Heinrich Heine, geschilderd door Moritz Daniel Oppenheim in 1831 (licentie)
De auteur van dit opstandige gedicht is Heinrich Heine (1797-1856), misschien wel de grootste lyrische dichter uit het Duitse taalgebied. Ik heb voor het eerst met dit vers kennisgemaakt toen ik een artikel van Karel van het Reve las.
Het gedicht werd in 1854 gepubliceerd in de Vermischte Schriften, Bd 1, Dl VIII, als het eerste vers in de cyclus Zum Lazarus, p.148-149. Het ritme van het oorspronkelijke vers is buitengewoon sterk en ondersteunt de inhoud op volmaakte wijze.
De slotzin heeft na de voorafgaande galopperende rebellie iets heel ontroerends, omdat deze oproept dat de dood zowel onontkoombaar als ontoereikend is.
Het gedicht speelt soms een rol in het debat over de vraag of (de joodse) Heine al of niet godsdienstig was.
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling:
Weg met die heilige parabels, weg met die vrome postulaten – zorg dat die vervloekte vragen zonder omhaal ons verlaten.
Waarom wordt hier de oprechte, kreunend op zijn kruisweg, uitgejouwd, terwijl daar, hoog te paard gezeten, de slechte juichend zijn banier ontvouwt?
Wie is daar schuldig aan? Zou onze Heer toch niet zo heel almachtig zijn? Of schept hij al die euvels zelf? Ach, dat zou schurkachtig zijn.
En daarom blijven wij maar vragen, totdat men onze grote monden met wat aarde straks doet zwijgen – maar is dat nu een antwoord?
Origineel:
Laß die heil’gen Parabolen, Laß die frommen Hypothesen – Suche die verdammten Fragen Ohne Umschweif uns zu lösen.
Warum schleppt sich blutend, elend, Unter Kreuzlast der Gerechte, Während glücklich als ein Sieger Trabt auf hohem Roß der Schlechte?
Woran liegt die Schuld? Ist etwa Unser Herr nicht ganz allmächtig? Oder treibt er selbst den Unfug? Ach, das wäre niederträchtig.
Also fragen wir beständig, Bis man uns mit einer Handvoll Erde endlich stopft die Mäuler – Aber ist das eine Antwort?
Een van de beroemdste gedichten van Johann Wolfgang von Goethe is een heel simpel versje, Wandrers Nachtlied, dat hij ooit optekende, waarschijnlijk op 6 september 1780, in een hut op de Kickelhahn bij Ilmenau, vanwaaruit toezicht gehouden werd op de jacht.
Sommige dingen zijn onmogelijk: het rijm Gipfeln / Wipfeln is in het Nederlands niet te evenaren.
Waar aanvankelijk ‘vogeltjes’ stond – vertaling van Vöglein – heb ik er na een suggestie van de poëzieliefhebber Anne Stolte – ‘vogels’ van gemaakt. Het loopt mooier, en niemand denkt in een schemerend bos aan zwijgende zeearenden of ganzen.
Over de heuvels daalt Vrede, Bijna onmerkbaar deelt Rust zich ook mede Aan de bomen; De vogels houden zich stil. Wacht maar, al snel Zal ook jouw rust komen.
Origineel:
Wandrers Nachtlied
Über allen Gipfeln Ist Ruh, In allen Wipfeln Spürest du Kaum einen Hauch; Die Vögelein schweigen im Walde. Warte nur, balde Ruhest du auch.
R.S. Thomas heeft een groot aantal gedichten geschreven die met wachten (‘waiting’) te maken hebben. Het begrip had een bijzondere betekenis voor hem, een betekenis die zeker christelijk is – wachten is onlosmakelijk verbonden met het gebed – maar die ook niet ver afligt van de waarde die Samuel Beckett eraan hechtte in zijn beroemde toneelstuk En attendat Godot (Waiting for Godot): wachten is onlosmakelijk verbonden met het leven.
Yeats is William Butler Yeats. Het gedicht kreeg aanvankelijk de titel Waiting en in een latere herdruk de titel Waiting for it.
Het is een afrekening met Yeatsiaanse retoriek, en het gedicht spreekt tevens zichzelf tegen door met een fraaie metafoor en een mooi ritme eigenlijk heel retorisch te eindigen.
