Uitgelicht bericht

Droom

De onrust ligt op ramkoers met de aarde.
Een ruimteschip heeft zich al losgemaakt.
De nachten worden sedertdien doorwaakt.
De duiven koeren in de appelgaarde.

Woedend wordt gescholden op een bebaarde
schepper-god. Hopeloos heeft hij verzaakt,
terwijl hij zich kennelijk goed heeft vermaakt
toen hij zijn banvloek aan ons openbaarde.

Mijn tuin ligt vredig in het bleke licht.
Een dwarrelende zwerm van zwarte kauwen
Vliegt ka-ka roepend langs de notenboom.

De mannen monkelen, terwijl de vrouwen
snappen dat dit een zaak is van gewicht.
Laat niemand zich bedriegen door een droom.

(eigen werk)

Uitgelicht bericht

De gewonde haas – Robert Burns

File:Robert Burns 1.jpg
Robert Burns, Alexander Nasmyth, 1787

Robert Burns (1759-1796) wordt beschouwd als de voornaamste dichter van Schotland, de National Bard. De tekst van het bekende lied Auld Lang Syne is van zijn hand. Hij schreef soms in het Schots, maar vaak ook in het standaard-Engels. Hij was een groot natuurliefhebber en wordt beschouwd als een voorloper van de romantici. John Keats werd een jaar voor zijn overlijden geboren. Hij leefde tijdens de Franse Revolutie, en had ook zelf bepaalde radicale opvattingen over politieke hervormingen, opheffing van ongelijkheid, het tegengaan van kerkelijk conservatisme en clericalisme, seksualiteit enzovoort.

Het vertaalde gedicht schreef hij toen hij woonde op Ellisland Farm, een door hem gebouwde boerderij ten noordwesten van Dumfries waar hij woonde en werkte van 1788-1791. Zijn mooiste natuurlyriek dateert uit die tijd. Het riviertje de Nith dat in het gedicht genoemd wordt, loopt dicht langs de boerderij. Ellisland Farm is nu een Burns-museum.

De uitgebreide titel van het gedicht luidt: Seeing a Wounded Hare limp by me, which a Fellow had just shot at (Bij het zien van een langs hinkende, gewonde haas, waarop een medemens zojuist geschoten had).

Het gedicht berust op een ervaring die Burns daadwerkelijk gehad heeft, zoals blijkt uit bijgaande getuigenverklaring:

This Poem is founded on fact. A young man of the name of Thomson told me –quite unconscious of the existence of the Poem — that while Burns lived at Ellisland — he shot at and hurt a hare, which in the twilight was feeding on his father’s wheat-bread. The poet, on observing the hare come bleeding past him, “was in great wrath,” said Thomson, “and cursed me, and said little hindered him from throwing me into the Nith; and he was able enough to do it, though I was both young and strong.”

En hier vertelt de website Burnsscotland.com over dit gedicht:

“Burns wrote to Mrs Dunlop on 21 April 1789: ‘(while) sowing in the fields, I heard a shot, and presently a poor little hare limped by me, apparently very much hurt. (…) this set my humanity in tears…’.”

Op diezelfde website is ook het gedicht in het handschrift van de dichter te zien. Het is nog wel aardig om te noteren dat de dierenliefde van Burns bepaald modern aan doet.

Het gedicht bestaat uit vier strofen van vier regels, geschreven in een vijfvoetige jambe (het metrum van de versregel doet vijf keer pom-póm). Ik heb er in vertaling een zesvoetige jambe van gemaakt. (Misschien dat ik er later nog een vertaalversie aan toevoeg die geschreven is in een vijfvoetige jambe.) Omdat het een achtiende-eeuws gedicht betreft heb ik een paar wat oudere zinswendingen gebruikt.

De eerste strofe beschrijft de woede van de spreker bij het zien van de gewonde haas. Hij wenst de schutter niet veel goeds toe. In de tweede en de derde strofe wendt de spreker zich tot de haas, en is de toon teder. In de vierde strofe beschrijft de spreker wat hij missen zal als de haas er niet meer is, en keert nog één keer zijn agressie jegens de schutter terug.

Deze vertaling is de derde vertaling die ik heb gemaakt voor vertaalgenootschap De Weerklank. Ik heb al eens iets over dat genootschap verteld bij mijn vertaling van Japanse esdoorn van Clive James.

Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling:

De gewonde haas

Beestachtig mens! Vervloekt zij jouw barbaarse daad,
en doem verdienen jouw twee moordbeluste ogen;
dat vreugde nooit jouw wrede hart verkwikken moge,
en dat geen mededogen ooit jou van je schuld ontslaat.

Hou even vol nog, arme zwerver van de heide,
bij ‘t bitter stukje van het leven dat nog rest!
Er zal geen verpozing zijn, geen voedsel, geen nest
in ’t dichte struikgewas of in de groene weiden.

Zoek dan, verminkte stakker, een plekje voor vrede,
en vrede niet alleen, maar waar je sterven kunt!
Het beschermend ruisen zij je zeker gegund,
de koude aarde neemt jouw warme bloed wel mede.

En als ik mijmer, wachtend langs de kronkelende Nith,
tot de avond valt, of laat nog bij de wei zal staan,
Dan mis ik dat ik jou er dartelend vandoor zie gaan,
‘k vervloek de lafaard, rouw om jouw mistroostig lot.

Origineel:

The wounded hare

Inhuman man! curse on thy barb’rous art,
And blasted be thy murder-aiming eye;
May never Pity soothe thee with a sigh,
Nor ever Pleasure glad thy cruel heart!

Go live, poor wanderer of the wood and field,
The bitter little that of life remains!
No more the thickening brakes and verdant plains
To thee shall home, or food, or pastime yield.

Seek, mangled wretch, some place of wonted rest,
No more of rest, but now thy dying bed!
The sheltering rushes whistling o’er thy head,
The cold earth with thy bloody bosom prest.

Oft as by winding Nith I, musing, wait
The sober eve, or hail the cheerful dawn,
I’ll miss thee sporting o’er the dewy lawn,
And curse the ruffian’s aim, and mourn thy hapless fate.

Uitgelicht bericht

Mijn kleren uitdoen – Carolyn Forché

Carolyn Forché (1950-) is een Amerikaanse dichter en vertaler met een bijzondere, soms aangrijpende, toon. Ze is daarnaast iemand die een voorvechter is van mensenrechten en humaniteit in een wereld waarin die zaken ontbreken. Ze heeft veel gereisd, en ze heeft gewoond en gewerkt in El Salvador en Zuid-Afrika. Ze heeft daarnaast als docent aan diverse universiteiten gewerkt. Ze is getrouwd met de fotograaf Harry Matteson.

Hier kunt u kennismaken met Carolyn Forché die door collega-dichter Christian Wiman in de gelegenheid werd gesteld iets te vertellen over haar poëzie, haar opvattingen over dichterschap, haar levensvisie en haar inspiratie.

Carolyn Forché beschouwt zichzelf niet als een confessional poet, iemand die het vaak over zichzelf heeft en die intieme zaken over haar innerlijk leven openbaart. Alles wat een mens overkomt laat een merkteken achter op je geest, en de verwerking daarvan, de verandering van je persoonlijkheid die daarvan onvermijdelijk het gevolg is, probeert ze vast te leggen in haar gedichten.

Toch is het hier vertaalde gedicht een intiem gedicht: het gaat over het lichaam, over seksualiteit, over de mogelijkheid om elkaar te naderen, de schroom waarmee dat gepaard gaat, en de vraag in hoeverre hoe je de ander, met wie je intiem was, werkelijk kent.

Het gedicht is opgenomen in de bundel Gathering the Tribes, Yale University Press (1976).

Het gedicht is rijk aan beeldspraak, en heeft een ingehouden, intieme toon en een prachtig ritme, maar er zijn niet veel formele vormkenmerken. Veel zelfstandige naamworden zijn kort, en ze klinken ook lapidair, alsof ze zijn uitgehakt in steen. Er is een duidelijk contrast tussen het pijnlijke wegschrappen van beenhaar, het gehakte esdoornhout, de harde muur van de man enerzijds, en de delicate intimiteit anderzijds. De beeldspraak van de muur verwijst ook naar de moeilijkheid, de onmogelijkheid misschien wel, om elkaar te bereiken, ook in het moment van lichamelijke eenwording.

Een ander belangrijk contrast in dit gedicht – die zijn apotheose vindt in de beeldspraak van de sneeuw – is die tussen de witheid van de huid en de donkerheid van de ogen, de steenkoolbekkens tegen de heuvel in maanlicht, de kleur van de haren.

De liegende handen in de slotregel – althans zo vat ik die op – verwijzen naar de alledaagse gedragingen van de handen die ’s nachts nog tot liefderijke streling in staat bleken.

Veel nadere toelichting heeft het gedicht verder, denk ik, niet nodig.

Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling:

Mijn kleren uitdoen

Ik trek mijn hemd uit, je ziet het.
Ik schoor het haar weg onder mijn armen.
Ik rol m’n pijpen op, schrap het beenhaar
weg met een mesje, terwijl ik wit word.

Mijn haar heeft de kleur van gehakte esdoorn.
Mijn ogen zijn donker als gekookte bonen uit het zuiden.
(Steenkoolbekkens in de maan tegen ruige heuvels)

Met een huid die gepolijst is als een Ming-schaal
waarop je de bloedkerven, de leeftijd ziet, heb ik talloze
namen voor de sneeuw, voor wat er is, allemaal gedempt.

‘s Nachts kom ik bij je en het is alsof ik mij schaam
mijn diepste sidderingen te verdoen op de muur van een man.

Hoewel je de vreemdeling herkent,
meent dat je de vernietiging bent ontkomen,
kun je deze nacht niet verklaren, mijn gelaat, jouw herinnering.

Wil je weten wat ik weet?
Jouw eigen handen zijn bezig te liegen.

Origineel:

Taking Off My Clothes

I take off my shirt, I show you.
I shaved the hair out under my arms.
I roll up my pants, I scraped off the hair
on my legs with a knife, getting white.

My hair is the color of chopped maples.
My eyes dark as beans cooked in the south.
(Coal fields in the moon on torn-up hills)

Skin polished as a Ming bowl
showing its blood cracks, its age, I have hundreds
of names for the snow, for this, all of them quiet.

In the night I come to you and it seems a shame
to waste my deepest shudders on a wall of a man.

You recognize strangers,
think you lived through destruction.
You can’t explain this night, my face, your memory.

You want to know what I know?
Your own hands are lying.

Uitgelicht bericht

De man van de boot – Carolyn Forché

Carolyn Forché (1950-) is een Amerikaanse dichter en vertaler met een bijzondere, soms aangrijpende, toon. Ze is daarnaast iemand die een voorvechter is van mensenrechten en humaniteit in een wereld waarin die zaken ontbreken. Ze heeft veel gereisd, en ze heeft gewoond en gewerkt in El Salvador, Zuid-Afrika en Syrië. Ze heeft daarnaast als docent aan diverse universiteiten gewerkt. Ze is getrouwd met de fotograaf Harry Matteson.

Hier kunt u kennismaken met Carolyn Forché die door collega-dichter Christian Wiman in de gelegenheid werd gesteld iets te vertellen over haar poëzie, haar opvattingen over dichterschap, haar levensvisie en haar inspiratie. In deze registratie van een gesprek door middel van een videoverbinding draagt Forché ook het onderhavige gedicht – The Boatsman – voor en vertelt ze iets over de achtergrond ervan.

Carolyn Forché beschouwt zichzelf niet als een confessional poet, iemand die het vaak over zichzelf heeft en die intieme zaken over haar innerlijk leven openbaart. Alles wat een mens overkomt laat een merkteken achter op je geest, en de verwerking daarvan, de verandering van je persoonlijkheid die daarvan onvermijdelijk het gevolg is, probeert ze vast te leggen in haar gedichten. Het gedicht is de weergave van een gesprek dat ze had met een taxichauffeur, iemand die ze een paar keer meemaakte. Maar uiteraard – anders zou het geen gedicht zijn – reikt die weergave verder dan een feitelijke registratie. Het gedicht is ook geschreven jaren na de belevenis.

Ik had aanvankelijk de titel met De schipper vertaald, maar ik vind dat begrip toch wat te groot: ik heb gekozen voor De man van de boot.

Het is een aangrijpende geschiedenis, met een ontroerend slot: de man die zo veel verschrikkingen heeft meegemaakt, zegt dat hij dezelfde bestemming heeft als de dichter die hij per taxi vervoert, en hij zorgt ervoor dat degene die aan zijn zorgen is toevertrouwd, uiteindelijk aankomt op haar bestemming, letterlijk uiteraard, maar ook figuurlijk natuurlijk.

Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling:

De man van de boot

Samen een-en-dertig zielen, zei hij, op het grauwe braaksel van de zee,
in een koude rubberboot, op en neer deinend in ons vuil.
Die ochtend maakte het niks uit, er was geen land in zicht,
we waren allemaal tot op het bot doorweekt, levenden en doden.
We dreven ten minste nog, zeiden we, van oorlog naar oorlog.
Wat achter ons lag was toch weinig meer dan puinruïne op puinruïne?
Stad die “moeder der armen” heet, omringd door velden
met katoen en gierst, stad van edelsmeden en naaisters,
met de oudste kerk van het Christendom en het Zwaard van Allah.
Als daar nog iemand is, benadrukt hij, dan staan ze volstrekt alleen.
Er is een hotel naar genoemd in Rome, twee honderd meter
van de Piazza di Spagna, waar je kunt ontbijten onder de afbeeldingen
van filmsterren. Het personeel loopt zich uit de naad voor je. Maar ik ben
weer aan het kletsen, zoals zo vaak sinds we die nacht een kind, niet een van ons,
uit zee haalden; het dreef in een reddingsvest met zijn gezicht naar beneden,
zijn ogen eruit gehaald door de vissen of de vogels boven ons hoofd.
Sindsdien ging Aleppo in rook op en Raqqa werd bedolven onder een regen
van folders die maanden om te vertrekken. Weggaan, ja, maar waarheen?
We maakten de Amerikanen mee en de Russen, en daarna opnieuw
Amerikanen, nachten van dood uit de wolken, ochtenden die blij waren
weer te kunnen ontwaken uit de slaap van de dood, onbegraven nog en levend,
maar zonder toevlucht. Weggaan, ja, luister naar de folders, maar waarheen?
Naar de zee om te worden gegeten, naar Europa’s kusten om te worden gekooid?
Tenten van ellende en uitzichtloosheid. Ik vraag je dus: waarheen?
Je zegt dat je dichter bent. Als dat waar is, hebben we dezelfde bestemming.
Ik ben nog steeds de man van de boot, rijdend met een taxi naar het eind van de aarde.
Ik zorg ervoor dat je veilig aankomt, mijn vriend, ik zorg dat het goed komt.

Origineel:

The Boatman

We were thirty-one souls all, he said, on the gray-sick of sea
in a cold rubber boat, rising and falling in our filth.
By morning this didn’t matter, no land was in sight,
all were soaked to the bone, living and dead.
We could still float, we said, from war to war.
What lay behind us but ruins of stone piled on ruins of stone?
City called “mother of the poor” surrounded by fields
of cotton and millet, city of jewelers and cloak-makers,
with the oldest church in Christendom and the Sword of Allah.
If anyone remains there now, he assures, they would be utterly alone.
There is a hotel named for it in Rome two hundred meters
from the Piazza di Spagna, where you can have breakfast under
the portraits of film stars. There the staff cannot do enough for you.
But I am talking nonsense again, as I have since that night
we fetched a child, not ours, from the sea, drifting face-
down in a life vest, its eyes taken by fish or the birds above us.
After that, Aleppo went up in smoke, and Raqqa came under a rain
of leaflets warning everyone to go. Leave, yes, but go where?
We lived through the Americans and Russians, through Americans
again, many nights of death from the clouds, mornings surprised
to be waking from the sleep of death, still unburied and alive
but with no safe place. Leave, yes, we obey the leaflets, but go where?
To the sea to be eaten, to the shores of Europe to be caged?
To camp misery and camp remain here. I ask you then, where?
You tell me you are a poet. If so, our destination is the same.
I find myself now the boatman, driving a taxi at the end of the world.
I will see that you arrive safely, my friend, I will get you there.

Uitgelicht bericht

Al mijn vrienden gaan weer geloven – Christian Wiman

Christian Wiman (1966- ) is een Amerikaanse dichter en vertaler. Hij werd geboren in Texas, is getrouwd, en werkt aan Yale University als Professor of the Practice of Religion and Literature. Hij geeft college aan Yale Divinity School en Yale Institute of Sacred Music. Hij is religieus in christelijke zin.

Wiman lijdt aan een traag voortschrijdende, ongeneeslijke ziekte. Het gedicht From one Time – elders op deze website in vertaling (Tijdsovergang) beschikbaar bevat de uitdrukking die de titel leverde van het door Willem Jan Otten vertaalde boek My Bright Abyss: Mijn heldere afgrond. De ondertitel van dat boek luidt: Meditation of a Modern Believer: Overpeinzingen van een moderne gelovige.

Stevo Akkerman schreef in het dagblad Trouw een sympathieke column (met interview-elementen) over dit boek. Willem Jan Otten schreef een verhelderend essay in Trouw.

Uit Akkermans column citeer ik de volgende passage – degene die aan het woord is, is uiteraard Wiman zelf:

“Het geloof gidst me in de richting van een leven waarin ik tekortschiet, niet in een leven waarin alles me toevalt. Ik geloof dat je jezelf geen christen moet noemen, net zomin als dichter – het is iets dat je nastreeft, niet iets dat je bent. Het kan je gegeven zijn op momenten in je leven, maar in de tussentijd ben je er geen eigenaar van. Zoals ik zeg in het boek: ik heb de pijn van het ongeloof nooit gevoeld voordat ik begon te geloven. God is vaak pijn voor me, geen balsem.”

En nog een treffend citaat uit dat stuk, dit keer over het Amerikaanse geloof in jezelf dat het christelijke geloof corrumpeert:

Het Amerikaanse succesevangelie, met God als de leverancier van voorspoed, geluk en gezondheid, noemt Wiman onzinnig. “Het idee dat God je beloont als je geloof maar groot genoeg is, is in feite kwaadaardig. Ik moet zeggen dat het me erg verwart dat mijn leven enerzijds zo naar God en het christendom toe beweegt, terwijl ik anderzijds zo vervreemd ben van de manier waarop die religie in dit land wordt vormgegeven.”

En ten slotte nog een veelzeggend citaat uit He Held Radical Light (2018):

“Poetry itself—like life, like love, like any spiritual hunger—thrives on longings that can never be fulfilled, and dies when the poet thinks they have been. And what is true for the poem is true for the poet: “No layoff from this condensery,” as Lorine Niedecker says, no respite from the calling that comes in the form of a question, no ultimate arrival at an answer that every arrangement of words is trying to be. Perhaps only bad poets become poets. The good ones, though they may wax vatic and oracular in public, and though they may even have full-fledged masterpieces behind them, know full well that they can never quite claim the name.”

Een interessante lezing (ongeveer een half uur) over het onderwerp Geloof en Literatuur vindt u hier.

Het gedicht dat ik vertaald heb – All My Friends Are Finding New Beliefs – is een ironisch gedicht, wat uiteraard niet uitsluit dat het ook een diepe ernst bevat.

Het gedicht heeft een wisselende regellengte, en ook wisselende stijlregisters: lyrische zinnen worden afgewisseld met feitelijke constateringen. Een belangrijk stijlelement van dit gedicht – van veel poëzie overigens – is de opsomming. Het gedicht kent een enkel verdoezeld eindrijm en het maakt veel gebruik van alliteraties en assonanties.

De opsomming in de versregel Paleo, Keto, Zone, South Beach, Bourbon kent een lichte climax van absurditeit, en heeft betrekking op diëten. Ik heb er even over geaarzeld, maar ik heb de reeks in vertaling ongewijzigd overgenomen van het origineel. Dr. Frank, Sonja Bakker en Weight Watchers leverden geen regel op waar ik tevreden mee was. Veel van die Amerikaanse diëten kennen wij trouwens ook.

De openingszin – tevens de titel – levert het probleem op dat het zelfstandig naamwoord geloven in het Nederlands minder gebruikelijk is dan beliefs in het Engels. Het kan in het Nederlands wel – twee geloven op één kussen … – maar ik heb er toch voor gekozen om het werkwoord geloven te gebruiken.

In de slotregel komt het adjectief credible voor, wat iets als geloofwaardig betekent, met ook een verwijzing naar credo (belijdenis) erin. Ik heb het na enige aarzeling met beginselvast vertaald, omdat het ook die dubbelzinnige betekenis heeft van steil en betrouwbaar die nodig is voor het ironische effect dat die zin voor mijn gevoel heeft.

Hier draagt Wiman het gedicht zelf heel mooi voor.

Het gedicht verscheen in het tijdschrift Poetry, het nummer van januari 2020.

Geluidsopname vertaling:

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling:

Al mijn vrienden gaan weer geloven

Al mijn vrienden gaan weer geloven.
De een wordt katholiek, de ander bekeert zich tot bomen.
Bij een zeer geletterd en tot nu toe godsdienstonverschillige jood
stampt God lekker door als een genen-generator.
Paleo, Keto, Zone, South Beach, Bourbon.
Een trainingsregime zo extreem dat ze één wordt met de machine.
Een man trouwt een twintig jaar jongere vrouw
en gebruikt bij de brunch twee keer het woord ‘groene weelde’;
iemands bikkelharde strijdlust zakt zachtjes weg
in dementie; een ander, na jaren van precieuze pasjes en doen alsof,
als een strandloper aan de oever van de zee,
besluit te sterven.
Priesterlijkheden en dierlijkheden, mistroostigs en dolgelukkigs,
hooggestemde abdicaties en groezelige tijdpasseringen,
matigheden, zatheden, bedevaarten naar het binnenste van het zijn …
Al mijn vrienden gaan weer geloven.
En ik vind het steeds, steeds lastiger het spoor te volgen
van de nieuwe goden en de nieuwe liefdes,
en de oude goden en de oude liefdes,
en de dagen hebben dolken, en de spiegels bedoelingen,
en de planeet die steeds sneller en sneller draait in al die zwartheid,
en mijn nachten, en mijn twijfels, en mijn vrienden,
mijn mooie, beginselvaste vrienden.

Origineel:

All My Friends Are Finding New Beliefs

All my friends are finding new beliefs.
This one converts to Catholicism and this one to trees.
In a highly literary and hitherto religiously-indifferent Jew
God whomps on like a genetic generator.
Paleo, Keto, Zone, South Beach, Bourbon.
Exercise regimens so extreme she merges with machine.
One man marries a woman twenty years younger
and twice in one brunch uses the word verdant;
another’s brick-fisted belligerence gentles
into dementia, and one, after a decade of finical feints and teases
like a sandpiper at the edge of the sea,
decides to die.
Priesthoods and beasthoods, sombers and glees,
high-styled renunciations and avocations of dirt,
sobrieties, satieties, pilgrimages to the very bowels of  being …
All my friends are finding new beliefs
and I am finding it harder and harder to keep track
of the new gods and the new loves,
and the old gods and the old loves,
and the days have daggers, and the mirrors motives,
and the planet’s turning faster and faster in the blackness,
and my nights, and my doubts, and my friends,
my beautiful, credible friends.

Uitgelicht bericht

De maan in LLeyn – R.S. Thomas

R.S. Thomas in Eglwys Fach. Fotograaf: John Hedgecoe

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilderes Mildred Eldridge (1909-1991).

R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).

Een aardig artikel over Thomas’ leven en werk is van de hand van Theodore DalrympleA Man Out of Time.

Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.

In een treffend filmpje uit 1996 dat Bloodaxe Books beschikbaar heeft gemaakt – hier raadpleegbaar – zegt Thomas (vanaf 4’18”):

“Mocht er sowieso later nog aan mij gedacht worden, dan zal dat wel zijn om de intensiteit van een paar gedichten die ik heb geschreven. Maar, los van de gedichten, als mens hoop ik dat m’n voorbeeld van iemand die ervan hield buiten te zijn, die hield van de aardse dingen, en die het talent had meegekregen om ze niet alleen te horen maar ook te zien, voor anderen een zeker nut heeft gehad.”

Het onderhavige gedicht werkt op verschillende manieren de beeldspraak uit van de schijngestalten van de maan. Lleyn is een schiereiland in Wales (Llŷn Peninsula). R.S. Thomas was een tijdlang predikant in Aberdaron, een plaatsje dat op de punt van dat schiereiland ligt. Het is aannemelijk dat de stenen kerk waarvan in het gedicht sprake is, de kerk in Aberdaron is, te meer omdat die kerk op steenworp afstand van de zee was gelegen en je de geluiden van de zee er goed kon horen.

De ‘maan van Jezus’ is een bijzondere uitdrukking: de metafoor geeft tegelijkertijd aan dat Jezus afschijn van God is, maar ook dat diens verschijning wisselt, wat zelfs betekent dat die verschijning soms een tijdlang onzichtbaar is. En de slang – symbool van de Satan – vergenoegt zich erin dat hij eraan kan meewerken om het ei (ook een vervormde gestalte van de maan) – d.w.z. de godheid die in Jezus mens werd – te laten verdwijnen.

De verwijzing naar William Butler Yeats betreft diens nogal apocalyptische visioen zoals opgetekend in The Second Coming (via de link op deze website in vertaling beschikbaar).

In dit gedicht dat over bidden gaat, geeft Thomas de oneigentijdse positie die hij innam m.b.t. God, kerk en geloof het meest pregnant en het meest eenvoudig weer.

Hier kunt u R.S. Thomas’ stem horen terwijl het zijn gedicht voordraagt.

Het gedicht is opgenomen in de bundel Not That He Brought Flowers (1968).

NB1 Omdat ik er maar niet in slaag om regels te laten inspringen in WordPress, ondanks mijn eindeloze getob, wijs ik erop dat de regels: “Dan klinkt een stem” en “But a voice sounds” een flink stuk moeten inspringen, zodat je ziet dat het gedicht doorloopt, maar er een duidelijke cesuur optreedt.

NB2 Ik heb een poos nagedacht over het voorzetsel in de titel. Is het ‘in’ of ‘op’ of ‘boven’ Lleyn? Het is de maan op ’t Hogeland en op Walcheren, maar het is niet de maan op Flevoland of op West-Friesland. ‘Boven’ kan wel, maar je kunt in het Engels dan ook ‘over’ gebruiken. Enfin, uiteindelijk heb ik toch maar voor ‘in Lleyn’ gekozen. Ik houd me aanbevolen voor gemotiveerde verbetersuggesties.

Geraadpleegde literatuur:

Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling:

De maan in Lleyn

Het laatste kwartier van de maan
van Jezus, maakt plaats
voor het donker; de slang
verteert het ei. Hier,
op mijn knieën in deze stenen
kerk die alleen nog gevuld wordt
met de zwijgende gemeenschap
van schaduwen en het geluid
van de zee, geloof je grif
dat Yeats gelijk had. Alsof ze nooit
hadden gezongen, slokten kalkschalen
zangkoren op; het tij omspoelt
de bijbel; de kerkklok trekt geen
mens meer naar het broze wonder
van het brood. Het zand wacht
tot de korrels in de muur
terugvloeien in zijn blonde
tijdglas. Religie is passé, en
wat ontstaan zal uit de vorm
van de nieuwe maan – geen mens
die het weet.
Dan klinkt een stem
in mijn oor: waarom zo gehaast
sterveling? Zelfs deze zeeën
zijn gedoopt. De parochie draagt
de naam van een heilige waaraan de tijd
het habijt niet kan ontnemen. In steden
die hun belofte zijn ontgroeid, keren
de mensen als pelgrims
terug, zij het niet steeds daarheen,
maar vaak naar de herschepping ervan
in hun eigen geest. Jij moet blijven
knielen. En zoals deze maan
zijn weg kiest door de loodzware
aardschaduw, kent ook het gebed
wisselende gestalten.

Origineel:

The Moon in Lleyn

The last quarter of the moon
of Jesus gives way
to the dark; the serpent
digests the egg. Here
on my knees in this stone
church, that is full only
of the silent congregation
of shadows and the sea’s
sound, it is easy to believe
Yeats was right. Just as though
choirs had not sung, shells
have swallowed them; the tide laps
at the Bible; the bell fetches
no people to the brittle miracle
of the bread. The sand is waiting
for the running back of the grains
in the wall into its blond
glass. Religion is over, and
what will emerge from the body
of the new moon, no one
can say.
But a voice sounds
in my ear: Why so fast,
mortal? These very seas
are baptized. The parish
has a saint’s name time cannot
unfrock. In cities that
have outgrown their promise people
are becoming pilgrims
again, if not to this place,
then to the recreation of it
in their own spirits. You must remain
kneeling. Even as this moon
making its way through the earth’s
cumbersome shadow, prayer, too,
has its phases.

Uitgelicht bericht

Gebed van een ongeborene – Louis MacNeice

Louis MacNeice (1906-1963) was een Noord-Ierse dichter, afkomstig uit een protestants milieu. Zijn vader was predikant in The Church of Ireland en zou later ook bisschop worden van die kerk. MacNeice wordt gerekend tot de groep dichters waarvan W.H. Auden de spilfiguur was, en je kunt misschien zeggen dat zijn dichterschap zich grotendeels in de schaduw van Auden heeft afgespeeld.

MacNeice verschilde wel van de andere leden van de ‘gang’ zoals Stephen Spender de Auden-groep noemde: hij was heteroseksueel, hield van gezelschap en was ronduit een bonvivant.  En anders dan zijn bentgenoten heeft hij nooit expliciet sympathie voor het communisme uitgesproken.

In 1936 nodigde Auden MacNeice uit voor een reis naar IJsland. Auden was dol op de IJslandse saga’s, maar belangrijker was misschien nog dat hij zocht naar een plaats van waaruit hij de donkere wolken die zich boven Europa samenpakten goed kon waarnemen. Het resulteerde in een hoogst eigenaardig reisdagboek – Letters form Iceland – vol met private jokes, maar het getuigde ook van de bekommernissen van twee jonge dichters over wat eraan zat te komen.

Het hoogtepunt van MacNeice’s dichterschap viel tijdens de Tweede Wereldoorlog. Prayer Before Birth is van 1944.

MacNeice was afgestudeerd in Oxford met een First Degree in Classics. Anders dan Auden en Christopher Isherwood – een ander lid van de ‘gang’ – bleef MacNeice in het Verenigd Koninkrijk tijdens WO-II. Zijn drukke bezigheden voor de BBC en zijn uitbundige alcohol-inname zorgden ervoor dat op latere leeftijd de aandacht voor zijn werk wat afnam.

Prayer Before Birth is een gedicht in de vorm van een gebed dat wordt uitgesproken door een embryo. De wereldwijsheid en het stadium van dit ongeboren leven vormen een groot contrast. Een van de dingen die MacNeice maar slecht kon verkroppen was het feit dat zijn geliefde Ierland een neutrale positie koos in WO-II, terwijl de gruwelen die zich in Europa en elders voltrokken hem ernstig bezwaarden. Dit gedicht getuigt ervan. Het embryo smeekt erom dat het niet tot onbeduidendheid en slaafsheid zal worden veroordeeld, maar dat het individualiteit zal mogen bezitten. Van belang is ook dat zowel Auden als MacNeice hun middelbareschool-tijd als een voorstadium van het fascisme hadden opgevat. En niet voor niets openen alle strofen met ‘I’ en eindigen ze met ‘me’.

Wat de vormkenmerken betreft: de regellengte is betrekkelijk vrij, al is er wel een zekere opbouw binnen de strofe. Het wemelt van de bezwerende elementen, van incantaties, van alliteraties, van een obstinaat herhaald ‘me’.

In het Nederlands moet je aanpassingen doen om dat herhaalde ‘me’ aan het slot van de Engelse zinsdelen te laten terugkeren in een herhaald ‘mij’ aan het slot van de Nederlandse zinsdelen. De Nederlandse zinsbouw heeft de neiging om dat ‘mij’ voor het werkwoord te plaatsen.

De strofen openen met een openingsregel en een slotregel die eindrijm kennen.

Het gedicht verscheen als openingsgedicht in de bundel Springboard in 1944.

De vertaling van dit gedicht is de tweede vertaling die ik gemaakt heb voor vertaalgroep De Weerklank, een genootschap dat al sinds 1989 bestaat.

Ik heb de volgende bronnen geraadpleegd:

Geluidsopname van de vertaling

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling:

Gebed van een ongeborene

Ik ben nog niet geboren; O hoor mij.
Laat niet de bloeddorstige stier, de vampier, de aasgier, de
gehoefde demon verschijnen voor mij.

Ik ben nog niet geboren; verkwik mij.
Straks komt de mensheid met kale kerkermuren rondom mij,
met bedwelmende drugs bij mij, met vrome leugens tot mij,
en pijnbanken pijnigen mij, een bloedbad verstikt mij.

Ik ben nog niet geboren; bereid mij
water dat schommelt rondom mij, gras dat groeit onder mij, bomen
die praten met mij, een hemel die zingt boven mij, een vogel
die mij voorgaat, een wit licht in mijn geest – het leidt mij.

Ik ben nog niet geboren; vergeef mij
de zonden die de wereld in mij zal bedrijven, mijn woorden
als ze tot mij spreken, mijn gedachten als ze mij denken,
mijn verraad dat verwekt is door verraders buiten mij,
mijn leven als ze door mijn handen moorden,
en mijn dood als hun kwaad leeft in mij.

Ik ben nog niet geboren; instrueer mij
hoe ik mijn stukken spelen moet, de clausjes die ik zeggen moet
als oude mensen mij beleren, bureaucraten mij schofferen, bergen
naar mij fronsen, liefjes met mij spotten, de witte
golven mij tot dwaasheid verleiden en de woestijn
mijn ondergang afroept, de bedelaar mijn aalmoes
afwijst; en stel: mijn nakroost kleineert mij!

Ik ben nog niet geboren; O hoor mij.
Laat niet de mens die beest is of denkt dat hij God is
verschijnen voor mij.

Ik ben nog niet geboren; O leer mij
me te weren tegen hen die de menselijkheid in mij
willen bevriezen, mij willen drillen tot een moordautomaat,
mij willen dwingen een radertje te zijn, een eendimensionaal
ding, niets dan een ding, en tegen al degenen
die mijn gaafheid willen verjagen, en mij
als bloempluis willen wegblazen, hierheen en
daarheen of hierheen en daarheen
als water dat door de handen
loopt – het onteert mij.

Laat ze geen steen van me maken, laat mij nooit zeggen: dit onteert mij.
Anders: liquideer mij.

Origineel:

Prayer Before Birth

I am not yet born; O hear me.
Let not the bloodsucking bat or the rat or the stoat or the
club-footed ghoul come near me.

I am not yet born, console me.
I fear that the human race may with tall walls wall me,
with strong drugs dope me, with wise lies lure me,
on black racks rack me, in blood-baths roll me.

I am not yet born; provide me
With water to dandle me, grass to grow for me, trees to talk
to me, sky to sing to me, birds and a white light
in the back of my mind to guide me.

I am not yet born; forgive me
For the sins that in me the world shall commit, my words
when they speak to me, my thoughts when they think me,
my treason engendered by traitors beyond me,
my life when they murder by means of my
hands, my death when they live me.

I am not yet born; rehearse me
In the parts I must play and the cues I must take when
old men lecture me, bureaucrats hector me, mountains
frown at me, lovers laugh at me, the white
waves call me to folly and the desert calls
me to doom and the beggar refuses
my gift and my children curse me.

I am not yet born; O hear me,
Let not the man who is beast or who thinks he is God
come near me.

I am not yet born; O fill me
With strength against those who would freeze my
humanity, would dragoon me into a lethal automaton,
would make me a cog in a machine, a thing with
one face, a thing, and against all those
who would dissipate my entirety, would
blow me like thistledown hither and
thither or hither and thither
like water held in the
hands would spill me.

Let them not make me a stone and let them not spill me.
Otherwise kill me.

Uitgelicht bericht

Japanse esdoorn – Clive James

Clive James in zijn tuin in Cambridge naast het Japanse esdoorntje (2015). Copyright foto: Alicia Canter/The Guardian

Het gedicht Japanese Maple is een van de beroemdste gedichten van de televisiemaker, presentator, vertaler, dichter, romanschrijver, essayist en eigenzinnige bonvivant Clive James (1939-2019).

James was een Australiër die een groot deel van zijn volwassen leven in het Verenigd Koninkrijk heeft gewoond en gewerkt. Het gedicht werd opgenomen in een van zijn latere bundels: Sentenced to life (2015) – Veroordeeld tot het leven. Hij moest toen overigens nog ruim vier jaar van die veroordeling uitzitten.

Het gedicht beschrijft op een niet-dramatische toon het naderende levenseinde. James had te horen gekregen dat hij een terminale vorm van leukemie had. Het gedicht is opgebouwd uit beelden die laten zien dat de intensiteit van beleven toeneemt als de dood naderbij komt, waarmee ook een vorm van verzoening wordt bereikt met het einde.

Centraal in het gedicht staat het cadeautje van zijn dochter, een Japans esdoorntje, dat in de herfst vurig rood gekleurde bladeren krijgt. Dit esdoorntje stond in zijn tuin in Cambridge.

Het gedicht heeft een heel alledaagse toon, maar zit tegelijkertijd heel strak in de vorm:  vijf strofen die bestaan uit vijf versregels: twee jambische vijfvoeten, een jambische tweevoet en opnieuw twee jambische vijfvoeten. Soms is er een trocheïsche opmaat, er zijn ook vrij veel antimetrieën. Elke strofe kent twee rijmklanken: ababb:  de middelste tweevoet rijmt op de eerste vijfvoet.

Het gedicht is heel lastig te vertalen als je de vormkenmerken wilt volgen en de gewone dictie probeert na te bootsen. Rijmdwang is lastig te vermijden. Maar bedenk dat Clive James ook de Divina Commedia heeft vertaald!

Ik heb meerdere versies gemaakt: een alternatief voor de eerste strofe was bijvoorbeeld:

Jouw dood – heel dichtbij – is geen marteling.
Zo’n trage uitdoving geeft weinig leed.
De ademhaling
gaat wat zwaar. De krachten worden sleets,
maar m’n geest en zicht – ze doen het nog steeds:

beter zelfs. (…)

Ik heb mij een paar inhoudelijke vrijheden veroorloofd om toch een min of meer acceptabel Nederlands gedicht te krijgen. Ook heb ik op een paar plaatsen mijn toevlucht genomen tot een halfrijm waar in het oorspronkelijke gedicht een volrijm stond. Alle rijmen in het origineel zijn mannelijk of staand. Ik heb in mijn vertaling zo nu en dan ook een vrouwelijk of slepend rijm gebruikt. Ik gebruik zo nu een dan een of twee lettergrepen te veel.

