Tagarchief: John Keats

Over Calamitas van Menno Wigman

Inleiding

Menno Wigman. Copyright: Mark Kohn / de Beeldunie

Ik doe dat wel vaker, iets schrijven over een gedicht, maar tot nu toe alleen als ik een gedicht had vertaald. Dan vertel ik een paar dingen over de dichter, en over wat ik tijdens het vertalen heb ontdekt. Ik hoop dan maar dat de lezer er iets aan heeft.

Een gedicht – ook een vertaald gedicht – moet liefst voor zichzelf spreken. Net als bij een grap, bederft uitleg al gauw het effect. Misschien dat het nut van het schrijven over poëzie erin bestaat dat je jouw geestdrift enigszins weet over te brengen, dat je een paar obstakels die je bij het lezen tegenkomt, kunt wegnemen.

Jelle van Baardewijk, filosoof en ethicus, daagde mij op Twitter uit om iets over Calamitas van Menno Wigman (1966-2018) te zeggen. En hij gaf zelf het goede voorbeeld. Zie dit Twitterdraadje met een paar aardige observaties.

Afbeelding

Goede gedichten zijn intens. Meerlagigheid is een vorm van intensiteit. Calamitas van Menno Wigman is een intens gedicht. Dat ligt niet alleen aan het onderwerp – dat op zichzelf al intens genoeg is – maar aan de manier waarop Wigman zijn onderwerp behandelt. Ik zal daarom wat aandacht besteden aan de contrasten die Wigman aanbrengt om zijn onderwerp tot leven te brengen. Ook maak ik een paar opmerkingen over de vormkenmerken van het gedicht.

Het is wel aardig om te weten dat het begrip ‘Schoonheidsdrift’ dat in dit gedicht voorkomt, en dat gebruikt wordt om de dichter John Keats (1795-1821) te karakteriseren, door de romanschrijver Arie Storm als titel is gebruikt voor zijn laatste roman, een roman waarin ook het personage Keats een rol speelt.

Hier vindt u wat informatie over de titel, Calamitas: loss, injury, damage, mischief, harm. Een passende Latijnse titel voor een gedicht over een man die door Rome dwaalt terwijl de gebeurtenissen in de wereld een dramatische wending nemen.

Contrasten

Het onderwerp van Calamitas is de reactie van een man op de verschrikkelijke gebeurtenissen die plaats vonden op 11 september 2001 in New York. Die man doolt rond in Rome, eerst op zoek naar “een nachtblauw overhemd”, en vervolgens probeert hij dichter bij een bewonderde voorganger, John Keats, te komen, die daar op vijfentwintigjarige leeftijd overleed aan tbs na een aantal onsterfelijke gedichten te hebben geschreven. Keats was een romanticus, net als Wigman.

Dit is het eerste contrast: de spectaculaire en massale dood in New York, en de onopvallende eenzaamheid van de man in Rome, op zoek naar zijn nachtblauwe overhemd, zijn “shirt”, een kledingstuk dat – net als het gedicht – “van strenge snit” is, een kledingstuk ook dat zijn naaktheid kan bedekken, dat hem enigszins beschermen kan tegen een werkelijkheid die niet veel mededogen kent met de kwetsbare mens – een effect trouwens dat ook een gedicht kan hebben als je daarvoor gevoelig bent.

Het tweede contrast is natuurlijk de brute aanslag versus de gevoelige kunst van Keats. “Daar lag hij met zijn grote ogen dood te gaan” – de vriend van Keats, Joseph Severn, die 58 jaar na Keats’ dood met hem verenigd werd in een graf op de Cimetero acattolico in Rome, heeft hem een paar keer bij leven uitgebeeld, inderdaad met opvallend grote ogen. En hij heeft hem ook op zijn sterfbed geportretteerd, toen met zijn ogen gesloten. En grote ogen zet je natuurlijk ook op als je je verbaast of verwondert.

De beroemdste zin van Keats is inderdaad prachtig: “A thing of beauty is a joy forever.” Die koortsachtige drang om iets heel moois te maken. Schoonheidsdrift. De koortsachtigheid van zijn ontijdige dood. Hij was vijfentwintig jaar oud toen hij stierf.

