Auteursarchief: Arie Sonneveld

Onbekend's avatar

Over Arie Sonneveld

In 1964 ben ik geboren in Berkel en Rodenrijs. In Wageningen studeerde ik tussen 1982 en 1989 Moleculaire Wetenschappen. Van 1994 tot 2000 werkte ik als leidinggevende bij academische boekhandels in Utrecht en Leiden en van 2000 tot 2008 als afdelingshoofd bij de Leidse universiteitsbibliotheek. Sindsdien werk ik als zelfstandig redacteur en vertaler. In 2014 was ik actief als Wikipedian-in-Residence voor zes speciale en wetenschappelijke bibliotheken. Van 2008 tot en met 2014 ben ik in mijn vrije tijd werkzaam geweest als Wikipedia-redacteur onder het van Kurt Tucholsky geleende pseudoniem Theobald Tiger. Ik lees graag gedichten, aforismen en essays.

The Dry Salvages – (Gedicht III van Vier kwartetten) – T.S. Eliot

T. S. Eliot (1888-1965) was een Amerikaans-Engelse dichter die in Nederland het meest bekend is geworden door het desolate gedicht The Waste Land, met de bekende openingszinnen:

April is the cruellest month, breeding
Lilacs out of the dead land, mixing
Memory and desire, stirring
Dull roots with spring rain.

Dit gedicht vestigde zijn naam als modernist in de Engelstalige letteren.

Eliot was Amerikaan van geboorte, maar vestigde zich in 1915 in het Verenigd Koninkrijk. Hij heeft daar zijn hele verdere leven gewoond en gewerkt, eerst bij een bank, later bij Faber & Faber, een uitgever die zich ontwikkelde tot de voornaamste uitgever van poëzie in de engelstalige wereld. T.S. Eliot ontving in 1948 de Nobelprijs voor Literatuur.

In Amerika werd hij opgevoed in de sfeer van de Unitariërs, een kerkgenootschap aan de rand van het christendom waarbinnen men niet geloofde aan de goddelijkheid van Jezus en niet in de Drieëenheid. De kerk werd gekenmerkt door een spiritualiteit waarin orde en discipline belangrijk waren, waarden die voor Eliot altijd belangrijk zijn gebleven.

Op latere leeftijd bekeerde Eliot zich tot de Anglo-Katholieke tak van The Church of England – een Anglicaanse Kerk. Uit die tijd dateren ook Four Quartets – Vier kwartetten – die ook heel bekend geworden zijn.

Mede door zijn bekering kreeg hij in bepaalde kringen de naam een oude conservatieve mopperaar te zijn, zoals u onder andere kunt nalezen in het artikel van (de auteur heeft zijn achternaam niet mee): Andrew Epstein, How Did T.S. Eliot Go From Young and Wild to Old and Stodgy?, The New York Times, 2 sept. 2022. Aan dat artikel heb ik ook de openingsfoto van T.S. Eliot ontleend.

Hier vindt u een Nederlands voorbeeld van dat hoofdschudden: de bespreking door Joris Note van Paul Claes’ vertaling van de Four Quartets, waarin die afkeer van Eliots bekering tot in de titel doorklinkt: “Een bekeerde dichter”. Overigens zwalkt Note wel een beetje – enerzijds vindt hij Claes’ vertaling goed – terecht – en heeft hij ook waardering voor de kwartetten, maar anderzijds vindt hij Eliot maar een vervelende zeur met zijn christendom.

Over dat raadsel wonden overigens ook velen zich op in zijn tijd. Virginia Woolf die Eliot goed kende, schreef aan haar zus Vanessa Bell:

“Ik had een bijzonder beschamend en verontrustend gesprek met de arme, lieve Tom Eliot, die we vanaf vandaag allemaal wel als dood mogen beschouwen. Hij is anglo-katholiek geworden, gelooft in God en onsterfelijkheid, en gaat naar de kerk. Ik was geschokt. Een lijk zou op mij nog geloofwaardiger overkomen dan hij. Ik bedoel, het heeft toch iets obsceens als een levend persoon bij de haard zit en in God gelooft.”

Dit citaat komt uit het zeer interessante Eliot-boek van Rob Hartmans, T.S. Eliot. De vele gezichten van een conservatieve modernist, Amsterdam: Spectrum 2022, p. 136. Hartmans probeert Eliot in dat boek te redden uit handen van zijn verguizers, overigens zonder hem in alle opzichten te volgen. De ondertitel van zijn boek geeft al zijn genuanceerde benadering aan. Aan het boek van Hartmans heb ik een aantal van de in dit stuk genoemde genoemde feiten ontleend.

In 1936 publiceerde Eliot het gedicht Burnt Norton. In 1939 besloot Eliot nog drie gedichten met een vergelijkbare vorm aan Burnt Norton toe te voegen. In 1940 publiceerde hij East Coker, in 1941 The Dry Salvages, in 1942 Little Gidding. In 1943 verschenen deze gedichten bij Faber and Faber als de bundel Four Quartets.

Het onderhavige gedicht The Dry Salvages – waarschijnlijk een verbastering van het Franse les trois sauvages (de drie wilden) – is vernoemd naar een kleine rotsformatie voor de noordoostkust van Cape Ann in Massachusetts waar Eliot in zijn jonge jaren soms verbleef en in de omgeving waarvan hij graag zeilde. Die ervaringen worden op sommige plaatsen in dit derde deel van Four Quartets dichterlijk verwerkt.

Het centrale thema van de kwartettencuclus is de tijd – Eliot contrasteerde vergankelijke tijd en eeuwige tijd. Alle kwartetten verwezen naar een concrete plaats. En in ieder kwartet staat een bepaald seizoen min of meer centraal alsmede één van de vier elementen lucht, aarde, water en vuur. In The Dry Salvages zijn het achtereenvolgens de genoemde rotsformatie uit de titel, het seizoen is voor mij een beetje onduidelijk, en het element water.

The Dry Salvages heeft vijf delen – net als de andere kwartetten – die verschillen in tempo en toon. Het gedicht is wat de vorm betreft – eveneens net als de andere kwartetten – geïnspireerd door het vijftiende strijkkwartet van Beethoven (opus 132).

Het gedicht verwijst naar tal van bekende werken uit de wereldliteratuur, onder andere naar de bijbel, de Baghavad Gita, naar Dante, en naar de christelijke liturgie. De Baghavad Gita speelt expliciet een rol. Verwezen wordt naar een dialoog waarin Krishna Arjuna instrueert en vermaant. Het belangrijkste element dat Eliot daaruit overneemt is de belangeloosheid van de daad: wat de daad iemand oplevert, is niet van belang.

Deel II bevat zes zesregelige strofen waarvan de regels 1 eindrijm hebben, de regels 2 idem, enz. Omdat de rijmen vrij ver uit elkaar staan, zijn er een aantal vrij nadrukkelijk, soms ook met ongebruikelijke woorden in het Engels. Ik heb geprobeerd die praktijk in mijn vertaling te handhaven.

Het gebed in deel IV is gericht aan Maria, de moeder van God. Figlia del tuo figlio is een citaat uit Dante Alighieri’s Divina Commedia (Paradiso, Canto 33). Het betekent ‘Dochter van je zoon’. Het is een beroemde omkering van wat je zou verwachten: het wijst op het feit dat hoewel de goddelijke Jezus natuurlijk Maria’s zoon is, ook het omgekeerde waar is: Maria is immers een schepsel (dochter) van God.

Net als bijvoorbeeld in Burnt Norton worden natuurbeschrijvingen afgewisseld met elementen uit het moderne leven: in Bunt Norton komt een rit met de metro voor, in The Dry Salvages een treinrit.

Annunciation (met hoofdletter) verwijst naar de aankondiging van Jezus’ geboorte. Die aankondiging wordt gedaan door de aartsengel Gabriël aan de maagd Maria.

Incarnation (met hoofdletter) verwijst naar de vleeswording van God op aarde, dat wil zeggen naar het feit van Jezus’ geboorte.

Het contrast van fare well (met spatie) en fare forward in de slotregels van deel III is heel moeilijk in het Nederlands na te bootsen zonder enorm vormverlies. Fare well betekent iets als ‘goed je best doen’, of soms ook de wens dat je succes hebt met wat je doet. Ik heb iets verzonnen. U moet maar zien of het u bevalt.

Edgware Road is een levendige straat in Londen: een centrum van arabische cultuur, Libanese winkeltjes enz. Een Nederlandse tegenhanger zou bijvoorbeeld de Javastraat in Amsterdam-Oost zijn.

Ik heb – tegen mijn gewoonte in – niet van het gehele gedicht één enkele audio-opname toegevoegd, maar ik heb van de verschillende delen afzonderlijke audio-opnames gemaakt.

Dit was geen gemakkelijke klus. Mocht u echte vertaalfouten tegenkomen, dan word ik daar graag op geattendeerd via e-mail – zie de pagina Over de vertaler/auteur, of via de reactiemogelijkheid.

Een vertaling van de hand van Peter van Huizen ter vergelijking, vindt u hier (Liter, Jrg 5, 2002 – via dbnl).

En – erg leuk – er is ook een geluidsopname van het oorspronkelijke gedicht. De gedragen voordracht is van T.S. Eliot zelf.



Vertaling

Geluidsopname van de vertaling – The Dry Salvages 1 – Arie Sonneveld

THE DRY SALVAGES
Nr. 3 van Vier kwartetten

– I –
Ik weet niet veel van goden, maar ik denk dat de rivier
Een machtige bruine god is – nors, ontembaar en dwars,
Soms wel geduldig, vaak eerst gezien als grens;
Nuttig, niet altijd betrouwbaar in dienst van de handel;
Uiteindelijk een probleem voor de bruggenbouwer.
En als het probleem is opgelost, wordt de bruine god vaak vergeten
Door de stadsbewoners – al blijft hij altijd onverbiddelijk.
Hij kiest zijn tijd, zijn toorn, is verwoestend, herinnert ons
Aan wat we het liefst vergeten. Ongeëerd, onbemind
Door techniek-aanbidders – maar wachtend, kijkend en wachtend.
Zijn ritme was al aanwezig in de kinderkamer,
Al vroeg in April, onder de uitbottende hemelboom,
In de geur van klaargezette oktoberdruiven,
En in de kring onder de suizende winterlamp.

De rivier is in ons, de zee is rondom ons;
Ook de zee is een landsgrens, het graniet
Dat zich erin uitstrekt, het strand waar ze tegenop spoelt;
En de signalen van eerdere en andere scheppingen:
De zeester, de degenkrab, de wervel van de walvis;
De poelen zeewater waarin we opmerkzaam turen
Naar al die tere algen en de zee-anemoon.
Ze doet gloren wat we verloren, het gescheurde visnet,
De kapotte kreeftenfuik, de gebroken roeispaan
En het gerei van verre doden. De zee heeft veel stemmen,
Veel goden en veel stemmen.
                                                        Het zout rust op de duinroos,
De nevel hangt in de zilverspar.
                                                        De zee die loeit
En de zee die schreit – het zijn verschillende stemmen
Die je vaak samen hoort: het gesuis in het want,
De dreiging en streling van een golf die breekt op water,
Het geluid van de branding in de granieten kammen,
En het alarmerend gehuil van een naderende kaap –
Het zijn allemaal stemmen van de zee, en ook de stampende fluitboei
Bij de ronding op de terugweg, en de zeemeeuw:
En toegedekt door de stille nevel
Is er de klank van de klok
Die een tijd – niet de onze – aangeeft, gewekt door kalme
Zeedeining, een tijd
Ouder dan de tijd van de uurwerken, ouder
Dan tijd die afgeteld wordt door bange, bezorgde vrouwen
Die wakker liggen, de toekomst berekenen,
Die uiteen halen, uiteen rafelen, uiteen snijden
Om heden weer aan verleden te kunnen vastmaken,
Tussen middernacht en dageraad, als het verleden slechts misleiding is,
De toekomst toekomstloos, nog voor de wekker gaat
En deze tijd stopt, een tijd die nooit eindigt;
En de zeedeining, die er is en er was vanaf de aanvang,
Luidt
De klok.



Geluidsopname van de vertaling – deel 2 – Arie Sonneveld

– II –
Waar is het einde ervan, van het geluidloos geschrei,
De stille verwelking van bloemen in het najaar
Die kelkblaadjes laten vallen in hun roerloosheid;
Waar is het einde dan, van het op drift geraakte wrak,
Het gebed van gebeente op het strand, het onbidbare
Gebed bij de noodlottige annunciatie?

Er is geen einde; er komt steeds bij:
Nawerking van elk nieuw uur, elk jaar,
Als emotie zich ontfermt over emotieloosheid
Van jarenlang leven temidden van wat brak
In wat vertrouwd werd als het meest betrouwbare –
En daarom het meest geschikt is voor renunciatie.

Er komt nog iets bij, gekrenkte trots of – zij aan zij –
Wroeging over wat je kon, maar ’t valt nu zwaar,
De losse devotie die door kon gaan voor devotieloosheid,
In een losgeslagen bootje dat traag onder water zakt,
Het stille luisteren naar de niet te missen, klare
Klank van de klok van de laatste annunciatie.

Waar is doel en einde van de visser die zijn zeil hijst
Achter de wind, waar de mist rust op de baren?
We kennen geen tijd met oceaanloosheid
Of met een oceaan waarin vergane overdaad ontbrak
Of met een toekomst die – als vroeger – niet de gevaren
Kent van een voortgaan zonder doel of destinatie.

We moeten ons indenken dat de vissers blijven
Lossen, ankeren, slepen, met een Noordooster die zwaar
Over ondiepe banken strijkt in bestendige erosieloosheid,
Of die hun geld beuren, zeil in de haven opgerold en strak;
Maar niet dat ze een tocht maken die waarde
Heeft met een lading die niet bestand is tegen visitatie.

Er komt geen einde aan, aan het geluidloos geschrei,
Geen einde aan de verwelking van bloemen in het najaar,
Het zich roeren van leed dat leedloos is in zijn roerloosheid;
Aan de driftige zee en het op drift geraakte wrak,
Het gebed van gebeente tot de Dood zijn God. Slechts waardig,
Bijna onbidbaar bidden bij die ene Annunciatie.

Het lijkt alsof, wanneer je ouder wordt,
Dat het verleden van patroon verandert, ophoudt slechts opeenvolging te zijn –
Of zelfs maar ontwikkeling: dat laatste is een partiële denkfout,
Voortkomend uit oppervlakkige ideeën over evolutie,
Die in alledaagse geesten bewerkt dat het verleden er niet langer toe doet.
De momenten van geluk – niet het gevoel van welbevinden,
Bloei, voldoening, veiligheid of genegenheid,
Of zelfs maar van een heel goed diner, maar een illuminatie:
We hadden de ervaring maar misten de betekenis,
En de betekenis nabij komen herstelt de ervaring
In andere vorm, voorbij elke betekenis
Die we kunnen hechten aan geluk. Ik heb al eerder gezegd
Dat ervaring van vroeger die tot leven komt in betekenis
Niet alleen de ervaring is van een enkel leven
Maar van meerdere generaties – dat je niet vergeet
Wat waarschijnlijk vrijwel onuitsprekelijk is:
De terugblik achter de zelfverzekerdheid
Van geschiedschrijving, het over je schouder kijken
Met steelse blik naar de pure, elementaire angst.
We ontdekken dan dat de momenten van gekweldheid
(Of deze al of niet door misverstand ontstaat,
omdat we verkeerde dingen hoopten of verkeerde dingen vreesden,
Is niet aan de orde) evenzeer beklijven
Voor zover tijd dingen laat beklijven. We beseffen dit beter
Door gekweldheid van anderen, waarvan we een glimp opvingen
Door betrokken te zijn, dan in die van onszelf.
Want ons eigen verleden wordt overwoekerd door dadendrang,
Maar de kwelling van anderen blijft een ervaring die niet
Wordt bepaald of uitgehold door de resulterende uitputting.
Mensen veranderen en lachen: de gekweldheid blijft.
Tijd die vernietigt, is tijd die bewaart,
Zoals de rivier met zijn lading dode kleurlingen, koeien en kippenhokken,
De bittere appel, en de aangevreten appel.
En de ruige rots in het onstuimige water –
Golven spoelen over hem heen, de mist verhult hem –
Op een vredige dag is hij slechts monument,
Bij gunstig weer steeds een baken om de koers
Uit te zetten: maar in donkere jaargetijden
Of plotselinge razernij, is hij dat wat hij altijd al was.



Geluidsopname van de vertaling – deel 3 – Arie Sonneveld

– III –
Ik vraag me soms af of het dat is wat Krishna bedoelde –
Naast andere dingen – of laat ik het nog anders zeggen:
De toekomst is een wegstervend lied, een geur van Royal Rose of lavendel,
Weeklachten over wie er nog niet zijn om te beklagen,
Geplet als ze zijn tussen gele bladen van een nooit open geslagen boek.
En de opgang is de neergang, de weg vooruit is de weg terug.
Je kunt er niet steeds mee bezig zijn, maar zo veel is zeker:
De tijd is geen geneesheer: de patiënt is er niet meer.
Als de trein optrekt, en de passagiers rustig bezig zijn
Met hun fruit, periodieken en zakelijke papieren
(en zij die hen uitzwaaiden hebben het perron verlaten)
Gaan hun gezichten van treurig naar vredig,
Op het slaperige ritme van een eeuwigheid.
Voorwaarts, reizigers! – niet om aan het verleden te ontsnappen
Naar andere levens, of naar een andere toekomst;
Jullie zijn niet dezelfden die dat station verlieten
Of die zullen aankomen op enig eindstation boven de
Steeds smaller wordende rails die samen onder jullie door glijden;
En op het dek van de ronkende veerboot
Zul je niet denken terwijl je achterwaarts kijkt naar het kielzog
Dat steeds wijder wordt: ‘het verleden is voorbij’,
Of ‘de toekomst ligt voor ons’.
Als het donker wordt weerklinkt een stem
In tuigage en antenne (die stem is onhoorbaar,
De fluisterende schelp van de tijd, en niet in een bepaalde taal)
‘Voorwaarts, jij die meent dat je op reis bent;
Je bent niet degene die de haven zag
Verdwijnen, of degene die straks aan wal gaat.
Nu je je bevindt tussen nabije en verre kust
Terwijl de tijd even stil staat, beschouw dan de toekomst
En het verleden met gelijkmoedigheid.
In het moment waarin daad noch dadenloosheid is
Kan dit je invallen: “in welke staat van zijn dan ook
Zou de menselijke geest zich kunnen richten
Op het uur van de dood” – dat is de enige daad
(En het uur van de dood is ieder moment)
Die vrucht zal dragen in het leven van anderen:
En denk daarbij niet aan vruchten van de daad.
Voorwaarts.
                       O reizigers, o zeelieden,
Jullie die aankwamen om in te schepen, en wier lichamen
Recht en oordeel van de zee zullen ondergaan,
Wat er ook gebeurt, dit is je ware bestemming.’
Zo leerde Krishna toen hij Arjuna vermaande
Over het domein van strijd.
                                                  Niet zwoegend voorwaarts,
Maar kalm voorwaarts, reizigers.



Geluidsopname van de vertaling – deel 4 – Arie Sonneveld

– IV –
Vrouwe, wier tempel staat op een rots aan de kust,
Bid voor allen die op schepen zijn, voor hen
Wier zaken draaien om vis, en
Voor hen die betrokken zijn bij ordelijk vaarverkeer
En voor hen die dit uitvoeren.

Spreek ook een vast gebed uit namens
Vrouwen die hun zonen of mannen hebben zien
Afreizen zonder dat ze terugkwamen:
Figlia del tuo figlio,
Koningin des Hemels.

En bid voor hen die ingescheept waren, en
Wier reis eindigde in het zand, in de hongermond van de zee
Of in de donkere muil van waaruit geen terugkeer is
Of waarin ze onbereikbaar zijn voor de klok van de zee
Met zijn eeuwige angelus.



