Maandelijks archief: mei 2020

Rauw – R.S. Thomas

r.-s.-thomas-4da1a5eab4f6b_360x225
R.S. Thomas

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die ook in Wales woonde en werkte als een Anglicaans priester. Hij was een groot natuurliefhebber, had een vrij vergaande afkeer van moderne zaken die hij vond afleiden van waar het in het leven echt om ging, en hij schreef in het Engels.

Een aardige bespreking door Theodore Dalrymple van zijn biografie – Byron Rogers, The Man Who Went into the West: The Life of R. S. Thomas, Aurum Press – vindt u hier.

Hij was een merkwaardige, eenzelvige figuur die prachtige gedichten schreef, getrouwd was met de schilder Mildred (Elsi) Eldridge, aan wie hij een paar fraaie gedichten heeft gewijd – zie elders op dit blog (bereikbaar via het menu op de hoofdpagina, onder de naam R.S. Thomas).

Kingsley Amis – zeker geen geestverwant – schreef dat zijn poëzie “reduces most other modern verse to footling whimsy” (=triviale gekkigheid). Hij is in Nederland niet zeer bekend. John Betjeman meende dat Thomas’ poëzie nog gelezen zou worden lang nadat zijn gedichten zouden zijn vergeten.

Ik heb op dit kleine blog al aardig wat vertalingen gepubliceerd. De twee dichters van wie ik het meeste heb vertaald zijn W.H. Auden en R.S. Thomas. Joseph Brodsky zei ooit van Auden – de dichter van wie hij het meeste hield – dat ‘godsdienstwaanzin’ een aandoening was waarvan Auden niet geheel vrij was. Als dat waar is – en het is waar, als je dat ‘waanzin’ niet al te letterlijk neemt – geldt het ook voor Thomas. En ook voor de vertaler wiens stukje u nu aan het lezen bent.

Het gedicht Rough is een heel merkwaardig, hard, sardonisch gedicht. Het beschrijft een schepper-god die zijn malicieuze grillen volgt en die de bedenker lijkt te zijn van een leven dat slechts gruwelijke hindernissen voor mens en dier oplevert en een akelige dood ten gevolge heeft. Van liefde en mededogen lijkt geen sprake. Aan het eind blijkt God een wezen te zijn dat bulderend lacht, met een steek in zijn zij tot gevolg, een steek die iemand verbeeldt die in de christelijke traditie Gods zoon genoemd wordt, namelijk Jezus.

De steek in de zij van de lachende God verwijst niet alleen naar de bulderlach, maar ook naar het verhaal van de kruisiging in het evangelie: toen Jezus aan het kruis was gestorven werd een steek in zijn zij toegebracht door soldaten om daarmee vast te kunnen stellen dat hij inderdaad niet meer leefde. De boosaardige schepper-god blijkt daarmee over een van de kruiswonden, de stigmata, te beschikken, en leeft verrassenderwijs voort als een gekruisigde, terwijl Jezus in de vorm van het stigma opduikt.

Dat we hier ver verwijderd zijn van vroompraterij, is wel duidelijk.

De kale tekst en de sardonisch gecomponeerde voorstellingswereld zijn typerend voor een aantal Thomas-gedichten, en ze sorteren een sterk effect bij de lezer.

Het gedicht verscheen in zijn bundel Laboratories of the Spirit, en het is opgenomen in zijn Collected Poems: 1945-1990.

(Ik heb twee suggesties overgenomen en enkele aanpassingen gedaan n.a.v. het scherpe commentaar van een mede-twitteraar, onder dank!)

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

——————————————————————————————————————————-

Vertaling:

Rauw

God keek naar de arend die keek naar
de wolf die spiedde naar de haas
die graasde van het gras, groen en golvend
als Gods baard. Hij deed een stapje terug;
het was perfect, een zelfregulerende machine
van bloed en feces. Een ding ontbrak nog:
hij scheidde in zeewater een vage nabootsing
af van zichzelf, blies er lucht in, en liet
de rode bloedlichaampjes wervelen. Het schepsel
liet daarop al gauw de arend, de wolf en
de haas smeken om genade. Alleen het gras
bood weerstand. Dat diende om zijn verbeelding
te verhitten. God nam een handvol ziektekiemen,
die hij zaaide in het malse vlees. Zeer opmerkelijk
was de oogst: de ledematen vormden een obscene
vraag, het hoofd zwol op, uit de ogen kwamen
tranen van pus. Er was een geluid als van de
donder, de luide, onbedaarlijke lach van
God, met een steek in zijn zij tot gevolg, Jezus.