Een goede analyse van het gedicht is gemaakt door William V. Davis in zijn boek Miraculous Simplicity – Miraculeuze eenvoud.1, een rake karakteristiek van Thomas’ poëzie. Deze titel werd ontleend aan een lezing van R.S. Thomas aan Swansea University in 1963, waarin hij het begrip veel ruimer toepaste:2
Art is not simple, and yet about so much of the best, whether in painting, poetry or music, there is a kind of miraculous simplicity.
Pagina 66
Vertaling:
Afwachten
Yeats zei het. Ik genoot ervan
toen ik jong was:
er was tijd genoeg.
Vingers die branden, een hart
dat schroeit, een vieze smaak
in de mond, terwijl ik hem opnieuw
lees, maar dit keer zonder
vertrouwen. Welke raad
kan geschreven retoriek ons
geven? Spiegels kapot slaan,
een geest strak aankijken, trachten
zonder krukken te lopen
op de rand van een graf? De enige
welsprekendheid die je, nu het de kleine
geloofsuurtjes zijn, nog onder de knie
moet krijgen, is die van het
gebogen hoofd, de knielende
knie, in afwachting van
de eerste bloem, aan het eind
van een koude winter, die zich opent
aan de doornstruik van de geest.
Mijn vertaling is in iets gewijzigde vorm gepubliceerd in het christelijk literair tijdschrift Liter (nr. 83, jrg. 19, september 2016).
Origineel:
Waiting for it
Yeats said that. Young
I delighted in it:
there was time enough.
Fingers burned, heart
seared, a bad taste
in the mouth, I read him
again, but without trust
any more. What counsel
has the pen’s rhetoric
to impart? Break mirrors, stare
ghosts in the face, try
walking without crutches
at the grave’s edge? Now
in the small hours
of belief the one eloquence
to master is that
of the bowed head, the bent
knee, waiting, as at the end
of a hard winter
for one flower to open
on the mind’s tree of thorns.
Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die ook zijn leven lang in Wales woonde en werkte als een Anglicaans priester. Hij was een groot natuurliefhebber, had een vrij vergaande afkeer van moderne zaken die hij vond afleiden waar het in het leven echt om ging, en hij schreef in het Engels.
Een aardige bespreking door Theodore Dalrymple van zijn biografie – Byron Rogers, The Man Who Went into the West: The Life of R. S. Thomas, Aurum Press – vindt u hier.
Hij was een merkwaardige, eenzelvige figuur die prachtige gedichten schreef, getrouwd was met de schilder Mildred (Elsi)Eldridge (aan wie hij een paar zeer fraaie gedichten heeft gewijd – zie elders op dit blog). Kingsley Amis – zeker geen geestverwant – schreef dat zijn poëzie “reduces most other modern verse to footling whimsy” (=triviale gekkigheid). Hij is in Nederland niet zeer bekend.
In 1879 schreef Fjodor Dostojevsky een dik en beroemd boek onder de titel De gebroeders Karamazov. Eén van deze gebroeders, één van de hoofdpersonen van het boek dus, is Ivan Karamazov, die opgevoerd wordt als een hartstochtelijk rationalist. Hij houdt in het boek een verhalende toespraak, die ook wel afzonderlijk is uitgegeven onder de titel De grootinquisiteur van Sevilla (in oudere vertalingen wordt dit verhaal soms De parabel van de grootinquisiteur genoemd), waarin de grootinquisiteur (die de kerk vertegenwoordigt) de op aarde weergekeerde Christus te woord staat. Christus maakt de kerk verwijten, en de grootinquisiteur verdedigt de kerk. Het aardige aan deze gefingeerde situatie is dat zowel Christus die zegt dat de kerk zijn werk heeft verraden, namelijk door de mens zijn vrijheid te ontnemen, als de grootinquisiteur die zegt dat de kerk Christus’ werk heeft verbeterd, namelijk door rekening te houden met het menselijk tekort, in dit geval de afschuw die veel mensen voor vrijheid voelen, hier het gelijk aan hun kant lijken te hebben.
Ik doe een bescheiden poging om te zeggen waar dit gedicht over gaat. De aangesprokene is Ivan Karamazov, en er worden een paar godsbeelden aan een onderzoekje onderworpen: we maken kennis met god als robot, maar ook met de god van de romantiek, de god die schuilt in het sublieme, die zich laat horen in natuurgeweld en kraters. Deze laatste god, en impliciet ook de aanbidder daarvan, wordt eigenliefde verweten omdat hij de stem van de kleine schepselen en de realiteit van de dood miskent.
