T. S. Eliot (1888-1965) was een Amerikaans-Engelse dichter die in Nederland het meest bekend is geworden door het desolate gedicht The Waste Land, met de bekende openingszinnen:
April is the cruellest month, breeding
Lilacs out of the dead land, mixing
Memory and desire, stirring
Dull roots with spring rain.
Winter kept us warm, covering
Earth in forgetful snow, feeding
A little life with dried tubers.
Eliot was een ‘conservatieve modernist’, om een woord te gebruiken dat de historicus, schrijver en journalist Rob Hartmans heeft opgenomen in de ondertitel van zijn zeer interessante Eliot-boek: T.S. Eliot. De vele gezichten van een conservatieve modernist, Amsterdam: Spectrum 2022. Aan het boek van Hartmans heb ik een aantal van de hierna genoemde feiten ontleend.
Eliot heeft zijn hele volwassen leven in het Verenigd Koninkrijk gewoond en gewerkt, eerst bij een bank, later bij Faber & Faber, een uitgever die zich ontwikkelde tot de voornaamste uitgever van poëzie in de engelstalige wereld.
Op latere leeftijd bekeerde hij zich tot de Anglo-Katholieke tak van The Church of England – de Anglicaanse Kerk. Uit die tijd dateren ook Four Quartets – Vier Kwartetten – die ook heel bekend geworden zijn. T.S. Eliot ontving in 1948 de Nobelprijs voor Literatuur.
De bekering tot het christendom van T.S. Eliot wordt vaak negatief begrepen, alsof de man totaal iemand anders geworden was, alsof de ernst waarmee hij het christendom aanhing zijn gedichten veel slechter zouden hebben gemaakt. Hier vindt u een bespreking door Joris Note van Paul Claes’ vertaling van de Four Quartets, waarin die afkeer van Eliots bekering tot in de titel doorklinkt: “Een bekeerde dichter”. Overigens zwalkt Note heel erg – enerzijds vindt hij Claes’ vertaling goed en heeft hij ook waardering voor de kwartetten, maar anderzijds vindt hij Eliot maar een vervelende zeur met zijn christendom. Deze spagaat tref je wel vaker aan bij recensenten.
In 1936 publiceerde Eliot het gedicht Burnt Norton. In 1939 besloot Eliot nog drie gedichten met een vergelijkbare vorm aan Burnt Norton toe te voegen. In 1940 publiceerde hij East Coker, in 1941 The Dry Salvages, in 1942 Little Gidding. In 1943 verschenen deze gedichten bij Faber and Faber als de bundel Four Quartets.
In ieder kwartet staat een bepaald seizoen centraal alsmede één van de vier elementen lucht, aarde, water en vuur. In East Coker ligt de nadruk op de late zomer en op het element ‘aarde’.
East Coker is een klein plaatsje in het Engelse Somerset. De voorouders Van T.S. Eliot kwamen daar vandaan en ze emigreerden in de 18e eeuw naar Amerika. T.S. Eliot ligt ook in East Coker begraven, om precies te zijn in de St Michael and All Angels’ Church.
Op zeker moment gebruikt T.S. Eliot een aantal citaten en verwijzingen naar een van zijn voorvaderen. Ik heb die verwerkt door te spreken over sinne- en minnebeelden (Jacob Cats) en een verwijzing naar Vondels opregte trou (die – zoals bekend – vooral gevonden wordt tussen man en vrouw).
Het gedicht heeft vijf delen die verschillen in tempo en toon. De delen beschrijven tijd, ervaring, loutering, gebed en heelheid.
Het is nog wel aardig om op te merken dat een bepaalde retorische vorm die voorkomt in het bijbelboek Prediker – “Er is een tijd om te omhelzen en een tijd om je van omhelzingen te onthouden” – een vorm die enige tijd op vrij indrukwekkende wijze wordt volgehouden, door Eliot regelmatig wordt gehanteerd, te beginnen in het vroege gedicht The Love Song of J. Alfred Prufrock, maar ook in Burnt Norton en uiteraard ook op een paar plaatsen in het onderhavige gedicht.
East Coker bevat overigens ook een directe verwijzing naar de openingsregels van de Goddelijke Komedie van Dante.