Origineel:

Rough

God looked at the eagle that looked at
the wolf that watched the jack-rabbit
cropping the grass, green and curling
as God’s beard. He stepped back;
it was perfect, a self-regulating machine
of blood and faeces. One thing was missing:
he skimmed off a faint reflection of himself
in sea-water; breathed air into it,
and set the red corpuscles whirling. It was not long
before the creature had the eagle, the wolf and
the jack-rabbit squealing for mercy. Only the grass
resisted. It used it to warm its imagination
by. God took a handful of small germs,
sowing them in the smooth flesh. It was curious,
the harvest: the limbs modelled an obscene
question, the head swelled, out of the eyes came
tears of pus. There was the sound
of thunder, the loud, uncontrollable laughter of
God, and in his side like an incurred stitch, Jesus.

Toen te leven – R.S. Thomas

Ronald Stuart Thomas - Cottage

R.S. Thomas

Ronald Stuart Thomas was een Welshe dichter-dominee die in het Engels schreef en getrouwd was met de fijnzinnige schilder Mildred Eldridge. Hij had samen met zijn vrouw één zoon.

Thomas was een man die het moderne leven voor een groot deel beschouwde als een dwaling, als een miskenning van het centrale levensthema, als minachting voor datgene waar het werkelijk op aan kwam, namelijk het volgen van het liefdegebod en het met aandacht en verwondering opgaan in de ongelooflijke rijkdom van al het geschapene. Hij preekte en gedroeg zich heel onalledaags, en hij ontpopte zich ook wel eens als een fanatieke Welshe nationalist.

Ik vermoed sterk dat de neiging binnen delen van de Nederlandse christenheid om zich conservatief te noemen, samenhangt met de afkeer van de moderniteit die ook voor R.S. Thomas zo opvallend aanwezig was.

Een goede introductie tot deze dichter wordt gevormd door deze bespreking van zijn biografie: A Man out of Time, door Theodore Dalrymple, niet toevallig ook zelf een uitgesproken conservatief.

Zo geformuleerd zullen veel mensen misschien denken dat ze zijn werk met een gerust hart ongelezen kunnen laten, maar dan zouden ze zichzelf toch te kort doen. Vergeleken met zijn gedichten doet veel moderne poëzie aan als “triviale gekkigheid” (footling whimsy), zei Kingsley Amis, en John Betjeman meende dat Thomas nog gelezen zou worden lang nadat zijn eigen werk al in de vergetelheid zou zijn verzonken.

Het onderhavige gedicht behandelt het centrale thema van Thomas expliciet.

Het is een betrekkelijk vrij gedicht, modern van vorm, vol ingehouden spot, en met een zware, het gehele gedicht doortrekkende ernst.

The lips of time zijn misschien een stille verwijzing naar het gedicht The force that through the green fuse drives the flower (1934) van Dylan Thomas:

The lips of time leech to the fountain head;
Love drips and gathers, but the fallen blood
Shall calm her sores.

Bron van het gedicht: R.S. Thomas, Counterpoint – A.D. p. 44, Bloodaxe Books 1990.

Vertaling:

Toen te leven

Toen te leven
was beseffen hoe onmisbaar
het gebed was, hoe onmogelijk.

Geweldig werk deden ze, de filosofen,
de vloer aanvegend met verklaringen
waarin niemand ooit geloofde.

We dreven weg in de ruimte-
tijd, vasthoudend aan het voorgoed
onbereikbare dat we hadden achtergelaten.

Tersluiks wegkijkend, repeteerden we
de smoesjes voor de tekortkomingen
van het rijk der liefde.

Omsingeld als we waren door
wetenschappelijke wegwijzers, snikten we
vergeefs dat we het spoor bijster waren.

We zijn er nog. Welke band
heeft voortbestaan met
zin en betekenis? Het antwoord was ooit

het lied van het gebeente op de lippen
van de tijd. Beide laten we nu
tot as vergaan in het crematorium van de geest.

Origineel:

To be alive then

To be alive then
was to be aware how necessary
prayer was and impossible.

The philosophers had done
their work well, demolishing
proofs we never believed in.

We were drifting in space –
time, in touch with what we had
left and could not return to.

We rehearsed the excuses
for the deficiencies of love’s
kingdom, avoiding our eyebeams.

Beset, as we were,
with science’s signposts, we whimpered
to no purpose that we were lost.

