote. In 1929 antwoordde Albert Einstein op de vraag van een New Yorkse rabbijn “Glauben Sie an Gott?”:

Ich glaube an Spinozas Gott, der sich in der gesetzlichen Harmonie des Seienden offenbart, nicht an einen Gott, der sich mit dem Schicksal und den Handlungen der Menschen abgibt.

Deze anekdote treedt regelmatig op in werk van atheïsten met zendingsijver zoals Richard Dawkins, bijvoorbeeld in diens The God Delusion (God als misvatting). God wordt door Einstein als een pantheïstische God opgevoerd, een God dus die samenvalt met de werkelijkheid en die zich openbaart in de complexiteit en de schoonheid van het bestaande. Einstein beriep zich in dit opzicht terecht op Spinoza.

In 2008 werd in Amsterdam het Spinoza-monument opgericht (zie foto), met daarop een korte tekst gegraveerd: Het doel van de staat is de vrijheid. Deze tekst is afkomstig uit het Theologisch-politiek traktaat.

Boris van der Ham (voormalig D66-politicus), die in 2012 afscheid nam als volksvertegenwoordiger, schonk de Tweede Kamer bij die gelegenheid een exemplaar van het Theologisch-politiek traktaat. Een bijbel en een koran hadden de volksvertegenwoordigers in het verleden al eens ten geschenke gekregen. Het was nu tijd voor een werk ‘uit meer seculiere hoek’.

Dirk van Weelden schrijft in 2003 (hij heeft zijn alter ego Michiel gedoopt, en Michiel blijkt een lyrisch oor te hebben voor Spinoza’s proza):

Spinoza’s filosofie is een van taal gemaakt instrument dat ervoor zorgt dat gevoelens, rationele denkbeelden en intuïtieve noties over vrijheid, geluk, rechtvaardigheid, kennis en wijsheid soepel, zonder ruis of storing, samenwerken. Het doel van die samenwerking is het aanmoedigen en helpen ontstaan van een autonoom, levenslustig individu, dat weerbaar is tegen lijden en tegenslag.

Van Weelden heeft ook een bijdrage geleverd aan de kunstmanifestatie My Name is Spinoza – dit is bijvoorbeeld een tekst bij de aankondiging van die manifestatie in 2009: “De ideeën van Spinoza (Amsterdam, 1632) over god en religie, goed en kwaad, rede en emotie vormen de pijlers onder kernwaarden als tolerantie, respect en vrijheid van meningsuiting.”

De Volkskrant-columnist Erdal Balci zond in reactie op Stefan Paas (mei 2020) de volgende tweet de wereld in:

Alles wat mooi is aan de wereld hebben we te danken aan de strijd van Spinoza en de seculieren die zijn pad volgden. Door mensen als jij besef ik iedere dag meer dat er een goede roman over de grootmeester moet komen. Ik ga meteen aan de slag. Bedankt Stefan.

Ayaan Hirsi Ali speaking at the 2016 Conservative Political Action Conference (CPAC) in National Harbor, Maryland.

En Ayaan Hirsi Ali – Infidel van professie – heeft het Spinozahuis nog bezocht, samen met een paar vriendinnen, de dag voordat ze naar Amerika vertrok (1 september 2006). Ze hebben er een fles champagne leeggedronken.

Volgens De historische Canon van Nederland (2006, vernieuwd in 2020), moet Spinoza beschouwd worden als iemand “wiens ideeën over de vrijheid van denken en van meningsuiting belangrijk [zijn] geweest voor de moderne democratie.”

Onder het kopje Tolerantie lezen we in de Canon:

Spinoza is niet de enige die afstand wil nemen van vaststaande denkbeelden en hij krijgt steun van verschillende aanhangers, die zich net als hij losmaken van filosofische en godsdienstige tradities. In zijn Tractatus theologico-politicus geeft Spinoza in 1670 een aanzet tot een vrijere uitleg van de Bijbel. Hij spreekt zich uit voor de democratie en wijst op het grote belang van principiële tolerantie en vrijheid van meningsuiting.

De bekende Britse historicus Jonathan Israel, gerenommeerd schrijver over de Nederlandse zeventiende eeuw, schrijver van een groot tweedelig werk over de Nederlandse Republiek, en schrijver van een aantal werken over de (Radicale) Verlichting, beschouwt Spinoza als de grootste filosoof die ooit heeft geleefd, omdat

  1. hij de bijl legde aan de wortel van het theologisch denken en een scherp onderscheid maakte tussen filosofie en theologie (theologisch denken beschouwde Spinoza überhaupt niet als ‘denken’),
  2. hij de godsdienstige praktijken terug wilde brengen tot een verschijnsel dat geen noemenswaardige verwijzing naar enige transcendentie bezit of impliceert (alleen in naam),
  3. hij de onbetwiste voorvechter zou zijn van de democratie, het vrije denken en de vrijheid van meningsuiting, iemand die de grondslag heeft gelegd voor onze moderniteit.

De opvattingen van Israel hebben een grote weerklank gehad, ze hebben veel enthousiasme gegenereerd, maar ze zijn toch niet geheel onweersproken gebleven. Zie bijvoorbeeld de bespreking die de historicus Rob Hartmans (‘Jonathan Israel, of: het slagveld van de ideeëngeschiedenis’) wijdde aan de Radicale-Verlichtingstrilogie van Israel.

Hartmans opende zijn kritiek op Israels centrale these met een metafoor van de historicus David A. Bell. Deze sprak in een recensie getiteld Where Do We Come From? over de voorzichtigheid die de meeste historici betrachten als ze generalisaties over de geschiedenis naar voren brengen, maar Bell nam ook een ander type historicus waar, een historicus die zich eerder gedroeg als Maarschalk Zjoekov, iemand die zijn manschappen rücksichtslos door een mijnenveld joeg, met zeer veel doden tot gevolg, om daardoor ten slotte zijn doel – Berlijn – gemakkelijker te kunnen bereiken. Volgens Bell – en Hartmans valt hem daarin bij – is Israel meer een historicus van het Zjoekov-type. Hartmans vraagt zich zelfs af of het doel: Berlijn  – dat is bij Israel: de allesbeslissende Radicale Verlichting – wel ergens anders dan alleen in het hoofd van Israel bestaat.

Israel reageerde not amused op deze kritiek, en Hartmans eindigde zijn dupliek met deze zinnen:

Dat Jonathan Israel grote verdiensten heeft voor de geschiedschrijving, en dat zijn boeken een enorme stimulans hebben gegeven aan de bestudering van de Verlichting, staat buiten kijf. Het is alleen jammer dat hij zich sinds 2001 vooral is gaan opstellen als een ideoloog die de heilsboodschap van het radicale, seculiere Verlichtingsdenken erin wil rammen.

Ook Wiep van Bunge polemiseerde in zijn lezingen aan de Vrije Universiteit van Brussel (De Nederlandse Republiek, Spinoza en de radicale Verlichting, 2010) met Israels opvattingen. Hij concludeerde:

Vooral Spinoza’s overtuiging dat onder ‘wijzen’ noodzakelijkerwijs eensgezindheid zal ontstaan, heeft mij altijd benauwd. Het is misschien wel dit onvermogen verschillende intellectuele perspectieven te accommoderen, dat nog wel de meeste twijfel oproept over de geschiktheid van Spinoza als kompas voor de eenentwintigste eeuw. Weer wreekt zich hier, vrees ik, het ontbreken in de Ethica van de epistemologische bescheidenheid die juist in de Verlichting zulke goede diensten bewees.

Spinoza-huis Rijnsburg

De historicus Jan Dirk Snel schreef in een bespreking van Steven Nadler: Spinoza (Historisch Nieuwsblad 8/2001), nadat hij had genoemd hoe bijzonder het was dat in Spinoza’s tijd ontdekt werd dat “de natuur mechanisch begrepen kon worden”:

… En dus draafde Spinoza braaf door en dacht hij dat alles vanuit de rede begrepen kon worden. Hij verwarde causaliteit met noodzakelijkheid. En ethiek probeerde hij wiskundig te funderen.

Een eindje verderop spreekt Snel van “de arrogante betweterij van Spinoza” die alleen nog interessant is voor “dogmatische geesten”. Snel wijst er ook op dat de lof die Israel Spinoza toezwaait, en de blaam die veel orthodoxe protestanten Spinoza toewerpen, bijna gelijkluidend klinkt, en sprekend lijkt op Groen van Prinsterers ‘Ongeloof = Revolutie’.

Rob Hartmans schreef elders (De stamvaders van de  tolerantie – hij sluit zich aan bij de directeur van het Titus Brandsma Instituut en universitair docent aan de Radboud Universiteit Inigo Bocken):

Dat de diepreligieuze Locke een belangrijke wegbereider van de Verlichting was, valt niet te ontkennen. Maar juist radicale Verlichters als Spinoza hebben de Verlichting een antireligieuze richting opgestuwd. Met Bocken kan men zich afvragen of dit, zoals Israel beweert, alleen maar positief is geweest. Het precaire evenwicht tussen religie en politiek, zoals dat door Locke is beschreven, wordt uiteraard volledig verstoord als een van beide pijlers wordt weggevaagd. Als de heilsverwachting niet meer gescheiden is van de politiek, maar wordt beschouwd als quantité négligeable, als iets wat er niet zou behoren te zijn, is de kans groot dat het juist weer de politiek wordt binnen gesmokkeld. De twintigste eeuw heeft laten zien hoe rampzalig een dergelijk politiek messianisme is.

Op dit punt gaat Victor Kal nog een stap verder: de heilsverwachting wordt in het Theologisch-politiek tractaat niet alleen quantité négligeable, maar wordt opgevoerd in een verleidelijke schijngestalte. Deze schijngestalte wordt vervolgens aan het volk – van welks vermogen tot nadenken Spinoza minder dan niets verwacht – voorgehouden en ook opgelegd, met als doel om dat volk, moreel gesproken, in een vrijwillig aanvaard keurslijf te houden.