Ik heb – tegen mijn gewoonte in – niet van het gehele gedicht één enkele audio-opname toegevoegd, maar ik heb van de verschillende delen afzonderlijke audio-opnames gemaakt.
Dit was geen gemakkelijke klus. Mocht u echte vertaalfouten tegenkomen, dan word ik daar graag op geattendeerd via e-mail – zie de pagina Over de vertaler/auteur, of via de reactiemogelijkheid.
Een vertaling van de hand van Peter van Huizen ter vergelijking, vindt u hier (Liter, Jrg 5, 2002 – via dbnl).
Vertaling
EAST COKER
(Nr. 2 van Vier kwartetten)
– I –
In mijn aanvang is mijn einde. Huizen komen, gaan,
De een na de ander, ze verkrotten, worden uitgebouwd,
Verwijderd, verwoest, hersteld, of waar ze waren
Is nu een open veld, een fabriek of een rondweg.
Oude steen wordt nieuwbouw, oud hout nieuw vuur,
Oud vuur wordt stof, en stof keert weer tot aarde
Die reeds bestaat uit vlees, vacht en faecaliën,
Skelet van mens en dier, maisstengels en loof.
Huizen leven en sterven: er is een tijd om te bouwen
En een tijd om te leven, een tijd voor nakroost
Een tijd voor de wind om de losse ruit te breken
En aan het houtwerk te rukken waar de veldmuis scharrelt
En te rukken aan het verrafelde wandkleed met stille zinspreuk geweven.
In mijn aanvang is mijn einde. Nu valt het licht
Over het open veld, waarbij de holle weg wegvalt,
Omsloten door begroeiing, donker in de namiddag,
Terwijl je leunt tegen een bankje als een kar passeert,
En de holle weg hardnekkig de kant op gaat
Van het dorp, door een zoemende hitte
Gehypnotiseerd. In een warme waas wordt zwoel licht
Eerder opgezogen dan weerkaatst door grauwe steen.
De dahlia’s slapen in de lege stilte.
Wacht op de vroege uil.
In dat open veld
Als je niet te dichtbij komt, als je niet te dicht bij komt,
Kun je midden in een zomernacht de muziek horen
Van de tere fluit en de kleine trom
En je ziet ze dansen om het kampvuur
Een man en vrouw, verenigd
In parendans, sinnebeeld van echtverbond –
Sacrament van lust en waerdigheid.
Zij aan zij, een onverbrekelyck minnebeeld,
Verband van arm in arm of hand in hand,
Een teecken van opregte trou. Rondom, rondom het vuur
Springend door vlammen, of samen in kringen,
Met boerse ernst of met een boerse lach
Zware voeten geheven in plompe schoenen,
Aardvoeten, lemen voeten, geheven in landelijke vreugde,
Vreugde van wie reeds lang onder aarde
Maiskolven voedt. Het kennen van de tijdmaat,
Het houden van het ritme in de dans
Zoals ze leefden in hun levensgetijden
De tijd van seizoenen en hemelconstellaties
De tijd van melken en de tijd van oogsten
De tijd van paring voor man en vrouw,
En die van beesten. Voeten die komen en gaan.
Eten en drinken. Drek en dood.
De dageraad breekt aan, een nieuwe dag
Maakt zich op voor warmte, stilte. De ochtendwind
Streelt een rimpelende zee. Hier ben ik,
Daar ben ik, of elders. In mijn aanvang.
East Coker – deel 2
– II –
Wat is November aan het doen
Met al die gekke lente-dingen
Die schepsels van een zomertijd,
Sneeuwklokjes zijn al wijd en zijd
De stokroos is toch veel te hoog
Rood wordt weer grijs; ze vallen af
De jonge roos vol vroege sneeuw?
Donder rolt langs sterren, roterend,
Zegekarren simulerend
Die in kosmische strijd verkeren;
Schorpioen vecht met de Zon
Tot Zon en Maan weer onder gaan
Kometen huilen, Leoniden belagen
De hemelen – het vlakke veld
Tolt in een draaikolk die de wereld
Voortjaagt naar verterend vuur
Dat laait voordat de ijstijd heerst.
Zo kon je het misschien zeggen – weinig bevredigend:
Omschrijvingskunst in uitgediende dichtvorm,
Die ons achter laat met de ondraaglijke worsteling
Om woord en betekenis. De poëzie doet er niet toe.
