Tagarchief: Charles Baudelaire

Op een creoolse dame – Baudelaire

De Franse dichter Charles Baudelaire (1821-1867) schreef prachtige gedichten, onder andere in zijn beroemdste bundel Les Fleurs du mal  (1857) – De bloemen van het kwaad.

Bijgaande foto is omstreeks 1855 gemaakt door de beroemde pionier van de fotografie Nadar (1820-1910), pseudoniem van Gaspard-Félix Tournachon.

De poëzie van Baudelaire heeft kenmerken van romantiek en decadentie. Hij is een van de dichters die werd opgenomen in de door Paul Verlaine samengestelde bloemlezing Les poètes maudits (1884).

In Les Fleurs du Mal staat bijvoorbeeld ook De albatros, een gedicht dat het beeld van de gedoemde dichter (poète maudit) oproept, een beeld dat blijvend met Baudelaire en met hem verwante dichters verbonden is. De albatros is ook in vertaling op deze website beschikbaar.

In dezelfde bundel is ook À une dame créole – Op een creoolse dame – opgenomen. Het is een sensueel gedicht dat eerder een multiculturele geest ademt dan een eng-nationalistische. Waarschijnlijk zou het gedicht nu niet meer zo geschreven kunnen worden – de verwijzing naar de afkomst van deze dame en naar haar slaven kan mogelijk niet door eigentijdse beugels – maar het voornaamste is dat de exotische dame hier in een uiterst gunstig, bijna Shakespeareaans licht verschijnt.

Aan de oever van de Seine (tegenover het huis van Stephane Mallarmé in Vulaines-sur-Seine (foto: Arie Sonneveld, 2-8-2021)

Mij komen soms teksten onder ogen waaruit zou blijken dat woorden als ‘creools’ en ‘dame’ en ‘slaven’ niet langer in fatsoenlijk Nederlands zouden zijn toegestaan. Ik heb me van dat verbod bij het vertalen niets aangetrokken.

Ik denk dat dit gedicht verder heel weinig toelichting nodig heeft. Baudelaire is duidelijk zeer onder de indruk van de dame in kwestie, en het sonnet dat hij aan haar wijdde is een van de duizenden sonnetten waartoe zij ongetwijfeld zou kunnen inspireren.

Een van de eigenaardigheden, de charmes van Baudelaires gedichten is de stuwende zangerigheid ervan. Ik heb geprobeerd die in het Nederlands zo goed mogelijk na te bootsen.

Hieronder volgt eerst een geluidsopname van de vertaling, en daarna komt de tekst.

Vertaling:

Op een creoolse dame

In een zoetgeurend land, gestreeld door de zon,
kende ik, onder een loofscherm van pure paarsheid,
en een rij palmen die netten van loomheid spon,
een creoolse dame van ongeziene schoonheid.

Ze is warm en licht; haar lokken – betoverend duister –
verlenen haar hals een hoogst-adellijk bouquet.
Ze is slank als een jager, vol gratie en luister,
met een ferme blik en een vrijmoedige tred.

Mocht u ooit gaan, madame, naar de fraaie streken
aan de oevers van de Seine, langs de groene Loire –
waar u elk landhuis alsmaar chiquer zal doen lijken –

dan zullen, in de schaduw van lommerrijke beken,
zich in duizend dichtersharten sonnetten openbaren,
die u, meer nog dan al uw slaven, naar de ogen kijken.

Origineel:

À une Dame créole

Au pays parfumé que le soleil caresse,
J’ai connu, sous un dais d’arbres tout empourprés
Et de palmiers d’où pleut sur les yeux la paresse,
Une dame créole aux charmes ignorés.

Son teint est pâle et chaud; la brune enchanteresse
A dans le cou des airs noblement maniérés;
Grande et svelte en marchant comme une chasseresse,
Son sourire est tranquille et ses yeux assurés.