De sympathie die Frits Bolkestein en J.L. Heldring bij leven voor het christendom voelden, lijkt (naast een zekere nostalgie) op vergelijkbare overwegingen te berusten: aan een losgeslagen volk heb je niks. Overigens heeft Heldring herhaaldelijk gewezen op de altijd aanwezige mogelijkheid van een fascistische ontaarding van de democratie.

Spinoza voor het lyceum in Amsterdam-Zuid

Enfin, onder sommige vakgenoten lijkt Jonathan Israels jubelende Spinoza-beeld nogal wat scepsis te ontmoeten. In het publieke debat lijkt de sterk opgekomen en ronduit positieve reputatie van Spinoza nauwelijks omstreden.

Het is verleidelijk om te speculeren hoe dat komt. Mijn voorzichtige hypothese luidt dat er bij Israel sprake is van een vlucht naar voren: anders dan het liberale secularisme wil – het meerderheidsstandpunt van de geseculariseerde Noordwest-Europese protestantse wereld – is de godsdienst niet zozeer aan een terugtocht bezig, maar beleeft deze misschien zelfs een bescheiden réveil. In ieder geval is de religie – ook onder invloed van een nadrukkelijk aanwezige islam – teruggekeerd in het publieke debat, zij het vooralsnog op een vrij verwrongen manier. Aan dat mogelijke réveil, die terugkeer, die misstand moet een beslissend ‘halt’ worden toegeroepen. Dat ‘halt’ is Spinoza

Uitgelicht bericht

Victor Kal – De list van Spinoza – 2

Dit is het tweede deel van een beschouwing over het werk van Victor Kal

  1. Enkele gedachten over het werk van de filosoof Victor Kal (link)
  2. Wie was Spinoza
  3. De Spinoza-receptie in Nederland (link)
  4. Victor Kal en De list van Spinoza (link)
  5. Gelijkschakeling (link)
  6. Kals filosofische stellingname (link)
  7. Theocratie en Democratie (link)
  8. De rehabilitatie van de schuld (link)
  9. De list van Spinoza (link)
  10. Besluit (link)
  11. Geraadpleegde literatuur (link)

2. Wie was Spinoza?

Tractatus theologico-politicus – ed. 1670

Dit is deel 2 van een serie. De introductie tot deze reeks afleveringen over Victor Kal, De list van Spinoza, Amsterdam: Prometheus 2020, kunt u hier nalezen.

In onze tijd is Benedictus de Spinoza (1632-1677) zonder twijfel de bekendste Nederlandse filosoof van de zeventiende eeuw. Hij was van portugees-joodse afkomst; hij stamde af van sefardische joden. Zijn bekendste werken zijn de Tractatus theologico-politicus (Theologisch-politiek traktaat) en de Ethica.

Een goede introductie tot Spinoza’s leven en werk biedt de historicus Rob Hartmans in zijn artikel: Baruch de SpinozaDe Groene Amsterdammer, nr. 2, 10 januari 1996.

Het Theologisch-politiek tractaat is een verhandeling waarin Spinoza de ideale verhouding tussen godsdienst en samenleving beschreef. De Ethica is een streng opgebouwd moraalfilosofisch werk waarin hij een levensleer ontvouwde. Volgens sommigen was hij een volbloed-atheïst; anderen nemen wat hij bijvoorbeeld aan het slot van de Ethica schrijft over het ‘heil’ van de wijze dat uiteindelijk gevonden wordt in de ‘amor intellectualis Dei’ wel serieus (Wiep van Bunge). Hij schreef in het Latijn.

Spinoza – Den Haag (Wikimedia Commons)

Wat zijn godsdienstige opvattingen betreft is het goed om te vermelden dat hij God en de Natuur (of de Natuurlijke Orde) aan elkaar gelijk stelde. Zijn godsbeeld was onpersoonlijk en immanent: God valt samen met, en bevindt zich dus niet boven of buiten de voor ons kenbare werkelijkheid, en God bezit geen persoonlijke, mensgelijkvormige eigenschappen.

Omdat Spinoza’s denkbeelden in zijn tijd en zijn omgeving niet in goede aarde vielen, werd hij verbannen uit de joodse gemeenschap, en week hij als 23-jarige uit van Amsterdam naar Rijnsburg (1661-1663). Daar bedreef hij filosofie en voorzag hij in zijn levensonderhoud met het slijpen van microscooplenzen. Het Spinozahuis in Rijnsburg kan tot op de huidige dag worden bezocht als een museumpje met gereconstrueerde bibliotheek. Later kwam Spinoza, via Voorburg, terecht in Den Haag.

Spinozahuis Rijnsburg

Het was Spinoza’s doel om filosofie en theologie zo strikt mogelijk te scheiden: de godsdienstige veelkleurigheid, en met name de felle en militante twisten die tussen de godsdienstige groepen in zijn tijd werden gevoerd, baarden hem zorgen, ook met het oog op de stabiliteit van de jonge Republiek. En stabiliteit was nodig om zich ongestoord aan de filosofie, de beschouwing van God of de Natuurlijke Orde, te kunnen wijden.

Uitgelicht bericht

Victor Kal – De list van Spinoza – 1

Dit is het eerste deel van een beschouwing over het werk van Victor Kal

  1. Enkele gedachten over het werk van de filosoof Victor Kal
  2. Wie was Spinoza (link)
  3. De Spinoza-receptie in Nederland (link)
  4. Victor Kal en De list van Spinoza (link)
  5. Gelijkschakeling (link)
  6. Kals levensbeschouwelijke positie (link)
  7. Theocratie en Democratie (link)
  8. De rehabilitatie van de schuld (link)
  9. De list van Spinoza (link)
  10. Besluit (link)
  11. Geraadpleegde literatuur (link)

1. Enkele gedachten over het werk van de filosoof Victor Kal

Victor Kal

N.a.v. de verschijning van Victor Kal, De list van Spinoza, de grote gelijkschakeling, Amsterdam: Prometheus 2020.

Friedrich Nietzsche publiceerde ooit een bundel onder de titel Unzeitgemäße Betrachtungen.

Het boek dat de directe aanleiding vormt voor de beschouwing waarvan u nu de eerste aflevering onder ogen heeft – het in 2020 uitgekomen boek van de Amsterdamse filosoof Victor Kal (1951): De list van Spinoza, de grote gelijkschakeling – kan zonder overdrijving unzeitgemäß (oneigentijds) worden genoemd: het is een boek dat wijdverbreide en moderne ideeën over Spinoza ernstig relativeert. Misschien is het zelfs beter te zeggen dat Kal deze ideeën weerlegt.

Deze reeks afleveringen komt voort uit mijn bestudering van een deel van het wijsgerige werk van Victor Kal. Zijn bezorgdheid deel ik: het morele nihilisme dat schuil gaat achter een façade van legaliteit en fatsoen, de bijna totale verdwijning in de westerse wereld van de godsdienstige riten die bewustwording, beleving en openbaring van het religieuze leven bemoeilijkt, de grootkapitalistische en fascistische ontaardingen van de democratische rechtsorde die als gevolg van voornoemd nihilisme kansen krijgen.

De list van Spinoza

Het is misschien goed er meteen op te wijzen dat de ‘conservatieve revolutie’ (de term is innerlijk tegenstrijdig) die al een paar decennia gaande is, zich ook voedt met deze ongerustheid. Met deze ‘conservatieve revolutie’ heb ik geen affiniteit. Ik ben voor een liberale democratische rechtsorde die alle elementaire vrijheden garandeert, aansluiting zoekt bij internationale verbanden, ernaar streeft om aan een internationale rechtsorde bij te dragen. En ik heb een hekel aan complotdenken, xenofobie en ergdenkendheid. Ten slotte: het sjibbolet dat ‘vrijheid van meningsuiting’ heet, spreek ik steevast verkeerd uit.

Klein intermezzo: het begrip Conservatieve Revolutie gebruikte men aanvankelijk voor de stellingname van een bonte verzameling denkers die zich ruwweg tussen 1850 en 1950 manifesteerden. Ze keerden zich tegen het moderne individualisme en het moderne liberalisme: Carl Schmidt, Richard Wagner, Oswald Spengler, Ernst Jünger, Isaäc da Costa, Carel Gerretson. Gemeenschap wordt belangrijker geacht dan het individu, ze streven naar meer autoriteit, ze proberen de tegenstelling tussen maatschappij en staat op te heffen. Moderne conservatieve revolutionairen met nationalistische doelstellingen waren/zijn Pim Fortuyn, Thierry Baudet en Bart Jan Spruyt. De meesten flirten met het christendom zonder zich eraan te committeren (geldt niet voor Spruyt).

Ik noemde allereerst Nietzsche. Het drama van Nietzsche – de dood van God – is in zekere zin ook het drama van Kal, alleen werkt hij, zo lijkt het, de andere kant op. Bovendien beschrijft Kal het drama met een zekere luchtigheid en didactische kalmte, al schemert een echte ongerustheid door zijn woorden heen. Nietzsche moet daarbij vergeleken eerder theatraal genoemd worden, zelfs theatraal par excellence, om een van zijn geliefde uitdrukkingen te gebruiken.

Misschien is ook die tegenstelling schijn, en hebben ze beiden – Nietzsche en Kal – het culturele gemis in beeld gebracht dat met de bijna onzichtbaar-wording van het christendom in de westerse wereld begon: ze brengen verschillende kanten van dezelfde kloof in kaart: Nietzsche het gemis; Kal de noodzaak van een verhouding tot een transcendente oorsprong die ons besef van vrijheid steeds weer hernieuwt en die onze morele ernst schraagt.

