
De vertaling van de delen I, II en III van Eliots Four Quartets – Vier kwartetten – kunt u elders op deze website vinden:
- Burnt Norton – Vier kwartetten deel 1
- East Coker – Vier kwartetten deel 2
- The Dry Salvages – Vier kwartetten deel 3
T. S. Eliot (1888-1965) was een Amerikaans-Engelse dichter die in Nederland het meest bekend is geworden door het desolate gedicht The Waste Land, met de bekende openingszinnen:
April is the cruellest month, breeding
Lilacs out of the dead land, mixing
Memory and desire, stirring
Dull roots with spring rain.
Dit gedicht vestigde zijn naam als modernist in de Engelstalige letteren.

[Deze introductie kunt u verder overslaan als u de introducties tot de eerste drie delen van de Vier kwartetten al eens gelezen hebt. Het gedeelte dat specifiek over Little Gidding gaat begint met een alinea waarvan de openingswoorden luiden: “Het onderhavige gedicht …]
Eliot was Amerikaan van geboorte, maar vestigde zich in 1915 in het Verenigd Koninkrijk. Hij heeft daar zijn hele verdere leven gewoond en gewerkt, eerst bij een bank, later bij Faber & Faber, een uitgever die zich ontwikkelde tot de voornaamste uitgever van poëzie in de engelstalige wereld. T.S. Eliot ontving in 1948 de Nobelprijs voor Literatuur.
In Amerika werd hij opgevoed in de sfeer van de Unitariërs, een kerkgenootschap aan de rand van het christendom waarbinnen men niet geloofde aan de goddelijkheid van Jezus en niet in de Drieëenheid. De kerk werd gekenmerkt door een spiritualiteit waarin orde en discipline belangrijk waren, waarden die voor Eliot altijd belangrijk zijn gebleven.
Op latere leeftijd bekeerde Eliot zich tot de Anglo-Katholieke tak van The Church of England – een Anglicaanse Kerk. Uit die tijd dateren ook Four Quartets – Vier kwartetten – die ook heel bekend geworden zijn.
Mede door zijn bekering kreeg hij in bepaalde kringen de naam een oude conservatieve mopperaar te zijn, zoals u onder andere kunt nalezen in het artikel van (de auteur heeft zijn achternaam niet mee): Andrew Epstein, How Did T.S. Eliot Go From Young and Wild to Old and Stodgy?, The New York Times, 2 sept. 2022. Aan dat artikel heb ik ook de openingsfoto van T.S. Eliot ontleend.
Hier vindt u een Nederlands voorbeeld van dat hoofdschudden: de bespreking door Joris Note van Paul Claes’ vertaling van de Four Quartets, waarin die afkeer van Eliots bekering tot in de titel doorklinkt: “Een bekeerde dichter”. Overigens zwalkt Note wel een beetje – enerzijds vindt hij Claes’ vertaling goed – terecht – en heeft hij ook waardering voor de kwartetten, maar anderzijds vindt hij Eliot maar een vervelende zeur met zijn christendom.
Over dat raadsel wonden overigens ook velen zich op in zijn tijd. Virginia Woolf die Eliot goed kende, schreef aan haar zus Vanessa Bell:
“Ik had een bijzonder beschamend en verontrustend gesprek met de arme, lieve Tom Eliot, die we vanaf vandaag allemaal wel als dood mogen beschouwen. Hij is anglo-katholiek geworden, gelooft in God en onsterfelijkheid, en gaat naar de kerk. Ik was geschokt. Een lijk zou op mij nog geloofwaardiger overkomen dan hij. Ik bedoel, het heeft toch iets obsceens als een levend persoon bij de haard zit en in God gelooft.”
Dit citaat komt uit het zeer interessante Eliot-boek van Rob Hartmans, T.S. Eliot. De vele gezichten van een conservatieve modernist, Amsterdam: Spectrum 2022, p. 136. Hartmans probeert Eliot in dat boek te redden uit handen van zijn verguizers, overigens zonder hem in alle opzichten te volgen. De ondertitel van zijn boek geeft al zijn genuanceerde benadering aan. Aan het boek van Hartmans heb ik een aantal van de in dit stuk genoemde genoemde feiten ontleend.
In 1936 publiceerde Eliot het gedicht Burnt Norton. In 1939 besloot Eliot nog drie gedichten met een vergelijkbare vorm aan Burnt Norton toe te voegen. In 1940 publiceerde hij East Coker, in 1941 The Dry Salvages, in 1942 Little Gidding. In 1943 verschenen deze gedichten bij Faber and Faber als de bundel Four Quartets.