In de eerste strofe gebruik ik “een refrein van moeheid” en in de tweede strofe laat ik de regen “tuinmuren vertalen”. Ik twijfel eraan of daarmee de vertaling niet wat te lyrisch wordt, en te veel van de vertaler laat zien. Ook interpreteer ik misschien meer dan dat ik vertaal als puntje bij paaltje komt, en in een vertaling moeten alle puntjes bij de paaltjes komen.

Omdat ik klank in een gedicht heel belangrijk vind, maak ik van mijn vertaling tegenwoordig meestal een geluidsopname, ook van dit gedicht. U kunt de vertaling dus ook beluisteren.

De vertaling van dit gedicht is de eerste vertaling die ik gemaakt heb voor een vertaalgenootschap dat al sinds 1989 bestaat, genaamd De Weerklank. Over deze groep vertelt een van de leden, Arie van der Krogt, op zijn website het volgende:

Hier vindt u de vertaling van Erik Honders die ook lid is van de groep, en hier de vertaling van Renée Delhez.

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling:

Japanse esdoorn

Jouw dood, heel dichtbij, komt zonder misbaar.
Zo’n trage uitdoving geeft weinig pijn.
Het ademt zwaar,
wat wel lastig is. Er is een refrein,
van moeheid – maar geest en zicht mogen er zijn,

worden beter zelfs. Ooit zoiets moois gedroomd
als van zo’n milde regen die kwam nederdalen
op die kleine boom,
en hoe zo’n bui de stenen tuinmuren vertalen
kan naar pronkkamers en spiegelzalen?

En steeds royaler als de avond valt
zal glinstering het duister overgieten.
Het houdt geen halt.
De regen doet de lichtkransen verschieten,
ook na mijn heengaan, maar nu mag ik genieten.

Mijn dochters keus, de esdoorn is nog groen.
Dan komt de herfst en alle groen wordt vuur.
Wat ik moet doen
is leven om dat nog te zien. Dan slaat het uur
voor mij, al gaat het leven altijd door:

het vult de open deuren, ik word verrukt
door kleuren die steeds komen om ons heen,
als m’n geest wijkt,
gloeiend van het visioen dat helder scheen
zo op het laatst, tot het voorgoed verdween.

Origineel:

Japanese Maple

Your death, near now, is of an easy sort.
So slow a fading out brings no real pain.
Breath growing short
Is just uncomfortable. You feel the drain
Of energy, but thought and sight remain:

Enhanced, in fact. When did you ever see
So much sweet beauty as when fine rain falls
On that small tree
And saturates your brick back garden walls,
So many Amber Rooms and mirror halls?

Ever more lavish as the dusk descends
This glistening illuminates the air.
It never ends.
Whenever the rain comes it will be there,
Beyond my time, but now I take my share.

My daughter’s choice, the maple tree is new.
Come autumn and its leaves will turn to flame.
What I must do
Is live to see that. That will end the game
For me, though life continues all the same:

Filling the double doors to bathe my eyes,
A final flood of colors will live on
As my mind dies,
Burned by my vision of a world that shone
So brightly at the last, and then was gone.

Uitgelicht bericht

Hoe alles afloopt – Derek Walcott

Derek Walcott (1930-2017) was een engelstalige toneelschrijver en dichter die afkomstig is van het eiland Saint Lucia, sinds 1979 een zelfstandig land in het Caraïbische gebied, deel uitmakend van het Britse Gemenebest. Hij won in 1992 de Nobelprijs voor literatuur. Hij was bevriend met Joseph Brodsky en Seamus Heaney, beiden ook Nobelprijswinnaars. Ze werkten alle drie enige tijd aan de Universiteit van Boston.

Hier, op de website van het Nobelcomité, kunt u een aardig interview met Walcott beluisteren. Het interview is uit 2005.

Het onderhavige gedicht – Endings – gaat over vergankelijkheid. De dingen eindigen niet theatraal, luidkeels, met een explosie, maar wegebbend, haveloos, kwijnend, langzaam uitdovend.

Het doet enigszins denken aan de slotregels van The Hollow Men, geschreven door T.S. Eliot:

This is the way the world ends
Not with a bang but a whimper.

(Zo eindigt dan de wereld / niet met een klap maar een zuchtje)

De slotregel is langer dan alle andere en komt als een verrassing: het gaat over de stilte om het hoofd van de doof geworden Beethoven, en het verwijst ook naar de ernst die spreekt uit diens meest verstilde adagio’s. En naar de dood natuurlijk.

Het gedicht komt uit de bundel Sea Grapes. Hier leest Derek Walcott het openingsgedicht voor.

Vertaling:

Hoe alles afloopt

’t Is niet dat dingen exploderen,
ze weigeren, ze sterven weg,

als zonlicht dat wegsterft op vlees,
als schuim dat haastig wegzinkt in zand,

zelfs de bliksemflits van de liefde
eindigt niet met een donderslag,

het sterft met het geluid
van wegkwijnende bloemen als vlees

dat puimsteen heeft uitgezweten,
zo krijgt alles vorm

tot we alleen zijn
met de stilte die hangt om Beethovens hoofd.

Origineel:

Endings

Things do not explode,
they fail, they fade,

as sunlight fades from the flesh,
as the foam drains quick in the sand,

even love’s lightning flash
has no thunderous end,

it dies with the sound
of flowers fading like the flesh

from sweating pumice stone,
everything shapes this

till we are left
with the silence that surrounds Beethoven’s head.

Uitgelicht bericht

Over Calamitas van Menno Wigman

Inleiding

Menno Wigman. Copyright: Mark Kohn / de Beeldunie

Ik doe dat wel vaker, iets schrijven over een gedicht, maar tot nu toe alleen als ik een gedicht had vertaald. Dan vertel ik een paar dingen over de dichter, en over wat ik tijdens het vertalen heb ontdekt. Ik hoop dan maar dat de lezer er iets aan heeft.

Een gedicht – ook een vertaald gedicht – moet liefst voor zichzelf spreken. Net als bij een grap, bederft uitleg al gauw het effect. Misschien dat het nut van het schrijven over poëzie erin bestaat dat je jouw geestdrift enigszins weet over te brengen, dat je een paar obstakels die je bij het lezen tegenkomt, kunt wegnemen.

Jelle van Baardewijk, filosoof en ethicus, daagde mij op Twitter uit om iets over Calamitas van Menno Wigman (1966-2018) te zeggen. En hij gaf zelf het goede voorbeeld. Zie dit Twitterdraadje met een paar aardige observaties.

Afbeelding

Goede gedichten zijn intens. Meerlagigheid is een vorm van intensiteit. Calamitas van Menno Wigman is een intens gedicht. Dat ligt niet alleen aan het onderwerp – dat op zichzelf al intens genoeg is – maar aan de manier waarop Wigman zijn onderwerp behandelt. Ik zal daarom wat aandacht besteden aan de contrasten die Wigman aanbrengt om zijn onderwerp tot leven te brengen. Ook maak ik een paar opmerkingen over de vormkenmerken van het gedicht.

Het is wel aardig om te weten dat het begrip ‘Schoonheidsdrift’ dat in dit gedicht voorkomt, en dat gebruikt wordt om de dichter John Keats (1795-1821) te karakteriseren, door de romanschrijver Arie Storm als titel is gebruikt voor zijn laatste roman, een roman waarin ook het personage Keats een rol speelt.

Hier vindt u wat informatie over de titel, Calamitas: loss, injury, damage, mischief, harm. Een passende Latijnse titel voor een gedicht over een man die door Rome dwaalt terwijl de gebeurtenissen in de wereld een dramatische wending nemen.

Contrasten

Het onderwerp van Calamitas is de reactie van een man op de verschrikkelijke gebeurtenissen die plaats vonden op 11 september 2001 in New York. Die man doolt rond in Rome, eerst op zoek naar “een nachtblauw overhemd”, en vervolgens probeert hij dichter bij een bewonderde voorganger, John Keats, te komen, die daar op vijfentwintigjarige leeftijd overleed aan tbs na een aantal onsterfelijke gedichten te hebben geschreven. Keats was een romanticus, net als Wigman.

Dit is het eerste contrast: de spectaculaire en massale dood in New York, en de onopvallende eenzaamheid van de man in Rome, op zoek naar zijn nachtblauwe overhemd, zijn “shirt”, een kledingstuk dat – net als het gedicht – “van strenge snit” is, een kledingstuk ook dat zijn naaktheid kan bedekken, dat hem enigszins beschermen kan tegen een werkelijkheid die niet veel mededogen kent met de kwetsbare mens – een effect trouwens dat ook een gedicht kan hebben als je daarvoor gevoelig bent.

Het tweede contrast is natuurlijk de brute aanslag versus de gevoelige kunst van Keats. “Daar lag hij met zijn grote ogen dood te gaan” – de vriend van Keats, Joseph Severn, die 58 jaar na Keats’ dood met hem verenigd werd in een graf op de Cimetero acattolico in Rome, heeft hem een paar keer bij leven uitgebeeld, inderdaad met opvallend grote ogen. En hij heeft hem ook op zijn sterfbed geportretteerd, toen met zijn ogen gesloten. En grote ogen zet je natuurlijk ook op als je je verbaast of verwondert.

De beroemdste zin van Keats is inderdaad prachtig: “A thing of beauty is a joy forever.” Die koortsachtige drang om iets heel moois te maken. Schoonheidsdrift. De koortsachtigheid van zijn ontijdige dood. Hij was vijfentwintig jaar oud toen hij stierf.

Het derde contrast wordt gevormd door de eenzame man die massaal vliegen ziet sterven op de vliegenstrip tijdens het ontbijt in Rome, zoals ook de mensen massaal stierven in New York: “Als vliegen stierf men op tv.” Iedereen herinnert zich nog de kleine zwarte figuurtjes die naar beneden sprongen. De onafwendbaarheid ook van zo’n kleefstrip voor de onwetende vlieg. De kwetsbaarheid van al wat adem heeft.

En dan nog een vierde contrast. “Hoe komt het toch dat tbc iets roerends heeft?” Ik denk omdat doodgaan iets is wat je altijd alleen doet. Het vormt een contrast met de massaliteit van de dood, de vliegenstrip met al die dode vliegen, die hem zo van slag bracht.

Ten slotte het vijfde, voor mijn gevoel meest spectaculaire contrast: de dolende Rome-ganger ziet een Keats-manuscript in een vitrine, en hij schrijft dan de mooiste zin van het gedicht: “Een gedicht, zo teer / en strak dat het geluidloos door het glas heen brak.” Als eerbetoon staan die regels op hetzelfde niveau als de prachtige regels van Ida Gerhardt: “… wat ontsprong aan hun verwondering / en stralend de millennia doorscheen …”.

De geciteerde regel van Wigman kan helemaal op zichzelf staan, en dan is het een schitterende regel. Maar die regel staat natuurlijk niet alleen op zichzelf. Werkelijk geweldig is het contrast dat Wigman aanbrengt tussen de vliegtuigen die als een projectiel door het glas van de Twin Towers naar binnen vlogen, en het gedicht van Keats dat geluidloos door het vitrineglas naar buiten brak, en vervolgens uiteraard binnen kwam bij de aandachtige toeschouwer.

Vorm

De brandende torens van het WTC vlak na de aanslag en voorafgaand aan hun ineenstorting (Plaatje overgenomen van Andere Tijden)

De openingsregel is heel sterk: “Waar was je toen het WTC?” Het slotwerkwoord ontbreekt natuurlijk, maar je merkt het niet eens. Pal staat de vraag voor je neus. Het is echt een klaroenstoot. En dan dat geweldige binnenrijm van WTC en tbc (met het hierboven geschetste contrast), en iets zwakker ook het verderop gebruikte tv.

Het gedicht kent drie strofen van vijf regels. Het gedicht is heel strak geschreven in jambische zesvoeten (zes keer: pom póm, pom póm …).

Het gedicht kent geen eindrijm, maar het wemelt van de anderssoortige rijmen. Alle rijmen zijn natuurlijk klankverwantschappen. Wigman gebruikt halfrijmen, binnenrijmen, assonanties, alliteraties: snit & strip & shirt & drift & schrift, vuile vliegenstrip, verziekt & niet & Keats, strenge snit, schoonheidsdrift & handschrift, teer & strak, trap & steden, strak & brak, gedicht & geluidloos, wtc & tbc & tv, ondenkbaar & elkaar & daar.

Het gedicht is eenvoudig van taal, wat de betrekkelijk langgerekte woorden na het Engelse citaat “Vijfentwintig. Schoonheidsdrift” heel sterk maakt.

Van Baardewijk gebruikt in zijn draadje het begrip ‘drumstijl’. Dat begrip heeft hij voor de gelegenheid gemunt, denk ik, want ik heb het nog niet eerder gehoord, maar misschien heb ik niet goed opgelet. Je hebt tegenwoordig ook Poetry Slam-festivals. Wigman drumde graag, was zeer op een perfecte vorm gericht, en inderdaad heeft zijn tekst iets strengs, iets scanderends, zonder dat je nu kunt zeggen dat het gedicht stijf of deftig of onnatuurlijk is. Dat is heel knap.

Slotopmerkingen

Ik heb geen studie gedaan naar bestaande commentaren op dit gedicht. Ik heb het gedicht gelezen, herlezen en overdacht. En ik las een aardig stuk van Mirjam van Hengel (die onder andere een biografie van Remco Campert heeft geschreven, alsmede een dubbelportret van Leo Vroman en Tineke Sanders) dat verscheen op 18 september 2019 in De Groene Amsterdammer, enige tijd na Wigmans vrij plotselinge dood: ‘En ik die keffend in mijn canto’s woon’. Menno Wigmans gestileerde anarchie. Wie alvast een idee wil krijgen van de dichter Menno Wigman en van zijn dichterschap, verwijs ik graag naar dat artikel.

De romanschrijver, dichter en essayist Rob van Essen schrijft momenteel een biografie van Wigman. Ik ben daar benieuwd naar.

Uitgelicht bericht

Onberispelijk

Ik verkoop geen brood
aan de man die verkeerd doet;
ook zijn kinderen
halen bij mij hun rijbewijs niet.

Een bankrekening openen
is uitgesloten,
althans voor hem.

Hij mag al niet mopperen
dat er een lamp is
die het doet.

Ik beraad mij op stappen
om de sterrenhemel
voor hem
onzichtbaar te maken.

De verspreiding
van virus en bacil
moet worden tegengegaan.

De reputatie
van mijn nering
is niet onbelangrijk.

Liefde is weliswaar ook belangrijk.

Ik ben zeer bezorgd
om de kwetsbare mens.

Tot dezulken
behoort hij duidelijk niet.

Mijn armen zijn te kort
om de wereld
te omarmen.

Uitsluiting is niet altijd
verkeerd.

Chaos, zegt u?
Kan ik er wat aan doen?

Het is een dwaasheid
in God te geloven.

Eens zal ik sterven
in de zekerheid
dat ik niet heb verzaakt.

Mens, gij zult onberispelijk zijn.

(Eigen werk)

Uitgelicht bericht

Bidden – Emily Dickinson

Emily Dickinson (1830-1886) was een Amerikaans dichter uit de 19e eeuw. Ze stamde uit een aanzienlijke familie, groeide op in Massachusetts binnen een calvinistische traditie (Puritanisme), was excentriek, leefde teruggetrokken, was angstig en nerveus. Verreweg de meeste gedichten die ze schreef – ongeveer 1800 – zijn pas na haar dood gepubliceerd.

Ze leefde een ongehuwd en teruggetrokken leven, en ze was heel productief. Haar reputatie lijkt tot op de dag van vandaag eerder toe dan af te nemen.

Rond 1845 vond er een religieuze revival plaats in Amherst waar ze opgroeide en woonde. Ze deelde daarin, maar het was een ervaring die niet blijvend was. Na 1852 ging ze nog wel eens naar de kerk, maar niet regelmatig.

In het vertaalde gedicht roept Dickinson de naïeve, egocentrische gebedspraktijk van het kind op.

In de eerste strofe is alles in religieuze harmonie volgens een boekhoudkundige methode. In de tweede strofe blijkt dat de ik-figuur, een kind nog, een beetje hebberig alleen voor zichzelf bidt, aannemend dat de Genade alles wel recht zal breien. Uit het vervolg blijkt dat er vervolgens ontgoocheling is opgetreden, culminerend in de slotstrofe: Een kind denkt al gauw aan bedrog, / Als het ooit een keer is bedrogen.

Het gedicht, waarschijnlijk geschreven rond 1862, is overgenomen uit The Complete Poems of Emily Dickinson, samengesteld door Thomas H. Johnson, p.229-230 (gedicht 476), voor het eerst uitgegeven in 1890.

Het oorspronkelijke gedicht had geen titel. Zowel de titel van het oorspronkelijke gedicht – A Prayer – als de titel van de vertaling – Bidden – zijn dus latere toevoegingen.

(De twee slotwoorden van de openingszin van de vertaling – weinig nodig – zijn beide tweelettergrepig en ze eindigen ook beide op -ig, wat enigszins storend is voor mijn gevoel.)

De zinsnede: “Al hetgeen gij vragen zult, / Gij zeker zult beërven” is ontleend aan de bijbel waarin degene die bidt wordt beloofd dat hij zal krijgen wat hij vraagt. Zie bijvoorbeeld: Mattheüs 7:7-12. Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden. Want een iegelijk, die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, dien zal opengedaan worden.

Deze belofte wordt door mensen die een hekel aan godsdienst hebben vaak zo geïnterpreteerd dat het godsvertrouwen waaruit het gebed voortkomt als een krankzinnigheid tevoorschijn komt.

Dickinson gebruikte vaak een merkwaardige interpunctie; ze werkte vooral met liggende streepjes. Ik heb in vertaling die streepjes niet overgenomen, maar ik heb wel gebruikgemaakt van de aanwijzingen die die streepjes bevatten. Kijk bijvoorbeeld maar eens naar “ – twinkled – “. In moderne edities wordt dat woord direct achter Judgment geplaatst, zonder streepjes dus, maar die streepjes bevatten wel degelijk belangrijke informatie.

[Ik heb het gedicht verbeterd na kritische opmerkingen van een lezer – W. van Wingerden uit Stedum – waarvoor hartelijk dank.]

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling:

Bidden

Voor mij werd weinig nodig geacht,
iets zinvols, een hemel allicht;
dit zou passen binnen m’n budget,
‘t leven en ik – mooi in evenwicht.

Daar die laatste beiden omvat,
kon het bij ‘t bidden volstaan
slechts voor die ene gunsten te eisen,
genade vulde het vast wel weer aan.

Zo bad ik dan op deze wijs:
O Goede Geest, geeft toch aan mij
een hemel kleiner dan van jou
maar groot genoeg voor mij.

Een lach speelde om Jehova’s mond;
de cherubs werden bang;
grafheiligen knikten stiekem naar mij,
vaak met kuiltjes in hun wang.

Ik ging daar weg, zo gauw ik kon:
‘t gebed kreeg zijn congé;
donkere eeuwen raapten het op,
‘t Oordeel – twinkelend – ging mee,
over een nobele ziel die het bestaat
te geloven zonder reserve
dat “Al hetgeen gij vragen zult,
gij zeker zult beërven.”

En ik, ik speur nu in de lucht
met ietwat wantrouwige ogen:
een kind denkt al gauw aan bedrog,
als het ooit een keer is bedrogen.

Origineel:

A Prayer

I meant to have but modest needs –
Such as Content – and Heaven –
Within my income – these could lie
And Life and I keep even –

But since the last – included both –
It would suffice my Prayer
But just for one – to stipulate –
And Grace would grant the Pair –

And so – upon this wise – I prayed –
Great Spirit – Give to me
A Heaven not so large as yours,
But large enough – for me –

A Smile suffused Jehovah’s face –
The Cherubim – withdrew –
Grave Saints stole out to look at me –
And showed their dimples – too –

I left the Place with all my might –
I threw My Prayer away –
The Quiet Ages picked it up –
And Judgment – twinkled – too –
That one so honest – be extant –
It take the Tale for true –
That “Whatsoever Ye shall ask –
Itself be given You” –

But I, grown shrewder – scan the Skies
With a suspicious Air –
As Children – swindled for the first
All Swindlers – be – infer –

Uitgelicht bericht

De Wederkomst – William Butler Yeats

William Butler Yeats (1865-1939) is een Ierse dichter en toneelschrijver, een van de grootste engelstalige schrijvers van de twintigste eeuw. In 1923 kreeg hij de Nobelprijs voor literatuur.

Yeats groeide op als een lid van de protestantse Ierse elite, maar hij nam daar afstand van, en hij ontwikkelde zich gaandeweg tot een man met grote belangstelling voor mystieke, en soms zelfs occulte onderwerpen. Deze onderwerpen kwamen zijn verbeeldingskracht zeker ten goede. Ook in het onderhavige gedicht is deze gerichtheid merkbaar, bijvoorbeeld wanneer de gestalte met het leeuwenlichaam en het mensenhoofd wordt voorgesteld als voortkomend uit de ‘Spiritus Mundi, de wereldgeest, een geestelijke entiteit die ook wel eens optreedt in de gedichten van Goethe (Weltgeist), bijvoorbeeld in het gedicht Eins und Alles, via deze link op deze website in vertaling beschikbaar.

Het gedicht dat ik vertaald heb – The Second Coming – is heel beroemd geworden, omdat het een ondergangsfantasie heel duidelijk onder woorden brengt.

Het gedicht is geschreven in 1919, onmiddellijk na de Eerste Wereldoorlog, een oorlog die in het angelsaksische taalgebied vaak als een groter drama wordt beschouwd – The Great War – dan de Tweede. Het gedicht is voor het eerst gepubliceerd in 1920 in het Amerikaanse tijdschrift The Dial. Het is opgenomen in de bundel die in 1921 werd gepubliceerd: Michael Robartes and the Dancer.

Vlak voor de Tweede Wereldoorlog goed was begonnen, in 1939, overleed Yeats. De dichter Wystan Hugh Auden was zojuist naar Amerika geëmigreerd. Hij schreef een gedicht In Memoriam William Butler Yeats (via de link op deze website in vertaling beschikbaar) dat heel beroemd is geworden, vooral door de zin “For Poetry makes nothing happen”.

Met de titel van het gedicht, en aan het slot van het gedicht heeft Yeats enkele duidelijke, maar ambivalente verwijzingen naar het christendom aangebracht: de Wederkomst spreekt wel voor zichzelf, en de schommelwieg is een duidelijke verwijzing naar de kribbe in Bethlehem; het christendom lijkt voor een deel verantwoordelijk te worden gesteld voor de gruwelen waar Yeats impliciet naar verwijst. Maar de gestalte uit zijn verbeelding lijkt ook niet bepaald geneigd om nederig naar een stal te gaan om daar geboren te worden.

[Ik heb de twee openingswoorden van de eerste twee versregels van de tweede strofe – twee maal ‘gewis’ – vervangen door twee maal ‘stellig’, een woord dat dezelfde antimetrie kent als ‘surely’ en dat voor mijn gevoel een klein beetje minder archaïsch klinkt. In de geluidsopname is nog ‘gewis’ te horen.]

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling:

De Wederkomst

Cirkelend, cirkelend in steeds wijdere kringen
kan de valk de valkenier niet horen;
de boel valt uiteen; het centrum houdt geen stand;
pure anarchie wordt op aarde uitgestort;
een bloedgolf wordt uitgestort, en links en rechts
gaat de rite van onschuld teloor;
De besten zijn zeer wankelmoedig, en de slechtsten
zinderen van bezielde vurigheid.

Stellig wordt een openbaring ons deel;
stellig zal daar de Wederkomst zijn.
Wederkomst! Het woord is nog niet uitgesproken
of een reusachtig beeld, uitgaand van de Spiritus Mundi,
vertroebelt mijn blik: ergens in woestijnzand is een gestalte
met het lijf van een leeuw en het hoofd van een mens,
met een blik zo leeg en meedogenloos als de zon,
die traag zijn bovenbenen beweegt; en rondom fladderen
schaduwen van gepikeerde woestijnvogels.
Opnieuw valt de duisternis in; maar inmiddels weet ik
dat twintig eeuwen van versteende slaap
uitliepen op de nachtmerrie van een schommelwieg.
En welk lompe beest zal, als zijn tijd straks rijp is,
naar Bethlehem sjokken om geboren te worden?

Origineel:

The Second Coming

Turning and turning in the widening gyre
The falcon cannot hear the falconer;
Things fall apart; the centre cannot hold;
Mere anarchy is loosed upon the world,
The blood-dimmed tide is loosed, and everywhere
The ceremony of innocence is drowned;
The best lack all conviction, while the worst
Are full of passionate intensity.

Surely some revelation is at hand;
Surely the Second Coming is at hand.
The Second Coming! Hardly are those words out
When a vast image out of Spiritus Mundi
Troubles my sight: somewhere in sands of the desert
A shape with lion body and the head of a man,
A gaze blank and pitiless as the sun,
Is moving its slow thighs, while all about it
Reel shadows of the indignant desert birds.
The darkness drops again; but now I know
That twenty centuries of stony sleep
Were vexed to nightmare by a rocking cradle,
And what rough beast, its hour come round at last,
Slouches towards Bethlehem to be born?

Uitgelicht bericht

Op een creoolse dame – Baudelaire

De Franse dichter Charles Baudelaire (1821-1867) schreef prachtige gedichten, onder andere in zijn beroemdste bundel Les Fleurs du mal  (1857) – De bloemen van het kwaad.

Bijgaande foto is omstreeks 1855 gemaakt door de beroemde pionier van de fotografie Nadar (1820-1910), pseudoniem van Gaspard-Félix Tournachon.

De poëzie van Baudelaire heeft kenmerken van romantiek en decadentie. Hij is een van de dichters die werd opgenomen in de door Paul Verlaine samengestelde bloemlezing Les poètes maudits (1884).

In Les Fleurs du Mal staat bijvoorbeeld ook De albatros, een gedicht dat het beeld van de gedoemde dichter (poète maudit) oproept, een beeld dat blijvend met Baudelaire en met hem verwante dichters verbonden is. De albatros is ook in vertaling op deze website beschikbaar.

In dezelfde bundel is ook À une dame créole – Op een creoolse dame – opgenomen. Het is een sensueel gedicht dat eerder een multiculturele geest ademt dan een eng-nationalistische. Waarschijnlijk zou het gedicht nu niet meer zo geschreven kunnen worden – de verwijzing naar de afkomst van deze dame en naar haar slaven kan mogelijk niet door eigentijdse beugels – maar het voornaamste is dat de exotische dame hier in een uiterst gunstig, bijna Shakespeareaans licht verschijnt.

Aan de oever van de Seine (tegenover het huis van Stephane Mallarmé in Vulaines-sur-Seine (foto: Arie Sonneveld, 2-8-2021)

Mij komen soms teksten onder ogen waaruit zou blijken dat woorden als ‘creools’ en ‘dame’ en ‘slaven’ niet langer in fatsoenlijk Nederlands zouden zijn toegestaan. Ik heb me van dat verbod bij het vertalen niets aangetrokken.

Ik denk dat dit gedicht verder heel weinig toelichting nodig heeft. Baudelaire is duidelijk zeer onder de indruk van de dame in kwestie, en het sonnet dat hij aan haar wijdde is een van de duizenden sonnetten waartoe zij ongetwijfeld zou kunnen inspireren.

Een van de eigenaardigheden, de charmes van Baudelaires gedichten is de stuwende zangerigheid ervan. Ik heb geprobeerd die in het Nederlands zo goed mogelijk na te bootsen.

Hieronder volgt eerst een geluidsopname van de vertaling, en daarna komt de tekst.

Vertaling:

Op een creoolse dame

In een zoetgeurend land, gestreeld door de zon,
kende ik, onder een loofscherm van pure paarsheid,
en een rij palmen die netten van loomheid spon,
een creoolse dame van ongeziene schoonheid.

Ze is warm en licht; haar lokken – betoverend duister –
verlenen haar hals een hoogst-adellijk bouquet.
Ze is slank als een jager, vol gratie en luister,
met een ferme blik en een vrijmoedige tred.

Mocht u ooit gaan, madame, naar de fraaie streken
aan de oevers van de Seine, langs de groene Loire –
waar u elk landhuis alsmaar chiquer zal doen lijken –

dan zullen, in de schaduw van lommerrijke beken,
zich in duizend dichtersharten sonnetten openbaren,
die u, meer nog dan al uw slaven, naar de ogen kijken.

Origineel:

À une Dame créole

Au pays parfumé que le soleil caresse,
J’ai connu, sous un dais d’arbres tout empourprés
Et de palmiers d’où pleut sur les yeux la paresse,
Une dame créole aux charmes ignorés.

Son teint est pâle et chaud; la brune enchanteresse
A dans le cou des airs noblement maniérés;
Grande et svelte en marchant comme une chasseresse,
Son sourire est tranquille et ses yeux assurés.

Si vous alliez, Madame, au vrai pays de gloire,
Sur les bords de la Seine ou de la verte Loire,
Belle digne d’orner les antiques manoirs,

Vous feriez, à l’abri des ombreuses retraites
Germer mille sonnets dans le coeur des poètes,
Que vos grands yeux rendraient plus soumis que vos noirs.

Uitgelicht bericht

Het liefdeslied van J. Alfred Prufrock – T.S. Eliot

T. S. Eliot (1888-1965) was een Amerikaans-Engelse dichter die in Nederland het meest bekend is geworden door het gedicht The Waste Land, met de bekende openingszinnen:

April is the cruellest month, breeding
Lilacs out of the dead land, mixing
Memory and desire, stirring
Dull roots with spring rain.
Winter kept us warm, covering
Earth in forgetful snow, feeding
A little life with dried tubers.

Daarnaast zijn ook de Four Quartets heel bekend geworden.

De dichter Martinus Nijhoff (1894-1953) is in sommige opzichten – modernisme, ingehouden ironie, lange toppenverzen met memorable regels, band met het christendom – aan hem verwant.

In 1917 publiceerde Eliot de bundel Prufrock and Other Observations. Hierin was ook het hier vertaalde gedicht The Love Song of J. Alfred Prufrock opgenomen.

Eliot schreef het gedicht als jonge man, een twintiger nog. Het is een lange monologue interieur van een angstige, egotistische, sociaal-schuwe man die niet weet hoe hij contact kan maken met de dame op het feestje, die allerlei bedenksels heeft waarom hij zus zou doen, of zo, maar die het niet doet.

In het gedicht zijn verschillende toespelingen op de bijbel en op Shakespeare, enzovoort.

Het motto van het gedicht is ontleend aan De Goddelijke Komedie van Dante, een episch dichtwerk uit de veertiende eeuw in drie delen: De Hel, Het Vagevuur en Het Paradijs. Het betreft zes versregels uit de zevenentwintigste zang van De Hel. De regels vormen het begin van een antwoord dat Dante kreeg van Guido da Montefeltro die zich in de achtste hellekring bevond. Montefeltro durfde te antwoorden zonder bang te hoeven zijn om voor gek te worden versleten, omdat hij gehoord heeft dat er uit deze hellekring nooit iemand terugkeert naar het land van de levenden.

De suggestie die uitgaat van dit motto is uiteraard dat dit gedicht uit de ‘buitenste duisternis’ tevoorschijn komt (‘buitenste duisternis’ is bijbelse beeldspraak voor wat in de christelijke traditie ‘de hel’ wordt genoemd), en uiteraard nooit openbaar zou zijn geworden als de boodschap ons daadwerkelijk zou kunnen bereiken. Een zeer theatraal motief dus, en zeer ironisch bovendien: wat u leest, behoort u niet te kunnen lezen, maar u leest het nu wel.

Ik heb de strofen genummerd. Deze nummering is niet eigen aan het origineel, en het is ook niet gebruikelijk in de overweldigende hoeveelheid literatuur over dit gedicht, maar het is wel behulpzaam bij het strofegewijze commentaar dat ik zo dadelijk zal geven.

Er zijn al veel gerenommeerde dichters en schrijvers die zich aan een vertaling hebben gewaagd, onder anderen: Martinus Nijhoff, Pé Hawinkels en Elly de Waard (de hyperlinks verwijzen naar de online beschikbare vertalingen).

Het gedicht is vrij van vorm, maar kent wel behoorlijk veel rijm: eindrijm, assonanties, alliteraties.

Een beknopte tekst die een aardige eerste introductie geeft tot het gedicht, vindt u hier (in het Engels).

Dan nu een beknopt commentaar per strofe:

Motto: De vurige tong is beeldspraak ontleend aan de vlammen van de hel, maar deze hellevlam staat hier natuurlijk ook voor de tong van degene die antwoord moet geven. Een flakkerende tong is een ratelende, een bewegende, een sprekende tong; een stilstaande tong zwijgt.

Strofe 1: De jij en ik gaan naar een feestje, maar de ik-figuur ziet er als een berg tegenop. De strofe zinspeelt op allerlei erotische avonturen die je op zo’n wezenloze avond, als je in de betreffende ietwat verlopen stadswijk rondloopt, kunt vermoeden. Het erotische element keert herhaaldelijk terug.

Strofe 2: Ze zijn gearriveerd. Opgedirkte dames met een pretentieuze conversatie lopen af en aan.

Strofe 3: De ietwat vervuilde avondatmosfeer wordt opgeroepen met het beeld van een kat. De kat is in deze strofe van begin tot eind aanwezig. En de kat is natuurlijk ook een egocentrisch en autonoom dier, net als de ik-figuur.

Strofe 4: “Er is een tijd om te omhelzen en een tijd om zich van omhelzingen te onthouden“, zegt de bijbelse Prediker. De retoriek van “Er is een tijd …” wordt een aantal strofen volgehouden. De tobberigheid, de eindeloze reflectie van de hoofdpersoon op wat hij zal doen of zal nalaten, treedt duidelijk aan het licht. De Werken en Dagen zijn een toespeling op een werk van Hesiodos.

Strofe 5: De ik-figuur wordt weer in zijn tobberijen gestoord door de dames van strofe 2.

Strofe 6: Opnieuw getob, vooral over het eigen uiterlijk: is de hoofdpersoon wel aantrekkelijk genoeg voor de vrouwen die hij stilletjes veracht? Er wordt gezinspeeld op iets wat hij zou kunnen zeggen om de rampzalige toestand definitief aan het wankelen te brengen.

Strofe 7: Het blijken allemaal bekenden te zijn, of althans mensen die geen geheimen bezitten. De slotvraag lijkt terug te slaan op de vraag of hij het aandurft het heelal uit zijn evenwicht te brengen, misschien een vooruitgrijpen op de crisis die zo dadelijk ter sprake komt, maar misschien ook op de wanhoop die wordt opgeroepen door de onmogelijkheid om contact te maken.

Strofe 8: De ik-figuur wil niet in een hokje gestopt worden, maar dat lot lijkt onontkoombaar. Wat hem vervult is onvrede met zichzelf, en het meepraten over Michelangelo zal ongetwijfeld niet gaan lukken.

Strofe 9: Blote armen, vrouwengeuren die de ik-figuur obsederen. Deze strofe geeft de indruk dat erotische verlangens – die de wanhoop van contactarmoede schrijnend maken – bepaald niet afwezig zijn.

Strofe10: Zal de ik-figuur dan maar vertellen wat hij gezien heeft? Het betreft een weinig flatteuze scène: pijprokende mannen in hemdsmouwen die uit ramen hangen. Er is een impliciet gehouden beeldrijm met het eigen ongeloof in sociale (en erotische) vermogens.

Strofe 11: Een geweldig beeld: krabbenpoten die hun wanhoop klauwen over de bodem van de oceanen.

Strofe 12: Moet de ik-figuur – terwijl alles er zo vredig en gemanicuurd uitziet – nochtans zijn persoonlijke crisis op het gezelschap uitleven? En terwijl hij overbewust is – hij heeft zijn hoofd zien binnendragen op een schaal, toch is hij bepaald geen profeet die weet hoe het verder moet. Dit impliceert ook een afwijzing van de profetenmantel waarmee dichters soms behangen worden, of waarmee ze zichzelf behangen. Het beeld van het hoofd op een schaal is ontleend aan het vreselijke einde van Johannes de Doper die op instigatie van Herodias onthoofd werd als beloning voor de dans van Salomé voor Herodes Antipas en zijn gasten.

Strofe 13: En stel nu eens dat de ik-figuur toch iets van wat hem beroert te berde zou brengen, zou dat de ellende die dat met zich meebrengt misschien kunnen rechtvaardigen? Lazarus is iemand die in het bijbelse Nieuwe Testament door Jezus wordt opgewekt uit de doden. Dat Lazarus aankondigt te zullen vertellen wat hem in de dood is overkomen – iets wat door bekoorlijke hoofdjes duidelijk van de hand wordt gewezen – werd reeds prachtig aangereikt door het motto van Dante.

Strofe 14: Net als in de vorige strofe preludeert de ik-figuur op een afwijzing voor het geval hij werkelijk voor de dag zou komen met wat hem werkelijk bezig houdt.

Strofe 15: Een strofe die uiteraard verwijst naar Hamlet, het toneelstuk van Shakespeare. Hamlet wordt opgevoerd als contrast. De ik-figuur is veel miezeriger dan Hamlet. De monoloog waarin ‘To be or not to be’ uit het toneelstuk is heel bekend. Ook dit gedicht is bijna een monoloog. Het eindigt met de Dwaas, een bekende Shakespeareaanse figuur – en dat is niet zo vreemd, want Shakespeare is heel goed, en dwazen komen ook in de werkelijkheid vrij vaak voor.

Strofe 16: Hij ziet het al voor zich: zo’n gênante grijsaard met opgerolde broekspijpen.

Strofe 17: Durft hij het? Een perzik eten is moeilijk, een ander kapsel kiezen ook. Hij gaat wel in zijn eentje wandelen, maar wat hoort hij? Verleidelijke sirenen, maar ze verleiden niet hem – ze zingen slechts voor elkaar.

Strofe 18: Niet voor de ik-figuur.

Strofe 19: De slotconclusie: de grijzende haren worden uiteindelijk gekamd, maar toch niet het kalende hoofd van de ik-figuur, maar de door de wind van de onrust tevoorschijn geroepen witte lokken van de zee. Dan verschuift het perspectief opeens naar een ‘wij’, waarmee de conclusie in poëtische zin algemeen geldig worden gemaakt. Diep onder de oppervlakte van de zee – een mooi beeld voor de isolatie waarin de ik-figuur zich bevond – bevinden ‘wij’ ons kennelijk allemaal, net als de krabben die stilzwijgend schrapen over de bodem. En ‘wij’, die aanwezig blijken te zijn op de bodem in de aldaar aanwezige zalen, werden er bijna ingekapseld, dat wil in dit geval zeggen met zeewier omkransd, maar zodra mensenstemmen tot ‘ons’ bewustzijn doordrongen, gingen ‘wij’ ten onder, verloren wij onze eigenheid, onze wanhoop, onze individualiteit.

Een opgewekte, mensvriendelijke conclusie is het misschien toch niet.

Ik heb ten slotte een poging gedaan om mijn vertaling voor te dragen.