Friedrich Nietzsche

Het is daarbij van belang te beseffen dat Kal een filosoof is. Hij is geen zendeling of theoloog, er is geen godsdienstig belang, er is geen godsdienst die wordt voorgetrokken. Wel meent hij dat het monotheïstisch uitgangspunt er wezenlijk toe doet.

Kal is van mening dat een transcendent oriëntatiepunt waartoe (of tot wie) de mensen zich in rite en met een bepaalde taal verhouden, van belang is om bewuste en vrije mensen te blijven die zich niet laten gelijkschakelen door een Leider die hen met een ideologisch of pseudoreligieus ideaal verleidt, waarna zo’n Leider diezelfde mensen pseudo-democratisch inschakelt voor zijn machtsdoeleinden – en dit is precies het programma van Spinoza waartegen Kal zich verzet. Kal beroept zich daarvoor op een aantal belangrijke denkers uit de geschiedenis van de filosofie: Plato, Kierkegaard, Heidegger, Kant, Derrida.

Spinoza heeft zich sinds de jaren zestig van de twintigste eeuw gaandeweg ontwikkeld tot een seculiere heilige, iemand die de wereld – godlof! Spinoza handhaafde de godvruchtige teksten – heeft ontdaan van goddelijke bemoeienis, met als gevolg dat veel moderne verworvenheden, zoals materialistische verklaringen voor verschijnselen, democratie, mensenrechten, tolerantie, gelijkheid en vrijheid van meningsuiting konden bloeien.

Benedictus de Spinoza

Victor Kal is er niet zo van overtuigd dat al die mooie dingen daadwerkelijk uit Spinoza’s filosofie voortvloeien. Hij beschouwt Spinoza onomwonden als een filosoof die elke vorm van aanraking met het goddelijke probeert te dwarsbomen, die het volk minacht, die premodern is, en dus geen werkelijk besef heeft van het moderne vrijheidsidee, die ronduit antiliberaal is, die onbewust een aantal grondslagen heeft gelegd voor de fascistische ontaarding van de democratie waarvan we onder andere in de twintigste eeuw getuige waren, en mogelijk ook nu weer opnieuw getuige zijn.

Wat in een aantal afleveringen volgt – ik zet vanaf vandaag elke dag een nieuwe aflevering op mijn website – is geen recensie. Ik ben een amateur reader, ongeschoold in de geschiedwetenschap, en ik ben tevens een filosofische dilettant. Maar ik lees soms wel met veel interesse en aandacht een historische of wijsgerige verhandeling. Als laatste aflevering treft de lezer een overzicht aan van de bronnen die ik heb gebruikt.

Ik geef in de volgende aflevering een paar summiere feiten over leven en werk van Spinoza, de filosoof wiens theologisch-politieke opvattingen het onderwerp vormen van De list van Spinoza. En ik vertel in de daarop volgende aflevering iets over de Spinoza-receptie in Nederland.

Ik wijd ook een paar afleveringen aan ouder werk van Victor Kal, de schrijver van het boek, voorheen filosoof aan de Universiteit van Amsterdam, een man die actief verbonden is met de joodse godsdienstige traditie. Ik ken de auteur niet persoonlijk.

Spinoza-monument in Amsterdam

De voornaamste gedachten van De list van Spinoza komen in de diverse afleveringen aan de orde. Ik heb er naar gestreefd geen filosofisch jargon te gebruiken, maar ben er niet geheel aan ontkomen bepaalde begrippen die af en toe bij Kal terugkeren en die hij een specifieke betekenis geeft, te introduceren en soms beknopt toe te lichten.

Eén opmerking nog aan het eind van deze introductie: het is niet mijn doel om iemand ertoe te brengen de standbeelden en monumenten die aan Spinoza zijn gewijd omver te halen. Ook hoeven er geen waarschuwende bordjes bij die monumenten te worden gezet. Hij was een zeer bijzondere historische figuur, een filosoof die onze geschiedenis heeft beroerd, die geesten heeft bewogen, en die zijn plaats in de geschiedenisboeken verdient. Maar wie dat hardop zegt, zegt daarmee niet dat hij bewonderd moet worden om de verkeerde redenen.

Uitgelicht bericht

Sonnet 146 – Shakespeare

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is shakespeare_oval-cropped-1.png
Olieverfschilderij van William Shakespeare, waarschijnlijk geschilderd door John Taylor in 1610

De Engelse dichter, toneelschrijver en acteur William Shakespeare (1564-1616) wordt algemeen beschouwd als een van de grootste dichters die ooit heeft geleefd. Naast toneelwerk in verzen heeft hij ook 154 sonnetten geschreven die al vaker in het Nederlands vertaald zijn. Veel van die vertalingen zijn ook wel online te vinden.

Sonnet 146 is één van de laatste gedichten in de sonnettenreeks, en algemeen wordt aangenomen dat Shakespeare dit sonnet gericht heeft aan The Dark Lady, de zwarte dame. Over die dame weten we niet bijzonder veel. Wel is duidelijk dat Shakespeare met zijn beeldspraak optutten, ijdel vertoon voorstelt als iets van geringe waarde, en de voeding van de ziel als uiterst waardevol. En de teloorgang van het lichaam kan zelfs voeding zijn voor de ziel, waardoor de dood wordt overwonnen.

De sonnetvorm bij Shakespeare wijkt enigszins af van het Italiaanse sonnet dat door Petrarca is vervolmaakt. Het Shakespeareaanse sonnet telt drie kwatrijnen en een afsluitend distichon. De wending, cesuur of volta bevindt zich niet na het tweede kwatrijn – zoals bij Petrarca – maar tussen de drie kwatrijnen en de afsluitende slotregels.

In mijn vertaling heb ik in twaalf van de veertien versregels de vijfvoetige jambe (tien of elf lettergrepen, afhankelijk van het rijm – staand of slepend) vervangen door de zesvoetige jambe (twaalf of dertien lettergrepen, idem).

Over dit gedicht wordt vaak gezegd dat het een van de weinige gedichten is in Shakespeare’s oeuvre met een religieuze strekking, iets wat ik overigens betwijfel.

Het gedicht lijkt duidelijke toespelingen op de bijbel te bevatten, in de zin dat het verheerlijken van ijdel vertoon en het opmaken van het lichaam wordt verworpen, en er veel waarde wordt gehecht aan het voeden van de ziel met zaken die tijdloos zijn, waarmee – getuige het afsluitende distichon (de twee slotregels) – zelfs de dood onschadelijk wordt gemaakt.

Maar uiteraard ontbreekt de Shakespeareaanse ironie nooit helemaal.

In het Engelse Wikipedia-artikel over dit sonnet wordt ook een link gelegd met Psalm 146, een link die in mijn ogen op getalsmatige toeval berust.

Hier treft u een vrij goede toelichting op het sonnet aan, met een heldere en uitvoerige uitleg per zin.

In regel twee is in de eerste druk van de uitgave van de Sonnetten een zetfout gemaakt. De laatste drie woorden van de eerste regel – ‘my sinful earth’ – werden herhaald als de eerste drie woorden van de tweede regel. Dat klopt sowieso niet, en het klopt ook niet met de lettergreeptelling. Er is door heel veel redacteuren en commentatoren gegist wat er moet staan. Ik heb in deze vertaling op grond van persoonlijke voorkeur voor ‘[Why feed’st]‘ gekozen, maar het is goed om te bedenken dat er ook iets heel anders bedoeld kan zijn. Het woord ‘array’ aan het eind van de tweede regel kan zowel ‘in slagorde opstellen’ als ‘fraai uitdossen’ betekenen.

Voor de Engelse tekst volg ik de uitgave van de sonnetten in de reeks The Arden Shakespeare, met uitzondering van de genoemde keuze voor de eerste twee woorden van regel 2. Genoemde Arden-editie heeft: ‘Feeding these’. Peter Verstegen koos voor: ‘Repel these’. De Engelse acteur en filmproducent Sir Patrick Stewart draagt hier het gedicht voor met – als ik goed heb geluisterd – op die plaats de woorden ‘Pressed by’.

Vertaling:

Sonnet 146

O ziel, kern van mijn zondige, stoffelijke aard,
waarom toch voed je dwarsheid die laat paraderen,
waarom toch kwijn je weg, is ’t nodige zo schaars,
en schilder je jouw buitenmuur in dure kleuren?

Waarom toch zou je, met zo’n kort contract, zo gul
spenderen aan een landhuis dat vergaat?
Zal de aardworm, erfgenaam van deze overdaad,
er straks van smullen? Is dat van ‘t sterfelijk lijf het doel?

Mijn ziel, trek toch profijt van dienaars diepe smart,
en laat zijn pijn steeds jou tot voordeel zijn.
Koopt hemelse schatten op de markt van schuim en as;
weest innerlijk welgevoed, uitwendig zonder schijn.

Dus voed je met de dood, die zich met mensen voedt;
geen mens die – als de dood straks dood is – sterven moet.

Origineel:

Sonnet 146

Poor soul, the centre of my sinful earth,
[Why feed’st] these rebel powers that thee array,
Why dost thou pine within and suffer dearth,
Painting thy outward walls so costly gay?

Why so large cost, having so short a lease,
Dost thou upon thy fading mansion spend?
Shall worms, inheritors of this excess,
Eat up thy charge? Is this thy body’s end?

Then, soul, live thou upon thy servant’s loss,
And let that pine to aggravate thy store;
Buy terms divine in selling hours of dross,
Within be fed, without be rich no more
:

So shalt thou feed on death, that feeds on men,
And death once dead, there’s no more dying then.