Het derde contrast wordt gevormd door de eenzame man die massaal vliegen ziet sterven op de vliegenstrip tijdens het ontbijt in Rome, zoals ook de mensen massaal stierven in New York: “Als vliegen stierf men op tv.” Iedereen herinnert zich nog de kleine zwarte figuurtjes die naar beneden sprongen. De onafwendbaarheid ook van zo’n kleefstrip voor de onwetende vlieg. De kwetsbaarheid van al wat adem heeft.

En dan nog een vierde contrast. “Hoe komt het toch dat tbc iets roerends heeft?” Ik denk omdat doodgaan iets is wat je altijd alleen doet. Het vormt een contrast met de massaliteit van de dood, de vliegenstrip met al die dode vliegen, die hem zo van slag bracht.

Ten slotte het vijfde, voor mijn gevoel meest spectaculaire contrast: de dolende Rome-ganger ziet een Keats-manuscript in een vitrine, en hij schrijft dan de mooiste zin van het gedicht: “Een gedicht, zo teer / en strak dat het geluidloos door het glas heen brak.” Als eerbetoon staan die regels op hetzelfde niveau als de prachtige regels van Ida Gerhardt: “… wat ontsprong aan hun verwondering / en stralend de millennia doorscheen …”.

De geciteerde regel van Wigman kan helemaal op zichzelf staan, en dan is het een schitterende regel. Maar die regel staat natuurlijk niet alleen op zichzelf. Werkelijk geweldig is het contrast dat Wigman aanbrengt tussen de vliegtuigen die als een projectiel door het glas van de Twin Towers naar binnen vlogen, en het gedicht van Keats dat geluidloos door het vitrineglas naar buiten brak, en vervolgens uiteraard binnen kwam bij de aandachtige toeschouwer.

Vorm

De brandende torens van het WTC vlak na de aanslag en voorafgaand aan hun ineenstorting (Plaatje overgenomen van Andere Tijden)

De openingsregel is heel sterk: “Waar was je toen het WTC?” Het slotwerkwoord ontbreekt natuurlijk, maar je merkt het niet eens. Pal staat de vraag voor je neus. Het is echt een klaroenstoot. En dan dat geweldige binnenrijm van WTC en tbc (met het hierboven geschetste contrast), en iets zwakker ook het verderop gebruikte tv.

Het gedicht kent drie strofen van vijf regels. Het gedicht is heel strak geschreven in jambische zesvoeten (zes keer: pom póm, pom póm …).

Het gedicht kent geen eindrijm, maar het wemelt van de anderssoortige rijmen. Alle rijmen zijn natuurlijk klankverwantschappen. Wigman gebruikt halfrijmen, binnenrijmen, assonanties, alliteraties: snit & strip & shirt & drift & schrift, vuile vliegenstrip, verziekt & niet & Keats, strenge snit, schoonheidsdrift & handschrift, teer & strak, trap & steden, strak & brak, gedicht & geluidloos, wtc & tbc & tv, ondenkbaar & elkaar & daar.

Het gedicht is eenvoudig van taal, wat de betrekkelijk langgerekte woorden na het Engelse citaat “Vijfentwintig. Schoonheidsdrift” heel sterk maakt.

Van Baardewijk gebruikt in zijn draadje het begrip ‘drumstijl’. Dat begrip heeft hij voor de gelegenheid gemunt, denk ik, want ik heb het nog niet eerder gehoord, maar misschien heb ik niet goed opgelet. Je hebt tegenwoordig ook Poetry Slam-festivals. Wigman drumde graag, was zeer op een perfecte vorm gericht, en inderdaad heeft zijn tekst iets strengs, iets scanderends, zonder dat je nu kunt zeggen dat het gedicht stijf of deftig of onnatuurlijk is. Dat is heel knap.

Slotopmerkingen

Ik heb geen studie gedaan naar bestaande commentaren op dit gedicht. Ik heb het gedicht gelezen, herlezen en overdacht. En ik las een aardig stuk van Mirjam van Hengel (die onder andere een biografie van Remco Campert heeft geschreven, alsmede een dubbelportret van Leo Vroman en Tineke Sanders) dat verscheen op 18 september 2019 in De Groene Amsterdammer, enige tijd na Wigmans vrij plotselinge dood: ‘En ik die keffend in mijn canto’s woon’. Menno Wigmans gestileerde anarchie. Wie alvast een idee wil krijgen van de dichter Menno Wigman en van zijn dichterschap, verwijs ik graag naar dat artikel.

