Categorie archief: Poëzie

Trede voor trede – haiku

Op Twitter trof ik een aardige gedachtewisseling aan over ‘het sublieme’ in de romantiek, een gedachtewisseling die met deze tweet begon. Ik deed deed de suggestie dat in de Nederlandse romantiek eerder sprake was van ‘het verhevene’ dan van ‘het sublieme, en noemde een boek waarin nader wordt ingegaan op dat ‘verhevene’.

Een sympathieke en erudiete plaatsgenoot, leraar Nederlands, iemand die deelnam aan die gedachtewisseling, merkte toen op:

“Lijkt me een geweldig boek, echt iets voor mij. Maar ja, je wil niet weten hoe hoog de toren nog is.”

Toen schreef ik, zonder daar aanvankelijk erg in te hebben, bijna een haiku waarvan alleen de langste regel de laatste was geworden: “Trede voor trede, gestadig omhoog, langzaam worden het stipjes.”

Ik heb deze bijna-haiku een beetje omgewerkt zodat aan de vormeisen van de haiku wordt voldaan.

Trede voor trede –
Langzaam worden het stipjes –
Het hoofd naar de wolk

Veluwezoom

Veluwezoom

Om beurten laten takken tonen los.
Geen talkshow, kerk of industrie
zingt antifonen van melancholie
als hier – waar zijn de saters in dit bos?

’t Is bijna Kerst vrijzinnig rendiermos
om steile sparren. Oecumene. Parodie.
Geen vogel zingt in deze liturgie;
een eik knielt neer voor Thanatos.

Zo ga ik zwijgend heen naar waar ik was,
en eigen langzaam toe wat ik verliet.
Met deze winteropbrengst in mijn tas,

bereik ik nu het glooiende verschiet,
waar een orkestje met een contrabas
de inzet speelt van een hermetisch lied.

(Eigen werk)

[Ingrijpend aangepast op 16/17-12-2020]

Kaketoes

voor de dichter L.

strakke kuifjes scheefstaand op pratende hoofdjes
rare kaketoes die konterfeitsels kakelen

woedende wenkbrauwen aardbol sprenkelend
met giftige pedagoochempraat

niemand zal ooit meer deftig zijn
niemand zal krakelieren
zoals de zwanen vroeger krakelierden
lyrisch krakelierden
stervend zullen krakelieren
in de kerker van hun hoofd

een twee een twee een twee drie
opgemarcheerd
naar de vette landerijen
onverveerd en vanzelfsprekend
ulieden warm aanbevelend

katers warm als geile broodjes
spinnen op de vensterbank

hoe harder ik schreeuw
hoe naakter de geeuw
van al die krioelende
kraaiende krakelierende kaketoes
en hun onvolkomen
naar de hemel reikende
konterfeitsels

(Eigen werk – Lucebert-pastiche)

Kaketoe

Kaketoe

Een schertsvers

Oote, oote, oote boe,
sprak de geelkuifkaketoe.
Niemand die de dichter kent,
want de dichter is een koe.

Toen het spartelend serpent
in haar bedje werd verwend,
zei de dichter zomaar ‘boe’
zonder zuinig sentiment.

Maar de steile kariboe
wordt het grazen nimmer moe.
Dichtend hurkt hij op zijn krent,
schrijvend naar de lezer toe.

Meestal is hij indolent
(Pierre Bourdieu is hem bekend).
Toen vervloekte hij zijn moe;
iedereen was hoogst content.

Driemaal ‘oote’ gaf hij toe,
wordt de lezer misschien moe.
‘Tiefsinn’ is dan wel absent,
Maar toch niet de kaketoe!

(Eigen werk)

Het duurde eeuwig en het duurde even

Ze waren warm, en, ja, ze wilden leven.
Liefde wilden ze, voedsel, nutteloosheid,
ze spartelden, ze knuffelden zo-even.

Het noodlot blijft aan kleine dingen kleven.
Ze dansten in hun kooi van zorgeloosheid,
ze waren warm, en, ja, ze wilden leven.

Het duurde eeuwig en het duurde even,
alsof je in een rijpe abrikoos snijdt …
Ze spartelden, ze knuffelden zo-even.

Het mes zal wat het nam niet kunnen geven.
Het hachelijke leven in zijn broosheid.
Ze waren warm, en, ja, ze wilden leven.

De snoetjes hielden niet bepaald van sneven.
O, koene snijders in verstand en boosheid!
Ze spartelden, ze knuffelden zo-even.

Het snoer viel niet in liefelijke dreven.
Gebod voor wie aan dit memento schrijft:
“Ze waren warm, en, ja, ze wilden leven,
ze spartelden, ze knuffelden zo-even.”