Uitgelicht bericht

Het model – W.H. Auden

De dichter Wystan Hugh Auden (1907-1973) groeide op in Engeland, ging vlak voor de Tweede Wereldoorlog naar Amerika, ontving zijn opvoeding in een Anglicaans gezin, hield aanvankelijk van Freud, een tijdje halfhartig van Marx, keerde gerijpt terug naar het geloof van zijn jeugd, schreef gedichten, libretti en toneelteksten, en wordt veelal beschouwd als een van de grootste Engelse dichters in de twintigste eeuw.

Wie meer wil weten over Auden kan elders op mijn website terecht. Ik houd veel van zijn werk en heb al aardig wat vertalingen van zijn gedichten gemaakt. Peter Verstegen – een gelauwerd vertaler – heeft hier een Ten Geleide bij het vertalen van Auden gepubliceerd.

En hier maakte Verstegen een (naar mijn smaak) geslaagde vertaling van The Model openbaar.

Met betrekking tot dit gedicht is het nog wel goed om te vermelden dat de homoseksuele Auden vanaf zijn studietijd, de tijd dat hij zichzelf losmaakte van de afkeer die zijn milieu had jegens homoseksualiteit, de sterke neiging had – een neiging die hij gedurende zijn leven grotendeels heeft behouden – om te denken dat psychische verkramptheid, neurosen, het onvermogen om je te bevrijden van dat wat je belemmert, een onmiskenbaar effect heeft op je lichaam, op je fysieke gesteldheid, en dus op de kans dat je akelige ziekten (zoals kanker) ontwikkelt.

Alfred Binet (1857-1911) was een Franse psycholoog naar wie de Stanford-Binet-intelligentieschaal is genoemd, de eerste intelligentietest. Hermann Rorschach was een Zwitsers psychiater die de inktvlektest ontwikkelde. Uit de resultaten van deze test konden psychische eigenaardigheden van de testpersoon worden afgeleid zonder dat deze het zelf besefte.

Dit gedicht vertaalde ik al in 1998. Hierbij de publicatie met een paar kleine aanpassingen.

Vertaling:

Het Model

Wie in nette heren verleiders ziet, of in een verlegen
meisje de angst voor een afwijzing leest,
beseft wel terdege,
dat iets uit handpalm, handschrift of gezicht te halen
een zaak is van vertalen;
maar dit oude dameslichaam geeft haarscherp een beeld van haar geest.

Ook zonder Rorschach of Binet begrijpt de grootste dwaas
van haar krasheid en fiere verschijning de taal;
want als je de tachtig haalt
maakt zelfs een ietsie-pietsie vrekkigheid
dat je aan duizend kwalen lijdt,
en zonder mankeren blijkt een korreltje wanhoop fataal.

Of de stad zich ooit bezatte aan haar boezem, ze evident
een dame was met faam en hippe habitus
in kerkelijke kring, en grondig werd verwend
door haar echtgenoot, of ze haar zoon verloor,
dat alles verdween en ging teloor
wat ook gebeurde, ze is er nog, ze vergaf, ze werd wat zij is.

Zo kan de schilder zijn gang gaan: een Engelse tuin wellicht,
Chinese rijstvelden, een grootstedelijke wildernis,
de lucht donker maken of licht,
haar afzetten tegen groen pluche of een rode muur,
eenheid verleent ze aan elk decor,
door het oog te richten op wat waarlijk menselijk is.

Origineel:

The Model

Generally, reading palms or handwriting or faces
Is a job of translation, since the kind
Gentleman often is
A seducer, the frowning schoolgirl may
Be dying to be asked to stay;
But the body of this old lady exactly indicates her mind;

Rorschach or Binet could not add to what a fool can see
From the plain fact that she is alive and well;
For when one is eighty
Even a teeny-weeny bit of greed
Makes one very ill indeed,
And a touch of despair is instantaneously fatal:

Whether the town once drank bubbly out of her shoes or whether
She was a governess with a good name
In Church circles, if her
Husband spoiled her or if she lost her son,
Is by this time all one.
She survived whatever happened; she forgave; she became.

So the painter may please himself; give her an English park,
Rice-fields in China, or a slum tenement;
Make the sky light or dark;
Put plush green behind her or a red brick wall.
She will compose them all,
Centering the eye on their essential human element.

Uitgelicht bericht

Avond – R.S. Thomas

Boogschutter

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de subtiele schilderes Mildred Eldridge (1909-1991).

Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).

Een aardig artikel over Thomas’ leven en werk is van de hand van Theodore DalrympleA Man Out of Time.

Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.

Het onderhavige gedicht was één van de gedichten waarop Thomas zelf erg was gesteld, en dat ook is voorgedragen op zijn begrafenis.

Het werd gepubliceerd in No Truce with the Furies (Newcastle upon Tyne : Bloodaxe Books, 1995).

Vertaling:

Avond

De boogschutter die aanlegt
met de pijl van de tijd – heeft hij z’n pees
gebroken nu de regenboog
zo roerloos hangt boven ons dorp?

Laat ons daar staan, even, in de korte spanne
tussen onze verwondingen, tot de stilte
van goud wordt, en liefde ons
overstroomt in een eeuwig moment.

Origineel:

Evening

The archer with time
as his arrow – has he broken
his strings that the rainbow
is so quiet over our village?

Let us stand, then, in the interval
of our wounding, till the silence
turn golden and love is
a moment eternally overflowing.

Uitgelicht bericht

Ik preekte over grote dingen – R.S. Thomas

rs_thomas_01

R.S. Thomas

Ik heb in het verleden al een vrij groot aantal gedichten van de dichter Ronald Stuart Thomas vertaald. Als u iets meer wilt weten van zijn achtergrond, dan verwijs ik u graag naar berichten die ik al eerder geschreven heb, bijvoorbeeld hier.

Hier kunt u de voordracht beluisteren die Thomas van dit gedicht gaf.

Ik vrees dat ik het aantal lettergrepen van het origineel vrij ver heb overschreden.

Dit gedicht komt uit de bundel The Echoes Return Slow (1988).

Vertaling:

Ik preekte over grote dingen

Ik preekte over grote dingen
in een kleine gemeente. Kleingeestig
zal ik niet zeggen, sommigen
hadden diepten waarvoor ik terug-
deinsde, welputten waarin je het
wegstervende woord ‘God’ laat vallen,
en waarin het, zover ik weet, alsmaar
verder valt. Wie erheen gaat
voor water, moet rekenen op een lange
zit. Hun ogen keken me aan
als de restanten van bloemen
op een oud graf. Ik kwam er,
voelde ik, om sintels aan te blazen
die reeds lang waren afgekoeld. Vaak,
als ik meende dat ze op het punt stonden
om zich voor me te ontsluiten, kwam
de tocht uit hun lege ruimten me
suizend tegemoet, en wikkelde ik mijzelf
in het gewichtiger gewaad van mijn roeping,
sprekend van licht en liefde in de steeds
zwaardere schaduwen van hun keukens.

Origineel:

I was vicar of large things

I was vicar of large things
in a small parish. Small-minded
I will not say, there were depths
in some of them I shrank back
from, wells that the word ‘God’
fell into and died away,
and for all I know is still
falling. Who goes for water
to such must prepare for a long
wait. Their eyes looked at me
and were the remains of flowers
on an old grave. I was there,
I felt, to blow on ashes
that were too long cold. Often,
when I thought they were about
to unbar to me, the draught
out of their empty places
came whistling, so that I wrapped
myself in the heavier clothing
of my calling, speaking of light and love
in the thickening shadows of their kitchens.

Uitgelicht bericht

Het duurde eeuwig en het duurde even

Ze waren warm, en, ja, ze wilden leven.
Liefde wilden ze, voedsel, nutteloosheid,
ze spartelden, ze knuffelden zo-even.

Het noodlot blijft aan kleine dingen kleven.
Ze dansten in hun kooi van zorgeloosheid,
ze waren warm, en, ja, ze wilden leven.

Het duurde eeuwig en het duurde even,
alsof je in een rijpe abrikoos snijdt …
Ze spartelden, ze knuffelden zo-even.

Het mes zal wat het nam niet kunnen geven.
Het hachelijke leven in zijn broosheid.
Ze waren warm, en, ja, ze wilden leven.

De snoetjes hielden niet bepaald van sneven.
O, koene snijders in verstand en boosheid!
Ze spartelden, ze knuffelden zo-even.

Het snoer viel niet in liefelijke dreven.
Gebod voor wie aan dit memento schrijft:
“Ze waren warm, en, ja, ze wilden leven,
ze spartelden, ze knuffelden zo-even.”

(Eigen werk)

Uitgelicht bericht

Golven kijken

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die ook in Wales woonde en werkte als een Anglicaans priester. Hij was een groot natuurliefhebber, had een vrij vergaande afkeer van moderne zaken die hij vond afleiden van waar het in het leven echt om ging, en hij schreef in het Engels.

Een aardige bespreking door Theodore Dalrymple van zijn biografie – Byron Rogers, The Man Who Went into the West: The Life of R. S. Thomas, Aurum Press – vindt u hier.

Hij was een merkwaardige, eenzelvige figuur die prachtige gedichten schreef, getrouwd was met de schilder Mildred (Elsi) Eldridge, aan wie hij een paar fraaie gedichten heeft gewijd – zie elders op dit blog (bereikbaar via het menu op de hoofdpagina, onder de naam R.S. Thomas).

Kingsley Amis – zeker geen geestverwant – schreef dat zijn poëzie “reduces most modern verse to footling whimsy” (=triviale gekkigheid). Hij is in Nederland niet zeer bekend. John Betjeman meende dat Thomas’ poëzie nog gelezen zou worden lang nadat zijn gedichten zouden zijn vergeten.

Het gedicht Sea-watching is een karakteristiek gedicht in Thomas’ oeuvre: bidden, afwezigheid, zee, vogels. Thomas was een vogelaar. In dit gedicht kijkt hij uit over de zee – het lijkt een terugkeer te betreffen. Zijn ogen zoeken vergeefs naar de vogel die zich niet vertoont. De schoonheid van dit alles is zo overweldigend dat de afwezigheid van de vogel er bijna niet meer toe doet. Het gedicht behandelt hiermee het thema van de Via Negativa op een gedempte manier: zie elders op dit blog.