Geluidsopname van de vertaling – deel 5 – Arie Sonneveld

– V –
Met Mars communiceren, praten met geesten,
Verslag doen van het gedrag van het zeemonster,
Een horoscoop opstellen, waarzeggen of toekomst lezen,
Kwalen afleiden uit het handschrift, een levensloop
Oproepen uit lijnen van de handpalm
En noodlot uit de vorm van vingers; afleiding van tekenen
Uit tovenarij, of theeblaadjes, het onvermijdelijke ontraadselen
Met speelkaarten, knoeien met pentagrammen
Of barbituraten, beelden die je achtervolgen
Terugvoeren op onbewuste angsten –
Nagaan hoe het zit met baarmoeder, groeve of dromen – het zijn allemaal gangbare
Vormen van tijdverdrijf en verdoving, en van stukjes in de krant:
En ze zullen dat altijd zijn, sommige ervan vooral
Als er internationaal onrust is en verbijstering
Of het nu in ergens in Azië is, of in Edgware Road.
De nieuwsgierige mens verdiept zich in verleden en toekomst
En klampt zich aan die dimensie vast. Maar om te vatten
Wat het belang is van het kruispunt van het tijdloze
Met de tijd, is een taak voor de heilige –
Eigenlijk geen taak, maar iets wat gegeven wordt
En genomen, in een leven lang sterven in liefde,
Gloed, belangeloosheid en overgave.
Voor de meesten van ons is er slechts het vluchtige
Moment, het moment binnen en buiten de tijd,
Een vleug afleiding die oplost in een lichtstraal,
De onooglijke wilde tijm, of het winterweerlicht,
Of de waterval, of muziek die zo intens binnen komt
Dat die in het geheel niet binnen komt, maar jij bent de muziek
Zolang de muziek duurt. Dit alles zijn maar hints en gissingen,
Hints gevolgd door gissingen; al het overige
Is gebed, getrouwheid, discipline, denken en daad.
De half gegiste suggestie, de half begrepen gave, is Incarnatie.
Hier is de onmogelijke eenheid
Van bestaanswijzen aan de orde,
Hier worden verleden en toekomst
Overwonnen en verzoend,
Waar daad anders beweging zou zijn
Van dat wat slechts bewogen wordt
Terwijl het zelf geen bewegingsbron heeft –
Gedreven door demonische, chthonische
Machten. En de juiste daad is ook vrijheid
Jegens verleden en toekomst.
Voor de meesten van ons, is dit het doel
Dat hier nooit verwezenlijkt zal worden;
Wij, die alleen daarom niet verslagen zijn
Omdat we het bleven proberen;
Wij, die pas dan rust vinden
Als onze wederkomst van tijd het leven voedt
(niet al te ver van de taxusboom)
Van een betekenisvolle bodem.



Origineel

THE DRY SALVAGES
No. 3 of Four Quartets

– I –
I do not know much about gods; but I think that the river
Is a strong brown god—sullen, untamed and intractable,
Patient to some degree, at first recognised as a frontier;
Useful, untrustworthy, as a conveyor of commerce;
Then only a problem confronting the builder of bridges.
The problem once solved, the brown god is almost forgotten
By the dwellers in cities—ever, however, implacable.
Keeping his seasons and rages, destroyer, reminder
Of what men choose to forget. Unhonoured, unpropitiated
By worshippers of the machine, but waiting, watching and waiting.
His rhythm was present in the nursery bedroom,
In the rank ailanthus of the April dooryard,
In the smell of grapes on the autumn table,
And the evening circle in the winter gaslight.

The river is within us, the sea is all about us;
The sea is the land’s edge also, the granite
Into which it reaches, the beaches where it tosses
Its hints of earlier and other creation:
The starfish, the horseshoe crab, the whale’s backbone;
The pools where it offers to our curiosity
The more delicate algae and the sea anemone.
It tosses up our losses, the torn seine,
The shattered lobsterpot, the broken oar
And the gear of foreign dead men. The sea has many voices,
Many gods and many voices.
                                             The salt is on the briar rose,
The fog is in the fir trees.
                                             The sea howl
And the sea yelp, are different voices
Often together heard: the whine in the rigging,
The menace and caress of wave that breaks on water,
The distant rote in the granite teeth,
And the wailing warning from the approaching headland
Are all sea voices, and the heaving groaner
Rounded homewards, and the seagull:
And under the oppression of the silent fog
The tolling bell
Measures time not our time, rung by the unhurried
Ground swell, a time
Older than the time of chronometers, older
Than time counted by anxious worried women
Lying awake, calculating the future,
Trying to unweave, unwind, unravel
And piece together the past and the future,
Between midnight and dawn, when the past is all deception,
The future futureless, before the morning watch
When time stops and time is never ending;
And the ground swell, that is and was from the beginning,
Clangs
The bell.

– II –
Where is there an end of it, the soundless wailing,
The silent withering of autumn flowers
Dropping their petals and remaining motionless;
Where is there an end to the drifting wreckage,
The prayer of the bone on the beach, the unprayable
Prayer at the calamitous annunciation?

There is no end, but addition: the trailing
Consequence of further days and hours,
While emotion takes to itself the emotionless
Years of living among the breakage
Of what was believed in as the most reliable—
And therefore the fittest for renunciation.

There is the final addition, the failing
Pride or resentment at failing powers,
The unattached devotion which might pass for devotionless,
In a drifting boat with a slow leakage,
The silent listening to the undeniable
Clamour of the bell of the last annunciation.

Where is the end of them, the fishermen sailing
Into the wind’s tail, where the fog cowers?
We cannot think of a time that is oceanless
Or of an ocean not littered with wastage
Or of a future that is not liable
Like the past, to have no destination.

We have to think of them as forever bailing,
Setting and hauling, while the North East lowers
Over shallow banks unchanging and erosionless
Or drawing their money, drying sails at dockage;
Not as making a trip that will be unpayable
For a haul that will not bear examination.

There is no end of it, the voiceless wailing,
No end to the withering of withered flowers,
To the movement of pain that is painless and motionless,
To the drift of the sea and the drifting wreckage,
The bone’s prayer to Death its God. Only the hardly, barely prayable
Prayer of the one Annunciation.

It seems, as one becomes older,
That the past has another pattern, and ceases to be a mere sequence—
Or even development: the latter a partial fallacy
Encouraged by superficial notions of evolution,
Which becomes, in the popular mind, a means of disowning the past.
The moments of happiness—not the sense of well-being,
Fruition, fulfilment, security or affection,
Or even a very good dinner, but the sudden illumination—
We had the experience but missed the meaning,
And approach to the meaning restores the experience
In a different form, beyond any meaning
We can assign to happiness. I have said before
That the past experience revived in the meaning
Is not the experience of one life only
But of many generations—not forgetting
Something that is probably quite ineffable:
The backward look behind the assurance
Of recorded history, the backward half-look
Over the shoulder, towards the primitive terror.
Now, we come to discover that the moments of agony
(Whether, or not, due to misunderstanding,
Having hoped for the wrong things or dreaded the wrong things,
Is not in question) are likewise permanent
With such permanence as time has. We appreciate this better
In the agony of others, nearly experienced,
Involving ourselves, than in our own.
For our own past is covered by the currents of action,
But the torment of others remains an experience
Unqualified, unworn by subsequent attrition.
People change, and smile: but the agony abides.
Time the destroyer is time the preserver,
Like the river with its cargo of dead negroes, cows and chicken coops,
The bitter apple, and the bite in the apple.
And the ragged rock in the restless waters,
Waves wash over it, fogs conceal it;
On a halcyon day it is merely a monument,
In navigable weather it is always a seamark
To lay a course by: but in the sombre season
Or the sudden fury, is what it always was.

– III –
I sometimes wonder if that is what Krishna meant—
Among other things—or one way of putting the same thing:
That the future is a faded song, a Royal Rose or a lavender spray
Of wistful regret for those who are not yet here to regret,
Pressed between yellow leaves of a book that has never been opened.
And the way up is the way down, the way forward is the way back.
You cannot face it steadily, but this thing is sure,
That time is no healer: the patient is no longer here.
When the train starts, and the passengers are settled
To fruit, periodicals and business letters
(And those who saw them off have left the platform)
Their faces relax from grief into relief,
To the sleepy rhythm of a hundred hours.
Fare forward, travellers! not escaping from the past
Into different lives, or into any future;
You are not the same people who left that station
Or who will arrive at any terminus,
While the narrowing rails slide together behind you;
And on the deck of the drumming liner
Watching the furrow that widens behind you,
You shall not think ‘the past is finished’
Or ‘the future is before us’.
At nightfall, in the rigging and the aerial,
Is a voice descanting (though not to the ear,
The murmuring shell of time, and not in any language)
‘Fare forward, you who think that you are voyaging;
You are not those who saw the harbour
Receding, or those who will disembark.
Here between the hither and the farther shore
While time is withdrawn, consider the future
And the past with an equal mind.
At the moment which is not of action or inaction
You can receive this: “on whatever sphere of being
The mind of a man may be intent
At the time of death”—that is the one action
(And the time of death is every moment)
Which shall fructify in the lives of others:
And do not think of the fruit of action.
Fare forward.
                          O voyagers, O seamen,
You who came to port, and you whose bodies
Will suffer the trial and judgement of the sea,
Or whatever event, this is your real destination.’
So Krishna, as when he admonished Arjuna
On the field of battle.
                                               Not fare well,
But fare forward, voyagers.

– IV –
Lady, whose shrine stands on the promontory,
Pray for all those who are in ships, those
Whose business has to do with fish, and
Those concerned with every lawful traffic
And those who conduct them.

Repeat a prayer also on behalf of
Women who have seen their sons or husbands
Setting forth, and not returning:
Figlia del tuo figlio,
Queen of Heaven.

Also pray for those who were in ships, and
Ended their voyage on the sand, in the sea’s lips
Or in the dark throat which will not reject them
Or wherever cannot reach them the sound of the sea bell’s
Perpetual angelus.

– V –
To communicate with Mars, converse with spirits,
To report the behaviour of the sea monster,
Describe the horoscope, haruspicate or scry,
Observe disease in signatures, evoke
Biography from the wrinkles of the palm
And tragedy from fingers; release omens
By sortilege, or tea leaves, riddle the inevitable
With playing cards, fiddle with pentagrams
Or barbituric acids, or dissect
The recurrent image into pre-conscious terrors—
To explore the womb, or tomb, or dreams; all these are usual
Pastimes and drugs, and features of the press:
And always will be, some of them especially
When there is distress of nations and perplexity
Whether on the shores of Asia, or in the Edgware Road.
Men’s curiosity searches past and future
And clings to that dimension. But to apprehend
The point of intersection of the timeless
With time, is an occupation for the saint—
No occupation either, but something given
And taken, in a lifetime’s death in love,
Ardour and selflessness and self-surrender.
For most of us, there is only the unattended
Moment, the moment in and out of time,
The distraction fit, lost in a shaft of sunlight,
The wild thyme unseen, or the winter lightning
Or the waterfall, or music heard so deeply
That it is not heard at all, but you are the music
While the music lasts. These are only hints and guesses,
Hints followed by guesses; and the rest
Is prayer, observance, discipline, thought and action.
The hint half guessed, the gift half understood, is Incarnation.
Here the impossible union
Of spheres of existence is actual,
Here the past and future
Are conquered, and reconciled,
Where action were otherwise movement
Of that which is only moved
And has in it no source of movement—
Driven by daemonic, chthonic
Powers. And right action is freedom
From past and future also.
For most of us, this is the aim
Never here to be realised;
Who are only undefeated
Because we have gone on trying;
We, content at the last
If our temporal reversion nourish
(Not too far from the yew-tree)
The life of significant soil.

De jongen met de lange messen

Toen ik een kleine jongen was en op de ‘lagere school’ zat (jaren ’70), fietste ik dagelijks op neer langs de Klapwijkseweg in Berkel en Rodenrijs. Langs die weg liep een vaart, en over die vaart waren kwakels en ophaalbruggen gebouwd zodat de pramen met tuindersproducten er onderdoor of doorheen konden varen op weg naar de veiling in Rodenrijs – dat was uiteraard voor de Tweede Wereldoorlog.

Die Klapwijkseweg was destijds – en het is nog steeds – een weg tussen Berkel en Rodenrijs en Pijnacker. Op de hoek van de Meerweg en de Klapwijkseweg – net in de Meerpolder, precies tussen Berkel en Pijnacker – lag de tuinderij van mijn vader – vader Bram – en diens beide broers, oom Gerard en oom Dirk. Op die tuinderij stonden kassen, en in die kassen werden rozen geteeld – dat waren snijbloemen. De lagere school lag anderhalve kilometer verderop, op de hoek van de Klapwijkseweg en de Westersingel.

Mijn grootmoeder van vaderszijde heette Klapwijk, en ze had negen of tien zussen en één broer die allemaal trouwden, kinderen kregen en in Berkel en Rodenrijs bleven wonen, en daarom zat de genoemde lagere school vol met achterneven en achternichten. Ze heten allemaal anders, want in de jaren ’50 en ’60 namen vrouwen die trouwden bijna altijd de naam van hun man aan, zeker in het milieu waarin ik opgroeide.

Ik wil niet opscheppen over mijn gereformeerde jeugdtrauma’s, maar al die achterneven en achternichten waren – net als ikzelf – vrijgemaakt-gereformeerd. Iedereen ging twee keer per zondag naar de kerk, en omdat het kerkgebouw niet groot genoeg was, waren er twee diensten in de morgen en twee diensten in de middag.

Fietsend langs de Klapwijkseweg droomde ik vaak dat er oneindig lange messen aan mijn vingers zaten. En soms spreidde ik mijn vingers tijdens het fietsen, en dan wist ik dat in alle huizen waar ik langs kwam de mensen bloedend dubbel klapten, want mijn messen sneden dwars door die huizen en die mensen.

Een erg aardig iemand kan ik niet geweest zijn.

East Coker – (Gedicht II van Vier Kwartetten) – T.S. Eliot

T. S. Eliot (1888-1965) was een Amerikaans-Engelse dichter die in Nederland het meest bekend is geworden door het desolate gedicht The Waste Land, met de bekende openingszinnen:

April is the cruellest month, breeding
Lilacs out of the dead land, mixing
Memory and desire, stirring
Dull roots with spring rain.
Winter kept us warm, covering
Earth in forgetful snow, feeding
A little life with dried tubers.

Eliot was een ‘conservatieve modernist’, om een woord te gebruiken dat de historicus, schrijver en journalist Rob Hartmans heeft opgenomen in de ondertitel van zijn zeer interessante Eliot-boek: T.S. Eliot. De vele gezichten van een conservatieve modernist, Amsterdam: Spectrum 2022. Aan het boek van Hartmans heb ik een aantal van de hierna genoemde feiten ontleend.

Eliot heeft zijn hele volwassen leven in het Verenigd Koninkrijk gewoond en gewerkt, eerst bij een bank, later bij Faber & Faber, een uitgever die zich ontwikkelde tot de voornaamste uitgever van poëzie in de engelstalige wereld.

Op latere leeftijd bekeerde hij zich tot de Anglo-Katholieke tak van The Church of England – de Anglicaanse Kerk. Uit die tijd dateren ook Four Quartets – Vier Kwartetten – die ook heel bekend geworden zijn. T.S. Eliot ontving in 1948 de Nobelprijs voor Literatuur.

De bekering tot het christendom van T.S. Eliot wordt vaak negatief begrepen, alsof de man totaal iemand anders geworden was, alsof de ernst waarmee hij het christendom aanhing zijn gedichten veel slechter zouden hebben gemaakt. Hier vindt u een bespreking door Joris Note van Paul Claes’ vertaling van de Four Quartets, waarin die afkeer van Eliots bekering tot in de titel doorklinkt: “Een bekeerde dichter”. Overigens zwalkt Note heel erg – enerzijds vindt hij Claes’ vertaling goed en heeft hij ook waardering voor de kwartetten, maar anderzijds vindt hij Eliot maar een vervelende zeur met zijn christendom. Deze spagaat tref je wel vaker aan bij recensenten.

In 1936 publiceerde Eliot het gedicht Burnt Norton. In 1939 besloot Eliot nog drie gedichten met een vergelijkbare vorm aan Burnt Norton toe te voegen. In 1940 publiceerde hij East Coker, in 1941 The Dry Salvages, in 1942 Little Gidding. In 1943 verschenen deze gedichten bij Faber and Faber als de bundel Four Quartets.

In ieder kwartet staat een bepaald seizoen centraal alsmede één van de vier elementen lucht, aarde, water en vuur. In East Coker ligt de nadruk op de late zomer en op het element ‘aarde’.

East Coker is een klein plaatsje in het Engelse Somerset. De voorouders Van T.S. Eliot kwamen daar vandaan en ze emigreerden in de 18e eeuw naar Amerika. T.S. Eliot ligt ook in East Coker begraven, om precies te zijn in de St Michael and All Angels’ Church.

Op zeker moment gebruikt T.S. Eliot een aantal citaten en verwijzingen naar een van zijn voorvaderen. Ik heb die verwerkt door te spreken over sinne- en minnebeelden (Jacob Cats) en een verwijzing naar Vondels opregte trou (die – zoals bekend – vooral gevonden wordt tussen man en vrouw).

Het gedicht heeft vijf delen die verschillen in tempo en toon. De delen beschrijven tijd, ervaring, loutering, gebed en heelheid.

Het is nog wel aardig om op te merken dat een bepaalde retorische vorm die voorkomt in het bijbelboek Prediker – “Er is een tijd om te omhelzen en een tijd om je van omhelzingen te onthouden” – een vorm die enige tijd op vrij indrukwekkende wijze wordt volgehouden, door Eliot regelmatig wordt gehanteerd, te beginnen in het vroege gedicht The Love Song of J. Alfred Prufrock, maar ook in Burnt Norton en uiteraard ook op een paar plaatsen in het onderhavige gedicht.

East Coker bevat overigens ook een directe verwijzing naar de openingsregels van de Goddelijke Komedie van Dante.

Ik heb – tegen mijn gewoonte in – niet van het gehele gedicht één enkele audio-opname toegevoegd, maar ik heb van de verschillende delen afzonderlijke audio-opnames gemaakt.

Dit was geen gemakkelijke klus. Mocht u echte vertaalfouten tegenkomen, dan word ik daar graag op geattendeerd via e-mail – zie de pagina Over de vertaler/auteur, of via de reactiemogelijkheid.

Een vertaling van de hand van Peter van Huizen ter vergelijking, vindt u hier (Liter, Jrg 5, 2002 – via dbnl).



Deel 1 – Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

EAST COKER
(Nr. 2 van Vier kwartetten)

– I –
In mijn aanvang is mijn einde. Huizen komen, gaan,
De een na de ander, ze verkrotten, worden uitgebouwd,
Verwijderd, verwoest, hersteld, of waar ze waren
Is nu een open veld, een fabriek of een rondweg.
Oude steen wordt nieuwbouw, oud hout nieuw vuur,
Oud vuur wordt stof, en stof keert weer tot aarde
Die reeds bestaat uit vlees, vacht en faecaliën,
Skelet van mens en dier, maisstengels en loof.
Huizen leven en sterven: er is een tijd om te bouwen
En een tijd om te leven, een tijd voor nakroost
Een tijd voor de wind om de losse ruit te breken
En aan het houtwerk te rukken waar de veldmuis scharrelt
En te rukken aan het verrafelde wandkleed met stille zinspreuk geweven.

In mijn aanvang is mijn einde. Nu valt het licht
Over het open veld, waarbij de holle weg wegvalt,
Omsloten door begroeiing, donker in de namiddag,
Terwijl je leunt tegen een bankje als een kar passeert,
En de holle weg hardnekkig de kant op gaat
Van het dorp, door een zoemende hitte
Gehypnotiseerd. In een warme waas wordt zwoel licht
Eerder opgezogen dan weerkaatst door grauwe steen.
De dahlia’s slapen in de lege stilte.
Wacht op de vroege uil.
                                           In dat open veld
Als je niet te dichtbij komt, als je niet te dicht bij komt,
Kun je midden in een zomernacht de muziek horen
Van de tere fluit en de kleine trom
En je ziet ze dansen om het kampvuur
Een man en vrouw, verenigd
In parendans, sinnebeeld van echtverbond –
Sacrament van lust en waerdigheid.
Zij aan zij, een onverbrekelyck minnebeeld,
Verband van arm in arm of hand in hand,
Een teecken van opregte trou. Rondom, rondom het vuur
Springend door vlammen, of samen in kringen,
Met boerse ernst of met een boerse lach
Zware voeten geheven in plompe schoenen,
Aardvoeten, lemen voeten, geheven in landelijke vreugde,
Vreugde van wie reeds lang onder aarde
Maiskolven voedt. Het kennen van de tijdmaat,
Het houden van het ritme in de dans
Zoals ze leefden in hun levensgetijden
De tijd van seizoenen en hemelconstellaties
De tijd van melken en de tijd van oogsten
De tijd van paring voor man en vrouw,
En die van beesten. Voeten die komen en gaan.
Eten en drinken. Drek en dood.