Het was niet (ik begin opnieuw) wat je verwacht had.
Wat was het waard waar je zo naar uitkeek,
De verbeide rust, de sereniteit van de herfst,
De wijsheid van de oude dag? Bedrogen ze ons
Of bedrogen ze zichzelf, die zachte oude stemmen,
Door ons alleen een recept voor bedrog na te laten?
Hun sereniteit was misschien opzettelijke verdoving,
Hun wijsheid slechts kennis van dode geheimen
Onnut in het duister waarin ze tuurden
Of waarvan ze hun ogen afwenden. Je kunt, zo komt het ons voor,
Op z’n best beperkte waarde ontdekken
In kennis gebaseerd op ervaring.
Kennis verschaft patronen, maar falsifieert ook,
Want het patroon is nieuw op elk moment,
En elk moment verleent een nieuwe, schokkende
Waarde aan ons hele bestaan. We worden alleen dan niet bedrogen
Door wat – hoe bedrieglijk ook – ons niet langer schaadt.
Daar ben je dan halverwege, niet alleen halverwege,
Maar van begin tot eind, in een donker bos, tussen braamstruiken,
Aan de rand van een zompig moeras, waar je nergens kunt staan,
Belaagd door monsters, met dansende lichtjes,
Die je mee willen lokken. Praat me niet
Van de wijsheid van ouderen, maar liever van hun dwaasheid,
Hun angst voor angst en razernij, hun angst voor bezetenheid,
Voor afhankelijkheid van de ander, of van anderen, of van God.
De enige wijsheid die we ooit kunnen verwerven
Is de wijsheid van nederigheid: nederigheid is eindeloos.
Alle huizen zijn verzwolgen door de zee.
Alle dansers zijn verzwolgen door de heuvels.
East Coker – deel 3
– III –
O, diepe, diepe duisternis. Ze gaan allen het duister in,
De lege interstellaire ruimten, leegte naar leegte,
De hoge heren, de kooplieden, de eminente letterkundigen,
De mecenassen, de staatslieden en de heersers,
De knappe ambtenaren, voorzitters van menige commissie,
Hoge industriëlen en onderaannemers, allen gaan het duister in,
Donker zal de Sun & Moon zijn, en de Almanach de Gotha,
Het Financiële Dagblad, het Register van Directeuren,
Alle gevoel verdord, elk streven verbrijzeld.
En ook wij gaan die kant op, in een zwijgende begrafenisstoet,
Niemands begrafenis, want er is niemand om te begraven.
Ik kalmeerde mezelf, wees stil, laat duisternis op je neerdalen
Die Gods duisternis zal zijn. Zoals op toneel,
De lichten gedoofd, wisseling van decors,
Met drukte en gedoe, met een overgang van duisternis naar duisternis,
En we weten dat de heuvels en de bomen, het verre panorama
En de hele imposante façade zal worden weggetakeld –
Net als wanneer de metro, in de tunnel, al te lang stopt tussen de stations,
En de gesprekken die eerst oplaaien langzaam stil vallen
En je ziet achter alle gezichten de mentale leegte verdiepen
Waarbij de verschrikking overblijft van niks om over na te denken;
Of wanneer, onder ether, de geest bewust is, maar bewust van niets –
Ik zei tot mijn ziel, wees stil, en wacht zonder hoop
Want hoop zou hoop zijn voor het verkeerde; wacht zonder liefde,
Want liefde zou liefde zijn voor het verkeerde; er is nog geloof
Maar het geloof en de liefde en de hoop liggen vervat in het wachten.
Wacht zonder denken, want je bent nog niet klaar om te denken.
Zo zal de duisternis het licht zijn, de stilte het dansen.
Geruis van stromende beekjes, en winterweerlicht.
De onooglijke wilde tijm en de wilde aardbei,
De lach in de tuin, echo’s van extase,
Niet zomaar, maar gretig, wijzend naar de kramp
Van geboorte en dood.
Je zegt dat ik herhaal
Wat ik eerder al zei. Ik zal het nog eens zeggen.
Zal ik het nog eens zeggen? Om te komen,
Om te komen waar je bent, weg te komen van waar je niet bent,
Moet je een weg bewandelen waar geen extase is.