De titel luidt dan ook Sea -watching en geen ‘Bird-watching’, Golven kijken en geen ‘Vogels kijken’.

Het gedicht is opgenomen in de bundel Laboratories of the Spirit, uitgegeven bij Macmillan in Londen (1976).

(Met dank aan deze dichter en Twitter-collega voor het aanreiken van de vertaling van ‘omwoond’ voor ‘habited’.)

Vertaling:

Golven kijken

Grijze wateren, uitgestrekt
                               als de gebedscontreien
die je betreedt. Dagelijks,
                               gedurende een aantal jaren,
liet ik het oog erop rusten.
Was er iets waarop ik wachtte?
                               Niets gebeurde
behalve dat onophoudelijke aanrollen
                               van doelloze
golven.
                               Ah, maar een vogel die je haast nooit ziet,
zie je haast nooit. Hij komt pas
als je niet kijkt, op een moment
                              dat je er niet bent.
Je moet je ogen verslijten,
zoals een ander zijn knieën.
                               Ik werd de kluizenaar
van de rotsen, omwoond door de wind
en de mist. Er waren dagen –
zo prachtig was de leegte
die hij had kunnen vullen –
                              dat z’n afwezigheid
was als z’n aanwezigheid; zo onlosmakelijk
zijn die twee, dat in mijn verwoede geest,
na het lange vasten,
                              mijn kijken met bidden versmolt.

Origineel:

Sea-watching

Grey waters, vast
                              as an area of prayer
that one enters. Daily
                              over a period of years
I have let the eye rest on them.
Was I waiting for something?
                              Nothing
but that continuous waving
                              that is without meaning
occurred.
                              Ah, but a rare bird is
rare. It is when one is not looking
at times one is not there
                              that it comes.
You must wear your eyes out,
as others their knees.
                              I became the hermit
of the rocks, habited with the wind
and the mist. There were days,
so beautiful the emptiness
it might have filled,
                              its absence
was as its presence; not to be told
any more, so single my mind
after its long fast,
                              my watching from praying.

Uitgelicht bericht

De zomen van het leed

Tijdens de bosrand valt de avondzon.
Er is een uil die in zijn stilte vliegt.
Ik hoor een stem die samenzwerend liegt.
(Misschien denkt u dat ik wel zonder kon.)

Het gif schuilt onmiskenbaar in de bron.
Al wat gebeurd is, heeft ons zeer gegriefd.
‘Misschien dat u een rode twist belieft?’
Een woord is geen partij voor het kanon.

Het blanke leven is niet steeds naar wens.
Verwoesten is wat ik in zwartheid deed.
Het leven kent een prikkeldraden-grens.

Verwijt mij nooit wat ik mijzelf verweet.
Ik maak – kent u nog rare bohemiens? –
een fietstocht naar de zomen van het leed.

(Eigen werk)

Uitgelicht bericht

De Elfenkoningin (Proloog Boek 2) – Edmund Spenser

Edmund Spenser (1552/1553 – 1599) was een Engels protestants dichter uit de zestiende eeuw. Hij was ruim tien jaar ouder dan Shakespeare (1564-1616), en ze waren dus tijdgenoten. Beiden waren jonger dan ik nu ben (geb. 1964) toen ze stierven.

Maar voor hun poëzie geldt misschien wel een tweetal regels van Ida Gerhardt, ontleend aan Twee Uur, de klokken antwoordden elkaar:

… wat ontsprong aan hun verwondering
en stralend de millennia doorscheen

Spensers bekendste werk is The Faerie Queene. Dat is een episch gedicht dat heldenverhalen vertelt, en het is ook een allegorisch gedicht waarin gepersonifieerde begrippen worden opgevoerd. The Faerie Queene is één van de langste gedichten in het Engelse taalgebied.

Een Faerie Queene is een elfenkoningin, een feeënkoningin, een koningin van sprookjesland. Het lange gedicht is opgedragen aan Elizabeth I, en kan ook gelezen worden als een eerbetoon aan de vorstin, naast de allegorische uitbeelding van een flink aantal ridderlijke deugden.

In 1590 kwamen de eerste drie boeken van The Faerie Queene uit, en in 1596 opnieuw drie boeken. Het voornemen lijkt te zijn geweest twaalf boeken te laten verschijnen, maar we beschikken alleen over de eerste zes.

Het vertaalde gedicht is een proloog die tevens een opdracht is aan Elizabeth I. De proloog gaat vooraf aan de tekst van Boek 2 waarin de avonturen van Sir Guyon worden verteld, een ridder die de deugd van de zelfbeheersing, de matiging, de discipline belichaamt.

Het gedicht heeft vijf strofen die geschreven zijn in een vorm die de ‘Spenserian Stanza‘ wordt genoemd: een strofevorm met negen regels, geschreven in jambische vijfvoeten, met een alexandrijn (een jambische zesvoet met een cesuur) als afsluitende slotzin. Het rijmschema is heel strak: ababbcbcc.

De aanleiding voor deze vertaling is het verhelderende voorwoord dat de C.S. Lewis-vertaler Arend Smilde heeft geschreven bij de vertaling van Of This and Other Worlds (1982), een boek van Lewis dat in de nabije toekomst in Nederlandse vertaling verschijnt onder de titel Andere Werelden en de onze. In dat voorwoord laat Smilde het verband zien tussen Lewis’ christelijke geloof en diens geloof in de literaire verbeeldingskracht. De titel van die Lewis-bundel lijkt een toespeling te bevatten op een zinsnede uit de derde strofe van het onderhavige gedicht (regel 7/8):

What if in euery other starre vnseene
Of other worldes he happily should heare?

Uiteindelijk heeft Smilde mijn vertaling niet gebruikt, maar hij heeft wel grondig en waardevol commentaar geleverd op mijn vertaling toen deze nog niet helemaal af was, waardoor het resultaat zeer is verbeterd, waarvoor veel dank. Uiteraard ben ik zelf geheel verantwoordelijk voor alle vertaalfouten die het gedicht mogelijk nog bevat.

De eerste vier strofen zijn eerder vertaald door Christine D’Haen en werden aangeboden aan koningin Beatrix en koningin Fabiola ter gelegenheid van Beatrix’ bezoek aan België in 1981.

Hier vindt u de geannoteerde tekst van het gedicht.

Vertaling:

De Elfenkoningin – proloog Boek 2

Ik weet heel goed, doorluchte soeverein,
dat heel deez’ roemrijke geschiedenis
het schuim lijkt van een ijdel brein,
verzinsel slechts, een bron van ergernis,
in plaats van raak herleefde heugenis,
want geen die adem heeft, heeft weet
waar toch dat fraaie elfenland wel is,
dat ik zo blij bezing, ´t ontglipt ons steeds
tenzij men tijd met ijle oudheden verdeed.

Maar laat ons het verstand als leidraad nemen,
veel van het aardrijk is nog niet ontdekt:
haast dagelijks wordt door vlijtig ondernemen,
besef van nieuwe streken opgewekt,
tot nu toe onvermoed, of hoogst suspect.
Wie had voorheen iets van Peru vernomen?
Welk dapper schip had een gegist bestek
der grote Amazone, met haar zomen?
Of van Virginia, welks vruchten tot ons komen?

Dit al bestond reeds – niemand die het wist,
en ’t bleef de knapste eeuwen onbekend:
een later tijd kent nieuwe zaken, onbetwist.
Waarom ontkennen als je nog onwetend bent,
slechts prijzen wat je uit aanschouwing kent?
Wat schuilt er in de lichtkring van de maan?
Wat als ‘n vreemde ster een boodschap zendt
van nieuwe oorden? – je zou perplex staan,
en je verwonderen – er zijn er die ’t verstaan.

Over dat elfenland kun je misschien
nog tekens vinden die jou vroeg of laat
een tipje geven. Mocht je ‘t niet doorzien,
besef dat speurzin bot kan zijn, inadequaat,
en volg het fijne spoor van rijm en maat.
Dan zult gij toch, o schone hemelkoningin,
in deze klare spiegel schouwen uw gelaat,
zoals uw rijk aan ‘t elfenland ontspringt,
uw voorgeslacht zich in dit oude beeld bevindt.

Een beeld dat ik, vergeef me, op zal bouwen,
gehuld in sluiers, vol van schaduwtonen,
zodat uw glorie zich durft te ontvouwen,
die anders zich niet makk’lijk zou vertonen,
verblinding treft wie schittering aanschouwen.
Vergeef me, en verleen aandachtig oor
aan ‘t avontuur dat Guyon zal bekronen,
met elfendapperheid, en tussendoor
vindt ook de schone deugd der Matiging gehoor.

Origineel:

The Faerie Queene (Book 2, Prologue)

Right well I wote most mighty Soueraine,
That all this famous antique history,
Of some th’aboundance of an idle braine
Will iudged be, and painted forgery
Rather than matter of iust memory,
Sith none, that breatheth liuing aire, does know,
Where is that happy land of Faery,
Which I so much do vaunt, yet no where show,
But vouch antiquities, which nobody can know.

But let that man with better sence aduize,
That of the world least part to vs is red:
And dayly how through hardy enterprize,
Many great Regions are discouered,
Which to late age were neuer mentioned.
Who euer heard of th’Indian Peru?
Or who in venturous vessell measured
The Amazons huge riuer now found trew?
Or fruitfullest Virginia who did euer vew?

Yet all these were, when no man did them know;
Yet haue from wisest ages hidden beene:
And later times things more vnknowne shall show.
Why then should witlesse man so much misweene
That nothing is, but that which he hath seene?
What of within the Moones faire shining spheare?
What if in euery other starre vnseene
Of other worldes he happily should heare?
He wonder would much more: yet such to some appeare.