(Eigen werk)

De zomen van het leed

Tijdens de bosrand valt de avondzon.
Er is een uil die in zijn stilte vliegt.
Ik hoor een stem die samenzwerend liegt.
(Misschien denkt u dat ik wel zonder kon.)

Het gif schuilt onmiskenbaar in de bron.
Al wat gebeurd is, heeft ons zeer gegriefd.
‘Misschien dat u een rode twist belieft?’
Een woord is geen partij voor het kanon.

Het blanke leven is niet steeds naar wens.
Verwoesten is wat ik in zwartheid deed.
Het leven kent een prikkeldraden-grens.

Verwijt mij nooit wat ik mijzelf verweet.
Ik maak – kent u nog rare bohemiens? –
een fietstocht naar de zomen van het leed.

(Eigen werk)

Tinkelvers

Welk tinkelvers wil gaarne zingen
van staatsmanschap, van moed en durf,
van slavenhandel, deltawerken, turf,
van soevereiniteit in eigen kringen,

van graaien en de dans ontspringen,
van gulzigheid met snuit of slurf?
De taal der liefde kakel je wel murw,
geen God heeft weet van deze dingen.

Maar wat ten leste halfweg zal beklijven,
de bloeddorst van ons nationale zelf,
de spartelzucht van onze geile lijven,

al wat ons ooit deed komen tot onszelf,
het blijft in bloeddoorlopen vlekken wrijven,
gedruis dat hol weerklinkt in het gewelf.

(Eigen werk)

Een wild konijntje

Er zit een wild konijntje op het gras.
De wildernis is nu een voederbak.
De vrijheid groeit voortreffelijk in een kas.

Beschaving is vergeten wie je was.
Je zorgde dat het jou aan niets ontbrak.
Er zit een wild konijntje op het gras.

Vergeefs zijn alle boeken die je las.
Natuur sterft meestal in gehakketak.
De vrijheid groeit voortreffelijk in een kas.

We produceren zuiver blauwzuurgas.
Een meubelzaak ontwierp de ballenbak.
Er zit een wild konijntje op het gras.

Rousseau verheerlijkte de wildebras.
De schedel is een diamanten dak.
De vrijheid groeit voortreffelijk in een kas.

Plafonds zijn dikwijls voor wie streeft van glas.
Lof zij de authentieke schobbejak.
Er zit een wild konijntje op het gras.
De vrijheid groeit voortreffelijk in een kas.

(Eigen werk)

Een koude kade

Een koude kade

Herstellen doen wij niks; wij halen neer.
Toen schiepen wij de vorm van Gods genade.
Wat mij belaagt, is dat wat ik begeer.

De liefde bleek ludiek geslachtsverkeer.
Vaak hebben wij elkaar voorgoed verraden.
Herstellen doen wij niks; wij halen neer.

Hoe goedertieren Hij ook was als Heer,
Zijn lijk stond op uit een betwiste wade.
Wat mij belaagt, is dat wat ik begeer.

De dood bleef ons ontglippen, telkens weer.
Er blijft emplooi voor de verroeste spade.
Herstellen doen wij niks; wij halen neer.

Wat Hij gezegd had, stolde tot een leer.
Wij maken nieuw, betreden verse paden.
Wat mij belaagt, is dat wat ik begeer.

Hij kwam van ver en daalde tweemaal neer.
Wij staan te staren op een koude kade.
Herstellen doen wij niks; wij halen neer.
Wat mij belaagt, is dat wat ik begeer.

(eigen werk)

Immanuel

Immanuel

De kikkers kwaken in de zwarte beek.
Een stille schaduw nadert hoog en snel.
De hemel is de voorhof van de hel.
Het goede nieuws is vrijwel altijd fake.

Maar weinig is wat het zojuist nog leek.
Een kikker kwaakt luidkeels ‘Immanuel’,
want driemaal heilig is het liefdesspel:
“En zeg tot wie geen tong heeft: ‘spreek’!”

De schaduw is een vorm van blasfemie.
Verlustigend en zwijgend ziet hij toe:
gekonkel, brouille, seks of sodomie,

het alsmaar kijken wordt hij nimmer moe.
De dood is domein van historici.
Vergankelijk vlees is eeuwig taboe.

(Eigen werk)

A Leap in the Dark

A Leap in the Dark

Voor RvK

Misschien ben je een huismus of een heks,
Een hinde die in herfstigheden kan verdwijnen,
Een Netflix-kijkster die van plan is te gaan lijnen,
Frigide soms, beschimmeld, dol op seks.