Het centrale thema van de kwartettencuclus is de tijd – Eliot contrasteerde vergankelijke tijd en eeuwige tijd. Alle kwartetten verwezen naar een concrete plaats. En in ieder kwartet staat een bepaald seizoen min of meer centraal alsmede één van de vier elementen lucht, aarde, water en vuur.
Het onderhavige gedicht heeft net als de drie vorige kwartetten vijf delen die verschillen in tempo en toon. Het gedicht is wat de vorm betreft – eveneens net als de andere kwartetten – geïnspireerd door het vijftiende strijkkwartet van Beethoven (opus 132).
De naam van het gedicht Little Gidding heeft betrekking op een Church of England-kerkje in het plaatsje Little Gidding in Cambridgeshire: St John’s Church.
T.S. Eliot had geen speciale band met de kerkgemeenschap of de geschiedenis die bij dit kerkje horen. Het is een beeld voor een kleine geloofsgemeenschap die op diverse plaatsen in dit gedicht wordt opgeroepen.
Eliot verwijst op een paar plaatsen naar teksten van Dante (de mystieke Roos uit Het Paradijs), de bijbel (Het Onze Vader), christelijke symboliek (de duif als beeld van de Heilige Geest) en het verhaal van Pinksteren waarbij de Heilige Geest neerdaalde op de mensen met tongen van vuur. Expliciet wordt verwezen naar Juliana van Norwich (ca. 1342 – ca. 1423), een Engels mystica en schrijfster van Sixteen Revelations of Divine Love, dat beschouwd wordt als het eerste door een vrouw geschreven Middelengelse boek. Eliot verwijst ook naar The Cloud of Unknowing, een anoniem mystiek werk uit de veertiende eeuw.
Eliot verwijst ook naar concrete oorlogservaringen toen hij als burgerwacht werkte tijdens luchtaanvallen: de duif met de flikkerende tong – die uiteraard ook een overdrachtelijke betekenis heeft en een contrasterend beeldrijm vormt met het christelijke symbool, is ontleend aan een Duits oorlogsvliegtuig dat na een bombardement weer schietend wegvloog.
Het slotakkoord van het gedicht wordt gevormd doordat vuur en roos één worden, waarbij de vlammen van de zonde zo worden gepllooid dat ze de roos van verlossing vormen.
Er is nog veel meer over dit gedicht te vertellen, maar dat doe ik niet. Ik denk niet dat veel mensen het gedicht mooi gaan vinden door mijn gepraat erover, en het is toch ook aardig om zelf te ontdekken hoe mooi, muzikaal, frivool, ernstig en diepzinnig dit gedicht is.
Ik heb – tegen mijn gewoonte in – niet van het gehele gedicht één enkele audio-opname toegevoegd, maar ik heb van de verschillende delen afzonderlijke audio-opnames gemaakt.
Dit was geen gemakkelijke klus. Mocht u echte vertaalfouten tegenkomen, dan word ik daar graag op geattendeerd via e-mail – zie de pagina Over de vertaler/auteur, of via de reactiemogelijkheid.
Een vertaling van de hand van Peter van Huizen ter vergelijking, vindt u hier (Liter, Jrg 5, 2002 – via dbnl).
En – erg leuk – er is ook een geluidsopname van het oorspronkelijke gedicht. De gedragen voordracht is van T.S. Eliot zelf.
Vertaling
Little Gidding
Nr. 4 van Vier kwartetten
– I –
Midwinterlente is een jaargetij op zich,
Eeuwigdurend maar zompig als de avond valt,
Stilstaand in tijd, tussen keerkring en pool.
Als de korte dag met vorst en vuur zijn piek bereikt,
Flambeert de zon het ijs op plas en sloten –
Een beslagen spiegel in de vroege middag
Weerkaatst een verblindende schittering
In een hartverwarmende, windstille koude.
De doffe geest wordt opgepookt door gloed, intenser
Dan houtvlam of vuurkorf: geen wind, maar pinkstervuur
In deze donkere dagen. Tussen dooi en vrieskou
Siddert het sap van de ziel. Er is geen geur van aarde
Of geur van enig leven. Het is lentetijd
Maar buiten tijdsverband. De lage heg
Is een uur lang wit met overgangsbloesem
Van sneeuw, een bloei die abrupter optreedt
Dan zomerbloei, zonder knop of verwelking,
En buiten elk bestek van voortplanting.