Elia is de bijbelse profeet die volgens 1 Koningen 18 op de berg Karmel een competitie aangaat met de Baäl-priesters. Volgens Elia kan zijn God, de God van het Oude Testament, het klaargelegde offer op verzoek wel aansteken (door het te laten bliksemen), iets wat de Baäl met het door de Baäl-priesters voor hem klaargelegde offer op hun verzoek niet zou kunnen. Het is een spannende, sublieme scène die bloederig afloopt, maar Elia wint.
In de slotzinnen gaat het over de eigenliefde van een God die R.S. Thomas niet serieus kan nemen.
Vertaling:
Ivan Karamazov
Ja, ik weet hoe hij is:
een onmogelijk soort robot
waarin je je gebeden stopt
als kaartjes, die na een poosje
worden geretourneerd
met het woord ‘afgewezen’ erop.
Ik wijs zo’n god van de hand.
Maar als hij, zoals je beweert, bestaat,
en ik krenk hem met wat ik doe,
laat hem mij dan straffen:
ik zal kikken noch krijsen; gelijk krijgen
is wel een levenslange kastijding
waard. En God zich te zien
wreken, geeft jou een voorsprong,
totdat de aarde zich opent
om je op te nemen in een donkere
spleet, waarin je hem, zekerder
dan Elia, zult horen loeien in de wind
en het vuur en het gebrul
van de aardschok, maar niet
in de stille, zachte stem van de
wormen die je voor altijd verlossen
uit de tirannie van zijn eigenliefde.
Origineel:
Ivan Karamazov
Yes, I know what he is like:
a kind of impossible robot
you insert your prayers into
like tickets, that after a while
are returned to you with the words
‘Not granted’ written upon them.
I repudiate such a god.
But if, as you say, he exists,
and what I do is an offence
to him, let him punish me:
I shall not squeal; to be proved
right is worth a lifetime’s
chastisement. And to have God
avenging himself is to have
the advantage, till the earth opens
to receive one into a dark
cleft, where, safer than Elijah,
one will know him trumpeting
in the wind and the fire
and the roar of the earthquake, but not
in the still, small voice of the
worms that deliver one for ever
out of the tyranny of his self-love.
De dichter W.H. Auden had een meesterlijke techniek die moeilijk is na te bootsen in vertaling. Maar een geslaagde nabootsing blijft het vertaaldoel, natuurlijk. Dit gedicht beschrijft ironisch wat er gebeurt als iemand beroemd wordt en podium-op podium-af wordt gesleurd.
De openingszin bevat de uitdrukking “pelagian travellers”. Pelagius was een Britse monnik uit de oudheid die – als de overlevering juist is – geloofde in de vrije wil; hij achtte het mogelijk dat we het goede zouden doen. Hij verwierp predestinatie en erfzonde, en stond daarmee tegenover de kerkvader Aurelius Augustinus. Pelagius wordt in de meeste vormen van christendom als een ketter beschouwd. Auden gebruikt het adjectief ‘pelagian’ hier ironisch, zoals hij ook op veel andere plaatsen in dit gedicht ironisch is.
De uitzendorganisatie van Auden’s literaire schnabbels was Columbia Giesen Management.
Ik heb eerder naar dit gedicht verwezen n.a.v. de reactie op mijn vertaling van September 1, 1939.
Plato en Aristoteles, of de filosofie, Luca della Robbia (1400-1481) (Wikimedia Commons)
Voor de meesten van ons is filosofie niet alleen saai, maar bovendien irritant: je begrijpt al die beschouwingen zelden, en ze geven je het akelige gevoel dat je minderwaardig bent, dat je slechts dient tot brandhout van de geschiedenis. Om deze laatste gedachte te kunnen toelaten, moet je natuurlijk al wel een beetje filosofisch aangelegd zijn. En wat die minderwaardigheid betreft: die is natuurlijk een feit: u en ik, de mens, wij deugen bijna voor niets. Er schuilt wel iets heel bevrijdends in het besef van de eigen overtolligheid, misbaarheid, nutteloosheid, als u mij een kleine filosofische uitweiding, meer een ontboezeming eigenlijk, wilt toestaan.
