Victor Kal – De list van Spinoza – 8

Dit is het achtste deel van een beschouwing over het werk van Victor Kal

  1. Enkele gedachten over het werk van de filosoof Victor Kal (link)
  2. Wie was Spinoza (link)
  3. De Spinoza-receptie in Nederland (link)
  4. Victor Kal en De list van Spinoza (link)
  5. Gelijkschakeling (link)
  6. Kals levensbeschouwelijke positie (link)
  7. Theocratie en Democratie (link)
  8. De rehabilitatie van de schuld
  9. De list van Spinoza (link)
  10. Besluit (link)
  11. Geraadpleegde literatuur (link)

8. Rehabilitatie van de schuld

Wetboek van Strafrecht

In 2000 publiceerde Victor Kal een artikel in Radix (een christelijk tijdschrift waarin door academici van diverse pluimage – ook joden en atheïsten – geschreven wordt over wetenschap, cultuur en geloof) een artikel waarin hij ‘de rehabilitatie van de schuld’ bepleit – en zo heet dat artikel dan ook.

Het schuldprincipe bestaat in onze wereld wel, maar heeft de gedaante aangenomen van een schadebeginsel dat legalistisch, via een nauwkeurig juridisch protocol, kan worden opgelost. De moraal verdwijnt uit het gezichtsveld, of – beter gezegd – gaat samenvallen met de jurisdictie en het algemeen aanvaarde fatsoen die in de publieke ruimte van kracht zijn. Dit verschijnsel, dat manifest is in onze geseculariseerde wereld, leidt tot een ongevoeligheid voor schuld, tot verdoving, tot anaesthesie, tot onverschilligheid – we voelen de schuld niet meer, en wanneer het schuldgevoel toch opspeelt, redeneren we die schuld behendig weg.

Ik geef allereerst een wat langer citaat dat duidelijk maakt wat Kal onder een geseculariseerde maatschappij verstaat:

Men kan een samenleving voor geseculariseerd houden wanneer de leden van die samenleving geen weet meer hebben van de kloof die hen scheidt van een hogere instantie, die beslissend zou zijn voor het lot dat hun deel is. Hebben zij daar wèl weet van, dan onderhouden zij tot die hogere instantie een relatie. Deze relatie krijgt gestalte als vertrouwen en geloof, lofprijzing en klacht, hoop en vrees, dankbaarheid en boetedoening, liturgie en rite, enzovoort. In de geseculariseerde samenleving kent men het daartoe vereiste referentiepunt-op-afstand niet, en ziet een mens zich tot zichzelf gereduceerd. Dit betekent echter in het geheel niet dat de nu niet meer aan een hoger gezag gebonden, vrije mens overgaat tot een teugelloos bestaan. Integendeel juist; we worden geconfronteerd met een verzameling heiligen. Als regel beschikt de seculiere mens, immers de brave burger van een moderne rechtsstaat, niet over een strafblad; hij heeft niets gedaan en is zonder schuld.

Dit ‘heilige leven’ heeft volgens Kal het al genoemde ‘schade-principe’ als moreel-juridische grondslag. Hier wordt meestal een strikte scheiding aangebracht tussen het publieke en het privé-domein. In het privé-domein heerst vrijblijvendheid en wordt de moraal indifferent; in het publieke domein mag je anderen niet schaden. Maar dit blijft niet zonder gevolgen.

“Het gevolg is niet alleen dat het ‘waartoe’ van die zo grootse moderne vrijheid onbespreekbaar wordt, bovendien raakt het menselijke voelen hier op een specifiek punt geamputeerd. In zeker opzicht is het voortaan overbodig zich de dingen nog aan te trekken. Waar men een nette burger is, en voor het overige het gemakkelijke leven leidt dat aanbevolen wordt, heeft gevoel voor schuld geen zin meer.”

De reductie van de moraal tot het schade-principe, maakt ongevoelig voor verantwoordelijkheden en het tekortschieten jegens morele plichten. Zolang je een ander niet hebt geschaad is er immers niets aan de hand.

Klein intermezzo: in mijn jeugd werd mij geleerd dat er zonden zijn van bedrijf en zonden van nalatigheid. Het is die laatste categorie die helemaal uit beeld lijkt te verdwijnen in een wereld waarin de moraal wordt gereduceerd tot het schade-principe. Het is ook hier dat het schuldbesef uit beeld verdwijnt. ‘Je had iets moeten doen, maar je hebt het niet gedaan.’ ‘So what, heb ik iemand schade berokkend dan?’

Dit is de stand van zaken die Kal de ‘seculiere normaliteit’ noemt.

En dan zegt Kal:

“De vraag is, […], hoe men aan een zekere anaesthesie kan ontkomen, zodat het mogelijk is verplichtingen te voelen en het bijhorende verschuldigdzijn te onderhouden. Wanneer mensen er met groot gemak toe in staat zijn een onschuldig leven te leiden, ontbreken in het systeem van coördinaten dat het leven bepaalt echter enkele op dit punt beslissende elementen.”

De vrijheid is voor de moderne mens heel belangrijk, maar toch blijft het precieze waartoe van die vrijheid volstrekt onbepaald. Kal spreekt in dit verband van iets dat lijkt op een ‘beeldverbod’.

En dan citeer ik nu een kernpassage uit het artikel.

“De moderne mens schijnt vol te zijn van iets dat voor hem bij nader inzien volstrekt onbenoembaar blijft. Op dit punt nu verkrijgt men slechts dan duidelijkheid wanneer men een compleet systeem van coördinaten hanteert.

De moderne vrijheid is het seculiere product van een buitengewone charme. Gecharmeerd is men van de komst, ter plaatste van het eigen leven, van een vervulling die dat leven tot vrede met zichzelf kan brengen. Zulk een omvattende vervulling heeft men geenszins in handen, niettemin vormt ze de norm waaronder het leven staat.

Kennelijk is het mogelijk zich verplicht te achten aan een kritisch gezichtspunt, zonder dat men ertoe in staat is zich dat gezichtspunt werkelijk toe te eigenen.

In die zin betreft het een gezichtspunt waarvan men zich als door een diepe kloof gescheiden ziet. Het gaat om die kloof die aan de seculiere mens niet bekend is en waaroverheen hij niet probeert te reiken; eerder in deze uiteenzetting heb ik daarover reeds gesproken. De charme waarvan ook de moderne, maar geseculariseerde mens de facto nog vol is, is derhalve wel beschouwd een religieuze charme, en krijgt als zodanig pas goed reliëf. Aan zulk een charme acht hij zich verplicht, en deze charme brengt het gevoel van altijd-méér-verschuldigd-zijn voort waardoor de vrijheid zich rusteloos laat voortdrijven.

Wanneer een mens over een kloof heen een buitengewone charme aangereikt krijgt, zonder dat dit hem ertoe in staat stelt zich het aangereikte zomaar toe te eigenen, kunnen we spreken van ‘openbaring’. De term ‘openbaring’ laat nauwkeurige definitie toe: beginnen ter plaatse van zichzelf en de wereld de komst te verwachten van een rijk van recht en vrede, dit is, van bekommernis en toewijding. Voor zichzelf en de wereld acht men dat weggelegd. In principe zou de komst ervan reeds een mogelijkheid zijn. Men zou er niet per se ontoegankelijk voor zijn. De verzoening van een rijke belofte met de vooralsnog wat schamele realiteit zou het teken zijn waarin men zijn leven nu reeds kan stellen. Voorwaar een gedachte die men niet verzint en, als ze er eenmaal is, evenmin kan reconstrueren. De wereld raakt betoverd; zoiets kun je niet organiseren. Er is sprake van een charme die over je komt, en van een excentrieke openbaring.

De term ‘charme’ gaat terug op de Griekse woorden charis en charisma; je zou ook kunnen spreken van ‘gratie’, corresponderend met het Latijnse woord gratia. Traditioneel worden deze woorden onder meer met de term ‘genade’ vertaald. Tot charme word je uitverkoren. Gratie word je verleend. De formulering onttrekt de schaduwzijde enigszins aan het gezicht.

We zijn begonnen met te zeggen dat de verplichting en het verschuldigd-zijn die de moderne vrijheid voortdrijven een buitengewone charme veronderstellen; kort gezegd: de charme achter de schuld. Maar het omgekeerde is evenzeer het geval. Eerst de charme die over je komt confronteert je met een verschuldigd-zijn waaraan je niet zomaar voldaan zult hebben; kort gezegd: de schuld achter de charme. Het mag zo zijn dat je je leven in principe kunt stellen in het teken van een allesomvattende openbaring en verzoening, de facto heb je op dat moment ter plaatste van jezelf en je wereld nog maar in beperkte mate toegang gegeven aan datgene waarvan je de komst verwacht. Het leven verliest zijn schamele aspect niet zomaar. Een buitengewone charme maakt het verschuldigd-zijn daarom tot iets dat niet ophoudt te schrijnen.”

Kern van de zaak is dat deze betovering, deze charme, deze openbaring – de eerste coördinaat die we nodig hebben – onvermijdelijk met zich meebrengt dat men tekortschiet, dat men het verschuldigd-zijn niet waarmaakt.

“De verantwoordelijkheid die een mens op zich laadt wanneer hij een rijk van recht en vrede voor zichzelf en de wereld weggelegd acht, is naar het schijnt per se te groot voor de mens. Juist dit onvermijdelijke conflict tussen het ‘waartoe’ van een grandioze vrijheid en de vooralsnog telkens opnieuw weer beperkte mogelijkheden van het menselijk bestaan is in de genoemde verjuridisering van de moraal en in de bijbehorende anaesthesie schitterend gepacificeerd. Het is niet werkelijk nodig ergens nog last van te hebben. Intussen veronderstelt een gemakkelijke pacificatie van het conflict tevens dat men bereid is de zaak waarom het gaat te verraden, ook al is het maar even, bijvoorbeeld totdat de charme bij een andere gelegenheid opnieuw de kop opsteekt. Onder anaesthesie is ook dit verraad niet bovenmate pijnlijk.”

Chazanoetconcert in de StadttempelWenen, augustus 2006 (Wikimedia Commons)

Een tweede coördinaat is daarom de tempel, dat is de plaats waar het rijk van recht en vrede, van bekommernis en toewijding – de inhoud van de charme die bijna onbespreekbaar is buiten deze context – toegang heeft, waar de tekortschietende mens zijn vrijheid, zijn tekortschieten en vernieuwing kan leren kennen.

De rituelen in de tempel moeten steeds opnieuw worden herhaald: zonder garanties en zonder waarborg moet de mens zich overgeven, en iedere keer opnieuw leren wie hij is, waar hij staat en wat hij kan.

Dat is de derde coördinaat die in onze wereld grotendeels ontbreekt: de aanwijzingen ten leven, waarin verschuldigd-zijn en charme worden verzoend: dit is de komst waarop men voorbereid dient te zijn.

De anaesthesie die het moderne leven verschaft, heeft nog een effect: je kunt niet meer rouwen over je tekortschieten. Toch is die rouw heel belangrijk om voorbereid te zijn op een nieuw leven, op mogelijkheden die soms bijna een wonder lijken voor wie geen vertrouwen weet te stellen, voor wie in moedeloosheid neerzinkt. Rouw is een noodzakelijke voorwaarde voor levensvernieuwing.

De tempeldienst heeft ondersteuning nodig van liturgie en rite, die beide op gespannen voet staan “met elke poging om recht en vrede door middel van een verdoving voor zich te verwerven”.

En Kal besluit zijn artikel aldus:

“In de liturgie eerst krijgt de schuld haar voor iedereen zichtbare plaats. Een aparte plaats, want het heilige van de liturgie valt niet samen met het profane van het gewone leven. Een volledig geseculariseerde wereld zal zo’n aparte plaats niet meer kennen. Alles wordt daar opgeslokt door het profane leven, dat niet schroomt zich als onschuldig te afficheren. Wordt de schuld echter weggedrongen, dan verkommeren vrijheid en verantwoordelijkheid. Een liturgie kan daartegen beschermen, en helpen de schuld, die men niet graag mag, in het eigen leven te rehabiliteren.”

Victor Kal – De list van Spinoza – 7

Dit is het zevende deel van een beschouwing over het werk van Victor Kal

  1. Enkele gedachten over het werk van de filosoof Victor Kal (link)
  2. Wie was Spinoza (link)
  3. De Spinoza-receptie in Nederland (link)
  4. Victor Kal en De list van Spinoza (link)
  5. Gelijkschakeling (link)
  6. Kals levensbeschouwelijke positie (link)
  7. Theocratie en Democratie
  8. De rehabilitatie van de schuld (link)
  9. De list van Spinoza (link)
  10. Besluit (link)
  11. Geraadpleegde literatuur (link)

7. Theocratie en Democratie

Flavius Josephus (Wikimedia Commons)

In 2006 verschijnt van Ger Groot, Het krediet van het credo: godsdienst, ongeloof, katholicisme. Het is een essay waarin een atheïstisch-filosofische poging wordt gedaan om te begrijpen wat de christelijke religiositeit in een moderne en seculiere Europese cultuur nog betekent. Op p. 20 van dat boek schrijft Groot:

“Als we zoeken naar een mogelijke betekenis van de zin ‘God bestaat’, dan kan daarmee geen bestaan in de natuur bedoeld zijn. We kunnen natuurlijk, net als Spinoza, de knoop doorhakken en God eenvoudig met die natuur gelijkstellen (deus sive natura), maar daarin lost het goddelijke feitelijk op en komen we van de regen in de drup. Met een dergelijke god-natuur is nu eenmaal geen persoonlijke relatie mogelijk en dus zijn ook het gebed en de godsdienstoefening, waarin de gelovige zich tot God richt en antwoord verwacht, zinloos. En juist die godsdienstoefeningen zijn, zoals we later zullen zien, van doorslaggevend belang.”