Waar is de zomer, het onvoorstelbare
Nulpunt van Zomer?
Mocht je deze kant op komen
En de route nemen die je waarschijnlijk nemen zou,
Gezien de plaats waar je vast vandaan komt,
Mocht je in Mei deze kant op komen, dan zouden de hagen opnieuw
Wit zijn, wit zijn in Mei, met een weelderige zoetheid.
Zo zou het ook zijn aan het einde van de reis,
Als je in de nacht kwam als een verslagen koning,
Als je overdag kwam zonder te weten wat je kwam doen,
Zo zou het ook zijn, wanneer je het hobbelige pad verlaat
En afbuigt achter de varkensstal naar de saaie gevel
En de grafzerk. En wat je dacht dat je kwam doen
Is slechts een schil, een huls van betekenis
Waar het doel pas uitbreekt als het is vervuld,
Zo dat al gebeurt. Want of je had geen doel,
Of het doel ligt voorbij het einde dat je had bedacht
en het veranderde met de vervulling. Er zijn andere plaatsen
Die ook ’s werelds einde zijn, soms in de muil van de zee
Of boven een donker meer, in een woestijn of een stad –
Maar deze is het meest nabij, in plaats en tijd,
Nu en in Engeland.
Mocht je deze kant op komen
Via welke route dan ook, ergens vandaan,
Op enig moment of in enig seizoen,
Dan zou het altijd zo zijn: je zou gevoel en besef
Moeten uitzetten. Je bent hier niet om te bevestigen,
Jezelf iets te leren, nieuwsgierig te zijn
Of verslag te doen. Je bent hier, waar gebed is gepast,
Om te knielen. En gebed is meer dan woorden
In ‘t gelid zetten – de bewuste activiteit
Van de biddende geest – meer dan de klank van de biddende stem.
En waar doden geen taal voor hadden, toen ze leefden,
Kunnen ze je, nu ze dood zijn, vertellen: communicatie
Van de doden gaat met tongen van vuur, voorbij de taal der levenden.
Hier – het kruispunt van het tijdloos moment –
Is Engeland en nergens. Nooit en altijd.
– II –
As op ‘t oudemannen-vest
Is wat van verbrande rozen rest.
Stof in lucht gesuspendeerd
Die ‘t einde van ‘t verhaal markeert.
Geïnhaleerde lucht was huis –
Was muren, houtwerk en de muis,
Hoop en angst – in dood gevlucht.
Dit is de dood van lucht.
Watervloed en het verdrogen
In de mond en bij de ogen,
Het dode water en dood zand
Strijden om de overhand.
De dorre uitgeputte aarde
Die futiel gezwoeg aanstaarde,
Is mistroostig, treurig land.
Dit is de dood van aarde.
Water en vuur bestrijden
De stad, de kruiden en de weiden.
Water en vuur – zij lachten
Om ‘t offer dat we nimmer brachten.
Water en vuur maken ferment
Van het vergeten fundament,
Van heiligdom en kloostermuur.
Dit is de dood van water en vuur.
In het onzeker uur voor dag en dauw
Bij het eindigen van een nooit voltooide nacht
Aan het weerkerend einde van het oneindige
Nadat de donkere duif met de flikkerende tong
De horizon was gepasseerd op de terugweg
Terwijl de dode blaadjes als enige geluid
Nog ratelden als blik over het asfalt
Tussen drie wijken waaruit rook opsteeg,
Ontmoette ik iemand die liep, rondhing, zich haastte
Alsof hij zonder verzet voortgeblazen werd
Door stedelijke ochtendwind als de metalen blaadjes.
En toen ik mijn blik vestigde op het hangende hoofd
Met die oplettendheid waarmee we de eerste
Vreemdeling keuren in de vroege schemering
Ving ik de snelle blik op van een dode meester
Die ik gekend had, vergeten was, half herinnerde
Tegelijk één en velen; in het bruingetekende gelaat
Ogen van een geest die ik kende uit menig verhaal
Zowel intiem als onbepaalbaar.
Dus speelde ik een dubbelspel, en riep
En hoorde een andere stem roepen: ‘Wat! Jij hier?’