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling:

Het liefdeslied van J. Alfred Prufrock


S’io credesse che mia risposta fosse
A persona che mai tornasse al mondo,
Questa fiamma staria senza piu scosse.
Ma percioche giammai di questo fondo
Non torno vivo alcun, s’i’odo il vero,
Senza tema d’infamia ti rispondo.

(Als ik zou geloven dat mijn antwoord was gericht
Aan iemand die ooit zou terugkeren op aarde,
Dan zou deze vurige tong niet langer flakkeren maar stilstaan;
Maar sinds niemand – als ik het wel heb –
uit deze diepten ooit wederkeert,
zal ik zonder angst voor schande antwoorden.
)

1.
Kom, laat ons gaan dan, jij en ik,
nu de avond aan de hemel wordt geschikt
als een patiënt verdoofd met ether op een tafel;
laat ons gaan, door van die desolate straten,
dat stiekeme de straat verlaten
voor een wilde nacht in van die derderangs hotels
en bars met zaagselvloeren, oesterschelpen:
straten die lopen als een taaie twist
waarin je nooit de kwade opzet mist,
die leiden naar een overheersende vraag …
Oh, zeg nu niet: “Hoe luidt die dan?”
Laat ons nu op visite gaan.

2.
In de salon stelen de dames de show
al pratend over Michelangelo.

3.
De gele mist die traag zijn rug schuurt aan het raam,
de gele rook die traag zijn snoet wrijft tegen ’t raam,
steekt gretig met zijn tong in elke avondhoek,
hangt rond bij ’t water dat in goten stil blijft staan,
vangt op haar rug het roet dat uit de schoorsteen komt,
gleed soepel van ‘t terras, en heeft een sprong gemaakt,
en ziende dat het een zachte oktobernacht betrof,
vlijde ze zich in een keer om het huis, en viel in slaap.

4.
En ja, er is een tijd
voor de gele rook die langs de straten gaat,
zijn rug traag schurend tegen ‘t raam;
er is een tijd, er is een tijd
om je gezicht zo te plooien dat je ziet wie jou straks gadeslaat;
er is een tijd voor moord, en voor een scheppingsdaad,
en tijd voor alle werken en dagen van een hand
die zich opheft en een vraag op jouw bordje plaatst;
voor jou een tijd, voor mij een tijd,
een tijd voor nog een honderd aarzelingen
voor honderd inbeeldingen en aanpassingen,
eer straks de gong weerklinkt voor het ontbijt.

5.
In de salon stelen de dames de show
al pratend over Michelangelo.

6.
En ja, er is een tijd
om zich af te vragen: ‘Durf ik het aan?’ en, ‘Durf ik het aan?’
Een tijd om de rug toe te keren en de trap af te dalen,
met een kale plek die schemert door m’n haren –
(ze zullen wel zeggen: “Wat wordt zijn haar al dun!”)
mijn jacquet, mijn boord omhoog gestoken tot mijn kin,
mijn nette das die met een kleine speld zich op mijn buik bevindt –
(Ze zullen wel zeggen: “O, wat zijn z’n armen en z’n benen dun!”)
Durf ik het aan
het heelal te laten beven?
Zo meteen is er een tijd
Voor beschikkingen en herroepingen die meteen weer worden prijsgegeven.

7.
Want heus, ik kende ze allemaal al, echt allemaal:
heb ochtenden, middagen, avonden uitgezeten,
ik heb met koffielepeltjes mijn leven uitgemeten;
ik ken van elke wegstervende stem het stervend geluid
achter de muziek van tussen die gangen door.
Dus hoe stel ik me dat dan voor?

8.
En al die ogen kende ik al, echt allemaal –
de ogen die jou blijvend aan een formule vastmaken,
en als je in woorden bent gevat, vervolgens vastpinnen,
en als je bent vastgepind en spartelt aan de muur,
wat kun je dan beginnen
om al die stompe eindjes van mijn dagen en gedragen uit te braken?
En hoe stel ik me dat dan voor?

9.
En al die armen kende ik al, echt allemaal –
met pofmouwtjes, armen die wit zijn en bloot
(maar beschenen door lamplicht, overdekt met lichtbruin haar!)
Is het die geur, dat zalige bouquet
dat mij zo aan het denken zet?
Armen die op tafel rusten, soms omwonden door een sjaal.
En hoe stel ik me dat dan voor?
En wat kun je dan beginnen?

10.
Zal ik ze vertellen: ik liep in de schemering door smalle straten
en keek naar de rook die opsteeg uit de pijpen
van eenzame halfblote mannen, hangend uit hun ramen? …

11.
O, was ik maar een paar ruige klauwen
die schrapen over de bodem van stille zeeën.

12.
En de middag, de avond – ze liggen er zo vredig bij!
met elegante vingers die masseren,
slapend … vermoeid … of kwalen simuleren,
uitgestrekt op de vloer, hier tussen jou en mij.
Moet ik, meteen na thee en cake en feestdis,
moed verzamelen voor de ultieme crisis?
Al heb ik geweend en gevast, geweend en gebeden,
al heb ik mijn hoofd (lichtelijk kalend) zien binnendragen op een schaal
een profeet ben ik niet – maar da’s een ander verhaal;
heel even zag ik mijn roem opflakkeren,
en ik zag de eeuwige Hein mijn jas aanpakken, en ginnegappen,
ik was, om kort te gaan, bang.

13.
En was het dat allemaal waard, uiteindelijk,
na alle drankjes, de thee, de toast met pastei,
te midden van het porselein, bij ‘t gepraat van jou en mij,
had het de moeite geloond als ik
de zaak met een glimlach had weggeslikt,
het universum had laten krimpen tot een balletje
om die te rollen naar een overheersende vraag,
om dan te zeggen, “Ik ben Lazarus, opgestaan uit de doden,
teruggekomen om je alles te vertellen, ik vertel je echt alles” –
terwijl iemand, haar hoofdje schikkend in een kussen
zou zeggen: “Dat is echt niet wat ik wilde;
dat is het niet, echt niet.”

14.
En was het dat allemaal waard, uiteindelijk
heeft het de moeite geloond
al die schemeringen, de binnenplaatsjes, de bespatte straten,
de intriges, de theekopjes, de slepende rokken –
en dit, en zoveel meer? –
onmogelijk kan ik zeggen wat ik precies bedoel!
Maar als een toverlantaarn zenuwen zou projecteren op een scherm:
zou het de moeite waard zijn geweest
terwijl iemand, een kussen schikkend of een das losgooiend,
en wegdraaiend naar het raam, zou zeggen:
“Dat is het niet, echt niet.
“Dat is echt niet wat ik wilde.”

15.
Nee! Ik ben Prins Hamlet niet, en zou hem ook niet kunnen zijn;
‘k ben een gedienstig mannetje, een die je er
goed bij kunt hebben, die wel een zaakje regelen kan,
die de prins een advies verstrekt; vast een nuttig instrument,
gedwee, blij dat hij zich bruikbaar maken kan,
behendig, voorzichtig en nauwgezet;
heel gewichtig, maar wel een beetje kleurloos;
soms – toegegeven – bijna lachwekkend –
bijna, soms, een regelrechte Dwaas.

16.
Ik word oud … ik word oud …
straks loop ik met opgerolde broekspijpen rond.

17.
Durf ik een perzik eten? Zal ik mijn scheiding veranderen.
Ik zal een broek aandoen van wit flanel, en langs het strand wandelen.
Ik heb de sirenen horen zingen, vooral naar elkander.

18.
Ze zingen, denk ik, vast niet voor mij.

19.
Ik heb ze naar zee zien glijden over de golven;
ze kammen van de golven de witte lokken
als de wind over het zwarte water jaagt met witte vlokken.
We hebben vertoefd in de zalen van de zee,
waar zeenimfen ons met bruin en rood wier omringden
totdat mensenstemmen ons wekken, en wij verdrinken.

Origineel:

The Love Song of J. Alfred Prufrock


S’io credesse che mia risposta fosse
A persona che mai tornasse al mondo,
Questa fiamma staria senza piu scosse.
Ma percioche giammai di questo fondo
Non torno vivo alcun, s’i’odo il vero,
Senza tema d’infamia ti rispondo.

Let us go then, you and I,
When the evening is spread out against the sky
Like a patient etherized upon a table;
Let us go, through certain half-deserted streets,
The muttering retreats
Of restless nights in one-night cheap hotels
And sawdust restaurants with oyster-shells:
Streets that follow like a tedious argument
Of insidious intent
To lead you to an overwhelming question …
Oh, do not ask, “What is it?”
Let us go and make our visit.

In the room the women come and go
Talking of Michelangelo.

The yellow fog that rubs its back upon the window-panes,
The yellow smoke that rubs its muzzle on the window-panes,
Licked its tongue into the corners of the evening,
Lingered upon the pools that stand in drains,
Let fall upon its back the soot that falls from chimneys,
Slipped by the terrace, made a sudden leap,
And seeing that it was a soft October night,
Curled once about the house, and fell asleep.

And indeed there will be time
For the yellow smoke that slides along the street,
Rubbing its back upon the window-panes;
There will be time, there will be time
To prepare a face to meet the faces that you meet;
There will be time to murder and create,
And time for all the works and days of hands
That lift and drop a question on your plate;
Time for you and time for me,
And time yet for a hundred indecisions,
And for a hundred visions and revisions,
Before the taking of a toast and tea.

In the room the women come and go
Talking of Michelangelo.

And indeed there will be time
To wonder, “Do I dare?” and, “Do I dare?”
Time to turn back and descend the stair,
With a bald spot in the middle of my hair —
(They will say: “How his hair is growing thin!”)
My morning coat, my collar mounting firmly to the chin,
My necktie rich and modest, but asserted by a simple pin —
(They will say: “But how his arms and legs are thin!”)
Do I dare
Disturb the universe?
In a minute there is time
For decisions and revisions which a minute will reverse.

For I have known them all already, known them all:
Have known the evenings, mornings, afternoons,
I have measured out my life with coffee spoons;
I know the voices dying with a dying fall
Beneath the music from a farther room.
So how should I presume?

And I have known the eyes already, known them all—
The eyes that fix you in a formulated phrase,
And when I am formulated, sprawling on a pin,
When I am pinned and wriggling on the wall,
Then how should I begin
To spit out all the butt-ends of my days and ways?
And how should I presume?

And I have known the arms already, known them all—
Arms that are braceleted and white and bare
(But in the lamplight, downed with light brown hair!)
Is it perfume from a dress
That makes me so digress?
Arms that lie along a table, or wrap about a shawl.
And should I then presume?
And how should I begin?

Shall I say, I have gone at dusk through narrow streets
And watched the smoke that rises from the pipes
Of lonely men in shirt-sleeves, leaning out of windows? …

I should have been a pair of ragged claws
Scuttling across the floors of silent seas.

And the afternoon, the evening, sleeps so peacefully!
Smoothed by long fingers,
Asleep … tired … or it malingers,
Stretched on the floor, here beside you and me.
Should I, after tea and cakes and ices,
Have the strength to force the moment to its crisis?
But though I have wept and fasted, wept and prayed,
Though I have seen my head (grown slightly bald) brought in upon a platter,
I am no prophet — and here’s no great matter;
I have seen the moment of my greatness flicker,
And I have seen the eternal Footman hold my coat, and snicker,
And in short, I was afraid.

And would it have been worth it, after all,
After the cups, the marmalade, the tea,
Among the porcelain, among some talk of you and me,
Would it have been worth while,
To have bitten off the matter with a smile,
To have squeezed the universe into a ball
To roll it towards some overwhelming question,
To say: “I am Lazarus, come from the dead,
Come back to tell you all, I shall tell you all”—
If one, settling a pillow by her head
Should say: “That is not what I meant at all;
That is not it, at all.”

And would it have been worth it, after all,
Would it have been worth while,
After the sunsets and the dooryards and the sprinkled streets,
After the novels, after the teacups, after the skirts that trail along the floor—
And this, and so much more?—
It is impossible to say just what I mean!
But as if a magic lantern threw the nerves in patterns on a screen:
Would it have been worth while
If one, settling a pillow or throwing off a shawl,
And turning toward the window, should say:
“That is not it at all,
That is not what I meant, at all.”

No! I am not Prince Hamlet, nor was meant to be;
Am an attendant lord, one that will do
To swell a progress, start a scene or two,
Advise the prince; no doubt, an easy tool,
Deferential, glad to be of use,
Politic, cautious, and meticulous;
Full of high sentence, but a bit obtuse;
At times, indeed, almost ridiculous—
Almost, at times, the Fool.

I grow old … I grow old …
I shall wear the bottoms of my trousers rolled.

Shall I part my hair behind? Do I dare to eat a peach?
I shall wear white flannel trousers, and walk upon the beach.
I have heard the mermaids singing, each to each.

I do not think that they will sing to me.

I have seen them riding seaward on the waves
Combing the white hair of the waves blown back
When the wind blows the water white and black.
We have lingered in the chambers of the sea
By sea-girls wreathed with seaweed red and brown
Till human voices wake us, and we drown.

Uitgelicht bericht

Het lege huis – E.A. Robinson

De Amerikaanse dichter Edwin Arlington Robinson (1869-1935) won in de jaren twintig van de twintigste eeuw drie keer de Pulitzer Prize en werd een paar keer genomineerd voor de Nobelprijs voor literatuur.

Toch is de kans vrij groot dat u nog niet vaak van hem hebt gehoord. Hij leefde – literair gesproken – ook een beetje in een tussentijd: half negentiende eeuw, half twintigste eeuw. Maar hem om die reden negeren zou een ernstige vergissing zijn.

Een voortreffelijke inleiding tot zijn werk kunt u elders op deze website vinden – het is in vertaling beschikbaar. Het betreft de inleiding die Robert Frost schreef bij het lange gedicht van E.A. Robinson dat de titel draagt ‘King Jasper’. Frost geeft daarin een goede duiding van zijn techniek en zijn levensopvatting. Robinson was – anders dan veel tijdgenoten – niet erg geneigd tot het schudden met gebalde vuisten, maar hij onderzocht liever de donkere kanten van de menselijke natuur.

Het hier vertaalde gedicht – The House on the Hill – wordt ook geciteerd in de genoemde inleiding. Het vormt een treffende illustratie bij de diep-melancholische kant van zijn dichterschap die Frost zo goed heeft aangewezen.

Ik heb de titel niet letterlijk vertaald. Het gedicht zit heel strak in de vorm, met weinig lettergrepen en een heel strak rijmschema. Dat betekent dat je met voor de hand liggende vertalingen van ‘Hill’ niet veel kunt beginnen: heuvel, berg, helling, kam. Maar misschien is dat voor een Nederlands publiek ook wel wat minder erg, omdat het land dat we het beste kennen relatief vlak is.

Het gedicht is een villanelle, een negentien-regelig gedicht.

Een villanelle is een streng gereguleerde versvorm die opent met vijf terzinen (drieregelige strofen) en afsluit met een kwatrijn (vierregelige strofe). De eerste en de derde regel van de eerste terzine zijn keerregels die afwisselend terugkeren als de slotregel van de volgende terzinen, en beide keerregels keren ten slotte samen terug als de twee slotregels van het kwatrijn.

De uitdaging van de villanelle is om dezelfde keerregel steeds verrassende betekenissen te ontlokken in de verschillende strofen. Soms probeert de dichter ook om met de steeds terugkerende herhalingen een emotioneel effect te sorteren bij de lezer of toehoorder.

Het gedicht is verder geschreven in een jambische drievoet – pompóm, pompóm, pompóm – en het telt dus maar zes lettergrepen per versregel, want het rijm is mannelijk of staand (nood / dood) en niet vrouwelijk of slepend (noden / doden). Ten slotte kent het maar twee rijmklanken.

Het gedicht is ontleend aan Edwin Arlington Robinson, Selected Poetry, Penguin Books, 1997, p.8.

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling:

Het lege Huis

Er is nu niemand meer,
het Huis is leeg en stil,
het komt op zwijgen neer.

De wind gaat nu tekeer
door kieren hees en schril:
er is nu niemand meer.

Voor hen geldt nu geen sneer
of blijk van goede wil:
het komt op zwijgen neer.

Wat dwalen we nu weer
waar chaos groeien wil?
Er is nu niemand meer.

Ons arm gefantaseer
is voor hen loze gril:
het komt op zwijgen neer.

Vervallen en terneer
ligt ’t Huis daar leeg en stil:
er is nu niemand meer,
het komt op zwijgen neer.

Origineel:

The House on the Hill

They are all gone away,
The House is shut and still,
There is nothing more to say.

Through broken walls and gray
The winds blow bleak and shrill:
They are all gone away.

Nor is there one to-day
To speak them good or ill:
There is nothing more to say.

Why is it then we stray
Around the sunken sill?
They are all gone away,

And our poor fancy-play
For them is wasted skill:
There is nothing more to say.

There is ruin and decay
In the House on the Hill:
They are all gone away,
There is nothing more to say.

Uitgelicht bericht

Alleenspraak – R.S. Thomas

R.S. Thomas in Eglwys Fach. Fotograaf: John Hedgecoe

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilderes Mildred Eldridge (1909-1991).

R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).

Een aardig artikel over Thomas’ leven en werk is van de hand van Theodore DalrympleA Man Out of Time.

Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.

In een treffend filmpje uit 1996 dat Bloodaxe Books beschikbaar heeft gemaakt – hier raadpleegbaar – zegt Thomas (vanaf 4’18”):

“Mocht er sowieso later nog aan mij gedacht worden, dan zal dat wel zijn om de intensiteit van een paar gedichten die ik heb geschreven. Maar, los van de gedichten, als mens hoop ik dat m’n voorbeeld van iemand die ervan hield buiten te zijn, die hield van de aardse dingen, en die het talent had meegekregen om ze niet alleen te horen maar ook te zien, voor anderen een zeker nut heeft gehad.”

Het onderhavige gedicht is een monoloog waarin een voor R.S. Thomas karakteristieke, bittere fantasie wordt uitgewerkt: er wordt een God opgevoerd die het helemaal gehad heeft met de mensheid, en er een eind aan gaat maken.

Het gedicht heeft zelfs een actuele kant: er worden virussen opgevoerd als de dienstwillige, duistere medewerkers van deze bittere God.

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling:

Alleenspraak

En God dacht: bid maar een eind weg,
schepsels; ik ga er zodadelijk
een eind aan maken; het is, als je wilt,
m’n eigen fout. ‘t Was niet mijn eerste
blunder; mijn misstap werd gewist
door een gletsjer.
                                      Ik zag ze gaan,
buiten jullie blik – paleizen,
raketten. Mijn privéwereld
werd gekraakt; dan openden
zich de scheuren; een verbond
met de aarde ontstond. Winden bliezen
de vlakten leeg. Vanuit de woestijnen
seinden de geraamten naar me,
tevergeefs.
                                      En na de aarde, het vuur;
de wereld brandde. Ik weet niet meer
hoe lang, want het felle schrijven
heeft me versuft. Ik blies mijn koude
adem uit; de damp condenseerde
in de holten. De zon werd losgerukt
uit mijn zijde. Je verscheen uit de
wateren, verfijnd als
water, met je minerale
gedichten en beloften
van gehoorzaamheid. Ik heb te lang
naar je geluisterd. In de kerken
die je voor me bouwde, knielde je neer
voor de Machine. Waar kun je
schuilen voor de onzichtbare
virussen, mijn dienstwillige
personeel van de duisternis?

Origineel:

Soliloquy

And God thought: Pray away,
Creatures; I’m going to destroy
It. The mistake’s mine,
If you like. I have blundered
Before; the glaciers erased
My error.
                    I saw them go
Further than you – palaces,
Missiles. My privacy
Was invaded; then the flaw
Took over; they allied themselves
With the dust. Winds blew away
Their pasture. Their bones signalled
From the desert to me
In vain.
                    After the dust, fire;
The earth burned. I have forgotten
How long, but the fierce writing
Seduced me. I blew with my cool
Breath; the vapour condensed
In the hollows. The sun was torn
From my side. Out of the waters
You came, as subtle
As water, with your mineral
Poetry and promises
Of obedience. I listened to you
Too long. Within the churches
You built me you genuflected
To the machine. Where will it
Take you from the invisible
Viruses, the personnel
Of the darkness that do my will?

Uitgelicht bericht

De rat – E.A. Robinson

De Amerikaanse dichter Edwin Arlington Robinson (1869-1935) won in de jaren twintig van de twintigste eeuw drie keer de Pulitzer Prize en werd een paar keer genomineerd voor de Nobelprijs voor literatuur.

Toch is de kans vrij groot dat u nog niet vaak van hem hebt gehoord. Hij leefde – literair gesproken – ook een beetje in een tussentijd: half negentiende eeuw, half twintigste eeuw. Maar hem om die reden negeren zou een ernstige vergissing zijn.

Een voortreffelijke inleiding tot zijn werk kunt u elders op deze website vinden – het is in vertaling beschikbaar. Het betreft de inleiding die Robert Frost schreef bij het lange gedicht van E.A. Robinson dat de titel draagt ‘King Jasper’. Frost geeft daarin een goede duiding van zijn techniek en zijn levensopvatting. Robinson was – anders dan veel tijdgenoten – niet erg geneigd tot het schudden met gebalde vuisten, maar hij onderzocht liever de donkere kanten van de menselijke natuur.

Het gedicht The Rat beschrijft de manier waarop mensen elkaar vaak bejegenen, en ook hier is zijn kijk op dit verschijnsel bepaald ontnuchterend. We zagen een mens, maar we deden altijd alsof het een rat kon zijn, en nu, nu we hem niet meer zien, veinzen we medeleven. Fijn is het niet, maar realistisch toch misschien wel.

Het gedicht is een sonnet.

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling:

De rat

Zo vaak als hij zich ergens kwam vertonen,
bekroop ons meelij, afschuw, bitse spot
met juist die vreemde overdaad van God
die lage dingen schiep om onder ons te wonen –

zo menselijk, terwijl het toch zijn lot
kon zijn een rat te wezen die ons honen
eerbaar maakt: zie hem nu tussen griezels tronen:
steevast onbruikbaar, riekend als een vod.

Nu zit hij ergens eenzaam in een trens,
een laatste put die toen nog niet bestond;
waarschijnlijk overschreed hij reeds de grens

van hen die niemand meer op aarde vond.
En wij, die ratten zagen voor een mens,
doen gaarne van ons medeleven kond.

Origineel:

The Rat

As often as he let himself be seen
We pitied him, or scorned him, or deplored
The inscrutable profusion of the Lord
Who shaped as one of us a thing so mean—

Who made him human when he might have been
A rat, and so been wholly in accord
With any other creature we abhorred
As always useless and not always clean
.

Now he is hiding all alone somewhere,
And in a final hole not ready then;
For now he is among those over there

Who are not coming back to us again.
And we who do the fiction of our share
Say less of rats and rather more of men.

Uitgelicht bericht

Twist – Elizabeth Bishop

Elizabeth Bishop

Elizabeth Bishop (1911-1979) was een Amerikaans schrijfster van gedichten en korte verhalen.

Het gedicht One Art, in het verleden door mij vertaald als De kunst bij uitstek (elders op deze kleine website raadpleegbaar), is een bekend gedicht in haar oeuvre.

Ze heeft weinig gemeen met de Confessional Poets, tijdgenoten die erg openhartig waren over hun persoonlijk leven, en die details daarvan openlijk gebruikten in hun poëzie. Ze was daar terughoudend mee, en ze was, hoewel ze de feministische zaak zeker was toegedaan, onwillig om met nadruk te worden bejegend als de lesbische vrouw die ze was, bijvoorbeeld in door feministen samengestelde bloemlezingen.

Er zijn tijdens haar leven niet veel meer dan honderd gedichten gepubliceerd. Ze cultiveerde een objectieve dichtstijl, die rijk is aan details, en haar gedichten zijn zeer evocatief. Het effect ontlenen ze mede aan de sterke emotie die schemert door die uiterlijke objectiviteit heen.

Het artikel van Bridget Read, ‘The Powerful Reticence of Elizabeth Bishop‘, The New Republic, 9 juni 2017, is een goede eerste kennismaking met Elizabeth Bishop. (Het onderschrift bij de openingsfoto van dat artikel is misleidend. De fotograaf is haar toenmalige levenspartner Alice Methfessel, en de afgebeelde persoon is Elizabeth Bishop op latere leeftijd.)

Fraai citaat uit dit artikel:

She sought to tap into “the surrealism of everyday life, unexpected moments of empathy” in order to produce something universal, whole. She had felt most of her life that she was at odds with the world around her, and that poetry was her salve. Verse could break into the essential, crack open “the horrible and terrible world,” which had given her such pain. Why bring reality back in?

In het gedicht worstelt ze met de grote afstand die er bestond tussen degene die ze liefhad – Alice Methfessel – die zich in New York bevond – en haar eigen persoon, die daar ver vandaan was (meestal in Florida).

Het gedicht dat ik vertaald heb wordt gebruikt in het boek Where Reasons End van Yiyun Li, een Chinese die in China is opgegroeid en in Amerika heeft gestudeerd, en daar is blijven wonen. Het boek wordt momenteel vertaald door de vertaalster Manon Smits. Op verzoek van Manon heb ik twee gedichten vertaald die in het boek worden gebruikt: Argument (Twist) van Elizabeth Bishop, en This Solitude of Cataracts (Die solitaire cataracten) van Wallace Stevens.

Vertaling:

Twist

Dagen die jou niet nader kunnen brengen,
of dat niet willen,
Afstand die zich alsmaar blijft verlengen
volgens een granieten wet of losse grillen,
ze twisten twisten twisten met me
onophoudelijk
maar hunkering naar jou blijft me verzengen.

Afstand: weet je nog van al dat land
onder het vliegtuig;
die zeelijn
van wazige kusten verzonken in zand
die zich onontwarbaar uitstrekt
in de verte,
in de verte waar elk bedenksel strandt?

Dagen: denk nog eens mee
aan die warwinkel van werktuigen,
die elk hun ding doen,
en harteloos elkaars ervaring uitvegen;
hoe ze waren
als zo’n afzichtelijke kalender
“Beste wensen van Nimmer & Immer bv.”

Het intimiderende krakeel
van deze stemmen
– elk afzonderlijk ons deel –
kan en zal worden bedwongen:
Dagen en Afstand weer wanordelijk dooreen
en verdwenen,
voorgoed, en weg van ‘t oude strijdtoneel.

Origineel:

Argument

Days that cannot bring you near
or will not,
Distance trying to appear
something more than obstinate,
argue argue argue with me
endlessly
neither proving you less wanted nor less dear.

Distance: Remember all that land
beneath the plane;
that coastline
of dim beaches deep in sand
stretching indistinguishably
all the way,
all the way to where my reasons end?

Days: And think
of all those cluttered instruments,
one to a fact,
canceling each other’s experience;
how they were
like some hideous calendar
“Compliments of Never & Forever, Inc.”

The intimidating sound
of these voices
we must separately find
can and shall be vanquished:
Days and Distance disarrayed again
and gone
both for good and from the common battleground.

Uitgelicht bericht

Inleiding tot het gedicht ‘King Jasper’ van Edwin Arlington Robinson – Robert Frost

Ten geleide

Dit is geen poëzievertaling, maar een prozavertaling. Het is de tekst van een dichter over een dichter, en het is een poëtische tekst. Robert Frost (1874-1963) is de schrijver, en het onderwerp is de dichtkunst van Edwin Arlington Robinson (1869-1935).

Deze introductie tot het gedicht King Jasper van E.A. Robinson werd geschreven kort na de dood van Robinson, zoals ook wel uit de tekst blijkt. Ook het gedicht zelf werd postuum gepubliceerd. Frost legt de nadruk op de balans in echte poëzie tussen ernst en humor, en op het cruciale belang van fantasie, speelsheid, het spelelement. En hij bepleit aan de hand van het werk van E.A. Robinson het geduldig gedragen leed tegenover het woedende maatschappelijke protest dat geen zelfcorrectie meer toestaat.

Ik heb in het verleden een paar gedichten van Frost vertaald, en ik ben zeer geïnteresseerd in zijn eenvoudige, subtiele, overrompelende taal, zijn verstechniek, zijn wanhoop, zijn humor. Maar ook Robinson – een dichter die ik nog niet erg goed ken – blijkt prachtige dingen te hebben geschreven.

Veel kennis van het lange gedicht King Jasper is niet vereist om de tekst van Frost te kunnen lezen. The Oxford Companion to American Literature (6th ed.) zegt over King Jasper:

King Jasperblank-verse narrative by E.A. Robinson, posthumously published in 1935. The symbolism is considered to refer to the destruction of the capitalistic social structure by vengeful acts of the disinherited, who also perish in the holocaust, leaving only the enduring creative principle of life itself.

(King Jasper – verhalend gedicht in vrije versvorm door E.A. Robinson, postuum gepubliceerd in 1935. Algemeen aangenomen wordt dat de symboliek verwijst naar de vernietiging van de kapitalistische sociale orde als gevolg van de handelingen van wraakzuchtige bezitlozen, die tevens ten onder gaan in de holocaust, waarbij slechts het creatieve levensbeginsel overblijft.)

Er worden in Frosts algemene introductie een stuk of tien gedichten van Robinson aangehaald. Ik heb ook de betreffende versfragmenten vertaald. Het oorspronkelijke Engels geef ik tussen haken.

In het gedicht In Memory of William Butler Yeats – de dichter Yeats leefde van 1865-1939 – gebruikt de dichter W.H. Auden (1907-1973) de zin: “For poetry makes nothing happen“. Deze zin is heel beroemd geworden omdat daarin kernachtig wordt samenvat dat poëzie geen vehikel is in welke maatschappelijke of politieke strijd dan ook. Het is wel aardig om te zien dat Frost dit standpunt al duidelijk onder woorden bracht een paar jaar voordat Auden dat inzicht in versvorm samenbalde. Als je de tekst van Frost leest, besef je opeens hoe actueel die kwesties toen waren, hoe urgent, en hoe goed het is dat er mensen zijn die niet hun kop kwijtraken in het tumult van de tijd.

De dichter Joseph Brodsky schreef ooit een essay over Aleksandr Solzjenitsyn. Hij beschreef een passage in Een dag uit het leven van Ivan Denisovitsj. Solzjenitsyn deed toen verslag van een ondraaglijke opeenvolging van kampellende. Het was niet te harden. En toen stopte hij. Volgens Brodsky had hij nog even moeten doorgaan met een paar ellendige dingen die hij erbij had verzonnen om de ondraaglijkheid nog wat verder op te voeren, “dan hadden we misschien een echte moderniteit gekregen”. Ik acht het mogelijk dat die passage is ontstaan na lezing van Frosts beschouwing over de viervoudige herhaling van ‘thought’ bij Edwin Arlington Robinson in diens gedicht Miniver Cheevy (zie de paragrafen 12 en 13).

Een belangrijk onderscheid in deze beschouwing is het onderscheid tussen griefs en grievances. Met griefs wordt onontkoombaar menselijk leed bedoeld, en met grievances maatschappelijk protest, het gedachtegoed van de boze verontwaardiging. Je kunt bij dat laatste denken aan de communistische ideologie, aan Pim Fortuyns ‘puinhopen van paars’ en aan de dromerij die belichaamd wordt door ‘de uil van Minerva’ (Thierry Baudet).

Ik heb het bedoelde onderscheid niet altijd op dezelfde manier vertaald, maar gebruik ‘in stilte gedragen leed’ en ‘stille weeklachten’ voor ‘griefs’, en ik gebruik ‘openbare’, ‘verontwaardigde’ en ‘luidruchtige aanklachten’ voor ‘grievances’ om ook in het Nederlands een semantische- en klank-relatie tussen de begrippen te behouden.

De oorspronkelijke tekst uit 1935 is hier in het internetarchief na te lezen, inclusief de tekst van King Jasper.

Hier vindt u het grootste deel van de tekst in Google Books: The Collected Prose of Robert Frost, edited by Mark Richardson, gepubliceerd door The Belknap Press of Harvard University Press in 2007, p.117-122.

In The Collected Prose is een alineanummering toegevoegd die de editie uit 1935 niet bezat. Deze nummering heb ik ook toegevoegd, zij het dat ik een nummeringsfout op p.119 heb gecorrigeerd. Wat in mijn vertaling nr. 12 is, is in The Colected Prose nr. 12 en nr.14. Vanaf nr. 13 in mijn vertaling moet je bij het alineanummer 2 optellen om het nummer in The Collected Prose te krijgen. Voor het citaat uit het gedicht Old King Cole ben ik opnieuw afgeweken van The Collected Prose. Ik heb de editie van 1935 er weer bij gepakt, gewoon omdat die correct was.

Op de plaatsen waar Frost citeert uit Robinsons oeuvre, geef ik een hyperlink naar het betreffende gedicht.

Genoeg gekletst. Voor de dag met die vertaling.

Inleiding tot het gedicht King Jasper van Edwin Arlington Robinson

Auteur: Robert Frost

Bron: King Jasper – A Poem By Edwin Arlington Robinson. With an Introduction by Robert Frost, New York: The Macmillan Company 1935

1.

Bij het nageslacht zou weleens het besef kunnen dagen (maar misschien ook niet) dat juist deze tijd, de onze, zich te buiten gaat aan de zoektocht naar steeds nieuwe manieren om nieuw te zijn. Niet langer voldeed de reeds bekende, oude manier om nieuw te zijn. De wetenschap plantte in onze hoofden de gedachte dat er toch nieuwe manieren zouden moeten zijn om te vernieuwen. Het betrof vooral een poging tot reductie – eliminatie. Poëzie werd uitgeprobeerd zonder interpunctie. Het werd uitgeprobeerd zonder hoofdletters. Het werd uitgeprobeerd zonder metrisch patroon waartegen het ritme zich zou kunnen aftekenen. Het werd uitgeprobeerd zonder beelden, behalve dan die zichtbaar waren voor het oog; en een nadrukkelijk gescandeer moest verhullen dat er voor het oor weinig bijzonders meer te ontdekken viel, bijvoorbeeld de dramatische stembuigingen die tot dan toe het voornaamste deel van de poëzie hadden gevormd. Het werd uitgeprobeerd zonder inhoud, onder de merknaam poesie pure. Het werd uitgeprobeerd zonder zinsbouw, puntigheid, samenhang, logica of consistentie. Het werd uitgeprobeerd zonder bekwaamheid. Ik baseer me op de bekentenissen van een man die opzettelijk had moeten afleren wat hij beheerste. Hij maakte een terugtrapbeweging met zijn handen om dit proces te illustreren. En het werd onvolgroeid uitgeprobeerd, als een delicatesse van kalfsfoetus in Azië. Het werd uitgeprobeerd zonder gevoel of sentiment, als een slecht betaalde moord in de onderwereld. Van al deze dingen probeerde men af te komen, en wat hielden we over? Toch nog iets. De grenzen van de dichtkunst waren enorm opgerekt, maar de hoop bleef bestaan dat het idee toch nog iets had opgeleverd.

2.

Robinson was tevreden met de ouderwetse manier om nieuw te zijn. Ik herinner me dat ik het een keer bij hem ter sprake bracht. Hoe ontdekt een mens dat hij anders is en hoe ondergaat hij het de eerste keer dat hij erachter komt? Aanvankelijk kan het hem schrik aanjagen, zoals de kloof met de kerk aanvankelijk Maarten Luther schrik aanjoeg. Er bestaat ook nog iets als een te grote gretigheid om anders te zijn. En wat moet je tegen iemand zeggen die niet alleen erg gretig is, maar echt bang om niet anders genoeg te zijn? Hoe kun je er zeker van zijn dat jouw anders-zijn niet krankzinnig is, totaal buitenissig, onvruchtbaar, onnavolgbaar? Twee angsten zullen ons steeds vergezellen in het leven. Er is de angst dat we onwaardig zijn in de ogen van iemand die ons minstens zo goed kent als wij onszelf kennen. Dat is de vrees voor God. En er is de vrees voor de Mens – de vrees dat de medemens ons niet zal begrijpen en dat we van hem zullen worden losgerukt.

3.

We beginnen als pasgeborene met de uitwisseling van oogcontact. We leerden dat ogen veel overeenkomsten hebben en dat we er dezelfde dingen mee konden doen. We gingen verder met zichtbare lipbewegingen – een lach beantwoordde een lach; vervolgens probeerden we voorzichtig, met vallen en opstaan, de onzichtbare spierbeweginkjes van keel en mond na te doen. Ook die werkten net zo, en ze konden net zulke geluiden voortbrengen. We waren nog steeds samen. Tot zover ging alles goed. Vanaf hier groeide het wonder verder. Er wordt wel gezegd dat herkenning in de kunst allesbepalend is. Beter misschien: uitwisseling is allesbepalend. De ene geest moet de andere geest ervan overtuigen dat deze zich kan openen en dezelfde vezels van subtiliteit in beweging kan brengen, de ene ziel moet de andere ziel ervan overtuigen dat deze dezelfde gloed van eeuwigheid kan afgeven. In geen enkel stadium zal ook maar iemand, behalve de grootste lomperik, deze uitwisseling willen afbreken. Er is niets dat ons meer kan verrijken; en het is aan te bevelen om het definitieve einde ervan met vrees tegemoet te zien.

4.

Het laatste experiment dat de experimentelen hebben voorgesteld is om poëzie te gebruiken als een vehikel voor verontwaardigde aanklachten tegen de niet-utopische staat. Als gezegd, de meeste experimenten behelsden een reductie. Maar dit zou een ingrediënt toevoegen aan de tot nu toe bekende poëzie. We moeten onderscheid maken tussen stille weeklachten en luidruchtige aanklachten. Aanklachten zijn vast nuttiger dan weeklachten. Ik lees in een soort zondagsschoolkrantje uit Moskou dat de aanklachten van Tsjechov tegen de smerigheid en saaiheid van zijn stedelijke woonomgeving een einde hebben gemaakt aan de smerigheid en saaiheid van alle stedelijke woonomgevingen in geheel Rusland. Ze vierden dit als iets groots. De aanklachten van de grote Russen uit de afgelopen eeuw hebben Rusland een revolutie geschonken. De aanklachten van hun grote navolgers in Amerika zouden ons misschien niet meteen een revolutie schenken, maar dan toch wel een palliatief pensioentje. We kunnen beter leren om te verdragen dat het leven zich in zijn akeligste gedaante voordoet, en we kunnen daarbij beter geen verboden uitvaardigen, om onze reputatie van vrijheidslievendheid hoog te houden.

5.

Het volgende hoorde ik onlangs van een van onze jongere collega’s: “Hoewel we aanvankelijk dachten dat literatuur het wel zonder inhoud kon stellen, hebben we nu geleerd dat literatuur ook een propagandistische lading moet hebben.” Dubbel fout, zei ik hem. Dubbel fout en theoretisch partijdig. Maar nadat hij even uit het veld was geslagen bleef hij bij zijn bewering: “Maar kunst kan toch alleen maar goed zijn als het ons in beweging brengt.” Nu meteen of later, vroeg ik hem? Enfin, er schuilt snel een element van ongepaste frivoliteit in het treiteren van de jeugd. Met een dergelijk experiment is duidelijk al een begin gemaakt. De neiging om aan te klagen is sterk en zal zich zeker doen gelden. We moeten heel lief zijn voor onze dromers. Misschien lijken ze soms op stakingsleiders of op een comité van beleidsbepalers. Enfin, welke gedaante ze aannemen kan ons niet schelen, als ze maar echte gedichten maken.