De dageraad breekt aan, een nieuwe dag
Maakt zich op voor warmte, stilte. De ochtendwind
Streelt een rimpelende zee. Hier ben ik,
Daar ben ik, of elders. In mijn aanvang.



Deel 2 – Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

East Coker – deel 2

– II –
Wat is November aan het doen
Met al die gekke lente-dingen
Die schepsels van een zomertijd,
Sneeuwklokjes zijn al wijd en zijd
De stokroos is toch veel te hoog
Rood wordt weer grijs; ze vallen af
De jonge roos vol vroege sneeuw?
Donder rolt langs sterren, roterend,
Zegekarren simulerend
Die in kosmische strijd verkeren;
Schorpioen vecht met de Zon
Tot Zon en Maan weer onder gaan
Kometen huilen, Leoniden belagen
De hemelen – het vlakke veld
Tolt in een draaikolk die de wereld
Voortjaagt naar verterend vuur
Dat laait voordat de ijstijd heerst.

Zo kon je het misschien zeggen – weinig bevredigend:
Omschrijvingskunst in uitgediende dichtvorm,
Die ons achter laat met de ondraaglijke worsteling
Om woord en betekenis. De poëzie doet er niet toe.
Het was niet (ik begin opnieuw) wat je verwacht had.
Wat was het waard waar je zo naar uitkeek,
De verbeide rust, de sereniteit van de herfst,
De wijsheid van de oude dag? Bedrogen ze ons
Of bedrogen ze zichzelf, die zachte oude stemmen,
Door ons alleen een recept voor bedrog na te laten?
Hun sereniteit was misschien opzettelijke verdoving,
Hun wijsheid slechts kennis van dode geheimen
Onnut in het duister waarin ze tuurden
Of waarvan ze hun ogen afwenden. Je kunt, zo komt het ons voor,
Op z’n best beperkte waarde ontdekken
In kennis gebaseerd op ervaring.
Kennis verschaft patronen, maar falsifieert ook,
Want het patroon is nieuw op elk moment,
En elk moment verleent een nieuwe, schokkende
Waarde aan ons hele bestaan. We worden alleen dan niet bedrogen
Door wat – hoe bedrieglijk ook – ons niet langer schaadt.
Daar ben je dan halverwege, niet alleen halverwege,
Maar van begin tot eind, in een donker bos, tussen braamstruiken,
Aan de rand van een zompig moeras, waar je nergens kunt staan,
Belaagd door monsters, met dansende lichtjes,
Die je mee willen lokken. Praat me niet
Van de wijsheid van ouderen, maar liever van hun dwaasheid,
Hun angst voor angst en razernij, hun angst voor bezetenheid,
Voor afhankelijkheid van de ander, of van anderen, of van God.
De enige wijsheid die we ooit kunnen verwerven
Is de wijsheid van nederigheid: nederigheid is eindeloos.

Alle huizen zijn verzwolgen door de zee.

Alle dansers zijn verzwolgen door de heuvels.



Deel 3 – Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

East Coker – deel 3

– III –
O, diepe, diepe duisternis. Ze gaan allen het duister in,
De lege interstellaire ruimten, leegte naar leegte,
De hoge heren, de kooplieden, de eminente letterkundigen,
De mecenassen, de staatslieden en de heersers,
De knappe ambtenaren, voorzitters van menige commissie,
Hoge industriëlen en onderaannemers, allen gaan het duister in,
Donker zal de Sun & Moon zijn, en de Almanach de Gotha,
Het Financiële Dagblad, het Register van Directeuren,
Alle gevoel verdord, elk streven verbrijzeld.
En ook wij gaan die kant op, in een zwijgende begrafenisstoet,
Niemands begrafenis, want er is niemand om te begraven.
Ik kalmeerde mezelf, wees stil, laat duisternis op je neerdalen
Die Gods duisternis zal zijn. Zoals op toneel,
De lichten gedoofd, wisseling van decors,
Met drukte en gedoe, met een overgang van duisternis naar duisternis,
En we weten dat de heuvels en de bomen, het verre panorama
En de hele imposante façade zal worden weggetakeld –
Net als wanneer de metro, in de tunnel, al te lang stopt tussen de stations,
En de gesprekken die eerst oplaaien langzaam stil vallen
En je ziet achter alle gezichten de mentale leegte verdiepen
Waarbij de verschrikking overblijft van niks om over na te denken;
Of wanneer, onder ether, de geest bewust is, maar bewust van niets –
Ik zei tot mijn ziel, wees stil, en wacht zonder hoop
Want hoop zou hoop zijn voor het verkeerde; wacht zonder liefde,
Want liefde zou liefde zijn voor het verkeerde; er is nog geloof
Maar het geloof en de liefde en de hoop liggen vervat in het wachten.
Wacht zonder denken, want je bent nog niet klaar om te denken.
Zo zal de duisternis het licht zijn, de stilte het dansen.
Geruis van stromende beekjes, en winterweerlicht.
De onooglijke wilde tijm en de wilde aardbei,
De lach in de tuin, echo’s van extase,
Niet zomaar, maar gretig, wijzend naar de kramp
Van geboorte en dood.
                                           Je zegt dat ik herhaal
Wat ik eerder al zei. Ik zal het nog eens zeggen.
Zal ik het nog eens zeggen? Om te komen,
Om te komen waar je bent, weg te komen van waar je niet bent,
Moet je een weg bewandelen waar geen extase is.
Om te komen bij wat je niet kent
Moet je een weg bewandelen die de weg is van onwetendheid.
Om te bezitten wat je niet bezit
Moet je de weg bewandelen van ontlediging.
Om te komen bij wat je niet bent
Moet je een weg kiezen waar je niet bent.
En wat je niet weet is het enige wat je weet
En wat je hebt is wat je niet hebt
En waar je bent is waar je niet bent.



Deel 4 – Geluidsopname van de vertaling – Arie onneveld

East Coker – deel 4

– IV –
De arts – gewond – hanteert het staal
Dat onderzoekt de ziek geworden delen;
We voelen aan de bloedbesmeurde hand
De scherpe meelij van wie ons wil helen,
Die de rare koortstabel weet te bespelen.

Slechts wat gezond is, is de kwaal,
Mits wij de stervende verpleegster horen
Die ons niet met een opgewekt verhaal
Maar ons met Adams vloek komt storen,
En dat voor beterschap, de kwaal dient te ontsporen.

Ons ziekenhuis is heel de aarde
Een gift van de geruïneerde miljonair,
Waarin wij, als wij ons gedragen,
Ooit zullen sterven met de absolute paternale
Zorg die ons weerhoudt, nooit zal verlaten.

De kou stijgt op tot in de knoken,
De koorts zingt in mentale koorden.
Wie warm wil worden, zorgt dat hij bevriest,
Gelouterd wordt in ijzig vagevuur
Welks vlammen rozen zijn, welks rook is doornen.

Slechts druppend bloed kunnen we drinken,
Slechts bloedig vlees is wat ons voedt:
En toch, en toch blijven we denken
Dat we solide zijn, gedegen vlees en bloed –
Opnieuw, en toch, heet deze Vrijdag goed.



Deel 5 – Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

East Coker – deel 5

– V –
Hier ben ik dan, zo halverwege, twintig jaar verder –
Twintig jaar grotendeels vermorst, de jaren van l’entre deux guerres
Zoekend naar woorden, en elke poging
Is een totaal nieuw begin, weer een nieuwe mislukking
Omdat men slechts geleerd heeft om het beste uit woorden te halen
Voor dingen die je niet langer zou moeten zeggen, of op een manier
Waarop je het niet langer kunt zeggen. En zo begint elk streven
Steeds opnieuw, een aanval op vaagheden
Met gebrekkig gereedschap dat ons steeds in de steek laat
In het rommeltje van slecht omlijnde gevoelens,
Ongedisciplineerde sentimenten. En wat er nog te winnen is
Met kracht en onderwerping, is allang ontdekt,
Een keer, twee keer, meerdere keren, door mensen die je nooit zult kunnen
Overtreffen – maar er is geen competitie –
Er is slechts het gevecht om terug te winnen wat verloren ging
En gevonden en steeds opnieuw verloren: en nu onder voorwaarden
Die weinig veelbelovend lijken. Maar misschien is er winst noch verlies.
We kunnen alleen blijven streven. De rest gaat ons niet aan.
Thuis is van waar we vertrekken. Als we ouder worden
Wordt de wereld vreemder, het patroon van leven en dood
Wordt complexer. Het is niet de intensiteit van
Het afzonderlijke moment, zonder voor en na,
Maar een levenslang branden in elk moment,
En niet slechts de levensduur van een enkel mens,
Maar van oude stenen die je niet kunt ontcijferen.
Er is een tijd voor de avond onder de sterren,
Een tijd voor de avond bij lamplicht
(Die avond met het foto-album).
Liefde komt zichzelf het meest nabij
Als hier en nu niet langer van belang zijn.
Oude mensen horen onderzoekers te zijn
Waar dan ook – het maakt niet uit
We moeten kalm zijn, blijven bewegen
Naar een andere intensiteit
Om een andere eenheid te vinden, een diepere verbondenheid,
Dwars door de kou en de kale verlatenheid,
Door gierende golven, de gierende wind, de uitgestrekte wateren
Van de stormvogel en de dolfijn. In mijn einde is mijn aanvang.



Origineel

EAST COKER
(No. 2 of ‘Four Quartets’)

– I –
In my beginning is my end. In succession
Houses rise and fall, crumble, are extended,
Are removed, destroyed, restored, or in their place
Is an open field, or a factory, or a by-pass.
Old stone to new building, old timber to new fires,
Old fires to ashes, and ashes to the earth
Which is already flesh, fur and faeces,
Bone of man and beast, cornstalk and leaf.
Houses live and die: there is a time for building
And a time for living and for generation
And a time for the wind to break the loosened pane
And to shake the wainscot where the field-mouse trots
And to shake the tattered arras woven with a silent motto.

In my beginning is my end. Now the light falls
Across the open field, leaving the deep lane
Shuttered with branches, dark in the afternoon,
Where you lean against a bank while a van passes,
And the deep lane insists on the direction
Into the village, in the electric heat
Hypnotised. In a warm haze the sultry light
Is absorbed, not refracted, by grey stone.
The dahlias sleep in the empty silence.
Wait for the early owl.
In that open field
If you do not come too close, if you do not come too close,
On a summer midnight, you can hear the music
Of the weak pipe and the little drum
And see them dancing around the bonfire
The association of man and woman
In daunsinge, signifying matrimonie—
A dignified and commodiois sacrament.
Two and two, necessarye coniunction,
Holding eche other by the hand or the arm
Whiche betokeneth concorde. Round and round the fire
Leaping through the flames, or joined in circles,
Rustically solemn or in rustic laughter
Lifting heavy feet in clumsy shoes,
Earth feet, loam feet, lifted in country mirth
Mirth of those long since under earth
Nourishing the corn. Keeping time,
Keeping the rhythm in their dancing
As in their living in the living seasons
The time of the seasons and the constellations
The time of milking and the time of harvest
The time of the coupling of man and woman
And that of beasts. Feet rising and falling.
Eating and drinking. Dung and death.

Dawn points, and another day
Prepares for heat and silence. Out at sea the dawn wind
Wrinkles and slides. I am here
Or there, or elsewhere. In my beginning.

– II –
What is the late November doing
With the disturbance of the spring
And creatures of the summer heat,
And snowdrops writhing under feet
And hollyhocks that aim too high
Red into grey and tumble down
Late roses filled with early snow?
Thunder rolled by the rolling stars
Simulates triumphal cars
Deployed in constellated wars
Scorpion fights against the Sun
Until the Sun and Moon go down
Comets weep and Leonids fly
Hunt the heavens and the plains
Whirled in a vortex that shall bring
The world to that destructive fire
Which burns before the ice-cap reigns.

That was a way of putting it—not very satisfactory:
A periphrastic study in a worn-out poetical fashion,
Leaving one still with the intolerable wrestle
With words and meanings. The poetry does not matter.
It was not (to start again) what one had expected.
What was to be the value of the long looked forward to,
Long hoped for calm, the autumnal serenity
And the wisdom of age? Had they deceived us
Or deceived themselves, the quiet-voiced elders,
Bequeathing us merely a receipt for deceit?
The serenity only a deliberate hebetude,
The wisdom only the knowledge of dead secrets
Useless in the darkness into which they peered
Or from which they turned their eyes. There is, it seems to us,
At best, only a limited value
In the knowledge derived from experience.
The knowledge imposes a pattern, and falsifies,
For the pattern is new in every moment
And every moment is a new and shocking
Valuation of all we have been. We are only undeceived
Of that which, deceiving, could no longer harm.
In the middle, not only in the middle of the way
But all the way, in a dark wood, in a bramble,
On the edge of a grimpen, where is no secure foothold,
And menaced by monsters, fancy lights,
Risking enchantment. Do not let me hear
Of the wisdom of old men, but rather of their folly,
Their fear of fear and frenzy, their fear of possession,
Of belonging to another, or to others, or to God.
The only wisdom we can hope to acquire
Is the wisdom of humility: humility is endless.

The houses are all gone under the sea.

The dancers are all gone under the hill.

– III –
O dark dark dark. They all go into the dark,
The vacant interstellar spaces, the vacant into the vacant,
The captains, merchant bankers, eminent men of letters,
The generous patrons of art, the statesmen and the rulers,
Distinguished civil servants, chairmen of many committees,
Industrial lords and petty contractors, all go into the dark,
And dark the Sun and Moon, and the Almanach de Gotha
And the Stock Exchange Gazette, the Directory of Directors,
And cold the sense and lost the motive of action.
And we all go with them, into the silent funeral,
Nobody’s funeral, for there is no one to bury.
I said to my soul, be still, and let the dark come upon you
Which shall be the darkness of God. As, in a theatre,
The lights are extinguished, for the scene to be changed
With a hollow rumble of wings, with a movement of darkness on darkness,
And we know that the hills and the trees, the distant panorama
And the bold imposing facade are all being rolled away—
Or as, when an underground train, in the tube, stops too long between stations
And the conversation rises and slowly fades into silence
And you see behind every face the mental emptiness deepen
Leaving only the growing terror of nothing to think about;
Or when, under ether, the mind is conscious but conscious of nothing—
I said to my soul, be still, and wait without hope
For hope would be hope for the wrong thing; wait without love,
For love would be love of the wrong thing; there is yet faith
But the faith and the love and the hope are all in the waiting.
Wait without thought, for you are not ready for thought:
So the darkness shall be the light, and the stillness the dancing.
Whisper of running streams, and winter lightning.
The wild thyme unseen and the wild strawberry,
The laughter in the garden, echoed ecstasy
Not lost, but requiring, pointing to the agony
Of death and birth.
You say I am repeating
Something I have said before. I shall say it again.
Shall I say it again? In order to arrive there,
To arrive where you are, to get from where you are not,
You must go by a way wherein there is no ecstasy.
In order to arrive at what you do not know
You must go by a way which is the way of ignorance.
In order to possess what you do not possess
You must go by the way of dispossession.
In order to arrive at what you are not
You must go through the way in which you are not.
And what you do not know is the only thing you know
And what you own is what you do not own
And where you are is where you are not.

– IV –
The wounded surgeon plies the steel
That questions the distempered part;
Beneath the bleeding hands we feel
The sharp compassion of the healer’s art
Resolving the enigma of the fever chart.

Our only health is the disease
If we obey the dying nurse
Whose constant care is not to please
But to remind of our, and Adam’s curse,
And that, to be restored, our sickness must grow worse.

The whole earth is our hospital
Endowed by the ruined millionaire,
Wherein, if we do well, we shall
Die of the absolute paternal care
That will not leave us, but prevents us everywhere.

The chill ascends from feet to knees,
The fever sings in mental wires.
If to be warmed, then I must freeze
And quake in frigid purgatorial fires
Of which the flame is roses, and the smoke is briars.

The dripping blood our only drink,
The bloody flesh our only food:
In spite of which we like to think
That we are sound, substantial flesh and blood—
Again, in spite of that, we call this Friday good.

– V –
So here I am, in the middle way, having had twenty years—
Twenty years largely wasted, the years of l’entre deux guerres
Trying to use words, and every attempt
Is a wholly new start, and a different kind of failure
Because one has only learnt to get the better of words
For the thing one no longer has to say, or the way in which
One is no longer disposed to say it. And so each venture
Is a new beginning, a raid on the inarticulate
With shabby equipment always deteriorating
In the general mess of imprecision of feeling,
Undisciplined squads of emotion. And what there is to conquer
By strength and submission, has already been discovered
Once or twice, or several times, by men whom one cannot hope
To emulate—but there is no competition—
There is only the fight to recover what has been lost
And found and lost again and again: and now, under conditions
That seem unpropitious. But perhaps neither gain nor loss.
For us, there is only the trying. The rest is not our business.
Home is where one starts from. As we grow older
The world becomes stranger, the pattern more complicated
Of dead and living. Not the intense moment
Isolated, with no before and after,
But a lifetime burning in every moment
And not the lifetime of one man only
But of old stones that cannot be deciphered.
There is a time for the evening under starlight,
A time for the evening under lamplight
(The evening with the photograph album).
Love is most nearly itself
When here and now cease to matter.
Old men ought to be explorers
Here or there does not matter
We must be still and still moving
Into another intensity
For a further union, a deeper communion
Through the dark cold and the empty desolation,
The wave cry, the wind cry, the vast waters
Of the petrel and the porpoise. In my end is my beginning.

Burnt Norton – (Gedicht I van Vier Kwartetten) – T.S. Eliot

T. S. Eliot (1888-1965) was een Amerikaans-Engelse dichter die in Nederland het meest bekend is geworden door het desolate gedicht The Waste Land, met de bekende openingszinnen:

April is the cruellest month, breeding
Lilacs out of the dead land, mixing
Memory and desire, stirring
Dull roots with spring rain.
Winter kept us warm, covering
Earth in forgetful snow, feeding
A little life with dried tubers.

Het gedicht The Waste Land weerspiegelde zowel zijn sombere kijk op de stand van de beschaving als zijn sombere kijk op de stand van zijn toenmalige huwelijk (1936).

Eliot was een ‘conservatieve modernist’, om een woord te gebruiken dat de historicus, schrijver en journalist Rob Hartmans heeft opgenomen in de ondertitel van zijn zeer interessante Eliot-boek: T.S. Eliot. De vele gezichten van een conservatieve modernist, Amsterdam: Spectrum 2022. Aan het boek van Hartmans heb ik een aantal van de hierna genoemde feiten ontleend.

Eliot heeft zijn hele volwassen leven in het Verenigd Koninkrijk gewoond en gewerkt, eerst bij een bank, later bij Faber & Faber, een uitgever die zich ontwikkelde tot de voornaamste uitgever van poëzie in de engelstalige wereld.

Op latere leeftijd bekeerde hij zich tot de Anglo-Katholieke tak van The Church of England – de Anglicaanse Kerk. Uit die tijd dateren ook Four Quartets – Vier Kwartetten – die ook heel bekend geworden zijn. T.S. Eliot ontving in 1948 de Nobelprijs voor Literatuur.

In 1936 heeft Eliot het gedicht Burnt Norton gepubliceerd. Het waren herschreven passages uit een vroege versie van het drama in verzen Murder in the Cathedral. Het was geïnspireerd door het vijftiende strijkkwartet van Beethoven (opus 132). Het gedicht telt 175 regels en is genoemd naar een landgoed dat Eliot twee jaar eerder met een vriendin – Emily Hale – had bezocht. Het gedicht bestaat uit vijf delen die onderling enigszins verschillen in stijl en tempo.