Groot noemt zich atheïst, maar hij ziet wel scherp het belang van de rite, het gebed en ‘de godsdienstoefening’ voor de religieuze houding, een kernthema van Victor Kal. En Ger Groot acht Spinoza’s gelijkstelling van God en natuur dodelijk voor de continuering van de religieuze praktijk, ook net als Kal.

Victor Kal opent het artikel Theocratie en Democratie (gepubliceerd in het Tijdschrift voor Filosofie, 2009) met twee zuivere tegenstellingen: op het niveau van het individu plaatst hij de wereld van de vroomheid tegenover de wereld van de emancipatie, en op  het niveau van de samenleving plaatst hij de godsbeschikking tegenover de zelfbeschikking. Beide posities sluiten elkaar uit, en zo’n schema confronteert ons, zegt hij dan, met een vorm van manicheïsme.

Het manicheïsme gaat uit van twee onafhankelijke en ongeschapen principes: het goede en het kwade, een Rijk van het Licht en een Rijk van de Duisternis. Hier dus: een wereld waarin vroomheid en godsbeschikking centraal staan tegenover een wereld waarin emancipatie en zelfbeschikking centraal staan.

Tegen de achtergrond van deze dichotomie, verdedigt Kal vervolgens de stelling dat een ‘liberale democratie’ baat heeft bij de ‘formele theocratie’ en dat – ook andersom –  de formele theocratie baat heeft bij de liberale democratie.

Vervolgens zegt hij een beetje spottend dat zijn these de aanhangers van het manicheïsme confronteert met een gemeenschappelijke vijand, of althans met iemand ‘die alles door elkaar haalt’. Kal zet immers de wereld op zijn kop door te zeggen dat beide Rijken – die elkaar lijken uit te sluiten – hun onverzoenlijke vijand hard nodig hebben.

Het begrip ‘theocratie’ heeft hier met nadruk geen betrekking op het politieke domein, al heeft het op een indirecte manier natuurlijk wel betekenis voor dat domein, zoals zo ongeveer alles voor dat domein betekenis heeft. ‘Theocratie’ wordt hier begrepen als de erkenning van, de relatie tot en de openstelling voor de transcendente instantie die het morele domein beheerst door het individu.

Dit individu kan ervoor kiezen om door bemiddeling van een religieus instituut de plichten van de uitwendige rite te voltrekken met het oog op de verwezenlijking van zijn vrijheid – dat noemt Kal de formele theocratie. De informele theocratie is de wereld waarin de banden met de traditie zijn geslaakt, en waar de religiositeit, de theocratie verveelvoudigd is in evenzovele individualistische en autonome individuen

Een kort historisch exposé

Flavius Josephus is de eerste die de term ‘theocratie’ gebruikt. In een theocratie heeft God het voor het zeggen, in een monarchie de koning, in een democratie het volk, in een oligarchie de rijken. Het joodse volk waarover Josephus schrijft leeft in ballingschap, en de theocratie heeft derhalve bij Josephus wel een religieuze betekenis, maar geen politieke. Op dit punt staat Josephus lijnrecht tegenover Spinoza die de joodse theocratie tot een politieke constitutie meent te kunnen herleiden.

Bij Plato is de aristocratie de hoogste staatsvorm. Deze kan alleen tot stand komen krachtens goddelijke beschikking. Hiervoor is geen clerus noodzakelijk. De protagonist van deze theocratie is een door God beschikte enkeling die zijn eigen weg gaat maar zich door de godheid laat gezeggen.

Mozes die de stenen tafelen kapot werpt – Rembrandt (Wikimedia Commons)

Het joodse volk ontvangt via Mozes de stenen tafelen van God. Dit is de grote theocratische gebeurtenis in het Oude Testament. Deze wet vraagt om kritische en creatieve interpretatie, reden waarom Mozes zich steeds opnieuw tot God wendt met de vraag wat er nu precies moet gebeuren. Opschorting is een vast onderdeel van het theocratisch bestel. God moet steeds opnieuw worden geraadpleegd in een theocratisch bestel dat die naam waardig is. Dit blijkt ook uit de vorm en de dienst van de tabernakel.

De Thora propageert een vrijheid door binding. Wie zich aan de transcendente instantie bindt, bevrijdt zich van de machten die deze wereld beheersen. Deze vrijheid door binding heeft zeker ook een resonans in de moderne wijsbegeert gehad: Kierkegaard, Kant, Buber, Heidegger.

De multiplicatie van de theocratie

Theocratie heeft een slechte naam. Kal betwijfelt of dat terecht is: de mens verbindt zich slechts hoogst aarzelend met de transcendente instantie waarnaar de theocratie zich richt. Uniformering en nivellering in onze moderne wereld gaan terug op heel andere factoren: kapitaal, techniek, internationale wetgeving, mode.

De huidige monarchen zijn wel bijna allemaal onthoofd, en de meeste theocratische banden zijn geslaakt of worden belachelijk gemaakt, maar heeft het wel tot iets anders geleid dan tot een veelheid aan nieuwe absolutisten, tot de autonome, individualistische burgers? De moderne afkeer van de theocratie heeft misschien eerder tot een verveelvoudiging van de theocratie geleid.

Het ontstaan van de informele theocratie

Bij de overgang naar de moderne wereld geldt, volgens Kal het volgende (p.57-58):

“Het oude monarchale regime en het oude clericale regime [worden] wat hun theocratische aspect niet zozeer afgeschaft, als wel gemultipliceerd. Deze decentralisatie en multiplicatie van de theocratie of deze substitutie van de ene soeverein door de talloze soevereinen, gaat gepaard met een reeks van verschijnselen: verinnerlijking van de vroomheid (de anticeremoniële revolutie), individualisering van de vroomheid, verloren gaan van de religieuze vormen en de religieuze taal, en dan vanzelf, ten slotte, een secularisatie waarin die vroomheid tegelijk haar hoogtepunt bereikt en voor zichzelf onbegrijpelijk wordt. Op dit punt aangekomen vallen vroomheid en emancipatie exact samen. De theocratie is nu helemaal informeel geworden en ligt vanaf dit moment zelf ten grondslag aan de roep om democratie.”

En dan ontstaat een nieuw probleem (p.58-59):

Welnu, op het moment dat de theocratie informeel wordt, valt al die ‘uitwendigheid’ weg. De omgang met zichzelf wordt dan al gauw vluchtig en ondefinieerbaar. De sfeer van ‘theocratie’ en ‘vroomheid’ blijft echter, en leeft voort in de ernst van de vrije en verantwoordelijke moderne mens. Uitermate kwetsbaar, zo niet regelrecht bedreigd, is nu echter de grote veronderstelling ervan: dat vrijheid niet kan bestaan tenzij zij zich haar inhoud of ‘waartoe’ of grond laat geven, en dat een mens zich daarop telkens opnieuw moet voorbereiden. Wordt de genoemde vooronderstelling werkelijk niet meer gehonoreerd, dan degenereert soevereiniteit tot willekeur. De logische implicatie van de stand van zaken is dat de moderne democratie steeds de mogelijkheid heeft zich onverhoeds te manifesteren als een bij uitstek verraderlijke constitutie, met name daar waar, dankzij een gepolijst regime van legaliteit en fatsoen, velen zich van geen kwaad meer bewust zijn. Plotseling blijkt dan dat de paragraaf die vandaag nog wet is, morgen geschrapt kan zijn. Heilige ernst en dodelijke ontrouw wisselen elkaar voortaan af alsof het niets is. Een uitwendig regime dat de zaak waarom het gaat op afstand plaatst en door zijn ontnuchterende effect zowel het ene als het andere euvel zou kunnen doorbreken, staat niet meer ter beschikking.

Kant

Immanuel Kant heeft zich ook gunstig over de theocratie in de betekenis die Kal daaraan hecht uitgelaten. Het derde stuk van zijn Religion innerhalb der Grenzen der blossen Vernunft, draagt als titel: Der Sieg des guten Prinzips über das böse und die Gründung eines Reiches Gottes auf Erden (de overwinning van het goede principe over het kwade en de stichting van een Rijk van God op aarde). De stichting van zo’n Rijk acht Kant nodig om de overwinning – waarover Kant zich pessimistisch en met ongerustheid uitlaat – zeker te stellen.

Immanuel Kant (Wikimedia Commons)

Om verantwoordelijk te kunnen zijn in vrijheid, is een morele gemeenschap nodig. Kant neemt als wetgever van die morele gemeenschap een transcendente instantie aan – Gott als moralischer Welturheber (God als oorsprong/schepper/bewerker van de moraal). De hoop op deze transcendente instantie is volgens Kant alleen gerechtvaardigd als de mens doet ‘alsof alles op hemzelf aankomt’ (p.65)

De morele wet waarop Kant doelt is innerlijk. De wet van het Rijk van God is een morele wet, in tegenstelling tot de joodse wetgeving die, zo meent Kant, uit uiterlijke en willekeurige decreten bestaat. Ook Kant construeert hier de tegenstelling tussen innerlijke moraliteit en uiterlijke, door de staat beheerste legaliteit. Bij deze legaliteit worden innerlijke instemming en vrijheid niet verondersteld, anders dus dan bij de morele wet.

Immanuel Kant beschouwt als wezenlijk voor de vorming van het menselijke gemoed, de deugdzame mens, drie dingen (ik volg hier Kal bijna letterlijk):

  1. Deze vorming gaat niet buiten de vrije instemming van de mens om,
  2. Deze vorming gaat buiten de staat om en kan dus niet politiek zijn,
  3. Deze vorming moet ertoe bijdragen dat de burger als individu een vrij en goed mens is.

De morele gemeenschap die langs deze lijnen ontstaat, heeft daarbij tevens een transcendent oriëntatiepunt nodig.

En Kal zegt dan:

Punt voor punt staan deze condities in contrast met de politiek van het gemoed die Spinoza in zijn Theologisch-politiek tractaat (TPT) propageert.

Als de morele vrijheid, de ernst en het besef van verantwoordelijkheid van het individu niet wordt gecultiveerd, kan gemakkelijk achter de façade van fatsoen en legaliteit nihilisme schuil gaan. Kal licht dit toe, en citeert Spinoza uitgebreid. Hij eindigt dan met:

Wanneer Spinoza daarop laat volgen dat “de liefde voor het vaderland de hoogste vorm van plichtsbetrachting is” en dat “het heil van het volk [zoals vastgesteld door de ‘hoogste overheid’] de hoogste wet is, naar welke alle andere wetten, zowel menselijke als goddelijke, zich moeten voegen (TPT 414)” dan is duidelijk dat Spinoza gezien moet worden als een vroege grondlegger van het fascisme. Hem stond voor ogen elke vorm van theocratie grondig te neutraliseren.

Het is duidelijk dat in dit opzicht de Victor Kal van 2020, de schrijver van De list van Spinoza, gelijk is aan de Victor Kal van 2009, de schrijver van Theocratie en Democratie. Wel gebruikt Kal in De list van Spinoza het woord ‘fascisme’ met iets meer terughoudendheid en historische relativering.

Liberale democratie en theocratie hebben elkaar nodig

Vervolgens betoogt Kal dat de theocratie zoals hij die bedoelt, urgent is voor de liberale democratie. Een volstrekt informeel geworden theocratie die van elke traditie is losgekoppeld kan het individu niet langer steunen, waardoor zo’n individu op zichzelf wordt teruggeworpen. Achter een façade van legaliteit en fatsoen blijft er van verantwoordelijkheid en vrijheid weinig meer over, woekert en sluimert het nihilisme, en zal ook de democratie degenereren tot iets dat die naam niet langer verdient. De theocratie kan het nihilisme voorkomen, en kan ook weerstand bieden aan de manipulatieve en demonische schijn-uitweg die demagogen hebben te bieden.

Maar ook het omgekeerde geldt: de liberale democratie is ook urgent voor de theocratie. Het probleem wordt gevormd doordat de liberale democratie een moreel-indifferent domein van ‘onverschilligheid’ creëert die op gespannen voet staat met de ‘vroomheid’ waartoe de theocratie inspireert.

Toch kan deze onverschilligheid, deze onernst, deze speelruimte de theocratie dienen. Voor het individu dat in gemeenschap een relatie cultiveert met een transcendente instantie, waardoor vrijheid, morele ernst en verantwoordelijkheid mogelijk worden gemaakt, de moed ook om af te wijken, en zich niet in de luren te laten leggen door mode, kapitaal, massabeweging en de façade van legelaiteit en fatsoen, kan dat heel belangrijk zijn.