Ronald Stuart Thomas – merkwaardig genoeg heeft hij nog geen artikel op de Nederlandse Wikipedia – heeft een gedicht geschreven dat als titel draagt Synopsis, samenvatting, overzicht, uittreksel. Lees dat gedicht, en u kunt een heleboel akelige filosofische beschouwingen overslaan, want niet alleen deugen u en ik vrijwel nergens toe, dat geldt ook voor bijna alle wijsgerige bespiegelingen.
Plato is Plato, en Aristotelianen zijn degenen die de filosofische traditie van Aristoteles voortgezet hebben. Hume is David Hume. Søren Kierkegaard kent u natuurlijk wel. Positivisten geloven uitsluitend in rationaliteit en wetenschap.
De thousands of fathoms die Kierkegaard overstak, verwijzen naar de waterdiepte waarboven, volgens Kierkegaard, de gelovige, als hij werkelijk gelooft, gegarandeerd zweeft, en wel in “vrees en beven“, een titel van één van Kierkegaards boeken. Een vadem is een lengtemaat, meestal gebruikt voor de dieptemeting van de zee, die, afhankelijk van de traditie, tussen de 1.82m en 1.89m bedraagt.
Vertaling:
Synopsis
Plato gaf ons weinig dat de
Aristotelianen niet weer
terugnamen. Spinoza gaf naderhand
voor onze aanpak een redenering;
hij leerde ons dat de liefde
een intellectuele bestaanswijze.
is. Toch vroeg Hume zich af
of minnaar en geliefde wel echt
bestonden. Het innerlijk dat hij
voor ons achterliet, was wat Kant
niet wist te transcenderen, en Hegel
niet kon ontleden: vrees, dat grauwe
onderwerp, dat Søren Kierkegaard
beschreef toen hij zijn duizenden
vadems overstak; het beest dat door
de geschiedenis raast, dat lachend
het beraad der positivisten voorzit.
Origineel:
Synopsis
Plato offered us little
the Aristotelians did not
take back. Later Spinoza
rationalized our approach;
we were taught that love
is an intellectual mode
of our being. Yet Hume questioned
the very existence of lover
or loved. The self he left us
with was what Kant
failed to transcend or Hegel
to dissolve: that grey subject
of dread that Søren Kierkegaard
depicted crossing its thousands
of fathoms; the beast that rages
through history; that presides smiling
at the councils of the positivists.
De Amerikaanse dichter Robert Frost (1874-1963) behoeft eigenlijk geen introductie. Hij is veelvuldig gelauwerd, hij slaagt erin een snaar te raken bij iedere versgevoelige die hem leest, hij hanteert een eenvoudig idioom, hij is erg goed in spreektaal, hij is niet eenvoudig te plaatsen in levensbeschouwelijke of godsdienstige coördinatensystemen, maar hij heeft een duidelijke, zij het weinig orthodoxe, religieuze inslag.
Het onderhavige gedicht – Fire and Ice – is een humoristisch gedicht dat, zoals dat gaat met humor, een ernstige ondertoon heeft. Het handelt over een tweemaal optredende apocalyps – het is een kort gedicht over vuur en ijs, hartstocht en haat.
“I like to say, guardedly, that I could define poetry this way: it is that which gets lost out of both prose and verse in translation.”
Deze uitspraak wordt vaak gebrekkig geciteerd als: ‘Poetry is what is lost in translation’. U kunt hieronder nagaan of Frost misschien toch gelijk had.
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling:
Vuur en ijs
De één zegt dat de aarde sterft door vuur, de ander zegt door ijs. Wat ik aan hartstocht heb beleefd, leert mij dat vuur de voorkeur heeft. Maar als een tweede dood zal zijn vereist, dan weet ik ook genoeg van haat om in te zien dat voor verwoesting ijs zich groots bewijst en steeds volstaat.
Origineel:
Fire and Ice
Some say the world will end in fire, Some say in ice. From what I’ve tasted of desire I hold with those who favor fire. But if it had to perish twice, I think I know enough of hate To know that for destruction ice Is also great And would suffice.