Dat waren we duidelijk niet. Ik was nog steeds dezelfde
Die tegelijk wist iemand anders te zijn –
Hij een gelaat bezig vorm te krijgen; maar de woorden volstonden
Om de herkenning af te dwingen waarvan ze uitgingen.
En dus, zoals de heersende wind waaide,
Te vreemd voor elkaar om elkaar mis te verstaan,
Eensgezind in dit snijpunt van tijd
Dat de ontmoeting nergens was, geen voor en geen na,
Betraden we het voetpad als twee dode schimmen.
Ik sprak: ‘Mijn verwondering is eenvoudig,
Maar eenvoud wekt verwondering. Daarom spreek:
Misschien zal ik het niet begrijpen, niet onthouden.’
En hij: ‘Ik popel niet om mijn gedachten en theorieën
Die jij vergeten zal, hier te herhalen.
Die dingen hebben hun doel gediend: laat ze maar.
Doe jij hetzelfde, en bid dat ze vergeven worden
Door anderen, zoals ik jou bid om zowel kwaad als goed
Te vergeven. Het fruit van ‘t voorbije seizoen is gegeten
En het welgevoede beest zal de lege emmer omver trappen.
Want voorbije woorden horen bij een voorbije taal
En woorden van straks wachten op een nieuwe stem.
Maar nu de overgang geen beletsel vormt
Voor de onrustige geest die tussen twee werelden
Zweeft die steeds meer op elkaar gaan lijken,
Vind ik woorden die ik nooit dacht uit te spreken
In straten die ik nooit meer dacht te betreden
Toen ik mijn lichaam achterliet in verre streken.
Omdat het ons om taal ging, en taal ons dwong
Het dialect van de stam te zuiveren,
De geest tot vooruitzien en terugkijken te bewegen,
Laat me dan de gaven, voorbehouden aan de oude dag, onthullen
Door een kroon te plaatsen op wat je hebt bereikt.
Allereerst: de kille afmatting van dovende zintuigen
Zonder betovering, die niets méér weet te bieden
Dan bittere smakeloosheid van schaduwfruit
Wanneer lichaam en ziel uiteen gaan vallen.
Vervolgens: de bewuste onmacht van woede
Over menselijke dwaasheid, en de schurende
lach over wat niet leuk meer is.
Ten slotte: de scherpe pijn om voor je te zien
Wat je ooit deed, en wie je was, schaamte
Over ware drijfveren, en het heldere besef
Van dingen die je fout deed, fout tot schade van de ander,
Iets wat je ooit aanzag voor deugdzaamheid.
Dan: bijval van dwazen steekt, eerbetoon bevlekt.
Van misstap naar misstap beweegt de uitgeputte geest
Zich voort, tenzij gezuiverd door het louterend vuur
Dat je dwingt in de maat te bewegen, als een danser.’
De dag brak aan. In de misvormde straat
Verliet hij mij – een soort vaarwel –
En loste op in de klanken van de hoorn.
– III –
Er zijn drie toestanden die vaak op elkaar lijken
Maar zeer verschillend zijn, bloei in dezelfde haag:
Hechting aan het Ik, aan dingen en personen, onthechting
Aan het Ik, aan dingen en personen; en, opvallender, onverschilligheid
Die lijkt op beide zoals dood lijkt op leven,
Zijn tussen twee levens in – bloemloos, tussen dode en levende netel,
Brand- en dovenetel. En zo gebruik je het geheugen:
Voor bevrijding – niet minder liefde maar uitbreiding
Van liefde voorbij begeerte, en dus bevrijding
Van toekomst en verleden beide. Daarom begint vaderlandsliefde
Als gehechtheid aan ons eigen domein van de daad
En merkt zij later dat dit weinig voorstelt,
Al scheelt het iets. Geschiedenis kan slavernij zijn,
Gechiedenis kan vrijheid zijn. Kijk, daar verdwijnen ze,
Gelaatstrekken en plekken, met het Ik dat ze liefhad naar vermogen
Om vernieuwd, omgevormd te worden, in een ander patroon.
Zonde is Noodwendig, maar
Alles zal goed komen, en
Al zulke dingen komen weer goed.
Als ik opnieuw denk aan deze plek
En deze mensen, niet altijd lofwaardig,
Niet direct vriendelijk of verwant,
Maar met een bijzondere bezieling,
Allen geraakt door een gedeelde bezieling,
Verenigd in de strijd die hen verdeelde;
Als ik denk aan een koning bij avond,
Aan drie mannen, of meer, op het schavot
En aan een paar doden die vergeten zijn
Op andere plekken, hier en in verre streken,
En aan iemand die blind en zwijgend stierf,
Waarom zouden we dan deze doden
Meer eren dan de stervenden?