Een ding nog: “Van een transcendente functionaris kan niemand de onberispelijke functionaris zijn”, schrijft Kal op p.70. Oog in oog met een transcendente instantie kan onze ernst niet anders dan luchtige ernst zijn, reden waarom Plato en Kierkegaard de ironie nodig hadden, reden ook waarom de jood niet zonder de joodse humor kan.

Op zijn plaats is steeds een voorbereidend handelen dat het voorgenomen handelen opschort en in het geding brengt ten overstaan van een transcendente instantie.

Koning Saul (Wikimedia Commons)

Kal besluit zijn artikel met de volgende woorden:

“Het blijft zo dat de informele, geïndividualiseerde theocratie aan de basis ligt van de liberale democratie. Ter oriëntatie, ter ondersteuning en ter bescherming van de individuele soevereiniteit die daarin geïmpliceerd is, heeft rehabilitatie van de formele theocratie heden echter de grootste urgentie. Juist de liberale democratie biedt daartoe bij uitstek de gelegenheid: ook de formele theocratie krijgt binnen de maatschappij gestalte, en concurreert derhalve niet met het politieke regime – eerst nu is het mogelijk de wens ‘een koning’ te hebben werkelijk los te laten.”

In de slotzin wordt verwezen naar de wens die het joodse volk uitsprak een koning te hebben, waarna enigszins onwillig Saul, de voorganger van koning David, tot koning werd gekroond, een besluit dat niet in alle opzichten zegenrijk bleek.

Victor Kal – De list van Spinoza – 6

Dit is het zesde deel van een beschouwing over het werk van Victor Kal

  1. Enkele gedachten over het werk van de filosoof Victor Kal (link)
  2. Wie was Spinoza (link)
  3. De Spinoza-receptie in Nederland (link)
  4. Victor Kal en De list van Spinoza (link)
  5. Gelijkschakeling (link)
  6. Kals levensbeschouwelijke positie
  7. Theocratie en Democratie (link)
  8. De rehabilitatie van de schuld (link)
  9. De list van Spinoza (link)
  10. Besluit (link)
  11. Geraadpleegde literatuur (link)

6. Kals levensbeschouwelijke positie

Edward Moran, Unveiling of the Statue of Liberty, 1886 (schilderij)

Voor Kal is het moderne vrijheidsbegrip belangrijk: geestelijk vrij zijn, geen slaaf zijn van een massabeweging, ondermaans bestel, materiële zaak of enige vorm van dwang.

Het gevoel of het besef van die vrijheid noemt Kal charme, betovering of openbaring, een geestestoestand die als kenmerken ook verwondering en verlangen heeft. Heel belangrijk is dat die betovering niet is voorbehouden aan mensen die zich met zoveel woorden godsdienstig of religieus noemen. Ook mensen die zichzelf niet-religieus noemen kennen die betovering en kennen die vrijheid.

In een interview in Wapenveld uit 2003 merkte Kal op:

“Wat mij zorgen baart”, zegt Kal, “is de kwetsbaarheid van de moderne mens. Het gevoel dat mensen niet meer zichzelf kunnen zijn, omdat iets anders hun de wet voorschrijft. Het idee dat mensen hun wortels hebben verloren en daardoor gemakkelijk op sleeptouw worden genomen. Dat is wat er gebeurt in onze moderne maatschappij. Mensen denken te leven in een individualistische samenleving. Maar de particuliere identiteit van het individu is flinterdun. We lopen allemaal achter de mode aan. Op het niveau van de waarden, de opvattingen, hebben we persoonlijk nog maar weinig in huis. Het is de vraag, of wij ons nog kunnen verweren als ons leven in het gedrang komt.”

“Deze situatie is niet zo moeilijk te verklaren. Als mensen een binding verliezen met levensbeschouwelijke tradities, worden ze teruggeworpen op zichzelf. Hoe radicaler ze afscheid nemen van hun wortels, des te gemakkelijker worden ze een speelbal van wat zich op het politieke forum voordoet. Ze hebben geen reserve meer waarmee ze kritisch kunnen reageren op iemand die belooft al hun problemen te zullen oplossen. We hebben het gezien met Pim Fortuyn. Hoe zou iemand in zo korte tijd zoveel aanhangers kunnen krijgen, als deze mensen geen zwevend bestaan zouden leiden? Ik wil niet al te pessimistisch zijn, maar soms denk ik dat wij leven in omstandigheden waarin zoiets als het fascisme bij uitstek kan gedijen. Mensen zonder wortels zijn een potentiële prooi van ideologieën.”

Betovering maakt mensen religieus, ongeacht of ze dat erkennen. Om reden dat die betovering ook bij niet-godsdienstige mensen volop voorkomt, spreekt Kal ook niet van de secularisering van de maatschappij; hij spreekt van de secularisering van de religie. De religiositeit verdwijnt niet als de uiterlijke vormen van de godsdienst verdwijnen, maar deze wordt onzichtbaar, en daarmee wordt de algemeen voorkomende religiositeit onbewust en onbegrepen. En met de secularisering van de religie wordt de religiositeit ook onmededeelbaar omdat een gemeenschappelijke taal om erover te spreken verdwijnt.

De betovering brengt idealiter een opdracht met zich mee, de realisering van de vrijheid, en deze wordt in ernst en in verantwoordelijkheid aanvaard. De aanvaarde opdracht is voor iedereen anders en hangt uiteraard ook helemaal van de individuele historische context en de eigen aanleg af.

Voor de instandhouding van de vrijheid en de geestelijke onafhankelijkheid die daarvoor van belang is, als anker voor de morele verantwoordelijkheid en de morele ernst, is het belangrijk om zich te verhouden tot een transcendente, buiten onze wereld gesitueerde instantie.

Kal vestigt daarom vaak de aandacht op de betekenis van de rite, de liturgie, de vaste gewoonten die elke godsdienst kent, en op een gemeenschappelijke taal om over de transcendentie te spreken. Deelname aan de rite is een ‘voorbereidend handelen’ dat een mens in staat stelt te ontdekken waarheen zijn vrijheid hem zou kunnen of zou moeten voeren. Dit voorbereidend handelen maakt hem tevens vrij voor de taak waarvoor zijn ernst en zijn verantwoordelijkheid – het antwoord op zijn betovering – hem plaatsen. Deze deelname stelt een mens ook in staat om stand te houden tegen de druk van materiële en geestelijke modes, tegen de machtsontplooiing door internationaal opererend kapitaal, tegen de massamedia, tegen de kracht van de gelijkschakeling, de collectieve geestdrift die vaak vooraf gaat aan ideologische slavernij.

Kleine toevoeging die niet bij Kal voorkomt: de ‘religieloze godsdienst’ waarvoor Dietrich Bonhoeffer aan het eind van zijn leven in de gevangenisbrieven pleitte (Widerstand und Ergebung), lijkt wel enigszins op het laatste stadium van de onzichtbaarmaking van de godsdienst. Er rest dan immers weinig anders dan terugvallen op het vrome gemoed – er is geen uitwendige rite meer die de mens disciplineert in zijn omgang met de transcendentie.

Victor Kal – De list van Spinoza – 5

Dit is het vijfde deel van een beschouwing over het werk van Victor Kal

  1. Enkele gedachten over het werk van de filosoof Victor Kal (link)
  2. Wie was Spinoza (link)
  3. De Spinoza-receptie in Nederland (link)
  4. Victor Kal en De list van Spinoza (link)
  5. Gelijkschakeling
  6. Kals levensbeschouwelijke positie (link)
  7. Theocratie en Democratie (link)
  8. De rehabilitatie van de schuld (link)
  9. De list van Spinoza (link)
  10. Besluit (link)
  11. Geraadpleegde literatuur (link)

5. Gelijkschakeling

Nederlands wetboek, 1940: Per decreet van Adolf Hitler werden in Nederland wetten ingevoerd of aangepast, naar Duits model.

In De list van Spinoza schrijft Kal op p.218:

Welk spoor je ook volgt in het Theologisch-politiek tractaat, telkens kom je uit bij de ‘gelijkschakeling’: een van bovenaf geregisseerde, maar tegelijk van onderaf in vrijheid opgebrachte loyaliteit aan een machtsregime, dat langs die weg borg staat voor de gelijkgerichtheid van de mensen. Daarbij wordt de transcendente oriëntatie van het volk van de ene kant brutaal geëxploiteerd, van de andere kant even gewiekst weer geneutraliseerd.

Dat begrip ‘gelijkschakeling’ is een kernbegrip van het boek, en daarom ook opgenomen in de ondertitel. Gelijkschakeling – Gleichschaltung – heeft in zijn Duitse vorm uiteraard een zeer negatieve en beladen betekenis. In 1933 zorgt Hitler met een reeks wetten dat er “op elk gebied een einde [komt] aan de scheiding der machten en aan de vrijheid zich naar eigen smaak en opvatting te ontwikkelen.” (Website Bij Nader Inzien)

Kal laat daarop volgen:

Aan deze formele, bij wet geregelde gelijkschakeling ligt echter een informele gelijkschakeling ten grondslag die minstens zo belangrijk is: vanwege het talent van de Leider om de geesten van de mensen te absorberen, brengen die mensen de gelijkgerichtheid waarom het de Leider te doen is als het ware zelf tot stand. Dit is het ‘democratische’ aspect van de gelijkschakeling.

Het is dit vermogen van een Leider – een leider die erin geslaagd is om de wil van het volk met een ideologische mythe te belichamen – om het volk met verleidingskunst onder zijn beslag te brengen, en de neiging van een volk om zich door zo’n Leider bij de neus te laten nemen, het vermogen ook van zo’n Leider om de kwalijke gevolgen van de vervolgens onvermijdelijk optredende volksinvloed te ‘neutraliseren’, die een centrale rol spelen in wat Kal ‘de list van Spinoza’ noemt.

De moderne liberale samenleving verwacht iets van mensen, heeft vertrouwen in ze. Mensen worden niet gereduceerd tot hun levensgeschiedenis of afkomst. Vrijheid is hiervoor essentieel, en deze betekent ‘openheid’ en de mogelijkheid tot oorspronkelijkheid. Hiertoe creëert een liberale staat speelruimte voor de burgers, een speelruimte waarin pluriformiteit bestaat en tot bloei kan komen. Deze speelruimte is ook gestoeld op de hoop dat de individualistische burger verantwoordelijkheid op zich neemt.

De list van Spinoza: de grote gelijkschakeling

Het is duidelijk dat Spinoza niet een dergelijke speelruimte op het oog heeft. Bij hem ligt het zwaartepunt bij het machtsregime omdat zijn theologisch-politieke overwegingen uitgaan van een diep wantrouwen in het volk, en eigenlijk ook van diep wantrouwen in de elite. De speelruimte van die elite wordt alleen toegestaan in zoverre deze elite het machtsregime niet ondermijnt (p.219).

De ‘list van Spinoza’ is ook de reden waarom Kal Spinoza op verschillende plaatsen een wegbereider van het ‘fascisme’ noemt, al is ‘fascisme’ op zichzelf genomen natuurlijk een anachronisme, en al blijkt uit de naïviteit van Spinoza’s theologisch-politieke beschouwingen dat hij dat zelf geenszins besefte.

Kal noemt Spinoza daarom premodern en vindt hem bepaald geen wegbereider van het modernisme.

Victor Kal – De list van Spinoza – 4

Dit is het vierde deel van een beschouwing over het werk van Victor Kal

  1. Enkele gedachten over het werk van de filosoof Victor Kal (link)
  2. Wie was Spinoza (link)
  3. De Spinoza-receptie in Nederland (link)
  4. Victor Kal en De list van Spinoza
  5. Gelijkschakeling (link)
  6. Kals levensbeschouwelijke positie (link)
  7. Theocratie en Democratie (link)
  8. De rehabilitatie van de schuld (link)
  9. De list van Spinoza (link)
  10. Besluit (link)
  11. Geraadpleegde literatuur (link)

4. Victor Kal en De list van Spinoza

Victor Kal

Een paar woorden ter introductie van Victor Kal en De list van Spinoza.

Victor Kal is als docent filosofie verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, Faculteit der Geesteswetenschappen, Capaciteitsgroep Philosophical Tradition in Context. De link geeft ook een publicatielijst.

Ik maakte voor het eerst kennis met hem door middel van dit filmpje. Kal bekritiseert daarin wat Arnon Grunberg onder de titel Blinde gehoorzaamheid had betoogd in de Abraham Kuyper-lezing 2020. Grunberg had gesproken over Kierkegaard en diens boek Vrees en Beven. In dat boek geeft Kierkegaard een interpretatie van het bijbelse verhaal van Abraham die op weg ging om zijn zoon Izaäk te offeren. In die geschiedenis uit de Thora – in het boek Genesis – werd het vertrouwen van Abraham in de door God gedane belofte van een nieuw land en een talrijk volk zwaar op de proef gesteld.