Titelblad De komende zege der democratie (scan eigen exemplaar)
Vlak voor de Tweede Wereldoorlog hield de beroemde Duitse schrijver Thomas Mann een aantal redevoeringen in de Verenigde Staten van Amerika, die uitgegeven zijn onder de titel: Vom zukünftigen Sieg der Demokratie (1938). Dit boekje is in een Nederlandse (geautoriseerde) vertaling uitgebracht door de Arbeiderspers in 1939. De vertaler was prof. dr. Leo Polak (1880-1941), een Nederlands hoogleraar in de wijsbegeerte en het recht die een vroeg slachtoffer was van de Holocaust.
Op p. 22 schrijft Mann:
De democratie, ze mag dan van de mens denken wat ze wil, meent het in elk geval goed met de mensen. Zij wil hun peil verhogen, ze leren denken en ze bevrijden, aan de cultuur wil zij het karakter van een voorrecht ontnemen, die brengen tot het volk – in één woord: haar doel is opvoeding. Opvoeding is een optimistisch menslievend begrip – de achting voor de mens is er onafscheidelijk aan verbonden.
En op p. 29 lezen we:
De echte democratie, zoals wij die begrijpen, is nooit mogelijk zonder een aristocratische inslag – het woord “aristocratisch” niet genomen in de zin van geboorte of welke privileges ook, maar in geestelijke zin. In een democratie die het hogere leven des geestes niet eert en er niet door bepaald wordt, heeft de demagogie vrij spel, en het peil van het nationale leven wordt tot dat der onwetenden en der onbeschaafden verlaagd, in plaats dat het beginsel der opvoeding heerst en men zijn best doet om de onderste lagen tot cultuur op te heffen en aan het niveau der beteren de erkende heerschappij te verschaffen.
Mann schreef in een heel moeilijke tijd waarin demagogie, jodenhaat, genocide en minachting voor geest, intellect en kunst op weg waren naar een gruwelijk dieptepunt. Ik begrijp zijn poging om een hoopvolle boodschap te brengen. Ik begrijp ook waarom hij dat in Amerika deed, het land dat toen immers de enige hoop was van de Westerse cultuur, en bovendien het radicaalste en beste democratische voorbeeld.
Maar het valt op dat Mann ‘democratie’ hier behandelt in een zeer rooskleurige betekenis. Het is een betekenis die ik er weliswaar heel graag aan zou geven – bevorderaar van geest en cultuur, opvoeder, volksverheffer – maar die ik toch maar heel moeilijk kan onderschrijven. Mann spreekt als een idealist. Ik kan dit idealisme niet delen, hoe graag ik ook zou willen, want ik ben het uiteraard wel van harte eens met het ideaal.
Er zijn serieuze mensen geweest die bedenkingen hadden bij de democratie: Alexis de Tocqueville, Edmund Burke, Jérôme Heldring, onder veel anderen. Deze bedenkingen hoor je bijna nooit, want de democratie is voor de meeste mensen vrijwel onaantastbaar. De alternatieven zijn bovendien weinig aanlokkelijk. Maar toch is er een in mijn ogen onopgelost probleem: hoe kan worden voorkomen dat het volk op democratische wijze maatregelen afdwingt die vreselijk zijn, die fundamentele waarden aantasten, en dat het electoraat een beleid instelt dat onmenselijk is, dat dood en ellende van kwetsbaren tot gevolg heeft. Ik zou het antwoord wel eens willen weten.
Een parlementaire democratie biedt al wat meer waarborgen tegen overhaaste of verblinde faliekante beslissingen dan een directe democratie, omdat een parlement de ergste golven van domme woede en ingebeelde verontwaardiging nog kan tegenhouden, maar ook die dijk stelt me niet erg gerust. Er is geen enkele garantie dat de beschaving van volksvertegenwoordigers op een behoorlijk peil staat.
De Engelse arts-psychiater Theodore Dalrymple (pseud. van Anthony M. Daniels) heeft herhaaldelijk de aandacht gevestigd op wat hij de heersende “downward cultural aspiration” heeft genoemd. Ik citeer een paar zinnen uit zijn essay ‘All Men Are Created Snobs‘, gepubliceerd in het tijdschrift New England Review (mei, 2015):
Nowadays, however, it is persons in or from a higher social class who emulate those in a lower social class. They adopt the manner of speaking, dressing and cultural tastes of those below them. Intellectuals affect vulgar expressions and anyone with an avowed uninterest either in sport or in popular music is suspected at once of enmity towards the people, of the kind that at one time earned a ride in the charrette to the guillotine.
