Maandelijks archief: oktober 2021

Japanse esdoorn – Clive James

Clive James in zijn tuin in Cambridge naast het Japanse esdoorntje (2015). Copyright foto: Alicia Canter/The Guardian

Het gedicht Japanese Maple is een van de beroemdste gedichten van de televisiemaker, presentator, vertaler, dichter, romanschrijver, essayist en eigenzinnige bonvivant Clive James (1939-2019).

James was een Australiër die een groot deel van zijn volwassen leven in het Verenigd Koninkrijk heeft gewoond en gewerkt. Het gedicht werd opgenomen in een van zijn latere bundels: Sentenced to life (2015) – Veroordeeld tot het leven. Hij moest toen overigens nog ruim vier jaar van die veroordeling uitzitten.

Het gedicht beschrijft op een niet-dramatische toon het naderende levenseinde. James had te horen gekregen dat hij een terminale vorm van leukemie had. Het gedicht is opgebouwd uit beelden die laten zien dat de intensiteit van beleven toeneemt als de dood naderbij komt, waarmee ook een vorm van verzoening wordt bereikt met het einde.

Centraal in het gedicht staat het cadeautje van zijn dochter, een Japans esdoorntje, dat in de herfst vurig rood gekleurde bladeren krijgt. Dit esdoorntje stond in zijn tuin in Cambridge.

Het gedicht heeft een heel alledaagse toon, maar zit tegelijkertijd heel strak in de vorm:  vijf strofen die bestaan uit vijf versregels: twee jambische vijfvoeten, een jambische tweevoet en opnieuw twee jambische vijfvoeten. Soms is er een trocheïsche opmaat, er zijn ook vrij veel antimetrieën. Elke strofe kent twee rijmklanken: ababb:  de middelste tweevoet rijmt op de eerste vijfvoet.

Het gedicht is heel lastig te vertalen als je de vormkenmerken wilt volgen en de gewone dictie probeert na te bootsen. Rijmdwang is lastig te vermijden. Maar bedenk dat Clive James ook de Divina Commedia heeft vertaald!

Ik heb meerdere versies gemaakt: een alternatief voor de eerste strofe was bijvoorbeeld:

Jouw dood – heel dichtbij – is geen marteling.
Zo’n trage uitdoving geeft weinig leed.
De ademhaling
gaat wat zwaar. De krachten worden sleets,
maar m’n geest en zicht – ze doen het nog steeds:

beter zelfs. (…)

Ik heb mij een paar inhoudelijke vrijheden veroorloofd om toch een min of meer acceptabel Nederlands gedicht te krijgen. Ook heb ik op een paar plaatsen mijn toevlucht genomen tot een halfrijm waar in het oorspronkelijke gedicht een volrijm stond. Alle rijmen in het origineel zijn mannelijk of staand. Ik heb in mijn vertaling zo nu en dan ook een vrouwelijk of slepend rijm gebruikt. Ik gebruik zo nu een dan een of twee lettergrepen te veel.

In de eerste strofe gebruik ik “een refrein van moeheid” en in de tweede strofe laat ik de regen “tuinmuren vertalen”. Ik twijfel eraan of daarmee de vertaling niet wat te lyrisch wordt, en te veel van de vertaler laat zien. Ook interpreteer ik misschien meer dan dat ik vertaal als puntje bij paaltje komt, en in een vertaling moeten alle puntjes bij de paaltjes komen.

Omdat ik klank in een gedicht heel belangrijk vind, maak ik van mijn vertaling tegenwoordig meestal een geluidsopname, ook van dit gedicht. U kunt de vertaling dus ook beluisteren.

De vertaling van dit gedicht is de eerste vertaling die ik gemaakt heb voor een vertaalgroep die al sinds 1989 bestaat, genaamd De Weerklank. Over deze groep vertelt een van de leden, Arie van der Krogt, op zijn website het volgende:

Hier vindt u de vertaling van Erik Honders die ook lid is van de groep, en hier de vertaling van Renée Delhez.