In 1939 besloot Eliot nog drie gedichten met een vergelijkbare vorm aan Burnt Norton toe te voegen. In 1940 publiceerde hij East Coker, in 1941 The Dry Salvages, in 1942 Little Gidding. In 1943 verschenen deze gedichten bij Faber and Faber als de bundel Four Quartets.

Het centrale thema van de kwartettencuclus is de tijd – Eliot contrasteerde vergankelijke tijd en eeuwige tijd. Alle kwartetten verwezen naar een concrete plaats. En in ieder kwartet staat een bepaald seizoen centraal alsmede één van de vier elementen lucht, aarde, water en vuur. In Burnt Norton zijn het achtereenvolgens het landgoed uit de titel, de zomer en het element lucht.

Het gedicht is op veel plaatsen abstract, maar verwijst toch zeker ook naar concrete realiteiten: de tuin van Burnt Norton, een rit met een koets, het lichamelijke, een rit met de metro, het uitspansel, opnieuw de tuin. Het beeld van de rozentuin wordt vaak gebruikt in een erotische context.

Het gedicht verwijst naar tal van bekende werken uit de wereldliteratuur, onder andere naar de bijbel, de Veda’s, naar Dante (die in de slotregel van de Divina Kommedia gewag maakt van de liefde die het al beweegt), en naar Johannes van het Kruis, auteur van Donkere nacht van de ziel, in de passage over de trapopgangen.

Het Engelse woord ‘smokefall’ komt volgens de OED alleen in dit gedicht van Eliot voor. Ik heb het met ‘mistflarden’ vertaald, maar misschien weet iemand iets beters of beschikt hij/zij mogelijk over informatie waarover ik niet de beschikking had.

Het begrip tijd komt voortdurend voor. Begrippen als ‘de tijd van nu’, ‘de verleden tijd’ en ‘de toekomstige tijd’ worden voortdurend gebruikt, maar ze zijn in deze vorm voor mij als vertaler niet altijd goed bruikbaar – de retorische kracht van het gedicht is een heel belangrijk kenmerk. Ik heb een paar oplossingen verzonnen waarvan ik hoop dat ze voor de lezer van de vertaling werken.

Ik heb – tegen mijn gewoonte in – niet van het gehele gedicht één enkele audio-opname toegevoegd, maar ik heb van de verschillende delen afzonderlijke audio-opnames gemaakt.

Dit was geen gemakkelijke klus. Mocht u echte vertaalfouten tegenkomen, dan word ik daar graag op geattendeerd via e-mail – zie de pagina Over de vertaler/auteur, of via de reactiemogelijkheid.

Een vertaling van de hand van Peter van Huizen ter vergelijking, vindt u hier (Liter, Jrg 5, 2002 – via dbnl).

Hier vindt u een versie van het originele gedicht.



Vertaling

Burnt Norton
Nr. 1 van Vier Kwartetten

Geluidsopname vertaling Burnt Norton – deel 1 – Arie Sonneveld

– I –
Tijd van nu en tijd van toen
Zijn wellicht tegenwoordig in de tijd van straks,
En tijd van straks ligt steeds gevat in tijd van toen.
Als alle tijd voor eeuwig tegenwoordig is
Is alle tijd volkomen reddeloos.
Wat had kunnen zijn is een abstractie,
Blijft voor altijd mogelijkheid
Maar slechts in een denkbeeldige wereld.
Wat had kunnen zijn, wat is geweest
Wijzen naar één verte, die altijd daar is.
Voetstappen echoën in het geheugen
Langs een pad dat we niet namen
Naar de toegang tot de rozentuin
Die we nooit openden. Zo echoën mijn woorden
In jouw geest.
                             Maar waartoe ik
Het stof zou verstoren op een schaal met rozenblaadjes
Weet ik niet.
                             Andere echo’s
Wonen in de tuin. Zullen we er achteraan?
Vlug, zei de vogel, zoek ze, zoek ze
Om de hoek. Zullen we gaan door dat hek,
Naar onze eerste wereld. Zullen we erachter aan,
De lokroep van de lijster. Naar onze eerste wereld.
Daar waren ze, waardig, onzichtbaar,
Zorgeloos bewegend, over dorre blaadjes,
In de hitte van de herfst, door de trillende lucht,
En de vogel riep, in antwoord op
Ongehoorde muziek in struikgewas verborgen,
En een ongeziene gekruiste blik, want de rozen
Leken op bloemen die wisten bekeken te worden.
Ze waren er als onze gasten, ze mochten er zijn, ze wilden er zijn.
Zo gingen wij, ook zij, in formele schikking,
Langs de verlaten laan, naar de ronde ruimte,
Om neer te kijken in de verdroogde poel.
Droog was de poel, droog het beton, bruingerand,
En de poel werd gevuld met water uit zonlicht,
En de lotus steeg op, zachtjes, zachtjes,
Het oppervlak schitterde uit een lichtend hart,
En ze waren achter ons, weerspiegeld in de poel.
Toen schoof een wolk langs, en de poel was leeg.
Ga nu, zei de vogel, want het gebladerte zat vol kinderen,
Verstopt in spanning, hun lachen inhoudend.
Ga, ga, ga nu, zei de vogel: de mensheid
Kan weinig werkelijkheid verdragen.
Tijd van toen en tijd van straks
Wat had kunnen zijn, wat is geweest
Wijzen naar één verte, die altijd daar is.

Geluidsopname vertaling Burnt Norton – deel 2 – Arie Sonneveld

– II –
Saffier en knoflook in het slijk
Remmen de wentelende as.
Trillende snaren in ons bloed
Zingen onder tekenen van wonden
Die in oude oorlogen ontstonden.
De dans doorheen ons bloedsysteem,
De rondgang van ons lymfevocht
Wordt aan de hemelen geschikt
Stijgt op als zomer in ‘t geboomte,
En wij zijn boven dat geboomte
In het lichtspel op het loof
En horen over natte gronden
Onder ons, de zwijnen en de honden
Die volgen trouw hun oud patroon
Maar met de hemelen verbonden.

Bij de roerloze kern van een rusteloze wereld. Geen vlees geen vleesloosheid;
Niet heen- en niet teruggaand; bij die roerloze kern, daar is de dans,
Maar zonder gaan en zonder staan. En noem het geen starheid,
Waar heden en verleden bijeen zijn. Geen terugkomst, geen heengaan,
Geen opgang, geen neergang. Zonder die kern, die roerloze kern,
Kon geen dans ooit bestaan, en slechts daar is de dans.
Ik kan alleen zeggen, daar waren we: maar ik kan niet zeggen waar.
En ik kan niet zeggen hoe lang, want dat plaatst het in de tijd.
Bevrijding van praktische verlangens,
Vrijheid van handeling en leed, losmaking van innerlijke
En uiterlijke dwang, terwijl je omringd bent
Door een rijkdom aan zin, een wit licht dat je omgeeft,
Erhebung zonder beweging, concentratie
Zonder uitsluiting, zowel een nieuwe wereld
Als de oude die scherp wordt uitgedrukt, begrepen
In de voltooiing van zijn onvolkomen extase,
De losmaking uit zijn onvolkomen gruwel.
Toch zal de ketening aan toen en straks,
Geweven in de zwakte van het vergankelijke lichaam,
De mensheid beschermen tegen hemel en doem
Zo onverdraaglijk voor het vlees.
Tijd van toen en tijd van straks
Staan maar weinig bewustzijn toe.
Bewust te zijn is buiten de tijd te staan
Maar slechts in tijd kan het moment in de rozentuin,
Het moment in het prieel als de regen tokkelt,
Het moment in de tochtige kerk tussen de mistflarden
Worden herinnerd – betrokken op toen en straks.
Tijd wordt slechts door tijd overwonnen.

Geluidsopname vertaling Burnt Norton – deel 3 – Arie Sonneveld

– III –
Dit is een plaats van ongemak
Tijd ervoor en tijd erna
In schemertoestand: geen daglicht
Die de gestalte ongereptheid verleend
Die schaduwen vluchtige schoonheid geeft
Door trage wisseling die bestendigheid suggereert
Geen duisternis die de ziel zuivert
Die het zinnelijke ledigt door onthouding
Die genegenheid reinigt van het tijdelijke.
Geen volheid geen leegte. Slechts een schijnsel
Op gespannen gezichten getekend door de tijd
Door afleiding afgeleid van elke afleiding
Gevuld met inbeelding en gespeend van zin
Apathie die zich breed maakt zonder concentratie
Mensen en snippers, rondtollend in koude wind
Die waait voor en na de tijd,
wind die ongezonde longen in gaat en uit
De tijd ervoor en de tijd erna.
Oprispingen van zieke zielen
In armelijke lucht, loomheid
Die wegdrijft op de wind die strijkt over de sombere heuvels van Londen,
Hampstead en Clerkenwell, Capden en Putney
Highgate, Primrose en Ludgate. Niet hier
Niet hier de duisternis, in deze kwetterende wereld.

Daal verder af, daal af om te komen
In de wereld van niet aflatende eenzaamheid,
Wereld geen wereld, al wat geen wereld is,
Innerlijke duisternis, teloorgang
En aftakeling van alle bezit,
Verdorring van de wereld der zinnen,
Ontruiming van de wereld der verbeelding,
Werkeloosheid van de wereld van de geest;
Dit is de ene richting, en de ander
Is hetzelfde, niet in gaan
Maar in afzien van gaan; terwijl de wereld voortgaat
Met gretigheid, op zijn metalen sporen
Van de verleden tijd en de toekomende.

Geluidsopname vertaling Burnt Norton – deel 4 – Arie Sonneveld

– IV –
Tijd en klokgelui droegen de dag ten grave,
De zwarte wolk doet de zon uitgeleide.
Zal de zonnebloem naar ons neigen, zal de clematis
Zich zoekend tot ons wenden, rank en twijg
Die zich vastklampen?
                                         Sluiten
Kille vingers van de taxusboom
Zich om ons heen? Sinds het kleed van de ijsvogel
Licht heeft beantwoord met licht, roerloos werd, was het licht nog
Bij de roerloze kern van een rusteloze wereld.

Geluidsopname vertaling Burnt Norton – deel 5 – Arie Sonneveld

– V –
Woorden bewegen, muziek beweegt
Alleen in de tijd; maar dat wat slechts leeft
Kan slechts sterven. Woorden, voorbij taal, reiken
Naar de stilte. Slechts door de vorm, het patroon
Kunnen woord of muziek reiken
Naar roerloze stilte, zoals een Chinese vaas
Voortdurend stil beweegt in zijn roerloze stilte.
Niet de stilte van de viool, terwijl de noot naklinkt,
Niet dat alleen, maar het samen bestaan,
Of zeg dat het eind voorafgaat aan het begin,
En het eind en het begin waren er steeds
Voor het begin en na het eind,
En alles is nu altijd. Woorden krampen,
Kraken, en breken soms onder de last,
Onder de spanning, ze glippen, glijden, kwijnen weg,
Sterven in slordigheid, blijven niet waar ze horen,
Blijven niet stil. Schrille stemmen
Die schelden, spotten of alleen maar kletsen
Vergezellen hen altijd. Het Woord in de woestijn
Wordt het meest bedreigd door stemmen der verleiding,
De luidruchtige schaduw in de begrafenisdans,
De luide klacht van de troosteloze chimaera.

Het detail van het patroon is beweging
Zoals in het beeld van de tien trapopgangen.
De begeerte zelf is beweging,
Op zichzelf niet begerenswaardig;
De liefde zelf is onbeweeglijk,
Slechts doel en oorzaak van beweging,
Tijdloos, en niets begerend
Behalve in het aspect van tijd
Dat zich laat kennen als beperking
Tussen zijn en niet-zijn.
Opeens in een baan van zonlicht
Zelfs als het stof beweegt
Verheft zich het verborgen lachen
Van kinderen in het groen
Snel nu, hier, nu, altijd –
Lachwekkend hoe vermorste droeve tijd
zich uitstrekt voor en na.



Origineel

BURNT NORTON
(No. 1 of Four Quartets)

– I –
Time present and time past
Are both perhaps present in time future,
And time future contained in time past.
If all time is eternally present
All time is unredeemable.
What might have been is an abstraction
Remaining a perpetual possibility
Only in a world of speculation.
What might have been and what has been
Point to one end, which is always present.
Footfalls echo in the memory
Down the passage which we did not take
Towards the door we never opened
Into the rose-garden. My words echo
Thus, in your mind.
                           But to what purpose
Disturbing the dust on a bowl of rose-leaves
I do not know.
                           Other echoes
Inhabit the garden. Shall we follow?
Quick, said the bird, find them, find them,
Round the corner. Through the first gate,
Into our first world, shall we follow
The deception of the thrush? Into our first world.
There they were, dignified, invisible,
Moving without pressure, over the dead leaves,
In the autumn heat, through the vibrant air,
And the bird called, in response to
The unheard music hidden in the shrubbery,
And the unseen eyebeam crossed, for the roses
Had the look of flowers that are looked at.
There they were as our guests, accepted and accepting.
So we moved, and they, in a formal pattern,
Along the empty alley, into the box circle,
To look down into the drained pool.
Dry the pool, dry concrete, brown edged,
And the pool was filled with water out of sunlight,
And the lotos rose, quietly, quietly,
The surface glittered out of heart of light,
And they were behind us, reflected in the pool.
Then a cloud passed, and the pool was empty.
Go, said the bird, for the leaves were full of children,
Hidden excitedly, containing laughter.
Go, go, go, said the bird: human kind
Cannot bear very much reality.
Time past and time future
What might have been and what has been
Point to one end, which is always present.

– II –
Garlic and sapphires in the mud
Clot the bedded axle-tree.
The trilling wire in the blood
Sings below inveterate scars
Appeasing long forgotten wars.
The dance along the artery
The circulation of the lymph
Are figured in the drift of stars
Ascend to summer in the tree
We move above the moving tree
In light upon the figured leaf
And hear upon the sodden floor
Below, the boarhound and the boar
Pursue their pattern as before
But reconciled among the stars.

At the still point of the turning world. Neither flesh nor fleshless;
Neither from nor towards; at the still point, there the dance is,
But neither arrest nor movement. And do not call it fixity,
Where past and future are gathered. Neither movement from nor towards,
Neither ascent nor decline. Except for the point, the still point,
There would be no dance, and there is only the dance.
I can only say, there we have been: but I cannot say where.
And I cannot say, how long, for that is to place it in time.
The inner freedom from the practical desire,
The release from action and suffering, release from the inner
And the outer compulsion, yet surrounded
By a grace of sense, a white light still and moving,
Erhebung without motion, concentration
Without elimination, both a new world
And the old made explicit, understood
In the completion of its partial ecstasy,
The resolution of its partial horror.
Yet the enchainment of past and future
Woven in the weakness of the changing body,
Protects mankind from heaven and damnation
Which flesh cannot endure.
Time past and time future
Allow but a little consciousness.
To be conscious is not to be in time
But only in time can the moment in the rose-garden,
The moment in the arbour where the rain beat,
The moment in the draughty church at smokefall
Be remembered; involved with past and future.
Only through time time is conquered.

– III –
Here is a place of disaffection
Time before and time after
In a dim light: neither daylight
Investing form with lucid stillness
Turning shadow into transient beauty
With slow rotation suggesting permanence
Nor darkness to purify the soul
Emptying the sensual with deprivation
Cleansing affection from the temporal.
Neither plenitude nor vacancy. Only a flicker
Over the strained time-ridden faces
Distracted from distraction by distraction
Filled with fancies and empty of meaning
Tumid apathy with no concentration
Men and bits of paper, whirled by the cold wind
That blows before and after time,
Wind in and out of unwholesome lungs
Time before and time after.
Eructation of unhealthy souls
Into the faded air, the torpid
Driven on the wind that sweeps the gloomy hills of London,
Hampstead and Clerkenwell, Campden and Putney,
Highgate, Primrose and Ludgate. Not here
Not here the darkness, in this twittering world.

Descend lower, descend only
Into the world of perpetual solitude,
World not world, but that which is not world,
Internal darkness, deprivation
And destitution of all property,
Desiccation of the world of sense,
Evacuation of the world of fancy,
Inoperancy of the world of spirit;
This is the one way, and the other
Is the same, not in movement
But abstention from movement; while the world moves
In appetency, on its metalled ways
Of time past and time future.

– IV –
Time and the bell have buried the day,
The black cloud carries the sun away.
Will the sunflower turn to us, will the clematis
Stray down, bend to us; tendril and spray
Clutch and cling?
                               Chill
Fingers of yew be curled
Down on us? After the kingfisher’s wing
Has answered light to light, and is silent, the light is still
At the still point of the turning world.

– V –
Words move, music moves
Only in time; but that which is only living
Can only die. Words, after speech, reach
Into the silence. Only by the form, the pattern,
Can words or music reach
The stillness, as a Chinese jar still
Moves perpetually in its stillness.
Not the stillness of the violin, while the note lasts,
Not that only, but the co-existence,
Or say that the end precedes the beginning,
And the end and the beginning were always there
Before the beginning and after the end.
And all is always now. Words strain,
Crack and sometimes break, under the burden,
Under the tension, slip, slide, perish,
Decay with imprecision, will not stay in place,
Will not stay still. Shrieking voices
Scolding, mocking, or merely chattering,
Always assail them. The Word in the desert
Is most attacked by voices of temptation,
The crying shadow in the funeral dance,
The loud lament of the disconsolate chimera.

The detail of the pattern is movement,
As in the figure of the ten stairs.
Desire itself is movement
Not in itself desirable;
Love is itself unmoving,
Only the cause and end of movement,
Timeless, and undesiring
Except in the aspect of time
Caught in the form of limitation
Between un-being and being.
Sudden in a shaft of sunlight
Even while the dust moves
There rises the hidden laughter
Of children in the foliage
Quick now, here, now, always—
Ridiculous the waste sad time
Stretching before and after.

Traditie en persoonlijk dichterschap – T.S. Eliot

Ten geleide
T. S. Eliot (1888-1965) was een Amerikaans-Engelse dichter die in Nederland het meest bekend is geworden door het desolate gedicht The Waste Land, met de bekende openingszinnen:

April is the cruellest month, breeding
Lilacs out of the dead land, mixing
Memory and desire, stirring
Dull roots with spring rain.
Winter kept us warm, covering
Earth in forgetful snow, feeding
A little life with dried tubers.

Het gedicht The Waste Land weerspiegelde zowel zijn sombere kijk op de stand van de beschaving als zijn sombere kijk op de stand van zijn toenmalige huwelijk (1936).

Eliot heeft zijn hele volwassen leven in het Verenigd Koninkrijk gewoond en gewerkt, eerst bij een bank, later bij Faber & Faber, een uitgever die zich ontwikkelde tot de voornaamste uitgever van poëzie in de engelstalige wereld.

Op latere leeftijd bekeerde hij zich tot de Anglo-Katholieke tak van The Church of England – de Anglicaanse Kerk. Uit die tijd dateren ook Four Quartets – Vier Kwartetten – die ook heel bekend geworden zijn. T.S. Eliot ontving in 1948 de Nobelprijs voor Literatuur.

Hierna volgt de vertaling van Tradition and the Individual Talent, een beroemd essay van T.S. Eliot (188-1965). Het essay werd gepubliceerd in The Egoist (1919) en later in Eliot’s eerste bundel met literaire kritieken, The Sacred Wood (1920). Het essay is ook opgenomen in Eliot’s Selected Prose and Selected Essays.