Straks kus je nog Tyrannosaurus Rex –
Er volgt een Nacht der Girondijnen,
De angst, Me Too, en helse pijnen.
Je wou een maatje, en je wordt zijn ex.

Je wou iets anders, en je wou iets geks.
Je hing als kat te krijsen in gordijnen,
Er bleef iets dromerigs uit groene ogen schijnen,
Geluk is raar en moeilijk en complex.

Daar staat hij dan, de man met duizend zielen,
Hij velt een Goliath, zijn geest omspant de eeuw,
Een Simson die kan vechten met een leeuw,
Die sneller is dan duurbetaalde imbecielen.

Hij is een man die seculier kan knielen,
Snel als een zwaluw, wendbaar als een meeuw,
Met mooier nest dan mus of spreeuw,
Bij wie de rest afsteekt als dode zielen.

Vergeet onmiddellijk die andere fossielen,
De Himalaya ligt bevroren in de sneeuw,
Beklim de top en slaak een luide schreeuw:
Hij weet de dooie dood nog te bezielen.

(Eigen werk. Dit is een gelegenheidsgedicht, op verzoek gemaakt.)

Ecce Homo

Ecce Homo

Als ik boos ben, hak ik uw kop eraf,
als ik blij ben, kus ik uw wangen.

Ik prijs Banksy als ik de blits maak,
als ik hip ben, draag ik een baard.

Als ik geil ben, denk ik heel goed na –
geen zorgen – over pudeur,
over de Aufforderung zum Tanz.

Nadenken staat in een kwade reuk,
maar als ik de geest krijg,
schrijf ik u verzen.

Als ik God ben, verlos ik u onmiddellijk –
gratis voor niks – stem op mij!

Als duivel houd ik mij in:
met gekken is het heelal reeds gevuld.

Soms lach ik sardonisch;
als zondaar veins ik berouw.

Als sterveling zoek ik u misschien,
en knip ik – dat staat vast –
mijn nagels.

Zullen ze doorgroeien
als ik er niet meer ben,
tot in de eeuwen der eeuwen?

(Eigen werk)

Maanreis

Maanreis

Naar de maan
Ga ik misschien
Morgen,
Of overmorgen.

Kaartjes
Zijn goedkoop.
Er staan rijen
Voor het loket.

Er moet wel
Wat gebeuren
Aan die enorme
Kale kraters,
Aan dat gebrek
Aan water.

Er hangen geen rozen
Zwaar aan de muren.
Er tsjilpen misschien
Geen mussen.

Niemand spreekt af
Onder het beeld.

Er klinkt geen muziek.
Er is geen kliniek.

Maar er is,
God zij geloofd
En gedankt,
En geprezen,
Geen spoor
Van ressentiment.

Ik weet niet
Of dat genoeg is
Om naar de maan
Te gaan.

(Eigen werk)

The Big Baboon

Donald Trump Stairs

Descending from the stairs

Spotversje over Onze Grote Transatlantische Broeder:

The Big Baboon

As he descends
– Recording blurred –
From silver stairs,
No laugh was heard.

The Airforce One
Inhaled, relieved,
The scattered words
No one believed.

On his Grand Slam
He’s holding forth,
Without intent
To kiss the earth.

As pompous
As his wife is lean,
He takes a selfie
With the Queen.

He’s with the Universe
At odds.
He’s at the banquets
With the gods.

We always knew
He’s coming soon,
In tailored suit:
The Big Baboon.

Christ told us
Not to call our fellows fools.
It is not always easy
To obey His rules.

(Eigen werk)

Vredesplan

Vredesplan

Hij was een stille, slanke man,
Met kleine ogen en een klein gebrek.
De mensen vonden hem maar gek;
De tijd vroeg om een vredesplan.

Niemand wist er het fijne van.
Hij zat te staren op een hek.
Hij sprak soms tot een blauw verstek.
Ik hoop dat u hem volgen kan.

De meeuwen doken om hem heen.
Ze vreesden voor hun pril gebroed.
Ze krijsten, maar de man zei: “Neen,

Niet altijd komen dingen goed.”
De wereld werd weer stukken steen,
En ergens sijpelde nog bloed.

(Eigen werk)

 Ik ga Angelina, ga jij met me mee?

Ik ga Angelina, ga jij met me mee?

‘Ik ga Angelina, ga jij met me mee? –
De kusten zijn woest en de luchten subliem.’
Ik stond op een rots en ik keek naar de zee.

Ze zei eerst geen ‘ja’, maar ze zei ook geen ‘nee’.
Ze speelde haar spel – het spel was een mime.
‘Ik ga Angelina, ga jij met me mee?’