De romanschrijver, dichter en essayist Rob van Essen schrijft momenteel een biografie van Wigman. Ik ben daar benieuwd naar.

La Belle Dame sans Merci, een ballade – John Keats

John Keats (1795-1821) is een van de belangrijkste romantische Engelse dichters.

Hij behoorde tot een groep dichters waartoe ook Percy Byssche Shelley en Lord Byron behoorden. Zijn dichterlijke productie kwam in ongeveer zes jaar tot stand, want hij overleed al heel vroeg – op 25-jarige leeftijd – aan tuberculose.

Zijn vader stierf toen hij acht was, en zijn moeder toen hij veertien was. Hij stierf in Rome en ligt ook daar begraven. Enkele weken na zijn dood schreef Shelley een gedicht ter herdenking aan Keats, onder de titel Adonais.

De biografische schets van Keats in de Encyclopaedia Brittannica vindt u hier.

Keats was heel productief in de weinige jaren die hem ter beschikking stonden. Het onderhavige gedicht, La Belle Dame sans Merci: A Ballad, is een van de beroemdste, romantische gedichten uit de Engelse letterkunde. Het werd voor het eerst gepubliceerd in 1820, en het wordt beschouwd als de tegenhanger van Keats’ gedicht The Eve of St. Agnes, een gedicht dat een idyllische liefde bezingt.

La Belle Dame sans Merci – de mooie meedogenloze dame – beschrijft de destructieve kant en de ontredderende gevolgen van een onvoorwaardelijke liefde die slechts in de vorm van valse verleidingskunst beantwoord wordt.

Keats ontleende de titel van het gedicht aan de Franse dichter Alain Chartier (1385 – ca. 1433).

Gerard Reve heeft zijn ‘Meedogenloze jongen’- een homoseksule pendant van de fatale vrouw – ontleend aan het romantische motief dat Keats in dit gedicht mede heeft gemunt.

Omdat het licht werpt op het romantische motief van de fatale dame, citeer ik een passage uit Klaus Beekman en Mia Meijer, Kort Revier, Gerard Reve en het oordeel van zijn medeburgers (1973), waarin ze Johan Polak uitgebreid citeren, als volgt:

“Een van de in het oog springende motieven in de romantiek, vooral in de late romantiek, is de fatale vrouw. Hoewel de eerste specimina van dit verschrikkelijke slag al optreden in de vroegste griekse literatuur in de gedaante van de Sirenen die Odysseus moeten verleiden, wemelt het in de romantische letteren van deze vrouwen. Klassiek is het gedicht van Keats: La belle dame sans merci (de uitdrukking zelf is gevleugeld geworden):

I saw pale kings and princes too,
Pale warriors, death-pale were they all;
They cried—‘La Belle Dame sans Merci
Thee hath in thrall!’

 

Op dit stramien zitten de andere fatale vrouwen geborduurd. Of ze nu pacteren met de duivel (en dat doen ze graag), geselend rondgaan (dit vooral is een geliefde fantasie: she slays and her hands are not bloody, zingt Swinburne), eindeloze masturbaties bedrijven bij de man die in haar macht is (Mirbeau), één motief blijft hetzelfde: de man die zich in haar macht bevindt, komt daar niet meer van los.”

Vertaling:

La Belle Dame sans Merci – een ballade

Wat scheelt eraan, O, ridder-met-de-helm,
Zo eenzaam, bleek, door schrik omringd?
De zegge langs het meer is al verdord,
Geen vogel zingt.

Wat scheelt eraan, O, ridder-met-de-helm,
Zo afgemat, zo aangedaan?
De eekhoorn-voorraadschuur is vol,
De oogst gedaan.

Een lelie prijkt er op je hoofd,
Zo klam van angst, met koorts berijpt,
En op je wang een schrale roos
Die snel verkwijnt.