Die beproeving ging als volgt: Abraham moest kiezen of hij zijn zoon, drager van de belofte, wilde offeren. Hij koos ervoor om dat offer daadwerkelijk te brengen. Dat offer ging na goddelijk ingrijpen op de valreep niet door. Maar door met Izaäk op weg te gaan en alles voor het offer in gereedheid te brengen, inclusief het geheven mes, had Abraham wel de beproeving doorstaan – hij had zonder waarborg zijn toekomst op huiveringwekkende wijze uit handen gegeven, en daarmee ontving hij, in de gestalte van de levende Izaäk, zijn toekomst terug uit handen van God.

Ik herinner me nog uit mijn jeugd een zin die letterlijk voorkomt in de bijbelvertaling uit 1951 (NBG51). Abraham gaat de berg op met zijn zoon Izaäk om hem te offeren – Izaäk weet van niets! – en dan staat er: “Zo gingen die beiden tezamen.” De rillingen liepen mij over de rug. Kierkegaard spreekt niet zonder reden in dit verband van ‘huivering’.

Overigens kan ik me niet herinneren ooit een Kierkegaardiaanse duiding van de kansel te hebben vernomen.

Arnon Grunberg

Op Grunbergs lezing mocht Kal reageren als coreferent. Hij concludeerde op een beschaafde en sympathieke manier dat Grunberg er niet in geslaagd was tot deze Thora-geschiedenis door te dringen, en evenmin tot de zinrijke interpretatie die Kierkegaard aan die geschiedenis gaf, mede omdat hij de specifieke aard van het offer had miskend. Kal wees Grunberg erop dat het verhaal behalve een letterlijke interpretatie – de buitenkant van het mes – ook een andere interpretatie nodig had – de binnenkant van het mes – en dat het niet aanging om Abraham als een ontaarde en gewetenloze vader af te schilderen.

In het gesprek dat Kal en Grunberg naderhand hadden, bleef Kal heel goed overeind; Grunberg was ook hogelijk geïnteresseerd in Kals opvatting en de implicaties ervan.

Voor een aantal publicaties van Kal kunt u de literatuurlijst raadplegen. Ik zal proberen in de afleveringen die hierna komen enkele kernbegrippen uit een paar van die publicaties van Victor Kal beknopt te beschrijven.

Kal is opgegroeid in de Achterhoek in een gereformeerd milieu. Hij brak daarmee toen zijn vader overleed. Na een zoektocht – katholieken, protestanten, antroposofen (Zutphen) – sloot hij zich aan bij een joodse gemeenschap in Amsterdam.

Ten slotte citeer ik een accuraat stukje van de achterflap van De List van Spinoza:

In De list van Spinoza laat filosoof Victor Kal zien dat woorden als ‘vrijheid’ en ‘democratie’ voor Spinoza inderdaad belangrijk zijn, maar in een heel andere richting wijzen dan men meestal denkt. Aan de hand van citaten uit het Theologisch-politiek tractaat bewijst Kal dat Spinoza in dit werk met buitengewoon vernuft een ‘religie’ ontwerpt, in feite een staatsideologie, om het volk daarin met list en bedrog op te sluiten. Stap voor stap maakt Kal de grote ‘gelijkschakeling’ zichtbaar waarvan Spinoza denkt dat je die nodig hebt met het oog op de eenheid van de samenleving. Het ontwerp en de strategie van Spinoza zijn heden aan de orde van de dag, en dat wereldwijd.

Victor Kal – De list van Spinoza – 3

Dit is het derde deel van een beschouwing over het werk van Victor Kal

  1. Enkele gedachten over het werk van de filosoof Victor Kal (link)
  2. Wie was Spinoza (link)
  3. De Spinoza-receptie in Nederland
  4. Victor Kal en De list van Spinoza (link)
  5. Gelijkschakeling (link)
  6. Kals levensbeschouwelijke positie (link)
  7. Theocratie en Democratie (link)
  8. De rehabilitatie van de schuld (link)
  9. De list van Spinoza (link)
  10. Besluit (link)
  11. Geraadpleegde literatuur (link)

3. De Spinoza-receptie in Nederland

Volgens Wiep van Bunge (1960), hoogleraar in de geschiedenis van de filosofie, dateert de geestdrift voor Spinoza als kernfilosoof van het modernisme uit de jaren zestig van de twintigste eeuw. Noch de achttiende, noch de negentiende eeuw, noch de eerste helft van de twintigste eeuw hadden het erg druk met Spinoza, ook de positivisten niet. In Spinoza’s eigen tijd was er wel degelijk sprake van een zekere renommée, maar het belang dat aan zijn werk wordt gehecht en zelfs de grote geestdrift voor zijn wijsgerige persoon, is van betrekkelijk recente datum.

In Nederland is de taal- en letterkundige Johannes van Vloten (1818-1883) – domineeszoon en grondlegger van de Nederlandse humanistisch-atheïstische beweging – belangrijk geweest voor de Spinoza-receptie. Hij was bezorger van Spinoza’s verzamelde werken in twee delen, schrijver van een Spinoza-biografie, en ijveraar voor een Spinoza-standbeeld dat in 1880 daadwerkelijk in Den Haag werd onthuld (zie foto). Bij die onthulling hield Van Vloten een toespraak die is uitgegeven onder de titel: “Spinoza de blijde boodschapper der mondige menschheid”.

Aan het Duitse Wikipedia-artikel over Einsteins kosmische Religion ontleen ik de volgende anekdote. In 1929 antwoordde Albert Einstein op de vraag van een New Yorkse rabbijn “Glauben Sie an Gott?”:

Ich glaube an Spinozas Gott, der sich in der gesetzlichen Harmonie des Seienden offenbart, nicht an einen Gott, der sich mit dem Schicksal und den Handlungen der Menschen abgibt.

Deze anekdote treedt regelmatig op in werk van atheïsten met zendingsijver zoals Richard Dawkins, bijvoorbeeld in diens The God Delusion (God als misvatting). God wordt door Einstein als een pantheïstische God opgevoerd, een God dus die samenvalt met de werkelijkheid en die zich openbaart in de complexiteit en de schoonheid van het bestaande. Einstein beriep zich in dit opzicht terecht op Spinoza.

In 2008 werd in Amsterdam het Spinoza-monument opgericht (zie foto), met daarop een korte tekst gegraveerd: Het doel van de staat is de vrijheid. Deze tekst is afkomstig uit het Theologisch-politiek traktaat.

Boris van der Ham (voormalig D66-politicus), die in 2012 afscheid nam als volksvertegenwoordiger, schonk de Tweede Kamer bij die gelegenheid een exemplaar van het Theologisch-politiek traktaat. Een bijbel en een koran hadden de volksvertegenwoordigers in het verleden al eens ten geschenke gekregen. Het was nu tijd voor een werk ‘uit meer seculiere hoek’.

Dirk van Weelden schrijft in 2003 (hij heeft zijn alter ego Michiel gedoopt, en Michiel blijkt een lyrisch oor te hebben voor Spinoza’s proza):

Spinoza’s filosofie is een van taal gemaakt instrument dat ervoor zorgt dat gevoelens, rationele denkbeelden en intuïtieve noties over vrijheid, geluk, rechtvaardigheid, kennis en wijsheid soepel, zonder ruis of storing, samenwerken. Het doel van die samenwerking is het aanmoedigen en helpen ontstaan van een autonoom, levenslustig individu, dat weerbaar is tegen lijden en tegenslag.

Van Weelden heeft ook een bijdrage geleverd aan de kunstmanifestatie My Name is Spinoza – dit is bijvoorbeeld een tekst bij de aankondiging van die manifestatie in 2009: “De ideeën van Spinoza (Amsterdam, 1632) over god en religie, goed en kwaad, rede en emotie vormen de pijlers onder kernwaarden als tolerantie, respect en vrijheid van meningsuiting.”

De Volkskrant-columnist Erdal Balci zond in reactie op Stefan Paas (mei 2020) de volgende tweet de wereld in:

Alles wat mooi is aan de wereld hebben we te danken aan de strijd van Spinoza en de seculieren die zijn pad volgden. Door mensen als jij besef ik iedere dag meer dat er een goede roman over de grootmeester moet komen. Ik ga meteen aan de slag. Bedankt Stefan.

Ayaan Hirsi Ali speaking at the 2016 Conservative Political Action Conference (CPAC) in National Harbor, Maryland.

En Ayaan Hirsi Ali – Infidel van professie – heeft het Spinozahuis nog bezocht, samen met een paar vriendinnen, de dag voordat ze naar Amerika vertrok (1 september 2006). Ze hebben er een fles champagne leeggedronken.

Volgens De historische Canon van Nederland (2006, vernieuwd in 2020), moet Spinoza beschouwd worden als iemand “wiens ideeën over de vrijheid van denken en van meningsuiting belangrijk [zijn] geweest voor de moderne democratie.”

Onder het kopje Tolerantie lezen we in de Canon:

Spinoza is niet de enige die afstand wil nemen van vaststaande denkbeelden en hij krijgt steun van verschillende aanhangers, die zich net als hij losmaken van filosofische en godsdienstige tradities. In zijn Tractatus theologico-politicus geeft Spinoza in 1670 een aanzet tot een vrijere uitleg van de Bijbel. Hij spreekt zich uit voor de democratie en wijst op het grote belang van principiële tolerantie en vrijheid van meningsuiting.

De bekende Britse historicus Jonathan Israel, gerenommeerd schrijver over de Nederlandse zeventiende eeuw, schrijver van een groot tweedelig werk over de Nederlandse Republiek, en schrijver van een aantal werken over de (Radicale) Verlichting, beschouwt Spinoza als de grootste filosoof die ooit heeft geleefd, omdat

  1. hij de bijl legde aan de wortel van het theologisch denken en een scherp onderscheid maakte tussen filosofie en theologie (theologisch denken beschouwde Spinoza überhaupt niet als ‘denken’),
  2. hij de godsdienstige praktijken terug wilde brengen tot een verschijnsel dat geen noemenswaardige verwijzing naar enige transcendentie bezit of impliceert (alleen in naam),
  3. hij de onbetwiste voorvechter zou zijn van de democratie, het vrije denken en de vrijheid van meningsuiting, iemand die de grondslag heeft gelegd voor onze moderniteit.

De opvattingen van Israel hebben een grote weerklank gehad, ze hebben veel enthousiasme gegenereerd, maar ze zijn toch niet geheel onweersproken gebleven. Zie bijvoorbeeld de bespreking die de historicus Rob Hartmans (‘Jonathan Israel, of: het slagveld van de ideeëngeschiedenis’) wijdde aan de Radicale-Verlichtingstrilogie van Israel.

Hartmans opende zijn kritiek op Israels centrale these met een metafoor van de historicus David A. Bell. Deze sprak in een recensie getiteld Where Do We Come From? over de voorzichtigheid die de meeste historici betrachten als ze generalisaties over de geschiedenis naar voren brengen, maar Bell nam ook een ander type historicus waar, een historicus die zich eerder gedroeg als Maarschalk Zjoekov, iemand die zijn manschappen rücksichtslos door een mijnenveld joeg, met zeer veel doden tot gevolg, om daardoor ten slotte zijn doel – Berlijn – gemakkelijker te kunnen bereiken. Volgens Bell – en Hartmans valt hem daarin bij – is Israel meer een historicus van het Zjoekov-type. Hartmans vraagt zich zelfs af of het doel: Berlijn  – dat is bij Israel: de allesbeslissende Radicale Verlichting – wel ergens anders dan alleen in het hoofd van Israel bestaat.

Israel reageerde not amused op deze kritiek, en Hartmans eindigde zijn dupliek met deze zinnen:

Dat Jonathan Israel grote verdiensten heeft voor de geschiedschrijving, en dat zijn boeken een enorme stimulans hebben gegeven aan de bestudering van de Verlichting, staat buiten kijf. Het is alleen jammer dat hij zich sinds 2001 vooral is gaan opstellen als een ideoloog die de heilsboodschap van het radicale, seculiere Verlichtingsdenken erin wil rammen.

Ook Wiep van Bunge polemiseerde in zijn lezingen aan de Vrije Universiteit van Brussel (De Nederlandse Republiek, Spinoza en de radicale Verlichting, 2010) met Israels opvattingen. Hij concludeerde:

Vooral Spinoza’s overtuiging dat onder ‘wijzen’ noodzakelijkerwijs eensgezindheid zal ontstaan, heeft mij altijd benauwd. Het is misschien wel dit onvermogen verschillende intellectuele perspectieven te accommoderen, dat nog wel de meeste twijfel oproept over de geschiktheid van Spinoza als kompas voor de eenentwintigste eeuw. Weer wreekt zich hier, vrees ik, het ontbreken in de Ethica van de epistemologische bescheidenheid die juist in de Verlichting zulke goede diensten bewees.

Spinoza-huis Rijnsburg

De historicus Jan Dirk Snel schreef in een bespreking van Steven Nadler: Spinoza (Historisch Nieuwsblad 8/2001), nadat hij had genoemd hoe bijzonder het was dat in Spinoza’s tijd ontdekt werd dat “de natuur mechanisch begrepen kon worden”:

… En dus draafde Spinoza braaf door en dacht hij dat alles vanuit de rede begrepen kon worden. Hij verwarde causaliteit met noodzakelijkheid. En ethiek probeerde hij wiskundig te funderen.