Of Faerie lond yet if he more inquire,
By certaine signes here set in sundry place
He may it find; ne let him then admire,
But yield his sence to be too blunt and bace,
That no’te without an hound fine footing trace.
And thou, O fairest Princesse vnder sky,
In this faire mirrhour maist behold thy face,
And thine owne realmes in lond of Faery,
And in this antique Image thy great auncestry.

The which O pardon me thus to enfold
In couert vele, and wrap in shadowes light,
That feeble eyes your glory may behold,
Which else could not endure those beames bright
But would be dazled by exceeding light.
O pardon, and vouchsafe with patient eare
The braue aduentures of this Faery knight
The good Sir Guyon gratiously to heare,
In whom great rule of Temp’raunce goodly doth appeare.

Uitgelicht bericht

Tinkelvers

Welk tinkelvers wil gaarne zingen
van staatsmanschap, van moed en durf,
van slavenhandel, deltawerken, turf,
van soevereiniteit in eigen kringen,

van graaien en de dans ontspringen,
van gulzigheid met snuit of slurf?
De taal der liefde kakel je wel murw,
geen God heeft weet van deze dingen.

Maar wat ten leste halfweg zal beklijven,
de bloeddorst van ons nationale zelf,
de spartelzucht van onze geile lijven,

al wat ons ooit deed komen tot onszelf,
het blijft in bloeddoorlopen vlekken wrijven,
gedruis dat hol weerklinkt in het gewelf.

(Eigen werk)

Uitgelicht bericht

De berg – Elizabeth Bishop

elizabeth-bishop 1

Elizabet Bishop (Bron: The Library of America)

Elizabeth Bishop (1911-1979) was een Amerikaans schrijfster van gedichten en korte verhalen.

Het gedicht One Art, in het verleden door mij vertaald als De kunst bij uitstek (elders op dit kleine blog raadpleegbaar), is een bekend gedicht in haar oeuvre.

Ze heeft weinig gemeen met de Confessional Poets, tijdgenoten die erg openhartig waren over hun persoonlijk leven, en die details daarvan openlijk gebruikten in hun poëzie. Ze was daar terughoudend mee, en ze was, hoewel ze de feministische zaak zeker was toegedaan, onwillig om met nadruk te worden bejegend als de lesbische vrouw die ze was, bijvoorbeeld in door feministen samengestelde bloemlezingen.

Er zijn tijdens haar leven niet veel meer dan honderd gedichten gepubliceerd. Ze cultiveerde een objectieve dichtstijl, die rijk is aan details, en haar gedichten zijn zeer evocatief. Het effect ontlenen ze mede aan de sterke emotie die schemert door die uiterlijke objectiviteit heen.

Het artikel van Bridget Read, ‘The Powerful Reticence of Elizabeth Bishop‘, The New Republic, 9 juni 2017, is een goede eerste kennismaking met Elizabeth Bishop. (Het onderschrift bij de openingsfoto van dat artikel is misleidend. De fotograaf is haar toenmalige levenspartner Alice Methfessel, en de afgebeelde persoon is Elizabeth Bishop op latere leeftijd.)

Fraai citaat uit dit artikel:

She sought to tap into “the surrealism of everyday life, unexpected moments of empathy” in order to produce something universal, whole. She had felt most of her life that she was at odds with the world around her, and that poetry was her salve. Verse could break into the essential, crack open “the horrible and terrible world,” which had given her such pain. Why bring reality back in?

The Mountain lijkt enigszins op een villanelle, een strenge dichtvorm, al voldoet dit gedicht zeker niet aan alle eisen van die vorm. De openingsstrofe opent bijvoorbeeld niet met de keerregels in de eerste en derde regel, zoals gebruikelijk. Er zijn ook meer strofen. Alle strofen zijn vierregelig, in plaats van meestentijds drieregelig. Er is geen noemenswaardig rijm.

Het gedicht kent dramatiek. Er komt een berg aan het woord bij het vallen van de avond. Deze vertelt hoe het overdag is. En ten slotte wordt het donker en valt de nacht. En steeds de herhaalde dramatische mededeling: ik weet mijn leeftijd niet, en de herhaalde vraag: zeg me hoe oud ik ben.

De stem van het gedicht is die van de berg, en de berg personifieert natuurlijk de dichter, of de mens in het algemeen, iemand met misschien een onverwoestbare kern, maar die ook onderworpen is aan de nacht, zoals wij allemaal.

Vertaling:

De berg

’s Avonds, er doemt wat achter me.
Ik kom in beweging, ik krimp ineen,
of houd moeizaam stil en brand.
Ik weet mijn leeftijd niet.

‘s Morgens is alles anders.
Een boek ligt open voor mij,
al te dichtbij om fijn te lezen.
Zeg me hoe oud ik ben.

En dan vult zich het dal
Met een potdichte mist
Als een katoenprop in mijn oor.
Ik weet mijn leeftijd niet.

Niet dat ik klagen wil.
Ze zeggen ‘t ligt aan mij.
Niemand vertelt me iets.
Zeg me hoe oud ik ben.

De scherpste scheidslijn
loopt langzaam uit en wijkt
als een verwelkte tattoo.
Ik weet mijn leeftijd niet.

Een schaduw valt; licht stijgt.
Klauterende lichtjes, oh jeugd,
nooit ben je hier lang genoeg!
Zeg me hoe oud ik ben.

Een steenkam zeefde hier
met tanden de versteende veren.
De klauwen gingen toen teloor.
Ik weet mijn leeftijd niet.

Ik word steeds dover. Vogelroep
sijpelt nog voort, en de waterval
wordt niet gewist. Mijn leeftijd?
Zeg me hoe oud ik ben.

Tijd voor de maan om te hangen,
voor sterren om te vliegeren.
Ik wil mijn leeftijd weten.
Zeg me hoe oud ik ben.

Origineel:

The Mountain

At evening, something behind me.
I start for a second, I blench,
or staggeringly halt and burn.
I do not know my age.

In the morning it is different.
An open book confronts me,
too close to read in comfort.
Tell me how old I am.

And then the valleys stuff
impenetrable mists
like cotton in my ears.
I do not know my age.

I do not mean to complain.
They say it is my fault.
Nobody tells me anything.
Tell me how old I am.

The deepest demarcation
can slowly spread and sink
like any blurred tattoo.
I do not know my age.

Shadows fall down; lights climb.
Clambering lights, oh children!
You never stay long enough.
Tell me how old I am.

Stone wings have sifted here
with feathers hardening feathers.
The claws are lost somewhere.
I do not know my age.

I am growing deaf. Bird-calls
dribble and the waterfalls
go unwiped. What is my age?
Tell me how old I am.

Let the moon go hang,
the stars go fly their kites.
I want to know my age.
Tell me how old I am.

Uitgelicht bericht

Wonder en Afgrond

A Welsh Landscape

EeEen Welsh landschap

Een paar gedachten over een gedicht van Ronald Stuart Thomas (1913-2000). Misschien dat u ze leuk vindt om te lezen.

Onlangs had ik op Twitter een korte discussie met een collega over de interpretatie van een gedicht van Ronald Stuart Thomas, een Welshe dominee-dichter. Het betrof het gedicht Three Countries (Uncollected Poems, @BloodaxeBooks), dat als volgt luidt:

Three Countries

At Soay at the Cuillins I saw the salmon leap,
Uneasy captives at the coble’s side,
Where four stern men were hauling at the nets
That bore the glittering burden of the tide.

At Keem in Achill, when the nets were spread,
The basking sharks came cruising in the bay;
I saw the water broken by their fins,
And the bright eddies as they turned away.

But once in Malldraeth when the whitebait lay,
A serried harvest, in the grottoed shade
Of some green pool, I saw the mackerel fall
Softly upon them like a silver blade.

Dit is een fraai gedicht, mooi van taal, geheimzinnig van betekenis. Ik vind dit gedicht ongeschikt voor een vertaling, vanwege de plaatsnamen, en ook wel vanwege de culturele context die ik haast niet kan oproepen zonder de vertaling te bedelven onder een berg voetnoten.

Ik moest sommige dingen opzoeken. Omdat ik het mogelijk acht dat u momenteel net zo onwetend bent als ik tot voor kort was, geef ik een paar woordbetekenissen die u misschien niet paraat hebt.

  • Soay at the Cuillins: een eilandje bij het Schotse Isle of Skye, met uitzicht op de bergruggen van de Cuillins.
  • Keem in Achill: een baai van het Ierse eiland Achill.
  • Malldraeth (meestal gespeld als Malltraeth): plaatsje aan het einde van een diepe baai van Isle of Anglesey, gelegen ten noordwesten van Wales.
  • Coble: een Schotse platbodem, gebruikt voor de visserij.
  • Basking shark: reuzenhaai, een vredelievende haai die voorkomt in de zeeën rondom het Verenigd Koninkrijk en Ierland (lengte tot 11 meter). ‘Basking’ betekent: zich koesterend.
  • Eddies: draaikolken – ‘the bright eddies’ worden heel fraai met een antimetrie (afwijking van het metrum) tot uitdrukking gebracht.
  • Whitebait: zeebliek (meestal: jonge haring).
  • Serried: dicht opeengepakt.

De vraag die opgeworpen werd in de korte Twitter-discussie was of je ‘bovennatuur’ nodig hebt om dit gedicht te begrijpen; R.S. Thomas was immers een Welshe dominee-dichter. In eerste instantie antwoordde ik van niet, want de betekenis van het gedicht liet zich immers ongeveer als volgt samenvatten:

Het gaat over drie landen: Schotland, Ierland en Wales. De scènes spelen zich allemaal af op een eiland. In de eerste strofe is sprake van zalm, in de tweede van de reuzenhaai, in de slotstrofe van makreel.