Er zijn bij de vertaling van dit essay vele vertaalmoeilijkheden die overwonnen moeten worden, maar één ervan licht ik eruit. Eliot maakt onderscheid tussen ‘emoties’ die je ondergaat in het echte leven – liefde, rouw om een overleden familielid, woede om een onheuse bejegening enz. – en ‘gevoelens’, zaken die gehecht kunnen zijn aan woorden, beelden, voorstellingen – lieflijk, hard, sereen, warm, kil. Om dat onderscheid wat te verhelderen, gebruik ik soms ‘gevoelens’ en ‘gevoelswaarden’ waar Eliot ‘feelings’ schrijft. ‘Emotions’ vertaal ik steeds met ‘emoties’. Artistieke effecten zijn weliswaar enkelvoudig, maar ze komen tot stand door artistieke bewerkingen van ‘emoties’ waaraan door de keuze van bepaalde woorden en beelden ‘gevoelens’ worden toegevoegd. Het artistiek proces wordt met ‘hogedruk’ vergeleken, en de resulterende versmelting van elementen brengt de bijzondere kunst-emotie teweeg die we scherp moeten onderscheiden van de emoties die de dichter mogelijk in het echte leven heeft gehad (maar mogelijk ook niet).

Het essay is belangrijk om Eliots literaire positie te begrijpen. Het laat zien hoe hij het poëtisch ambacht opvatte, en het verheldert zijn standpuntbepaling als literair criticus. Hij was een ‘conservatieve modernist’, om een woord te gebruiken dat de historicus, schrijver en journalist Rob Hartmans heeft opgenomen in de ondertitel van zijn zeer interessante Eliot-boek: T.S. Eliot. De vele gezichten van een conservatieve modernist, Amsterdam: Spectrum 2022.

Ik heb de titel enigszins vrij vertaald.

Een eerdere vertaling van dit essay van de hand van Arend Smilde is gepubliceerd in het literaire tijdschrift Liter, jrg. 5, 2002.

En hier treft u de oorspronkelijke tekst aan – website Poetry Foundation.

Dan nu de vertaling.

Traditie en persoonlijk dichterschap

— I —

Engelse schrijvers hebben het maar zelden over traditie, hoewel de term soms gebruikt wordt om te laten merken dat traditiebesef ontbreekt. Over ‘de traditie’ of over ‘een traditie’ spreken, lukt haast niet; hoogstens wordt het gebruikt als bijvoeglijk naamwoord om te zeggen dat de poëzie van deze of gene dichter ‘traditioneel’ of ‘al te traditioneel’ is. Het woord komt misschien bijna alleen voor in afkeurende zin. Als het anders gebruikt wordt, betreft het vaak een halfslachtig compliment dat impliceert dat de prestatie in kwestie een geslaagde archeologische reconstructie is. Je kunt het woord nauwelijks gunstig laten klinken in Engelse oren zonder deze bemoedigende verwijzing naar de wetenschap der archeologie.

Weinig kans dus dat dit woord gebruikt zal worden om waardering voor levende of dode schrijvers uit te drukken. Ieder land, ieder volk heeft een eigen manier van denken, wat zowel geldt voor scheppende als voor kritische bezigheden; en mensen zijn zich zo mogelijk nog minder bewust van de tekortkomingen en beperkingen van hun kritische gewoonten dan van hun scheppingskracht. Uit de grote hoeveelheid letterkundige kritiek die in het Frans is verschenen weten we – menen we althans te weten – wat de kritische methoden of gewoonten van de Fransen zijn; we concluderen daaruit (we zijn nu eenmaal slaapwandelaars) dat de Fransen veel ‘kritischer’ zijn dan wij, en soms pronken we daar een beetje mee, alsof de Fransen een stuk minder spontaan zouden zijn. Misschien zijn ze dat ook wel; maar we moeten bedenken dat kritiek net zo onmisbaar is als ademhalen, en dat we er niet minder van worden als we onder woorden brengen wat er in ons omgaat als we een boek lezen, een boek waar we gevoelens bij hebben, en als we onszelf bekritiseren door de Franse kritiek tot ons te nemen. Een van de feiten die zodoende aan het licht zou kunnen komen, is onze neiging om bij het prijzen van een dichter juist die aspecten van zijn werk te benadrukken waarin hij het minst op andere dichters lijkt. In deze aspecten van zijn werk, in deze passages menen we dan het persoonlijke aan te treffen, de unieke kern van de schrijver. We zijn zeer in onze nopjes met het verschil tussen de dichter en zijn voorgangers, met name zijn directe voorgangers; en we streven ernaar iets te vinden dat los van die voorgangers kan worden genoten. Maar als we een dichter onbevooroordeeld tegemoet zouden treden, zullen we haast altijd merken dat niet alleen het beste, maar ook het meest persoonlijke van zijn werk juist die passages zijn waarin dode voorgangers hun onsterfelijkheid het duidelijkst tonen. En dan heb ik het niet over de adolescente staat van verhoogde ontvankelijkheid, maar over de dichterlijke staat waarin gerijpt werk tot stand komt.

Toch is het wel zo dat als de enige vorm van traditie – van overlevering – zou bestaan ​​uit het blindelings of nederig navolgen van de successen van vorige generaties, dan zou ‘traditie’ actief ontmoedigd moeten worden. We hebben veel van zulke imitatie-strominkjes al gauw zien verzanden, en iets nieuws is beter dan herhaling. Maar traditie heeft een veel ruimere betekenis. Ze kan niet worden geërfd, en als je erover beschikken wilt, moet je haar eigen maken door hard te werken. Ze omvat in de eerste plaats het historisch besef, een besef dat feitelijk onmisbaar is voor ieder die na zijn vijfentwintigste nog dichter wil zijn; en historisch besef omvat niet slechts het besef van wat voorbij ging, maar ook van wat nog tegenwoordig is; het historisch besef dwingt een mens om niet alleen te schrijven met de hartstocht van zijn eigen generatie, maar met de erkenning dat de gehele Europese literatuur vanaf Homerus, en daarbinnen de gehele literatuur van het eigen land, tezelfdertijd bestaat en een bepaalde ordening kent. Dit historisch besef, dat zowel een besef is van het tijdloze als van het tijdelijke, en van het tijdloze en het tijdelijke in één verband, is wat een schrijver traditioneel maakt. En het is tegelijkertijd wat een schrijver in staat stelt zijn bijzondere plaats in de tijd te beseffen, zijn eigen eigentijdsheid.

Geen enkele dichter, geen enkele kunstenaar, welke kunstvorm hij ook kiest, bepaalt zelf volledig wie hij is en wat hij voorstelt. Zijn betekenis, zijn waarde, ligt in de waarde die hij heeft met betrekking tot de dichters en kunstenaars uit het verleden. Je kunt geen waarde aan zijn dichterschap toekennen door alleen naar hemzelf te kijken; Voor contrast en vergelijking moet je hem tussen de doden plaatsen. Ik bedoel dit niet alleen als historisch, maar ook als esthetisch uitgangspunt voor de kritiek. De noodzaak om zich te verhouden tot en in dialoog te treden met voorgangers, is niet eenzijdig; het bijzondere dat plaats vindt als een nieuw kunstwerk wordt geschapen, vindt tegelijkertijd plaats met alle kunstwerken die eraan voorafgingen. Reeds bestaande vormen van kunst kennen een samenhang en een ordening die wordt gewijzigd door de introductie van het nieuwe (het werkelijk nieuwe) kunstwerk. Voordat er een nieuw kunstwerk is, is er een bestaande, complete ordening. Maar opdat er ook na de komst van het nieuwe kunstwerk een complete ordening zal blijven bestaan, moet de gehele bestaande ordening, al is het maar een klein beetje, worden gewijzigd; en zo worden de verhoudingen, proporties en waarden van elk kunstwerk ten opzichte van het geheel opnieuw afgestemd: dit schept een nieuwe samenhang tussen het oude en het nieuwe. Wie dit idee van een samenhangende ordening die bestaat binnen de Europese, binnen de Engelse literatuur, eenmaal heeft begrepen, zal het niet absurd vinden dat het verleden door het heden wordt gewijzigd, zoals ook het heden mede door het verleden wordt gevormd. En de dichter die zich hiervan bewust is, zal zich bewust zijn van grote uitdagingen en verantwoordelijkheden.

In een bijzondere zin zal de dichter beseffen dat hij noodzakelijkerwijs beoordeeld zal worden aan de hand van maatstaven die vroeger golden. Ik zeg beoordeeld, niet verminkt; het oordeel is niet dat een dichter even goed, slechter of beter is dan de doden; en het oordeel wordt zeker niet ontleend aan de normen van dode critici. Het is een oordeel waarbij twee dingen onderling met elkaar worden vergeleken. Een rimpelloze inpassing in het bestaande zou betekenen dat het nieuwe feitelijk helemaal niet past; het zou namelijk niet nieuw zijn, en dus geen kunstwerk. We zeggen daarmee niet dat het nieuwe alleen waarde krijgt omdat het wel als nieuw ingepast kan worden; maar het feit dat het ingepast kan worden, is een trefzekere manier om de waarde ervan te toetsen – zij het dat het een toetssteen betreft die slechts met aandacht en voorzichtigheid mag worden gebruikt, want niemand van ons is in staat om feilloos te beoordelen of de bedoelde inpassing is geslaagd. We zeggen: het lijkt inpasbaar, en misschien is het persoonlijk, of het lijkt persoonlijk, en mogelijk is het inpasbaar; maar de kans is klein dat we onomstotelijk zullen kunnen vaststellen dat het A is en niet B.

Om de relatie die de dichter heeft tot het verleden nog wat begrijpelijker te maken: de dichter kan het verleden niet als een samengeraapt geheel, als een vormeloze bult, beschouwen, en hij kan zich evenmin volledig richten op één of twee bewonderde voorbeelden, noch ook op één favoriete kunstperiode. De eerste benadering is ontoelaatbaar, de tweede is een belangrijke jeugdervaring en de derde is een aangename en zeker wenselijke bijkomstigheid. De dichter moet zich zeer bewust blijven van de hoofdstroom, een stroom die niet altijd via de meest beroemde namen vloeit. Hij moet helder voor ogen houden – het ligt voor de hand – dat kunst geen vooruitgang kent, maar dat het materiaal van de kunst evenmin helemaal hetzelfde blijft. Hij moet ook helder voor ogen hebben dat de geest van Europa – de geest van zijn eigen land – een geest die hij na verloop van tijd veel belangrijker leert te vinden dan zijn eigen persoonlijkheid – een geest is die verandert, en dat dit een ontwikkeling is waarbij en route niets wordt weggegooid: noch Shakespeare, noch Homerus, noch de grottekeningen van Altamira zullen daarbij verouderen. En dat deze ontwikkeling – die wellicht een verfijning is, en die zaken zeker ook ingewikkelder maakt – bezien vanuit het gezichtspunt van de kunstenaar niks te maken heeft met beter of minder. Het is misschien zelfs niet eens vooruitgang vanuit het gezichtspunt van de psycholoog, althans niet zoals we ons die vooruitgang meestal voorstellen; misschien is genoemde ontwikkeling uiteindelijk slechts gebaseerd op economische of technische vernieuwingen. Maar het verschil tussen het heden en het verleden is dat het bewust beleefde heden het verleden kent op een manier en in een mate die voor het verleden zelf onbereikbaar is.

Iemand zei ooit: “Dode schrijvers staan ver van ons af omdat wij zo veel meer weten dan zij.” Heel juist, en zij zijn datgene wat wij weten.

Ik hoor vaak het volgende bezwaar tegen iets dat zeker deel uitmaakt van mijn programma voor dichterlijk vakmanschap. Het bezwaar luidt dat de stelling een bespottelijke hoeveelheid eruditie (pedanterie) vereist, en met die eis wordt de dichter overvraagd zoals blijkt uit de dichtersbiografieën in ieder willekeurig pantheon. Men zal zelfs beweren dat veel geleerdheid de poëtische gevoeligheid afstompt of aantast. Hoewel ik blijf vasthouden aan de gedachte dat een dichter toch zo veel mogelijk moet weten binnen de grenzen van zijn onmiskenbare ontvankelijkheid en onmiskenbare luiheid, is het uiteraard wel onwenselijk om kennis te beperken tot datgene wat geschikt is voor examinering, literaire salons of nog gewichtigere vormen van publieke aandacht. Sommigen zuigen kennis op als een spons, tragen van geest moeten ervoor zwoegen. Shakespeare haalde meer elementaire historische kennis uit Plutarchus dan de meesten van ons uit het hele British Museum. De nadruk moet alleen wel blijven liggen op de verwerving en ontwikkeling van historisch besef, en de dichter moet dit besef blijven cultiveren gedurende zijn gehele carrière.

Het gevolg is steeds een voortdurende overgave van zichzelf aan iets dat een hogere waarde vertegenwoordigt. Artistieke ontwikkeling is een voortdurende zelfopoffering, een voortdurende uitwissing van de persoonlijkheid.

Rest ons nog om dit proces van depersonalisatie en de relatie ervan tot het traditiebesef te definiëren. Het is in deze depersonalisatie dat de kunst, zo zou je kunnen zeggen, nadert tot de wetenschap. Met een suggestieve vergelijking nodig ik u daarom uit om na te denken over wat er gebeurt als een platinaschilfer in een ruimte met zuurstof en zwaveldioxide wordt gebracht.

— II —

Faire kritiek en hoogschatting van fijngevoeligheid zijn niet gericht op de dichter, maar op de gedichten. Als we luisteren naar de onsamenhangende kreten van recensenten en naar de susurrus, de alomtegenwoordige ruis van herhaling die daarop volgt, zullen we talloze namen van dichters horen; maar als we niet uit zijn op literatuurtheoretische kennis, maar op de genoegens van ware dichtkunst, en we vragen om een ​​gedicht, dan zullen we dat zelden tegenkomen. Ik heb geprobeerd het belang aan te tonen van de samenhang tussen een bepaald gedicht en andere gedichten van andere auteurs, en heb het idee geopperd dat de poëzie een levend geheel is van alle ooit geschreven gedichten. Het andere aspect van deze theorie van een Dichtkunst zonder Persoonlijkheid is de betrekking tussen gedicht en auteur. En ik heb, door middel van een vergelijking, gesuggereerd dat de geest van de gerijpte dichter niet zozeer verschilt van die van de onvolwassen dichter wat betreft de waarde die wordt toegekend aan de ‘persoonlijkheid’, want die is niet per se interessanter, die heeft ook niet ‘meer te zeggen’, maar eerder dat zo’n gerijpte geest een verfijnder medium is waarin uitzonderlijke of veelzijdige gevoelens vrij zijn om nieuwe verbindingen met elkaar aan te gaan.

De vergelijking was die met een katalysator. Wanneer de twee hiervoor genoemde gassen in aanwezigheid van een platinaschilfer worden gemengd, vormen ze zwavelzuur. Deze verbinding komt alleen tot stand als het platina aanwezig is, maar toch bevat het nieuwgevormde zuur geen spoor van platina; het platina zelf blijft kennelijk onaangetast: het is inert, neutraal en onveranderd gebleven. De geest van de dichter is zo’n stukje platina. Deze geest kan zich voor een deel of uitsluitend bezighouden met de ervaring van de mens zelf; maar hoe volmaakter de kunstenaar, des te vollediger zal de scheiding in hem zijn tussen de lijdende mens en de scheppende geest, en des te volmaakter zal de geest de gemoedsbewegingen die zijn materiaal vormen verwerken en transformeren.

De ervaring, de elementen die bij de transformerende katalysator in de buurt komen, zijn, zoals u merkt, van tweeërlei aard: emoties enerzijds en gevoelens of gevoelswaarden anderzijds. Het effect van een kunstwerk op de persoon die ervan geniet, is een ervaring die wezenlijk verschilt van elke ervaring die niet door kunst wordt teweeggebracht. Het effect kan voortkomen uit één enkele emotie, of misschien een samenstel van meerdere emoties, en vervolgens kunnen verschillende gevoelswaarden die voor de schrijver aan bepaalde woorden, zinsdelen of beelden gebonden zijn, worden toegevoegd om het uiteindelijke resultaat te vormen. Grote poëzie kan trouwens ook worden gemaakt zonder rechtstreeks gebruik te maken van enige emotie: deze kan ook worden samengesteld uit gevoelens of gevoelswaarden. Canto XV van de Inferno (Brunetto Latini) [1] is een uitwerking van de emotie die in de gegeven situatie vanzelf spreekt; maar het effect, hoewel enkelvoudig zoals dat van elk kunstwerk, wordt bereikt door een groot aantal ingewikkelde details. Het laatste kwatrijn geeft een beeld, een gevoelswaarde die zich hecht aan een beeld, iets dat ‘zich aandiende’, dat zich niet simpelweg ontwikkelde uit wat eraan voorafging, maar dat waarschijnlijk in de geest van de dichter sluimerde totdat het passend leek om het aan het geheel toe te voegen. De geest van de dichter is in feite een reservoir voor het vastleggen en opslaan van talloze gevoelens en gevoelswaarden, zinnen en beelden, en ze blijven daarin opgeslagen totdat alle onderdelen die nodig zijn voor een nieuw geschakeerd geheel, aanwezig zijn.

Als je een aantal geschikte passages uit de grootste poëzie onderling vergelijkt, zie je hoe groot de verscheidenheid aan combinatiemogelijkheden is, en ook hoe volkomen elk semi-ethisch criterium van ‘verhevenheid’ de plank misslaat. Want het is niet de ‘grootsheid’, de intensiteit van de emoties, van de componenten dus, maar de intensiteit van het artistieke proces, de hogedruk, om zo te zeggen, waaronder de versmelting plaatsvindt, die telt. De episode van Paolo en Francesca [2] maakt gebruik van een bepaalde emotie, maar de intensiteit van de poëzie is iets heel anders dan de intensiteit van de onderliggende ervaring. Deze episode is bovendien niet intenser dan Canto XXVI, de reis van Odysseus [3], die niet direct afhangt van enige emotie. Grote variatie is mogelijk in het omvormingsproces van emoties: de moord op Agamemnon [4] of de doodsstrijd van Othello [5] geeft een artistiek effect dat duidelijk dichter ligt bij een mogelijk origineel dan de scènes uit Dante. In Agamemnon benadert de artistieke emotie de emotie van een daadwerkelijke toeschouwer, in Othello wordt de emotie van de protagonist zelf benaderd. Maar het verschil tussen kunst en gebeurtenis is altijd absoluut; het geschakeerde geheel dat de moord op Agamemnon vormt, is waarschijnlijk even complex als de reis van Odysseus. In beide gevallen is er sprake van een samensmelting van elementen. De ode van Keats [6] bevat een aantal gevoelens die weinig met de nachtegaal te maken hebben, maar die door de nachtegaal wel samengebracht zijn, wellicht deels vanwege zijn aantrekkelijke naam en deels vanwege zijn reputatie.

Het standpunt dat ik met kracht van argumenten probeer te weerleggen, houdt wellicht verband met de metafysische theorie van de wezenlijke eenheid van de ziel: wat ik bedoel is namelijk dat de dichter niet zozeer over een ‘persoonlijkheid’ beschikt om uit te drukken, maar over een bijzonder medium, dat dan ook uitsluitend medium is en geen persoonlijkheid, waarin indrukken en ervaringen zich op bijzondere en onverwachte manieren met elkaar verbinden. Indrukken en ervaringen die belangrijk zijn voor de mens, krijgen mogelijk geen plaats in het gedicht, en die welke belangrijk zijn in het gedicht, spelen mogelijk een verwaarloosbare rol in de mens, in zijn persoonlijkheid.

Ik citeer een passage die voor mij onbekend genoeg is om in het licht – of de duisternis – van deze observaties met hernieuwde aandacht te worden bekeken:

[Toelichting van de vertaler: We horen in dit tragediefragment de held van het verhaal Vindice (‘wreker’) een monoloog houden. Vindice is op het toneel met een exquis aangekleed en kosmetisch verfraaid skelet van zijn minnares. Deze minnares is door de Hertog gedood, omdat ze niet met hem naar bed wilde. Vindice is in afwachting van de Hertog (die straks zelf zal sterven nadat hij het vergiftigde skelet heeft gekust), en houdt dan deze monoloog. Het is gekozen uit een allegorische tragedie – The Revenger’s Tragedy (De tragedie van de wreker) uit 1606 – waarin veel seks en moord voorkomt. De auteur van het stuk staat niet met absolute zekerheid vast: het is waarschijnlijk Thomas Middleton of Cyril Tourneur.]