Si vous alliez, Madame, au vrai pays de gloire,
Sur les bords de la Seine ou de la verte Loire,
Belle digne d’orner les antiques manoirs,

Vous feriez, à l’abri des ombreuses retraites
Germer mille sonnets dans le coeur des poètes,
Que vos grands yeux rendraient plus soumis que vos noirs.

Katten – Baudelaire

De Franse dichter Charles Baudelaire (1821-1867) schreef prachtige gedichten, onder andere in zijn beroemdste bundel Les Fleurs du mal  (1857) – De Bloemen van het kwaad.

Zijn werk heeft kenmerken van romantiek en decadentie. Baudelaire is een van de dichters die werd opgenomen in de door Paul Verlaine samengestelde bloemlezing Les poètes maudits (1884).

Het gedicht behoeft weinig toelichting. Het gaat over de liefde die de eenzame mens – dat wil hier zeggen: de mens die zich wijdt aan hartstochten die het grote publiek vreemd zijn – voelt voor de kat die, net als hijzelf, gewoon zijn gang gaat, in zijn nachtelijke onderzoekingen, in zijn liefdesleven, en die daarbij geen applaus nodig heeft. De kat wordt wel als een symbool van wellust beschouwd.

Het lijkt een heel onschuldig gedicht. Toch sprak Baudelaire van ‘De Bloemen van het kwaad’. Dat er kwaad zou kunnen schuilen in dit gedicht, is voor ons moderne besef misschien moeilijk na te voelen. Je kunt het alleen begrijpen, denk ik, als je beseft hoezeer Baudelaire destijds afweek van een manier van denken die meer op de gemeenschap was gericht dan op het individu.

De gelijke behandeling die de lichamelijke liefde en de geleerdheid – wellust en wetenschap – ten deel vallen, zal in de 19e eeuw mogelijk wel als enigszins schokkend zijn ervaren. Misschien voor sommige lezers nog steeds wel, al zullen zulke lezers tegenwoordig eerder de uitzondering dan de regel vormen.

Erebos is de god van de duisternis, een van de Griekse oergoden, een directe nakomeling van Chaos.

Het gedicht is een een sonnet, geschreven in niet altijd regelmatige, maar wel een ritmisch mooi lopende jambische zesvoet, die soms de vorm aanneemt van de Franse alexandrijn (met een cesuur, een ‘pauze’, tussen  de eerste zes en de laatste zes of zeven lettergrepen). Ik heb dat metrum zo goed mogelijk nagevolgd, soms met een extra lettergreep.

Ik heb een paar keer een halfrijm toegepast waar in het origineel een volrijm werd gebruikt.

Een aantal Engelse vertalingen van dit gedicht, kunt u hier raadplegen.

Voorafgaand aan de vertaling zelf, kunt u hieronder eerst een geluidsopname van de vertaling beluisteren. Ik heb deze opname zelf ingesproken.

Vertaling:

Katten

Alle vurige minnaars en strenge geleerden,
ze houden steeds, ook bij het klimmen der jaren,
van katten, de trots van het huis, ferme aaibare
dieren, altijd honkvast, net als zij zich beheersend.

Verknocht aan wellust en aan wetenschap,
kunnen ze zwarte huiver en stilte verdragen;
Erebos wou hen spannen voor zijn dodenwagens;
hun trots bleek echter een te grote handicap.

Ze menen, met hun adellijk air, sfinxen te zijn,
die lijken te slapen in een droom zonder eind,
zich plooiend in de ruimte van een eenzame nacht;

hun vruchtbare lendenen zijn vol magische vonken,
spikkels van goud, ragfijne korreltjes zand, die zacht
hun mystieke pupillen als sterren doen flonkeren.

Origineel:

Les Chats

Les amoureux fervents et les savants austères
Aiment également, dans leur mûre saison,
Les chats puissants et doux, orgueil de la maison,
Qui comme eux sont frileux et comme eux sédentaires.