6.

Wat mijzelf betreft: ik houd niet van openbare aanklachten.  Ik laat ze gaarne links liggen waar ze ook worden gepubliceerd. Waar ik wel van houd is weeklachten, en ik wil graag dat  ze Robinsoniaanse diepten bezitten. Het zal wel geen zin hebben dat ik het vraag, maar het komt mij voor dat wij er baat bij zouden hebben als openbare aanklachten zich zouden beperken tot proza – aangenomen dat het proza deze dwingelandij wil accepteren – en dat de dichtkunst zijn weg zou mogen vervolgen in tranen.

7.

Robinson was de grootste van de dichters die hartzeer bezongen, te midden van de tallozen die zongen van andersoortige pijn. De ernst waarmee hij werkte was in alle opzichten treurig gekleurd. Hij hield het hoge doel van de dichtkunst hoog door met zijn borst tegen een doorn te duwen en op zijn droevigst te zingen. Laat al die wezels dan maar eieren leegslurpen. Ik weet beter waar ik terecht kan voor melancholie. Er zijn misschien een paar overbodige, overgevoelige aanklachten – niet meer dan menselijk – maar deze kunnen we gauw vergeten naast de diepten van de weeklachten over het leed waarin hij ons onderdompelde.

8.

Openbaar aanklagen is een vorm van ongeduld. In stilte weeklagen is een vorm van geduld. Misschien worden we straks door de wet gedwongen om ons geduld weg te werpen zoals we ooit werden gedwongen ons goud weg te doen; want door geduld weg te werpen en mee te doen met de ongeduldigen in een laatste bestorming van het bastion van het kwaad, delen we in de hoop dat we een eind kunnen maken aan de noodzaak om geduldig te zijn. Er zal niks meer overblijven om geduld bij te betrachten. De dag der volmaaktheid wacht voor wie eendrachtig meedoet met de sociale actiegroep. Een stuk of wat goede landelijke verkiezingen zullen het helemaal afmaken. Ongeveer net zo heeft men ons gesommeerd om niet langer moedig te zijn, lafheid als deugd te beschouwen, om te bezien of dat geen eind aan de oorlog zou maken, evenals aan de noodzaak om moedig te zijn. Verlaat religie voor wetenschap, breng de nissen en hoekjes met de laatste restanten onwetendheid in kaart, en we hebben geen godsdienst meer nodig. (Religie is slechts troost voor wat we niet weten.) Maar stel nu eens dat hier toch een fout was gemaakt, dat het kwaad zou zegevieren, het was niet afgelopen met de oorlog, en er bleven dingen over die we niet wisten. Onze weerloosheid zou maken dat we er slechter voorstonden dan ooit. Niets in de laatste bulletins van Wall Street, De Verenigde Naties of het Vaticaan kunnen mij afbrengen van mijn rotsvaste vertrouwen in een leed dat met geduld gedragen wordt.

9.

Robinson en ik, we waren samen, het is al jaren geleden, en de plaats (vlakbij Boston Common) werd door ons naderhand grappenderwijs Bitterplein genoemd, omdat we daar met bittertjes, zij het zonder bitterheid, konden samenzijn om uit te zien op de warboel van onvrede en experiment in de wereld om ons heen. Het is te lang geleden om nog te weten wie wat zei, maar de teneur van het samenzijn was dat het ons niet uitmaakte in welke mate iemand extreem-reformistisch of -experimentalistisch was als hij maar met echte gedichten voor de dag kwam. Voor ons gold dat we een intense afkeer hadden om ons werk te laten toetsen aan enige theorie die ons voorschreef hoe we zouden moeten schrijven. We betwijfelden of er ook maar één gedicht in onze taal bestond die staande zou blijven bij toetsing aan de theorie waarop het was gebaseerd. Neem nu de theorie dat poëzie in onze taal als een strik metrisch, kwantitatief verschijnsel zou moeten worden behandeld. Genoeg gedichten die zich daar niks van aantrekken. En gedichten zijn het enige wat er toe doet. Het hoogste streven is om een paar gedichten veilig te stellen waar je niet omheen kunt, waarin een paar onomstotelijke dingen zijn ondergebracht, en op dat punt heeft Robinson bepaald meer gedaan dan van hem verwacht mocht worden.

10.

Veertig jaar lang schreef Robinson versregel na versregel na versregel, en al die regels waren de allerbeste omschrijving van dingen die echt iets voorstellen. Elke dichter die hem enigszins nabij wil komen, zal die grazige nabijheid tot de spirituele realiteiten moeten zien te bereiken. Als gedichtenbundels zouden worden geïndexeerd op belangrijke regels in plaats van op eerste regels, dan zouden veel van Robinsons gedichten meerdere keren voorkomen. Dat zou wat zijn. De enige tegenwerping die denkbaar is, is dat dit niet kan worden uitgevoerd door een incidentele huurling, maar gedaan zou moeten worden door iemand die zijn indrukken in vrijheid verzameld had, zonder nog enig besef te hebben van het effect. Een individueel gedicht dat meerdere keren zou voorkomen, zou slechts de kans vergroten dat je het vinden zou.

11.

De eerste dichter met wie ik ooit heb zitten praten over poëzie was Ezra Pound. Het was in Londen in 1913. En de eerste dichter over wie we spraken was, als ik het mij goed herinner, Edwin Arlington Robinson. Ik kwam net uit Amerika en had zojuist The Town Down the River (Het stadje aan de rivier) gelezen. Sinds ik met dat boek begon ben ik gaandeweg meer van Robinson gaan lezen, twintig jaar vooruit en twintig jaar terug, ongeveer in gelijke mate beide kanten op.

12.

Ik herinner me het plezier waarmee Pound en ik lachten om het vierde ‘dacht’ in [Miniver Cheevy]:

Miniver dacht, en dacht, en dacht,
en dacht erover na.

(Miniver thought, and thought, and thought,
And thought about it.)

Drie keer ‘dacht’ zou ‘adequaat’ geweest zijn, om de kritische lof die destijds gangbaar was te gebruiken. Er zou niks mis zijn gegaan als hij het bij drie had gelaten. De vierde bracht het aanstootgevende stempel van de poëzie tevoorschijn. Met de vierde werd het pas echt leuk. Op grond van dit eensgezinde oordeel werd ik ter beloning meegetroond om kennis te maken met mevr. May Sinclair, die naam had gemaakt als de voornaamste autoriteit op het gebied van nieuwe poëzie en jonge dichters door de welwillendheid waarmee ze hen bejegende in The Divine Fire.

13.

Het aantal keren ‘dacht’ is niet het enige. Er is ook de manier waarop het laatste ‘dacht’ opeens opduikt om de hoek, de manier waarop gespeeld wordt met de vorm van het hele vers, het gemak waarmee de weerstand die eigen is aan het gedicht wordt omgebogen in een voordeel. Beetnemen hoort erbij [Flammonde]:

Men hield onzeker op met lezen
om echt te weten of het spel zou wezen

(One pauses half afraid
To say for certain that he played –)

… en dat voor een man zo droefgeestig als Robinson. Zijn dood maakte degenen die hem kenden bedroefd, maar die dood was op geen stukken na zo droevig als de poëzie waaraan hij ons had leren wennen en die hij zijn leven lang gediend had. Maar toch zeg ik dat zijn veelgeroemde terughoudendheid juist gelegen was in het feit dat hij zijn lijden nooit verder liet gaan dan mogelijk was in het spel. Zo ver mag leed gaan, zo ver mag de wijsbegeerte gaan, zo ver mogen bekentenissen gaan, en geen stap verder. Smaak bepaalt de grens. Humor is een nog duidelijker teken.

14.

Eens was een man een nachtlang op
onafgebroken en in opperste verwachting.

(Once a man was there all night
Expecting something every minute.)

Ik weet wat die man wilde van Old King Cole. Hij wilde dat z’n mysterie eens en voor al ontrafeld werd. Hij was die vriend die aan het eind van de voordracht klaarstaat om je dolenthousiast met beide handen vast te grijpen en die je na je laatste uitroepteken alsnog uit je evenwicht brengt met het verzoek om meer te zeggen dan je van plan was. “Ik begrijp het gedicht natuurlijk helemaal, maar vertel me asjeblieft wat er achter zit?” Een dergelijk verzoek moet met een knipoog worden begroet en vervolgens de voet dwars gezet. Het antwoord moet luiden: “Als ik je dat had willen vertellen, had ik het je moeten vertellen in het gedicht.”

15.

Al heel vroeg kregen we het juiste antwoord van Robinson [Dear Friends]:

Het spel dat we spelen
Om al die versnipperde minuten te vullen
Een goede bril om de geest te kunnen doorzien.

(The games we play
To fill the frittered minutes of a day
Good glasses are to read the spirit through.)

16.

Ergens spreekt hij van de onverzettelijkheid van Crabbe’s talent. Zijn eigen talent was eerder gelukkig. Zijn thema was het ongeluk zelf, maar zijn talent was even gelukkig als het speels was. En dat is een troostrijke gedachte voor hen die eronder leden hem te zien lijden. Laten we het hardop zeggen op gevaar af dat we de humorlozen in de karavaan der poëzie (er zijn er nogal wat) schofferen: zijn kunst was niet alleen speels, maar ronduit humoristisch.

17.

De stijl is de man. Of beter: de stijl is de manier waarop iemand zichzelf aanvaardt, en waarop hij aangenaam of althans draaglijk weet te zijn – veel speelruimte is er niet voor een dergelijke zelfaanvaarding. Als het met duidelijke ernst is, dan moet het gepaard gaan met zichtbare humor. Als het met duidelijke humor is, dan moet het gepaard gaan met innerlijke ernst. Geen van beide voldoet als de ander ontbreekt. Zoiets dacht ook Robinson in zijn sonnet over Tom Hood. Een van de angsten van Mark Twain was dat zijn bedekte ernst over het hoofd zou worden gezien. Die angst leidde hem op de dwaalweg van twee of drie boeken die ernstig zijn van haver tot gort.

18.

Miniver Cheevy is al heel oud. De stijlglans waarop ik doel is Robinsons dichtersbedrijvigheid in al die jaren daarna blijven kenmerken. Gister sprak ik iemand en ik verwees naar The Mill. Robinson kon een lyrisch vers laten praten als drama. Wat een talige verbeeldingskracht schuilt er in John Gorham! Hij bereikt zijn grootste hoogten tussen aanhalingstekens [The Mill]:

De molenaarsvrouw had lang gewacht,
de thee was koud, het vuur gesmoord;
ze wist nog niet waar hij aan dacht,
tot hij bewoog – hij nam het woord:
“De molenaar bestaat niet meer”,
was al wat hij ten slotte zei.

(The miller’s wife had waited long,
The tea was cold, the fire was dead;
And there might yet be nothing wrong
In how he went and what he said:
“There are no millers any more,”
Was all that she had heard him say.)

19.

“De molenaar bestaat niet meer.” Het zou haast een verdragstekst tegen de industrialisering kunnen zijn. Maar nee, de strekking ervan is breder. Het is een onheilspellende scherts ten koste van iedereen die levenslust of kapitaal investeert. De onberekenbare markt zorgt ervoor dat je achterblijft met een showroom vol dode trolley-bussen. Op twintigjarige leeftijd kies je voor een aan de godsdienst gewijd leven. En als de godsdienst vervolgens uit de mode raakt in de komende vijf-en-twintig jaar, waar sta je dan, volstrekt ongeschikt als je bent voor iets anders. Het is haast immoreel om te gokken op zulke hoge dingen als een leven voor de kunst, het zakendoen of de kerk. Maar feitelijk kunnen we niks anders. Alleen een alwijze en almachtige overheid kan de verantwoordelijkheid op zich nemen om ons te vrijwaren van de onzekerheden die onze levenskeuzes noodzakelijkerwijs met zich meebrengen.

20.

Het bedekte pathos van Mr. Flood’s Party is wat het gedicht meedogenloos maakt. We doen er goed aan het aantal manen in gedachten houden dat fungeert als toehoorder. Twee, net als op Mars? Niet meer, niet minder  (“Niet meer, meneer, dat is genoeg”). Eén maan (weliswaar een maan, geen zon) zou het stille leed al te zichtbaar hebben gemaakt. Meer dan twee zouden het stille leed geheel hebben doen vervluchtigen en zouden ertoe hebben geleid dat het totaal verdween. De emotie moest worden vastgehouden.

Hij zet de kruik voorzichtig voor zich neer
met bevende aandacht, wetend dat haast alles breekt;
pas toen hij zeker wist dat het op vaste grond
bleef staan, wat broze mensenlevens
bepaald niet doen …

(He set the jug down slowly at his feet
With trembling care, knowing that most things break;
And only when assured that on firm earth
It stood, as the uncertain lives of men
Assuredly did not …)

21.

Twee keer voel je de emotie. Zelfs verdwijnt deze niet waar ze uit het zicht raakt in het gewervel van al die jonge goudblonde meisjes aan het eind van The Sheaves (de korenschoven). Een paar gouden dagen worden ons gegund in een wereld waarin bepaald niet alle dagen van goud zijn.

Kijk, Flood, de oogstmaan zien we daar
als vroeger, en al te vaak zien wij hem vast niet meer;
de vogel van de tijd is in de lucht, zoals de dichter zegt,
en jij en ik herhalen wat we eerder zeiden nog een keer.
Drink op de vogel.

(Well, Mr. Flood, we have the harvest moon
Again, and we may not have many more;
The bird is on the wing, the poet says,
And you and I have said it here before.
Drink to the bird.)

De dichtkunst reikt boven zichzelf uit in de speelsheid van dit toasten.

22.

Robinson heeft in de Amerikaanse literatuur zijn plaats gevonden en hij heeft zijn plaats onder de mensen vacant gelaten. We rouwen, maar met de kanttekening dat hoe dan ook zijn leven een uitbundig feest van taalgenietingen was. En niet alles was vergeefs. Niemand kwam wat tekort [The Rat]:

De onnavolgbare gulheid van de Heer
Die ‘t laagste wezen schiep als was ’t een mens

(The inscrutable profusion of the Lord
Who shaped as one of us a thing)

Zo treurig is het, en tegelijkertijd is het zo’n zalige, geslaagde regel. Het is niet aan mij om z’n verdriet tot de bodem uit te zoeken. Hij wist hoe hij zich effectief kon afschermen. En er schuilt echte voldoening in een verdriet dat niet slechts uit is op zorg en troost. Geef ons onafwendbare weeklachten – weeklachten waar niks aan kan worden gedaan  – weeklachten voor eens en voor al. En laten we spelen. Het spel is waar het om gaat.  Het spel. De essentie ligt in het “alsof” [The Dark Hills]:

Alsof de last der dagen
was weggeëbd, de oorlogen voorgoed verdwenen.

(As if the last of days
Were fading and all wars were done.)

Alsof dat allemaal zo was. Alsof, alsof!

Uitgelicht bericht

Trede voor trede – haiku

Op Twitter trof ik een aardige gedachtewisseling aan over ‘het sublieme’ in de romantiek, een gedachtewisseling die met deze tweet begon. Ik deed deed de suggestie dat in de Nederlandse romantiek eerder sprake was van ‘het verhevene’ dan van ‘het sublieme, en noemde een boek waarin nader wordt ingegaan op dat ‘verhevene’.

Een sympathieke en erudiete plaatsgenoot, leraar Nederlands, iemand die deelnam aan die gedachtewisseling, merkte toen op:

“Lijkt me een geweldig boek, echt iets voor mij. Maar ja, je wil niet weten hoe hoog de toren nog is.”

Toen schreef ik, zonder daar aanvankelijk erg in te hebben, bijna een haiku waarvan alleen de langste regel de laatste was geworden: “Trede voor trede, gestadig omhoog, langzaam worden het stipjes.”

Ik heb deze bijna-haiku een beetje omgewerkt zodat aan de vormeisen van de haiku wordt voldaan.

Trede voor trede –
Langzaam worden het stipjes –
Het hoofd naar de wolk

Uitgelicht bericht

Correspondentie – R.S. Thomas

R.S. Thomas aan de Welshe kust

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilderes Mildred Eldridge (1909-1991).

R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).

Een aardig artikel over Thomas’ leven en werk is van de hand van Theodore DalrympleA Man Out of Time.

Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.

Het vertaalde gedicht is karakteristiek voor Thomas: hij zoekt naar zin en betekenis, naar diepte, naar religieuze openbaring, en eigenlijk vindt hij die ook, maar het is alleen niet in de vorm van een stem die weerklinkt uit den hoge, of een teken dat uit de hemel nederdaalt.

Correspondence heeft in het Engels dezelfde dubbele betekenis als in het Nederlands: schriftelijke gedachtewisseling en overeenkomst(igheid).

De zin ‘Younger I deemed truth / was to come at beyond the horizon‘ bevat een verwijzing naar een ander gedicht van R.S. Thomas, namelijk A life / Een leven (elders op deze website in vertaling beschikbaar).

Het gedicht is opgenomen in de bundel Between Here and Now uit 1981.

Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling:

Correspondentie

Je vraagt waarom ik niet schrijf.
Maar wat kun je zeggen?
Het zoute zeewater deint de baai in
en uit, zoals het gedaan heeft sinds
onheuglijke tijden. Wat heb je daaraan?
Het laat slecht leesbaar schrift achter
op de kust. Als je hier zou zijn,
hadden we er vast over getwist.
Mensen drommen net zo onwetend
langs dit zeetableau als door een galerij
met hoge kunst. Steeds zoek ik naar betekenis.
De golven zijn een roltrap
die je op kunt, maar slechts in gedachten.
Naar beneden storten blijft een steile
zaak. Als jongeman dacht ik dat je
waarheid zou aantreffen achter de horizon.
Nu ik ouder ben zwijg ik, en ben ik
nog even ver als toen. Zulke haarkloverijen
vind je saai? Het verklaart mijn zwijgen.
Ik wou dat er net zo’n simpele
verklaring was voor het zwijgen van God.

Origineel:

Correspondence

You ask why I don’t write.
But what is there to say?
The salt current swings in and out
of the bay, as it has done
time out of mind. How does that help?
It leaves illegible writing
on the shore. If you were here,
we would quarrel about it.
People file past this seascape
as ignorantly as through a gallery
of great art. I keep searching for meaning.
The waves are a moving staircase
to climb, but in thought only.
The fall from the top is as sheer
as ever. Younger I deemed truth
was to come at beyond the horizon.
Older I stay still and am
as far off as before. These nail-parings
bore you? They explain my silence.
I wish there were as simple
An explanation for the silence of God.

Uitgelicht bericht

De panter – Rainer Maria Rilke

Rainer Maria Rilke (Wikimedia Commons)

Rainer Maria Rilke (1875-1926) is een van de grootste lyrische dichters van het Duitse taalgebied. Het gedicht Der Panther oogt eenvoudig en is een beroemd gedicht in zijn oeuvre.

Een kleine excursie vooraf: ooit heb ik het verzameld proza van Martinus Nijhoff (1894-1953) gelezen, uiteraard nadat ik een bewonderaar van Nijhoffs gedichten was geworden. Nijhoff besprak veel boeken, en op zeker moment werd hij geacht Uren met Dirk Coster van E. du Perron (1899-1940) te bespreken (Du Perron was iemand met wie hij op zeker moment letterlijk op de vuist zou gaan). Dirk Coster was een man van gezag in zijn tijd, over wie Henriëtte de Beaufort (1890-1982) in haar levensbericht voor de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde schreef:

Nooit is hij afgeweken van zijn beginsel, dat ook de literaire schoonheid verworteld is met religieuze moraal, die hij soms liefde, een andermaal goedheid noemt. Wordt de schoonheid van deze groeibodem afgesplitst, dan kan zij geen levenskracht blijven en is gedoemd uiteen te vallen.

Dat kon natuurlijk niet verder afstaan van de beginselen van Forum, het tijdschrift waarin Ter Braak en Du Perron schreven. En Du Perron ondernam dan ook een poging om Coster te verpletteren, een poging die grotendeels geslaagd moet worden genoemd. Niemand weet meer wie Dirk Coster is.

Nijhoff kon destijds Du Perrons totale afwijzing van Dirk Coster niet bespreken; hij vond het boek te polemisch, te vernietigend, te negatief. En precies dat schreef hij toen ook op, in een heel kort stukje in plaats van de gevraagde bespreking.

Er zijn duidelijke overeenkomsten tussen Nijhoff en Rilke: beiden zijn het ‘witte magiërs’ – de term is van de dichter Hendrik de Vries (1896-1989) – dat wil zeggen sensitieve dichters die probeerden alles wat ze voelden en beseften, en ook alle dromen, gruwelen, verwachtingen, angsten, hoge gedachtevluchten, een plaats te geven in hun poëzie, vaak door aan realistische scènes een symbolische kracht te verlenen, in een eenvoudige, overrompelende taal. Felle pennentwisten, onverzoenlijke meningenstrijd konden ze daar eigenlijk niet bij gebruiken.

Gekooide panter

Het gedicht Der Panther is heel beroemd. Het is niet lang geleden nog aangehaald door een geradicaliseerde rechtse politicus wiens romantische hang naar grandeur en een onbestaande historische zuiverheid voedsel gaf aan zijn ongeduld en narcisme. Deze hang werd ook niet getemperd door religieuze aanvaarding of andersgeaard levensbeschouwelijk realiteitsbesef. En voor hem symboliseerde het gedicht de tragedie van een prachtig dier dat binnen de tralies van cultuurmarxistische leugens en politiek-correcte dwalingen gedoemd was te sterven. Het zij zo. Het past in ieder geval goed bij de gewoonte van literatuurtheoretici om te zeggen dat elke lezer zijn eigen beeld bij de tekst schept.

Heel moeilijk is het gedicht niet. Rilke is een tijdlang in de leer geweest bij de beeldhouwer Auguste Rodin. Die zei hem dat hij niet te veel moest verwijlen in droom en fantasie, maar dat hij de werkelijkheid aandachtig en onbevangen en ontvankelijk moest toelaten in zijn werk.

Het resultaat is een heel mooi gedicht waarin aandachtige werkelijkheidsbeschouwing en symbool prachtig zijn vermengd.

Het is wel aardig dit gedicht eens te vergelijken met The White Tiger (elders op deze website met vertaling beschikbaar) van de minder bekende maar niet minder grote Welshe dichter Ronald Stuart Thomas.

De Jardin des Plantes (botanische tuin) ligt aan de Quai Saint-Bernard langs de Seine op loopafstand van de Notre Dame.

Het gedicht bestaat uit drie kwatrijnen met een vast en eenvoudig rijmschema. De versregels bestaan uit vijfvoetige jamben. Ik heb op een paar plaatsen halfrijm gebruikt waar het origineel volrijm heeft. Ik heb ook een paar lichte inhoudelijke verschuivingen toegepast om ook in het Nederlands een aardig gedicht te krijgen.

Ik hoop dat het gelukt is.

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling:

De panter
In de Jardin des Plantes, Parijs

Zijn blik is van het dwalen langs de tralies
zo afgemat, dat alles hem ontglijdt.
Wie in zo’n traliezee verdwaald is,
raakt de wereld tussen tralies kwijt.

De soepelheid en veerkracht van zijn schreden,
waarmee hij zich in nauwe kringen wendt,
is als een dans waarin zijn kracht wil treden
rondom een midden dat geen wil meer kent.

Heel soms verheft de voorhang der pupillen
zich ongemerkt – een beeld weet te ontstaan,
’t gaat voort in stilten die van spierkracht trillen,
om in het hart teloor te gaan.

Origineel:

Der Panther
Im Jardin des Plantes, Paris

Sein Blick ist vom Vorübergehn der Stäbe
so müd geworden, daß er nichts mehr hält.
Ihm ist, als ob es tausend Stäbe gäbe
und hinter tausend Stäben keine Welt.

Der weiche Gang geschmeidig starker Schritte,
der sich im allerkleinsten Kreise dreht,
ist wie ein Tanz von Kraft um eine Mitte,
in der betäubt ein großer Wille steht.

Nur manchmal schiebt der Vorhang der Pupille
sich lautlos auf — . Dann geht ein Bild hinein,
geht durch der Glieder angespannte Stille —
und hört im Herzen auf zu sein.

Uitgelicht bericht

Die solitaire cataracten – Wallace Stevens

Illustration by John Gall; Source: Bettmann Archive / Getty (Photograph)

Wallace Stevens (1879-1955) is een van de belangrijkste Amerikaanse dichters van de twintigste eeuw. Hij was een modernist, een kwalificatie die niet al te veel betekent, behalve dat hij de strakke versvormen en de stijve levensopvattingen van de negentiende eeuw achter zich liet en zocht naar een nieuwe zingeving die niet nauw gebonden was aan overgeleverde vormen van christendom.

Zijn bekendste gedichten zijn: Anecdote of the Jar, Disillusionment of Ten O’Clock, The Idea of Order at Key West, Sunday Morning and Thirteen Ways of Looking at a Blackbird.

Hij werd geboren in een Luthers gezin in Pennsylvania. Hij volgde colleges aan Harvard University, leerde de filosoof en schrijver George Santayana goed kennen, studeerde af als jurist aan New York Law School, trouwde in 1909 met Elsie Moll tegen het advies van zijn ouders in, want zij voldeed niet aan de eisen van klasse en welstand die zijn ouders stelden. Ze kregen samen één kind.

In zijn poëzie ontwikkelde hij zich vrij langzaam, maar wel opvallend en sterk. Hij probeerde in zijn poëzie de teloorgegane zingeving van het christendom te hervinden. Hij kreeg hoge functies in een verzekeringsbedrijf, werkte hard, had aanleg voor depressiviteit, dronk veel als hij niet werkte, en schreef daarnaast geweldige poëzie. Op zijn sterfbed werd hij katholiek.

Het gedicht dat ik vertaald heb wordt als motto gebruikt in het boek Where Reasons End van Yiyun Li, een Chinese die in China is opgegroeid en in Amerika heeft gestudeerd, en daar is blijven wonen. Het boek wordt momenteel vertaald door de vertaalster Manon Smits. Op verzoek van Manon heb ik twee gedichten vertaald die in het boek worden gebruikt: Argument van Elizabeth Bishop, en This Solitude of Cataracts van Wallace Stevens.

Over dit gedicht heeft Wallace Stevens zelf iets gezegd in een brief aan Mr. Poggioli. Mount Monadnock is een berg in New Hampshire. Ook over dat ‘thought-like’ dat voorafgaat aan Monadnocks geeft hij in die brief zinvolle toelichting. “The oscillations of planetary pass-pass” verwijst naar “the seeming-to-go-round of the planets by day and night“. Dat pass-pass verwijst bovendien naar het Franse ‘passe-passe’, wat iets als ‘misleidende goocheltruc’ betekent – Stevens beheerste vrij goed Frans.

Cataracten zijn steile watervallen of stroomversnellingen. Ik heb in de titel het woord gehandhaafd omdat het ook in het Engels niet zeer algemeen is. De sensatie van iemand die langs het neerstortende en snelstromende water loopt, wordt heel goed getroffen. Daarnaast thematiseert het gedicht de kloof tussen de realiteit en de beleefde of gedroomde werkelijkheid.

Een zinvolle beschouwing over de biografie van Wallace Stevens kunt u hier nalezen: Peter Schjeldahl, Insurance Man. The life and Art of Wallace Stevens, The New Yorker, 25 april 2016 (n.a.v. de verschijning van Paul Mariani, The Whole Harmonium: The Life of Wallace Stevens, gepubliceerd door Simon & Schuster).

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling:

Die solitaire cataracten

Hij voelde nooit twee keer hetzelfde bij de gevlokte rivier,
die altijd stroomde, nooit twee keer hetzelfde, steeds stroomde

langs duizend plaatsen, alsof het ergens toch stilstond,
vastgezet als een meer waarop de wilde eenden spetterden,

kringen jagend in de spiegelingen, ideeërieke Monadnocks.
Ergens was een apostrof, leek het, die onuitgesproken bleef.

Zo veel was er dat echt was, dat toch niet echt was.
Dit wou hij altijd voelen, steeds weer opnieuw.

Hij wou dat de rivier zo zou doorgaan met stromen,
alsmaar stromen. Hij wou ernaast blijven lopen,

onder de mangroven, met boven hem een vastgenagelde maan.
Hij wou dat zijn hart zou stilstaan, zijn geest zou rusten

in een bestendig beseffen, geheel zonder wilde eenden
of bergen die geen bergen waren, slechts om te weten hoe het is,

slechts om te weten hoe het voelt, de vernietiging ontstegen,
om een man van brons te zijn die ademt onder archaïsch lazuriet,

zonder de oscillaties van planetair geflits-flits,
die zijn bronzen adem ademt naar het azuren hart van de tijd.

Origineel:

This Solitude of Cataracts

He never felt twice the same about the flecked river,
Which kept flowing and never the same way twice, flowing

Through many places, as if it stood still in one,
Fixed like a lake on which the wild ducks fluttered,

Ruffling its common reflections, thought-like Monadnocks.
There seemed to be an apostrophe that was not spoken.

There was so much that was real that was not real at all.
He wanted to feel the same way over and over.

He wanted the river to go on flowing the same way,
To keep on flowing. He wanted to walk beside it,

Under the buttonwoods, beneath a moon nailed fast.
He wanted his heart to stop beating and his mind to rest

In a permanent realization, without any wild ducks
Or mountains that were not mountains, just to know how it would be,

Just to know how it would feel, released from destruction,
To be a bronze man breathing under archaic lapis,

Without the oscillations of planetary pass-pass,
Breathing his bronzen breath at the azury center of time.

Uitgelicht bericht

De Schone Zakdoek

[Dit artikel heb ik in november 2012 geschreven op de Nederlandstalige Wikipedia onder het pseudoniem Theobald Tiger. Hier kunt u het destijds door mij gepubliceerde artikel nalezen. Het is sindsdien vrijwel onveranderd gebleven, maar omdat iedereen op Wikipedia kan wijzigen, aanvullen, inkorten als dat hem/haar belieft, hecht ik eraan om het door mij geschreven artikel in de vorm waarin ik het toen geschreven heb te herpubliceren op mijn eigen website.]

De Schone Zakdoek was een Nederlands literair maandblad dat gedurende de oorlogsjaren 1941-1944 werd gemaakt – ‘uitgegeven’ is een te groot woord – in een oplage van één exemplaar. Het tijdschrift vormde het literaire hoogtepunt van de surrealistische beweging in Nederland, schonk veel aandacht aan beeldende kunst, was het enige surrealistische tijdschrift dat in Nederland heeft bestaan, en werd opgericht in Utrecht door de dichter, beeldend kunstenaar en latere godsdiensthistoricus Theo van Baaren en zijn levensgezellin, de dichteres, vertaalster en beeldend kunstenares Gertrude Pape. Het blad was tevens het eerste, langstlopende en meest avantgardistische ondergrondse literaire tijdschrift in Nederland tijdens de oorlogsjaren.

Surrealistische oriëntatie

De medewerkers aan De Schone Zakdoek, over het algemeen jongeren van in de twintig, hadden grote belangstelling voor surrealismedadaïsme en literaire experimenten. Hun bijdragen getuigden daarvan. Het surrealisme was een culturele beweging die in de twintiger jaren van de twintigste eeuw ontstond in Parijs. De beweging wilde het onbewuste, het droomkarakter van de werkelijkheid verkennen en benutten om met fantastische en absurdistische middelen en door middel van vrije associatie nieuwe ervaringen op te roepen. De surrealisten hadden veel belangstelling voor Freud en ze gebruikten nieuwe technieken en speelse vormen van samenwerking om hun doel te bereiken: écriture automatiquecadavre exquisdecalcomaniefrottagecollageobjet trouvé (readymade) enzovoort. Naast het surrealisme was de baldadigheid van het Dadaïsme een inspiratiebron. Overigens kan niet elke bijdrage aan De Schone Zakdoek als surrealistisch worden gekwalificeerd.

Gertrude Pape bracht haar toekomstige echtgenoot Theo van Baaren in aanraking met het surrealisme, een invloed die blijvend zou zijn. Het tijdschrift was als gevolg van deze surrealistische oriëntatie tekstueel en visueel zeer gevarieerd en bevatte gedichten, vertalingen, essays, collages, cadavres-exquis, foto’s, decalcomanieën, objecten, nonsensverzen, gefingeerde (soms macabere) advertenties en (kinder)tekeningen.

In september 1941 werd een dubbelnummer van De Schone Zakdoek samengesteld dat speciaal aan het Surrealisme was gewijd.

Omdat tezelfdertijd ook de vooraanstaande surrealistische schilders J.H. Moesman en Willem Wagenaar in Utrecht woonden en werkten, alsmede de met het surrealisme verwante magisch realist Pyke Koch, wordt Utrecht wel ‘De stad van het surrealisme’ genoemd.

De oorlogsjaren

Het idee voor het maandblad – het eerste nummer had op de omslag nog de oude spelling De Schoone Zakdoek – ontstond toen Van Baaren en Pape in de Utrechtse Pieterskerk zaten te wachten op een proefpreek van een vriend van Jan Wit, de blinde dichter, theologiestudent en latere hymnoloog, die ook bijdragen zou leveren aan De Schone Zakdoek. Van Baaren bedacht de titel, die mede was geïnspireerd op het gedicht Palmström van de Duitse dichter Christian Morgenstern.[1]

Het eerste nummer verscheen in april 1941 – jrg.1, afl.1 – en het bevatte geen beginselverklaring, maar een ‘beginselverduistering’ in de vorm van een zwart vierkant. Dat het blad in een oplage van slechts één exemplaar verscheen had een aantal voordelen: het was in oorlogstijd moeilijk om aan papier en druk- of stencilmachines te komen, het bleef clandestien en daarmee zonder censuur, één exemplaar was gemakkelijker aan het oog te onttrekken dan een grotere oplage en er waren geen ingewikkelde druktechnieken nodig om foto’s en collages in het tijdschrift op te nemen. Daarbij bood het de medewerkers de gelegenheid om te publiceren, zonder dat ze gebruik hoefden te maken van de met censuur bedreigde officiële literaire tijdschriften, waarin je alleen mocht publiceren als je lid was geworden van de Kultuurkamer.

Het blad werd samengesteld op vriendenbijeenkomsten, meestal op de maandagavond ten huize van Gertrude Pape, boven een winkel aan de Utrechtse straat Bemuurde Weerd. De bijdragen werden soms ter plaatse gemaakt en vaak voorgelezen, omdat Jan Wit blind was. Tijdens de bijeenkomsten werd er ook regelmatig ‘gekruist’. Dit hield in dat er met behulp van een houten kruis seances werden gehouden waarbij geesten werden opgeroepen. Theologische onderwerpen – op een onorthodoxe manier behandeld – werden veelvuldig besproken.

Aan het blad werkten onder anderen mee: Theo van Baaren, Gertrude Pape, Emiel van Moerkerken (pseud. Eric Terduyn), Louis Th. LehmannJan WitAd den BestenChris van GeelKo Rooduyn (later Hans Rooduyn), Max de JongA.G. KloppersJacob Evenhuis, Cornelia (Cok) Brinkman, Henk Schellevis (pseud.: Perdok; Schellevis was de begeleider van Jan Wit), Leo VromanJaap RomijnWillem Hussem en Cees Buddingh’. Er waren ook kindertekeningen van bijvoorbeeld Gerdi Wagenaar, de dochter van de surrealistische schilder Willy Wagenaar.

Sommige bijdragen aan het maandblad zijn later beroemd geworden, zoals de gorgelverzen (“Ik ben de blauwbilgorgel…”) van Cees Buddingh en de foto’s die Emiel van Moerkerken maakte van Menno ter BraakSimon Vestdijk en E. du Perron. De teksten van het blad werden, voor een groot deel door Gertrude Pape, getypt.

Vanaf de tweede jaargang verscheen het blad eens in de twee maanden in meestal dubbeldikke dubbelnummers. Het laatste dubbelnummer – jrg.3, afl.35-36 – verscheen in februari/maart 1944. De door de Duitsers ingestelde vervroeging van de avondklok (Sperr) maakte de geregelde bijeenkomsten op maandagavond onmogelijk. In totaal zijn 36 afleveringen verschenen in 23 afzonderlijke nummers.

Na de oorlog

Er hebben ongeveer veertig literatoren en kunstenaars bijdragen geleverd aan De Schone Zakdoek. Veel van hen hebben na de oorlog een (soms voorname) rol gespeeld in het culturele leven van Nederland: als uitgever, cultureel ondernemer, schilder, beeldend kunstenaar, filmer, schrijver of dichter. De Vijftigers met hun aandacht voor het irrationele element in de poëzie, kunnen als erfgenamen van De Schone Zakdoek worden beschouwd. Enkele medewerkers aan het blad hebben later veel gepubliceerd in het tijdschrift Barbarber, dat in een aantal opzichten (humor, readymades, baldadigheid) verwant was aan De Schone Zakdoek.

De contacten tussen de medewerkers aan De Schone Zakdoek bleven voor een deel na de opheffing van het blad bestaan. In 1953 werd er een tentoonstelling gehouden in kunstzaal Le Canard. Deze kunstzaal was opgericht door Hans Rooduyn en had zich ontwikkeld tot het trefpunt van de Beweging van Vijftig. Er werden foto’s en collages tentoongesteld van Van Baaren, Lehmann, Van Moerkerken, Willem Frederik HermansAd Pieters en Maurits Dekkers. Deze tentoonstelling werd door de surrealismekenner Laurens van Krevelen een “nagekomen nummer” van De Schone Zakdoek genoemd.

De drie complete jaargangen van De Schone Zakdoek bevinden zich in het archief van het Nederlands Letterkundig Museum in Den Haag. Alle afleveringen zijn ook op microfilm gezet om de raadpleegbaarheid duurzaam te kunnen garanderen. In 1981 verscheen bij Meulenhoff een bloemlezing met zwart-witafbeeldingen. De selectie was gedaan door Van Baaren, Pape en Buddingh.

Theo van Baaren publiceerde tussen 1986 en 1989 kleine gelegenheidsuitgaven, door hem ephemeriden genoemd, bij de door hem opgerichte huisuitgeverij die naar De Schone Zakdoek was vernoemd: Clean Kerchief Incorporated. De meeste ephemeriden bevatten werk van hemzelf, maar hij gaf ook werk van anderen uit: Jan G. ElburgPiet van KlaverenL.Th. LehmannRik Lina, Gertrude Pape, Perdok, Hans van StratenLaurens Vancrevel en Dolf Verspoor. De bekendste van de 71 Clean Kerchief Inc.-uitgaven was een bundel met 25 geïllustreerde gorgelrijmen die in 1987 werd uitgebracht na de dood van Buddingh: Hommage à Kees Buddingh, met teksten van Van Baaren en illustraties van Pape.