And now methinks I could e’en chide myself
For doating on her beauty, though her death
Shall be revenged after no common action.
Does the silkworm expend her yellow labours
For thee? For thee does she undo herself?
Are lordships sold to maintain ladyships
For the poor benefit of a bewildering minute?
Why does yon fellow falsify highways,
And put his life between the judge’s lips,
To refine such a thing—keeps horse and men
To beat their valours for her? . . .
[7]

[Ik denk dat ik mijzelf de schuld moet geven
omdat ik dol was op haar schoonheid, al kan haar dood
slechts door een ongewone daad gewroken worden.
Verricht de zijderups haar gele werkzaamheid
voor jou? Put ze zich uit – vergeefs – voor jou?
Wordt de heerlijkheid verkwanseld voor hoerenheerlijkheid,
voor schrale winst van een betoverend ogenblik?
Waarom toch dwaalt de minnaar-losbol af van rechte paden,
riskeert hij zijn lot in de mond van de rechter,
om dit ding uit te dossen – laat hij man en paard
hun moed en geld vertrappen, juist voor haar? …] [8]

In deze passage (zoals duidelijk is binnen de gegeven context) lezen we een samenstel van positieve en negatieve emoties: een intense en sterke aantrekkingskracht tot schoonheid en een even intense fascinatie voor de lelijkheid die ermee contrasteert en die de schoonheid vernietigt. Deze balans van contrasterende emoties is aanwezig in de dramatische situatie waarop de toespraak betrekking heeft, maar die situatie is op zichzelf onvoldoende. Dit samenstel is, om zo te zeggen, de structurele emotie die door het drama wordt geleverd. Maar het algehele effect, de overheersende toon, is te danken aan het feit dat een aantal daarvan losstaande gevoelens of gevoelswaarden die weliswaar een verwantschap met deze emotie hebben, een verwantschap die op het eerste gezicht geenszins vanzelf spreekt, zich ermee hebben vermengd om zo een nieuwe kunst-emotie te scheppen.

Het is niet vanwege zijn persoonlijke emoties – de emoties die door bepaalde gebeurtenissen in zijn leven worden opgeroepen – dat de dichter op enigerlei wijze opmerkelijk of interessant is. Zijn emoties zijn eenvoudig misschien, grof soms of ook wel vlak. De emotie in zijn poëzie kan misschien buitengewoon complex zijn, maar toch niet zo complex als de emoties van mensen die heel complexe of uitzonderlijke dingen in het leven meemaken. Een veelgemaakte fout als je iets bijzonders in poëzie wilt bereiken, is de wil om volstrekt nieuwe menselijke emoties uit te drukken; en in deze dwalende zoektocht naar vernieuwing, ontdekt men dan perversiteit. De taak van de dichter is niet om nieuwe emoties te ontdekken, maar om gewone emoties te gebruiken, en, door ze in poëzie te verwerken, gevoelens uit te drukken die in werkelijkheid helemaal niet in emoties besloten liggen. En emoties die hij nooit heeft doorleefd, kunnen hem even goed van pas komen als emoties die hem vertrouwd zijn. Bijgevolg moeten we concluderen dat een formule als emotion recollected in tranquility [9] – emotie die wordt herinnerd in een toestand van rust – onnauwkeurig is. Want het gaat niet om emotie, evenmin om herinnering, en ook niet om rust (als je dat woord in de gangbare betekenis gebruikt). Het is iets geheel nieuws dat een product is van concentratie, een concentratie van heel veel ervaringen die voor de praktische en levendige mens helemaal geen ervaringen lijken te zijn; het is een concentratie die niet bewust of weloverwogen plaats vindt. Deze ervaringen worden niet ‘herinnerd’ en verenigen zich uiteindelijk in een atmosfeer die alleen ‘rustig’ is in de zin dat het passieve aandacht voor de gebeurtenis veronderstelt. Natuurlijk is dit niet het hele verhaal. Er is veel bij het schrijven van poëzie dat bewust en weloverwogen moet gebeuren. Sterker nog, de slechte dichter is meestal onbewust waar hij bewust zou moeten zijn, en bewust waar hij onbewust zou moeten zijn. Beide fouten hebben de neiging hem ‘persoonlijk’ te maken. Poëzie is geen uitlaadklep van emotie, maar een ontsnapping aan emotie; het is niet de uitdrukking van persoonlijkheid, maar een ontsnapping aan persoonlijkheid. Maar natuurlijk weten alleen zij die persoonlijkheid en emoties hebben wat het betekent om aan deze dingen te willen ontsnappen.

— III —

δ δε νους ισως Θειοτερον τι και απαθες εστιν [10]

(Misschien is de geest wel goddelijker dan de onbeweeglijke stof.)

Dit essay wil de grens van metafysica of mystiek niet overschrijden, maar probeert zich te beperken tot praktische conclusies die bruikbaar zijn voor serieuze lezers met belangstelling voor poëzie. De aandacht verleggen van dichter naar poëzie is daarom altijd lofwaardig: het draagt bij aan een betere beoordeling van echte poëzie, zowel goede als slechte. Veel mensen waarderen de uiting van oprechte emotie in verzen, en een kleiner aantal mensen kan uitmuntende techniek waarderen. Maar slechts weinigen weten wanneer er sprake is van betekenisvolle emotie, emotie die haar oorsprong vindt in het gedicht zelf en niet in de biografie van de dichter. De emotie in de kunst is onpersoonlijk. En de dichter kan deze onpersoonlijkheid niet bereiken zonder zich volledig over te geven aan het werk dat verricht moet worden. Wat hij moet doen, zal hij pas beseffen als hij niet alleen leeft in het heden, maar ook in het verleden dat zich in het heden manifesteert, wat betekent dat hij zich bewust is, niet van wat dood is, maar van wat steeds in hem leeft.

Eindnoten

(Alle noten zijn van de vertaler, AS)

[1] Dante Alighieri, Divina Commedia, Inferno, Canto XV. Brunetto Latini was Dante’s leermeester die wordt opgevoerd als iemand die brandt in de hel.

[2] Dante Alighieri, Divina Commedia, Inferno, Canto V. Overspelige relatie tussen Paolo en Francesca.

[3] Dante Alighieri, Divina Commedia, Inferno, Canto XXVI. Reis van Odysseus.

[4] Aischylos, Agamemnon. Attische tragedie, ca. 458 v.Chr.

[5] William Shakespeare, Othello. Tragedie uit 1603/4.

[6] John Keats, Ode to a Nightingale. Ode uit 1819.

[7] Thomas Middleton of Cyril Tourneur, The Revenger’s Tragedy (1606), III.5.

Eliot gebruikt de versregel “For the poor benefit of a bewildering minute?”. Volgens Frank Kermode, ‘Getting Even’, New York Review of Books, 28 november, 1996 Issue, is het oorspronkelijke adjectief ‘bewitching’, en is ‘bewildering’ een ‘inauthentic nineteenth-century variant’.

[8] Dit is een vrije, niet al te dichterlijke vertaling die rekening houdt met de gedachtegang en emotionele sequentie van het geheel. Er klinken een paar interpretaties door in de vertaling om de tekst wat te verduidelijken. Bij toelichting en vertaling heb ik gebruik gemaakt van Peter Womack, English Renaissance Drama, Oxford: Blackwell Publishing 2006, p.179-184.

[9] Wordsworth, Lyrical Ballads, voorwoord bij de tweede editie (1802): ‘Poetry is the spontaneous overflow of powerful feelings; it takes its origin from emotion recollected in tranquillity.’

[10] Aristoteles, De Anima I.4.

De leugen – Mary O’Malley

Mary O’Malley (1954-) is een regelmatig bekroonde Ierse dichter en vertaler die werkt aan de Nationale Universiteit van Ierland in Galway. Ze heeft acht jaar in Lissabon gewerkt, heeft tien dichtbundels gepubliceerd, ontving verschillende prijzen in diverse landen.

Onder deze link vindt u een interessant interview met Mary O’Malley. Het werd gepubliceerd in 2024, in de september-editie van The Honest Ulsterman. Interviewer is Esther Cullen.

De hierbij afgebeelde foto is ontleend aan datzelfde interview. Omdat de copyright-informatie niet wordt vermeld, kan ik die hier tot mijn spijt ook niet reproduceren.

Het gedicht is aan de actualiteit ontleend, maar het hoofdeffect heeft niet veel met de actualiteit te maken. Schutters van de door Donald Trump opgetuigde paramilitaire organisatie ICE – misleidend een douane- en immigratiedienst genoemd (Immigration and Customs Enforcement) – hebben twee onschuldige burgers in koelen bloede vermoord in Minneapolis.

Verrassend effect: een gedicht is geen geweer zegt het gedicht in de openingsstrofe, en in de slotstrofe blijkt het opeens een bom.

Het gedicht bestaat uit vier niet-rijmende kwatrijnen. Ik ben iets kwistiger geweest met lettergrepen dan O’Malley, maar in dit geval is het vrij belangrijk dat de betekenis van het gedicht goed wordt gevolgd.

Het gedicht werd gepubliceerd op 31 januari 2026 in The Irish Times.

Veel leesplezier.


Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

De leugen

De leugen dat de neergeschoten demonstrant
In Minneapolis een terrorist was, de leugen
Dat ICE-moordenaars die tekeergaan in hun eigen steden
Slachtoffers zijn, de leugen dat een gedicht een geweer is.

Een gedicht is geen geweer, al is het zo dat gedichten
Geschreven door Achmatova of Neruda
Of Mandelstam – geen van hen heeft bij mijn weten
Ooit een schot gelost – misschien

Bij zekere formaties van het gesternte
Toevlucht vinden in het hart en verder gaan
Over bergen en landsgrenzen, ook taalgrenzen,
En ze steken zeeën over en jij

Kunt ze niet neerschieten, of ze opsluiten
Of de pixels veranderen. Ze worden afgespeeld
Op het riet van holle, dode beenderen.
Zo’n gedicht is een bom.


Origineel

The Lie

The lie that a protester shot dead by ICE
in Minneapolis was a terrorist, the lie
that killers set loose on their own cities
are victims, the lie that a poem is a gun.

A poem is not a gun, though a poem
from the pen of Akhmatova or Neruda
or Mandelstam, not one of whom ever
to my knowledge fired a shot, might

in certain conjugations of the stars
lodge in the heart and spread out
across mountains and borders
across languages and the sea and you

can’t shoot it down, or lock it up
or alter its pixels. It is played
on the hollowed reeds of dead bones.
A poem like that is a bomb.

Geen mens is een eiland – John Donne

John Donne (1572-1631) is de bekendste dichter van de groep dichters die door Samuel Johnson (1709-1784) de Metaphysical Poets is gedoopt. Hij was een geleerde en werd later een geestelijke in The Church of England.

Een informatieve Nederlandse website over John Donne, waarop ook veel vertalingen van zijn werk, vindt u hier.

De Metaphysical Poets gebruikten zogeheten Metaphysical Conceits in hun gedichten. Dat zijn uitgebreide vergelijkingen die weinig voor de hand lijken te liggen, die onwaarschijnlijk zijn, waarvan de elementen zeer ver uit elkaar liggen, maar die toch op een dichterlijke manier treffend zijn. 

Dit gedicht bevat heel beroemde slotregels. Ze zijn in iets andere vorm bekend: “Don’t ask for whom the bell tolls; it tolls for thee”. Zo luidt ook de gelijknamige roman van Ernest Hemingway uit 1940. Het betekent dat bij ieders uitvaart ook een stukje van onszelf uitgeleide wordt gedaan.

Het gedicht bereidt deze conclusie helemaal voor door te benadrukken dat we allemaal horen bij de mensheid. De mensheid wordt dan met het continent, met Europa vergeleken en het gedicht maakt duidelijk dat we armer worden als er iemand verdwijnt, zoals het continent armer wordt als er een stukje vanaf wordt gehaald. De ironie is dat Donne een eilandbewoner was uiteraard.

Het gedicht komt voor in Devotions Upon Emergent Occasions, and severall steps in my Sicknes uit 1624. Het boek bestaat vooral uit proza, reden waarom dit gedicht soms ook een prozagedicht wordt genoemd. De spelling die ik hier heb overgenomen is enigszins gemoderniseerd.


Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

Geen mens is een eiland

Geen mens is een eiland,
Valt samen met zichzelf;
Ieder mens is een stukje continent,
Deel van de kern.

Als een kluit wordt weggespoeld door de zee
Wordt Europa armer,
Net als wanneer een kaap zou verdwijnen:
Net als wanneer het een landgoed van je vriend
Betrof, of dat van jezelf.

De dood van ieder mens neemt iets van me weg,
Omdat de mensheid mij aangaat,
En vraag dan ook nooit voor wie de klok luidt;
Die luidt voor jou.


Origineel

No Man is an Island

No man is an island,
Entire of itself;
Every man is a piece of the continent,
A part of the main.

If a clod be washed away by the sea,
Europe is the less,
As well as if a promontory were:
As well as if a manor of thy friend’s
Or of thine own were.

Any man’s death diminishes me,
Because I am involved in mankind.
And therefore never send to know for whom the bell tolls;
It tolls for thee.

De stad – Konstantínos Kafávis

Konstantínos Kafávis (1863-1933) wordt beschouwd als de grootste moderne dichter van Griekenland. Hij werd in Alexandrië geboren als negende kind van een welgesteld koopmansgezin. Hij heeft een tijdlang in Engeland gewoond, maar keerde weer terug naar Griekenland. Hij was homoseksueel en had goede, maar weinig opvallende banen.

Zijn thema is het contrast tussen intense artistieke en lichamelijke genietingen en de voorbijgaande aard van alles wat zo groots en meeslepend lijkt, maar in wezen zo vergankelijk is. Hij gebruikt daartoe soms scènes uit de oudheid, maar hij slaagt er altijd in door zijn onopgesmukte stijl en zijn waarachtigheid dit thema heel dichtbij de lezer te brengen.

Hij gebruikte oudgrieks en moderngrieks door elkaar in zijn poëzie, een eigenschap die de vertaler in de moderne Europese talen niet kan nabootsen. In zijn vroege gedichten kwam soms nog onregelmatig rijm voor, later liet hij dat steeds meer los. De versregels hebben soms een jambisch metrum, maar heel vaak houdt hij zich ook daar niet strak aan.

Ithaka is misschien wel het beroemdste gedicht van Kafávis. Het centrale motief van het gedicht is ontleend aan de Odyssee van Homerus (ca. 800 v. Chr.). Ik heb het eerder vertaald.

Het gedicht De stad is niet moeilijk te begrijpen. Je zou het kunnen opvatten als een dichterlijke vorm van wat eerder al door de filosoof Schopenhauer was uitgedrukt. Iemand zegt tegen zichzelf:

”Het is nu zes uur ’s avonds, het werk voor vandaag zit erop. Ik kan nu een wandeling gaan maken, ik kan naar de club gaan, ik kan ook de toren beklimmen om de zon te zien ondergaan of bijvoorbeeld naar het theater gaan of deze of gene vriend opzoeken. Ik kan er zelfs vandoor gaan, de wijde wereld in en nooit meer terugkomen. Het hangt allemaal louter van mijzelf af: ik ben helemaal vrij om het allemaal te doen. Maar toch doe ik niets van dat al en ga in plaats daarvan eveneens uit Vrije Wil terug naar mijn huis, naar mijn vrouw.”

En dan vervolgt Schopenhauer met zijn raillerende water-beeldspraak:

Dat is net zoiets als wanneer het water zou beweren: ik kan mijn golven hoog laten opstaan (ja zeker, bij de storm op zee namelijk), ik kan onstuimig voortstromen (ja, in de bedding van een rivier), ik kan schuimend en spattend omlaag storten (ja, als waterval), ik kan vrij de lucht inspuiten (ja, als fontein) en ten slotte kan ik ook nog helemaal opkoken en verdwijnen (ja, bij een temperatuur van 100 graden). Maar vandaag doe ik niets van dat al, in plaats daarvan blijf ik uit Vrije Wil kalm en helder in mijn spiegelende vijver staan.

Ik beheers geen Grieks, en ik heb dus eigenlijk gedaan wat niet mag. Aan de hand van een drietal vertalingen, twee Nederlandse (G.H. Blanken en M. Blijstra) en een Engelse (Edmund Keeley and Philip Sherrard), heb ik een eigen vertaling gemaakt. Mijn enige verontschuldiging is dat ook vertalers van naam en faam soms gebruik maken van de vertalingen van anderen die de taal wel beheersen. De gebruikte Engelse vertaling behoort overigens tot de hoogst gewaardeerde vertalingen in het Engelse taalgebied.

In Frankrijk heeft Marguerite Yourcenar de gedichten vertaald, met hulp van iemand die het Grieks goed beheerste – zo ziet u maar.

Ik heb in dit geval een vertaalpoging gewaagd omdat ik hoopte nog iets te kunnen toevoegen: ik wilde het gedicht nog wat natuurlijker in het Nederlands laten klinken zonder de nuances uit het oog te verliezen. Maar vertalen is natuurlijk ook altijd de intiemste manier om een gedicht nabij te komen.


Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

De stad

Je zei: “Ik wil weg, ik wil een ander land, een andere kust,
Ik wil een andere stad die beter is dan deze.
Wat ik ook doe – het lijkt gedoemd of gaat verkeerd,
En mijn hart ligt in het graf als was het een dode.
Hoe lang nog zal ik mijn geest hier laten ontbinden?
Waar ik ook ga, waar ik ook kijk,
Ik zie de geblakerde ruïnes van mijn leven, juist daar
Waar ik al die jaren doorbracht, ze vermorste, ze totaal verwoestte.”

Je zult geen nieuw land vinden, geen andere kust.
Deze stad zal je blijven achtervolgen.
Je zult door deze straten blijven lopen, in deze buurten
Oud worden, je zult grijs worden in dezelfde huizen.
Deze stad zal je eindpunt zijn. Hoop niet op elders:
Geen schip ligt voor je klaar, er zijn geen wegen.
Nu je je leven hier hebt vermorst, in deze kleine uithoek,
Heb je het verwoest waar ook ter wereld.


Engelse vertaling (Edmund Keeley and Philip Sherrard)

The City

You said: “I’ll go to another country, go to another shore,
find another city better than this one.
Whatever I try to do is fated to turn out wrong
and my heart lies buried like something dead.
How long can I let my mind moulder in this place?
Wherever I turn, wherever I look,
I see the black ruins of my life, here,
where I’ve spent so many years, wasted them, destroyed them totally.”

You won’t find a new country, won’t find another shore.
This city will always pursue you.
You’ll walk the same streets, grow old
in the same neighborhoods, turn gray in these same houses.
You’ll always end up in this city. Don’t hope for things elsewhere:
there’s no ship for you, there’s no road.
Now that you’ve wasted your life here, in this small corner,
you’ve destroyed it everywhere in the world.


Origineel

Η πόλις

Είπες· «Θα πάγω σ’ άλλη γη, θα πάγω σ’ άλλη θάλασσα.
Μια πόλις άλλη θα βρεθεί καλλίτερη από αυτή.
Κάθε προσπάθεια μου μια καταδίκη είναι γραφτή·
κ’ είν’ η καρδιά μου — σαν νεκρός — θαμένη.
Ο νους μου ως πότε μες στον μαρασμόν αυτόν θα μένει.
Όπου το μάτι μου γυρίσω, όπου κι αν δω
ερείπια μαύρα της ζωής μου βλέπω εδώ,
που τόσα χρόνια πέρασα και ρήμαξα και χάλασα.»

Καινούριους τόπους δεν θα βρεις, δεν θάβρεις άλλες θάλασσες.
Η πόλις θα σε ακολουθεί. Στους δρόμους θα γυρνάς
τους ίδιους. Και στες γειτονιές τες ίδιες θα γερνάς·
και μες στα ίδια σπίτια αυτά θ’ ασπρίζεις.
Πάντα στην πόλι αυτή θα φθάνεις. Για τα αλλού — μη ελπίζεις—
δεν έχει πλοίο για σε, δεν έχει οδό.
Έτσι που τη ζωή σου ρήμαξες εδώ
στην κώχη τούτη την μικρή, σ’ όλην την γη την χάλασες.


Voor wie het interesseert: dit is de vertaling van Hans Warren en Mario Molegraaf, K.P. Kavafis, Gedichten, Amsterdam: Bert Bakker 1986, p.9. Deze vertaling is heel aardig, maar die heb ik niet gebruikt bij mijn eigen vertaling. Met dank aan de vraag hieronder van Ghurabalbayn.