We are here still. What
is survival’s relationship
with meaning? The answer once

was the bone’s music at the lips
of time. We are incinerating
them both now in the mind’s crematorium.

Liefdeslied van een dwaas meisje – Sylvia Plath

Sylvia Plath (1932-1963) was een Amerikaanse dichter en schrijver van romans en korte verhalen. Ze trouwde met de dichter Ted Hughes (1930-1998) en kreeg twee kinderen met hem. Sylvia Plath leed haar hele leven onder depressies. Haar worsteling daarmee heeft ze vormgegeven in de roman The Bell Jar. Ze maakte in 1963 zelf een eind aan haar leven.

Het gedicht Mad Girl’s Love Song is een bekend gedicht in haar oeuvre. Plath beschouwde het zelf als een van haar beste gedichten.

Het gedicht is een villanelle: er zijn zes strofen, vijf drieregelige strofen en een vierregelige slotstrofe. De eerste en de derde regel keren afwisselend als keerregels terug in de volgende strofen. De slotregels van de slotstrofe zijn de beide keerregels. Een villanelle heeft twee rijmklanken. In dit geval is Sylvia Plath daar enigszins vrij mee omgesprongen: ze gebruikte soms halfrijmen. Die vrijheid heeft deze vertaler ook genomen.

Veel toelichting heeft dit gedicht niet nodig. Door de ogen te sluiten kun je de wereld en je angsten laten verdwijnen, en kun je ook dingen oproepen. Maar het heeft wel een prijs: de dingen keren terug als je je ogen open doet, de dromen verdwijnen, en de liefde die je met je ogen dicht oproept, biedt geen wederliefde.

Serafiem zijn zesvleugelige tempelwezens – een soort engelen.

Ik heb Sylvia Plath altijd een beetje een drama queen gevonden, en eigenlijk vind ik dat nog wel. Maar ik houd me momenteel bezig met de villanelle, en ik vond dit gedicht toch wel heel goed gedaan.

Vertaling:

Liefdeslied van een dwaas meisje

“Mijn ogen toe, en al wat is valt dood;
Ik sla ze op, en alles doet weer mee.
(Je bent er vast alleen maar in mijn hoofd.)

De sterren walsen nu in blauw en rood,
En zwartheid doet nu lukraak mee;
Mijn ogen toe, en al wat is valt dood.

Ik ben behekst – je hebt me in je bed genood,
Je wiegde me in maanlicht, gulzig en extreem.
(Je bent er vast alleen maar in mijn hoofd.)

God tuimelt uit de lucht, en hellevuur dat dooft:
Exit de serafiem, de duivelen gaan heen:
Mijn ogen toe, en al wat is valt dood.

Ik hoopte dat je kwam, zoals je had beloofd;
Zo oud ben ik, dat ik je naam niet langer weet.
(Je bent er vast alleen maar in mijn hoofd.)

Had ik maar in mijn dondervogeltje geloofd;
Dat brult ten minste in het voorjaar nog voor twee.
Mijn ogen toe, en al wat is valt dood.
(Je bent er vast alleen maar in mijn hoofd.)”

Origineel:

Mad Girl’s Love Song

“I shut my eyes and all the world drops dead;
I lift my lids and all is born again.
(I think I made you up inside my head.)

The stars go waltzing out in blue and red,
And arbitrary blackness gallops in:
I shut my eyes and all the world drops dead.

I dreamed that you bewitched me into bed
And sung me moon-struck, kissed me quite insane.
(I think I made you up inside my head.)

God topples from the sky, hell’s fires fade:
Exit seraphim and Satan’s men:
I shut my eyes and all the world drops dead.

I fancied you’d return the way you said,
But I grow old and I forget your name.
(I think I made you up inside my head.)

I should have loved a thunderbird instead;
At least when spring comes they roar back again.
I shut my eyes and all the world drops dead.
(I think I made you up inside my head.)”

Een wild konijntje

Er zit een wild konijntje op het gras.
De wildernis is nu een voederbak.
De vrijheid groeit voortreffelijk in een kas.

Beschaving is vergeten wie je was.
Je zorgde dat het jou aan niets ontbrak.
Er zit een wild konijntje op het gras.

Vergeefs zijn alle boeken die je las.
Natuur sterft meestal in gehakketak.
De vrijheid groeit voortreffelijk in een kas.

We produceren zuiver blauwzuurgas.
Een meubelzaak ontwierp de ballenbak.
Er zit een wild konijntje op het gras.

Rousseau verheerlijkte de wildebras.
De schedel is een diamanten dak.
De vrijheid groeit voortreffelijk in een kas.