Uitgaven

  • Theo van Baaren, Gertrude Pape en Cees Buddingh’ (selectie), De Schone Zakdoek. Onafhankelijk tijdschrift onder red. van Theo van Baaren en Gertrude Pape. 1941-1944. Verhalen, gedichten, cadavres-exquis, collages, tekeningen, foto’s, objecten, Amsterdam: Meulenhoff 1981.

Externe links

Bronnen
– Hans Renders, Verijdelde dromen. Een surrealistisch avontuur tussen De Stijl en Cobra, Haarlem: Enschedé 1989
– Piet Calis, Het ondergronds verwachten. Schrijvers en tijdschriften tussen 1941 en 1945, Amsterdam: Meulenhoff 1989, ‘Hfdst. 1 – De Schone Zakdoek: spel zonder grenzen’ & Slot
– Marieke Winkler, ‘Authenticiteit of creatieve recycling? Over een heruitgave van het ondergrondse tijdschrift De Schone Zakdoek (1941-1944)’, in: Eenheid in verscheidenheid. Liber amicorum Prof.em.dr. A.M. Musschoot, Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, Verslagen en mededelingen 2009, p.217 e.v.
– Laurens van Krevelen, ‘Theodorus Petrus van Baaren. Utrecht 13 mei 1912 – Groningen 4 mei 1989’, levensbericht in het Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1994, p.90-101
– Lisette Lewin, Het clandestiene boek 1940-1945, Amsterdam: Van Gennep 1983, p.274-276
– Marieke Winkler, De metamorfoses van Laocoön: Woord&Beeld interactie in De Schone Zakdoek (1941-43) en Barbarber (1958-71) (doctoraalscriptie), Universiteit van Utrecht 2007

Voetnoot
1) Het vers is hier raadpleegbaar (Galgenlieder, Berlijn: Bruno Cassirer 1917, p.48). In het gedicht opent Palmström een zakdoek met daarop een fraaie afbeelding om daarin zijn neus te snuiten. Uit eerbied voor de schoonheid van de afbeelding vouwt hij echter met ongesnoten neus de ‘schone’ zakdoek weer dicht, wat – volgens het gedicht – iedereen met enig gevoel zal kunnen billijken.

Uitgelicht bericht

China News Analysis

China News Analysis

[Dit artikel heb ik in september 2014 geschreven op de Nederlandstalige Wikipedia onder het pseudoniem Theobald Tiger. Hier kunt u het destijds door mij gepubliceerde artikel nalezen. Het is sindsdien vrijwel onveranderd gebleven, maar omdat iedereen op Wikipedia kan wijzigen, aanvullen, inkorten als dat hem/haar belieft, hecht ik eraan om het door mij geschreven artikeltje in de vorm waarin ik het toen geschreven heb te herpubliceren op mijn eigen website.]

China News Analysis (CNA) – Analyse van het Chinese nieuws – was van 1953 tot 1998 een wekelijkse – vanaf 1979 tweewekelijkse – nieuwsbrief die feiten, achtergronden en analyses gaf van de politieke en maatschappelijke gebeurtenissen in de volksrepubliek China. De nieuwsbrief werd gemaakt in Hong Kong en was geschreven in het Engels. De oprichter en belangrijkste redacteur van het blad was de Hongaarse jezuïet László Ladány. De nieuwsbrief omvatte zeven of acht pagina’s per aflevering, had een weinig opvallende vormgeving, maar bezat een opzienbarende, met de westerse intellectuele opinie vaak op gespannen voet staande inhoud die was gebaseerd op oorspronkelijke Chinese bronnen. Het blad was daarom decennialang belangrijke lectuur voor geleerden, journalisten, diplomaten en inlichtingendiensten.[1]

Periode 1953-1982

Ladány – een Hongaarse jood – was in 1940 van Hongarije naar China gegaan om de golf van moorddadig antisemitisme die Europa zou overspoelen te ontvluchten en zich voor te bereiden op het missiewerk. In 1949, bij de communistische machtsovername aan het einde van de Chinese Burgeroorlog, vertrok hij noodgedwongen naar Hongkong. Toen hij het verzoek kreeg van de overste van de onder dwang opgeheven jezuïetische missieposten in China om de buitenwacht op de hoogte te houden van de ontwikkelingen in China en de omliggende landen, begon hij China News Analysis te publiceren. Op 25 augustus 1953 verscheen het eerste nummer.

Ladány was van 1953-1982 de enige vaste redacteur. Patrick James Honey (1922-2005), een Ierse Vietnam-kenner, schreef regelmatig bijdragen over Vietnam. Incidenteel traden anderen op als gastredacteur. Reeds in 1961 had Ladány beschreven welke gruwelijke realiteit er schuil ging achter de Grote Sprong Voorwaarts (1958-1961/2). In 1962 schatte hij het aantal doden als gevolg van de optredende hongersnoden op vijftig miljoen, een aantal dat door latere onderzoekers is bevestigd.[2] Ladány werd bijgestaan door collega’s die correctiewerk deden, met wie hij discussieerde en die voor hem kranten lazen en radio-uitzendingen beluisterden.

In 1979 veranderde de verschijningsfrequentie van wekelijks naar eens in de twee weken.

In totaal verschenen er gedurende Ladány’s redacteurschap tot en met 1982 1248 nummers, ongeveer 8750 pagina’s.

Periode 1983-1998

Na Ladány’s terugtreden werd verschijning van de nieuwsbrief tijdelijk opgeschort om in 1984 weer te worden hervat onder hoofdredactie van de jezuïet Dominique Tyl. In 1985 veranderde de verschijningsfrequentie opnieuw, nu naar twee maal per maand, met een index aan het einde van het jaar (25 nummers per jaar). Tyl werd in 1988 als hoofdredacteur opgevolgd door de jezuïet Yves Nalet. In december 1998 werd besloten om de nieuwsbrief te staken.

In 1994 verhuisde het tijdschrift naar Taiwan, als onderdeel van de Socio-Cultural Research Center van Fujen Universiteit.

Van 1984 tot 1998 verschenen nog 375 nummers, ongeveer 3450 pagina’s in totaal.

Belang

Het blad was decennialang verplichte kost voor iedereen die serieuze belangstelling voor China had. De Belgische sinoloog Pierre Ryckmans (pseud. Simon Leys) noemt als belangrijkste kwaliteiten van het blad dat de auteur Ladány – anders dan de meeste China-experts in die dagen – het Chinees uitstekend beheerste en vloeiend sprak, dat hij zich baseerde op oorspronkelijke Chinese bronnen zoals kranten, overheidspublicaties en (regionale) radio-uitzendingen, en dat hij het vermogen had om de ondoorgrondelijke en misleidende berichtgeving, de onder terreur tot stand gekomen getuigenissen en de leugenachtige overheidspropaganda, zo te analyseren dat duidelijk werd welke verwrongen relatie al deze uitingen hadden tot de (destijds veelal verschrikkelijke) werkelijkheid van China.

Het blad was onmodieus en werd door fellow-travelers van het maoïstische regime als verderfelijk beschouwd. Simone de Beauvoir, auteur van La Longue Marche. Essai sur la Chine (1957), noemde China News Analysis “une publication venimeuse” (een giftige publicatie).

Externe link

Bronnen

Voetnoten

  1.  Voor de CIA, zie: James R. Lilley & Jeffrey Lilley, China Hands: Nine Decades of Adventure, Espionage, and Diplomacy in Asia, Cambridge, MA: Public Affairs 2004, p.139. Voor de andere groepen, zie Simon Leys, ‘The Art of Interpreting Nonexistent Inscriptions Written in Invisible Ink on a Blank Page’, The New York Review of Books, 11 oktober 1990. Zie ook: ‘China-watcher turns in Telescope’The Telegraph, 7 februari 1983. (geraadpleegd 17 september 2014).
  2.  Frank Dikötter (2011), Mao’s massamoord. De geschiedenis van China’s grootste drama, 1958-1962 (Het voorwoord spreekt van ten minste 45 miljoen).
Uitgelicht bericht

De onbeminde islam

Ik heb een vraag. De meeste mensen die ik spreek – ik spreek bijna niemand, want het het is corona-tijd – vinden radicaal-rechtse partijen maar niks. En diezelfde mensen vinden de islam vaak ook maar niks.

De islam is een godsdienst – dat is al erg natuurlijk – maar het is bovendien een heel beperkende godsdienst. Het legt ontoelaatbare beperkingen op aan de vrije ontplooiing van de gelovigen en het eist een gehoorzaamheid die ernstig afbreuk doet aan de persoonlijke autonomie.

De islam wil van alles van de mensen, de islam geeft kleding- en gedragsvoorschriften, de islam onderdrukt en mutileert vrouwen, de islam wordt vanuit autocratische buitenlanden gefinancierd (hoe worden de christelijke zending en missie eigenlijk gefinancierd?), de islam slingert luide gebedsoproepen de wijk in vanuit moskeeën die als paddenstoelen uit de grond lijken te rijzen, juist nu de kerkklokken – god zij geloofd en gedankt en geprezen – hun gebeier grotendeels lijken te willen staken, en de islam gaat ten slotte uit van een God wiens bestaan op zichzelf al hoogst onwaarschijnlijk is, wetenschappelijk gezien. Ook mag je niet van je geloof vallen, wat natuurlijk het eerste is wat je zou willen als je in een dergelijk geloof opgroeit.

Veel verschillen zijn er eigenlijk niet binnen de islam. Na enig aandringen komen sommigen nog met soennieten en sjiïeten aanzetten, maar het twistpunt is vanzelfsprekend een betrekkelijk kleine theologische kwestie die uit de begintijd van de islam stamt. Spot is zo goed als verboden, het salafisme rukt op, de moslimbroederschap is, in weerwil van de naam, een heel sinister genootschap, de meeste moslims willen volgens de Leidse rechtenfaculteit dat de sharia wordt ingevoerd, en er zou wel wat meer weerstand in eigen kring mogen bestaan tegen de neiging van jonge moslimmannen om terroristische aanslagen te plegen.

Dan nu mijn vraag: hoe weten al die mensen die ik niet spreek dit allemaal?

Ik zal mijn verwondering een beetje toelichten. Het is mijn ervaring dat de meeste mensen niet veel weten van het christendom. De doorsnee Nederlander kan niet vertellen wat er gevierd wordt op Goede Vrijdag of Pasen of Pinksteren. De meesten van ons kunnen geen protestant van een katholiek onderscheiden, laat staan dat ze enig benul hebben van wat bevindelijke protestanten eigenlijk zijn, en in welke kerkgenootschappen je dat soort exotische figuren aantreft.

Als er op televisie een onderwerp wordt besproken dat heel in de verte iets met het christendom te maken heeft – het liefst een misbruikschandaal – dan brengen de programmamakers in het zwart geklede figuren met hoedjes op in beeld, vaak enorm grote gezinnen die in dociele gehoorzaamheid naar de kerk wandelen waar ze met een tergend laag tempo uit volle borst uiterst sombere psalmen meezingen. En soms wordt er misschien zelfs een heuse katholieke geestelijke geïnterviewd, vooral nadat deze een boekje open heeft gedaan over zijn pornoverslaving en darkroom-bezoek. En een hoogst enkele keer tref je op de televisie een katholiek aan die het celibaat verdedigt en seksuele onthouding goed vindt passen bij de priesterroeping. Talkshowhost en publiek kunnen hun lachen bijna niet inhouden.

De doorsnee Nederlander weet bar weinig van het christendom.

Maar hoe weten diezelfde mensen dan wel hoe het met de islam zit?

De meeste mensen komen in de praktijk waarschijnlijk niet zo vaak een moslim tegen, en als ze bij toeval wel een moslim tegenkomen, en ze zoeken een keertje geen dekking, dan blijkt die moslim meestal allerhartelijkst te wezen. Zelfs is het zo dat je, zodra je enigszins met ze in contact komt en respect toont, spontaan wordt uitgenodigd om het Suikerfeest mee te vieren, en dan mag je ook echt helemaal meedoen. Het eten dat bij die gelegenheid geserveerd wordt is niet alleen overheerlijk maar ook allerovervloedigst. Op het punt van de gastronomische geneugten moeten we eerlijk toegeven dat we van de islam nog wat kunnen leren. Het Turkse winkeltje is ook best aardig.

Maar dat zijn slechts incidentele belevenissen.

Er is natuurlijk ook nog zoiets als intellectuele nieuwsgierigheid, een zeldzame geestelijke afwijking die gelukkig bijna geheel is uitgestorven. Ik betrap zelden of nooit een medemens met een koran op schoot. Vertalingen hebben immers toch geen gezag. En geen niet-moslim peinst erover om zich in de islamitische theologie te verdiepen. Geen van de mensen die ik niet spreek is in staat om de vijf zuilen van de islam op te noemen.

Het is overigens heel erg jammer dat die moslims onze waarden niet delen, en met waarden bedoel ik natuurlijk het recht om te beledigen, de VvMU, de enige waarde die er werkelijk toe doet, en die de Vrijheid van Godsdienst gerust kan vervangen, zelfs beter, want godsdienst is een mening als alle andere. En artikel 23 van de Grondwet die kwezels het recht geeft om het onderwijs naar eigen smaak en inzicht in te richten, moet uiteraard zo snel mogelijk worden afgeschaft.

Het is heel raadselachtig allemaal. Wat de islam is weten de mensen niet, maar dat de islam niet deugt, dat weten ze heel zeker.

Uitgelicht bericht

Maar als het stil is in de geest – R.S. Thomas

R.S. Thomas op een kerkhof in Eglwys Fach. Foto: John Hedgecoe.

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilderes Mildred Eldridge (1909-1991).

R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).

Een aardig artikel over Thomas’ leven en werk is van de hand van Theodore DalrympleA Man Out of Time.

Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.

In genoemd boek gaat de schrijver ook in op het onderhavige gedicht, en wel op de pagina’s 40-41.

In het gedicht But the silence in the mind stelt Thomas stil-zijn – echt stil zijn, ook je gedachten stil zetten – gelijk aan het luisteren naar God. Als ervaring wordt dit idee beschreven in een ander gedicht van Thomas, namelijk De gloeiende akker – hierin wordt de tijd getranscendeerd, en is de spreker aanwezig in een moment die de eeuwigheid in zich draagt.

Er zijn drie leidende gedachten: 1. de stilte, een stilte die een gehoorsafstand kent, een stilte ook die in staat is jou iets toe te roepen over je eigen diepten heen, 2. de ‘aanwezigheid’ van iets wat strikt genomen afwezig is, en 3. de bodemloosheid, de afgrond, de diepte.

De metafoor van de afgrond wordt ontleend aan psalm 42 waarin vers 8 in de Statenvertaling als volgt klinkt:

De afgrond roept tot den afgrond, bij het gedruis Uwer watergoten; al Uw baren en Uw golven zijn over mij heengegaan.

De armada van onze gedachten komt – eenmaal te water gelaten op het oppervlak van de bodemloze oceaan – nooit op zijn bestemming aan. De afgrond blijkt te roepen tot de afgrond, en de stem van de alomtegenwoordige stilte – die strikt genomen afwezigheid is van geluid – klinkt over onze eigen afgrond heen.

Het idee van de afgrond in onszelf ontleende Thomas aan Søren Kierkegaard die het bestaan beschreef als eng en subliem, als het oversteken van een afgrond die thousands of fathoms diep is.

Temidden van al deze paradoxen, blijkt het luisteren naar de alomtegenwoordige stilte toch het allerhoogste wat we bereiken kunnen binnen de omtrek van onszelf die gelijk is aan de omtrek van God, tot wie we via de stilte toegang hebben.

Het gedicht lijkt pardoes te beginnen, alsof Thomas met het gedicht een tegenwerping maakt tegen iets wat hij zojuist heeft gehoord.

Enfin, genoeg diepzinnig gepraat.

Dit gedicht is gepubliceerd in de bundel Counterpoint (1990).

Vertaling:

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

——————————————————————————————————————————-

Maar als het stil is in de geest

Maar als het stil is in de geest
zijn we op ons best, binnen
gehoorsafstand van de stilte
die we God noemen. Dit is
de afgrond van de psalmist die roept
tot de afgrond, de peilloze oceaan
waarop we de armada van onze
gedachten loslaten – die nooit aankomt.

Zo is het een aanwezigheid
waarvan de omtrek onze omtrek is;
die roept ons toe over onze eigen
diepten heen. Wat kun je anders doen
om nader te komen tot zo’n alom

tegenwoordigheid dan stil te blijven?

Origineel:

But the silence in the mind

But the silence in the mind
is when we live best, within
listening distance of the silence
we call God. This is the deep
calling to deep of the psalm-
writer, the bottomless ocean
we launch the armada of
our thoughts on, never arriving.

It is a presence, then,
whose margins are our margins;
that calls us out over our
own fathoms. What to do
but draw a little nearer to
such ubiquity by remaining still?

Uitgelicht bericht

Een leven – R.S. Thomas

R.S. Thomas in Eglwys Fach. Fotograaf: John Hedgecoe

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilderes Mildred Eldridge (1909-1991).

R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).

Een aardig artikel over Thomas’ leven en werk is van de hand van Theodore DalrympleA Man Out of Time.

Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.

In een treffend filmpje uit 1996 dat Bloodaxe Books beschikbaar heeft gemaakt – hier raadpleegbaar – zegt Thomas (vanaf 4’18”):

“Mocht er sowieso later nog aan mij gedacht worden, dan zal dat wel zijn om de intensiteit van een paar gedichten die ik heb geschreven. Maar, los van de gedichten, als mens hoop ik dat m’n voorbeeld van iemand die ervan hield buiten te zijn, die hield van de aardse dingen, en die het talent had meegekregen om ze niet alleen te horen maar ook te zien, voor anderen een zeker nut heeft gehad.”

Het gedicht A Life is een zelfportret. Dat geldt natuurlijk wel voor meer gedichten, maar in dit geval is dat heel letterlijk zo. Het is een ernstig gedicht, maar ook in zekere zin een onbekommerd gedicht, niet zonder zelfspot.

De grappig-bittere zin: “Waar twee / bijeen zijn, was hij de ongewenste / derde” is een toespeling op het bijbelwoord: “Waar twee of drie in Mijn Naam bijeengekomen zijn, daar ben Ik in hun midden” (Mattheüs 18:20).

Dit gedicht wordt treffend besproken in de openingsalinea van de R.S. Thomas-herdenkingsrede die Seamus Heaney heeft gehouden in Westminster Abbey op 28 maart 2001. Deze rede is in vertaling beschikbaar op deze website.

Dat Thomas zijn gezicht redde met gedichten ten overstaan van de krenkingen die het proza voor hem in petto had, betekent dat hij kletspraat en cynische rechttoe-rechtaan-praatjes zonder diepzinnigheid en zonder het besef dat er ook nog zoiets als een ‘hoger honing’ kon worden verzameld, enigszins op afstand wist te houden door zijn dichterschap, en misschien ook door de pastorale kant van zijn predikantschap.

Zijn religieuze inslag wordt uitgedrukt met de zin: “Slechts visionair / in het besef van een horizon / achter de horizon.”

De ‘gewetensbezwaarde’, de ‘doodspropaganda’ en de ‘dwangmatige vrijwilliger’ zijn verwijzingen naar Thomas’ pacifistische inslag en de oorlogsretoriek die hij om zich heen hoorde – maar ze moeten hier dichterlijk worden opgevat: hij volgde zijn eigen spoor, bleef zijn dichterlijke en geestelijke roeping trouw, en gaf niet toe aan druk van buitenaf. Maar het vrijwilligerschap is wel dwangmatig – hier stond hij, en hij kon niet anders.

Het gedicht is opgenomen in de bundel Experimenting with an Amen (1986).

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

——————————————————————————————————————————-

Vertaling:

Een leven

Lang geleefd; veel angst, minder
moed. In de school der liefde slechtste
van de klas; wat de Tijd vroeg
is te ver heen om te achterhalen.
Goed in knielen; geeft toe,
verticaal, aan kleine verleidingen.
Een mond waaraan halfbakken
ideeën ontsnapten. Waar twee
bijeen zijn, was hij de ongewenste
derde. Een Narcissus, gekweld
door de fluisterstemmen achter
de spiegel. Slechts visionair
in het besef van een horizon
achter de horizon. Twijfelend
aan God, te lafhartig om hem
te verwerpen. Met verzen
z’n gezicht reddend voor de krenking
van proza. Een van ‘s levens
gewetensbezwaarden, nooit
zwichtend voor de doodspropaganda,
maar een dwangmatige vrijwilliger.

Origineel:

A Life

Lived long; much fear, less
courage. Bottom in love’s school
of his class; time’s reasons
too far back to be known.
Good on his knees, yielding,
vertical, to petty temptations.
A mouth thoughts escaped
from unfledged. Where two
were company, he the unwanted
third. A Narcissus tortured
by the whisperers behind
the mirror. Visionary only
in his perception of an horizon
beyond the horizon. Doubtful
of God, too pusillanimous
to deny him. Saving his face
in verse from the humiliations prose
inflicted on him. One of life’s
conscientious objectors, conceding
nothing to the propaganda of death
but a compulsion to volunteer.

Uitgelicht bericht

Evans – R.S. Thomas

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilderes Mildred Eldridge (1909-1991).

R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).

Een aardig artikel over Thomas’ leven en werk is van de hand van Theodore DalrympleA Man Out of Time.

Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.

Het gedicht Evans is een van Thomas’ bekendste ‘pastorale’ gedichten, in de zin dat het ontleend is aan zijn herderlijke werk als predikant – van een bucolische sfeer is verder in het geheel geen sprake. Het gedicht is afgedrukt bij het Engelse Wikipedia-artikel over R.S. Thomas, en het werd ook voorgedragen door Seamus Heaney toen hij zijn aan Thomas gewijde herdenkingsrede uitsprak in Westminster Abbey op 28 maart 2001.

Deze rede heb ik vertaald. Elders op deze website kunt u de vertaling raadplegen. In deze rede vergelijkt Heaney een gedicht van de dichter-priester Gerard Manley Hopkins – ook een gedicht over het sterven van een parochiaan: Felix Randal – met het onderhavige gedicht van de dichter-dominee R.S. Thomas.

In een ontroerend filmpje uit 1996 dat Bloodaxe Books beschikbaar heeft gemaakt op Youtube waaraan ook beide afbeeldingen zijn ontleend – hier raadpleegbaar (vanaf 4’18”) – zegt Thomas:

“Mocht er sowieso later nog aan mij gedacht worden, dan zal dat wel zijn om de intensiteit van een paar gedichten die ik heb geschreven. Maar – los van de gedichten – als mens hoop ik dat m’n voorbeeld van iemand die hield van buiten-zijn, die hield van de aardse dingen, en die de gave bezat om die dingen niet alleen te horen maar ook te zien, voor anderen een zeker nut heeft gehad.”

Evans was een van Thomas’ parochianen. Het betrof een 49-jarige man – William Evans – die een ongeluk had gehad. Hij werd begraven in de eerste maanden van 1946.

Het gedicht lijkt pardoes te beginnen, alsof er antwoord wordt gegeven op een vraag.

Veel toelichting heeft het gedicht verder niet nodig. De woorden die ter karakterisering voor trap, keuken, keteltje, druppend water en boom worden gebruikt, roepen al een besef van menselijk einde op. Een prominente rol spelen hier schemering en duisternis. De verlaten-kustmetafoor in de slotregels wordt voorafgegaan door het opkomend tij van de nacht.

Het gedicht is opgenomen in de bundel Poetry for Supper (1958)

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

——————————————————————————————————————————-

Vertaling:

Evans

Evans? Ja, heel wat keren
daalde ik af langs de kale
trap naar de knokige keuken
met het houtvuur, met krekelgezang
ter begeleiding van het huilende
zwarte keteltje, zo het koude donker in
om te smoren in het wassend tij
van de nacht, vloeiend langs de muren
van z’n schrale hoeve op de kam.

’t Was niet het donker dat me tegenstond,
al vulde het oog en mond; zelfs niet de regen
die als bloed drupte van die ene door het weer
geteisterde boom. Het was het donker
dat de aderen dichtslibde van deze zieke man
die ik liet stranden op de uitgestrekte
en eenzame kust van zijn verlaten bed.

Origineel:

Evans

Evans? Yes, many a time
I came down his bare flight
Of stairs into the gaunt kitchen
With its wood fire, where crickets sang
Accompaniment to the black kettle’s
Whine, and so into the cold
Dark to smother in the thick tide
Of night that drifted about the walls
Of his stark farm on the hill ridge.

It was not the dark filling my eyes
And mouth appalled me; not even the drip
Of rain like blood from the one tree
Weather-tortured. It was the dark
Silting the veins of that sick man
I left stranded upon the vast
And lonely shore of his bleak bed.

Uitgelicht bericht

R.S. Thomas-herdenkingsrede – Seamus Heaney

Uitgesproken door Seamus Heaney in Westminster Abbey op 28 maart 2001

Titel: R.S. Thomas Memorial. Delivered at Westminster Abbey, March 28th, 2001
Bron: The Ireland Poetry Review, nr. 69, zomer 2001, p.11-14
Stabiele URL: https://www.jstor.org/stable/25579620

Herdenkingsrede R.S. Thomas

In een van zijn latere gedichten, getiteld A life, dat duidelijk bedoeld is als zelfportret, bestempelt R.S. Thomas zichzelf als “een van ‘s levens / gewetensbezwaarden”. De levensschets getuigt van een typerende eerlijkheid en een typerende strengheid, maar wat me er het meest aan bevalt is de enigszins atypische onbekommerdheid die eruit spreekt. Voor even is degene die ons uit dit portret aanstaart bereid om zichzelf van opzij te bekijken om te zien wat andere mensen wel eens zouden kunnen zien. Thomas wist heel goed dat hij in veler ogen een grimmige figuur was, en elders in het gedicht bekende hij, met opnieuw vermakelijk-ongemakkelijke gestrengheid, “waar twee / bijeen zijn, was hij de ongewenste / derde.” Maar Thomas wist ook, net als wij, dat hij niet samenviel met deze karikatuur: hij was weliswaar soms iemand die anderen bekritiseerde en kastijdde, hij was ook een zielzorger, iemand die op zijn knieën ging, iemand die bij voortduring klopte op de deur van de waarheid, en die geen toegang kreeg. Een visionair, maar, zoals het gedicht ook zegt, “slechts visionair / in het besef van een horizon / voorbij de horizon”.

Het is één van de aardige samenlopen van de literatuurgeschiedenis dat Thomas zijn zoektocht naar die horizon aanving juist toen de tochten van twee andere Wijzen afliepen; het is met andere woorden mogelijk om het streven van zijn Verzamelde gedichten te lezen als de vervulling van het streven van W.B. Yeats en T.S. Eliot, zijn grote voorgangers die geprobeerd hebben om religieuze poëzie te schrijven in een areligieuze tijd. Hij leek op een van Yeats’ “onbevredigde bleke types”, maar wel een wiens doorleefde onvrede rechtstreeks zou leiden tot wat in zijn werk bij uitstek bevredigend is.

Toen ik Thomas voor het eerst las, had ik waardering voor zijn trouw aan het armeluisleven van de boeren in het heuvelland wier predikant hij was. De mensen in zijn gedichten deden mij denken aan de keuterboeren en landarbeiders die ik zelf had gekend, en het waren onder andere zijn verzen die mij hielpen bij mijn eerste schrijfpogingen. Song at the Year’s Turning [Lied bij de jaarwisseling] was een bundel waar ik van hield. De stofomslag had een ontwerp dat was gebaseerd op een stapelmuur, en dat paste goed bij de ruwe, bergachtige sfeer van afzondering en overleving die de gedichten opriepen. De spaarzaamheid van Thomas’ taal resoneerde in mij. Er zat iets van zelfbeteugeling in dit schrijven, alsof de dichter een afkeer koesterde van zijn eigen lyrische talent – en dat beviel mij. Dat beviel mij vooral omdat het lyrische talent zo zuiver was en ernaar leek te verlangen om zalig uitgeoefend te worden. Al heel vroeg had hij zichzelf toegestaan om te doen wat de jonge Yeats had gedaan, afstand nemen van de rijmende versregel en het volksdeuntje. Maar kort daarop volgde hij het voorbeeld van een andere Ierse dichter, Austin Clarke; hij koos de taal van de torenklok en kreeg een voorkeur voor de muziek van de vastentijd, met als gevolg dat zijn gedichten gaandeweg net zo kaal en onverbiddelijk werden als de crotalus (houten klepper) in het heiligdom van Goede Vrijdag.

Als dichter dorstte R.S. Thomas naar religieuze waarheid, en het is omdat die dorst onverminderd groot bleef dat zijn werk de toekomstige generaties van de een-en-twintigste eeuw zal kunnen overtuigen. Voor hem geldt niet de gebedsverhoring die in vrees en beven wordt verwacht, zoals opgeroepen door George Herbert. Er weerklinkt geen gebeier achter het gesternte; er is geen vorm van hemels getokkel of getingel. Als dichter-dominee staat Thomas natuurlijk wel in dezelfde traditie als Herbert, maar het is de Herbert van de kale toonladders, van een harp die ‘ongestemd, ongespannen’ is, de Herbert van ‘Deniall’ [Afwijzing] en ‘The Collar’ [Het boordje], bij wie de cholerische neiging niet zozeer merkteken is van het kerkelijk ambt, maar eerder een kenmerk van een onmatige persoonlijkheid, leidend tot uitbarstingen van opstandige toorn.

Maar het werk van R.S. Thomas toont niettemin een fantastisch doorzettingsvermogen, een besef dat hij zich niet van zijn roeping zal laten afbrengen, en ook dat hij niet de dupe zal worden van zijn vroomheid, en het is deze pelgrimsvolharding die zijn poëzie een blijvende kracht verleent. Als we hier en nu deze dichter gedenken, dan is wat we eren juist deze ootmoedige standvastigheid. In onze voorstelling heeft hij een eenzelvig profiel gekregen, een beetje zoals de verzamelaar van bloedzuigers bij Wordsworth, maar droefgeestiger, veeleer geneigd om zijn staf te werpen naar degene die hij tegenkomt dan om erop te leunen bij het verstrekken van z’n kluizenaarswijsheden. Thomas bezat een ongeremde en onbeheerste kant, altijd klaar om elke plannenmakerij te ontregelen, een kant die tekeer ging tegen Engelse vakantiehuizen op het Welshe platteland. En toch schuilde er gedrevenheid en accuratesse in zijn culturele en nationalistische boosheid; zijn vervreemding van het steeds meer door rijke nieuwkomers volgebouwde landschap was een aspect van een algemenere, moderne ontworteling, een toestand die zowel betrokkenheid als ironische afstandelijkheid nodig heeft – een toestand die zeker zou zijn herkend door schrijvers als George Seferis en Patrick Kavanagh. Hoe onsympathieker zijn land zich voordeed, hoe dieper hij de noodzaak voelde zich ermee te verbinden.

Ik zal twee gedichten van hem voorlezen zonder veel commentaar, want ze hebben geen uitleg nodig. De eerste is getiteld The One Furrow, een heel eenvoudig gedicht, kennelijk nog een imitatie, en toch is het al een voorafschaduwing van de vorm die R.S. Thomas’ geestelijke en artistieke leven zou aannemen: het verantwoordelijkheidsbesef, de niet aflatende zoektocht, de vore die wordt geploegd naar de horizon voorbij de horizon.

[Het oorspronkelijke gedicht heeft eindrijm (aabab ccdcd eefef) dat in vertaling niet is gehandhaafd]

De ene vore

Toen ik jong was ging ik naar school
met lineaal en schrijfstift,
griffel en lei,
en ik zat op een hoog bankje
aan de poort van de kennis.

Toen ik ouder werd, zwaaide de poort open;
slim en oplettend als ik was
wurmde ik me erdoor,
maar vond in de trots van mijn geest
geen vrede, geen rust.

Toen leerde iemand me terug te gaan
naar vee en mesthoop;
veld en ploeg:
om zich te richten op die ene vore,
dezelfde die ik nog volg?

Het volgende gedicht is heel bekend, een van de ‘pastorale gedichten’ dat het bezoek van een priester aan een zieke parochiaan als onderwerp heeft. Voor mijn gevoel is dit gedicht in een tweegesprek verwikkeld met een ander gedicht van een andere dichter-priester over hetzelfde onderwerp, een gedicht dat op dezelfde manier begint als dat van Thomas, met het uitspreken van de naam van de parochiaan. “Felix Randal de hoefsmid, O is hij echt dood?” vraagt Gerard Manley Hopkins, en hij gaat verder met zich te herinneren hoe het uitdelen van het sacrament aan de hoefsmid verzachting en verlichting had geschonken, en op het eind had gezorgd voor leniging van nood en geestelijke verkwikking. Maar als R.S. Thomas zich zijn herderlijke zorg aan Evans herinnert, is de uitkomst heel anders:

Evans

Evans? Ja, heel wat keren
daalde ik af langs de kale
trap naar de knokige keuken
met het houtvuur, met krekelgezang
ter begeleiding van het huilende
zwarte keteltje, zo het koude donker in
om te smoren in het wassend tij
van de nacht, deinend langs de muren
van z’n schrale hoeve op de kam.

t Was niet het donker dat me tegenstond,
al vulde het oog en mond; zelfs niet de regen
die als bloed drupte van die ene door het weer
geteisterde boom. Het was het donker
dat de aderen dichtslibde van deze zieke man
die ik liet stranden op de uitgestrekte
en eenzame kust van zijn verlaten bed.

Uitgelicht bericht

Over een biografie van R.S. Thomas – The Man Who Went Into the West

Byron Rogers, The Man Who Went Into the West: The Life of R.S. Thomas, Aurum 2006

Ik heb de afgelopen jaren enkele tientallen gedichten van de Welshe dichter Ronald Stuart Thomas (1913-2000) vertaald – zie elders op deze website. Ik houd van zijn werk: de lyrische toon, de soms weinig troostrijke waarheden, de tederheid, de genadeloze eerlijkheid, de prachtige taal, de schitterende metaforen die zijn gedichten bijna altijd hun stuwende kracht verlenen. Ik had me natuurlijk al wel enigszins in RST, zijn context, zijn verstechniek, zijn godsdienstigheid verdiept, maar aan een biografie was ik nog niet eerder toegekomen. Tot nu.

RST was een Welshman van geboorte, maar schreef bijna al zijn werk in het Engels (op enkele prozawerken na), leerde pas op latere leeftijd Welsh, en hij sprak Engels met een upper-class accent. Als hij een Engelsman tegenkwam die de weg vroeg naar een toeristische attractie, dan pretendeerde hij soms dat hij geen Engels verstond.

Zijn geboorteplaats was Cardiff, in het zuiden van Wales. Het gezin met de kleine RST verhuisde al vrij snel naar Holyhead op het eiland Anglesey, gelegen in het noordwesten van Wales. Holyhead was ook de plaats waar RST opgroeide. Hij studeerde klassieke talen en theologie aan de universiteit van het Welshe Bangor en in Cardiff. Hij trouwde in 1940 met een Engelse schilder – Mildred ‘Elsi’ Eldridge – die op dat moment veel beroemder was dan hij. Ze kregen samen één zoon: Gwydion.

Hij diende als predikant in verschillende Welshe kerkelijke gemeenten, achtereenvolgens: Chirk, Manafon, Eglwys Fach, Aberdaron. Hij is op zijn oude dag, nadat Elsi was overleden, hertrouwd. Hij hield er een vast levensritme op na: ’s morgens studeren en schrijven, ’s middags tuinieren of wandelen, ’s avonds bezoek van gemeenteleden. In de laatste decennia van zijn leven was hij beroemd, hield hij lezingen, ontving hij literaire eerbewijzen, en werd hij – als ik zijn biograaf mag geloven – een stuk gezelliger – Byron Rogers noemt hem dan zelfs ergens een ‘socialite’, enigszins tongue in cheek.

Zoon Gwydion (overleden in 2016) bewaarde slechte herinneringen aan zijn jeugd. Vanaf betrekkelijk jonge leeftijd werd hij intern geplaatst op Engelse boarding schools. Hij woonde steeds in plaatsen met weinig vriendjes, vond zijn ouders abnormaal en ronduit asociaal, en hij blijkt bepaald weinig vergevingsgezind. De geest van Gwydion hangt soms wel vrij zwaar over dit boek, tot in de hoofdtitel toe – RST’s hang naar het westen is een running gag van Gwydion.

R.S. Thomas – The Ogre of Wales. Fotograaf: Howard Barlow

De hoofdtitel – The Man Who Went Into the West – verwijst naar het feit dat RST steeds westelijker in Wales ging wonen en werken. De eerste kerkelijke gemeente – Chirk – lag helemaal op de grens met Engeland in het oosten van Wales, en de laatste – Aberdaron – in het uiterste westen, op het puntje van het schiereiland Lleyn, met de Ierse zee op loopafstand.

De biograaf suggereert dat met die trek naar het westen een soort mythische droom werd nagejaagd, en hij verbindt daaraan ook het Welsh nationalisme van RST. Dat nationalisme bestond inderdaad, en het kreeg soms zelfs lachwekkende proporties, maar toch schuilt hierin misschien nog wel iets anders dan puur nationalisme. RST vond dat de wereld veranderde in een verwend welvaartsparadijs waarin de geestelijke zaken die hij essentieel achtte schandelijk werden verwaarloosd. Uit die houding zijn bijna al zijn nogal in het oog lopende eigenaardigheden te verklaren: zijn keuze voor de theologie, de ontwijkende rollen die hij speelde als hij op voorhand vermoedde (soms ten onrechte) toch niet begrepen te worden, zijn afkeer van moderne voorzieningen (zelfs een stofzuiger moest er weer uit omdat die te veel lawaai maakte), zijn volhardende streven om elke ochtend te studeren en te schrijven en zich aan preek of poëzie te wijden, zijn zelfdiscipline, zijn trouw aan een al even solitaire echtgenote, zijn verhuizing naar steeds stillere plaatsen waar hij zijn grote liefde – vogels kijken – kon uitleven.

De biografie is springerig, impressionistisch en praterig, met veel grapjes die soms door andere recensenten geprezen worden, maar die ik vond afleiden van het onderwerp. De auteur schrijft op een populair-journalistieke manier met toespelingen die voor een buitenlander niet altijd gemakkelijk te begrijpen zijn – ongeveer zoals de kopjes van de berichten en artikelen in Engelse tabloids voor iemand die Engels als tweede taal heeft op het eerste gezicht vaak onbegrijpelijk zijn. Het is lastig om de lijn van dit leven goed vast te houden tijdens het lezen.

Schilderij van Mildred ‘Elsi’ Eldridge

De mooiste passages in deze biografie – en ook de meest leesbare – zijn de uitgebreide citaten. Af en toe geeft Byron Rogers een collage van citaten uit de dagboeken van Elsi, of van de dingen die zijn informanten hem schreven, en stuk voor stuk zijn die passages informatiever en helderder dan wat de biograaf zelf te vertellen heeft. Zelfs de poëzie van RST vind ik vaak makkelijker te lezen dan het proza van Byron Rogers.