Ik trof een dame in het veld,
Ze was beeldschoon – een elfenkind,
Haar haar was lang, haar tred was licht,
Haar ogen waren wild.

Ik vlocht een krans voor om haar hoofd,
Een sjerp, een armband – geur en pracht;
Ze keek naar mij heel liefdevol,
En neuriede zacht.

Ik zette haar op mijn snelle hengst,
En wat ik zag was anders niet
Dan zij die zijwaarts hangend zong
Een elfenlied.

Ze vond mij bron van alle zoets,
Van wilde honing, manna-dauw,
Toen zei ze op haar vreemde wijs –
“’k hou echt van jou”.

Ze ontvoerde mij naar de elfengrot,
Ze huilde, zuchtte diep en puur,
Ik kuste toen haar wilde ogen
Met laaiend vuur.

Daar wiegde ze me toen in slaap,
Daar droomde ik – afgrondelijk erg! –
De laatste droom die ‘k heb gedroomd
Daar op die koude berg.

‘k Zag menig koning, menig prins,
Ze waren allemaal lijkbleek,
Het klonk – ‘La Belle Dame Sans Merci,
Ze houdt je in de greep’

‘k Zag grauwe lippen in de schemering,
Hun wrede lessen, wijd gesperd,
En ik ontwaakte en bevond
Me op die koude berg.

En dit is waarom ik hier toef,
Zo eenzaam, bleek, door schrik omringd,
Al is de zegge langs het meer verdord,
Geen vogel meer die zingt.

Origineel:

La Belle Dame sans Merci: A Ballad

O what can ail thee, knight-at-arms,
Alone and palely loitering?
The sedge has withered from the lake,
And no birds sing.

O what can ail thee, knight-at-arms,
So haggard and so woe-begone?
The squirrel’s granary is full,
And the harvest’s done.

I see a lily on thy brow,
With anguish moist and fever-dew,
And on thy cheeks a fading rose
Fast withereth too.

I met a lady in the meads,
Full beautiful—a faery’s child,
Her hair was long, her foot was light,
And her eyes were wild.

I made a garland for her head,
And bracelets too, and fragrant zone;
She looked at me as she did love,
And made sweet moan

I set her on my pacing steed,
And nothing else saw all day long,
For sidelong would she bend, and sing
A faery’s song.

She found me roots of relish sweet,
And honey wild, and manna-dew,
And sure in language strange she said—
‘I love thee true’.

She took me to her Elfin grot,
And there she wept and sighed full sore,
And there I shut her wild wild eyes
With kisses four.

And there she lullèd me asleep,
And there I dreamed—Ah! woe betide!—
The latest dream I ever dreamt
On the cold hill side.

I saw pale kings and princes too,
Pale warriors, death-pale were they all;
They cried—‘La Belle Dame sans Merci
Thee hath in thrall!’

I saw their starved lips in the gloam,
With horrid warning gapèd wide,
And I awoke and found me here,
On the cold hill’s side.

And this is why I sojourn here,
Alone and palely loitering,
Though the sedge is withered from the lake,
And no birds sing.

 

Wanneer ik vrees – John Keats

John Keats (1795-1821) is een van de belangrijkste romantische Engelse dichters.

Hij behoorde tot een groep dichters waartoe ook Percy Byssche Shelley en Lord Byron behoorden. Zijn dichterlijke productie kwam in ongeveer zes jaar tot stand, want hij overleed al heel vroeg – op 25-jarige leeftijd – aan tuberculose.

Zijn vader stierf toen hij acht was, en zijn moeder toen hij veertien was. Hij stierf in Rome en ligt ook daar begraven in een graf naast zijn vriend, de romantische kunstschilder Joseph Severn.

Enkele weken na zijn dood schreef Shelley een gedicht ter herdenking aan Keats, onder de titel Adonais. Ook Shelley ligt op diezelfde begraafplaats in Rome begraven – de Cimitero acattolico (de protestantse begraafplaats).