En hier vindt u nog een oudere versie van het gedicht.

Wegzwemmen – Mary Oliver

Mary Oliver (1935-2019) is een Amerikaanse dichter, en ze werd geboren in een landelijk plaatsje, Maple Heights, vlakbij Cleveland in Ohio. Daar ontwikkelde ze een grote voorliefde voor de natuur. Ze woonde een groot deel van haar leven in Provincetown, Massachusetts.

Ze begon betrekkelijk vroeg met dichten. Ze schrijft verzen met een fraai ritme en een gevoelige toon, waarin vaak rijm ontbreekt, waarin een dichterlijke stroom en tegenstroom nooit ontbreken, verzen die ons gevoelig maken en verrijken – zoals elk goed gedicht – voor de gruwelen en de schoonheden en de geheimenissen van het bestaan – “We are nourished by the mystery” (The Fish).

Ze was bevriend met de zus van Edna St. Vincent Millay, en heeft met haar de nagelaten papieren van de dichteres geordend.

Een necrologie, geschreven door Lynn Neary, ‘Beloved Poet Mary Oliver, Who Believed Poetry ‘Mustn’t Be Fancy,’ Dies At 83‘ op de website van New Hampshire Public Radio (17 januari 2019), vindt u hier.

De slotregel van dat stuk is een voor mij zeer ontroerend en ook veelzeggend citaat uit het gedicht When Death Comes dat ik al eerder heb vertaald.

“When it’s over, I want to say: all my life / I was a bride married to amazement.”

Na haar dood in 2019 verscheen in Forward een mooi stukje van Talya Zax. Deze joodse schrijver/journalist schreef ware woorden:

The Pulitzer Prize-winning poet [Mary Oliver dus], who passed away on January 17 [2019] at age 83, was a voice of clarity in American letters. Her work, spare and full of silence, was often out of style. She was dismissed, by some who claimed authority, as a common kind of poet, not especially interesting, radical in neither subject nor form.

But when it came to the dimensions that most matter, those of language and soul, Oliver was unique. She could show you the world just as it was, and in doing so make it seem entirely new.

En ook citeerde ze de woorden van Mary Oliver:

 “The Real Prayers Are Not the Words, But the Attention that Comes First,”

Het gedicht zelf is niet heel moeilijk te begrijpen. Het is een aandachtige natuurwaarneming, fraai verwoord, met een ontroerend, universeel geldig slot.

Alle strofen bestaan uit één zin die verdeeld is via enjambementen over meerdere versregels, behalve de voorlaatste tweeregelige strofe: die bestaat uit twee korte verzen. Merk op hoe effectief dat is.

Voor mij werkt dit gedicht veel sterker dan de voorbeelden van de haiku die ik ken (de haiku streeft ook aandachtige natuurwaarneming na met een onopvallend aangebrachte universele strekking), al bewonder ik het streven naar beknoptheid dat in de haiku wordt getoond. Ongetwijfeld zijn dat culturele beperkingen waaraan ik mij niet gemakkelijk kan onttrekken, al heb ik dat wel geprobeerd.


Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

Wegzwemmen

Wie kan zeggen
of daar een zilverreiger staat
of een witte bloem
aan de oever
van de weelderige plas
vol waterlelies en kikkers?

Uren geleden opende de oranje zon
de knoppen van de waterlelies,
en de luipaardkikkers,
begonnen toen
hun lange spieren te strekken,
met hun schoolslag
als kleine groene dwergen
onder het dak van het rijke,
roestkleurige water.

Nu beginnen,
in hun omhulling van dril,
de tere eitjes van de salamander
zich te roeren.

Ze hebben genoeg geslapen.
Ze hebben een nieuw idee.

Ze willen wegzwemmen,
de wereld in.


Origineel

Swim Away

Who can say,
is it a snowy egret
or a white flower
standing
at the glossy edge
of the lily and frog-filled pond?

Hours ago the orange sun
opened the cups of the lilies
and the leopard frogs
began kicking
their long muscles,
breast-stroking
like little green dwarves
under the roof of the rich,
iron-colored water.

Now the soft
eggs of the salamander
in their wrappings of jelly
begin to shiver.

They’re tired of sleep.
They have a new idea.

They want to swim away
into the world.

Niemand mag het weten

Niemand mag het weten
dat ik veel raarder ben
dan dat ik lijk.

Want als ze dat te weten komen
dan wordt mijn raarheid
– het enige wat ik ten slotte heb –
straks ook nog
van me afgenomen.

[Eigen werk]

Wilde ganzen – Mary Oliver

Mary Oliver (1935-2019) is een Amerikaanse dichter, en ze werd geboren in een landelijk plaatsje, vlakbij Cleveland in Ohio. Daar ontwikkelde ze een grote voorliefde voor de natuur. Ze woonde een groot deel van haar leven in Provincetown, Massachusetts, een kustplaats waar de kust niet erg steil is.

Ze begon betrekkelijk vroeg met dichten. Ze schrijft verzen met een fraai ritme en een gevoelige toon, waarin vaak rijm ontbreekt, waarin een dichterlijke stroom en tegenstroom nooit ontbreken, verzen die ons gevoelig maken en verrijken – zoals elk goed gedicht – voor de gruwelen en de schoonheden en de geheimenissen van het bestaan – “We are nourished by the mystery” (The Fish).

Ze was bevriend met de zus van  Edna St. Vincent Millay, en heeft met haar de nagelaten papieren van de dichteres geordend.

Een necrologie, geschreven door Lynn Neary, ‘Beloved Poet Mary Oliver, Who Believed Poetry ‘Mustn’t Be Fancy,’ Dies At 83‘ op de website van New Hampshire Public Radio (17 januari 2019), vindt u hier.

De slotregel van dat stuk is een voor mij zeer ontroerend en ook veelzeggend citaat uit het gedicht When Death Comes dat ik al eerder heb vertaald.

“When it’s over, I want to say: all my life / I was a bride married to amazement.”

Ik heb het gedicht Wild Geese – Wilde ganzen – vertaald nadat mijn oudste dochter me vertelde dat ze een bijzondere voorliefde had voor dat gedicht.


Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

Wilde ganzen

Je hoeft niet goed te zijn.
Je hoeft niet honderd kilometer op je knieën
door de woestijn te kruipen, als boetedoening.
Het enige wat je hoeft is het zachte dier van je lichaam
Laten liefhebben wat het liefheeft.
Vertel me over wanhoop, de jouwe, en ik vertel je de mijne.
Ondertussen gaat de wereld door.
Ondertussen bewegen zon en heldere regendruppels
Langzaam over landschappen,
Over de prairies en de verre bossen,
De bergen en de rivieren.
Ondertussen keren de ganzen, hoog in de helderblauwe lucht,
Weer naar hun thuis terug.
Wie je ook bent, hoe eenzaam misschien,
De wereld schenkt zich aan jouw verbeelding,
Roept naar jou als de wilde ganzen, luid en opwindend –
En keer op keer wijzen ze jou de plaats
In de familie van alle dingen.


Origineel

Wild geese

You do not have to be good.
You do not have to walk on your knees
For a hundred miles through the desert, repenting.
You only have to let the soft animal of your body
love what it loves.
Tell me about despair, yours, and I will tell you mine.
Meanwhile the world goes on.
Meanwhile the sun and the clear pebbles of the rain
are moving across the landscapes,
over the prairies and the deep trees,
the mountains and the rivers.
Meanwhile the wild geese, high in the clean blue air,
are heading home again.
Whoever you are, no matter how lonely,
the world offers itself to your imagination,
calls to you like the wild geese, harsh and exciting —
over and over announcing your place
in the family of things.

Als de dood komt – Mary Oliver

Mary Oliver (1935-2019) is een Amerikaanse dichter, en ze werd geboren in een landelijk plaatsje, vlakbij Cleveland in Ohio. Daar ontwikkelde ze een grote voorliefde voor de natuur. Ze woonde een groot deel van haar leven in Provincetown, Massachusetts, een kustplaats waar de kust niet erg steil is.

Mary Oliver - Kevork Djansezian
Mary Oliver – Getty Images

Ze begon betrekkelijk vroeg met dichten. Ze schrijft verzen met een fraai ritme en een gevoelige toon, waarin vaak rijm ontbreekt, waarin een dichterlijke stroom en tegenstroom nooit ontbreken, verzen die ons gevoelig maken en verrijken – zoals elk goed gedicht – voor de gruwelen en de schoonheden en de geheimenissen van het bestaan – “We are nourished by the mystery” (The Fish).

Ze was bevriend met de zus van  Edna St. Vincent Millay, en heeft met haar de nagelaten papieren van de dichteres geordend.

Een necrologie, geschreven door Lynn Neary, ‘Beloved Poet Mary Oliver, Who Believed Poetry ‘Mustn’t Be Fancy,’ Dies At 83‘ op de website van New Hampshire Public Radio (17 januari 2019), vindt u hier.

De slotregel van dat stuk is een voor mij zeer ontroerend en ook veelzeggend citaat uit het gedicht – When Death Comes – dat ik hier heb vertaald.

“When it’s over, I want to say: all my life / I was a bride married to amazement.”

Mijn vorige poëzie-vertaling dateert al weer van een poosje geleden.

Ik heb dit gedicht vertaald nadat mijn oudste dochter me vertelde dat ze een bijzondere voorliefde had voor het gedicht Wild Geese van Mary Oliver, een gedicht dat ik ook inmiddels heb vertaald.

Toen herinnerde ik me het gedicht When Death Comes, een gedicht dat altijd al dicht bij me heeft gestaan, maar dat me nog meer nabij kwam nadat onlangs mijn jongere broer is overleden.


Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

Als de dood komt

Als de dood komt
zoals de hongerige beer in de herfst;
als de dood komt met al dat glimmende geld in zijn beurs

Om mij te kopen, en als hij zijn beurs dichtklapt;
als de dood komt
zoals de mazelpok komt;

Als de dood komt
Zoals een ijsberg tussen de schouderbladen,

Dan wil ik nieuwsgierig de deur binnengaan, me afvragend:
hoe is het daar eigenlijk, in dat donkere huisje?

En daarom kijk ik naar alles
als naar een gemeenschap van broers en zussen,
en ik bezie de tijd slechts als een gedachte,
en ik beschouw de eeuwigheid als ook nog een mogelijkheid,

En ik denk over elk leven als een bloem, net zo gewoon
als een madelief in de wei, en net zo bijzonder,

En aan elke naam als een aangename muzikale klank,
neigend, zoals alle muziek, naar stilte,

En ik denk over elk lichaam als een dappere leeuw, als iets
dat waarde heeft voor de aarde.

Als het voorbij is, wil ik zeggen: heel mijn leven
was ik een bruid getrouwd met verwondering.
Ik was een bruidegom die de wereld in zijn armen nam.

Als het voorbij is, wil ik me niet afvragen
of ik iets bijzonders van mijn leven heb gemaakt, iets echts.
Ik wil niet iemand zijn die op het einde zucht of bang is,
of die blijft tegensputteren.

Ik wil niet eindigen als iemand die de wereld maar een bezoekje bracht.


Origineel

When Death Comes

When death comes
like the hungry bear in autumn;
when death comes and takes all the bright coins from his purse

to buy me, and snaps the purse shut;
when death comes
like the measle-pox;

when death comes
like an iceberg between the shoulder blades,

I want to step through the door full of curiosity, wondering:
what is it going to be like, that cottage of darkness?

And therefore I look upon everything
as a brotherhood and a sisterhood,
and I look upon time as no more than an idea,
and I consider eternity as another possibility,

and I think of each life as a flower, as common
as a field daisy, and as singular,

and each name a comfortable music in the mouth,
tending, as all music does, toward silence,

and each body a lion of courage, and something
precious to the earth.

When it’s over, I want to say: all my life
I was a bride married to amazement.
I was the bridegroom, taking the world into my arms.

When it’s over, I don’t want to wonder
if I have made of my life something particular, and real.
I don’t want to find myself sighing and frightened,
or full of argument.

I don’t want to end up simply having visited this world.

Komt er een man met een hogedrukcilinder op zijn rug – Mircea Dinescu

Dit is een kleine herinnering aan een gedicht dat in het NRC in de jaren ’80 verscheen. Het is geschreven door Mircea Dinescu, een Roemeense dichter, journalist en redacteur. Hij was een dissident, een satirische geest, een dichter, iemand die vrijheid liefhad.

Het gedicht is uiteraard een evocatie van de gruwelijke tijd onder het schrikbewind van Nicolae Ceaușescu.

Ik ben nooit het zonnetje in huis geweest, en daarom onthoud ik zulke gedichtjes.

Annie M.G. Schmidt zei ooit in een interview (ik citeer uit het hoofd): “Ik vind dat ik best een interessant leven heb gehad; ik heb de Eerste Wereldoorlog meegemaakt, ook de Tweede, en als ze een beetje opschieten straks nog een Derde.” Dat is een grimmig soort grappigheid die ik zeer kan waarderen.

Zijn boek De dood leest de krant (Moartea citește ziarul) werd in 1988 door de communistische autoriteiten verboden, en werd vervolgens gepubliceerd in Amsterdam.

Ik citeer (de vertaling van) het gedicht uit het hoofd.


Hogedrukcilinder

Komt er een man
met een hogedrukcilinder op zijn rug:
“Waar zijn die kleintjes
die zich achter het meubilair verbergen?”


“Mijn vader en mijn moeder
die de Eerste Wereldoorlog hebben overleefd,
en ook de Tweede,
maar nu gaan ze het heel moeilijk krijgen.”

Het artikel ‘intervieuwen’ in Woordenschat van Taco H. de Beer en Eliza Laurillard

Vanaf 1891 verscheen in afleveringen het lexicografische naslagwerk Woordenschat, verklaring van woorden en uitdrukkingen, met medewerking van vele mannen van wetenschap, dat samengesteld werd door Taco H. de Beer en Eliza Laurillard. Het werd voltooid in 1899. Het wordt wel ‘het leukste woordenboek van de negentiende eeuw’ genoemd.

Hier treft u een informatief artikel van Ewoud Sanders aan bij de fotomechanische herdruk uit 1993.

Hier treft u een informatief artikel aan van dezelfde schrijver toen het woordenboek in 2010 integraal beschikbaar kwam op de website van de dbnl.

Citaat van Ewoud Sanders uit het NRC-artikel in 2010 (toen het woordenboek online beschikbaar kwam bij de dbnl):

Dat De Beer en Laurillard duidelijk minder preuts waren dan hun collega-woordenboekenmakers is al met één voorbeeld duidelijk te maken. In 1898 gaf de Grote Van Dale bij het woord sadisme de volgende raadselachtige toelichting: ‘Onnatuurlijke geslachtsliefde voor de vrouw’.

De makers van Woordenschat zijn er een jaar later, in 1899, blijkbaar even voor gaan zitten: „Sadisme, ziekelijke, aan krankzinnigheid grenzende en in woedenden waanzin eindigende geslachtsdrift, die uit overbevrediging ontstaat, wellust vindt in martelingen, met vingers, nagels, tanden, en niet tot bedaren komt voordat er bloed gevloeid heeft.”

Ik kocht de fotomechanische herdruk in 1993 en ik heb er vele uren mee doorgebracht. Ik gebruikte het soms om er artikelen uit voor te lezen om mijn bezoek te vermaken.

Het woordenboek is heel interessant omdat het dingen benoemt die in die tijd zelden in woordenboeken werden gezegd. Maar het is tevens heel normatief, bedilzuchtig en tijdgebonden.

Hierbij citeer ik het artikel ‘Intervieuwen’ dat ongelooflijk negatief is over het verschijnsel ‘interview’ en dat tevens blijk geeft van antisemitisme.


[Intervieuwen]
Intervieuwen, uithooren, ondervragen, van eng. to interview, eigenl. de gewoonte bij vele groote dagbladen om door een meestal indringend en zelfs brutaal man van personen, die in een of andere belangwekkende zaak betrokken zijn, op de meest onbescheiden wijze, uitvoerige en particuliere berichten te krijgen. Deze wijze van dagbladvulling is vooral algemeen geworden sedert Heinrich Oppert (geb. in 1825), te Parijs correspondent van de Times, (sedert 1871) dit middel gebruikte om opzienbarende (en vaak onbetrouwbare) berichten in de krant te krijgen. Oppert is een Boheemsch Israëliet, die als Franschman genaturaliseerd werd en de vrijheid nam zich een schijnbaar adellijken naam te geven door zich naar zijn geboorteplaats von Blowitz of de Blowitz te noemen.

Reizen – R.S. Rhomas

Inleiding
Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilder Mildred Eldridge (1909-1991).

[Deze intro kunt u verder overslaan, als u al eerder mijn vertalingen van R.S. Thomas onder ogen hebt gehad. Het nieuwe deel begint onder het hoofdje Gedicht met de woorden: Het door mij vertaalde gedicht …]

R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).

Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.

In een treffend filmpje uit 1996 dat Bloodaxe Books beschikbaar heeft gemaakt – hier raadpleegbaar – zegt Thomas (vanaf 4’18”):

“Mocht er sowieso later nog aan mij gedacht worden, dan zal dat wel zijn om de intensiteit van een paar gedichten die ik heb geschreven. Maar, los van de gedichten, als mens hoop ik dat m’n voorbeeld van iemand die ervan hield buiten te zijn, die hield van de aardse dingen, en die het talent had meegekregen om ze niet alleen te horen maar ook te zien, voor anderen een zeker nut heeft gehad.”

Het gedicht

Het door mij vertaalde gedicht – Travels – is een karakteristiek Thomas-gedicht. Ik vermoed dat het ontstaan is op een van de wandelingen in onherbergzaam Welsh gebied aan de kust.

Het gedicht wijst erop dat alles wat ertoe doet voortkomt uit aandacht en contemplatie, en dat al ons gepraat, onze kennis en onze voorstellingen niet erg behulpzaam zijn om onze bestemming te bereiken.

Verbeelding en stilte zijn essentieel. Ook de god die op een afwezige manier aanwezig is – het lijkt of hij in zichzelf verdiept is, en wij kunnen hem niet bereiken; we kunnen alleen voelen dat hij er is – is heel karakteristiek voor Thomas.

Het gedicht is opgenomen in de bundel Frequencies (1978), uitgegeven door Macmillan.

Enfin, ik hoop dat de vertaling gelukt is.


Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

Reizen

Ik ging op reis, ontdekte trucs
voor misleiding, lachte zonder te
fronsen, hield mijn lippen soepel
met leugens; leerde kwaadaardigheid
verteren, wetend dat het een kroon
was op mijn succes. Is de wereld
uitgestrekt? Zijn er streken waar de
verbeelding niet bij kan? Verloochen nooit
de kennis die je er opdeed. Hier kwam ik,
de rivier stroomopwaarts volgend
naar zijn bronnen in de Welshe
heuvels, klaar om zijn rijkdom
te ontleden; ‘k staarde naar de gladde pupil
van water die naar mij terugstaarde
op een afwezige manier zoals een god
die zich bezon op zijn eigen
navel; ‘k voelde de kilte van
onmetelijke diepten die ik hier eigenlijk
had moeten peilen; ‘k aanschouwde het
wegstromen van bronwater
voor de vorming van verre
zeeën waarop de mens moet leren navigeren
om thuis te kunnen komen.


Origineel

Travels

I travelled, learned new ways
to deceive, smiling not
frowning; kept my lips supple
with lies; learned to digest
malice, knowing it tribute
to my success. Is the world
large? Are there areas uncharted
by the imagination? Never betray
your knowledge of them. Came here,
followed the river upward
to its beginning in the Welsh
moorland, prepared to analyse
its contents; stared at the smooth pupil
of water that stared at me
back as absent-mindedly as a god
in contemplation of his own
navel; felt the coldness
of unplumbed depths I should have
stayed here to fathom; watched the running
away of the resources
of water to form those far
seas that men must endeavour
to navigate on their voyage home.