De biograaf is Welsh en dat heeft voordelen en nadelen. Voordeel is dat hij de Welshe wereld goed kent, de taal spreekt en toegang heeft tot soms vrij bijzondere mensen uit de directe nabijheid van RST. Voordeel is ook dat hij de eigenaardigheden in de omgang tussen Welshmen en sommige eigenaardigheden van zijn onderwerp goed kan duiden.

Er zijn ook nadelen. Hij gaat er soms van uit dat dingen vanzelfsprekend zijn die het in ieder geval voor mij niet zijn: er wordt vrijwel niets uitgelegd over kerkelijke bijzonderheden, liggingen of verschillen, er wordt heel weinig verteld over andere kerkelijke activiteiten dan preken: waren er regionale activiteiten, waren er ook kerkpolitieke onderwerpen, en – zo ja – wat was dan zijn positie daarin, hoe ging die verhuizing van de ene parochie naar de andere in zijn werk, welke morele, pastorale, kerkrechtelijke kwesties speelden er, was er ook een jongerenbeleid, wat deed hij eigenlijk tijdens die avondlijke huisbezoeken bij gemeenteleden.

Dit nadeel wijst – vrees ik – op een structureel gebrek van deze biografie. In het algemeen mis ik intellectuele diepgang. Pogingen om het werk uit het leven te laten voortkomen blijven oppervlakkig. De biograaf houdt duidelijk wel van de poëzie van RST, en hij laat dat ook wel merken, hij is er heel goed in om alle psychologische eigenaardigheden van RST stralend uit de verf te laten komen, diens tegenstellingen, de inconsistenties tussen woord en daad, diens zo nu en dan bijna solipsistische aard. Maar een poging om systematisch zijn leven en werk te begrijpen uit het principiële beginsel waaruit dat leven volgens mij goed te begrijpen is, doet Byron Rogers niet: er zijn weinig levens die zo volhardend gewijd zijn aan de evocatie van wat verloren gaat als het religieuze aspect uit het leven verdwijnt, en dat is precies wat er gebeurde in de jaren waarin hij leefde.

Ik mis ook wat RST’s relatie was met het toch vrij verhitte links-radicale intellectuele debat in de jaren zeventig en tachtig. Dat hij zo zwijgzaam was, kan niet alleen de reden zijn. Hij sprak zich, al of niet sarcastisch en afwerend, over van alles en nog wat uit. Zijn pacifisme past natuurlijk wel bij de geest des tijds, en hij ondernam ook wat activiteiten om de kernbom tegen te gaan, maar wat stemde hij bijvoorbeeld, wat zei hij daarover – dat soort dingen. Hij was sterk voor behoud van het landschap en hij was tegen massatoerisme gekant: maar dat is weer iets dat pas veel later een geliefd onderwerp voor sommige intellectuelen werd. In sommige opzichten was hij toch eerder behoudend: als predikant, als ijveraar voor kerkgang, als afwerende rots in een branding van aanzwellend consumentisme, hedonisme, materialisme.

Ik zou ook wel eens willen weten welke boeken hij las, theologisch, filosofisch, natuurhistorisch en literair – en in welke verhouding. Er is sprake van een bibliotheek van drieduizend banden, maar hoe zag die bibliotheek eruit? Waar kocht hij die boeken, en wanneer?

Er worden een paar woorden gewijd aan de preken die hij hield: hij vond het niet zijn taak om zijn eigen opvattingen te etaleren, maar hij wilde de boodschap van de kerk vertellen. Hij heeft die preken niet bewaard, maar er moet toch wel iets over te zeggen zijn, en dan geen met humor vertelde lokale babbels, maar iets inhoudelijks.

Een literatuurhistorische plaatsbepaling ontbreekt ook grotendeels, behalve impressionistische kwalificaties als ‘modernist in form’.

Aan het eind van zijn leven was RST – zo zegt de biograaf – eindelijk niet meer orthodox. Ik vraag mij af of je veel opschiet met het onderscheid tussen orthodox en niet-orthodox, zeker in het geval van RST. Over de details van zijn theologische positie vernemen we verder niets, zelfs de titel van één van zijn kerngedichten – Via Negativa – wordt niet toegelicht.

In het algemeen vind ik deze biografie overladen met oudewijvengeklets – reden misschien waarom de psychiater Theodore Dalrymple het boek wel met plezier heeft gelezen. Dalrymple schreef overigens een aardige beschouwing naar aanleiding van het boek in City Journal (2006): A Man Out of Time – en de titel van zijn beschouwing is ook nog eens veel beter dan de titel van het boek. Dalrymple heeft de kern van RST vrij goed getroffen. Ter lezing aanbevolen.

In de Irish Times verscheen in 2006 een uitstekende recensie van Dennis O’Driscoll: A Poet of a Few Words. Hieruit citeer ik tot slot met instemming de volgende passage:

Byron Rogers’s lively biography will be enjoyed most by those who like their poets eccentric to the point of caricature and who don’t object to the inner life – albeit essential to the poems – being played down. His book is a trove of biographical trivia. For instance, we are twice (which is more than once too often by my count) treated to Gwydion Thomas’s earth-shattering insight that his father, out walking, was a “great pee-er in fields”; but Thomas père’s greatness in the literary field is obfuscated in certain respects. Rogers’s emphasis is on the man who, in the course of a number of parish transfers, moved increasingly further west in search of the “old, unchanged Wales”. The crucial literary narrative – the story of Thomas’s courage, dedication and extraordinary independence as a poet – tends to be lost somewhere among the hill farms and bird sanctuaries.

Voor Byron Rogers spreekt het vanzelf dat de soms eigenaardige reacties van RST op tegenspraak of onbegrip voortkwamen uit het systematische en in zekere zin overmijdelijke ontbreken van weerwoord op wat hij van de kansel verkondigde en in zijn poëzie te berde bracht. Dat zou natuurlijk kunnen, maar schuilt in deze verklaring niet vooral het ressentiment van wijlen Gwydion? En gaat die verklaring niet voorbij aan RST’s ernst en eerlijkheid, en ook aan de vooroordelen waarmee hij soms te kampen had?

Op een dag zou RST gefilmd worden door de BBC als de stijve dichter-dominee die ze dachten dat hij was. Hij kwam in vol ornaat het kerkje uitgelopen en de camera’s snorden. Toen begon hij met zijn armen te zwaaien en te springen: “I am a bird, I am a bird …

Het leven is interessanter, rijker en samenhangender dan de biografie laat zien, maar het zijn in mijn ogen de gedichten die zullen voortleven.

Uitgelicht bericht

Net als Jericho – R.S. Thomas

Ronald Stuart Thomas (foto overgenomen van quartetbooks.wordpress.com)

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilderes Mildred Eldridge (1909-1991).

R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).

Een aardig artikel over Thomas’ leven en werk is van de hand van Theodore DalrympleA Man Out of Time.

Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.

In een ontroerend filmpje uit 1996 dat Bloodaxe Books beschikbaar heeft gemaakt op Youtube – hier raadpleegbaar (vanaf 4’18”) – zegt Thomas:

“Mocht er sowieso later nog aan mij gedacht worden, dan zal dat wel zijn om de intensiteit van een paar gedichten die ik heb geschreven. Maar, los van de gedichten, als mens hoop ik dat m’n voorbeeld van iemand die hield van buiten-zijn, die hield van de aardse dingen, en die het talent had gekregen om ze niet alleen te horen maar ook te zien, voor anderen een zeker nut heeft gehad.”

Het gedicht After Jericho is een poëticaal gedicht, het gaat over het dichten zelf. Het beschrijft wat dichten is, en contrasteert die activiteit met de alledaagse, bureaucratische, door macht en structuur en onrechtvaardigheid geteisterde wereld.

Toen de Joden in de oudtestamentische oudheid op weg gingen naar het Beloofde Land, troffen ze een wereld aan die reeds bewoond werd. Een van de eerste hindernissen die ze wisten te nemen was de stad Jericho. Ze moesten daarbij op God vertrouwen. De Joden trokken zes dagen lang om de ommuurde stad, blazend op hun ramsbazuinen. Op de zevende dag trokken ze zeven maal om de ommuurde stad, waarop ze vervolgens, luidkeels juichend en vurig op hun ramshorens blazend, de muren van de stad lieten instorten. Daarna was het relatief eenvoudig om de stad daadwerkelijk in te nemen.

De taal waartegen de dichter zijn bazuin verheft is de platgeslagen taal van het succes en de macht en de meedogenloosheid. De grote vreugde van de dichter is dat hij die officiële en glamoureuze wereld, een wereld ook die zich gesteund weet door een staand, goed betaald en weldoorvoed leger, weet te verslaan met een vrijwilligerslegertje, zoals de grote en machtige stad Jericho in het Oude Testament werd ingenomen door een volkje dat vlak daarvoor nog uit de woestijn tevoorschijn was gekomen.

Het gedicht is opgenomen in de bundel Frequencies (1978).

Geluidsopname vertaling – Arie Sonneveld

——————————————————————————————————————————-

Vertaling:

Net als Jericho

Er schuilt een agressie in feiten
die slechts met succes wordt weerstaan
door het vers, dat taal bestrijdt
met eigen wapens. Dichter, lach

tussen de puinhopen van een idioom
waartegen je jouw bazuin verhief.
‘t Waren rekruten; al jouw woorden,
niet één uitgezonderd, zijn vrijwilligers.

Origineel:

After Jericho

There is an aggression of fact
to be resisted successfully
only in verse, that fights language
with its own tools. Smile, poet

among the ruins of a vocabulary
you blew your trumpet against.
It was a conscript army; your words,
every one of them, are volunteers.

Uitgelicht bericht

De witte tijger – R.S. Thomas

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilderes Mildred Eldridge (1909-1991).

R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).

Een aardig artikel over Thomas’ leven en werk is van de hand van Theodore DalrympleA Man Out of Time.

Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.

In een ontroerend filmpje uit 1996 dat Bloodaxe Books beschikbaar heeft gemaakt op Youtube – hier raadpleegbaar (vanaf 4’18”) – zegt Thomas:

“Mocht er sowieso later nog aan mij gedacht worden, dan zal dat wel zijn om de intensiteit van een paar gedichten die ik heb geschreven. Maar, los van de gedichten, als mens hoop ik dat m’n voorbeeld van iemand die hield van buiten-zijn, die hield van de aardse dingen, en die het talent had gekregen om ze niet alleen te horen maar ook te zien, voor anderen een zeker nut heeft gehad.”

R.S. Thomas – The Ogre of Wales. Fotograaf: Howard Barlow

Het gedicht The White Tiger is gebaseerd op een aandachtige waarneming. De waarnemer beschrijft een witte tijger die zich in een kooi bevindt. Maar het gedicht wordt voortgestuwd door een metafoor, door beeldspraak: Thomas vergelijkt de ondoorgrondelijkheid van de gevangen tijger met de in onze godsbeelden gevangen God.

De tijger is ondoorgrondelijk in zijn gevangen bestaan; hij ademt en beweegt en kijkt naar jou, maar kijkt jou niet aan. Dit lijkt een gevolg van de ernstige beperkingen en hindernissen van zijn veel te nauwe bewegingsruimte. En zo ademt en beweegt ook God, gevangen als hij is binnen de te nauwe ruimte van ons beperkte en ingesnoerde godsbegrip.

Het gedicht doet enigszins denken aan het gedicht Der Panther van de grote Duitse dichter Rainer Maria Rilke. Maar hoewel ook in dat gedicht sprake is van zowel een aandachtige waarneming als de perceptie van iets ondoorgrondelijks, ontbreekt bij Rilke de vergelijking met ons godsbeeld die zo kenmerkend is voor de poëzie van R.S. Thomas.

Het zou me niet verbazen als Thomas zijn gedicht schreef als een reactie op het gedicht van Rilke. Maar weten doe ik dat niet.

Een witte tijger is een kleurvariant die voorkomt bij de Bengaalse en de Siberische tijger.

Het gedicht is opgenomen in de bundel Frequencies (1978).

Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

——————————————————————————————————————————-

Vertaling:

De witte tijger

Hij was prachtig zoals God
prachtig moet zijn; ijzige
ogen die geweld hadden
gezien en het hadden

aanvaard; een lichaam te groot
en majesteitelijk voor de kooi waarin
hij was neergezet; deinend
voortgaand in de schaduw

van zijn eigen gestalte, zich
omdraaiend, verhief hij
de verfrommelde bloem
van zijn gelaat naar

het mijne zonder me aan te zien. Hij
had de kleur van maanlicht
op sneeuw en zweeg ook
als maanlicht, maar hij ademde

zoals je je kunt indenken dat
God ademt binnen de begrenzing
van onze godsdefinitie, getergd
door onbereikbare onmetelijkheden
.

Origineel:

The White Tiger

It was beautiful as God
must be beautiful; glacial
eyes that had looked on
violence and come to terms

with it; a body too huge
and majestic for the cage in which
it had been put; up
and down in the shadow

of its own bulk it went,
lifting, as it turned,
the crumpled flower of its face
to look into my own

face without seeing me. It
was the colour of the moonlight
on snow and as quiet
as moonlight, but breathing

as you can imagine that
God breathes within the confines
of our definition of him, agonising
over immensities that will not return.

Uitgelicht bericht

2. JHvdB – Jan Hendrik van den Berg – jeugd, carrière en schrijverschap

Dit is het tweede deel in een reeks beschouwingen over de metableticus Jan Hendrik van den Berg. Het behandelt beknopt zijn levensloop: jeugd, academische carrière en schrijverschap.

  1. JHvdB – Jan Hendrik van den Berg: wegbereider van een radicaal conservatisme (link)
  2. JHvdB – Jan Hendrik van den Berg – jeugd, carrière en schrijverschap
  3. JHvdB – Leermeester Rümke en de Utrechtse School (link)
  4. JHvdB – Internationale contacten: Heidegger, Lacan, Bachelard (link)
  5. JHvdB – Opkomst en ondergang van een echte schrijver (link)
  6. JHvdB – Geestdrift en wetenschap: de betekenis van de roes (link)
  7. JHvdB – Metabletica – een vorm van historische fenomenologie (link)
  8. JHvdB – Rebellie: euthanasie, apartheid, racisme, christendom (link)
  9. JHvdB – Paradoxaal conservatisme (link)
  10. JHvdB – Slotbeschouwing (link)
  11. JHvdB – Bronnen (link)
Jan Hendrik van den Berg. Foto: Wim van Vossen sr.

In 2002 publiceerde de Rotterdamse hoogleraar en rector van de Erasmus School of Philosophy Hub Zwart een boek dat geheel aan leven en werk van Van den Berg is gewijd: Boude bewoordingen. De historische fenomenologie (‘metabletica’) van Jan Hendrik van den Berg. Het is geen biografie in de geijkte zin, maar het verschaft ruimschoots biografische informatie. Ook heeft Zwart kennelijk het vertrouwen van Van den Berg weten te winnen.

Boude bewoordingen is een intellectuele biografie: de wereld van gedachte en gemoed worden in hun samenhang en ontwikkeling vanuit verschillende invalshoeken belicht en besproken. Zwart was geïntrigeerd geraakt door de kloof tussen de aanhoudende buitenlandse belangstelling voor de metabletica en de relatieve inheemse vergetelheid waarin de latere Van den Berg was verzonken. Hij noemt hem ergens ‘de grootste Nederlandse filosoof’ (van zijn tijd).

Er zijn meer bronnen voor Van den Bergs levensloop: interviews natuurlijk, gepubliceerde briefwisselingen en ook besprekingen van zijn levenswerk. Maar ook verder heeft hij zich niet onbetuigd gelaten: in zijn latere werk geeft hij vaak biografische informatie, bijvoorbeeld in het Woord vooraf in zijn Koude rillingen over de rug van Charles Darwin (1981), De kop van de Bromvlieg (2001), Geen toeval (1996), Op het scherp van de snede, waarvan de ondertitel veelzeggend luidt: Memoires van een gewraakt schrijver (2013). Ook is hij als fenomenoloog –  een wetenschapsman dus voor wie het subjectieve nadrukkelijk medebepalend is voor de resultaten van het onderzoek – nooit geheel afwezig in zijn werk.

Hub Zwart leest Metabletica van Jan Hendrik van den Berg. Foto RD, Henk Visscher

Jan Hendrik van den Berg heeft bijna een volle eeuw geleefd: hij werd in 1914 in Deventer geboren en overleed in 2012 in Gorinchem. Hij groeide ook op in Deventer, als jongste van twee broers. Het landschap van zijn jeugdige ontdekkingstochten was een waterwingebied dat hij als een ‘dorado’ beleefde. Hij raakte verrukt van de natuur, ontwikkelde een grote liefde voor insecten, en raakte gefascineerd door het wonderbaarlijke van de natuurlijke historiën. Ook zijn moeder was een natuurliefhebster die tevens graag literaire boeken las, zoals de Max Havelaar en Woutertje Pieterse. Zijn vader was natuurwetenschappelijk geïnteresseerd en nam hem mee naar kloosters. Hij leek uiterlijk het meest op zijn moeder.

Het milieu waarin hij opgroeide kan getypeerd worden als idealistisch en sociaaldemocratisch met veel aandacht voor verheven cultuur. Er was begrip en aandacht voor een enigszins christelijke spiritualiteit, zonder dat de ouders naar de kerk gingen. Ze waren beiden wel van Nederlands-Hervormde afkomst. Er was geen bezwaar tegen de kerkgang waarvoor de jonge Van den Berg soms koos. Hij werd bekoord door de stilte, het ritueel en de mystiek, en ook door de kerkelijke aandacht voor het woord.

Om zijn studie geneeskunde (1936-1946) te bekostigen wordt hij wiskundeleraar. Over zijn studie schrijft Hub Zwart (Boude bewoordingen, p. 18): “Bij zijn eerste kennismaking met de geneeskunde wordt hij vooral getroffen door het romantisch-mysterieuze aspect ervan: het mysterie van het leven, de eerbied voor het lijk in de snijzaal, de highlights uit de geschiedenis van het vak.” Maar het klinische werk ligt hem minder – hij vindt het fysieke contact onprettig, vooral met vrouwelijke patiënten – en hij kiest voor psychiatrie. Zijn leermeester wordt de fenomenologische psychiater Henricus Cornelis Rümke – in zijn tijd een internationaal vermaard man –  bij wie hij ook in 1946 promoveert op het proefschrift: De betekenis van de phaenomenologische of existentiële anthropologie in de psychiatrie. Van den Berg begon een psychotherapeutische praktijk in Utrecht, trouwde en kreeg vier kinderen.

Rümke was een psychiater die aandacht had voor spiritualiteit en geloof, iemand die de stelling van Freud – ‘geloof is een ontwikkelingsstoornis’ – omdraaide: hij beschouwde juist ‘ongeloof’ als een stoornis (Karakter en aanleg in verband met het ongeloof. Psychologie van het ongeloof, 1939). Deze aandacht is voor Van den Berg niet zonder betekenis geweest. In zijn Metabletica wijst hij erop dat ten tijde van Freud de seksualiteit onderdrukt was en de spiritualiteit bloeide, maar dat in zijn tijd (dat is de tijd waarin Van den Berg schreef: tweede helft van de twintigste eeuw) juist de spiritualiteit het kind van de rekening was: zijn patiënten hadden veelal een bloeiend seksleven, maar een gevoel van geestelijke leegheid, ongerichtheid en onvervuldheid vormde voor hen een permanente kwelling.

In de jaren na de oorlog legt hij ook veel internationale contacten: Henri Ey, Jean Wahl, Jacques Lacan, Gaston Bachelard, Martin Heidegger.

In 1949 wordt hij geroyeerd als lid van het Psychoanalytische Genootschap omdat hij het bestaan van het onbewuste ontkend zou hebben, in 1951 wordt hij hoogleraar Pastorale Psychologie aan de Theologische Faculteit te Utrecht, in 1954 wordt hij hoogleraar Fenomenologische Methoden en Conflictpsychologie te Leiden.

In 1956 publiceert hij het boek Metabletica waarvan 26 drukken verschenen en 80.000 exemplaren werden verkocht. Er verschenen vele vertalingen van het boek. Het succes drukte een groot stempel op zijn verdere levensloop.

Zijn eerste metabletische ervaringen had hij overigens al veel eerder. Hij had in zijn jonge jaren een boek van Adolf Meyer uit 1936 gelezen die samenhang zag tussen de ontdekking van de bloedsomloop en het ontstaan van de barok. En een tweede ervaring: toen hij na de oorlog een poos in Frankrijk was, begreep hij de Franse psychiatrie niet. Op advies van een collega ging hij Franse belletrie lezen. Pas toen begreep hij dat de Franse cultuur gericht was op waarnemen, en dat de centrale psychiatrische categorie de hallucinatie was. De Duitse cultuur daarentegen is een denkcultuur en de corresponderende psychiatrische categorie is daar niet de hallucinatie, maar de waan.

Eersteling Metabletica bleek bepaald geen eenling te zijn; het was het begin van een reusachtig intellectueel project. Er volgde in de jaren vijftig en zestig een grote reeks metabletische publicaties, die allemaal graag gelezen en veel verkocht werden, maar die hem geen waardering in de Nederlandse wetenschappelijke wereld opleverden. Internationale waardering ondervond hij soms wel: in Amerika, Engeland, Canada, Japan, Zuid-Afrika.

In 1969 verscheen Medische macht en medische ethiek, een regelrechte bestseller, een boek dat ook serieuze invloed had op de ontwikkeling van het medisch-ethisch denken in een tijd waarin het medisch kunnen enorm toenam. Maar het was ook een provocerend boek, omdat het actieve levensbeëindiging als serieuze mogelijkheid noemde in die gevallen waarin de medische macht in de positie was geraakt om een – volgens Van den Berg – mensonwaardig leven in stand te houden.

Begin jaren zeventig treedt een keerpunt op: zijn geschriften worden maatschappijkritisch en hij raakt regelrecht in conflict met zijn tijd over de bezoeken die hij aan Zuid-Afrika brengt, een land  dat, zoals bekend, in die tijd een apartheidsregime kent. Hij weigert apartheid te veroordelen, en doet uitlatingen die getuigen van racisme en van een opvatting die later ‘witte (of blanke) suprematie’ zou worden genoemd.

Hooligans

Zijn metabletische werk wordt na dit keerpunt steeds actualiteitskritischer, zoals uit De reflex, Metabletica van de materie en Gedane Zaken blijkt. De belangrijkste voorbeelden hiervan zijn Hooligans – een metabletisch onderzoek naar oorsprong en verspreiding van het verschijnsel anarchisme – en een nakomende maar bijbehorende publicatie: Pest, Syphilis, Aids. In deze boeken uit hij zich soms onomwonden reactionair en in laatstgenoemde publicatie zelfs racistisch.

In de jaren vijftig vervreemdde hij zich dus van zijn vakgenoten; in de zeventiger en tachtiger jaren vervreemdde hij zich van het grote publiek door zich tegen het toen heersende radicaal-linkse intellectuele – soms zelfs regelrecht marxistische – klimaat te verzetten, en zich als conservatief te profileren.

Na deze periode keert hij terug – hij is dan inmiddels met emeritaat – naar zijn liefde voor de natuur met het boek Koude rillingen over de rug van Charles Darwin. Er volgt ook nog een klassiek-metabletische studie met Metabletica van God. En hij schrijft een aantal kleinere beschouwelijke boeken. De toon is dan een stuk serener, en de stijl minder gespannen, bezwerend en overredend.

Koude rillingen over de rug van Charles Darwin

Hub Zwart wijst erop (Boude bewoordingen, p.24-25) dat onbehagen in wezen aan al zijn metabletische publicaties ten grondslag ligt:

Voor al zijn metabletisch onderzoek geldt dat onbehagen in de actualiteit het vertrekpunt vormt en tot historisch onderzoek inspireert. Zoals onvrede met de actuele geneeskunde aanzette tot een onderzoek naar de geschiedenis van het vakgebied, dat zich uitstrekte van Mundinus (±1300) tot en met Röntgen (± 1900), zo zet onvrede met de actuele onderwijspolitiek aan tot een onderzoek naar de geschiedenis van het anarchisme, dat zich uitstrekt van de Franse Revolutie tot en met de Baader-Meinhof Gruppe.

Hub Zwart onderscheidt ten slotte vier fasen in het schrijverschap van Van den Berg:

  1. 1946-1956 – psychologische en psychiatrische teksten die een fenomenologische sfeer ademen;
  2. 1956-1971 – idem, maar daarnaast publiceert hij een aanzienlijk aantal metabletische teksten;
  3. 1971-1991 – metabletische studies met een geprononceerd maatschappijkritische inzet;
  4. 1991-2012 – metabletische teksten waaruit de maatschappijkritiek goeddeels is verdwenen en miniaturen.

In alle perioden is Van den Berg een schrijver die je puur voor je genoegen kunt lezen, die altijd glashelder is, die ongelooflijk veel weet, die origineel is en soms verrassende inzichten heeft.

Hub Zwart vertelt dat Van den Berg ooit voor de P.C. Hooftprijs in aanmerking leek te komen, maar dat zijn unzeitgemäße en een enkele keer ook regelrecht afstotende maatschappijkritische opvattingen een te grote belemmering hebben gevormd om hem voor te dragen.

In 2012 overleed hij op hoge leeftijd. Hij vond dat hij een prachtig leven had gehad.

Uitgelicht bericht

1. JHvdB – Jan Hendrik van den Berg: wegbereider van een radicaal conservatisme

Dit is de eerste aflevering van een reeks beschouwingen die ik de komende weken op mijn website zal publiceren. De bronnen die ik vooraf heb verzameld en gelezen, publiceer ik gelijktijdig als elfde slotbijdrage. Navigatie tussen de bijdragen kan plaatsvinden met behulp van het navolgende overzicht. Dat kan uiteraard pas nadat de betreffende afleveringen zijn geplaatst en de hyperlinks onder “(link)” zijn aangebracht.

  1. JHvdB – Jan Hendrik van den Berg: wegbereider van een radicaal conservatisme
  2. JHvdB – Beknopte biografie van Jan Hendrik van den Berg (link)
  3. JHvdB – Leermeester Rümke en de Utrechtse School (link)
  4. JHvdB – Internationale contacten: Heidegger, Lacan, Bachelard (link)
  5. JHvdB – Opkomst en ondergang van een echte schrijver (link)
  6. JHvdB – Geestdrift en wetenschap: de betekenis van de roes (link)
  7. JHvdB – Metabletica – een vorm van historische fenomenologie (link)
  8. JHvdB – Rebellie: euthanasie, apartheid, racisme, christendom (link)
  9. JHvdB – Paradoxaal conservatisme (link)
  10. JHvdB – Slotbeschouwing (link)
  11. JHvdB – Bronnen (link)
Jan Hendrik van den Berg. Foto: Wim van Vossen sr.

In 2019, op een zaterdag in juni, organiseerde Henk Jan Prosman – een PKN-predikant met radicaal-conservatieve opvattingen – een boekpresentatie en een debat in een voormalige synagoge in Gouda. Onderwerp van de bijeenkomst was: Het christendom en het einde van Europa. Voor het debat waren ook Bart Jan Spruyt, medeoprichter van de conservatieve Edmund Burke-stichting, en Thierry Baudet, oprichter en partijleider van Forum voor Democratie, uitgenodigd. Prosman presenteerde er zijn vertaling van een boek van Douglas Murray: Het opmerkelijke einde van Europa. Immigratie, identiteit en islam.

V.l.n.r.: Thierry Baudet, Bart Jan Spruyt en Henk Jan Prosman – Gouda. Copyright foto: Reformatorisch Dagblad

Deze kleine maar drukbezochte bijeenkomst was typerend voor het radicale conservatisme dat ruwweg sinds de Fortuyn-revolte het publieke debat in Nederland domineert: een besef dat de eigen beschaving teloorgaat, het idee dat de islam onverenigbaar is met Westerse waarden, de overtuiging dat er zoiets onwenselijks als ‘massa-immigratie’ plaatsvindt, een ambivalente houding jegens het christendom (mooie woorden zonder commitment), een utopische, bijna eschatologische voorstelling van het heil dat het conservatisme zal brengen, bittere afkeer van alles wat links-liberaal is  (‘cultuurmarxisme’), verwerping van nauwere samenwerking binnen Europa, scepsis over multilaterale verbanden in de buitenlandse politiek, geestdrift voor een patriottisch nationalisme, bagatellisering van het vrijheidsbenemende streven van autoritaire regimes, een gerichtheid op de eigen blanke identiteit.

De Franse Revolutie vertegenwoordigt in deze sfeer de zondeval: Vrijheid is losbandigheid, Gelijkheid de grote boosdoener, Broederschap het kind van de rekening. De studentenopstand van 1968 toont de doorwerking van het kwaad dat in 1789 voet aan de grond kreeg.

Baudet had Spruyt in een ver verleden ooit ‘Johannes’ genoemd, een verwijzing naar Johannes de Doper, wegbereider van Jezus van Nazareth, de Messias. Tijdens dat symposium haalde Spruyt die Johannes-verwijzing aan, en hij stelde Baudet bijna dezelfde vraag die Johannes de Doper ooit aan Jezus had gesteld: “Ben jij Thierry, degene die komen zou, of verwachten wij een ander?” Spruyt vroeg zich af of Baudet de man was bij wie het conservatieve gedachtegoed van Bolkestein en Fortuyn in goede handen was en of hij er politiek resultaat mee zou boeken.

Baudets typering van Spruyt als heraut van het radicale conservatisme was niet helemaal uit de lucht gegrepen. Spruyt ijvert al vrij lang voor een herwaardering van het conservatieve gedachtegoed. Dit gedachtegoed krijgt in zijn handen vaak een revolutionaire strekking. De medeoprichter van de Burke-stichting was tevens betrokken bij de oprichting van de PVV, heeft een tijdlang als Wilders’ medewerker gefungeerd, maar raakte teleurgesteld in diens koers. Vervolgens vestigde hij zijn hoop op Baudet, in wie hij inmiddels ook wel teleurgesteld zal zijn. Who’s next?

Toch denk ik dat de echte heraut van deze radicaal-conservatieve ontwikkelingen niet Bart Jan Spruyt is. De ware wegbereider in Nederland lijkt me de metableticus, filosoof en zenuwarts Jan Hendrik van den Berg (1914-2012), auteur van een groot, leesbaar en in sommige opzichten interessant oeuvre, maar ook een auteur die wetenschappelijke dwaalwegen bewandelde, en in een later stadium van zijn ontwikkeling soms een bitter, racistisch, agressief en christelijk getoonzet conservatisme uitdroeg.

Van den Berg bleek in zijn nadagen ook een zekere waardering voor het optreden en de verschijning van Pim Fortuyn te hebben, een politicus immers die zich kleedde als een heer, die voornaam woonde, die de gave van het woord bezat, die graag poseerde als hoeder van vergeten waarden, de man ook die ons kwam verlossen van een doorgeslagen egaliteitsdenken.

Metabletica

Tegelijkertijd schuilt er iets merkwaardigs in het feit dat Van den Berg niet zag dat Pim Fortuyn eigenlijk een intellectuele ‘hooligan’ was – een woord dat Van den Berg graag gebruikte om daarmee moderne revolutionaire dwaallichten te typeren. Fortuyn was namelijk een man met een hedonistische en adolescente levensstijl, iemand die moeiteloos zwenkte van een marxistische naar een radicaal-conservatieve koers, iemand die niet schroomde om de betrekkelijk gematigde kabinetten-Kok de ‘puinhopen van Paars’ aan te wrijven, iemand die lachend over zijn darkroom-avonturen met Marokkaanse jongetjes vertelde. Dit raadsel zal later uitgebreider aan de orde zal komen, maar een tipje van de sluier kan al wel worden opgelicht: Van den Berg zwom ook zelf graag in tegen het tij, was eveneens een provocateur, was in zekere zin ook een hemelbestormer, iemand die zijn best deed om met zijn boeken heel te maken wat kapot dreigde te gaan.

Van den Berg was in de jaren vijftig en de vroege jaren zestig van de twintigste eeuw een schrijver van naam, een originele hoogleraar die boeken schreef die in veel talen vertaald werden. Zijn bekendste werk is Metabletica. Leer der veranderingen (1956), een vorm van historische fenomenologie. Daarop volgden een groot aantal ‘metabletische’ publicaties. Vakgenoten bekeken zijn groeiende reputatie van meet af aan met reserve of regelrechte vijandigheid.

Medische macht en medische ethiek

Van den Berg was weliswaar een heer van stand, een man van de wetenschap, maar hij ontpopte zich gaandeweg ook als een intellectuele rebel, een agressieve cultuurcriticus. Deze wending kwam op den duur zijn reputatie niet ten goede.

Van den Berg was de eerste die al heel vroeg openlijk voor euthanasie pleitte door middel van een kleine publicatie: Medische macht en medische ethiek (1969). Hij geloofde in de superioriteit van de cultuur die zich in Europa had ontwikkeld, en meende dat de raciale constitutie van andere volkeren hen minder geschikt maakte om dezelfde hoogten zelfstandig te bereiken. Hij meende ook dat de verwerping van de christelijke erfenis de mensen blind maakte voor de synchroniciteitsgedachte die hij vurig bepleitte, de gedachte dat er iets planmatigs schuilt in het samen optreden van ongelijksoortige gebeurtenissen, waardoor zich scharniermomenten in de menselijke geschiedenis openbaren. Hij betreurde de democratische ontwikkelingen aan de universiteiten en geloofde in een op gezag en talent gebaseerde hiërarchische ordening van instituties. En hij raakte bitter gestemd door de tegenwerking die hij ondervond, of meende te ondervinden.

Als onbekende Wikipedia-schrijver heb je soms meer invloed dan je zelf beseft. In 2008 (her)schreef ik onder het van Kurt Tucholsky geleende pseudoniem Theobald Tiger delen van het Wikipedia-artikel Jan Hendrik van den Berg. Ik typeerde daarin Van den Bergs metabletische geschriften als volgt:

“De kern van zijn leer is dat gelijktijdig optredende ongelijksoortige verschijnselen, in samenhang beschouwd, licht kunnen werpen op het menselijk bestaan en de geschiedenis.”

Deze zin is letterlijk overgenomen op een gedenkplaat die op 12 juni 2014 werd aangebracht bij het drinkwaterpompstation in het Nieuwe Plantsoen aan de Ceintuurbaan te Deventer ter gelegenheid van het feit dat Van den Berg op 11 juni 1914 geboren was.

(Hier voeg ik het grootste deel van de bettreffende zin aan het Wikipedia-artikel toe. En hier voeg ik er ten slotte nog de bepaling ‘in samenhang beschouwd’ aan toe.)

Op deze website hoop ik de komende weken zo nu en dan een bijdrage te plaatsen over deze zo interessante, maar bijna geheel vergeten schrijver, over zijn ontwikkelingsgang, denkbeelden en ontsporingen, in de hoop wat meer licht te werpen op het radicaal-conservatieve verschijnsel dat overal om ons heen in wisselende gedaanten en intensiteiten zichtbaar is.

Daarbij zal ik proberen ook enige aandacht te schenken aan de paradoxen van het huidige conservatisme, overigens zonder de pretentie te voeren daarmee iets nieuws te zeggen. Mijn bronnen verantwoord ik in de slotbijdrage. Die bronnen heb ik uiteraard vooraf verzameld en gelezen. Ik publiceer ze daarom gelijktijdig met deze introductie op mijn website.

Uitgelicht bericht

De ontmythologisering van Spinoza

De avond voordat Ayaan Hirsi Ali naar Amerika vertrok, begaf zij zich met een paar vriendinnen naar het Spinozahuis in Rijnsburg, een museumpje met gereconstrueerde bibliotheek. Dat was de plaats waar de uit de Amsterdamse joodse gemeenschap verbannen Benedictus de Spinoza op 23-jarige leeftijd onderdak kreeg om er ongehinderd te kunnen filosoferen. En hij sleep er microscooplenzen om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien.

Hirsi Ali, die in Somalië als moslima was opgegroeid, had zich in Nederland ontwikkeld tot een militante atheïste. In het Spinozahuisje dronk ze op die bewuste avond in 2006 met haar vriendinnen een fles champagne leeg ter nagedachtenis aan de filosoof die de gruwel van het geloof in een transcendente God de genadeslag had toegebracht.

In datzelfde jaar werd Benedictus de Spinoza opgenomen in de Canon van Nederland, een initiatief van de overheid om de kern van de Nederlandse geschiedenis samen te vatten in een aantal ‘vensters’.

Vijf jaar eerder, in 2001, had de Britse historicus Jonathan Israel, gelauwerd schrijver over de Nederlandse 17e eeuw en geharnast strijder voor een verlichtingsidee waarin geen plaats bestaat voor religie, Spinoza uitgeroepen tot de kernfilosoof van de Radicale Verlichting.

De belangstelling voor Spinoza’s persoon en verdiensten is van betrekkelijk recente datum. Volgens hoogleraar wetenschapsgeschiedenis Wiep van Bunge had Spinoza in zijn eigen tijd –  de 17e eeuw – wel een zekere renommée, maar de belangstelling verflauwde in de eeuwen daarna. Pas in de 19e eeuw kwam deze weer op gang, en ze is pas werkelijk groot geworden in onze tijd.

Spinoza’s bekendste werken zijn de Tractatus theologico-politicus en de Ethica. Hij schreef in het Latijn. Het Theologisch-politiek traktaat is een verhandeling waarin Spinoza de ideale verhouding tussen godsdienst en samenleving beschreef. De Ethica is een streng opgebouwd moraalfilosofisch werk waarin hij een levensleer ontvouwde.

Spinoza stelt God en de Natuur (of ‘de Natuurlijke Orde’) aan elkaar gelijk. Zijn godsbeeld is onpersoonlijk en immanent: God valt samen met, en bevindt zich dus niet boven of buiten de voor ons kenbare werkelijkheid, en God bezit geen persoonlijke, mensgelijkvormige eigenschappen.

Het was Spinoza’s doel om filosofie en theologie zo strikt mogelijk te scheiden: de godsdienstige veelkleurigheid, en met name de felle en militante twisten die tussen de godsdienstige groeperingen in zijn tijd werden gevoerd, baarden hem zorgen, ook met het oog op de stabiliteit van de jonge Republiek. Stabiliteit was in Spinoza’s optiek hoognodig om zich ongestoord aan de filosofie, de beschouwing van God of de Natuurlijke Orde, te kunnen wijden.

Een dubbele ontmythologisering

Victor Kal

In 2020 verscheen het boek van de Amsterdamse filosoof Victor Kal (1951): De list van Spinoza, de grote gelijkschakeling. Dit boek kan zonder overdrijving unzeitgemäß worden genoemd: het is een boek dat wijdverbreide en moderne ideeën over Spinoza weerlegt, er wordt een moderne mythe onttakeld.