Een eindje verderop spreekt Snel van “de arrogante betweterij van Spinoza” die alleen nog interessant is voor “dogmatische geesten”. Snel wijst er ook op dat de lof die Israel Spinoza toezwaait, en de blaam die veel orthodoxe protestanten Spinoza toewerpen, bijna gelijkluidend klinkt, en sprekend lijkt op Groen van Prinsterers ‘Ongeloof = Revolutie’.

Rob Hartmans schreef elders (De stamvaders van de  tolerantie – hij sluit zich aan bij de directeur van het Titus Brandsma Instituut en universitair docent aan de Radboud Universiteit Inigo Bocken):

Dat de diepreligieuze Locke een belangrijke wegbereider van de Verlichting was, valt niet te ontkennen. Maar juist radicale Verlichters als Spinoza hebben de Verlichting een antireligieuze richting opgestuwd. Met Bocken kan men zich afvragen of dit, zoals Israel beweert, alleen maar positief is geweest. Het precaire evenwicht tussen religie en politiek, zoals dat door Locke is beschreven, wordt uiteraard volledig verstoord als een van beide pijlers wordt weggevaagd. Als de heilsverwachting niet meer gescheiden is van de politiek, maar wordt beschouwd als quantité négligeable, als iets wat er niet zou behoren te zijn, is de kans groot dat het juist weer de politiek wordt binnen gesmokkeld. De twintigste eeuw heeft laten zien hoe rampzalig een dergelijk politiek messianisme is.

Op dit punt gaat Victor Kal nog een stap verder: de heilsverwachting wordt in het Theologisch-politiek tractaat niet alleen quantité négligeable, maar wordt opgevoerd in een verleidelijke schijngestalte. Deze schijngestalte wordt vervolgens aan het volk – van welks vermogen tot nadenken Spinoza minder dan niets verwacht – voorgehouden en ook opgelegd, met als doel om dat volk, moreel gesproken, in een vrijwillig aanvaard keurslijf te houden.

De sympathie die Frits Bolkestein en J.L. Heldring bij leven voor het christendom voelden, lijkt (naast een zekere nostalgie) op vergelijkbare overwegingen te berusten: aan een losgeslagen volk heb je niks. Overigens heeft Heldring herhaaldelijk gewezen op de altijd aanwezige mogelijkheid van een fascistische ontaarding van de democratie.

Spinoza voor het lyceum in Amsterdam-Zuid

Enfin, onder sommige vakgenoten lijkt Jonathan Israels jubelende Spinoza-beeld nogal wat scepsis te ontmoeten. In het publieke debat lijkt de sterk opgekomen en ronduit positieve reputatie van Spinoza nauwelijks omstreden.

Het is verleidelijk om te speculeren hoe dat komt. Mijn voorzichtige hypothese luidt dat er bij Israel sprake is van een vlucht naar voren: anders dan het liberale secularisme wil – het meerderheidsstandpunt van de geseculariseerde Noordwest-Europese protestantse wereld – is de godsdienst niet zozeer aan een terugtocht bezig, maar beleeft deze misschien zelfs een bescheiden réveil. In ieder geval is de religie – ook onder invloed van een nadrukkelijk aanwezige islam – teruggekeerd in het publieke debat, zij het vooralsnog op een vrij verwrongen manier. Aan dat mogelijke réveil, die terugkeer, die misstand moet een beslissend ‘halt’ worden toegeroepen. Dat ‘halt’ is Spinoza

Victor Kal – Geraadpleegde literatuur – 11

Dit is het laatste deel van een beschouwing over het werk van Victor Kal

  1. Enkele gedachten over het werk van de filosoof Victor Kal (link)
  2. Wie was Spinoza (link)
  3. De Spinoza-receptie in Nederland (link)
  4. Victor Kal en De list van Spinoza (link)
  5. Gelijkschakeling (link)
  6. Kals filosofische stellingname (link)
  7. Theocratie en Democratie (link)
  8. De rehabilitatie van de schuld (link)
  9. De list van Spinoza (link)
  10. Besluit (link)
  11. Geraadpleegde bronnen

11. Geraadpleegde bronnen

Victor Kal – De list van Spinoza – 2

Dit is het tweede deel van een beschouwing over het werk van Victor Kal

  1. Enkele gedachten over het werk van de filosoof Victor Kal (link)
  2. Wie was Spinoza
  3. De Spinoza-receptie in Nederland (link)
  4. Victor Kal en De list van Spinoza (link)
  5. Gelijkschakeling (link)
  6. Kals filosofische stellingname (link)
  7. Theocratie en Democratie (link)
  8. De rehabilitatie van de schuld (link)
  9. De list van Spinoza (link)
  10. Besluit (link)
  11. Geraadpleegde literatuur (link)

2. Wie was Spinoza?

Tractatus theologico-politicus – ed. 1670

Dit is deel 2 van een serie. De introductie tot deze reeks afleveringen over Victor Kal, De list van Spinoza, Amsterdam: Prometheus 2020, kunt u hier nalezen.

In onze tijd is Benedictus de Spinoza (1632-1677) zonder twijfel de bekendste Nederlandse filosoof van de zeventiende eeuw. Hij was van portugees-joodse afkomst; hij stamde af van sefardische joden. Zijn bekendste werken zijn de Tractatus theologico-politicus (Theologisch-politiek traktaat) en de Ethica.

Een goede introductie tot Spinoza’s leven en werk biedt de historicus Rob Hartmans in zijn artikel: Baruch de SpinozaDe Groene Amsterdammer, nr. 2, 10 januari 1996.

Het Theologisch-politiek tractaat is een verhandeling waarin Spinoza de ideale verhouding tussen godsdienst en samenleving beschreef. De Ethica is een streng opgebouwd moraalfilosofisch werk waarin hij een levensleer ontvouwde. Volgens sommigen was hij een volbloed-atheïst; anderen nemen wat hij bijvoorbeeld aan het slot van de Ethica schrijft over het ‘heil’ van de wijze dat uiteindelijk gevonden wordt in de ‘amor intellectualis Dei’ wel serieus (Wiep van Bunge). Hij schreef in het Latijn.

Spinoza – Den Haag (Wikimedia Commons)

Wat zijn godsdienstige opvattingen betreft is het goed om te vermelden dat hij God en de Natuur (of de Natuurlijke Orde) aan elkaar gelijk stelde. Zijn godsbeeld was onpersoonlijk en immanent: God valt samen met, en bevindt zich dus niet boven of buiten de voor ons kenbare werkelijkheid, en God bezit geen persoonlijke, mensgelijkvormige eigenschappen.

Omdat Spinoza’s denkbeelden in zijn tijd en zijn omgeving niet in goede aarde vielen, werd hij verbannen uit de joodse gemeenschap, en week hij als 23-jarige uit van Amsterdam naar Rijnsburg (1661-1663). Daar bedreef hij filosofie en voorzag hij in zijn levensonderhoud met het slijpen van microscooplenzen. Het Spinozahuis in Rijnsburg kan tot op de huidige dag worden bezocht als een museumpje met gereconstrueerde bibliotheek. Later kwam Spinoza, via Voorburg, terecht in Den Haag.

Spinozahuis Rijnsburg

Het was Spinoza’s doel om filosofie en theologie zo strikt mogelijk te scheiden: de godsdienstige veelkleurigheid, en met name de felle en militante twisten die tussen de godsdienstige groepen in zijn tijd werden gevoerd, baarden hem zorgen, ook met het oog op de stabiliteit van de jonge Republiek. En stabiliteit was nodig om zich ongestoord aan de filosofie, de beschouwing van God of de Natuurlijke Orde, te kunnen wijden.

Victor Kal – De list van Spinoza – 1

Dit is het eerste deel van een beschouwing over het werk van Victor Kal

  1. Enkele gedachten over het werk van de filosoof Victor Kal
  2. Wie was Spinoza (link)
  3. De Spinoza-receptie in Nederland (link)
  4. Victor Kal en De list van Spinoza (link)
  5. Gelijkschakeling (link)
  6. Kals levensbeschouwelijke positie (link)
  7. Theocratie en Democratie (link)
  8. De rehabilitatie van de schuld (link)
  9. De list van Spinoza (link)
  10. Besluit (link)
  11. Geraadpleegde literatuur (link)

1. Enkele gedachten over het werk van de filosoof Victor Kal

Victor Kal

N.a.v. de verschijning van Victor Kal, De list van Spinoza, de grote gelijkschakeling, Amsterdam: Prometheus 2020.

Friedrich Nietzsche publiceerde ooit een bundel onder de titel Unzeitgemäße Betrachtungen.

Het boek dat de directe aanleiding vormt voor de beschouwing waarvan u nu de eerste aflevering onder ogen heeft – het in 2020 uitgekomen boek van de Amsterdamse filosoof Victor Kal (1951): De list van Spinoza, de grote gelijkschakeling – kan zonder overdrijving unzeitgemäß (oneigentijds) worden genoemd: het is een boek dat wijdverbreide en moderne ideeën over Spinoza ernstig relativeert. Misschien is het zelfs beter te zeggen dat Kal deze ideeën weerlegt.

Deze reeks afleveringen komt voort uit mijn bestudering van een deel van het wijsgerige werk van Victor Kal. Zijn bezorgdheid deel ik: het morele nihilisme dat schuil gaat achter een façade van legaliteit en fatsoen, de bijna totale verdwijning in de westerse wereld van de godsdienstige riten die bewustwording, beleving en openbaring van het religieuze leven bemoeilijkt, de grootkapitalistische en fascistische ontaardingen van de democratische rechtsorde die als gevolg van voornoemd nihilisme kansen krijgen.

De list van Spinoza

Het is misschien goed er meteen op te wijzen dat de ‘conservatieve revolutie’ (de term is innerlijk tegenstrijdig) die al een paar decennia gaande is, zich ook voedt met deze ongerustheid. Met deze ‘conservatieve revolutie’ heb ik geen affiniteit. Ik ben voor een liberale democratische rechtsorde die alle elementaire vrijheden garandeert, aansluiting zoekt bij internationale verbanden, ernaar streeft om aan een internationale rechtsorde bij te dragen. En ik heb een hekel aan complotdenken, xenofobie en ergdenkendheid. Ten slotte: het sjibbolet dat ‘vrijheid van meningsuiting’ heet, spreek ik steevast verkeerd uit.

Klein intermezzo: het begrip Conservatieve Revolutie gebruikte men aanvankelijk voor de stellingname van een bonte verzameling denkers die zich ruwweg tussen 1850 en 1950 manifesteerden. Ze keerden zich tegen het moderne individualisme en het moderne liberalisme: Carl Schmidt, Richard Wagner, Oswald Spengler, Ernst Jünger, Isaäc da Costa, Carel Gerretson. Gemeenschap wordt belangrijker geacht dan het individu, ze streven naar meer autoriteit, ze proberen de tegenstelling tussen maatschappij en staat op te heffen. Moderne conservatieve revolutionairen met nationalistische doelstellingen waren/zijn Pim Fortuyn, Thierry Baudet en Bart Jan Spruyt. De meesten flirten met het christendom zonder zich eraan te committeren (geldt niet voor Spruyt).

Ik noemde allereerst Nietzsche. Het drama van Nietzsche – de dood van God – is in zekere zin ook het drama van Kal, alleen werkt hij, zo lijkt het, de andere kant op. Bovendien beschrijft Kal het drama met een zekere luchtigheid en didactische kalmte, al schemert een echte ongerustheid door zijn woorden heen. Nietzsche moet daarbij vergeleken eerder theatraal genoemd worden, zelfs theatraal par excellence, om een van zijn geliefde uitdrukkingen te gebruiken.

Misschien is ook die tegenstelling schijn, en hebben ze beiden – Nietzsche en Kal – het culturele gemis in beeld gebracht dat met de bijna onzichtbaar-wording van het christendom in de westerse wereld begon: ze brengen verschillende kanten van dezelfde kloof in kaart: Nietzsche het gemis; Kal de noodzaak van een verhouding tot een transcendente oorsprong die ons besef van vrijheid steeds weer hernieuwt en die onze morele ernst schraagt.

Friedrich Nietzsche

Het is daarbij van belang te beseffen dat Kal een filosoof is. Hij is geen zendeling of theoloog, er is geen godsdienstig belang, er is geen godsdienst die wordt voorgetrokken. Wel meent hij dat het monotheïstisch uitgangspunt er wezenlijk toe doet.

Kal is van mening dat een transcendent oriëntatiepunt waartoe (of tot wie) de mensen zich in rite en met een bepaalde taal verhouden, van belang is om bewuste en vrije mensen te blijven die zich niet laten gelijkschakelen door een Leider die hen met een ideologisch of pseudoreligieus ideaal verleidt, waarna zo’n Leider diezelfde mensen pseudo-democratisch inschakelt voor zijn machtsdoeleinden – en dit is precies het programma van Spinoza waartegen Kal zich verzet. Kal beroept zich daarvoor op een aantal belangrijke denkers uit de geschiedenis van de filosofie: Plato, Kierkegaard, Heidegger, Kant, Derrida.