What does this change in the direction of cultural influence and aspiration signify? I think it signifies the complete ideological victory of egalitarianism, from which few dare derogate.
Democratie leek in 1938 een reddingsboei, maar ze wordt tegenwoordig soms eerder voorgesteld als een decadent luxeverschijnsel, vooral geschikt voor tijden waarin anderhalf procent vermindering van welvaartsgroei ten opzichte van het voorgaande jaar al “een recessie” wordt genoemd. Er wordt anno 2016 luide geroepen om ‘leiderschap’ aan de ene kant, en om diverse vormen van directe democratie anderzijds.
Hoe gewetensvrijheid, bescherming van minderheden, de vrijheden van godsdienst, vergadering, kritiek en meningsuiting, en een tijdige correctie van maatregelen die uiteindelijk niemand wil, op een andere manier dan op democratische wijze kunnen worden verwezenlijkt, weet ik niet, al denk ik wel dat ieder op zijn plaats en binnen zijn mogelijkheden hier een taak heeft, want ik vind die dingen stuk voor stuk van groot belang.
Maar de kwetsbaarheid van democratieën voor een afglijden in een poel van bruin of zwart of rood fascisme, vind ik zorgelijk. Grapjes hierover maken, helpt me niet.
Ik pleit nadrukkelijk niet voor een omverwerping van de democratie. Ik weet niks beters. Maar als platheid en lompheid, onverschilligheid en vulgariteit, meedogenloosheid en onwetendheid de toon gaan bepalen, en als het sportfestijn en de bevrediging van eigen genoegens het hoogste levensdoel vertegenwoordigen, als niemand meer weet waartoe we op aarde zijn, is er niet alleen geen enkele reden om aan een directe democratie te denken, ook de vertegenwoordigende, constitutionele democratie wordt bedreigd. Wat zou leiderschap in een democratische context dan nog kunnen betekenen? Aan volksverheffing en cultuurbevordering hoeven we dan zeker niet te denken, en de koers van het schip van staat kan dan niet anders dan zwalkend zijn.
“Wat wil het volk?” vroeg Gerard Reve in zijn gedicht Getuigenis, en hij antwoordde: “Niet veel goeds, dat is zeker.” Het is mij bekend dat Reve soms racistisch was en op een ergerlijke manier sprak over koffiebonen die met de jumbo het land uit gezet moesten worden – en dat pleit zeer zeker niet voor hem (ik heb bovendien een hekel aan de disculperende ironie van Reve en zijn bewonderaars) – maar dat Reve in het gedicht Getuigenis de achilleshiel van de democratie vastpakte, staat voor mij vast.
[Enkele aanpassingen 13 september 2016]
[Toevoeging 22 december 2016:
Een goed artikel van Jan Dirk Snel onder de titel Vrijheid en Democratie vindt u hier (Weblog Jan Dirk Snel, 8-4-2016).
Een goed artikel van Sjoerd van Hoorn over de oplossing van het probleem dat ik hierboven beschreef, onder de titel Over ‘Wat te doen met anti-democratische partijen?’ van George van den Bergh, vindt u hier (The Post Online, 23-12-2015).
Tegen hen die vinden dat de naam van God nodig weer eens anders gespeld of geschreven of genoemd moet worden, om aansluiting te vinden bij de belevingswereld van de jeugd of op grond van enige andere voorbijgaande bekommernis:
Waarom zouden we Hem die gisteren en heden dezelfde is, morgen anders noemen dan vandaag.
Hebreeën 13: 8 (Statenvertaling): “Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid.”
Ik geloof niet dat dit drinkliedje van William Butler Yeats nadere toelichting behoeft.
Vertaling:
Een drinklied
De wijn gaat door de mond,
De liefde door het oog;
Dat is de vaste grond
Waarop wij oud worden en broos.
Ik breng het glas naar de mond,
Ik kijk naar jou, ik bloos.
Origineel:
A Drinking Song
Wine comes in at the mouth
And love comes in at the eye;
That’s all we shall know for truth
Before we grow old and die.
I lift the glass to my mouth,
I look at you, and I sigh.