Spinoza, de dwarse denker die zich niet wilde onderwerpen aan het joodse ritueel, die elke transcendentie loochende, die de joodse en christelijke riten en mythen minachtend beschouwde als een goedkope truc, uitsluitend geschikt om het domme volk in toom te houden, blijkt in onze tijd ook zelf te zijn getransformeerd tot een droom, een verhaal dat eigentijdse zelfbeelden schraagt, een verhaal ook dat niet onvatbaar blijkt te zijn voor ernstige misvattingen. Het boek van Kal is aan de bestrijding van die misvattingen gewijd.

Friedrich Nietzsche

Het drama van Nietzsche – de dood van God – is in zekere zin ook het drama van Kal, alleen werkt hij de andere kant op. Kal beschrijft het drama met een zekere luchtigheid en didactische kalmte, al schemert een echte ongerustheid door zijn woorden heen. Beiden brengen het drama in beeld dat met de bijna onzichtbaar-wording van het christendom in de westerse wereld begon: Nietzsche het gemis, Kal de noodzaak van een verhouding tot een transcendente oorsprong die ons besef van vrijheid hernieuwt en die onze morele ernst schraagt.

Het bijzondere is dat de door Kal uitgevoerde demythologisering plaatsvindt op het moment dat de demythologisering van het christendom lijkt te zijn voltooid. Het christendom heeft in zijn protestantse gedaanten de meeste riten en mythen geëlimineerd en vervangen door preek en moraal, en wordt in zijn katholieke en oosterse gedaanten door moderne mensen een beetje kinderlijk en sprookjesachtig gevonden. Gerard Reve beschrijft in Moeder en Zoon – de roman die zijn bekeringsgeschiedenis vertelt – hoe hij zich doodschaamde toen hij toetrad tot de Rooms-katholieke kerk.

Kal is een filosoof. Hij is geen zendeling of theoloog, er is geen godsdienst die wordt voorgetrokken. Wel meent hij dat het monotheïstisch uitgangspunt er wezenlijk toe doet. Hij is van mening dat een transcendent oriëntatiepunt waartoe de mensen zich in rite en met een bepaalde taal verhouden, van belang is om bewuste en vrije mensen te blijven die zich niet laten gelijkschakelen door een leider die hen met een ideologisch of pseudoreligieus ideaal verleidt en manipuleert – en dit is exact het programma van Spinoza waartegen Kal zich in zijn boek verzet.

Spinoza heeft zich sinds de jaren zestig van de twintigste eeuw gaandeweg ontwikkeld tot een seculiere heilige, iemand die de wereld heeft ontdaan van goddelijke bemoeienis, met als gevolg dat veel moderne verworvenheden, zoals materialistische verklaringen voor verschijnselen, democratie, mensenrechten, tolerantie, gelijkheid en vrijheid van meningsuiting konden bloeien.

Spinozahuis in Rijnsburg

Victor Kal is er niet van overtuigd dat al die mooie dingen daadwerkelijk uit Spinoza’s filosofie voortvloeien. Hij beschouwt Spinoza als een filosoof die elke vorm van aanraking met het goddelijke probeert te dwarsbomen, die het volk minacht, die premodern is, die antiliberaal is, die onbewust een aantal grondslagen heeft gelegd voor de fascistische ontaarding van de democratie.

Gelijkschakeling

Het begrip ‘gelijkschakeling’ is een kernbegrip van het boek, en daarom ook opgenomen in de ondertitel. Gleichschaltung heeft een zeer beladen betekenis. In 1933 zorgt Hitler met een reeks wetten dat er op elk gebied een einde komt aan de scheiding der machten en aan de vrijheid zich naar eigen smaak en opvatting te ontwikkelen. Maar de onbewuste bereidheid zich te laten gelijkschakelen, de mens die zijn vrijheid vrijwillig en ‘democratisch’ afstaat, is volgens Kal minstens zo belangrijk.

Het is het vermogen van een Leider om de wil van het volk met een ideologische of religieuze mythe te belichamen, om het volk te verleiden, en de neiging van een volk om zich door zo’n Leider bij de neus te laten nemen, het vermogen ook van zo’n Leider om de kwalijke gevolgen van de vervolgens onvermijdelijk optredende volksinvloed te ‘neutraliseren’, die de kern vormen van wat Kal de list van Spinoza noemt.

De moderne liberale samenleving verwacht iets van mensen, heeft vertrouwen in ze. Mensen worden niet gereduceerd tot hun levensgeschiedenis of afkomst. Vrijheid is hiervoor essentieel, en deze betekent ‘openheid’ en de mogelijkheid tot oorspronkelijkheid. Hiertoe creëert een liberale staat speelruimte voor de burgers, een speelruimte waarin pluriformiteit bestaat en tot bloei kan komen. Deze speelruimte is ook gestoeld op de hoop dat de individualistische burger verantwoordelijkheid op zich neemt.

Spinoza heeft niet een dergelijke speelruimte op het oog. Bij hem ligt het zwaartepunt bij het machtsregime, omdat zijn theologisch-politieke overwegingen uitgaan van een diep wantrouwen in het volk, en eigenlijk ook van diep wantrouwen in de elite. De speelruimte van die elite wordt alleen toegestaan in zoverre deze elite het machtsregime niet ondermijnt.

Spinoza-standbeeld in Den Haag (noem je een zittend beeld eigenlijk ook een ‘standbeeld’?)

Dit is ook de reden waarom Kal Spinoza op verschillende plaatsen een wegbereider van het ‘fascisme’ noemt, al is ‘fascisme’ op zichzelf genomen natuurlijk een anachronisme, en al blijkt uit de naïviteit van Spinoza’s theologisch-politieke beschouwingen dat hij dat zelf geenszins besefte.

Kal noemt Spinoza daarom premodern en vindt hem bepaald geen wegbereider van het modernisme.

Victor Kal en de secularisering van de religie

Victor Kal is als docent filosofie verbonden aan de Universiteit van Amsterdam. Voor Kal is het moderne vrijheidsbegrip belangrijk: geestelijk vrij zijn, geen slaaf zijn van een massabeweging, ondermaans bestel, materiële zaak of enige vorm van dwang.

Het gevoel of het besef van die vrijheid noemt Kal charme, betovering of openbaring, een geestestoestand die als kenmerken ook verwondering en verlangen heeft. Heel belangrijk is dat die betovering niet is voorbehouden aan mensen die zich met zoveel woorden godsdienstig of religieus noemen. Ook mensen die zichzelf niet-religieus noemen kennen die betovering en kennen die vrijheid.

Betovering maakt mensen dus religieus, ongeacht of ze dat erkennen. Om die reden spreekt Kal niet over de secularisering van de maatschappij, maar over de secularisering van de religie. De religiositeit verdwijnt niet als de uiterlijke vormen van de godsdienst verdwijnen, maar deze wordt onzichtbaar, en daarmee wordt religiositeit onbewust en onbegrepen. En met de secularisering van de religie verdwijnt een gemeenschappelijke taal om erover te spreken. Op dit punt is er verwantschap tussen het denken van Kal en het denken van de reformatorische wijsbegeerte: hoe een mens ook in het leven staat, er is steeds een religieus grondmotief werkzaam.

De betovering brengt idealiter een opdracht met zich mee, de realisering van de vrijheid, en deze wordt in ernst en in verantwoordelijkheid aanvaard. De aanvaarde opdracht is voor iedereen anders en hangt uiteraard ook helemaal van de individuele historische context en de eigen aanleg af.

In een interview in Wapenveld uit 2003 wijst Kal erop dat de individualiteit van de moderne mens flinterdun is geworden. Mensen zonder wortels, zegt Kal, zijn een potentiële prooi van ideologieën.

Voor de instandhouding van de vrijheid en de geestelijke onafhankelijkheid die daarvoor van belang is, als anker voor de morele verantwoordelijkheid en de morele ernst, is het belangrijk om zich te verhouden tot een transcendente, buiten onze wereld gesitueerde instantie.

Kal vestigt daarom vaak de aandacht op de betekenis van de rite, de liturgie, de vaste gewoonten die elke godsdienst kent, en op een gemeenschappelijke taal om over de transcendentie te spreken. Deelname aan de rite is een ‘voorbereidend handelen’ dat een mens in staat stelt te ontdekken waarheen zijn vrijheid hem zou kunnen of zou moeten voeren. Deze deelname stelt een mens ook in staat om stand te houden tegen de druk van materiële en geestelijke modes, tegen de machtsontplooiing door internationaal opererend kapitaal, tegen de massamedia, tegen de kracht van de gelijkschakeling, de collectieve geestdrift die vaak vooraf gaat aan ideologische slavernij.

Hoe werkt de list van Spinoza

Ernst Nolte – Daniel Janin/Agence France-Presse — Getty Images

Volgens de fascisme-kenner Ernst Nolte – later omstreden geraakt door zijn vermeende ‘Verharmlosung’ van de Holocaust, die hem werd aangewreven omdat hij de misdadigheid van nazisme en communisme met elkaar vergelijkbaar achtte, en bovendien ook wederzijds door elkaar beïnvloed – is het onzichtbare fundament van het fascisme de ‘Widerstand gegen die Tranzendenz’. Het doel van De list van Spinoza is om deze fundamentele gedachte van Nolte uit te werken.

Spinoza elimineert eerst elke vorm van transcendentie door God te laten samenvallen met de Natuurlijke Orde. Over die Natuurlijke Orde hebben de filosofen, en in de eeuwen daarna de wetenschappers, het voor het zeggen. Vervolgens schept hij een ‘ware religie’ waarover de machthebbers het voor het zeggen hebben, niet omdat ze veel vertrouwen hebben in de religieuze voorstellingen, maar omdat het nuttig is om het onstandvastige en wufte volk in dociele gehoorzaamheid te houden aan een publieke moraal die rust en orde en gemeenschappelijkheid zal garanderen.

Allereerst maakt Spinoza daarom een scherp onderscheid tussen filosofie en religie. Het doel van zijn traktaat is dat die twee nooit meer door elkaar worden gehaald. De ontwarring maakt het mogelijk om met het oog op de rust in de samenleving de ‘ware religie’ in te zetten. Daarom staat in religieus opzicht niet ‘de vrijheid om te filosoferen’, maar ‘de gehoorzaamheid’ centraal.

Gehoorzaamheid is het grote doel waar het hele project om draait. Het slaken van de kluisters van onwetendheid en loze begeerten waarin het volk onherroepelijk vastzit, is niet Spinoza’s doel. Spinoza’s traktaat is volstrekt geen emancipatoir project (Kal, p.29).

Het hele project van Spinoza betreft daarom geen vooruitlopen op de moderniteit, maar het is onomwonden en uitgesproken conservatief: “Het is Spinoza’s diepste wens het volk veilig opgesloten te zien binnen de eenvoudige vroomheid die hij voor het eenvoudige volk geschikt acht” (Kal, p. 31).

Kal wijst erop dat het pantheïstische credo van Spinoza – Deus sive natura (God oftewel de natuur) – door Nietzsche spottend vervangen wordt door Chaos sive natura. Dat is niet onbegrijpelijk, zegt Kal:

“Wanneer het erop aankomt te ontdekken wat voor leven je moet leiden, dan helpt inzicht in wat in de natuur onontkoombaar is de mens immers geen zier. Blijft over dat je je in opperste ernst op jezelf oriënteert.” (Kal, p.34)

Spinoza – Het doel van de staat is vrijheid

De transcendentie die Spinoza afwijst keert in de ‘ware religie’ toch weer schoorvoetend terug. Spinoza moet ook wel, want het volk beschikt immers niet over de rede. Maar in het domein van de theologie gelden uiteraard veel onbenulligere regels dan in de filosofie. De transcendentie kan bovendien door het machtsregime weer worden geneutraliseerd, zodat de maatschappelijke rust die het doel is van de religieuze schijngestalten die de ‘ware religie’ vormen, wordt gegarandeerd.

Afkeer van wat hij om zich heen waarnam is Spinoza’s leidraad. De Hollandse eigenzinnigheid reduceert Spinoza tot obscurantisme, de pluriformiteit die hij aantreft tot sektarisme: “In feite besluit hij heel deze ‘ moderniteit’ in de kiem te smoren.” (Kal, p.52)

Een transcendente God is de kern van de religie. Ook voor Spinoza. Maar waarde heeft zo’n transcendente God in Spinoza’s optiek uiteraard niet. De religie is uitsluitend een instrument in de handen van een machtsregime. De religie is alleen middel om bij een op zich onhandelbaar volk toch iets te bereiken (Kal, p.110).

Spinoza verwerpt alle religieuze vormen:

“Offers en gebeden, of welke praktijk dan ook door middel waarvan de mens zijn God onderhoudt, worden door Spinoza überhaupt niet in aanmerking genomen als serieus te nemen religie.” (Kal, p.119)

Voor zover Spinoza begrijpt wat al deze vormen behelzen, vindt hij ze alleen nuttig als ze het volk tot de vereiste gehoorzaamheid weten te bewegen.

“Tenslotte volgt dat het geloof niet zozeer ware, als wel vrome dogma’s eist, dat wil zeggen, dogma’s die zodanig zijn dat ze het gemoed tot gehoorzaamheid bewegen. Er mogen er best vele onder zijn die geen schijn van waarheid bevatten, als degene die ze aanvaardt maar niet weet dat ze onwaar zijn; anders zou hij noodzakelijk opstandig worden.” (Sp. 328, Kal, p.133)

Kortom: volksbedrog wordt Spinoza’s leidraad. Om het volk bij de les te houden, dient de leider een list te gebruiken. Hij dient het volk te overtuigen van zijn ‘goddelijke kracht’. Daarvoor dienen de bijbelverhalen goed te worden benut. Dat al die oudtestamentische profeten onzin spreken en dat die evangelieverhalen niet waar zijn, is van ondergeschikt belang, zolang het maar in voldoende mate wonderlijk en exotisch is, zolang het primitieve volk er maar door geïmponeerd wordt (Kal, p.158-159).

Deze list is in de moderne context pervers, al gebruiken ook moderne autoritaire leiders dergelijke middelen om een gedesoriënteerd volk in geestdrift samen te brengen voor een groots nationalistisch doel en onder verheerlijking van de grote leider. “Het aardige van Spinoza is dan”, zegt Kal, “dat hij, beter dan wie dan ook, onbevangen zichtbaar maakt hoe deze perversiteit in elkaar zit” (Kal, p. 163).

In deze zin moet ook het bekende Spinoza-citaat Het doel van de staat is de vrijheid (Sp. 427) begrepen worden:

“De geciteerde zin wil zeggen dat de betekenis van de verstandige bevoogding door de staat erin ligt een mens, die dikwijls van geen rede weet, alsnog in te voegen in de orde die de staat voor die mens in petto heeft. Die invoeging bevrijdt een mens ervan overgeleverd te zijn aan de eigen subjectieve willekeur.” (Kal, p. 183)

Slavernij is vrijheid, en democratie is het uit handen geven van individualiteit. Ook de scheiding van kerk en staat kunnen we onmogelijk op Spinoza’s conto zetten:

“Daar het nu van het machtsregime de taak is te bepalen wat voor het heil van het hele volk en voor de veiligheid van dat gezag noodzakelijk is, en op te leggen wat het als noodzakelijk geoordeeld heeft, volgt hieruit dat het ook de taak van niemand anders dan het machtsregime is te bepalen op welke wijze ieder zijn naaste met vroomheid moet koesteren, dat wil zeggen op welke wijze ieder verplicht is God te gehoorzamen” (Sp. 414; Kal, p. 210).

En evenmin is de vrijheid van meningsuiting bij Spinoza in goede handen: hij gaat er blind van uit dat de zeer weinigen die met rede begiftigd zijn en toegang hebben tot begrip van de Natuurlijke Orde niets anders kunnen zeggen dan wat die rede hen influistert.

Ten slotte wijst Kal erop dat de uitwendige riten in het jodendom door Spinoza verkeerd worden geïnterpreteerd als ‘gehoorzaamheid’, terwijl de zin van de rite het ‘voorbereidende handelen’ is. Deze voorbereiding is nu juist gericht op openheid voor “leven, dat wil zeggen inspiratie, identificatie, oriëntatie, inzicht, kortom al datgene wat je jezelf niet moedwillig kunt toe-eigenen” (Kal, p.250).

Besluit

Ger Groot – Het krediet van het credo

In 2006 verschijnt van Ger Groot Het krediet van het credo. Groot is atheïst, maar hij ziet scherp het belang van de rite, het gebed en ‘de godsdienstoefening’ voor de religieuze houding. En ook Groot acht Spinoza’s gelijkstelling van God en natuur dodelijk voor de continuering van de religieuze praktijk (Groot, p.20).

De protestantse neiging om kerkelijk ritueel niet zelden als ‘sleur en bijgeloof’ te verwerpen, wordt impliciet door Kal bekritiseerd. Dit ritueel stelt de gelovige in staat om zich met al zijn twijfels en schuldgevoelens en plannen, in afwezigheid van inhoudelijke godsdienstige bemoeienis, te wenden tot zijn God, buiten het zicht van een ijdele, bedilzuchtige staat. Dat is misschien toch iets moois.

Kal was bepaald niet de eerste met kritiek. De historici Rob Hartmans, Jan Dirk Snel en Wiep van Bunge hadden reeds bezwaren geopperd tegen de overschatting van Spinoza. Van Bunge spreekt van het “onvermogen verschillende intellectuele perspectieven te accommoderen, dat nog wel de meeste twijfel oproept over de geschiktheid van Spinoza als kompas voor de 21e eeuw”. Hartmans spreekt over Jonathan Israel als “een ideoloog die de heilsboodschap van het radicale, seculiere Verlichtingsdenken erin wil rammen.” Jan Dirk Snel heeft het over de ‘betweterij van Spinoza’ die alleen nog interessant is voor ‘dogmatische geesten’.” Maar het lijkt erop dat deze kritiek nauwelijks is doorgedrongen tot het grote publiek.

De list van Spinoza is een zeer leesbaar boek, met overtuigende citaten. Wel recapituleert Kal vrij vaak. Ik veronderstel dat hij een collegereeks omgewerkt heeft tot een boek. Het boek vormt een heilzame correctie op een grotesk vertekend Spinoza-beeld. Dat beeld is uitgegroeid tot een valse mythe waarin elke vorm van godsdienstigheid een bedreiging vormt voor ons zelfbeeld als vrije en mondige individuen.

Geraadpleegde bronnen

Naschrift

In het tijdschrift Soφie verscheen in jaargang 10, nr.6, 2020, p.26-30 een artikel van mijn hand onder de titel De ontmythologisering van Spinoza. Het is een beschouwing n.a.v. het boek De list van Spinoza van Victor Kal. Wie mijn reeks beschouwingen over dat boek op deze website gevolgd heeft – zie hier – zal bepaalde passages wel herkennen. Hierboven ziet u de tekst zoals ik die aangeleverd heb.

De toenmalige redacteur van Sophie – Aart Deddens – heeft de tekst op een bevredigende manier iets bekort. Daarnaast heeft hij een intro, enkele afbeeldingen en enige auteursinformatie toegevoegd. Met de afbeelding van het Spinozahuis werd een kleine vergissing gemaakt: in Sophie werd niet het Spinozahuisje in Rijnsburg, maar het Spinozahuis in Den Haag afgebeeld. Hieronder kunt u het bestand downloaden met het artikel zoals het in Sophie is gepubliceerd.

Soφie is een uitgave van de Stichting voor Christelijke Filosofie.

Victor Kal was zo aardig om hieronder positief te reageren. Hij reageerde op het daadwerkelijk gepubliceerde artikel (waarnaar op dat moment werd gelinkt). Tevens corrigeerde hij mijn foutieve hypothese over de totstandkoming van het boek die werd geopperd in de slotalinea van het Sophie-artikel. Deze reactie kunt u alleen lezen als u de webpagina apart selecteert. Het lukt niet als u browst door de pagina’s van deze website.

Uitgelicht bericht

Kerst – R.S. Thomas

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilderes Mildred Eldridge (1909-1991).

R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).

Een aardig artikel over Thomas’ leven en werk is van de hand van Theodore DalrympleA Man Out of Time.

Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.

In dit gedicht wordt de sereniteit van de kerstviering sterk gecontrasteerd met de hardheid van het gelovige hart. Het gaat hier uiteraard over een Avondmaalsviering waarin het brood dat wordt uitgereikt het lichaam van Christus is (of symboliseert, afhankelijk van de christelijke traditie), en de wijn die wordt rondgedeeld het bloed van Christus.

Het Engelse parish heeft een kerkelijke en een burgerlijke betekenis, net als het Nederlandse woord kerspel. N.a.v. deze prettige twitterdiscussie over vertaalkwesties die spelen bij dit gedicht (dank aan alle deelnemers), heb ik in mijn vertaling het woord ‘parochies’ dat in een Nederlandse context een exclusief kerkelijke betekenis heeft, vervangen door ‘kerspels’. Het nadeel dat ‘kerspel’ minder bekend is dan ‘parochie’ neem ik daarmee voor lief. Het woord ‘kerspel’ spreek je net zo uit als het woord ‘mispel’, met een schwa of stomme e in de laatste lettergreep dus.

Llanbadrig Church on Anglesey waarop een uiterst eenvoudige lantaarn met kerkklok staat.

Het woord lantaarn heeft in dit gedicht een architectonische betekenis: het is de meestal open bekroning van een groter dakelement of koepel waarin soms een klok of carillon is geplaatst. De daklantaarns van de Welshe kerkjes kennen een zeer grote eenvoud. Op bijgaande afbeelding is zo’n uiterst eenvoudige Welshe lantaarn te zien. Ze worden bell-cot of bellcote genoemd.

Het is goed om te bedenken dat het woord ‘lantaarn’ ook betrekking kan hebben op de verfijnde bekroning van de Dom van Florence.

Dit gedicht is opgenomen in de bundel Not That He Brought Flowers (1968).

Vertaling:

Kerst

Een nieuwe morgen;
Tijd brengt die nader,
broos van vorst
en sterrenlicht. Uilen zingen
in de kerspels. Mensen staan op
en lopen naar de stenen kerk-
lantaarns; daar knielen ze,
en eten het nieuwe brood
van de liefde, wat ze wegspoelen
met de scherpe smaak
van bloed dat ze zullen vergieten.

Origineel:

Christmas

There is a morning;
Time brings it nearer,
Brittle with frost
And starlight. The owls sing
In the parishes. The people rise
And walk to the churches’
Stone lanterns, there to kneel
And eat the new bread
Of love, washing it down
With the sharp taste
Of blood they will shed.

Uitgelicht bericht

Kerstkind – R.S. Thomas

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilderes Mildred Eldridge (1909-1991).

R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).

Een aardig artikel over Thomas’ leven en werk is van de hand van Theodore DalrympleA Man Out of Time.

Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.

Dit gedicht komt uit de bundel Experimenting with an Amen uit 1986, en de titel van die bundel suggereert dat hij moeite doet om tot een vorm van geloofsaanvaarding te komen – uitgedrukt met het bekende slotwoord van het gebed, Amen (= zo zal het zijn).

Het stralende kerstkind wordt vergeleken met de stralende maan, en zoals de maan naar beneden straalt vanuit het heelal, zo straalt het kind op een vreemde manier naar het heelal, tussen de wolkenflarden door, als een lamp tussen scherven. Het woord ‘abroad’ betekent hier zowel ‘uitheems’, ‘vreemd’, ‘niet-passend’, ‘misplaatst’, ‘ongerijmd’ als ‘verreikend’, ‘grensoverschrijdend’. Ik heb geprobeerd dit uit te drukken met ‘verdwaald’.

Vertaling

Kerstkind

De maan wordt geboren
en een kind wordt geboren,
gewikkeld in witte lakens
als de maan in de wolken.

Ze stralen allebei, maar
het licht van de één
is verdwaald in het heelal
als tussen scherven van glas.

Origineel:

Nativity

The moon is born
and a child is born,
lying among white clothes
as the moon among clouds.

They both shine, but
the light from the one
is abroad in the universe
as among broken glass.

Uitgelicht bericht

Veluwezoom

Veluwezoom

Om beurten laten takken tonen los.
Geen talkshow, kerk of industrie
zingt antifonen van melancholie
als hier – waar zijn de saters in dit bos?

’t Is bijna Kerst vrijzinnig rendiermos
om steile sparren. Oecumene. Parodie.
Geen vogel zingt in deze liturgie;
een eik knielt neer voor Thanatos.

Zo ga ik zwijgend heen naar waar ik was,
en eigen langzaam toe wat ik verliet.
Met deze winteropbrengst in mijn tas,

bereik ik nu het glooiende verschiet,
waar een orkestje met een contrabas
de inzet speelt van een hermetisch lied.

(Eigen werk)

[Ingrijpend aangepast op 16/17-12-2020]

Uitgelicht bericht

Bedevaartstochten – R.S. Thomas

Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de subtiele schilderes Mildred Eldridge (1909-1991).

Een aardig artikel over Thomas’ leven en werk is van de hand van Theodore DalrympleA Man Out of Time.

Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.

In dit gedicht maakt Thomas zich op voor een ontmoeting met God, een ontmoeting die uit lijkt te blijven, maar paradoxalerwijs toch plaats lijkt te vinden. De setting is vertrouwd: een verlaten eiland, de zee, een door de tijd getekend kerkje. Andere mensen van wie hij zich vervreemd voelt. Een intense stilte, eenzaamheid, twijfel, twijfelend geloof.

Het is een ongebonden vers, voortgestuwd door enjambementen, zinnen die over de versregels heenlopen. Van groot belang is hier het ritme van de zinnen.

Het eiland is Bardsey Island (Welsh: Ynys Enlli), het eindstation van de North Wales Pilgrim’s Way, een eiland dat R.S. Thomas kon zien liggen als hij uitkeek over zee.

Het gedicht is gepubliceerd in de bundel Between Here and Now (1981).

Vertaling:

Voordracht van de vertaling

Bedevaartstochten

Er is een eiland waar je niet naar toe
kunt, alleen met een bootje zoals
vroeger de heiligen, gaande de gang
langs de doodsbange koppen van
hen die reeds lang zijn verdronken, kauwend
op het gruis van zijn stranden. Zo ging
ik de zoutweg op naar het gebouw
met het stenen altaar en de gedoofde
kaarsen, en ik knielde en hief mijn blik
op naar de woedende waterspuwer,
een uiltje dat lijkt op een gekrompen en
wrokkig geworden god. Geen gestalte
is meer te zien in het glas-in-lood
van de hemel. Ben ik te laat?
Waren ze ook te laat, deze
eerste pelgrims? Hij is zo’n snelle
God, ons altijd vooruit, en
steeds weggaand als we komen.
Er zijn er hier ook die
niet gekomen zijn om te bidden, wier
dagelijkse eredienst de eeuwige zee is.
Ze luisteren niet naar gezangen
maar naar de trage chemie van de bodem
die heiligenbeenderen tot stof maakt,
stof die kriebelt in de neusgaten.

Op dit eiland is alles tijdloos.
De slingerbeweging van het tij
kent geen klok: wat gebeurt
heeft dag noch uur. Deze mensen zijn niet
vroeg of laat: ze zijn hier slechts
om die ene vraag te stellen
die het leven beantwoordt door
zich in hen te roeren. Degene die de
vraag stelt ben ik. Was mijn bedevaart
misschien om te komen tot
mezelf, om te beseffen dat op zulke
momenten en voor iemand als ik
God zich nooit klaar en helder
buiten vertoont, maar veeleer duister en
onbegrijpelijk – alsof hij hierbinnen was?

Origineel:

Pilgrimages

There is an island there is no going
to but in a small boat the way
the saints went, travelling the gallery
of the frightened faces of
the long-drowned, munching the gravel
of its beaches. So I have gone
up the salt lane to the building
with the stone altar and the candles
gone out, and kneeled and lifted
my eyes to the furious gargoyle
of the owl that is like a god
gone small and resentful. There
is no body in the stained window
of the sky now. Am I too late?
Were they too late also, those
first pilgrims? He is such a fast
God, always before us and
leaving as we arrive.
There are those here
not given to prayer, whose office
is the blank sea that they say daily.
What they listen to is not
hymns but the slow chemistry of the soil
that turns saints’ bones to dust,
dust to an irritant of the nostril.

There is no time on this island.
The swinging pendulum of the tide
has no clock: the events
are dateless. These people are not
late or soon: they are just
here with only the one question
to ask, which life answers
by being in them. It is I
who ask. Was the pilgrimage
I made to come to my own
self, to learn that in times
like these and for one like me
God will never be plain and
out there, but dark rather and
inexplicable, as though he were in here
?

Uitgelicht bericht

Kaketoes

voor de dichter L.

strakke kuifjes scheefstaand op pratende hoofdjes
rare kaketoes die konterfeitsels kakelen

woedende wenkbrauwen aardbol sprenkelend
met giftige pedagoochempraat

niemand zal ooit meer deftig zijn
niemand zal krakelieren
zoals de zwanen vroeger krakelierden
lyrisch krakelierden
stervend zullen krakelieren
in de kerker van hun hoofd

een twee een twee een twee drie
opgemarcheerd
naar de vette landerijen
onverveerd en vanzelfsprekend
ulieden warm aanbevelend

katers warm als geile broodjes
spinnen op de vensterbank

hoe harder ik schreeuw
hoe naakter de geeuw
van al die krioelende
kraaiende krakelierende kaketoes
en hun onvolkomen
naar de hemel reikende
konterfeitsels

(Eigen werk – Lucebert-pastiche)

Uitgelicht bericht

Kaketoe

Kaketoe

Een schertsvers

Oote, oote, oote boe,
sprak de geelkuifkaketoe.
Niemand die de dichter kent,
want de dichter is een koe.

Toen het spartelend serpent
in haar bedje werd verwend,
zei de dichter zomaar ‘boe’
zonder zuinig sentiment.

Maar de steile kariboe
wordt het grazen nimmer moe.
Dichtend hurkt hij op zijn krent,
schrijvend naar de lezer toe.

Meestal is hij indolent
(Pierre Bourdieu is hem bekend).
Toen vervloekte hij zijn moe;
iedereen was hoogst content.

Driemaal ‘oote’ gaf hij toe,
wordt de lezer misschien moe.
‘Tiefsinn’ is dan wel absent,
Maar toch niet de kaketoe!

(Eigen werk)

Uitgelicht bericht

Victor Kal – De list van Spinoza – 10

Dit is het tiende deel van een beschouwing over het werk van Victor Kal – Slot

  1. Enkele gedachten over het werk van de filosoof Victor Kal (link)
  2. Wie was Spinoza (link)
  3. De Spinoza-receptie in Nederland (link)
  4. Victor Kal en De list van Spinoza (link)
  5. Gelijkschakeling (link)
  6. Kals levensbeschouwelijke positie (link)
  7. Theocratie en Democratie (link)
  8. De rehabilitatie van de schuld (link)
  9. De list van Spinoza (link)
  10. Besluit
  11. Geraadpleegde literatuur (link)

10. Besluit

Klaas Schilder

Ik erger me al heel lang aan mensen die met afgrijzen spreken over het ‘individualisme’ dat om zich heen zou grijpen en elk gemeenschapsleven in de verdrukking duwt. Ik begreep heel lang niet wat mij in die afkeer van individualisme tegenstond, want het is natuurlijk duidelijk dat iemand die alleen aan zichzelf denkt geen waardering verdient. Narcisme en solipsisme zijn ontaardingen, maar – meende ik – ze constitueren het individualisme niet.

De list van Spinoza van Victor Kal heeft me geholpen om meer helderheid te krijgen. De gelijkschakeling waarvan Spinoza’s vernuftige bedenksels getuigen, is het meest voor de hand liggende alternatief voor het individualisme, en het is op dit moment bovendien geenszins denkbeeldig dat zo’n gelijkschakeling zal optreden of plaatsvinden.

De charme, de betovering, het verlangen om iets bijzonders van je leven te maken, om iets met de aan jou gegeven vrijheid te doen, kun je weliswaar individualistisch noemen, maar het is iets dat ik niet wens te verloochenen.

En er is nog iets: ik kom uit een vrijgemaakt-gereformeerd milieu. Ook in deze minizuil vond een gelijkschakeling plaats die enigszins het schema van Spinoza volgde: alle deelnemers droegen hun individualiteit over aan het geheel, en het getrapte vrijgemaakte regime zorgde ervoor dat de juiste opvattingen de enige waren die kans kregen om te worden geuit.

De welhaast vergoddelijkte leiders waren natuurlijk K. Schilder en Piet Jongeling, en het is een geluk geweest dat hun opvolgers – Douma, Kamphuis, enz. – zulke middelmatige figuren waren.

Mijn vorig jaar overleden moeder betreurde het vaak dat ‘het eerste vuur’ dat na de vrijmaking in de harten van de mensen brandde, gedempt werd door het verstrijken van de tijd, maar ik volg haar daarin niet. Ik denk dat het individualisme meer heeft gebracht dan mijn moeder voor mogelijk hield, en ik denk ook dat de vrijgemaakt-gereformeerde gelijkschakeling meer kapot heeft gemaakt dan ze ooit heeft beseft.

Piet Jongeling

Het is uiteraard beter om niet op het zand te blijven kauwen waarin je ooit bent neergedrukt, maar dat betekent niet dat je niet aangenaam getroffen kunt worden door een boek dat licht werpt op wat voor jouzelf een duistere periode was.

Onder militante atheïsten is Spinoza een held die het leven zelf in de schaduw stelt met zijn formidabele geestkracht en zijn schroeiende bijbelkritiek. Ik heb daar altijd mijn bedenkingen bij gehad, omdat het Theologisch-politieke tractaat mij vanaf eerste lezing (jaren ’80) tegenstond. Maar ik wist niet waarom.

Het optreden van populistische en autoritaire bewegingen in een wereld waarin een moreel nihilisme lijkt schuil te gaan achter een façade van legaliteit en fatsoen, maakt mij onrustig. Op dit punt heeft Kal mijn gedachten zeker verhelderd.

Veel van mijn gelovige generatiegenoten met intellectuele belangstelling hebben het christendom verworpen, en een aantal van hen hebben zich ontwikkeld tot militante atheïsten.

Ayaan Hirsi Ali – een bijna archetypische renegaat, fanatieker dan Paulus na zijn Damascus-ervaring, zendeling van het militante ongeloof – meent dat het haar taak is om de Islam tot een reformatie op te roepen. Iets van Spinoza’s minachting voor het domme volk klinkt daarin door. Zelf beschouwt ze de godsdienst als een krankzinnige dwaling – niet voor niets is ze één van de woordvoerders van het New Atheism (met onder anderen Dawkins, Harris, Dennett, Hitchens) – maar het domme volk kan misschien met een enigszins hervormde, afgezwakte vorm van godsdienst nog wel uit de voeten.

Onder conservatieven tref je relatief veel mensen aan die zich ‘cultuurchristen’ noemen, die de inhoud van het christendom afwijzen, die het christendom hoogst onvolwassen achten, of een pueriele projectie, die de rite niet volgen, die het nochtans wel mooi vinden dat het blijft bestaan, die het christendom heel waardevol vinden, maar dan vooral voor anderen. Frits Bolkestein en J.L. Heldring noemde ik in dit verband al.

Dat ‘cultuurchristendom’ is een eigenaardig modern verschijnsel. Ik noem een paar kenmerken: nestgeur, samenbindende retoriek, zwakke innerlijke overtuiging, Mattheus Passion, inspiratieloos, onvrij uit loyaliteit, kathedralen & symbolen, kalmerende morele werking, door de staat bevorderd en gekoesterd. Het heeft duidelijk een paar wezenstrekken die het geschikt maken om te figureren in ‘De list van Spinoza’: het is misschien in onze tijd een hartverwarmende mythe waarmee gedroomde leiders het nostalgische, naar de vleespotten van Egypte hunkerende volk aan zich menen te kunnen binden. En – God zij geloofd en gedankt en geprezen – de transcendentie is effectief geëlimineerd.

Misschien vergis ik me – ik hoop het – maar ik ben er niet zeker van.

Ten slotte ben ik een religieus mens, en het treft me dat Kal zo volhardend de waarde van echte religie, een oriëntatie op het transcendente, beargumenteert in een wereld die er prat op gaat dat ze de religie definitief achter zich heeft gelaten, vaak zonder te beseffen hoe religieus die vol trots beleden areligiositeit is, en zonder te beseffen hoe gemakkelijk oude dwalingen waarvan men meent afstand te hebben gedaan, incognito en met een brutaal lachje opnieuw de politieke arena binnenwandelen.

Uitgelicht bericht

Victor Kal – De list van Spinoza – 9

Dit is het negende deel van een beschouwing over het werk van Victor Kal

  1. Enkele gedachten over het werk van de filosoof Victor Kal (link)
  2. Wie was Spinoza (link)
  3. De Spinoza-receptie in Nederland (link)
  4. Victor Kal en De list van Spinoza (link)
  5. Gelijkschakeling (link)
  6. Kals levensbeschouwelijke positie (link)
  7. Theocratie en Democratie (link)
  8. De rehabilitatie van de schuld (link)
  9. De list van Spinoza
  10. Besluit (link)
  11. Geraadpleegde literatuur (link)

9. De list van Spinoza

Ik begin met vier korte Spinoza-citaten:

“Het volk […] nodig ik niet uit om dit te lezen …” (Sp. 93, Kal, p.64)

“[…] die vroomheid kan niet gehandhaafd worden als de enkeling zou mogen leven naar het goeddunken van zijn eigen geest.” (Sp. 428, Kal, p.50)

“… dienaren van Gods woord zijn zij die het volk op autoriteit van het machtsregime de vroomheid leren in een vorm die volgens het besluit van dat machtsregime het publieke nut dient.” (Sp. 420, Kal, p.57)

“ … dat gehoorzaamheid niet zozeer een uiterlijke prestatie, als wel een innerlijke prestatie is. Daarom staat hij het meest onder het gezag van een ander, die vanuit zijn hart besluit de ander op al zijn bevelen te gehoorzamen. Dit impliceert dat diegene de grootste macht bezit die over de harten van de onderdanen heerst.” (Sp. 368, Kal, p. 156)

Volgens de fascisme-kenner Ernst Nolte – later omstreden geraakt door zijn vermeende ‘Verharmlosung’ van de Holocaust, omdat hij de misdadigheid van nazisme en communisme met elkaar vergelijkbaar achtte, en bovendien ook wederzijds door elkaar beïnvloed – is het onzichtbare fundament van het fascisme de ‘Widerstand gegen die Tranzendenz’.

Het doel van De list van Spinoza is om deze fundamentele gedachte van Nolte uit te werken. Spinoza elimineerde eerst elke vorm van transcendentie door God te laten samenvallen met de Natuurlijke Orde. Over die Natuurlijke Orde hebben de filosofen, en in de eeuwen daarna de wetenschappers, het voor het zeggen. Vervolgens schiep hij een ‘ware religie’ waarover de machthebbers het voor het zeggen hebben, niet omdat ze veel vertrouwen hebben in de religieuze voorstellingen, maar omdat het nuttig is om het onstandvastige en wufte volk in dociele gehoorzaamheid te houden aan een publieke moraal die rust en orde en gemeenschappelijkheid zal garanderen.

