Tagarchief: Gerard Manley Hopkins

R.S. Thomas-herdenkingsrede – Seamus Heaney

Uitgesproken door Seamus Heaney in Westminster Abbey op 28 maart 2001

Titel: R.S. Thomas Memorial. Delivered at Westminster Abbey, March 28th, 2001
Bron: The Ireland Poetry Review, nr. 69, zomer 2001, p.11-14
Stabiele URL: https://www.jstor.org/stable/25579620

Herdenkingsrede R.S. Thomas

In een van zijn latere gedichten, getiteld A life, dat duidelijk bedoeld is als zelfportret, bestempelt R.S. Thomas zichzelf als “een van ‘s levens / gewetensbezwaarden”. De levensschets getuigt van een typerende eerlijkheid en een typerende strengheid, maar wat me er het meest aan bevalt is de enigszins atypische onbekommerdheid die eruit spreekt. Voor even is degene die ons uit dit portret aanstaart bereid om zichzelf van opzij te bekijken om te zien wat andere mensen wel eens zouden kunnen zien. Thomas wist heel goed dat hij in veler ogen een grimmige figuur was, en elders in het gedicht bekende hij, met opnieuw vermakelijk-ongemakkelijke gestrengheid, “waar twee / bijeen zijn, was hij de ongewenste / derde.” Maar Thomas wist ook, net als wij, dat hij niet samenviel met deze karikatuur: hij was weliswaar soms iemand die anderen bekritiseerde en kastijdde, hij was ook een zielzorger, iemand die op zijn knieën ging, iemand die bij voortduring klopte op de deur van de waarheid, en die geen toegang kreeg. Een visionair, maar, zoals het gedicht ook zegt, “slechts visionair / in het besef van een horizon / voorbij de horizon”.

Het is één van de aardige samenlopen van de literatuurgeschiedenis dat Thomas zijn zoektocht naar die horizon aanving juist toen de tochten van twee andere Wijzen afliepen; het is met andere woorden mogelijk om het streven van zijn Verzamelde gedichten te lezen als de vervulling van het streven van W.B. Yeats en T.S. Eliot, zijn grote voorgangers die geprobeerd hebben om religieuze poëzie te schrijven in een areligieuze tijd. Hij leek op een van Yeats’ “onbevredigde bleke types”, maar wel een wiens doorleefde onvrede rechtstreeks zou leiden tot wat in zijn werk bij uitstek bevredigend is.

Toen ik Thomas voor het eerst las, had ik waardering voor zijn trouw aan het armeluisleven van de boeren in het heuvelland wier predikant hij was. De mensen in zijn gedichten deden mij denken aan de keuterboeren en landarbeiders die ik zelf had gekend, en het waren onder andere zijn verzen die mij hielpen bij mijn eerste schrijfpogingen. Song at the Year’s Turning [Lied bij de jaarwisseling] was een bundel waar ik van hield. De stofomslag had een ontwerp dat was gebaseerd op een stapelmuur, en dat paste goed bij de ruwe, bergachtige sfeer van afzondering en overleving die de gedichten opriepen. De spaarzaamheid van Thomas’ taal resoneerde in mij. Er zat iets van zelfbeteugeling in dit schrijven, alsof de dichter een afkeer koesterde van zijn eigen lyrische talent – en dat beviel mij. Dat beviel mij vooral omdat het lyrische talent zo zuiver was en ernaar leek te verlangen om zalig uitgeoefend te worden. Al heel vroeg had hij zichzelf toegestaan om te doen wat de jonge Yeats had gedaan, afstand nemen van de rijmende versregel en het volksdeuntje. Maar kort daarop volgde hij het voorbeeld van een andere Ierse dichter, Austin Clarke; hij koos de taal van de torenklok en kreeg een voorkeur voor de muziek van de vastentijd, met als gevolg dat zijn gedichten gaandeweg net zo kaal en onverbiddelijk werden als de crotalus (houten klepper) in het heiligdom van Goede Vrijdag.

Als dichter dorstte R.S. Thomas naar religieuze waarheid, en het is omdat die dorst onverminderd groot bleef dat zijn werk de toekomstige generaties van de een-en-twintigste eeuw zal kunnen overtuigen. Voor hem geldt niet de gebedsverhoring die in vrees en beven wordt verwacht, zoals opgeroepen door George Herbert. Er weerklinkt geen gebeier achter het gesternte; er is geen vorm van hemels getokkel of getingel. Als dichter-dominee staat Thomas natuurlijk wel in dezelfde traditie als Herbert, maar het is de Herbert van de kale toonladders, van een harp die ‘ongestemd, ongespannen’ is, de Herbert van ‘Deniall’ [Afwijzing] en ‘The Collar’ [Het boordje], bij wie de cholerische neiging niet zozeer merkteken is van het kerkelijk ambt, maar eerder een kenmerk van een onmatige persoonlijkheid, leidend tot uitbarstingen van opstandige toorn.