Amis de la science et de la volupté,
Ils cherchent le silence et l’horreur des ténèbres;
L’Érèbe les eût pris pour ses coursiers funèbres,
S’ils pouvaient au servage incliner leur fierté.

Ils prennent en songeant les nobles attitudes
Des grands sphinx allongés au fond des solitudes,
Qui semblent s’endormir dans un rêve sans fin;

Leurs reins féconds sont pleins d’étincelles magiques,
Et des parcelles d’or, ainsi qu’un sable fin,
Etoilent vaguement leurs prunelles mystiques.

De gebarsten klok – Baudelaire

De Franse dichter Charles Baudelaire (1821-1867) is het bekendst geworden door zijn bundel Les Fleurs du Mal, de bloemen van het kwaad. Hierin is ook De gebarsten klok, een sonnet, opgenomen.

In de eerste strofe wordt het carillon beschreven die nachtelijke verhalen meevoert en doet opstijgen in de mistflarden. In de tweede strofe wordt over een welluidende, gezonde klok verteld die klinkt als een oude soldaat die vrome conclusies trekt uit zijn gerijpte levenservaring. Deze soldatenmetafoor is de aanzet voor het vervolg, na de wending.

Na de twee openingskwatrijnen, het octet, bevindt zich een wending, de gebruikelijke cesuur, voorafgaand aan de twee slotstrofen, de terzinen, die samen het sextet vormen.

Dan wordt in de derde strofe een gebarsten klok opgevoerd, de geblutste ziel van de ik-figuur. Deze is niet in staat om welluidend te klinken en vrome conclusies te trekken, maar heeft een gebroken en wegstervende stem, die – volgens de slotstrofe – slechts aan rochelende, bloederige, soldateske gruwelen doet denken.

De paradox is natuurlijk dat dit allemaal wordt opgeroepen met eloquente, sonore versregels.

Deze vertaling is experimenteel in die zin dat het metrum vanaf de tweede strofe enigszins afwijkt van het origineel. Het doel daarvan is om de vaart, de voortstuwing, de intensiteit van het origineel in het Nederlands zo getrouw mogelijk na te bootsen.

Spleen is Engels voor milt, en betekent hier depressieve gemoedstoestand. Het woord is in de negentiende eeuw beroemd geworden door de gedichten van Baudelaire. Ennui betekent verveling. Spleen en Ennui worden beide gebruikt om een postreligieus, modern levensbesef uit te drukken.

Voorafgaand aan de tekst volgt hieronder eerst een geluidsopname van de vertaling, ingesproken door mijzelf.

Vertaling:

De gebarsten klok

’t Is bitterzoet om in de lange winternacht,
Te luisteren, bij het vuur dat walmt en vonkt,
Naar de verhalen die zich in de flarden zacht
Verheffen op de zingzang van het carillon.

Gelukkig de klok die zijn welluidende lied,
Ondanks zijn leeftijd alert en gezond,
Met een religieus timbre over ons giet,
Als een oude soldaat in de deur van zijn tent.

Maar ik, gebarsten ziel, prooi van spleen en ennui,
Die de kou wil verdrijven met een grafmelodie,
Merk dat mijn stem het nauwelijks nog doet,

Als was ik gewond en ten dode gewijd,
Onder bergen van knoken, en in plassen van bloed,
Bewegingloos stervend, na manhaftige strijd.

Origineel:

La Cloche fêlée

II est amer et doux, pendant les nuits d’hiver,
D’écouter, près du feu qui palpite et qui fume,
Les souvenirs lointains lentement s’élever
Au bruit des carillons qui chantent dans la brume.

Bienheureuse la cloche au gosier vigoureux
Qui, malgré sa vieillesse, alerte et bien portante,
Jette fidèlement son cri religieux,
Ainsi qu’un vieux soldat qui veille sous la tente!