In die drie landen gebeuren verschillende dingen tussen mens en vis: de mens die de tegenspartelende vis vangt (Schotland), de vis die genietend zijn gang gaat tussen de vissende mens (Ierland), de vis die wreed en ongerept zijn natuurlijke gang gaan, andere visjes aanvalt, ongetwijfeld opeet, gadegeslagen door een eenzame toeschouwer (Wales). Het zijn een soort ‘scènes moralisées’.

Na er in de vroege ochtend tussen de lakens een beetje over te hebben gepeinsd, vond ik toch dat er nog wat meer over die bovennatuur moest worden gezegd. Dat stukje van de discussie heeft zich buiten de openbaarheid afgespeeld.

R.S. Thomas in a Welsh landscape seen on the back

R.S. Thomas in een Welsh landschap op de rug gezien

Bij Thomas overheerst bijna in alles wat hij schrijft een zin voor het wonderbaarlijke en een zin voor het afgrondelijke (een bijzondere vorm van het wonderbaarlijke).

Als je dat tot de bovennatuur rekent, dan kun je in je interpretatie niet om zo’n bovennatuur heen.

Thomas was bijzonder gesteld op Kierkegaard, iemand die veel heeft gefilosofeerd over de afgrond, het zweven daarboven, en de moed om dat te doen. Thomas was ook een aandachtig natuurliefhebber, net als zijn vrouw de schilder Mildred Eldridge (1909-1991).

Het gedicht bevat heel zuivere beelden, en drie indringende voorstellingen.

Thomas ontpopte zich bij tijd en wijle als een Welshe nationalist. Als dominee vond hij dat de meeste moderne kwalen voortkomen uit het feit dat de mens vergeten is hoe hij moet leven, en gedachteloos welvaart en genietingen najaagt.

Ik denk dat de zuiverheid, de wreedheid, de natuurlijkheid, de eenzaamheid en de ongereptheid van de Welshe voorstelling hem zeer aansprak.

 

 

 

 

 

Uitgelicht bericht

Rauw – R.S. Thomas

r.-s.-thomas-4da1a5eab4f6b_360x225
R.S. Thomas

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die ook in Wales woonde en werkte als een Anglicaans priester. Hij was een groot natuurliefhebber, had een vrij vergaande afkeer van moderne zaken die hij vond afleiden van waar het in het leven echt om ging, en hij schreef in het Engels.

Een aardige bespreking door Theodore Dalrymple van zijn biografie – Byron Rogers, The Man Who Went into the West: The Life of R. S. Thomas, Aurum Press – vindt u hier.

Hij was een merkwaardige, eenzelvige figuur die prachtige gedichten schreef, getrouwd was met de schilder Mildred (Elsi) Eldridge, aan wie hij een paar fraaie gedichten heeft gewijd – zie elders op dit blog (bereikbaar via het menu op de hoofdpagina, onder de naam R.S. Thomas).

Kingsley Amis – zeker geen geestverwant – schreef dat zijn poëzie “reduces most other modern verse to footling whimsy” (=triviale gekkigheid). Hij is in Nederland niet zeer bekend. John Betjeman meende dat Thomas’ poëzie nog gelezen zou worden lang nadat zijn gedichten zouden zijn vergeten.

Ik heb op dit kleine blog al aardig wat vertalingen gepubliceerd. De twee dichters van wie ik het meeste heb vertaald zijn W.H. Auden en R.S. Thomas. Joseph Brodsky zei ooit van Auden – de dichter van wie hij het meeste hield – dat ‘godsdienstwaanzin’ een aandoening was waarvan Auden niet geheel vrij was. Als dat waar is – en het is waar, als je dat ‘waanzin’ niet al te letterlijk neemt – geldt het ook voor Thomas. En ook voor de vertaler wiens stukje u nu aan het lezen bent.

Het gedicht Rough is een heel merkwaardig, hard, sardonisch gedicht. Het beschrijft een schepper-god die zijn malicieuze grillen volgt en die de bedenker lijkt te zijn van een leven dat slechts gruwelijke hindernissen voor mens en dier oplevert en een akelige dood ten gevolge heeft. Van liefde en mededogen lijkt geen sprake. Aan het eind blijkt God een wezen te zijn dat bulderend lacht, met een steek in zijn zij tot gevolg, een steek die iemand verbeeldt die in de christelijke traditie Gods zoon genoemd wordt, namelijk Jezus.

De steek in de zij van de lachende God verwijst niet alleen naar de bulderlach, maar ook naar het verhaal van de kruisiging in het evangelie: toen Jezus aan het kruis was gestorven werd een steek in zijn zij toegebracht door soldaten om daarmee vast te kunnen stellen dat hij inderdaad niet meer leefde. De boosaardige schepper-god blijkt daarmee over een van de kruiswonden, de stigmata, te beschikken, en leeft verrassenderwijs voort als een gekruisigde, terwijl Jezus in de vorm van het stigma opduikt.

Dat we hier ver verwijderd zijn van vroompraterij, is wel duidelijk.

De kale tekst en de sardonisch gecomponeerde voorstellingswereld zijn typerend voor een aantal Thomas-gedichten, en ze sorteren een sterk effect bij de lezer.

Het gedicht verscheen in zijn bundel Laboratories of the Spirit, en het is opgenomen in zijn Collected Poems: 1945-1990.

(Ik heb twee suggesties overgenomen en enkele aanpassingen gedaan n.a.v. het scherpe commentaar van een mede-twitteraar, onder dank!)

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

——————————————————————————————————————————-

Vertaling:

Rauw

God keek naar de arend die keek naar
de wolf die spiedde naar de haas
die graasde van het gras, groen en golvend
als Gods baard. Hij deed een stapje terug;
het was perfect, een zelfregulerende machine
van bloed en feces. Een ding ontbrak nog:
hij scheidde in zeewater een vage nabootsing
af van zichzelf, blies er lucht in, en liet
de rode bloedlichaampjes wervelen. Het schepsel
liet daarop al gauw de arend, de wolf en
de haas smeken om genade. Alleen het gras
bood weerstand. Dat diende om zijn verbeelding
te verhitten. God nam een handvol ziektekiemen,
die hij zaaide in het malse vlees. Zeer opmerkelijk
was de oogst: de ledematen vormden een obscene
vraag, het hoofd zwol op, uit de ogen kwamen
tranen van pus. Er was een geluid als van de
donder, de luide, onbedaarlijke lach van
God, met een steek in zijn zij tot gevolg, Jezus.

Origineel:

Rough

God looked at the eagle that looked at
the wolf that watched the jack-rabbit
cropping the grass, green and curling
as God’s beard. He stepped back;
it was perfect, a self-regulating machine
of blood and faeces. One thing was missing:
he skimmed off a faint reflection of himself
in sea-water; breathed air into it,
and set the red corpuscles whirling. It was not long
before the creature had the eagle, the wolf and
the jack-rabbit squealing for mercy. Only the grass
resisted. It used it to warm its imagination
by. God took a handful of small germs,
sowing them in the smooth flesh. It was curious,
the harvest: the limbs modelled an obscene
question, the head swelled, out of the eyes came
tears of pus. There was the sound
of thunder, the loud, uncontrollable laughter of
God, and in his side like an incurred stitch, Jesus.

Uitgelicht bericht

Toen te leven – R.S. Thomas

Ronald Stuart Thomas - Cottage

R.S. Thomas

Ronald Stuart Thomas was een Welshe dichter-dominee die in het Engels schreef en getrouwd was met de fijnzinnige schilder Mildred Eldridge. Hij had samen met zijn vrouw één zoon.

Thomas was een man die het moderne leven voor een groot deel beschouwde als een dwaling, als een miskenning van het centrale levensthema, als minachting voor datgene waar het werkelijk op aan kwam, namelijk het volgen van het liefdegebod en het met aandacht en verwondering opgaan in de ongelooflijke rijkdom van al het geschapene. Hij preekte en gedroeg zich heel onalledaags, en hij ontpopte zich ook wel eens als een fanatieke Welshe nationalist.

Ik vermoed sterk dat de neiging binnen delen van de Nederlandse christenheid om zich conservatief te noemen, samenhangt met de afkeer van de moderniteit die ook voor R.S. Thomas zo opvallend aanwezig was.

Een goede introductie tot deze dichter wordt gevormd door deze bespreking van zijn biografie: A Man out of Time, door Theodore Dalrymple, niet toevallig ook zelf een uitgesproken conservatief.

Zo geformuleerd zullen veel mensen misschien denken dat ze zijn werk met een gerust hart ongelezen kunnen laten, maar dan zouden ze zichzelf toch te kort doen. Vergeleken met zijn gedichten doet veel moderne poëzie aan als “triviale gekkigheid” (footling whimsy), zei Kingsley Amis, en John Betjeman meende dat Thomas nog gelezen zou worden lang nadat zijn eigen werk al in de vergetelheid zou zijn verzonken.

Het onderhavige gedicht behandelt het centrale thema van Thomas expliciet.

Het is een betrekkelijk vrij gedicht, modern van vorm, vol ingehouden spot, en met een zware, het gehele gedicht doortrekkende ernst.

The lips of time zijn misschien een stille verwijzing naar het gedicht The force that through the green fuse drives the flower (1934) van Dylan Thomas:

The lips of time leech to the fountain head;
Love drips and gathers, but the fallen blood
Shall calm her sores.

Bron van het gedicht: R.S. Thomas, Counterpoint – A.D. p. 44, Bloodaxe Books 1990.

Vertaling:

Toen te leven

Toen te leven
was beseffen hoe onmisbaar
het gebed was, hoe onmogelijk.

Geweldig werk deden ze, de filosofen,
de vloer aanvegend met verklaringen
waarin niemand ooit geloofde.