Ze ontvouwde zichzelf als een pracht-orchidee.
Ze kuste mij vurig, langdurig, intiem.
Ik stond op een rots en ik keek naar de zee.

We sliepen die nacht zonder breedbeeld-tv.
Wie schikt zich niet gaarne in Amors regime?
‘Ik ga Angelina, ga jij met me mee?’

Ze lag onbeweeglijk en leek heel tevree.
Er schuilt in de liefde een giftige kiem.
Ik stond op een rots en ik keek naar de zee.

Gods goedheid, Gods almacht, de theodicee,
Bracht niemand ter sprake – ik bleef anoniem.
‘Ik ga Angelina, ga jij met me mee?’
Ik stond op een rots en ik keek naar de zee.

(Eigen werk)

Alles went

Alles went

De blijde wetenschap dat alles went
Geeft rust aan wie haar grondig kennen;
Je hoeft niet dood te vallen op een cent.

Misschien wil je wel worden wie je bent:
Het mooiste is om anderen te jennen;
Je weet dat ook de vroomste leugen went.

Had deze dame goesting in een vent?
Ze liet zich af en toe intiem verwennen;
Je hoeft niet dood te vallen op een cent.

Ik denk dat u het zuigende ‘appeal’ wel kent
Van tafelpoten en van jonge dennen,
Al klopt het wel dat ook hun aanblik went.

Dat geldt niet voor een lubberende krent,
Welks vadsigheden wij wat graag ontkennen:
Een liposuctie kost een lieve cent.

Roep niet te snel om straf of een agent;
Wie omziet, ziet de dood al rennen:
Hein weet heel goed dat doodgaan went,
Ook voor degeen die doodvalt op een cent.

(Eigen werk)

De Profundis

De Profundis

Waar kan ik hier,
Als ik mag vragen,
Ik ben hier nieuw,
Mijn ongerief kwijt,
De herrie,
Het loos alarm,
Dat driftige getok,
Losgaande regen
Op een golfplaten dak?

De stank die zich hier
Aan je opdringt,
Is een muffe sjaal,
Zo’n tiranniek breisel
Dat om en om moest
Van je moeder
Als het best meeviel.

Waar kan ik hier
Mijn tranen storten?

En waarom
Heb ik geen poes,
Metafoor met pootjes
En lieve oortjes,
Die ligt te spinnen
Tussen de geraniums?

Kan ik hier ook
Mijn trouwe demonen
Fatsoenlijk uitlaten
(Ik zoek nog naar de bak
Voor hun poep)?

Wie wil er eigenlijk
Met mij naar bed?

Wie luistert naar mij
Als ik bid?

(Eigen werk)

De laatste envelop

De laatste envelop

Langzaam maak ik de enveloppen open:
Een bon, een bankafschrift, een sterfgeval.
Bewolkte debetposten, al met al;
Wie durft er nog op wonderen te hopen?

De argumenten om je op te knopen
Groeien per postbezorging in getal.
De weg naar het geluk is lang en smal.
Je moet die eenzaam in het donker lopen.

De laatste envelop die ik tot slot
En met een lichte huiver openmaak –
Hoewel het ding eruit ziet als een vod –

Bewerkt dat ik mijn tobberijen staak.
Ik merk dat iemand met mijn wanhoop spot,
En ik in zalige verwarring raak.

(Eigen werk: een gelegenheidsgedicht als dankbetuiging.)

Een kaartje naar de Melkweg

Een kaartje naar de Melkweg

Zacht schoof ik de gordijnen open.
De straten glommen in het zwakke licht.
Een autodeur sloeg woedend dicht.
Ik zag de schimmen door de regen lopen.

Er viel geen touw meer vast te knopen
aan wat, uit noodzaak, sleur of plicht,
door mij was opgeschreven of verricht.
Ik wou een kaartje naar de Melkweg kopen.

Wie laks is en niet goed is voorbereid,
lijdt in de hoogte kans op helse pijnen
en valt ten prooi aan hemelgruis en strijd.

Voilà, een visum, krachtvoer, medicijnen.
Ik wist wat ik moest doen, ik nam de tijd.
De grootste opgaaf is om te verdwijnen.

(Eigen werk)

Dit gedicht werd op 7 oktober 2020 (02:05:00) voorgedragen door presentatrice Anne-Marie Segers in het programma Klassiek Leeft op Klara (02:05:00) onder verwijzing naar de Nobelprijs voor Natuurkunde die op 6 oktober 2020 was toegekend aan drie wetenschappers die baanbrekend onderzoek hebben gedaan naar zwarte gaten. Klara is een Vlaamse radiozender die voornamelijk klassieke muziek uitzendt.

Met dank aan Nori_reads die mij hierop attendeerde.