Om te komen bij wat je niet kent
Moet je een weg bewandelen die de weg is van onwetendheid.
Om te bezitten wat je niet bezit
Moet je de weg bewandelen van ontlediging.
Om te komen bij wat je niet bent
Moet je een weg kiezen waar je niet bent.
En wat je niet weet is het enige wat je weet
En wat je hebt is wat je niet hebt
En waar je bent is waar je niet bent.
East Coker – deel 4
– IV –
De arts – gewond – hanteert het staal
Dat onderzoekt de ziek geworden delen;
We voelen aan de bloedbesmeurde hand
De scherpe meelij van wie ons wil helen,
Die de rare koortstabel weet te bespelen.
Slechts wat gezond is, is de kwaal,
Mits wij de stervende verpleegster horen
Die ons niet met een opgewekt verhaal
Maar ons met Adams vloek komt storen,
En dat voor beterschap, de kwaal dient te ontsporen.
Ons ziekenhuis is heel de aarde
Een gift van de geruïneerde miljonair,
Waarin wij, als wij ons gedragen,
Ooit zullen sterven met de absolute paternale
Zorg die ons weerhoudt, nooit zal verlaten.
De kou stijgt op tot in de knoken,
De koorts zingt in mentale koorden.
Wie warm wil worden, zorgt dat hij bevriest,
Gelouterd wordt in ijzig vagevuur
Welks vlammen rozen zijn, welks rook is doornen.
Slechts druppend bloed kunnen we drinken,
Slechts bloedig vlees is wat ons voedt:
En toch, en toch blijven we denken
Dat we solide zijn, gedegen vlees en bloed –
Opnieuw, en toch, heet deze Vrijdag goed.
East Coker – deel 5
– V –
Hier ben ik dan, zo halverwege, twintig jaar verder –
Twintig jaar grotendeels vermorst, de jaren van l’entre deux guerres
Zoekend naar woorden, en elke poging
Is een totaal nieuw begin, weer een nieuwe mislukking
Omdat men slechts geleerd heeft om het beste uit woorden te halen
Voor dingen die je niet langer zou moeten zeggen, of op een manier
Waarop je het niet langer kunt zeggen. En zo begint elk streven
Steeds opnieuw, een aanval op vaagheden
Met gebrekkig gereedschap dat ons steeds in de steek laat
In het rommeltje van slecht omlijnde gevoelens,
Ongedisciplineerde sentimenten. En wat er nog te winnen is
Met kracht en onderwerping, is allang ontdekt,
Een keer, twee keer, meerdere keren, door mensen die je nooit zult kunnen
Overtreffen – maar er is geen competitie –
Er is slechts het gevecht om terug te winnen wat verloren ging
En gevonden en steeds opnieuw verloren: en nu onder voorwaarden
Die weinig veelbelovend lijken. Maar misschien is er winst noch verlies.
We kunnen alleen blijven streven. De rest gaat ons niet aan.
Thuis is van waar we vertrekken. Als we ouder worden
Wordt de wereld vreemder, het patroon van leven en dood
Wordt complexer. Het is niet de intensiteit van
Het afzonderlijke moment, zonder voor en na,
Maar een levenslang branden in elk moment,
En niet slechts de levensduur van een enkel mens,
Maar van oude stenen die je niet kunt ontcijferen.
Er is een tijd voor de avond onder de sterren,
Een tijd voor de avond bij lamplicht
(Die avond met het foto-album).
Liefde komt zichzelf het meest nabij
Als hier en nu niet langer van belang zijn.
Oude mensen horen onderzoekers te zijn
Waar dan ook – het maakt niet uit
We moeten kalm zijn, blijven bewegen
Naar een andere intensiteit
Om een andere eenheid te vinden, een diepere verbondenheid,
Dwars door de kou en de kale verlatenheid,
Door gierende golven, de gierende wind, de uitgestrekte wateren
Van de stormvogel en de dolfijn. In mijn einde is mijn aanvang.
Origineel
EAST COKER
(No. 2 of ‘Four Quartets’)
– I –
In my beginning is my end. In succession
Houses rise and fall, crumble, are extended,
Are removed, destroyed, restored, or in their place
Is an open field, or a factory, or a by-pass.