Het is niet het terugluiden van de klok
Evenmin is het een bezwering
Om de geest van de Roos op te roepen.
We kunnen oude twisten niet doen herleven
We kunnen oud beleid niet opnieuw voeren
Of meegaan achter een antieke trom.
Deze mensen, en ook hun bestrijders
En degenen die zij bestreden
Aanvaarden de grondwet van de stilte
En worden geplooid tot een soort eenheid.
Wat we ook erven van de gelukkigen,
We hebben genomen wat verslagenen
Ons moesten nalaten – een symbool:
Een symbool, voltooid in de dood.
En alles zal goed komen en
Al zulke dingen komen weer goed
Door de loutering van het motief
In de diepten van onze smeekbede.
– IV –
De dalende duif klieft de atmosfeer
In een vuurvlam van angstgloed
Waarvan dan elke taal beweert:
Dit maakt onze zonden weer goed.
Hoop die in wanhoop steeds wederkeert
Is de keus voor schavot of schavot,
Om met vuur van vuur te worden verlost.
Wie schiep dan deze wrede keus? Liefde.
De onbekende Naam die Liefde heet
Schuilt achter de handen die weefden
Aan het ondraaglijk vlammenkleed
Door geen mens ooit opgeheven.
We leven slechts, we smachten ieder uur,
Verteerd door ofwel vuur of vuur.
– V –
Wat begin heet, is vaak het eind,
Wie een eind kiest, kiest een nieuw begin.
Het einde is vertrekpunt. En elke frase
En zin die raak is (waar elk woord thuis is,
Zijn plaats inneemt om de andere te schragen,
Het woord dat niet schuw is, niet opvallend,
Een soepele uitwisseling van het oude en het nieuwe,
Het gewone woord, precies en niet vulgair,
Het formele woord, exact maar niet pedant,
Het gehele gezelschap dat samen danst),
Elke frase, elke zin is een einde en een begin,
Elk gedicht een epitaaf. En elke daad
Een stap naar het blok, het vuur, de muil van de zee,
Een onleesbare steen: En daar beginnen we dan.
We sterven met de stervenden:
Kijk, daar gaan ze, en wij gaan met hen mee.
We worden geboren met de doden:
Kijk, ze keren terug, en ze nemen ons mee.
Het moment van de roos, het moment van de taxusboom
Duren even lang. Een volk zonder geschiedenis
Is niet van tijd verlost, want geschiedenis is een patroon
Van tijdloze momenten. Dus nu het licht het laat afweten
Op een winternamiddag, in een afgelegen kapel:
Geschiedenis is nu en in Engeland.
Deze Liefde en de stem van deze Roeping trekt
En zo zullen we onderzoekers blijven
En het eind van onze onderzoekingen
Is dat we aankomen waar we begonnen
En dat we deze plaats leren kennen als nieuw.
Door de vreemde, vaag-bekende poort
Zien we wat het begin was
In het laatste stukje aarde dat nog ontdekt wordt;
Bij de bron van de langste rivier
De stem van de verborgen waterval
En de kinderen in de appelboom
Vreemd, omdat niemand ze zocht
Maar gehoord, vaag gehoord in de stilte
Tussen twee golven van de zee.
Snel dan, hier, nu, altijd –
Voorwaarde van volkomen eenvoud
(die alles kost, niets minder)
En alles zal goed komen, en
Alle soorten dingen komen weer goed
Als de vlammentongen gevouwen worden
In een kroonstreng van vuur
En het vuur en de roos één zullen zijn.
Origineel
Little Gidding
No. 4 of Four Quartets
– I –
Midwinter spring is its own season
Sempiternal though sodden towards sundown,
Suspended in time, between pole and tropic.
When the short day is brightest, with frost and fire,
The brief sun flames the ice, on pond and ditches,
In windless cold that is the heart’s heat,
Reflecting in a watery mirror
A glare that is blindness in the early afternoon.
And glow more intense than blaze of branch, or brazier,
Stirs the dumb spirit: no wind, but pentecostal fire
In the dark time of the year. Between melting and freezing
The soul’s sap quivers. There is no earth smell
Or smell of living thing. This is the spring time
But not in time’s covenant. Now the hedgerow
Is blanched for an hour with transitory blossom
Of snow, a bloom more sudden
Than that of summer, neither budding nor fading,
Not in the scheme of generation.