Spinoza heeft zich sinds de jaren zestig van de twintigste eeuw gaandeweg ontwikkeld tot een seculiere heilige, iemand die de wereld – godlof! Spinoza handhaafde de godvruchtige teksten – heeft ontdaan van goddelijke bemoeienis, met als gevolg dat veel moderne verworvenheden, zoals materialistische verklaringen voor verschijnselen, democratie, mensenrechten, tolerantie, gelijkheid en vrijheid van meningsuiting konden bloeien.

Benedictus de Spinoza

Victor Kal is er niet zo van overtuigd dat al die mooie dingen daadwerkelijk uit Spinoza’s filosofie voortvloeien. Hij beschouwt Spinoza onomwonden als een filosoof die elke vorm van aanraking met het goddelijke probeert te dwarsbomen, die het volk minacht, die premodern is, en dus geen werkelijk besef heeft van het moderne vrijheidsidee, die ronduit antiliberaal is, die onbewust een aantal grondslagen heeft gelegd voor de fascistische ontaarding van de democratie waarvan we onder andere in de twintigste eeuw getuige waren, en mogelijk ook nu weer opnieuw getuige zijn.

Wat in een aantal afleveringen volgt – ik zet vanaf vandaag elke dag een nieuwe aflevering op mijn website – is geen recensie. Ik ben een amateur reader, ongeschoold in de geschiedwetenschap, en ik ben tevens een filosofische dilettant. Maar ik lees soms wel met veel interesse en aandacht een historische of wijsgerige verhandeling. Als laatste aflevering treft de lezer een overzicht aan van de bronnen die ik heb gebruikt.

Ik geef in de volgende aflevering een paar summiere feiten over leven en werk van Spinoza, de filosoof wiens theologisch-politieke opvattingen het onderwerp vormen van De list van Spinoza. En ik vertel in de daarop volgende aflevering iets over de Spinoza-receptie in Nederland.

Ik wijd ook een paar afleveringen aan ouder werk van Victor Kal, de schrijver van het boek, voorheen filosoof aan de Universiteit van Amsterdam, een man die actief verbonden is met de joodse godsdienstige traditie. Ik ken de auteur niet persoonlijk.

Spinoza-monument in Amsterdam

De voornaamste gedachten van De list van Spinoza komen in de diverse afleveringen aan de orde. Ik heb er naar gestreefd geen filosofisch jargon te gebruiken, maar ben er niet geheel aan ontkomen bepaalde begrippen die af en toe bij Kal terugkeren en die hij een specifieke betekenis geeft, te introduceren en soms beknopt toe te lichten.

Eén opmerking nog aan het eind van deze introductie: het is niet mijn doel om iemand ertoe te brengen de standbeelden en monumenten die aan Spinoza zijn gewijd omver te halen. Ook hoeven er geen waarschuwende bordjes bij die monumenten te worden gezet. Hij was een zeer bijzondere historische figuur, een filosoof die onze geschiedenis heeft beroerd, die geesten heeft bewogen, en die zijn plaats in de geschiedenisboeken verdient. Maar wie dat hardop zegt, zegt daarmee niet dat hij bewonderd moet worden om de verkeerde redenen.

Sonnet 146 – Shakespeare

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is shakespeare_oval-cropped-1.png
Olieverfschilderij van William Shakespeare, waarschijnlijk geschilderd door John Taylor in 1610

De Engelse dichter, toneelschrijver en acteur William Shakespeare (1564-1616) wordt algemeen beschouwd als een van de grootste dichters die ooit heeft geleefd. Naast toneelwerk in verzen heeft hij ook 154 sonnetten geschreven die al vaker in het Nederlands vertaald zijn. Veel van die vertalingen zijn ook wel online te vinden.

Sonnet 146 is één van de laatste gedichten in de sonnettenreeks, en algemeen wordt aangenomen dat Shakespeare dit sonnet gericht heeft aan The Dark Lady, de zwarte dame. Over die dame weten we niet bijzonder veel. Wel is duidelijk dat Shakespeare met zijn beeldspraak optutten, ijdel vertoon voorstelt als iets van geringe waarde, en de voeding van de ziel als uiterst waardevol. En de teloorgang van het lichaam kan zelfs voeding zijn voor de ziel, waardoor de dood wordt overwonnen.

De sonnetvorm bij Shakespeare wijkt enigszins af van het Italiaanse sonnet dat door Petrarca is vervolmaakt. Het Shakespeareaanse sonnet telt drie kwatrijnen en een afsluitend distichon. De wending, cesuur of volta bevindt zich niet na het tweede kwatrijn – zoals bij Petrarca – maar tussen de drie kwatrijnen en de afsluitende slotregels.

In mijn vertaling heb ik in twaalf van de veertien versregels de vijfvoetige jambe (tien of elf lettergrepen, afhankelijk van het rijm – staand of slepend) vervangen door de zesvoetige jambe (twaalf of dertien lettergrepen, idem).

Over dit gedicht wordt vaak gezegd dat het een van de weinige gedichten is in Shakespeare’s oeuvre met een religieuze strekking, iets wat ik overigens betwijfel.

Het gedicht lijkt duidelijke toespelingen op de bijbel te bevatten, in de zin dat het verheerlijken van ijdel vertoon en het opmaken van het lichaam wordt verworpen, en er veel waarde wordt gehecht aan het voeden van de ziel met zaken die tijdloos zijn, waarmee – getuige het afsluitende distichon (de twee slotregels) – zelfs de dood onschadelijk wordt gemaakt.

Maar uiteraard ontbreekt de Shakespeareaanse ironie nooit helemaal.

In het Engelse Wikipedia-artikel over dit sonnet wordt ook een link gelegd met Psalm 146, een link die in mijn ogen op getalsmatige toeval berust.

Hier treft u een vrij goede toelichting op het sonnet aan, met een heldere en uitvoerige uitleg per zin.

In regel twee is in de eerste druk van de uitgave van de Sonnetten een zetfout gemaakt. De laatste drie woorden van de eerste regel – ‘my sinful earth’ – werden herhaald als de eerste drie woorden van de tweede regel. Dat klopt sowieso niet, en het klopt ook niet met de lettergreeptelling. Er is door heel veel redacteuren en commentatoren gegist wat er moet staan. Ik heb in deze vertaling op grond van persoonlijke voorkeur voor ‘[Why feed’st]‘ gekozen, maar het is goed om te bedenken dat er ook iets heel anders bedoeld kan zijn. Het woord ‘array’ aan het eind van de tweede regel kan zowel ‘in slagorde opstellen’ als ‘fraai uitdossen’ betekenen.

Voor de Engelse tekst volg ik de uitgave van de sonnetten in de reeks The Arden Shakespeare, met uitzondering van de genoemde keuze voor de eerste twee woorden van regel 2. Genoemde Arden-editie heeft: ‘Feeding these’. Peter Verstegen koos voor: ‘Repel these’. De Engelse acteur en filmproducent Sir Patrick Stewart draagt hier het gedicht voor met – als ik goed heb geluisterd – op die plaats de woorden ‘Pressed by’.

Vertaling:

Sonnet 146

O ziel, kern van mijn zondige, stoffelijke aard,
waarom toch voed je dwarsheid die laat paraderen,
waarom toch kwijn je weg, is ’t nodige zo schaars,
en schilder je jouw buitenmuur in dure kleuren?

Waarom toch zou je, met zo’n kort contract, zo gul
spenderen aan een landhuis dat vergaat?
Zal de aardworm, erfgenaam van deze overdaad,
er straks van smullen? Is dat van ‘t sterfelijk lijf het doel?

Mijn ziel, trek toch profijt van dienaars diepe smart,
en laat zijn pijn steeds jou tot voordeel zijn.
Koopt hemelse schatten op de markt van schuim en as;
weest innerlijk welgevoed, uitwendig zonder schijn.

Dus voed je met de dood, die zich met mensen voedt;
geen mens die – als de dood straks dood is – sterven moet.

Origineel:

Sonnet 146

Poor soul, the centre of my sinful earth,
[Why feed’st] these rebel powers that thee array,
Why dost thou pine within and suffer dearth,
Painting thy outward walls so costly gay?

Why so large cost, having so short a lease,
Dost thou upon thy fading mansion spend?
Shall worms, inheritors of this excess,
Eat up thy charge? Is this thy body’s end?

Then, soul, live thou upon thy servant’s loss,
And let that pine to aggravate thy store;
Buy terms divine in selling hours of dross,
Within be fed, without be rich no more
:

So shalt thou feed on death, that feeds on men,
And death once dead, there’s no more dying then.

Het model – W.H. Auden

De dichter Wystan Hugh Auden (1907-1973) groeide op in Engeland, ging vlak voor de Tweede Wereldoorlog naar Amerika, ontving zijn opvoeding in een Anglicaans gezin, hield aanvankelijk van Freud, een tijdje halfhartig van Marx, keerde gerijpt terug naar het geloof van zijn jeugd, schreef gedichten, libretti en toneelteksten, en wordt veelal beschouwd als een van de grootste Engelse dichters in de twintigste eeuw.

Wie meer wil weten over Auden kan elders op mijn website terecht. Ik houd veel van zijn werk en heb al aardig wat vertalingen van zijn gedichten gemaakt. Peter Verstegen – een gelauwerd vertaler – heeft hier een Ten Geleide bij het vertalen van Auden gepubliceerd.

En hier maakte Verstegen een (naar mijn smaak) geslaagde vertaling van The Model openbaar.

Met betrekking tot dit gedicht is het nog wel goed om te vermelden dat de homoseksuele Auden vanaf zijn studietijd, de tijd dat hij zichzelf losmaakte van de afkeer die zijn milieu had jegens homoseksualiteit, de sterke neiging had – een neiging die hij gedurende zijn leven grotendeels heeft behouden – om te denken dat psychische verkramptheid, neurosen, het onvermogen om je te bevrijden van dat wat je belemmert, een onmiskenbaar effect heeft op je lichaam, op je fysieke gesteldheid, en dus op de kans dat je akelige ziekten (zoals kanker) ontwikkelt.

Alfred Binet (1857-1911) was een Franse psycholoog naar wie de Stanford-Binet-intelligentieschaal is genoemd, de eerste intelligentietest. Hermann Rorschach was een Zwitsers psychiater die de inktvlektest ontwikkelde. Uit de resultaten van deze test konden psychische eigenaardigheden van de testpersoon worden afgeleid zonder dat deze het zelf besefte.

Dit gedicht vertaalde ik al in 1998. Hierbij de publicatie met een paar kleine aanpassingen.

Vertaling:

Het Model

Wie in nette heren verleiders ziet, of in een verlegen
meisje de angst voor een afwijzing leest,
beseft wel terdege,
dat iets uit handpalm, handschrift of gezicht te halen
een zaak is van vertalen;
maar dit oude dameslichaam geeft haarscherp een beeld van haar geest.

Ook zonder Rorschach of Binet begrijpt de grootste dwaas
van haar krasheid en fiere verschijning de taal;
want als je de tachtig haalt
maakt zelfs een ietsie-pietsie vrekkigheid
dat je aan duizend kwalen lijdt,
en zonder mankeren blijkt een korreltje wanhoop fataal.

Of de stad zich ooit bezatte aan haar boezem, ze evident
een dame was met faam en hippe habitus
in kerkelijke kring, en grondig werd verwend
door haar echtgenoot, of ze haar zoon verloor,
dat alles verdween en ging teloor
wat ook gebeurde, ze is er nog, ze vergaf, ze werd wat zij is.

Zo kan de schilder zijn gang gaan: een Engelse tuin wellicht,
Chinese rijstvelden, een grootstedelijke wildernis,
de lucht donker maken of licht,
haar afzetten tegen groen pluche of een rode muur,
eenheid verleent ze aan elk decor,
door het oog te richten op wat waarlijk menselijk is.

Origineel:

The Model

Generally, reading palms or handwriting or faces
Is a job of translation, since the kind
Gentleman often is
A seducer, the frowning schoolgirl may
Be dying to be asked to stay;
But the body of this old lady exactly indicates her mind;

Rorschach or Binet could not add to what a fool can see
From the plain fact that she is alive and well;
For when one is eighty
Even a teeny-weeny bit of greed
Makes one very ill indeed,
And a touch of despair is instantaneously fatal:

Whether the town once drank bubbly out of her shoes or whether
She was a governess with a good name
In Church circles, if her
Husband spoiled her or if she lost her son,
Is by this time all one.
She survived whatever happened; she forgave; she became.

So the painter may please himself; give her an English park,
Rice-fields in China, or a slum tenement;
Make the sky light or dark;
Put plush green behind her or a red brick wall.
She will compose them all,
Centering the eye on their essential human element.

Avond – R.S. Thomas

Boogschutter

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de subtiele schilderes Mildred Eldridge (1909-1991).

Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).

Een aardig artikel over Thomas’ leven en werk is van de hand van Theodore DalrympleA Man Out of Time.

Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.

Het onderhavige gedicht was één van de gedichten waarop Thomas zelf erg was gesteld, en dat ook is voorgedragen op zijn begrafenis.

Het werd gepubliceerd in No Truce with the Furies (Newcastle upon Tyne : Bloodaxe Books, 1995).

Vertaling:

Avond

De boogschutter die aanlegt
met de pijl van de tijd – heeft hij z’n pees
gebroken nu de regenboog
zo roerloos hangt boven ons dorp?