Plafonds zijn dikwijls voor wie streeft van glas.
Lof zij de authentieke schobbejak.
Er zit een wild konijntje op het gras.
De vrijheid groeit voortreffelijk in een kas.

(Eigen werk)

Als ik het zeggen kon – W.H. Auden

De dichter Wystan Hugh Auden (1907-1973) is een van de grootste twintigste-eeuwse dichters in het Engelse taalgebied. Hij stamde uit een anglicaans middle class milieu, studeerde in Oxford, werd al snel de centrale figuur van een groep dichters in de jaren dertig – Louis MacNeice, Stephen Spender, Christopher Isherwood, John Betjeman – was zich al vroeg bewust van zijn dichterlijke roeping, gebruikte Freud in zijn beginjaren, Marx in de jaren die erop volgden, en keerde op middelbare leeftijd terug naar de christelijke levensovertuiging die hij al van kindsbeen aan kende.

Het gedicht If I could tell you is een van de bekendste gedichten uit Audens oeuvre. Het is een villanelle, een dichtvorm met zes strofen, vijf drieregelige strofen en een slotstrofe met vier regels. De openingsregel en de slotregel van de eerste strofe keren afwisselend terug als keerregels aan het eind van de volgende strofen. In de slotstrofe keren beide regels als slotregels terug. In het gedicht komen maar twee eindrijmklanken voor.

Dit gedicht speelt met wat je kunt zeggen, met dat waarover je wel of niet kunt spreken. Misschien dat de bekende slotzin van Ludwig Wittgensteins Tractatus Logico-Philosophicus hierbij een rol heeft gespeeld: “En van dat, waarover niet gesproken kan worden, moet men zwijgen” (vertaling W.F. Hermans).

Hier vindt u de vertaling van Arie van der Krogt, en hier de vertaling van Ans Bouter. Beide vertalingen houden zich goed aan de vorm, zijn inventief, en verschillen in hun interpretatie op een paar punten aanzienlijk van de mijne.

Auden draagt hier zijn gedicht zelf voor.

[De openingszin van mijn vertaling luidde aanvankelijk bij publicatie op dit kleine blog: “De Tijd zwijgt stil, maar ’t is zoals ik zei”.

Ik had die zin niet goed vertaald. Deze betekent: “De Tijd zegt niets, behalve: ik heb het je toch gezegd”. De ‘ik’ in het tweede deel van de zin is de Tijd en niet de stem van het gedicht.

Ik heb de verkeerde vertaling vervangen door: “De Tijd zegt niets, slechts: hoor je wat ik zei”.]

Vertaling:

Als ik het zeggen kon

De Tijd zegt niets, slechts: hoor je wat ik zei,
De Tijd weet goed wat je betalen moet;
Als ik het zeggen kon, dan hoorde je het van mij.

Ook als een clown zou maken dat ik schrei,
Of een stuk muziek mij bijna wankelen doet,
De Tijd zegt niets, slechts: hoor je wat ik zei.

Veel gunstigs is het niet, zeg ik er alvast bij,
Maar sinds m’n liefde meer is dan mijn woordenvloed,
Als ik het zeggen kon, dan hoorde je het van mij.

Niet zonder reden waait de wind ons straks voorbij,
Er moet een grond zijn voor de najaarsgloed;
De Tijd zegt niets, slechts: hoor je wat ik zei.

Misschien ontluikt de roos opzettelijk in mei,
En dringt het visioen wel aan op spoed;
Als ik het zeggen kon, dan hoorde je het van mij.

Stel nu dat alle leeuwen gingen, eindelijk vrij,
En beken en soldaten met een afscheidsgroet;
De Tijd zegt niets, slechts: hoor je wat ik zei.
Als ik het zeggen kon, dan hoorde je het van mij.

Origineel:

If I could tell you

Time will say nothing but I told you so,
Time only knows the price we have to pay;
If I could tell you I would let you know.

If we should weep when clowns put on their show,
If we should stumble when musicians play,
Time will say nothing but I told you so.

There are no fortunes to be told, although,
Because I love you more than I can say,
If I could tell you I would let you know.

The winds must come from somewhere when they blow,
There must be reasons why the leaves decay;
Time will say nothing but I told you so.

Perhaps the roses really want to grow,
The vision seriously intends to stay;
If I could tell you I would let you know.

Suppose the lions all get up and go,
And all the brooks and soldiers run away;
Will Time say nothing but I told you so?
If I could tell you I would let you know.