Het onderhavige gedicht is een sonnet in de traditie van Shakespeare, dat wil zeggen het heeft veertien regels, met twee afsluitende slotregels die een soort pointe bevatten. Het rijmschema is abab cdcd efef gg. Het gedicht wordt vaak als één blok tekst afgedrukt, maar ik heb er bij de opmaak de gebruikelijke drie kwatrijnen en een afsluitend distichon van gemaakt, vooral omwille van de leesbaarheid. Ik heb de regels soms iets langer gemaakt dan in het origineel om de inhoud recht te kunnen doen.

FannyBrawne1833_color

Fanny Brawne, c.1833 (R. Goodsell, Keats House)

Het gedicht is een meditatie over de dood, en het beschrijft de gevoelens van iemand die beseft dat de dood misschien wel eens eerder zou kunnen komen dan dat hij zijn droom van een onsterfelijk dichterschap zal kunnen verwezenlijken.

Het verdrietige is dat John Keats inderdaad heel vroeg gestorven is, maar het mooie is dat hij vrij veel verzen heeft geschreven die we vandaag nog steeds met plezier en ontroering lezen.

De ‘you’ in de derde strofe is naar alle waarschijnlijkheid Keats’ geliefde Fanny Brawne, met wie hij een niet altijd even gemakkelijke relatie had, en met wie hij door zijn voortijdige dood nooit getrouwd is geweest.

Wie iets meer wil weten, kan hier een beknopte toelichting vinden die niet al te vervelend is – wat niet vanzelf spreekt bij gedichten.

Dit is een aardige website over Keats: Mapping Keats’s Progress, A Critical Chronology.

En hier is A chapter from the biography of John Keats that inspired the Jane Campion film Bright Star.

Vertaling:

Wanneer ik vrees …

Wanneer ik vrees dat straks m’n einde aan zal breken
Eer ooit mijn pen geproefd heeft van mijn gulle geest,
Eer stapels boeken, rijk van taal en teken,
Als rijpe akkers zijn, waarop men aren leest;

Als ik aanschouw ’t gelaat van de besterde nacht,
Enorme wolksymbolen van de diepste innigheid,
En weet dat geen gelukshand mij ooit onverwacht
Hun schaduw zal doen schetsen bij gelegenheid;

En als ik voel – een breekbaar mensenkind –
Dat nu mijn blik voor ‘t laatst nog op jou rust,
Maar dat ik nooit de tovermacht meer ondervind
Van redeloze liefde – dan sta ik uitgeblust

Aan ‘t einde van de aarde, om te overwegen
Hoe roem en liefde schrompelden en zwegen.

Origineel:

When I have fears that I may cease to be

When I have fears that I may cease to be
Before my pen has gleaned my teeming brain,
Before high-pilèd books, in charactery,
Hold like rich garners the full ripened grain;

When I behold, upon the night’s starred face,
Huge cloudy symbols of a high romance,
And think that I may never live to trace
Their shadows with the magic hand of chance;

And when I feel, fair creature of an hour,
That I shall never look upon thee more,
Never have relish in the faery power
Of unreflecting love—then on the shore

Of the wide world I stand alone, and think
Till love and fame to nothingness do sink.

Ode aan de herfst – John Keats

John Keats (1795-1821) is een van de belangrijkste romantische Engelse dichters.

Hij behoorde tot een groep dichters waartoe ook Percy Byssche Shelley en Lord Byron behoorden. Zijn dichterlijke productie kwam in ongeveer zes jaar tot stand, want hij overleed al heel vroeg – op 25-jarige leeftijd – aan tuberculose.

Zijn vader stierf toen hij acht was, en zijn moeder toen hij veertien was. Hij stierf in Rome en ligt ook daar begraven. Enkele weken na zijn dood schreef Shelley een gedicht ter herdenking aan Keats, onder de titel Adonais.

Keats was heel productief in de weinige jaren die hem ter beschikking stonden. Het onderhavige gedicht, To Autumn, is een van de beroemdste gedichten uit de Engelse letterkunde en het behoort tot de ‘odes’ die Keats schreef in 1819, een jaar waarin hij veel problemen kende.

Het gedicht heeft drie strofen van elf regels, elk met een vrij strikt rijmschema en lettergreepaantal. In mijn vertaling ben ik soms van dat rijmschema en dat aantal afgeweken om in staat te zijn om ook de inhoud enigszins getrouw over te brengen. Ik heb vanzelfsprekend wel gestreefd naar beknoptheid en zeggingskracht.