Where is the summer, the unimaginable
Zero summer?
If you came this way,
Taking the route you would be likely to take
From the place you would be likely to come from,
If you came this way in May time, you would find the hedges
White again, in May, with voluptuary sweetness.
It would be the same at the end of the journey,
If you came at night like a broken king,
If you came by day not knowing what you came for,
It would be the same, when you leave the rough road
And turn behind the pig-sty to the dull facade
And the tombstone. And what you thought you came for
Is only a shell, a husk of meaning
From which the purpose breaks only when it is fulfilled
If at all. Either you had no purpose
Or the purpose is beyond the end you figured
And is altered in fulfilment. There are other places
Which also are the world’s end, some at the sea jaws,
Or over a dark lake, in a desert or a city—
But this is the nearest, in place and time,
Now and in England.
If you came this way,
Taking any route, starting from anywhere,
At any time or at any season,
It would always be the same: you would have to put off
Sense and notion. You are not here to verify,
Instruct yourself, or inform curiosity
Or carry report. You are here to kneel
Where prayer has been valid. And prayer is more
Than an order of words, the conscious occupation
Of the praying mind, or the sound of the voice praying.
And what the dead had no speech for, when living,
They can tell you, being dead: the communication
Of the dead is tongued with fire beyond the language of the living.
Here, the intersection of the timeless moment
Is England and nowhere. Never and always.
– II –
Ash on an old man’s sleeve
Is all the ash the burnt roses leave.
Dust in the air suspended
Marks the place where a story ended.
Dust inbreathed was a house—
The walls, the wainscot and the mouse,
The death of hope and despair,
This is the death of air.
There are flood and drouth
Over the eyes and in the mouth,
Dead water and dead sand
Contending for the upper hand.
The parched eviscerate soil
Gapes at the vanity of toil,
Laughs without mirth.
This is the death of earth.
Water and fire succeed
The town, the pasture and the weed.
Water and fire deride
The sacrifice that we denied.
Water and fire shall rot
The marred foundations we forgot,
Of sanctuary and choir.
This is the death of water and fire.
In the uncertain hour before the morning
Near the ending of interminable night
At the recurrent end of the unending
After the dark dove with the flickering tongue
Had passed below the horizon of his homing
While the dead leaves still rattled on like tin
Over the asphalt where no other sound was
Between three districts whence the smoke arose
I met one walking, loitering and hurried
As if blown towards me like the metal leaves
Before the urban dawn wind unresisting.
And as I fixed upon the down-turned face
That pointed scrutiny with which we challenge
The first-met stranger in the waning dusk
I caught the sudden look of some dead master
Whom I had known, forgotten, half recalled
Both one and many; in the brown baked features
The eyes of a familiar compound ghost
Both intimate and unidentifiable.
So I assumed a double part, and cried
And heard another’s voice cry: ‘What! are you here?’
Although we were not. I was still the same,
Knowing myself yet being someone other—
And he a face still forming; yet the words sufficed
To compel the recognition they preceded.
And so, compliant to the common wind,
Too strange to each other for misunderstanding,
In concord at this intersection time
Of meeting nowhere, no before and after,
We trod the pavement in a dead patrol.
I said: ‘The wonder that I feel is easy,
Yet ease is cause of wonder. Therefore speak:
I may not comprehend, may not remember.’
And he: ‘I am not eager to rehearse
My thoughts and theory which you have forgotten.
These things have served their purpose: let them be.
So with your own, and pray they be forgiven
By others, as I pray you to forgive
Both bad and good. Last season’s fruit is eaten
And the fullfed beast shall kick the empty pail.
For last year’s words belong to last year’s language
And next year’s words await another voice.
But, as the passage now presents no hindrance
To the spirit unappeased and peregrine
Between two worlds become much like each other,
So I find words I never thought to speak
In streets I never thought I should revisit
When I left my body on a distant shore.
Since our concern was speech, and speech impelled us
To purify the dialect of the tribe
And urge the mind to aftersight and foresight,
Let me disclose the gifts reserved for age
To set a crown upon your lifetime’s effort.
First, the cold friction of expiring sense
Without enchantment, offering no promise
But bitter tastelessness of shadow fruit
As body and soul begin to fall asunder.