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling:

Japanse esdoorn

Jouw dood, heel dichtbij, komt zonder misbaar.
Zo’n trage uitdoving geeft weinig pijn.
Het ademt zwaar,
wat wel lastig is. Er is een refrein,
van moeheid – maar geest en zicht mogen er zijn,

worden beter zelfs. Ooit zoiets moois gedroomd
als van zo’n milde regen die kwam nederdalen
op die kleine boom,
en hoe zo’n bui de stenen tuinmuren vertalen
kan naar pronkkamers en spiegelzalen?

En steeds royaler als de avond valt
zal glinstering het duister overgieten.
Het houdt geen halt.
De regen doet de lichtkransen verschieten,
ook na mijn heengaan, maar nu mag ik genieten.

Mijn dochters keus, de esdoorn is nog groen.
Dan komt de herfst en alle groen wordt vuur.
Wat ik moet doen
is leven om dat nog te zien. Dan slaat het uur
voor mij, al gaat het leven altijd door:

het vult de open deuren, ik word verrukt
door kleuren die steeds komen om ons heen,
als m’n geest wijkt,
gloeiend van het visioen dat helder scheen
zo op het laatst, tot het voorgoed verdween.

Origineel:

Japanese Maple

Your death, near now, is of an easy sort.
So slow a fading out brings no real pain.
Breath growing short
Is just uncomfortable. You feel the drain
Of energy, but thought and sight remain:

Enhanced, in fact. When did you ever see
So much sweet beauty as when fine rain falls
On that small tree
And saturates your brick back garden walls,
So many Amber Rooms and mirror halls?

Ever more lavish as the dusk descends
This glistening illuminates the air.
It never ends.
Whenever the rain comes it will be there,
Beyond my time, but now I take my share.

My daughter’s choice, the maple tree is new.
Come autumn and its leaves will turn to flame.
What I must do
Is live to see that. That will end the game
For me, though life continues all the same:

Filling the double doors to bathe my eyes,
A final flood of colors will live on
As my mind dies,
Burned by my vision of a world that shone
So brightly at the last, and then was gone.

Hoe alles afloopt – Derek Walcott

Derek Walcott (1930-2017) was een engelstalige toneelschrijver en dichter die afkomstig is van het eiland Saint Lucia, sinds 1979 een zelfstandig land in het Caraïbische gebied, deel uitmakend van het Britse Gemenebest. Hij won in 1992 de Nobelprijs voor literatuur. Hij was bevriend met Joseph Brodsky en Seamus Heaney, beiden ook Nobelprijswinnaars. Ze werkten alle drie enige tijd aan de Universiteit van Boston.

Hier, op de website van het Nobelcomité, kunt u een aardig interview met Walcott beluisteren. Het interview is uit 2005.

Het onderhavige gedicht – Endings – gaat over vergankelijkheid. De dingen eindigen niet theatraal, luidkeels, met een explosie, maar wegebbend, haveloos, kwijnend, langzaam uitdovend.

Het doet enigszins denken aan de slotregels van The Hollow Men, geschreven door T.S. Eliot:

This is the way the world ends
Not with a bang but a whimper.

(Zo eindigt dan de wereld / niet met een klap maar een zuchtje)

De slotregel is langer dan alle andere en komt als een verrassing: het gaat over de stilte om het hoofd van de doof geworden Beethoven, en het verwijst ook naar de ernst die spreekt uit diens meest verstilde adagio’s. En naar de dood natuurlijk.

Het gedicht komt uit de bundel Sea Grapes. Hier leest Derek Walcott het openingsgedicht voor.

Vertaling:

Hoe alles afloopt

’t Is niet dat dingen exploderen,
ze weigeren, ze sterven weg,

als zonlicht dat wegsterft op vlees,
als schuim dat haastig wegzinkt in zand,

zelfs de bliksemflits van de liefde
eindigt niet met een donderslag,

het sterft met het geluid
van wegkwijnende bloemen als vlees

dat puimsteen heeft uitgezweten,
zo krijgt alles vorm

tot we alleen zijn
met de stilte die hangt om Beethovens hoofd.

Origineel:

Endings

Things do not explode,
they fail, they fade,

as sunlight fades from the flesh,
as the foam drains quick in the sand,

even love’s lightning flash
has no thunderous end,

it dies with the sound
of flowers fading like the flesh

from sweating pumice stone,
everything shapes this

till we are left
with the silence that surrounds Beethoven’s head.