In de eerste strofe wordt de herfst gepersonifieerd en voorgesteld als iemand die complotten smeedt met zijn boezemvriend, de zon. De rijkdom van de oogst wordt bezongen. De personificatie wordt het gehele gedicht volgehouden.

De tweede strofe roept de herfstsfeer op die gepaard gaat met verschillende vormen van oogstverwerking.

In de derde strofe worden de kleuren en de geluiden aan het einde van een herfstdag opgeroepen.

Het gedicht wordt – volgens de intro van het Engelse Wikipedia-artikel, dat voldoet aan hoge encyclopedische eisen (het heeft de etalagestatus) – op verschillende manieren geïnterpreteerd: als een bespiegeling over de dood, of als een allegorie over scheppende arbeid, of als een commentaar op de Peterloo Massacre (een cavaleriecharge in 1819 tegen een verzamelde menigte met gruwelijke afloop), of – ten slotte – als een nationalistisch gedicht.

Ik geloof daar allemaal weinig van.

Natuurlijk is elk gedicht ook een triomf, en als zodanig een lofzang op de scheppende arbeid, en bijna elk gedicht laat je voelen wat eindigheid en schoonheid betekenen, maar met die massaslachting en met dat nationalisme heeft dit gedicht niets te maken. Het gedicht ontstond na een herfstwandeling, en het is wat de titel ook zegt: een ode aan de herfst, het maakt de ontroering voelbaar van iemand die de herfst echt beleeft.

Dit gedicht is heel strak van vorm, heel natuurlijk van zegging, en heel mooi van sfeer. Het was daarom voor mij bijzonder moeilijk te vertalen. Ik hoop dat het althans een beetje gelukt is.

Mijn favoriete jaargetijde is de herfst, en ik ben ook persoonlijk bijzonder gesteld op dit gedicht. Commentaar, suggesties ter verbetering zijn altijd welkom. Mijn e-mailadres wordt vermeld op de pagina Over de vertaler/auteur.

[Slotregel verbeterd, 18 maart 2020, met dank aan Henny van den Born.]

Vertaling:

Ode aan de herfst

Seizoen van mist en malse overvloed!
Naaste hartsvriend van de rijpende zon,
Samen smoezend hoe je de wijnrank zoet
En zwaar langs rieten daken leiden kan,
Hoe de bemoste appeltak kan buigen,
En alle fruit kan geuren en kan gloeien,
De kalebas kan zwellen, hazelnoten kraken
Met puike kern, knoppen weer gaan groeien,
Steeds opnieuw, en bijen verse bloemen krijgen,
Totdat ze denken dat ze eeuwig kunnen zuigen,
De zomer zal hun kleverige raat bewaken.

Wie zou jou niet herkennen in die weelde?
En wie jou elders zocht, zag dat je goedgezind,
En rustig in de voorraadschuur verwijlde,
De haren wiegend in de dorsvloerwind,
Of dat je heerlijk sliep in half gemaaide voren,
Bedwelmd door klaproosgeuren, terwijl jouw zeis
De slag liet lopen met de bloemen en het koren;
En soms, net als wie aren leest, ben je in een staat
Van diepe ernst, als je uit een beek oprijst,
Of als je, bij de ciderpers, met kalm gelaat,
Het uitknijpen beziet, dat alsmaar verdergaat.

Waar zijn de lenteliederen. Waar zijn ze? Ach,
Vergeet ze maar, jij hebt je eigen lied, –
Een lage lucht bloost op de kwijnende dag
En dekt het stoppelveld met rozig coloriet;
Daar is de treurzang van het muggenkoor
Tussen de waterwilgen, hoger, alsmaar door,
Of dalend, als de wind weer komt of gaat,
En zie het forse lam dat bij het kreekje blaat,
De krekels zingend in de haag – nu komt het uur
Dat de roodborst in de tuin zijn triller horen laat;
daar gaan de zwaluwen, kwetterend in ’t azuur.