Over ‘De grote leugen’ in Mein Kampf

Ik heb afgelopen week drie boeken van de Nederlandse historicus, schrijver en musicus Ewoud Kieft (1977-) gelezen:

  • Oorlogsenthousiasme, Willem Frederik Hermans en de Tweede Wereldoorlog (Amsterdam: De Bezige Bij 2012);
  • Het verboden boek, Mein Kampf en de aantrekkingskracht van het nazisme (Amsterdam: Atlas Contact 2017);
  • Vechten voor democratie (Amsterdam: De Bezige Bij 2022).

Kieft heeft een goede pen, hij schrijft over heel interessante onderwerpen, en ik beveel de lectuur van al deze boeken van harte in uw aandacht aan.

Mijn voornaamste reserve heb ik bij het laatstgenoemde boek – Vechten voor democratie. De reden van mijn reserve is dat het boek in mijn ogen zowel te veel als te weinig aandacht besteed aan de zogeheten ‘afgehaakten’ – mensen die de democratie voor gezien houden omdat hun belangen toch niet meer worden gediend. Deze reserve verdient een aparte tekst die ik later hoop te schrijven.

Ik heb Kieft ooit (2014) ontmoet in de tijd dat ik Wikipedian-in-Residence was en voor enige weken werkte op het NIOD. Destijds zat ik een uurtje naast hem en vertelde ik hem een paar dingen over de manier waarop Wikipedia werkt. Kieft maakt ook muziek en heeft in 2020 zijn eerste roman gepubliceerd. Ik acht hem hoog.

Dit stuk gaat over een interessante passage in Mein Kampf, het boek dat Hitler schreef in de gevangenis na de mislukte Bierkellerputsch op 8/9 november 1923.

Mein Kampf is een vermoeiend boek, maar het is ook een interessant boek omdat een antisemitische absolute dictator in spe onomwonden uitlegt hoe hij te werk gaat en waarop zijn moorddadigheid is gebaseerd. En hij is heel goed in massapsychologie.

Ik geef een klein voorbeeld:

De grote meerderheid van een volk bestaat niet uit hoogleraren en evenmin uit diplomaten. Over abstracte kennis beschikt het volk nauwelijks, wat maakt dat de gevoelssfeer belangrijker is voor het gemoed dan de rede. Daarop berust ook de houding die het volk aanneemt – positief of negatief. De mensen zijn slechts ontvankelijk voor krachtige uitingen in één van beide uitersten en nooit voor iets halfslachtigs dat er tussenin zweeft. Deze gevoelshouding bepaalt tevens de buitengewone standvastigheid ervan. Het geloof breng je moeilijker aan het wankelen dan het weten, liefde is minder wisselvallig dan eerbied, haat is robuuster dan weerzin, en de drijvende kracht achter de machtigste omwentelingen op deze aarde is nooit een wetenschappelijk inzicht geweest dat de massa in zijn greep hield, maar eerder fanatisme dat haar bezielde en soms zelfs hysterie die haar voortjoeg.

Het oorspronkelijke citaat luidt (Mein Kampf, p.357-358):

Die breite Masse eines Volkes besteht weder aus Professoren noch aus Diplomaten. Das geringe abstrakte Wissen, das sie besitzt, weist ihre Empfindungen mehr in die Welt des Gefühls. Dort ruht ihre entweder positive oder negative Einstellung. Sie ist nur empfänglich für eine Kraftäußerung in einer dieser beiden Richtungen und niemals für eine zwischen beiden schwebende Halbheit. Ihre gefühlsmäßige Einstellung aber bedingt zugleich ihre außerordentliche Stabilität. Der Glaube ist schwerer zu erschüttern als das Wissen, Liebe unterliegt weniger dem Wechsel als Achtung, Haß ist dauerhafter als Abneigung, und die Triebkraft zu den gewaltigsten Umwälzungen auf dieser Erde lag zu allen Zeiten weniger in einer die Masse beherrschenden wissenschaftlichen Erkenntnis als in einem sie beseelenden Fanatismus und manchmal in einer sie vorwärtsjagenden Hysterie.

Maar nu het onderwerp zelf.

De Grote Leugen

Wie tegenwoordig over ‘The Big Lie’ leest, leest meestal een tekst over Donald Trump die net doet of de Amerikaanse verkiezingsuitslag van 2020 hem ontstolen is.

Soms wordt naar Joseph Goebbels verwezen om ‘De Grote Leugen’ te funderen. Deze bron lijkt vals. Het enige citaat dat in de buurt komt, luidt: “Die Engländer gehen nach dem Prinzip vor, wenn du lügst, dann lüge gründlich [when one lies, one should lie big], und vor allem bleibe bei dem, was du gelogen hast!”

(Aus Churchills Lügenfabrik, – Die Zeit ohne Beispiel, München: Zentralverlag der NSDAP, 1941, p. 364-369).

In Mein Kampf zelf komt het begrip wel degelijk voor, maar op een merkwaardige manier: Hitler geeft een haarscherpe analyse waarom Grote Leugens altijd werkzaam zijn, maar hij verwijt ze tegelijkertijd aan zijn doodsvijanden, de joden. Het Nederlandse Wikipedia-artikel attendeerde mij daarop. Ewoud Kieft gaat er zonder meer van uit dat dit een Hitleriaanse gedachte is.

Kieft heeft volgens mij geen ongelijk: Hitler beschrijft bijna passim niet alleen wat hij vindt, maar ook hoe je dat doel bereiken kunt. Hij is daar heel schaamteloos in: er is geen truc die hij onbenoemd laat. En dat gebeurt ook hier.

Dan nu de passage waar het om gaat: Institut für Zeitgeschichte München–Berlin, Hitler, Mein Kampf. Eine kritische Edition, Band I, Kapitel 10, p.243-244.

De tekst is hier terug te vinden: https://www.mein-kampf-edition.de/?page=band1%2Fp243.html

“(…)

Hieruit blijkt duidelijk de leugenachtigheid van de bewering dat de oorlogsnederlaag [nederlaag in WO-I] oorzaak was van Duitslands teloorgang. Nee, het militaire fiasco was op zichzelf reeds het gevolg van een hele reeks aan ziektesymptomen en hun verwekkers die het Duitse volk al in vredestijd teisterden. Dit fiasco was het eerste voor iedereen zichtbare catastrofale gevolg van een zedelijke en morele vergiftiging, een afname van het instinct tot zelfbehoud en de voorwaarden daartoe, die al jarenlang bezig waren het fundament van het volk en het rijk te ondermijnen.

Maar pas door de bodemloze leugenachtigheid van het Jodendom met zijn marxistische machinaties werd de schuld voor de teloorgang uitgerekend bij de man gelegd die met bovenmenselijke wilskracht en daadkracht als enige geprobeerd had de catastrofe die hij had zien aankomen tegen te houden met als doel om de natie een tijd van afgrijselijke vernedering en schande te besparen. Door Ludendorff als schuldige voor het verlies van de Wereldoorlog te brandmerken, werd aan de enige die gevaarlijk genoeg was om de verraders van het vaderland effectief aan te klagen, de wapens van recht en rechtvaardigheid uit handen geslagen. Men ging daarbij uit van het onbetwistbare principe dat de grootte van de leugen altijd een zekere mate van geloofwaardigheid met zich meebrengt, om reden dat de meeste mensen in hun diepste innerlijk eerder enigszins verdorven zijn dan bewust en met voorbedachten rade slecht. Door hun geestelijke primitiviteit vallen zulke mensen daarom eerder ten prooi aan een grote leugen dan aan een kleine. Ze liegen immers ook zelf soms over kleine dingen, maar ze zouden zich voor een grote leugen al te zeer schamen. Een dergelijke grove onwaarheid zou nooit in hun hoofd opkomen en ze kunnen zich dan ook nauwelijks voorstellen dat de ongehoorde brutaliteit van zo’n laaghartige misleiding mogelijk is; ja, zelfs al worden ze erover ingelicht, dan zullen ze toch nog blijven twijfelen en aarzelen waarbij ten minste een deel van de onderliggende aannames aanvaard wordt; dit is precies waarom er altijd iets overblijft van de meest schaamteloze leugen, een feit dat alle handige donders en schijnorganisaties die zich in de leugen specialiseren maar al te goed weten, reden waarom ze zulke leugens op een verachtelijke manier misbruiken.

Maar degenen die het beste weten hoe je deze juiste visie op het nut van grove onwaarheid en smaad kunt toepassen zijn altijd de joden geweest; hun hele bestaan ​​is gebaseerd op één grote leugen, namelijk dat ze een religieuze gemeenschap zijn, terwijl ze een ras zijn – en wat voor ras! Maar een van de grootste geesten van de mensheid heeft hen voor altijd vastgelegd in een zin met eeuwigheidswaarde: hij noemde hen ‘de grootmeesters van de leugen’. Wie dit niet wil aanvaarden of geloven, zal nooit of te nimmer de waarheid in deze wereld kunnen laten zegevieren.

(…)”

De genoemde grote geest was Arthur Schopenhauer: “große Meister im Lügen“, Parerga und Paralipomena (1851).

De kei in het bos

Midden in het bos, een open plek in het bos,
lag een kei, een grote, grillig gevormde kei.

Geen boom wist wat het was; een boom blijft kalm.
Een zwijn kwam soms langs, wroetend als een zwijn.

De kei bleef onberoerd, zoals het een kei betaamt.
Er was geen route – routes ontbraken geheel.

Er waren drie spreuken, spreuken die niemand wist,
die niemand, niemand ooit had gehoord.

Als je de eerste spreuk wist, als je de spreuk uitsprak,
gaf de kei water, water voor wie dorst had.

Als je de tweede spreuk wist, als je de spreuk uitsprak,
ging de kei stralen, stralen met een groot en helder licht.

De derde spreuk moest je fluisteren, een spreuk met een vraag.
De vraag mocht niet hardop – hardop was verboden.

Slechts één keer sloeg iemand de kei met een stok, een harde stok.
Toen kwam er water, maar dat water kwam maar één keer.

De kei is eenzaam – is met de eenzame verwant.
Een wandelaar komt langs, op een dag komt hij langs.

Hij zit neer bij de kei, de kei geeft wat steun.
En zie: de kei wordt warm. Warm wordt de kei!

Samen zwijgen ze. Ze zwijgen terwijl de vogels zingen.
Dan gaat de wandelaar – hij gaat waar niemand durft komen.

Hij vertelt zijn verhaal – een wandelverhaal.
Het gaat oor in, oor uit – zoals dat met verhalen gaat.

Roerloos ligt de kei in het bos – roerloos, denkt men, als de dood.
Tot in de eeuwen der eeuwen.

[Eigen werk]


Geluidsopname

Geluidsopname – Arie Sonneveld

Vroomheid en ‘Patafysica

Matthijs van Boxsel (herkomst)

Ten geleide
Dit causerietje heb ik vandaag – 6 april 2025 – gehouden op een borrel van de Nederlandse Academie voor ‘Patafysica (Bâtafysica) ter gelegenheid van de presentatie van De Centrifuge, het tijdschriftje dat ze uitgeven. Het was vandaag de datum waarop de door de Franse romanschrijver Alfred Jarry bedachte ‘Patafysica het licht zag – de wetenschap die zich bezighoudt met de uitzonderingen.

Voor een korte introductie van het Collège de Pataphysique, zie hier.

Vroomheid en ‘Patafysica

Toen Matthijs van Boxsel (1957) mij uitnodigde voor deze bijeenkomst – ik ben de vertaler van ‘Onder academici: een fabel, het stuk van Simon Leys (1935-2014) dat is opgenomen in de editie van De Centrifuge die vandaag gepresenteerd wordt –  schreef ik hem terug dat ik zou komen, en dat ik dat bovendien extra leuk vond omdat ik in wezen “een vroom kereltje” ben.

Daar zat iets sarrends in, maar het was sarrend op een halfbewuste manier. Op de een of andere manier leek mij dat passend in een patafysische atmosfeer, zonder dat ik op het moment van schrijven precies wist waarom. Of het ook zo is, moet natuurlijk nog blijken. Misschien dat u na afloop van dit causerietje mijn ogen uitsteekt, mijn oren afsnijdt, ook mijn andere ledematen vilt, waarna u mijn bloedige restanten onder luid gejoel afvoert naar een mortuarium.

De uitnodiging om hier te zijn, beschouw ik overigens als zeer eervol.

De Centrifuge, nr. 18 (met mijn bijdrage)

Het is misschien wel aardig om meteen te noemen dat mijn ietwat overmoedige aankondiging van dit causerietje gebaseerd was op een misverstand.

Mijn kennismaking met de ‘Patafysica verliep via mijn lectuur: ik heb vrij diep uit de bekers van Rudy Kousbroek (1929-2010) en Willem Frederik Hermans (1921-1995) gedronken. En mijn bibliotheek bevat ook werken van André Breton (1896-1966) en Alfred Jarry (1873-1907).

Bijna alle mensen die aardigheid aan de ‘Patafysica hebben – althans dat was mijn vooroordeel – zijn militante atheïsten die – en dat is dan weer het merkwaardige – een gierende belangstelling hebben voor kunstzinnigheid, voor artistieke experimenten, voor readymades die meer zeggen dan ze zeggen – ik zou bijna zeggen voor Het Wonder.

En wat die patafysici ook doen: ze organiseren zich, ze komen bijeen, ze hebben een eigen kalender, ze ontwikkelen talige rituelen, bijzondere aanspreekvormen, ze vergaderen in een setting die je met enige overdrijving – maar ook met enige nadruk – ‘vroom’ of ‘religieus’ kunt noemen.

Pierre Ryckmans, alias Simon Leys, in Canberra, Australia. (WILLIAM WEST/AFP/Getty Images)

Ik meende dus een conflict te zien tussen de vroomheid en het militante atheïsme. Dat zag ik niet goed, want ook de vrome katholiek Simon Leys was een heuse patafysicus. Hij was zelfs iemand die een van de oppersatrapen van het atheïsme – Christopher Hitchens (1949-2011) – op zijn nummer heeft gezet n.a.v. diens boek over Moeder Teresa (1910-1997)The Missionary Position, wat je in het Nederlands heel mooi kunt vertalen met De Missionarishouding.

Simon Leys is het pseudoniem van de grote sinoloog en essayist Pierre Ryckmans. Hij was oomzegger en naamgenoot van een andere Pierre Ryckmans (1891-1959) die “de beste gouverneur-generaal [was] die Belgisch Congo ooit heeft gekend”, zoals David Van Reybrouck (1971) schreef in het boek Congo. Ik beschouw Simon Leys als een van de grootste schrijvers van de afgelopen eeuw. Hij heeft bijna eigenhandig een eind gemaakt aan de mode onder intellectuelen om het maoïsme te omhelzen, gewoon door zich af te wenden van de leugen. Hij wist waarover hij sprak, hij had fantasie en was ten diepste ernstig, hij kon ironisch zijn en sarkastisch, hij had gevoel voor verhoudingen, hij was een estheet, hij ademde integriteit, hij heeft nooit een onleesbare regel geschreven – hij diende de waarheid.

Foto gemaakt voorafgaand aan de bijeenkomst (eigen werk)

Sinds kort weet ik dus dat ook Simon Leys satraap was van het Collège de ‘Pataphysique, iets wat mij tot dan toe was ontgaan. Het verbaast me overigens niet, want Leys was een heel onafhankelijke figuur met oog voor absurditeit – maar voor absurditeit krijg je al snel oog als je in de werkelijkheid bent geïnteresseerd.

In vrijwel alles wat ik onderneem ben ik autodidact – ik heb mijn studie Moleculaire Wetenschappen in Wageningen nooit afgemaakt, ik ben weliswaar manager geweest van een vrij grote groep academici, maar zelf ben ik eigenlijk geen academicus, ik redigeer en vertaal, maar ik heb er nooit een opleiding in genoten, laat staan dat ik beëdigd zou zijn. Ik ben dus wel enigszins eerzuchtig, maar ik ben een eerzuchtige zonder diploma’s.

De catalogus van menselijke krankzinnigheid is groter dan enige bibliotheek kan bevatten. Dat hoef ik – neem ik aan – in een gezelschap dat bekend is met de bewonderenswaardige, maar uiteraard tot mislukken gedoemde poging om die catalogus op te stellen – de Encyclopedie van de domheid (Matthijs van Boxsel) – eigenlijk niet te vertellen.

De vraag die mij kwelde is: schuilt er in die patafysische vroomheid, die gevoeligheid voor het wonder misschien toch niet iets van de krankzinnigheid die in genoemde Encyclopedie beschreven wordt, een encyclopedie die ik overigens nog nooit onder ogen heb gehad, al heb ik in mijn studententijd wel een Van Boxsel-knipsel opgenomen in mijn door papier-slurpende zilvervisjes aangetaste knipselverzameling.

Toespraak Dirk van Weelden bij dezelfde gelegenheid

Misschien heeft dit onderwerp wel een eigen lemma in de Encyclopedie van de domheid, want ook zelfironie is de patafysici – heb ik de indruk – niet geheel vreemd. En dan druk ik me gedempt uit.

Mijn knipselverzameling – die dateert van voor het digitale tijdperk – betreft zes dikke ordners waarin ik af en toe nog blader, soms met weemoed, soms met geestdrift. Want het is niet alleen À la recherche du temps perdu (Marcel Proust). Het is ook het nagaan wat me steeds heeft bewogen, de poging om het vizier scherp te houden om waar het me werkelijk om gaat. Het gaat om ernst.

Ernst – niemand in dit zaaltje zal denken dat ik werkelijk heb gedacht dat u mij in mootjes gesneden zou willen afvoeren naar een mortuarium. En toch ben ik een bange man. Ik vrees uw toorn, uw minachting, uw desinteresse – maar ik probeer die angst te trotseren. Mijn ernst ligt in mijn pogingen om iets aan te raken wat er werkelijk toe doet. Mijn angst is dat die aanraking niet wordt gezien.

Ernst, aandacht, betovering – het zijn de dingen die onze levensprogramma’s bezielen. Ten minste als we ons niet terugtrekken in de bastions van overlevering, bureaucratie en fatsoen.

Ik ben een bewonderaar van Victor Kal, een ex-gereformeerde filosoof die joods is geworden. Ook zelf ben ik van gereformeerde afkomst, om preciezer te zijn: ik was vrijgemaakt-gereformeerd. Maar ik ben geen lid meer van die gemeenschap. Wel heb ik geprobeerd om mijn religiositeit uit de failliete boedel van het gereformeerdendom te redden.

Kal definieert de kern van onze moderniteit met de termen die ik hiervoor al gebruikte: ernst, aandacht, betovering – dingen die tot een levensprogramma leiden, die leiden tot verantwoordelijkheid. Viktor Kal heeft trouwens ook een boek geschreven waarin hij een andere oppersatraap van het atheïsme aan mootjes heeft gesneden – Benedictus de Spinoza (1632-1677).

Victor Kal – foto: Dick Vos

De God van mijn overleden vader hield niet van grapjes. Ik heb eerlijk gezegd nooit in die God kunnen geloven, toen niet en nu niet. Rudy Kousbroek verdedigde soms de radicaal omgekeerde opvatting – hij geloofde in de God van de humor, een God die hij frontaal plaatste tegenover de God van de plaatijzeren ernst.

Ik denk eigenlijk dat zowel wijlen mijn vader als wijlen Rudy Kousbroek dwaalde: humor en ernst zijn geen gescheiden werelden. Maar dat hoef ik jullie – doorgewinterde patafysici – misschien niet te vertellen.

De fabel van Leys die ik vertaald heb, kun je ten slotte gebruiken voor een belangrijke literatuurles. Het is niet moeilijk om de strekking van die fabel in één zin te vangen. Maar iedereen die van lezen houdt, weet dat de strekking van het verhaal iets heel anders is dan het verhaal. Ik zal niet zeggen dat ze niks met elkaar te maken hebben, maar het zijn meer twee figuren die samen wandelen en met elkaar in gesprek zijn.

Wie zwaar op de hand is, dient luchtig te eindigen: de kern van ons bestaan is voorlopigheid, en zonder het besef daarvan zou ‘Patafysica misschien niet bestaan. Laten dus ook wij maar samen met elkaar wat wandelen en in gesprek blijven over dingen die ons ontroeren, ontstellen en aan het lachen maken.

Dank voor uw aandacht.

Arie Sonneveld