Old stone to new building, old timber to new fires,
Old fires to ashes, and ashes to the earth
Which is already flesh, fur and faeces,
Bone of man and beast, cornstalk and leaf.
Houses live and die: there is a time for building
And a time for living and for generation
And a time for the wind to break the loosened pane
And to shake the wainscot where the field-mouse trots
And to shake the tattered arras woven with a silent motto.
In my beginning is my end. Now the light falls
Across the open field, leaving the deep lane
Shuttered with branches, dark in the afternoon,
Where you lean against a bank while a van passes,
And the deep lane insists on the direction
Into the village, in the electric heat
Hypnotised. In a warm haze the sultry light
Is absorbed, not refracted, by grey stone.
The dahlias sleep in the empty silence.
Wait for the early owl.
In that open field
If you do not come too close, if you do not come too close,
On a summer midnight, you can hear the music
Of the weak pipe and the little drum
And see them dancing around the bonfire
The association of man and woman
In daunsinge, signifying matrimonie—
A dignified and commodiois sacrament.
Two and two, necessarye coniunction,
Holding eche other by the hand or the arm
Whiche betokeneth concorde. Round and round the fire
Leaping through the flames, or joined in circles,
Rustically solemn or in rustic laughter
Lifting heavy feet in clumsy shoes,
Earth feet, loam feet, lifted in country mirth
Mirth of those long since under earth
Nourishing the corn. Keeping time,
Keeping the rhythm in their dancing
As in their living in the living seasons
The time of the seasons and the constellations
The time of milking and the time of harvest
The time of the coupling of man and woman
And that of beasts. Feet rising and falling.
Eating and drinking. Dung and death.
Dawn points, and another day
Prepares for heat and silence. Out at sea the dawn wind
Wrinkles and slides. I am here
Or there, or elsewhere. In my beginning.
– II –
What is the late November doing
With the disturbance of the spring
And creatures of the summer heat,
And snowdrops writhing under feet
And hollyhocks that aim too high
Red into grey and tumble down
Late roses filled with early snow?
Thunder rolled by the rolling stars
Simulates triumphal cars
Deployed in constellated wars
Scorpion fights against the Sun
Until the Sun and Moon go down
Comets weep and Leonids fly
Hunt the heavens and the plains
Whirled in a vortex that shall bring
The world to that destructive fire
Which burns before the ice-cap reigns.
That was a way of putting it—not very satisfactory:
A periphrastic study in a worn-out poetical fashion,
Leaving one still with the intolerable wrestle
With words and meanings. The poetry does not matter.
It was not (to start again) what one had expected.
What was to be the value of the long looked forward to,
Long hoped for calm, the autumnal serenity
And the wisdom of age? Had they deceived us
Or deceived themselves, the quiet-voiced elders,
Bequeathing us merely a receipt for deceit?
The serenity only a deliberate hebetude,
The wisdom only the knowledge of dead secrets
Useless in the darkness into which they peered
Or from which they turned their eyes. There is, it seems to us,
At best, only a limited value
In the knowledge derived from experience.
The knowledge imposes a pattern, and falsifies,
For the pattern is new in every moment
And every moment is a new and shocking
Valuation of all we have been. We are only undeceived
Of that which, deceiving, could no longer harm.
In the middle, not only in the middle of the way
But all the way, in a dark wood, in a bramble,
On the edge of a grimpen, where is no secure foothold,
And menaced by monsters, fancy lights,
Risking enchantment. Do not let me hear
Of the wisdom of old men, but rather of their folly,
Their fear of fear and frenzy, their fear of possession,
Of belonging to another, or to others, or to God.
The only wisdom we can hope to acquire
Is the wisdom of humility: humility is endless.
The houses are all gone under the sea.
The dancers are all gone under the hill.
– III –
O dark dark dark. They all go into the dark,
The vacant interstellar spaces, the vacant into the vacant,
The captains, merchant bankers, eminent men of letters,
The generous patrons of art, the statesmen and the rulers,
Distinguished civil servants, chairmen of many committees,
Industrial lords and petty contractors, all go into the dark,
And dark the Sun and Moon, and the Almanach de Gotha
And the Stock Exchange Gazette, the Directory of Directors,
And cold the sense and lost the motive of action.