Origineel:

To Autumn

Season of mists and mellow fruitfulness!
Close bosom-friend of the maturing sun;
Conspiring with him how to load and bless
With fruit the vines that round the thatch-eaves run;
To bend with apples the mossed cottage-trees,
And fill all fruit with ripeness to the core;
To swell the gourd, and plump the hazel shells
With a sweet kernel; to set budding more,
And still more, later flowers for the bees,
Until they think warm days will never cease,
For Summer has o’erbrimmed their clammy cells.

Who hath not seen thee oft amid thy store?
Sometimes whoever seeks abroad may find
Thee sitting careless on a granary floor,
Thy hair soft-lifted by the winnowing wind;
Or on a half-reaped furrow sound asleep,
Drowsed with the fume of poppies, while thy hook
Spares the next swath and all its twined flowers;
And sometimes like a gleaner thou dost keep
Steady thy laden head across a brook;
Or by a cider-press, with patient look,
Thou watchest the last oozings, hours by hours.

Where are the songs of Spring? Ay, where are they?
Think not of them, thou hast thy music too, –
While barred clouds bloom the soft-dying day
And touch the stubble-plains with rosy hue;
Then in a wailful choir the small gnats mourn
Among the river sallows, borne aloft
Or sinking as the light wind lives or dies;
And full-grown lambs loud bleat from hilly bourn;
Hedge-crickets sing, and now with treble soft
The redbreast whistles from a garden-croft;
And gathering swallows twitter in the skies.

Over de dood – John Keats

John Keats asleep, by Joseph Severn, Rome, 28 January 1821
John_Keats_by_William_Hilton
John Keats (Wikimedia Commons)

De Engelse dichter John Keats (1795-1821) is een van de belangrijkste dichters van de Romantiek. Hij behoorde tot een groep dichters waartoe ook Percy Byssche Shelley en Lord Byron behoorden. Zijn dichterlijke productie kwam in ongeveer zes jaar tot stand, want hij overleed al heel vroeg – op 25-jarige leeftijd – aan tuberculose.

Zijn vader stierf toen hij acht was, en zijn moeder toen hij veertien was. Hij stierf in Rome en ligt ook daar begraven. Enkele weken na zijn dood schreef Shelley een gedicht ter herdenking aan Keats, onder de titel Adonais.

Het vertaalde gedicht bevat een zowel hoogst ernstige als vermakelijke omkering. Ik denk niet dat iemand veel baat heeft bij een uitgebreide toelichting. Het gedicht blijft geheimzinnig, maar het spreekt toch voor zichzelf, zonder dat het ook maar in de geringste mate faciel is.

Het zijn twee kwatrijnen met een streng rijmschema en een duidelijk metrum. De strenge vorm werkt toch niet storend omdat het fraaie ritme het gedicht laat zingen.

Arie Storm
Arie Storm

De aanleiding tot deze vertaling was een korte en prettige tweetwisseling (hier en hier) met de Nederlandse romanschrijver en literatuurcriticus Arie Storm op Twitter. De tweetwisseling eindigde met de dood, en Storm poste vervolgens On Death van John Keats. Aanvankelijk dacht ik dat het niet te vertalen was, maar ik heb het toch geprobeerd.

Op hoop van zegen.

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

——————————————————————————————————————————-

Vertaling:

Over de dood

Kan dood soms slapen zijn, als leven dromen is,
elk zalig tafereel voorbij gaat als een waan?
Vergankelijk gerief wordt spookgeschiedenis,
de grootste angst blijft toch om dood te gaan.

Hoe vreemd dat ’t mensenkind op aarde dwaalt,
een treurig leven leidt, en ferm en onverkort
zijn ruige paden volgt; en hij er evenmin naar taalt
zijn vloek te zien, die is dat hij straks wakker wordt.

([20-2-2020] De regel ‘en scènes van geluk verzwinden als een waan?’ vervangen door ‘elk zalig tafereel voorbij gaat als een waan?’ En ‘deze mens’ is vervangen door ”t mensenkind’.)

Origineel:

On Death

Can death be sleep, when life is but a dream,
And scenes of bliss pass as a phantom by?
The transient pleasures as a vision seem,
And yet we think the greatest pain’s to die.

How strange it is that man on earth should roam,
And lead a life of woe, but not forsake
His rugged path; nor dare he view alone
His future doom which is but to awake.