Moi, mon âme est fêlée, et lorsqu’en ses ennuis
Elle veut de ses chants peupler l’air froid des nuits,
II arrive souvent que sa voix affaiblie

Semble le râle épais d’un blessé qu’on oublie
Au bord d’un lac de sang, sous un grand tas de morts
Et qui meurt, sans bouger, dans d’immenses efforts.

De albatros – Baudelaire

Charles Baudelaire (1821-1867) was een negentiende-eeuwse Franse dichter wiens werk kenmerken heeft van romantiek en decadentie. Hij is een van de dichters die werd opgenomen in de door Paul Verlaine samengestelde bloemlezing Les poètes maudits (1884).

In zijn beroemdste bundel, Les Fleurs du Mal, de bloemen van het kwaad, staat ook De albatros, een gedicht dat het beeld van de gedoemde dichter (poète maudit) oproept.

Een albatros is een grote zeevogel. In het wrede lot van de gevangen albatros herkent Baudelaire het lot van de dichter.

In dit gedicht doet Baudelaire wat ook dominees doen die “exemplarisch preken”. Eerst wordt een verhaal verteld – dominees ontlenen dat verhaal uiteraard aan de bijbel – en vervolgens wordt dit verhaal als exempel gebruikt om een situatie te verhelderen, in dit geval de situatie waarin de dichter zich bevindt (of zich meent te bevinden).

De vertaling van De albatros door Peter Verstegen, een vormvaste en (soms) vrij nauwkeurige vertaling die naar mijn smaak niet al te soepel Nederlands oplevert, kunt u hier nalezen.

De vorm van dit gedicht is vier kwatrijnen. Er zijn in dit gedicht twee wendingen: een na de eerste twee kwatrijnen, en een na het derde kwatrijn. De eerste acht regels vertellen het verhaal; in het derde kwatrijn wordt de albatros toegesproken; in het slotkwatrijn wordt het exempel uitgewerkt.

Onderstaande vertaling is ook terechtgekomen in de bloemlezing En blauw zal alles zijn, samengesteld door Elisabeth Lockhorn. In de opgenomen gedichten speelt de kleur ‘blauw’ een voorname rol.

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

——————————————————————————————————————————-

Vertaling:

De albatros

Niet zelden, ter vermaak, vangen de schepelingen
Een albatros, de reuzenvogel van de zee,
Hun reisgenoot, die ging waar zij ook gingen:
Ook over helse diepten gleed hij zwierig mee.

Maar niet zodra wordt hij op dek gezet, gevangen,
Of de koning van ’t azuur blijkt log, de geest geweken;
Zijn grote, witte vlerken blijven treurig hangen,
Als riemen die nu doelloos uit hun dollen steken.

Gewiekte reiziger, wat ben je arm en afgetobd!
Jij – eertijds mooi – zo uit balans en uit de gratie!
Op jouw snavel worden pijpen uitgeklopt,
En iemand geeft van jouw echec een imitatie.

De dichter lijkt op de prins van het hemelse blauw:
Hij negeert zijn belagers, trotseert alle winden,
Is verbannen op aarde, mikpunt van hoon, en algauw
Beletten zijn wieken dat hij ooit zijn bestemming zal vinden.

Origineel:

L’Albatros

Souvent, pour s’amuser, les hommes d’équipage
Prennent des albatros, vastes oiseaux des mers,
Qui suivent, indolents compagnons de voyage,
Le navire glissant sur les gouffres amers.

À peine les ont-ils déposés sur les planches,
Que ces rois de l’azur, maladroits et honteux,
Laissent piteusement leurs grandes ailes blanches
Comme des avirons traîner à côté d’eux.

Ce voyageur ailé, comme il est gauche et veule!
Lui, naguère si beau, qu’il est comique et laid!
L’un agace son bec avec un brûle-gueule,
L’autre mime, en boitant, l’infirme qui volait!

Le Poète est semblable au prince des nuées
Qui hante la tempête et se rit de l’archer;
Exilé sur le sol au milieu des huées,
Ses ailes de géant l’empêchent de marcher.