We dreven weg in de ruimte-
tijd, vasthoudend aan het voorgoed
onbereikbare dat we hadden achtergelaten.

Tersluiks wegkijkend, repeteerden we
de smoesjes voor de tekortkomingen
van het rijk der liefde.

Omsingeld als we waren door
wetenschappelijke wegwijzers, snikten we
vergeefs dat we het spoor bijster waren.

We zijn er nog. Welke band
heeft voortbestaan met
zin en betekenis? Het antwoord was ooit

het lied van het gebeente op de lippen
van de tijd. Beide laten we nu
tot as vergaan in het crematorium van de geest.

Origineel:

To be alive then

To be alive then
was to be aware how necessary
prayer was and impossible.

The philosophers had done
their work well, demolishing
proofs we never believed in.

We were drifting in space –
time, in touch with what we had
left and could not return to.

We rehearsed the excuses
for the deficiencies of love’s
kingdom, avoiding our eyebeams.

Beset, as we were,
with science’s signposts, we whimpered
to no purpose that we were lost.

We are here still. What
is survival’s relationship
with meaning? The answer once

was the bone’s music at the lips
of time. We are incinerating
them both now in the mind’s crematorium.

11. JHvdB – Bronnen

Dit is de slotaflevering van mijn reeks beschouwingen over Jan Hendrik van den Berg waarin ik de geraadpleegde bronnen geef.

  1. JHvdB – Jan Hendrik van den Berg: wegbereider van een radicaal conservatisme (link)
  2. JHvdB – Jan Hendrik van den Berg – jeugd, carrière en schrijverschap (link)
  3. JHvdB – Leermeester Rümke en de Utrechtse School (link)
  4. JHvdB – Internationale contacten: Heidegger, Lacan, Bachelard (link)
  5. JHvdB – Opkomst en ondergang van een echte schrijver (link)
  6. JHvdB – Geestdrift en wetenschap: de betekenis van de roes (link)
  7. JHvdB – Metabletica – een vorm van historische fenomenologie (link)
  8. JHvdB – Rebellie: euthanasie, apartheid, racisme, christendom (link)
  9. JHvdB – Paradoxaal conservatisme (link)
  10. JHvdB – Slotbeschouwing (link)
  11. JHvdB – Bronnen

Jan Hendrik van den Berg

  1. Hub Zwart, Boude bewoordingen. De historische fenomenologie (‘metabletica’) van Jan Hendrik van den Berg, Kampen: Klement/Kapellen: Pelckmans 2002
  2. Hub Zwart, Synchroniciteit. De historische fenomenologie van J.H. van den Berg, Kunst & Wetenschap, 13 (3), 11-12 (2004)
  3. Dreyer Kruger (red.), The Changing Reality of Modern Man. Opstellen aangeboden aan Dr. J.H. van den Berg, Nijkerk: Uitgeverij G.F. Callenbach bv 1984
  4. J.A. van Belzen (red.), Metabletica en wetenschap. Kritische bestandsopname van het werk van J.H. van den Berg, Rotterdam: Erasmus Publishing 1997 (incl. bijdrage J.H. van den Berg)
  5. Ruud Abma, Jaap Bos, Willem Koops en Henk van Rinsum, Ontmoeting over de grenzen. Internationale contacten van de Utrechtse School, in: L.J. Dorsman & P.J. Knegtmans (red.), Over de grens. Internationale contacten aan Nederlandse universiteiten sedert 1876, Hilversum: Verloren 2009, p.141-166
  6. Geert Van Coillie, Nabootsing, rivaliteit en religie. De nieuwe wetenschap over de oorsprong van mens en cultuur, Roeselare: Uitgave van de Oud-leerlingenbond Klein Seminarie Roeselare (2005), p.10-43
  7. Hans Achterhuis, Historische fenomenologie, De uil van Minerva, vol.19, nr.2 (2003) (gunstige bespreking van Hub Zwart, Boude bewoordingen)
  8. Jan-Kees Karels, We worden opgevoed tot kwetsbaarheid (interview met Jan Hendrik van den Berg), Reformatorisch Dagblad 6 juni 2004 (beschikbaar via digibron) (afkeer vd islam)
  9. Jan-Kees Karels, In memoriam: Jan Hendrik van den Berg (1914-2012), Reformatorisch Dagblad 24 sept 2012
  10. Jaap de Jong & Johan Snel, ‘Met hartstocht en passie in de wetenschap staan.’ Een gesprek met Jan Hendrik van den Berg, Wapenveld, jrg. 51, nr. 2 (april 2001), p. 19-26
  11. Erno Eskens, De onbevangen blik (interview met Jan Hendrik van den Berg), Filosofie Magazine, nr. 1/2003
  12. Hans Ree, Metableticus J.H. van den Berg en het patroon in de materie (over de grote geesten die zijn leven hebben beïnvloed), NRC Handelsblad 5 feb 2005
  13. Jan Dirk Snel, Een normaal mens – Enkele oude woorden bij het verschijnen van DSM-5 (persoonlijke website van de auteur, geraadpleegd 30-12-2020)
  14. Rob Dulmers, Disteltijdperk, De Groene Amsterdammer, nr.29 (21 juli 1999)
  15. A. de Froe, Berg’s metabletica en veel willekeur – Goede en wonderlijke uitspraken in nieuw boek, Trouw 10 juni 1977 (n.a.v. Gedane Zaken)
  16. Hans Meissner, In memoriam Prof. dr. J.H. van den Berg (1914 – 2012), Pastorale psychologie (ongedateerd, waarschijnlijk sept/okt 2012)
  17. Koert van der Velde, We hebben onze principes prijsgegeven (interview met Jan Hendrik van den Berg), Trouw 11 sept 2001 (Iedereen moet christelijk zijn; We zijn ons als zotten aan het vertillen)
  18. Pieter van der Ven, Veranderingen / Eerherstel voor een iezegrim, Trouw 29 juni 2006
  19. Jan-Kees Karels, Hub Zwart en hoe het gezag verdween uit Nederland (interview met Hub Zwart), Reformatorisch Dagblad 15 nov 2012
  20. Kees ’t Hart, Jan Hendrik van den Berg 11 juni 1914 – 22 september 2012, De Groene Amsterdammer, nr.40 (3 okt 2012)
  21. Hans Achterhuis, Het misverstand Avondland, De Volkskrant 7 okt 2017 (over Oswald Spengler)
  22. Rob Hartmans, Liever geen rücksichtslose omwentelingen, De Groene Amsterdammer, nr. 15 (14 april 2010) (over Baudet en Visser, Conservatieve vooruitgang)
  23. Hugo Brandt Corstius, Grijsboek of De nagelaten bekentenissen van Raoul Chapkis (Hfst. Parallellen snijden geen hout), Amsterdam: Querido 1970
  24. Willem van Toorn, Het nut van een heks. Aantekeningen bij het herlezen van Bruno Bettelheim: The Uses of Enchantment, Terras, 16 nov 2016

Conservatisme

  1. Marcel ten Hooven, Het verweesde conservatisme. In de greep van radicaal-rechts, De Groene Amsterdammer, nr. 36 (2 sept 2020)
  2. The European Conservative, Issue 15, Summer/Fall 2018:
    1. Theodore Dalrymple, The Legacy of ’68 (p.2);
    2. Andreas Kinneging, On True (and False) Conservatism (p.3-6);
    3. Kai Weiss, A Sea of Trouble in Europe – interview met Ryszard Legutko (p.7-10);
    4. Balász M. Mezei, The Migration Crisis & the Culture of Europe (p.11-18);
    5. Darragh McDonagh, Choosing Our Battles (p.19)
    6. Stefan Beig, The Weakness of the West – interview met Martin van Creveld (p.20-24);
    7. Mark Dooley, Burke, Prophet of Peace (p.25-28);
    8. François La Choüe, A Parable for the Fall of the West (p.29-32);
    9. André P. DeBattista, The Brilliance of Aleksandr Solzhenitsyn (p.33-38);
    10. Ryan T. Anderson, Natural Law, Social Justice & the Crisis of the West (p.39-43);
    11. Carrie Gress, Krakow: The City that Remembers (p.45-50);
    12. Filip Mazurczak, Communist Terror in Modern Film (p.51-56);
    13. Ryszard Legutko, Miłowit Kuniński (1946–2018) (p.57-58).
  3. J.L. Heldring, Lof van het conservatisme, in: Liberaal Reveil, 13 april 1974, p.15-16, opgenomen in: J.L. Heldring, Het verschil met anderen, Amsterdam: Van Oorschot 1975, p.125-133
  4. H.W. von der Dunk, Conservatisme, Bussum: Unieboek b.v. 1976
  5. Merijn Oudenampsen, Revolutionairen van deze tijd. Thierry Baudet en het Nederconservatisme, De Groene Amsterdammer, nr. 27 (3 juli 2019) – Oudenampsen schreef ook zijn proefschrift over de verlate aansluiting van conservatief-rechts in Nederland – de Fortuyn-revolte – bij de angelsaksische neoconservatieve revolutie, onder de titel: De conservatieve revolte
  6. Jerker Spits, De omstreden erfenis van de Conservatieve Revolutie, Trouw 14 dec 2002

Een aantal boeken van Jan Hendrik van den Berg is via internet beschikbaar: Metabletica of leer der veranderingen (1956), Op het scherp van de snede (2013), en een aantal verspreide teksten waaronder deze lezing voor de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (gepubliceerd in het Jaarboek van 1963) waarin hij de hoofdzaak van zijn metabletische studie Leven in meervoud samenvat. Hier is de overzichtspagina van Jan Hendrik van den Berg bij de DBNL. Voor het overige verwijs ik naar de lijst met publicaties die staan vermeld in het Wikipedia-artikel over Jan Hendrik van den Berg.