Laat ons daar staan, even, in de korte spanne
tussen onze verwondingen, tot de stilte
van goud wordt, en liefde ons
overstroomt in een eeuwig moment.

Origineel:

Evening

The archer with time
as his arrow – has he broken
his strings that the rainbow
is so quiet over our village?

Let us stand, then, in the interval
of our wounding, till the silence
turn golden and love is
a moment eternally overflowing.

Ik preekte over grote dingen – R.S. Thomas

rs_thomas_01

R.S. Thomas

Ik heb in het verleden al een vrij groot aantal gedichten van de dichter Ronald Stuart Thomas vertaald. Als u iets meer wilt weten van zijn achtergrond, dan verwijs ik u graag naar berichten die ik al eerder geschreven heb, bijvoorbeeld hier.

Hier kunt u de voordracht beluisteren die Thomas van dit gedicht gaf.

Ik vrees dat ik het aantal lettergrepen van het origineel vrij ver heb overschreden.

Dit gedicht komt uit de bundel The Echoes Return Slow (1988).

Vertaling:

Ik preekte over grote dingen

Ik preekte over grote dingen
in een kleine gemeente. Kleingeestig
zal ik niet zeggen, sommigen
hadden diepten waarvoor ik terug-
deinsde, welputten waarin je het
wegstervende woord ‘God’ laat vallen,
en waarin het, zover ik weet, alsmaar
verder valt. Wie erheen gaat
voor water, moet rekenen op een lange
zit. Hun ogen keken me aan
als de restanten van bloemen
op een oud graf. Ik kwam er,
voelde ik, om sintels aan te blazen
die reeds lang waren afgekoeld. Vaak,
als ik meende dat ze op het punt stonden
om zich voor me te ontsluiten, kwam
de tocht uit hun lege ruimten me
suizend tegemoet, en wikkelde ik mijzelf
in het gewichtiger gewaad van mijn roeping,
sprekend van licht en liefde in de steeds
zwaardere schaduwen van hun keukens.

Origineel:

I was vicar of large things

I was vicar of large things
in a small parish. Small-minded
I will not say, there were depths
in some of them I shrank back
from, wells that the word ‘God’
fell into and died away,
and for all I know is still
falling. Who goes for water
to such must prepare for a long
wait. Their eyes looked at me
and were the remains of flowers
on an old grave. I was there,
I felt, to blow on ashes
that were too long cold. Often,
when I thought they were about
to unbar to me, the draught
out of their empty places
came whistling, so that I wrapped
myself in the heavier clothing
of my calling, speaking of light and love
in the thickening shadows of their kitchens.

Het duurde eeuwig en het duurde even

Ze waren warm, en, ja, ze wilden leven.
Liefde wilden ze, voedsel, nutteloosheid,
ze spartelden, ze knuffelden zo-even.

Het noodlot blijft aan kleine dingen kleven.
Ze dansten in hun kooi van zorgeloosheid,
ze waren warm, en, ja, ze wilden leven.

Het duurde eeuwig en het duurde even,
alsof je in een rijpe abrikoos snijdt …
Ze spartelden, ze knuffelden zo-even.

Het mes zal wat het nam niet kunnen geven.
Het hachelijke leven in zijn broosheid.
Ze waren warm, en, ja, ze wilden leven.

De snoetjes hielden niet bepaald van sneven.
O, koene snijders in verstand en boosheid!
Ze spartelden, ze knuffelden zo-even.

Het snoer viel niet in liefelijke dreven.
Gebod voor wie aan dit memento schrijft:
“Ze waren warm, en, ja, ze wilden leven,
ze spartelden, ze knuffelden zo-even.”

(Eigen werk)

Golven kijken

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die ook in Wales woonde en werkte als een Anglicaans priester. Hij was een groot natuurliefhebber, had een vrij vergaande afkeer van moderne zaken die hij vond afleiden van waar het in het leven echt om ging, en hij schreef in het Engels.

Een aardige bespreking door Theodore Dalrymple van zijn biografie – Byron Rogers, The Man Who Went into the West: The Life of R. S. Thomas, Aurum Press – vindt u hier.

Hij was een merkwaardige, eenzelvige figuur die prachtige gedichten schreef, getrouwd was met de schilder Mildred (Elsi) Eldridge, aan wie hij een paar fraaie gedichten heeft gewijd – zie elders op dit blog (bereikbaar via het menu op de hoofdpagina, onder de naam R.S. Thomas).

Kingsley Amis – zeker geen geestverwant – schreef dat zijn poëzie “reduces most modern verse to footling whimsy” (=triviale gekkigheid). Hij is in Nederland niet zeer bekend. John Betjeman meende dat Thomas’ poëzie nog gelezen zou worden lang nadat zijn gedichten zouden zijn vergeten.

Het gedicht Sea-watching is een karakteristiek gedicht in Thomas’ oeuvre: bidden, afwezigheid, zee, vogels. Thomas was een vogelaar. In dit gedicht kijkt hij uit over de zee – het lijkt een terugkeer te betreffen. Zijn ogen zoeken vergeefs naar de vogel die zich niet vertoont. De schoonheid van dit alles is zo overweldigend dat de afwezigheid van de vogel er bijna niet meer toe doet. Het gedicht behandelt hiermee het thema van de Via Negativa op een gedempte manier: zie elders op dit blog.

De titel luidt dan ook Sea -watching en geen ‘Bird-watching’, Golven kijken en geen ‘Vogels kijken’.

Het gedicht is opgenomen in de bundel Laboratories of the Spirit, uitgegeven bij Macmillan in Londen (1976).

(Met dank aan deze dichter en Twitter-collega voor het aanreiken van de vertaling van ‘omwoond’ voor ‘habited’.)

Vertaling:

Golven kijken

Grijze wateren, uitgestrekt
                               als de gebedscontreien
die je betreedt. Dagelijks,
                               gedurende een aantal jaren,
liet ik het oog erop rusten.
Was er iets waarop ik wachtte?
                               Niets gebeurde
behalve dat onophoudelijke aanrollen
                               van doelloze
golven.
                               Ah, maar een vogel die je haast nooit ziet,
zie je haast nooit. Hij komt pas
als je niet kijkt, op een moment
                              dat je er niet bent.
Je moet je ogen verslijten,
zoals een ander zijn knieën.
                               Ik werd de kluizenaar
van de rotsen, omwoond door de wind
en de mist. Er waren dagen –
zo prachtig was de leegte
die hij had kunnen vullen –
                              dat z’n afwezigheid
was als z’n aanwezigheid; zo onlosmakelijk
zijn die twee, dat in mijn verwoede geest,
na het lange vasten,
                              mijn kijken met bidden versmolt.

Origineel:

Sea-watching

Grey waters, vast
                              as an area of prayer
that one enters. Daily
                              over a period of years
I have let the eye rest on them.
Was I waiting for something?
                              Nothing
but that continuous waving
                              that is without meaning
occurred.
                              Ah, but a rare bird is
rare. It is when one is not looking
at times one is not there
                              that it comes.
You must wear your eyes out,
as others their knees.
                              I became the hermit
of the rocks, habited with the wind
and the mist. There were days,
so beautiful the emptiness
it might have filled,
                              its absence
was as its presence; not to be told
any more, so single my mind
after its long fast,
                              my watching from praying.

De zomen van het leed

Tijdens de bosrand valt de avondzon.
Er is een uil die in zijn stilte vliegt.
Ik hoor een stem die samenzwerend liegt.
(Misschien denkt u dat ik wel zonder kon.)

Het gif schuilt onmiskenbaar in de bron.
Al wat gebeurd is, heeft ons zeer gegriefd.
‘Misschien dat u een rode twist belieft?’
Een woord is geen partij voor het kanon.

Het blanke leven is niet steeds naar wens.
Verwoesten is wat ik in zwartheid deed.
Het leven kent een prikkeldraden-grens.

Verwijt mij nooit wat ik mijzelf verweet.
Ik maak – kent u nog rare bohemiens? –
een fietstocht naar de zomen van het leed.

(Eigen werk)

De Elfenkoningin (Proloog Boek 2) – Edmund Spenser

Edmund Spenser (1552/1553 – 1599) was een Engels protestants dichter uit de zestiende eeuw. Hij was ruim tien jaar ouder dan Shakespeare (1564-1616), en ze waren dus tijdgenoten. Beiden waren jonger dan ik nu ben (geb. 1964) toen ze stierven.

Maar voor hun poëzie geldt misschien wel een tweetal regels van Ida Gerhardt, ontleend aan Twee Uur, de klokken antwoordden elkaar:

… wat ontsprong aan hun verwondering
en stralend de millennia doorscheen

Spensers bekendste werk is The Faerie Queene. Dat is een episch gedicht dat heldenverhalen vertelt, en het is ook een allegorisch gedicht waarin gepersonifieerde begrippen worden opgevoerd. The Faerie Queene is één van de langste gedichten in het Engelse taalgebied.

Een Faerie Queene is een elfenkoningin, een feeënkoningin, een koningin van sprookjesland. Het lange gedicht is opgedragen aan Elizabeth I, en kan ook gelezen worden als een eerbetoon aan de vorstin, naast de allegorische uitbeelding van een flink aantal ridderlijke deugden.

In 1590 kwamen de eerste drie boeken van The Faerie Queene uit, en in 1596 opnieuw drie boeken. Het voornemen lijkt te zijn geweest twaalf boeken te laten verschijnen, maar we beschikken alleen over de eerste zes.

Het vertaalde gedicht is een proloog die tevens een opdracht is aan Elizabeth I. De proloog gaat vooraf aan de tekst van Boek 2 waarin de avonturen van Sir Guyon worden verteld, een ridder die de deugd van de zelfbeheersing, de matiging, de discipline belichaamt.

Het gedicht heeft vijf strofen die geschreven zijn in een vorm die de ‘Spenserian Stanza‘ wordt genoemd: een strofevorm met negen regels, geschreven in jambische vijfvoeten, met een alexandrijn (een jambische zesvoet met een cesuur) als afsluitende slotzin. Het rijmschema is heel strak: ababbcbcc.

De aanleiding voor deze vertaling is het verhelderende voorwoord dat de C.S. Lewis-vertaler Arend Smilde heeft geschreven bij de vertaling van Of This and Other Worlds (1982), een boek van Lewis dat in de nabije toekomst in Nederlandse vertaling verschijnt onder de titel Andere Werelden en de onze. In dat voorwoord laat Smilde het verband zien tussen Lewis’ christelijke geloof en diens geloof in de literaire verbeeldingskracht. De titel van die Lewis-bundel lijkt een toespeling te bevatten op een zinsnede uit de derde strofe van het onderhavige gedicht (regel 7/8):

What if in euery other starre vnseene
Of other worldes he happily should heare?

Uiteindelijk heeft Smilde mijn vertaling niet gebruikt, maar hij heeft wel grondig en waardevol commentaar geleverd op mijn vertaling toen deze nog niet helemaal af was, waardoor het resultaat zeer is verbeterd, waarvoor veel dank. Uiteraard ben ik zelf geheel verantwoordelijk voor alle vertaalfouten die het gedicht mogelijk nog bevat.

De eerste vier strofen zijn eerder vertaald door Christine D’Haen en werden aangeboden aan koningin Beatrix en koningin Fabiola ter gelegenheid van Beatrix’ bezoek aan België in 1981.

Hier vindt u de geannoteerde tekst van het gedicht.

Vertaling:

De Elfenkoningin – proloog Boek 2

Ik weet heel goed, doorluchte soeverein,
dat heel deez’ roemrijke geschiedenis
het schuim lijkt van een ijdel brein,
verzinsel slechts, een bron van ergernis,
in plaats van raak herleefde heugenis,
want geen die adem heeft, heeft weet
waar toch dat fraaie elfenland wel is,
dat ik zo blij bezing, ´t ontglipt ons steeds
tenzij men tijd met ijle oudheden verdeed.

Maar laat ons het verstand als leidraad nemen,
veel van het aardrijk is nog niet ontdekt:
haast dagelijks wordt door vlijtig ondernemen,
besef van nieuwe streken opgewekt,
tot nu toe onvermoed, of hoogst suspect.
Wie had voorheen iets van Peru vernomen?
Welk dapper schip had een gegist bestek
der grote Amazone, met haar zomen?
Of van Virginia, welks vruchten tot ons komen?

Dit al bestond reeds – niemand die het wist,
en ’t bleef de knapste eeuwen onbekend:
een later tijd kent nieuwe zaken, onbetwist.
Waarom ontkennen als je nog onwetend bent,
slechts prijzen wat je uit aanschouwing kent?
Wat schuilt er in de lichtkring van de maan?
Wat als ‘n vreemde ster een boodschap zendt
van nieuwe oorden? – je zou perplex staan,
en je verwonderen – er zijn er die ’t verstaan.

Over dat elfenland kun je misschien
nog tekens vinden die jou vroeg of laat
een tipje geven. Mocht je ‘t niet doorzien,
besef dat speurzin bot kan zijn, inadequaat,
en volg het fijne spoor van rijm en maat.
Dan zult gij toch, o schone hemelkoningin,
in deze klare spiegel schouwen uw gelaat,
zoals uw rijk aan ‘t elfenland ontspringt,
uw voorgeslacht zich in dit oude beeld bevindt.