Maar het werk van R.S. Thomas toont niettemin een fantastisch doorzettingsvermogen, een besef dat hij zich niet van zijn roeping zal laten afbrengen, en ook dat hij niet de dupe zal worden van zijn vroomheid, en het is deze pelgrimsvolharding die zijn poëzie een blijvende kracht verleent. Als we hier en nu deze dichter gedenken, dan is wat we eren juist deze ootmoedige standvastigheid. In onze voorstelling heeft hij een eenzelvig profiel gekregen, een beetje zoals de verzamelaar van bloedzuigers bij Wordsworth, maar droefgeestiger, veeleer geneigd om zijn staf te werpen naar degene die hij tegenkomt dan om erop te leunen bij het verstrekken van z’n kluizenaarswijsheden. Thomas bezat een ongeremde en onbeheerste kant, altijd klaar om elke plannenmakerij te ontregelen, een kant die tekeer ging tegen Engelse vakantiehuizen op het Welshe platteland. En toch schuilde er gedrevenheid en accuratesse in zijn culturele en nationalistische boosheid; zijn vervreemding van het steeds meer door rijke nieuwkomers volgebouwde landschap was een aspect van een algemenere, moderne ontworteling, een toestand die zowel betrokkenheid als ironische afstandelijkheid nodig heeft – een toestand die zeker zou zijn herkend door schrijvers als George Seferis en Patrick Kavanagh. Hoe onsympathieker zijn land zich voordeed, hoe dieper hij de noodzaak voelde zich ermee te verbinden.

Ik zal twee gedichten van hem voorlezen zonder veel commentaar, want ze hebben geen uitleg nodig. De eerste is getiteld The One Furrow, een heel eenvoudig gedicht, kennelijk nog een imitatie, en toch is het al een voorafschaduwing van de vorm die R.S. Thomas’ geestelijke en artistieke leven zou aannemen: het verantwoordelijkheidsbesef, de niet aflatende zoektocht, de vore die wordt geploegd naar de horizon voorbij de horizon.

[Het oorspronkelijke gedicht heeft eindrijm (aabab ccdcd eefef) dat in vertaling niet is gehandhaafd]

De ene vore

Toen ik jong was ging ik naar school
met lineaal en schrijfstift,
griffel en lei,
en ik zat op een hoog bankje
aan de poort van de kennis.

Toen ik ouder werd, zwaaide de poort open;
slim en oplettend als ik was
wurmde ik me erdoor,
maar vond in de trots van mijn geest
geen vrede, geen rust.

Toen leerde iemand me terug te gaan
naar vee en mesthoop;
veld en ploeg:
om zich te richten op die ene vore,
dezelfde die ik nog volg?

Het volgende gedicht is heel bekend, een van de ‘pastorale gedichten’ dat het bezoek van een priester aan een zieke parochiaan als onderwerp heeft. Voor mijn gevoel is dit gedicht in een tweegesprek verwikkeld met een ander gedicht van een andere dichter-priester over hetzelfde onderwerp, een gedicht dat op dezelfde manier begint als dat van Thomas, met het uitspreken van de naam van de parochiaan. “Felix Randal de hoefsmid, O is hij echt dood?” vraagt Gerard Manley Hopkins, en hij gaat verder met zich te herinneren hoe het uitdelen van het sacrament aan de hoefsmid verzachting en verlichting had geschonken, en op het eind had gezorgd voor leniging van nood en geestelijke verkwikking. Maar als R.S. Thomas zich zijn herderlijke zorg aan Evans herinnert, is de uitkomst heel anders:

Evans

Evans? Ja, heel wat keren
daalde ik af langs de kale
trap naar de knokige keuken
met het houtvuur, met krekelgezang
ter begeleiding van het huilende
zwarte keteltje, zo het koude donker in
om te smoren in het wassend tij
van de nacht, deinend langs de muren
van z’n schrale hoeve op de kam.

t Was niet het donker dat me tegenstond,
al vulde het oog en mond; zelfs niet de regen
die als bloed drupte van die ene door het weer
geteisterde boom. Het was het donker
dat de aderen dichtslibde van deze zieke man
die ik liet stranden op de uitgestrekte
en eenzame kust van zijn verlaten bed.