Second, the conscious impotence of rage
At human folly, and the laceration
Of laughter at what ceases to amuse.
And last, the rending pain of re-enactment
Of all that you have done, and been; the shame
Of motives late revealed, and the awareness
Of things ill done and done to others’ harm
Which once you took for exercise of virtue.
Then fools’ approval stings, and honour stains.
From wrong to wrong the exasperated spirit
Proceeds, unless restored by that refining fire
Where you must move in measure, like a dancer.’
The day was breaking. In the disfigured street
He left me, with a kind of valediction,
And faded on the blowing of the horn.
– III –
There are three conditions which often look alike
Yet differ completely, flourish in the same hedgerow:
Attachment to self and to things and to persons, detachment
From self and from things and from persons; and, growing between them, indifference
Which resembles the others as death resembles life,
Being between two lives—unflowering, between
The live and the dead nettle. This is the use of memory:
For liberation—not less of love but expanding
Of love beyond desire, and so liberation
From the future as well as the past. Thus, love of a country
Begins as attachment to our own field of action
And comes to find that action of little importance
Though never indifferent. History may be servitude,
History may be freedom. See, now they vanish,
The faces and places, with the self which, as it could, loved them,
To become renewed, transfigured, in another pattern.
Sin is Behovely, but
All shall be well, and
All manner of thing shall be well.
If I think, again, of this place,
And of people, not wholly commendable,
Of no immediate kin or kindness,
But of some peculiar genius,
All touched by a common genius,
United in the strife which divided them;
If I think of a king at nightfall,
Of three men, and more, on the scaffold
And a few who died forgotten
In other places, here and abroad,
And of one who died blind and quiet
Why should we celebrate
These dead men more than the dying?
It is not to ring the bell backward
Nor is it an incantation
To summon the spectre of a Rose.
We cannot revive old factions
We cannot restore old policies
Or follow an antique drum.
These men, and those who opposed them
And those whom they opposed
Accept the constitution of silence
And are folded in a single party.
Whatever we inherit from the fortunate
We have taken from the defeated
What they had to leave us—a symbol:
A symbol perfected in death.
And all shall be well and
All manner of thing shall be well
By the purification of the motive
In the ground of our beseeching.
– IV –
The dove descending breaks the air
With flame of incandescent terror
Of which the tongues declare
The one discharge from sin and error.
The only hope, or else despair
Lies in the choice of pyre or pyre—
To be redeemed from fire by fire.
Who then devised the torment? Love.
Love is the unfamiliar Name
Behind the hands that wove
The intolerable shirt of flame
Which human power cannot remove.
We only live, only suspire
Consumed by either fire or fire.
– V –
What we call the beginning is often the end
And to make an end is to make a beginning.
The end is where we start from. And every phrase
And sentence that is right (where every word is at home,
Taking its place to support the others,
The word neither diffident nor ostentatious,
An easy commerce of the old and the new,
The common word exact without vulgarity,
The formal word precise but not pedantic,
The complete consort dancing together)
Every phrase and every sentence is an end and a beginning,
Every poem an epitaph. And any action
Is a step to the block, to the fire, down the sea’s throat
Or to an illegible stone: and that is where we start.
We die with the dying:
See, they depart, and we go with them.
We are born with the dead:
See, they return, and bring us with them.
The moment of the rose and the moment of the yew-tree
Are of equal duration. A people without history
Is not redeemed from time, for history is a pattern
Of timeless moments. So, while the light fails
On a winter’s afternoon, in a secluded chapel
History is now and England.
With the drawing of this Love and the voice of this Calling
We shall not cease from exploration
And the end of all our exploring
Will be to arrive where we started
And know the place for the first time.
Through the unknown, remembered gate
When the last of earth left to discover
Is that which was the beginning;
At the source of the longest river
The voice of the hidden waterfall
And the children in the apple-tree
Not known, because not looked for
But heard, half-heard, in the stillness
Between two waves of the sea.
Quick now, here, now, always—
A condition of complete simplicity
(Costing not less than everything)
And all shall be well and
All manner of thing shall be well
When the tongues of flame are in-folded
Into the crowned knot of fire
And the fire and the rose are one.




































































