Een beeld dat ik, vergeef me, op zal bouwen,
gehuld in sluiers, vol van schaduwtonen,
zodat uw glorie zich durft te ontvouwen,
die anders zich niet makk’lijk zou vertonen,
verblinding treft wie schittering aanschouwen.
Vergeef me, en verleen aandachtig oor
aan ‘t avontuur dat Guyon zal bekronen,
met elfendapperheid, en tussendoor
vindt ook de schone deugd der Matiging gehoor.

Origineel:

The Faerie Queene (Book 2, Prologue)

Right well I wote most mighty Soueraine,
That all this famous antique history,
Of some th’aboundance of an idle braine
Will iudged be, and painted forgery
Rather than matter of iust memory,
Sith none, that breatheth liuing aire, does know,
Where is that happy land of Faery,
Which I so much do vaunt, yet no where show,
But vouch antiquities, which nobody can know.

But let that man with better sence aduize,
That of the world least part to vs is red:
And dayly how through hardy enterprize,
Many great Regions are discouered,
Which to late age were neuer mentioned.
Who euer heard of th’Indian Peru?
Or who in venturous vessell measured
The Amazons huge riuer now found trew?
Or fruitfullest Virginia who did euer vew?

Yet all these were, when no man did them know;
Yet haue from wisest ages hidden beene:
And later times things more vnknowne shall show.
Why then should witlesse man so much misweene
That nothing is, but that which he hath seene?
What of within the Moones faire shining spheare?
What if in euery other starre vnseene
Of other worldes he happily should heare?
He wonder would much more: yet such to some appeare.

Of Faerie lond yet if he more inquire,
By certaine signes here set in sundry place
He may it find; ne let him then admire,
But yield his sence to be too blunt and bace,
That no’te without an hound fine footing trace.
And thou, O fairest Princesse vnder sky,
In this faire mirrhour maist behold thy face,
And thine owne realmes in lond of Faery,
And in this antique Image thy great auncestry.

The which O pardon me thus to enfold
In couert vele, and wrap in shadowes light,
That feeble eyes your glory may behold,
Which else could not endure those beames bright
But would be dazled by exceeding light.
O pardon, and vouchsafe with patient eare
The braue aduentures of this Faery knight
The good Sir Guyon gratiously to heare,
In whom great rule of Temp’raunce goodly doth appeare.

Tinkelvers

Welk tinkelvers wil gaarne zingen
van staatsmanschap, van moed en durf,
van slavenhandel, deltawerken, turf,
van soevereiniteit in eigen kringen,

van graaien en de dans ontspringen,
van gulzigheid met snuit of slurf?
De taal der liefde kakel je wel murw,
geen God heeft weet van deze dingen.

Maar wat ten leste halfweg zal beklijven,
de bloeddorst van ons nationale zelf,
de spartelzucht van onze geile lijven,

al wat ons ooit deed komen tot onszelf,
het blijft in bloeddoorlopen vlekken wrijven,
gedruis dat hol weerklinkt in het gewelf.

(Eigen werk)

De berg – Elizabeth Bishop

elizabeth-bishop 1

Elizabet Bishop (Bron: The Library of America)

Elizabeth Bishop (1911-1979) was een Amerikaans schrijfster van gedichten en korte verhalen.

Het gedicht One Art, in het verleden door mij vertaald als De kunst bij uitstek (elders op dit kleine blog raadpleegbaar), is een bekend gedicht in haar oeuvre.

Ze heeft weinig gemeen met de Confessional Poets, tijdgenoten die erg openhartig waren over hun persoonlijk leven, en die details daarvan openlijk gebruikten in hun poëzie. Ze was daar terughoudend mee, en ze was, hoewel ze de feministische zaak zeker was toegedaan, onwillig om met nadruk te worden bejegend als de lesbische vrouw die ze was, bijvoorbeeld in door feministen samengestelde bloemlezingen.

Er zijn tijdens haar leven niet veel meer dan honderd gedichten gepubliceerd. Ze cultiveerde een objectieve dichtstijl, die rijk is aan details, en haar gedichten zijn zeer evocatief. Het effect ontlenen ze mede aan de sterke emotie die schemert door die uiterlijke objectiviteit heen.

Het artikel van Bridget Read, ‘The Powerful Reticence of Elizabeth Bishop‘, The New Republic, 9 juni 2017, is een goede eerste kennismaking met Elizabeth Bishop. (Het onderschrift bij de openingsfoto van dat artikel is misleidend. De fotograaf is haar toenmalige levenspartner Alice Methfessel, en de afgebeelde persoon is Elizabeth Bishop op latere leeftijd.)

Fraai citaat uit dit artikel:

She sought to tap into “the surrealism of everyday life, unexpected moments of empathy” in order to produce something universal, whole. She had felt most of her life that she was at odds with the world around her, and that poetry was her salve. Verse could break into the essential, crack open “the horrible and terrible world,” which had given her such pain. Why bring reality back in?

The Mountain lijkt enigszins op een villanelle, een strenge dichtvorm, al voldoet dit gedicht zeker niet aan alle eisen van die vorm. De openingsstrofe opent bijvoorbeeld niet met de keerregels in de eerste en derde regel, zoals gebruikelijk. Er zijn ook meer strofen. Alle strofen zijn vierregelig, in plaats van meestentijds drieregelig. Er is geen noemenswaardig rijm.

Het gedicht kent dramatiek. Er komt een berg aan het woord bij het vallen van de avond. Deze vertelt hoe het overdag is. En ten slotte wordt het donker en valt de nacht. En steeds de herhaalde dramatische mededeling: ik weet mijn leeftijd niet, en de herhaalde vraag: zeg me hoe oud ik ben.

De stem van het gedicht is die van de berg, en de berg personifieert natuurlijk de dichter, of de mens in het algemeen, iemand met misschien een onverwoestbare kern, maar die ook onderworpen is aan de nacht, zoals wij allemaal.

Vertaling:

De berg

’s Avonds, er doemt wat achter me.
Ik kom in beweging, ik krimp ineen,
of houd moeizaam stil en brand.
Ik weet mijn leeftijd niet.

‘s Morgens is alles anders.
Een boek ligt open voor mij,
al te dichtbij om fijn te lezen.
Zeg me hoe oud ik ben.

En dan vult zich het dal
Met een potdichte mist
Als een katoenprop in mijn oor.
Ik weet mijn leeftijd niet.

Niet dat ik klagen wil.
Ze zeggen ‘t ligt aan mij.
Niemand vertelt me iets.
Zeg me hoe oud ik ben.

De scherpste scheidslijn
loopt langzaam uit en wijkt
als een verwelkte tattoo.
Ik weet mijn leeftijd niet.

Een schaduw valt; licht stijgt.
Klauterende lichtjes, oh jeugd,
nooit ben je hier lang genoeg!
Zeg me hoe oud ik ben.

Een steenkam zeefde hier
met tanden de versteende veren.
De klauwen gingen toen teloor.
Ik weet mijn leeftijd niet.

Ik word steeds dover. Vogelroep
sijpelt nog voort, en de waterval
wordt niet gewist. Mijn leeftijd?
Zeg me hoe oud ik ben.

Tijd voor de maan om te hangen,
voor sterren om te vliegeren.
Ik wil mijn leeftijd weten.
Zeg me hoe oud ik ben.

Origineel:

The Mountain

At evening, something behind me.
I start for a second, I blench,
or staggeringly halt and burn.
I do not know my age.

In the morning it is different.
An open book confronts me,
too close to read in comfort.
Tell me how old I am.

And then the valleys stuff
impenetrable mists
like cotton in my ears.
I do not know my age.

I do not mean to complain.
They say it is my fault.
Nobody tells me anything.
Tell me how old I am.

The deepest demarcation
can slowly spread and sink
like any blurred tattoo.
I do not know my age.

Shadows fall down; lights climb.
Clambering lights, oh children!
You never stay long enough.
Tell me how old I am.

Stone wings have sifted here
with feathers hardening feathers.
The claws are lost somewhere.
I do not know my age.

I am growing deaf. Bird-calls
dribble and the waterfalls
go unwiped. What is my age?
Tell me how old I am.

Let the moon go hang,
the stars go fly their kites.
I want to know my age.
Tell me how old I am.

Wonder en Afgrond

A Welsh Landscape

EeEen Welsh landschap

Een paar gedachten over een gedicht van Ronald Stuart Thomas (1913-2000). Misschien dat u ze leuk vindt om te lezen.

Onlangs had ik op Twitter een korte discussie met een collega over de interpretatie van een gedicht van Ronald Stuart Thomas, een Welshe dominee-dichter. Het betrof het gedicht Three Countries (Uncollected Poems, @BloodaxeBooks), dat als volgt luidt:

Three Countries

At Soay at the Cuillins I saw the salmon leap,
Uneasy captives at the coble’s side,
Where four stern men were hauling at the nets
That bore the glittering burden of the tide.

At Keem in Achill, when the nets were spread,
The basking sharks came cruising in the bay;
I saw the water broken by their fins,
And the bright eddies as they turned away.

But once in Malldraeth when the whitebait lay,
A serried harvest, in the grottoed shade
Of some green pool, I saw the mackerel fall
Softly upon them like a silver blade.

Dit is een fraai gedicht, mooi van taal, geheimzinnig van betekenis. Ik vind dit gedicht ongeschikt voor een vertaling, vanwege de plaatsnamen, en ook wel vanwege de culturele context die ik haast niet kan oproepen zonder de vertaling te bedelven onder een berg voetnoten.

Ik moest sommige dingen opzoeken. Omdat ik het mogelijk acht dat u momenteel net zo onwetend bent als ik tot voor kort was, geef ik een paar woordbetekenissen die u misschien niet paraat hebt.

  • Soay at the Cuillins: een eilandje bij het Schotse Isle of Skye, met uitzicht op de bergruggen van de Cuillins.
  • Keem in Achill: een baai van het Ierse eiland Achill.
  • Malldraeth (meestal gespeld als Malltraeth): plaatsje aan het einde van een diepe baai van Isle of Anglesey, gelegen ten noordwesten van Wales.
  • Coble: een Schotse platbodem, gebruikt voor de visserij.
  • Basking shark: reuzenhaai, een vredelievende haai die voorkomt in de zeeën rondom het Verenigd Koninkrijk en Ierland (lengte tot 11 meter). ‘Basking’ betekent: zich koesterend.
  • Eddies: draaikolken – ‘the bright eddies’ worden heel fraai met een antimetrie (afwijking van het metrum) tot uitdrukking gebracht.
  • Whitebait: zeebliek (meestal: jonge haring).
  • Serried: dicht opeengepakt.

De vraag die opgeworpen werd in de korte Twitter-discussie was of je ‘bovennatuur’ nodig hebt om dit gedicht te begrijpen; R.S. Thomas was immers een Welshe dominee-dichter. In eerste instantie antwoordde ik van niet, want de betekenis van het gedicht liet zich immers ongeveer als volgt samenvatten:

Het gaat over drie landen: Schotland, Ierland en Wales. De scènes spelen zich allemaal af op een eiland. In de eerste strofe is sprake van zalm, in de tweede van de reuzenhaai, in de slotstrofe van makreel.

In die drie landen gebeuren verschillende dingen tussen mens en vis: de mens die de tegenspartelende vis vangt (Schotland), de vis die genietend zijn gang gaat tussen de vissende mens (Ierland), de vis die wreed en ongerept zijn natuurlijke gang gaan, andere visjes aanvalt, ongetwijfeld opeet, gadegeslagen door een eenzame toeschouwer (Wales). Het zijn een soort ‘scènes moralisées’.

Na er in de vroege ochtend tussen de lakens een beetje over te hebben gepeinsd, vond ik toch dat er nog wat meer over die bovennatuur moest worden gezegd. Dat stukje van de discussie heeft zich buiten de openbaarheid afgespeeld.

R.S. Thomas in a Welsh landscape seen on the back

R.S. Thomas in een Welsh landschap op de rug gezien

Bij Thomas overheerst bijna in alles wat hij schrijft een zin voor het wonderbaarlijke en een zin voor het afgrondelijke (een bijzondere vorm van het wonderbaarlijke).

Als je dat tot de bovennatuur rekent, dan kun je in je interpretatie niet om zo’n bovennatuur heen.

Thomas was bijzonder gesteld op Kierkegaard, iemand die veel heeft gefilosofeerd over de afgrond, het zweven daarboven, en de moed om dat te doen. Thomas was ook een aandachtig natuurliefhebber, net als zijn vrouw de schilder Mildred Eldridge (1909-1991).

Het gedicht bevat heel zuivere beelden, en drie indringende voorstellingen.

Thomas ontpopte zich bij tijd en wijle als een Welshe nationalist. Als dominee vond hij dat de meeste moderne kwalen voortkomen uit het feit dat de mens vergeten is hoe hij moet leven, en gedachteloos welvaart en genietingen najaagt.

Ik denk dat de zuiverheid, de wreedheid, de natuurlijkheid, de eenzaamheid en de ongereptheid van de Welshe voorstelling hem zeer aansprak.