Allereerst maakt Spinoza daarom een scherp onderscheid tussen filosofie en religie. Het doel van de TTP is dat die twee nooit meer door elkaar worden gehaald. De ontwarring maakt het mogelijk om met het oog op de rust in de samenleving de ‘ware religie’ in te zetten. Daarom staat in religieus opzicht niet ‘de vrijheid om te filosoferen’, maar ‘de gehoorzaamheid’ centraal.

Gehoorzaamheid is het grote doel waar het hele project om draait. Het slaken van de kluisters van onwetendheid en loze begeerten waarin het volk onherroepelijk vastzit, is niet Spinoza’s doel. Het TTP is volstrekt geen emancipatoir project (Kal, p.29). In dit opzicht staat hij lijnrecht tegenover Immanuel Kant (Kal, p. 36-37).

De moderne vrijheid wordt hier heel duidelijk in verband gebracht met Kierkegaard, Kant en Nietzsche.

Het hele project van Spinoza betreft daarom geen vooruitlopen op de moderniteit, maar het is onomwonden en uitgesproken conservatief: “Het is Spinoza’s diepste wens het volk veilig opgesloten te zien binnen de eenvoudige vroomheid die hij voor het eenvoudige volk geschikt acht (Kal, p. 31).

Nietzsche

Kal wijst erop dat het pantheïstische credo van Spinoza – Deus sive natura (God oftewel de natuur) – door Nietzsche spottend vervangen wordt door Chaos sive natura. Dat is niet onbegrijpelijk, zegt Kal:

“Wanneer het erop aankomt te ontdekken wat voor leven je moet leiden, dan helpt inzicht in wat in de natuur onontkoombaar is de mens immers geen zier. Blijft over dat je je in opperste ernst op jezelf oriënteert.” (Kal, p.34)

Kal wijst erop dat de transcendentie die Spinoza afwijst in de ‘ware religie’ toch weer schoorvoetend terugkeert. Spinoza moet wel, want het volk beschikt immers niet over de rede. Maar in het domein van de theologie gelden uiteraard heel andere regels dan in de filosofie (Kal, p.39).

Het is duidelijk dat:

“… Spinoza werkelijk niets van doen heeft met het latere project van verlichting en emancipatie. Door aan het gewone volk de religie toe te wijzen, als surrogaat voor redelijk inzicht, heeft hij voor dat volk de weg richting verlichting en emancipatie bovendien grondig geblokkeerd. Want de ‘ware religie’ is bij Spinoza per se ‘eenvoudige religie’. Deze religie kan alleen naar behoren functioneren zolang zij weggehouden wordt van geleerdheid en redelijk inzicht. […] Daar komt dan nog bij een staat waarvan het de taak is erop toe te zien dat volk en religie ook werkelijk in hun eenvoud opgesloten blijven.” (Kal, p. 39)

De Hollandse eigenzinnigheid reduceert hij tot obscurantisme, de pluriformiteit die hij aantreft tot sektarisme:

“De ‘nieuwe wereld’ die Holland begonnen is te vertegenwoordigen wordt door hem dus grondig verkwanseld. Hij kan die wereld niet serieus nemen. In feite besluit hij heel deze ‘ moderniteit’ in de kiem te smoren.” (Kal, p.52)

Voor Spinoza is de ontwikkelde mens een filosoof en atheïst. De filosoof houdt een transcendente God niet voor een zinvolle gedachte. Toch is zo’n transcendente God de kern van de religie. Ook voor Spinoza. Maar waarde heeft zo’n transcendente God in Spinoza’s optiek uiteraard niet. De religie is uitsluitend een instrument in de handen van een machtsregime. De religie is alleen middel om bij een op zich onhandelbaar volk toch iets te bereiken (Kal, p.110).

En vervolgens (Kal, p. 118): “Zonder enige ophef heeft Spinoza de religie gereduceerd tot een rijtje deugden – alsof dat vanzelf spreekt.”

Spinoza reduceert de religie tot moraliteit:

“Offers en gebeden, of welke praktijk dan ook door middel waarvan de mens zijn God onderhoudt, worden door Spinoza überhaupt niet in aanmerking genomen als serieus te nemen religie. De bedoelde praktijken hebben in de Bijbel overigens dikwijls een ritueel of ceremonieel aspect. Vanuit zijn Joodse achtergrond is Spinoza daar goed bekend mee. Hij ziet er echter de waarde niet van in. Maar ook de ‘ceremoniën van de christenen’ (Spinoza noemt: ‘doop, avondmaal, feesten, uiterlijke gebeden, enzovoort’)  beschouwt hij als volstrekt overbodig.” (Kal, p.119)

Voor zover Spinoza begrijpt wat al deze vormen behelzen, vindt hij ze alleen nuttig als ze het volk tot de vereiste gehoorzaamheid weten te bewegen.

“Tenslotte volgt dat het geloof niet zozeer ware, als wel vrome dogma’s eist, dat wil zeggen, dogma’s die zodanig zijn dat ze het gemoed tot gehoorzaamheid bewegen. Er mogen er best vele onder zijn die geen schijn van waarheid bevatten, als degene die ze aanvaardt maar niet weet dat ze onwaar zijn; anders zou hij noodzakelijk opstandig worden.” (Sp 328, Kal, p.133)

Kortom: volksbedrog wordt Spinoza’s leidraad. In de filosofie gaat het om ‘niets dan de waarheid’, in het geloof om ‘niets anders dan gehoorzaamheid en vroomheid’ (Sp. 332-333, Kal, p. 136).

Om het volk bij de les te houden, dient de leider een list te gebruiken. Hij dient het volk te overtuigen van zijn ‘goddelijke kracht’. Daarvoor dienen de bijbelverhalen goed te worden benut. Dat al die oudtestamentische profeten onzin spreken en dat die evangelieverhalen niet waar zijn, is van ondergeschikt belang, zolang het maar in voldoende mate wonderlijk en exotisch is, zolang het primitieve volk er maar door geïmponeerd wordt (Kal, p.158-159).

Deze list is in de moderne context pervers, al gebruiken ook moderne autoritaire leiders dergelijke middelen om een gedesoriënteerd volk in geestdrift samen te brengen voor een groots nationalistisch doel en onder verheerlijking van de grote leider. “Het aardige van Spinoza is dan”, zegt Kal, “dat hij, beter dan wie dan ook, onbevangen zichtbaar maakt hoe deze perversiteit in elkaar zit” (Kal, p. 163).

Allereerst wordt een amputatie uitgevoerd: er is geen transcendente instantie waarop het volk zich oriënteren kan; vervolgens wordt het volk in de waan gebracht zich toch op enige transcendente bron te oriënteren, waarbij deze transcendente oriëntatie gewiekst op de leider zelf wordt betrokken, zodat het vrome volk zich eendrachtig schaart achter het vaderlandslievende doel van deze ‘goddelijke leider’.

Het schema van de amputatie wordt dan als volgt: “De staat vormt de objectieve inhoud van de religie, terwijl de religie de subjectieve inhoud van de staat vormt”, en: “Men gehoorzaamt God door aan de staat te gehoorzamen, terwijl men aan de staat gehoorzaamt door aan God te gehoorzamen (Sp. 367, 415; Kal p. 173).

“Op grond van dit schema is het mogelijk dat het volk tegelijk ‘op grond van het gezag van het machtsregime handelt’ (de objectieve inhoud van het handelen) en daartoe ‘uit eigen beweging’ overgaat (de subjectieve motivatie van het handelen). Het is de list en de kunst van de machthebber het volk in deze dubbele positie te brengen.” (Kal, p. 174)

Georg Wilhelm Friedrich Hegel

Kal merkt ten slotte op dat het politiek-theologische schema van Spinoza school lijkt te hebben gemaakt bij Hegel (Grondbeginselen van de filosofie van het recht).

Democratie staat bij Spinoza in dienst van het gezag. Het vrome volk draagt zijn macht over aan een machtsregime zodat de macht van dat regime onbedreigd kan worden uitgeoefend. Een machthebber die zich laat toejuichen door het gehele volk staat sterker dan een machthebber die zich laat vleien door een beperkt aantal edelen (Kal, p.181).

Spinoza begrijpt wel dat je zou kunnen tegenwerpen dat het volk zo eigenlijk toch tot slaaf gemaakt wordt. Maar dat is volgens hem toch niet zo: voor het primitieve volk is dit de enige manier om met de rede in aanraking te komen, en zo leven die primitieve mensen toch nog in ‘vrijheid’. Kijk ook maar naar kinderen: die moeten doen wat hun ouders zeggen, want de geboden van de ouders zijn uiteraard altijd op het kinderbelang gericht. (Kal, p. 183)

In deze zin moet ook het bekende Spinoza-citaat Het doel van de staat is de vrijheid (Sp. 427) begrepen worden:

“De geciteerde zin wil zeggen dat de betekenis van de verstandige bevoogding door de staat erin ligt een mens, die dikwijls van geen rede weet, alsnog in te voegen in de orde die de staat voor die mens in petto heeft. Die invoeging bevrijdt een mens ervan overgeleverd te zijn aan de eigen subjectieve willekeur.” (Kal, p. 183)

U ziet: slavernij is vrijheid, en democratie is het uit handen geven van individualiteit. Ook het hart van de mensen moet onder het beslag van de staat gebracht worden. Een voorvechter van een liberale samenleving kunnen we Spinoza moeilijk noemen.

“Daar het nu van het machtsregime de taak is te bepalen wat voor het heil van het hele volk en voor de veiligheid van dat gezag noodzakelijk is, en op te leggen wat het als noodzakelijk geoordeeld heeft, volgt hieruit dat het ook de taak van niemand anders dan het machtsregime is te bepalen op welke wijze ieder zijn naaste met vroomheid moet koesteren, dat wil zeggen op welke wijze ieder verplicht is God te gehoorzamen” (Sp. 414; Kal, p. 210).

Mozes toont de wetstafelen

Ook de scheiding van kerk en staat kunnen we onmogelijk op Spinoza’s conto zetten. Spinoza bespreekt ook Mozes en Christus uitgebreid, maar hij slaagt erin om de centrale preoccupaties van De list van Spinoza, preoccupaties waarmee we inmiddels uitgebreid kennis hebben gemaakt, ongeschonden en gesteund door Bijbelse overwegingen overeind te houden.

En ook de vrijheid van meningsuiting is bij Spinoza niet in goede handen: hij gaat er blind van uit dat de zeer weinigen die met rede begiftigd zijn en toegang hebben tot begrip van de Natuurlijke Orde niets anders kunnen zeggen dan wat die rede hen influistert, en anders is er altijd nog het machtsregime dat de juiste opvattingen over goed en kwaad kan afdwingen.

Ten slotte wijst Kal erop dat de uitwendige riten in het jodendom door Spinoza geheel verkeerd worden geïnterpreteerd als ‘gehoorzaamheid’, terwijl de zin van de rite het ‘voorbereidende handelen’ is dat we eerder al tegenkwamen (in het stuk over Theocratie en Democratie). Deze voorbereiding is nu juist gericht op openheid voor “leven, dat wil zeggen inspiratie, identificatie, oriëntatie, inzicht, kortom al datgene wat je jezelf niet moedwillig kunt toe-eigenen” (Kal, p.250).

De list van Spinoza is heel leesbaar, met mooie citaten. Wel recapituleert Kal vrij vaak, en geeft hij zijn bevindingen steeds opnieuw op een iets andere manier, met een andere invalshoek en met nieuwe conclusies. Misschien heeft hij een collegereeks omgewerkt tot een boek?

In mijn laatste bijdrage aan deze reeks probeer ik – morgen of overmorgen – antwoord te geven op de vraag wat mij bezielde om me zo intensief met dit boek, en met het werk van Kal, bezig te houden.

Uitgelicht bericht

Victor Kal – De list van Spinoza – 8

Dit is het achtste deel van een beschouwing over het werk van Victor Kal

  1. Enkele gedachten over het werk van de filosoof Victor Kal (link)
  2. Wie was Spinoza (link)
  3. De Spinoza-receptie in Nederland (link)
  4. Victor Kal en De list van Spinoza (link)
  5. Gelijkschakeling (link)
  6. Kals levensbeschouwelijke positie (link)
  7. Theocratie en Democratie (link)
  8. De rehabilitatie van de schuld
  9. De list van Spinoza (link)
  10. Besluit (link)
  11. Geraadpleegde literatuur (link)

8. Rehabilitatie van de schuld

Wetboek van Strafrecht

In 2000 publiceerde Victor Kal een artikel in Radix (een christelijk tijdschrift waarin door academici van diverse pluimage – ook joden en atheïsten – geschreven wordt over wetenschap, cultuur en geloof) een artikel waarin hij ‘de rehabilitatie van de schuld’ bepleit – en zo heet dat artikel dan ook.

Het schuldprincipe bestaat in onze wereld wel, maar heeft de gedaante aangenomen van een schadebeginsel dat legalistisch, via een nauwkeurig juridisch protocol, kan worden opgelost. De moraal verdwijnt uit het gezichtsveld, of – beter gezegd – gaat samenvallen met de jurisdictie en het algemeen aanvaarde fatsoen die in de publieke ruimte van kracht zijn. Dit verschijnsel, dat manifest is in onze geseculariseerde wereld, leidt tot een ongevoeligheid voor schuld, tot verdoving, tot anaesthesie, tot onverschilligheid – we voelen de schuld niet meer, en wanneer het schuldgevoel toch opspeelt, redeneren we die schuld behendig weg.

Ik geef allereerst een wat langer citaat dat duidelijk maakt wat Kal onder een geseculariseerde maatschappij verstaat:

Men kan een samenleving voor geseculariseerd houden wanneer de leden van die samenleving geen weet meer hebben van de kloof die hen scheidt van een hogere instantie, die beslissend zou zijn voor het lot dat hun deel is. Hebben zij daar wèl weet van, dan onderhouden zij tot die hogere instantie een relatie. Deze relatie krijgt gestalte als vertrouwen en geloof, lofprijzing en klacht, hoop en vrees, dankbaarheid en boetedoening, liturgie en rite, enzovoort. In de geseculariseerde samenleving kent men het daartoe vereiste referentiepunt-op-afstand niet, en ziet een mens zich tot zichzelf gereduceerd. Dit betekent echter in het geheel niet dat de nu niet meer aan een hoger gezag gebonden, vrije mens overgaat tot een teugelloos bestaan. Integendeel juist; we worden geconfronteerd met een verzameling heiligen. Als regel beschikt de seculiere mens, immers de brave burger van een moderne rechtsstaat, niet over een strafblad; hij heeft niets gedaan en is zonder schuld.

Dit ‘heilige leven’ heeft volgens Kal het al genoemde ‘schade-principe’ als moreel-juridische grondslag. Hier wordt meestal een strikte scheiding aangebracht tussen het publieke en het privé-domein. In het privé-domein heerst vrijblijvendheid en wordt de moraal indifferent; in het publieke domein mag je anderen niet schaden. Maar dit blijft niet zonder gevolgen.

“Het gevolg is niet alleen dat het ‘waartoe’ van die zo grootse moderne vrijheid onbespreekbaar wordt, bovendien raakt het menselijke voelen hier op een specifiek punt geamputeerd. In zeker opzicht is het voortaan overbodig zich de dingen nog aan te trekken. Waar men een nette burger is, en voor het overige het gemakkelijke leven leidt dat aanbevolen wordt, heeft gevoel voor schuld geen zin meer.”

De reductie van de moraal tot het schade-principe, maakt ongevoelig voor verantwoordelijkheden en het tekortschieten jegens morele plichten. Zolang je een ander niet hebt geschaad is er immers niets aan de hand.

Klein intermezzo: in mijn jeugd werd mij geleerd dat er zonden zijn van bedrijf en zonden van nalatigheid. Het is die laatste categorie die helemaal uit beeld lijkt te verdwijnen in een wereld waarin de moraal wordt gereduceerd tot het schade-principe. Het is ook hier dat het schuldbesef uit beeld verdwijnt. ‘Je had iets moeten doen, maar je hebt het niet gedaan.’ ‘So what, heb ik iemand schade berokkend dan?’

Dit is de stand van zaken die Kal de ‘seculiere normaliteit’ noemt.

En dan zegt Kal:

“De vraag is, […], hoe men aan een zekere anaesthesie kan ontkomen, zodat het mogelijk is verplichtingen te voelen en het bijhorende verschuldigdzijn te onderhouden. Wanneer mensen er met groot gemak toe in staat zijn een onschuldig leven te leiden, ontbreken in het systeem van coördinaten dat het leven bepaalt echter enkele op dit punt beslissende elementen.”

De vrijheid is voor de moderne mens heel belangrijk, maar toch blijft het precieze waartoe van die vrijheid volstrekt onbepaald. Kal spreekt in dit verband van iets dat lijkt op een ‘beeldverbod’.

En dan citeer ik nu een kernpassage uit het artikel.

“De moderne mens schijnt vol te zijn van iets dat voor hem bij nader inzien volstrekt onbenoembaar blijft. Op dit punt nu verkrijgt men slechts dan duidelijkheid wanneer men een compleet systeem van coördinaten hanteert.

De moderne vrijheid is het seculiere product van een buitengewone charme. Gecharmeerd is men van de komst, ter plaatste van het eigen leven, van een vervulling die dat leven tot vrede met zichzelf kan brengen. Zulk een omvattende vervulling heeft men geenszins in handen, niettemin vormt ze de norm waaronder het leven staat.

Kennelijk is het mogelijk zich verplicht te achten aan een kritisch gezichtspunt, zonder dat men ertoe in staat is zich dat gezichtspunt werkelijk toe te eigenen.

In die zin betreft het een gezichtspunt waarvan men zich als door een diepe kloof gescheiden ziet. Het gaat om die kloof die aan de seculiere mens niet bekend is en waaroverheen hij niet probeert te reiken; eerder in deze uiteenzetting heb ik daarover reeds gesproken. De charme waarvan ook de moderne, maar geseculariseerde mens de facto nog vol is, is derhalve wel beschouwd een religieuze charme, en krijgt als zodanig pas goed reliëf. Aan zulk een charme acht hij zich verplicht, en deze charme brengt het gevoel van altijd-méér-verschuldigd-zijn voort waardoor de vrijheid zich rusteloos laat voortdrijven.

Wanneer een mens over een kloof heen een buitengewone charme aangereikt krijgt, zonder dat dit hem ertoe in staat stelt zich het aangereikte zomaar toe te eigenen, kunnen we spreken van ‘openbaring’. De term ‘openbaring’ laat nauwkeurige definitie toe: beginnen ter plaatse van zichzelf en de wereld de komst te verwachten van een rijk van recht en vrede, dit is, van bekommernis en toewijding. Voor zichzelf en de wereld acht men dat weggelegd. In principe zou de komst ervan reeds een mogelijkheid zijn. Men zou er niet per se ontoegankelijk voor zijn. De verzoening van een rijke belofte met de vooralsnog wat schamele realiteit zou het teken zijn waarin men zijn leven nu reeds kan stellen. Voorwaar een gedachte die men niet verzint en, als ze er eenmaal is, evenmin kan reconstrueren. De wereld raakt betoverd; zoiets kun je niet organiseren. Er is sprake van een charme die over je komt, en van een excentrieke openbaring.

De term ‘charme’ gaat terug op de Griekse woorden charis en charisma; je zou ook kunnen spreken van ‘gratie’, corresponderend met het Latijnse woord gratia. Traditioneel worden deze woorden onder meer met de term ‘genade’ vertaald. Tot charme word je uitverkoren. Gratie word je verleend. De formulering onttrekt de schaduwzijde enigszins aan het gezicht.

We zijn begonnen met te zeggen dat de verplichting en het verschuldigd-zijn die de moderne vrijheid voortdrijven een buitengewone charme veronderstellen; kort gezegd: de charme achter de schuld. Maar het omgekeerde is evenzeer het geval. Eerst de charme die over je komt confronteert je met een verschuldigd-zijn waaraan je niet zomaar voldaan zult hebben; kort gezegd: de schuld achter de charme. Het mag zo zijn dat je je leven in principe kunt stellen in het teken van een allesomvattende openbaring en verzoening, de facto heb je op dat moment ter plaatste van jezelf en je wereld nog maar in beperkte mate toegang gegeven aan datgene waarvan je de komst verwacht. Het leven verliest zijn schamele aspect niet zomaar. Een buitengewone charme maakt het verschuldigd-zijn daarom tot iets dat niet ophoudt te schrijnen.”

Kern van de zaak is dat deze betovering, deze charme, deze openbaring – de eerste coördinaat die we nodig hebben – onvermijdelijk met zich meebrengt dat men tekortschiet, dat men het verschuldigd-zijn niet waarmaakt.

“De verantwoordelijkheid die een mens op zich laadt wanneer hij een rijk van recht en vrede voor zichzelf en de wereld weggelegd acht, is naar het schijnt per se te groot voor de mens. Juist dit onvermijdelijke conflict tussen het ‘waartoe’ van een grandioze vrijheid en de vooralsnog telkens opnieuw weer beperkte mogelijkheden van het menselijk bestaan is in de genoemde verjuridisering van de moraal en in de bijbehorende anaesthesie schitterend gepacificeerd. Het is niet werkelijk nodig ergens nog last van te hebben. Intussen veronderstelt een gemakkelijke pacificatie van het conflict tevens dat men bereid is de zaak waarom het gaat te verraden, ook al is het maar even, bijvoorbeeld totdat de charme bij een andere gelegenheid opnieuw de kop opsteekt. Onder anaesthesie is ook dit verraad niet bovenmate pijnlijk.”

Chazanoetconcert in de StadttempelWenen, augustus 2006 (Wikimedia Commons)

Een tweede coördinaat is daarom de tempel, dat is de plaats waar het rijk van recht en vrede, van bekommernis en toewijding – de inhoud van de charme die bijna onbespreekbaar is buiten deze context – toegang heeft, waar de tekortschietende mens zijn vrijheid, zijn tekortschieten en vernieuwing kan leren kennen.

De rituelen in de tempel moeten steeds opnieuw worden herhaald: zonder garanties en zonder waarborg moet de mens zich overgeven, en iedere keer opnieuw leren wie hij is, waar hij staat en wat hij kan.

Dat is de derde coördinaat die in onze wereld grotendeels ontbreekt: de aanwijzingen ten leven, waarin verschuldigd-zijn en charme worden verzoend: dit is de komst waarop men voorbereid dient te zijn.

De anaesthesie die het moderne leven verschaft, heeft nog een effect: je kunt niet meer rouwen over je tekortschieten. Toch is die rouw heel belangrijk om voorbereid te zijn op een nieuw leven, op mogelijkheden die soms bijna een wonder lijken voor wie geen vertrouwen weet te stellen, voor wie in moedeloosheid neerzinkt. Rouw is een noodzakelijke voorwaarde voor levensvernieuwing.

De tempeldienst heeft ondersteuning nodig van liturgie en rite, die beide op gespannen voet staan “met elke poging om recht en vrede door middel van een verdoving voor zich te verwerven”.

En Kal besluit zijn artikel aldus:

“In de liturgie eerst krijgt de schuld haar voor iedereen zichtbare plaats. Een aparte plaats, want het heilige van de liturgie valt niet samen met het profane van het gewone leven. Een volledig geseculariseerde wereld zal zo’n aparte plaats niet meer kennen. Alles wordt daar opgeslokt door het profane leven, dat niet schroomt zich als onschuldig te afficheren. Wordt de schuld echter weggedrongen, dan verkommeren vrijheid en verantwoordelijkheid. Een liturgie kan daartegen beschermen, en helpen de schuld, die men niet graag mag, in het eigen leven te rehabiliteren.”

Uitgelicht bericht

Victor Kal – De list van Spinoza – 7

Dit is het zevende deel van een beschouwing over het werk van Victor Kal

  1. Enkele gedachten over het werk van de filosoof Victor Kal (link)
  2. Wie was Spinoza (link)
  3. De Spinoza-receptie in Nederland (link)
  4. Victor Kal en De list van Spinoza (link)
  5. Gelijkschakeling (link)
  6. Kals levensbeschouwelijke positie (link)
  7. Theocratie en Democratie
  8. De rehabilitatie van de schuld (link)
  9. De list van Spinoza (link)
  10. Besluit (link)
  11. Geraadpleegde literatuur (link)

7. Theocratie en Democratie

Flavius Josephus (Wikimedia Commons)

In 2006 verschijnt van Ger Groot, Het krediet van het credo: godsdienst, ongeloof, katholicisme. Het is een essay waarin een atheïstisch-filosofische poging wordt gedaan om te begrijpen wat de christelijke religiositeit in een moderne en seculiere Europese cultuur nog betekent. Op p. 20 van dat boek schrijft Groot:

“Als we zoeken naar een mogelijke betekenis van de zin ‘God bestaat’, dan kan daarmee geen bestaan in de natuur bedoeld zijn. We kunnen natuurlijk, net als Spinoza, de knoop doorhakken en God eenvoudig met die natuur gelijkstellen (deus sive natura), maar daarin lost het goddelijke feitelijk op en komen we van de regen in de drup. Met een dergelijke god-natuur is nu eenmaal geen persoonlijke relatie mogelijk en dus zijn ook het gebed en de godsdienstoefening, waarin de gelovige zich tot God richt en antwoord verwacht, zinloos. En juist die godsdienstoefeningen zijn, zoals we later zullen zien, van doorslaggevend belang.”

Groot noemt zich atheïst, maar hij ziet wel scherp het belang van de rite, het gebed en ‘de godsdienstoefening’ voor de religieuze houding, een kernthema van Victor Kal. En Ger Groot acht Spinoza’s gelijkstelling van God en natuur dodelijk voor de continuering van de religieuze praktijk, ook net als Kal.

Victor Kal opent het artikel Theocratie en Democratie (gepubliceerd in het Tijdschrift voor Filosofie, 2009) met twee zuivere tegenstellingen: op het niveau van het individu plaatst hij de wereld van de vroomheid tegenover de wereld van de emancipatie, en op  het niveau van de samenleving plaatst hij de godsbeschikking tegenover de zelfbeschikking. Beide posities sluiten elkaar uit, en zo’n schema confronteert ons, zegt hij dan, met een vorm van manicheïsme.

Het manicheïsme gaat uit van twee onafhankelijke en ongeschapen principes: het goede en het kwade, een Rijk van het Licht en een Rijk van de Duisternis. Hier dus: een wereld waarin vroomheid en godsbeschikking centraal staan tegenover een wereld waarin emancipatie en zelfbeschikking centraal staan.

Tegen de achtergrond van deze dichotomie, verdedigt Kal vervolgens de stelling dat een ‘liberale democratie’ baat heeft bij de ‘formele theocratie’ en dat – ook andersom –  de formele theocratie baat heeft bij de liberale democratie.

Vervolgens zegt hij een beetje spottend dat zijn these de aanhangers van het manicheïsme confronteert met een gemeenschappelijke vijand, of althans met iemand ‘die alles door elkaar haalt’. Kal zet immers de wereld op zijn kop door te zeggen dat beide Rijken – die elkaar lijken uit te sluiten – hun onverzoenlijke vijand hard nodig hebben.

Het begrip ‘theocratie’ heeft hier met nadruk geen betrekking op het politieke domein, al heeft het op een indirecte manier natuurlijk wel betekenis voor dat domein, zoals zo ongeveer alles voor dat domein betekenis heeft. ‘Theocratie’ wordt hier begrepen als de erkenning van, de relatie tot en de openstelling voor de transcendente instantie die het morele domein beheerst door het individu.

Dit individu kan ervoor kiezen om door bemiddeling van een religieus instituut de plichten van de uitwendige rite te voltrekken met het oog op de verwezenlijking van zijn vrijheid – dat noemt Kal de formele theocratie. De informele theocratie is de wereld waarin de banden met de traditie zijn geslaakt, en waar de religiositeit, de theocratie verveelvoudigd is in evenzovele individualistische en autonome individuen

Een kort historisch exposé

Flavius Josephus is de eerste die de term ‘theocratie’ gebruikt. In een theocratie heeft God het voor het zeggen, in een monarchie de koning, in een democratie het volk, in een oligarchie de rijken. Het joodse volk waarover Josephus schrijft leeft in ballingschap, en de theocratie heeft derhalve bij Josephus wel een religieuze betekenis, maar geen politieke. Op dit punt staat Josephus lijnrecht tegenover Spinoza die de joodse theocratie tot een politieke constitutie meent te kunnen herleiden.

Bij Plato is de aristocratie de hoogste staatsvorm. Deze kan alleen tot stand komen krachtens goddelijke beschikking. Hiervoor is geen clerus noodzakelijk. De protagonist van deze theocratie is een door God beschikte enkeling die zijn eigen weg gaat maar zich door de godheid laat gezeggen.

Mozes die de stenen tafelen kapot werpt – Rembrandt (Wikimedia Commons)

Het joodse volk ontvangt via Mozes de stenen tafelen van God. Dit is de grote theocratische gebeurtenis in het Oude Testament. Deze wet vraagt om kritische en creatieve interpretatie, reden waarom Mozes zich steeds opnieuw tot God wendt met de vraag wat er nu precies moet gebeuren. Opschorting is een vast onderdeel van het theocratisch bestel. God moet steeds opnieuw worden geraadpleegd in een theocratisch bestel dat die naam waardig is. Dit blijkt ook uit de vorm en de dienst van de tabernakel.

De Thora propageert een vrijheid door binding. Wie zich aan de transcendente instantie bindt, bevrijdt zich van de machten die deze wereld beheersen. Deze vrijheid door binding heeft zeker ook een resonans in de moderne wijsbegeert gehad: Kierkegaard, Kant, Buber, Heidegger.

De multiplicatie van de theocratie

Theocratie heeft een slechte naam. Kal betwijfelt of dat terecht is: de mens verbindt zich slechts hoogst aarzelend met de transcendente instantie waarnaar de theocratie zich richt. Uniformering en nivellering in onze moderne wereld gaan terug op heel andere factoren: kapitaal, techniek, internationale wetgeving, mode.

De huidige monarchen zijn wel bijna allemaal onthoofd, en de meeste theocratische banden zijn geslaakt of worden belachelijk gemaakt, maar heeft het wel tot iets anders geleid dan tot een veelheid aan nieuwe absolutisten, tot de autonome, individualistische burgers? De moderne afkeer van de theocratie heeft misschien eerder tot een verveelvoudiging van de theocratie geleid.

Het ontstaan van de informele theocratie

Bij de overgang naar de moderne wereld geldt, volgens Kal het volgende (p.57-58):

“Het oude monarchale regime en het oude clericale regime [worden] wat hun theocratische aspect niet zozeer afgeschaft, als wel gemultipliceerd. Deze decentralisatie en multiplicatie van de theocratie of deze substitutie van de ene soeverein door de talloze soevereinen, gaat gepaard met een reeks van verschijnselen: verinnerlijking van de vroomheid (de anticeremoniële revolutie), individualisering van de vroomheid, verloren gaan van de religieuze vormen en de religieuze taal, en dan vanzelf, ten slotte, een secularisatie waarin die vroomheid tegelijk haar hoogtepunt bereikt en voor zichzelf onbegrijpelijk wordt. Op dit punt aangekomen vallen vroomheid en emancipatie exact samen. De theocratie is nu helemaal informeel geworden en ligt vanaf dit moment zelf ten grondslag aan de roep om democratie.”

En dan ontstaat een nieuw probleem (p.58-59):

Welnu, op het moment dat de theocratie informeel wordt, valt al die ‘uitwendigheid’ weg. De omgang met zichzelf wordt dan al gauw vluchtig en ondefinieerbaar. De sfeer van ‘theocratie’ en ‘vroomheid’ blijft echter, en leeft voort in de ernst van de vrije en verantwoordelijke moderne mens. Uitermate kwetsbaar, zo niet regelrecht bedreigd, is nu echter de grote veronderstelling ervan: dat vrijheid niet kan bestaan tenzij zij zich haar inhoud of ‘waartoe’ of grond laat geven, en dat een mens zich daarop telkens opnieuw moet voorbereiden. Wordt de genoemde vooronderstelling werkelijk niet meer gehonoreerd, dan degenereert soevereiniteit tot willekeur. De logische implicatie van de stand van zaken is dat de moderne democratie steeds de mogelijkheid heeft zich onverhoeds te manifesteren als een bij uitstek verraderlijke constitutie, met name daar waar, dankzij een gepolijst regime van legaliteit en fatsoen, velen zich van geen kwaad meer bewust zijn. Plotseling blijkt dan dat de paragraaf die vandaag nog wet is, morgen geschrapt kan zijn. Heilige ernst en dodelijke ontrouw wisselen elkaar voortaan af alsof het niets is. Een uitwendig regime dat de zaak waarom het gaat op afstand plaatst en door zijn ontnuchterende effect zowel het ene als het andere euvel zou kunnen doorbreken, staat niet meer ter beschikking.

Kant

Immanuel Kant heeft zich ook gunstig over de theocratie in de betekenis die Kal daaraan hecht uitgelaten. Het derde stuk van zijn Religion innerhalb der Grenzen der blossen Vernunft, draagt als titel: Der Sieg des guten Prinzips über das böse und die Gründung eines Reiches Gottes auf Erden (de overwinning van het goede principe over het kwade en de stichting van een Rijk van God op aarde). De stichting van zo’n Rijk acht Kant nodig om de overwinning – waarover Kant zich pessimistisch en met ongerustheid uitlaat – zeker te stellen.

Immanuel Kant (Wikimedia Commons)

Om verantwoordelijk te kunnen zijn in vrijheid, is een morele gemeenschap nodig. Kant neemt als wetgever van die morele gemeenschap een transcendente instantie aan – Gott als moralischer Welturheber (God als oorsprong/schepper/bewerker van de moraal). De hoop op deze transcendente instantie is volgens Kant alleen gerechtvaardigd als de mens doet ‘alsof alles op hemzelf aankomt’ (p.65)

De morele wet waarop Kant doelt is innerlijk. De wet van het Rijk van God is een morele wet, in tegenstelling tot de joodse wetgeving die, zo meent Kant, uit uiterlijke en willekeurige decreten bestaat. Ook Kant construeert hier de tegenstelling tussen innerlijke moraliteit en uiterlijke, door de staat beheerste legaliteit. Bij deze legaliteit worden innerlijke instemming en vrijheid niet verondersteld, anders dus dan bij de morele wet.

Immanuel Kant beschouwt als wezenlijk voor de vorming van het menselijke gemoed, de deugdzame mens, drie dingen (ik volg hier Kal bijna letterlijk):

  1. Deze vorming gaat niet buiten de vrije instemming van de mens om,
  2. Deze vorming gaat buiten de staat om en kan dus niet politiek zijn,
  3. Deze vorming moet ertoe bijdragen dat de burger als individu een vrij en goed mens is.

De morele gemeenschap die langs deze lijnen ontstaat, heeft daarbij tevens een transcendent oriëntatiepunt nodig.

En Kal zegt dan:

Punt voor punt staan deze condities in contrast met de politiek van het gemoed die Spinoza in zijn Theologisch-politiek tractaat (TPT) propageert.

Als de morele vrijheid, de ernst en het besef van verantwoordelijkheid van het individu niet wordt gecultiveerd, kan gemakkelijk achter de façade van fatsoen en legaliteit nihilisme schuil gaan. Kal licht dit toe, en citeert Spinoza uitgebreid. Hij eindigt dan met:

Wanneer Spinoza daarop laat volgen dat “de liefde voor het vaderland de hoogste vorm van plichtsbetrachting is” en dat “het heil van het volk [zoals vastgesteld door de ‘hoogste overheid’] de hoogste wet is, naar welke alle andere wetten, zowel menselijke als goddelijke, zich moeten voegen (TPT 414)” dan is duidelijk dat Spinoza gezien moet worden als een vroege grondlegger van het fascisme. Hem stond voor ogen elke vorm van theocratie grondig te neutraliseren.

Het is duidelijk dat in dit opzicht de Victor Kal van 2020, de schrijver van De list van Spinoza, gelijk is aan de Victor Kal van 2009, de schrijver van Theocratie en Democratie. Wel gebruikt Kal in De list van Spinoza het woord ‘fascisme’ met iets meer terughoudendheid en historische relativering.

Liberale democratie en theocratie hebben elkaar nodig

Vervolgens betoogt Kal dat de theocratie zoals hij die bedoelt, urgent is voor de liberale democratie. Een volstrekt informeel geworden theocratie die van elke traditie is losgekoppeld kan het individu niet langer steunen, waardoor zo’n individu op zichzelf wordt teruggeworpen. Achter een façade van legaliteit en fatsoen blijft er van verantwoordelijkheid en vrijheid weinig meer over, woekert en sluimert het nihilisme, en zal ook de democratie degenereren tot iets dat die naam niet langer verdient. De theocratie kan het nihilisme voorkomen, en kan ook weerstand bieden aan de manipulatieve en demonische schijn-uitweg die demagogen hebben te bieden.

Maar ook het omgekeerde geldt: de liberale democratie is ook urgent voor de theocratie. Het probleem wordt gevormd doordat de liberale democratie een moreel-indifferent domein van ‘onverschilligheid’ creëert die op gespannen voet staat met de ‘vroomheid’ waartoe de theocratie inspireert.

Toch kan deze onverschilligheid, deze onernst, deze speelruimte de theocratie dienen. Voor het individu dat in gemeenschap een relatie cultiveert met een transcendente instantie, waardoor vrijheid, morele ernst en verantwoordelijkheid mogelijk worden gemaakt, de moed ook om af te wijken, en zich niet in de luren te laten leggen door mode, kapitaal, massabeweging en de façade van legelaiteit en fatsoen, kan dat heel belangrijk zijn.

Een ding nog: “Van een transcendente functionaris kan niemand de onberispelijke functionaris zijn”, schrijft Kal op p.70. Oog in oog met een transcendente instantie kan onze ernst niet anders dan luchtige ernst zijn, reden waarom Plato en Kierkegaard de ironie nodig hadden, reden ook waarom de jood niet zonder de joodse humor kan.

Op zijn plaats is steeds een voorbereidend handelen dat het voorgenomen handelen opschort en in het geding brengt ten overstaan van een transcendente instantie.

Koning Saul (Wikimedia Commons)

Kal besluit zijn artikel met de volgende woorden:

“Het blijft zo dat de informele, geïndividualiseerde theocratie aan de basis ligt van de liberale democratie. Ter oriëntatie, ter ondersteuning en ter bescherming van de individuele soevereiniteit die daarin geïmpliceerd is, heeft rehabilitatie van de formele theocratie heden echter de grootste urgentie. Juist de liberale democratie biedt daartoe bij uitstek de gelegenheid: ook de formele theocratie krijgt binnen de maatschappij gestalte, en concurreert derhalve niet met het politieke regime – eerst nu is het mogelijk de wens ‘een koning’ te hebben werkelijk los te laten.”

In de slotzin wordt verwezen naar de wens die het joodse volk uitsprak een koning te hebben, waarna enigszins onwillig Saul, de voorganger van koning David, tot koning werd gekroond, een besluit dat niet in alle opzichten zegenrijk bleek.