And we all go with them, into the silent funeral,
Nobody’s funeral, for there is no one to bury.
I said to my soul, be still, and let the dark come upon you
Which shall be the darkness of God. As, in a theatre,
The lights are extinguished, for the scene to be changed
With a hollow rumble of wings, with a movement of darkness on darkness,
And we know that the hills and the trees, the distant panorama
And the bold imposing facade are all being rolled away—
Or as, when an underground train, in the tube, stops too long between stations
And the conversation rises and slowly fades into silence
And you see behind every face the mental emptiness deepen
Leaving only the growing terror of nothing to think about;
Or when, under ether, the mind is conscious but conscious of nothing—
I said to my soul, be still, and wait without hope
For hope would be hope for the wrong thing; wait without love,
For love would be love of the wrong thing; there is yet faith
But the faith and the love and the hope are all in the waiting.
Wait without thought, for you are not ready for thought:
So the darkness shall be the light, and the stillness the dancing.
Whisper of running streams, and winter lightning.
The wild thyme unseen and the wild strawberry,
The laughter in the garden, echoed ecstasy
Not lost, but requiring, pointing to the agony
Of death and birth.
You say I am repeating
Something I have said before. I shall say it again.
Shall I say it again? In order to arrive there,
To arrive where you are, to get from where you are not,
You must go by a way wherein there is no ecstasy.
In order to arrive at what you do not know
You must go by a way which is the way of ignorance.
In order to possess what you do not possess
You must go by the way of dispossession.
In order to arrive at what you are not
You must go through the way in which you are not.
And what you do not know is the only thing you know
And what you own is what you do not own
And where you are is where you are not.
– IV –
The wounded surgeon plies the steel
That questions the distempered part;
Beneath the bleeding hands we feel
The sharp compassion of the healer’s art
Resolving the enigma of the fever chart.
Our only health is the disease
If we obey the dying nurse
Whose constant care is not to please
But to remind of our, and Adam’s curse,
And that, to be restored, our sickness must grow worse.
The whole earth is our hospital
Endowed by the ruined millionaire,
Wherein, if we do well, we shall
Die of the absolute paternal care
That will not leave us, but prevents us everywhere.
The chill ascends from feet to knees,
The fever sings in mental wires.
If to be warmed, then I must freeze
And quake in frigid purgatorial fires
Of which the flame is roses, and the smoke is briars.
The dripping blood our only drink,
The bloody flesh our only food:
In spite of which we like to think
That we are sound, substantial flesh and blood—
Again, in spite of that, we call this Friday good.
– V –
So here I am, in the middle way, having had twenty years—
Twenty years largely wasted, the years of l’entre deux guerres
Trying to use words, and every attempt
Is a wholly new start, and a different kind of failure
Because one has only learnt to get the better of words
For the thing one no longer has to say, or the way in which
One is no longer disposed to say it. And so each venture
Is a new beginning, a raid on the inarticulate
With shabby equipment always deteriorating
In the general mess of imprecision of feeling,
Undisciplined squads of emotion. And what there is to conquer
By strength and submission, has already been discovered
Once or twice, or several times, by men whom one cannot hope
To emulate—but there is no competition—
There is only the fight to recover what has been lost
And found and lost again and again: and now, under conditions
That seem unpropitious. But perhaps neither gain nor loss.
For us, there is only the trying. The rest is not our business.
Home is where one starts from. As we grow older
The world becomes stranger, the pattern more complicated
Of dead and living. Not the intense moment
Isolated, with no before and after,
But a lifetime burning in every moment
And not the lifetime of one man only
But of old stones that cannot be deciphered.
There is a time for the evening under starlight,
A time for the evening under lamplight
(The evening with the photograph album).
Love is most nearly itself
When here and now cease to matter.
Old men ought to be explorers
Here or there does not matter
We must be still and still moving
Into another intensity
For a further union, a deeper communion
Through the dark cold and the empty desolation,
The wave cry, the wind cry, the vast waters
Of the petrel and the porpoise. In my end is my beginning.




































































