Ronald Stuart Thomas (1913-2000) is een belangrijk dichter in het Engelse taalgebied. Hij was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was ook een Anglicaanse predikant, zij het zeker niet iemand die er roestvrijstalen zekerheden op nahield. Hij was getrouwd met de subtiele schilderes Mildred Eldridge (1909-1991).
Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis hebben getuigd van hun bewondering. Seamus Heaney hield na zijn dood in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).
Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.
In een ontroerend filmpje uit 1996 dat Bloodaxe Books beschikbaar heeft gemaakt op Youtube – hier raadpleegbaar (vanaf 4’18”) – zegt Thomas:
“Mocht er sowieso later nog aan mij gedacht worden, dan zal dat wel zijn om de intensiteit van een paar gedichten die ik heb geschreven. Maar, los van de gedichten, als mens hoop ik dat m’n voorbeeld van iemand die hield van buiten-zijn, die hield van de aardse dingen, en die het talent had gekregen om ze niet alleen te horen maar ook te zien, voor anderen een zeker nut heeft gehad.”
Een gloeiende akker (foto: Gerard Klooster)
Ik heb in mijn leven heel wat preken beluisterd, en de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ze vaak veel te lang waren. De treurigste gemeenplaatsen werden soms schaamteloos aaneengeregen. Veel predikanten hebben een voorkeur – om een woord van de C.S. Lewis-vertaler Arend Smilde aan te halen – voor uitdrukkingen die “als een grafsteen over hun betekenis zijn gevallen”. Meestal antwoordde ik op de vraag hoe ik de preek had gevonden: “Zes keer zo kort en in het latijn.”
Maar ik beklaag mezelf niet: de kennis die ik heb opgedaan van de bijbelse taal en de christelijke traditie is een waardevol bezit.
Dit gedicht is een preek in de edelste zin van het woord, of beter gezegd: dit is wat een preek eigenlijk zou moeten zijn. Ik besef onmiddellijk dat vrijwel niemand hierin een aanbeveling zal zien, want preken is passé, abominabel en afschuwelijk, en we zijn er – denken we – definitief vanaf, maar heel misschien vergissen we ons wel een beetje. We zijn er nooit vanaf, en dat kan ook helemaal niet – ook de moderne moraal toetert je van alle kanten in de oren, vooral uit de mond van nihilistische en hedonistische celebrities en muzikanten die zich, zo jong en hip als ze zijn, cool, ongenaakbaar en onkwetsbaar wanen – en enige instructie, een spoor om te volgen, een zinperspectief hebben we misschien toch soms wel nodig, zo autonoom en mondig als we meestal denken dat we zijn.
Er wordt in dit gedicht naar drie bijbelverhalen verwezen, één in het Oude Testament en twee in het Nieuwe Testament. Het betreft het verhaal van Mozes en het brandende braambos in Exodus 3, de gelijkenis van de schat in de akker in Mattheüs 13, en de aansporing om alles wat je hebt te verkopen om een schat in de hemel te bezitten in Mattheüs 19. Ik heb ‘field’ daarom met ‘akker’ vertaald, en ’turning aside’ met ‘zich wenden naar’, zoals in de Statenvertaling.
Vreest niet – deze preek is heel kort en er is geen woord latijn bij.
Vertaling:
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
De gloeiende akker
Ik heb de zon zien doorbreken boven een kleine akker die een poosje oplichtte, en ging heen en vergat het. Maar dat was de parel van grote waarde, dat was de akker waarin zich de schat bevond. Ik besef nu dat ik alles wat ik heb, moet opgeven om hem te bezitten. Leven is niet jakkeren naar een wijkende toekomst, niet hunkeren naar een ingebeeld verleden. Het is zich wenden als Mozes naar het wonder van de vlammende struik, naar een gloed die vergankelijk lijkt als je jeugd van toen, maar die de eeuwigheid is die op jou wacht.
Origineel:
The Bright Field
I have seen the sun break through to illuminate a small field for a while, and gone my way and forgotten it. But that was the pearl of great price, the one field that had the treasure in it. I realise now that I must give all that I have to possess it. Life is not hurrying on to a receding future, nor hankering after an imagined past. It is the turning aside like Moses to the miracle of the lit bush, to a brightness that seemed as transitory as your youth once, but is the eternity that awaits you.