Bonte pracht – Gerard Manley Hopkins

Herfstkleuren

Herfstkleuren (herkomst)

Gerard Manley Hopkins (1844-1891) was een van de belangrijkste Victoriaanse dichters. Hij was katholiek priester en jezuiet.

Op verzoek van Robbert Jan Bron heb ik het gedicht Pied Beauty vertaald. Het is (inderdaad) een prachtig gedicht.

Het is al eerder vertaald, onder anderen door Leo Vroman1 en door Pater Begheyn2 (ten gehore gebracht bij de uitvaart van Kees Fens).3

W.J.M. Bronzwaer (1936-1999), bij leven hoogleraar Algemene Literatuurwetenschap in Nijmegen, heeft in 1984 bij Ambo een door hem samengestelde tweetalige bundel gepubliceerd:  Gedichten / Gerard Manley Hopkins (keuze uit zijn poëzie met vertaling en commentaren). Een voorpublicatie daarvan en een interessante inleiding zijn online beschikbaar bij de Digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren (dbnl).4

Ik heb op deze vertaling kritiek gekregen die ik inmiddels verwerkt heb. Ik ben de criticus (die op deze openbare plaats liever anoniem blijft) zeer erkentelijk.

Volgens Bronzwaer heeft het woord ‘change’ in de laatste regel “zonder twijfel” betrekking op Darwins evolutie. Ik heb mede daarom gekozen voor de vertaling ‘variatie’.

Vertaling:

Bonte pracht

Eer zij God voor bonte dingen –
Voor bipolaire luchten als een gevlekte koe;
Voor rozige sproetjes als stippels op zwemmende forellen;
Vers-gloeiende kastanje-oogst; vleugelglans van vinken;
Verdeeld, verkaveld land – braak, geplooid, geploegd;
En van ieder ambacht het gerei, het tuig, de toestellen.

Hoe strijdig ook, oorspronkelijk, raar, apart;
Al wat balsturig is, bespikkeld (wie weet hoe?)
Met zoet, zuur, flonkerend, flauw, het trage of het snelle –
Hij vadert voort, wiens schoonheid elke variatie tart:
Looft Hem.

Origineel:

Pied Beauty

Glory be to God for dappled things –
For skies of couple-colour as a brinded cow;
For rose-moles all in stipple upon trout that swim;
Fresh-firecoal chestnut-falls; finches’ wings;
Landscape plotted and pieced – fold, fallow, and plough;
And áll trádes, their gear and tackle and trim.

All things counter, original, spare, strange;
Whatever is fickle, freckled (who knows how?)
With swift, slow; sweet, sour; adazzle, dim;
He fathers-forth whose beauty is past change:
Praise him.


  1. Geciteerd in bijv.: Kees Both, ‘Gerard Manley Hopkins en de ecologische theologie‘, website: http://www.sporenvangod.nl, p.6 (pdf-bestand met toelichting bij het gedicht). 
  2. Paul Begheyn S.J. (1944-), jezuiet, stafmedewerker Ignatiushuis en schrijver; hij publiceert sinds 1963 over geschiedenis, spiritualiteit, cultuur van de jezui͏̈etenorde, beeldende kunst en poëzie. Hij wordt beschouwd als een Petrus Canisius-kenner.
  3. Wiel Kusters, Mijn versnipperd bestaan. Het leven van Kees Fens 1929-2008, Amsterdam: Athenaeum-Polak en Van Gennip 2014 
  4. W. Bronzwaer, [Vertaallaboratorium] ‘G.M. Hopkins: een Victoriaans Modernist‘, De Revisor, jrg.11 (1984), p.42-47.

Gods grandeur – Gerard Manley Hopkins

GerardManleyHopkins
G.M. Hopkins (herkomst)

Gerard Manley Hopkins (1844-1891) was een van de belangrijkste Victoriaanse dichters. Hij was katholiek priester en jezuiet.

Dit gedicht is een sonnet met een streng rijmschema en de regels zijn bovendien afgeladen met alliteratie of stafrijm. Het gedicht bevat tevens een vrij beroemde zin die uit louter beklemtoonde eenlettergrepige woorden is opgebouwd: Why do men then now not reck his rod?

In deze vertaling heb ik – enigszins tegen mijn gewoonte in – het rijmschema niet strak gevolgd, omdat het vertaalresultaat er naar mijn smaak minder van werd als ik dat toch probeerde.

Om letterlijkheidsaanbidders en Droogstoppels royaal gelijk te geven: er zijn geen foto’s van een broedende Heilige Geest bekend.

Hier kan een bespreking van het gedicht worden geraadpleegd.1

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling:

Gods grandeur

De wereld is geladen met de grandeur van God,
Die opvlamt, als schittering van gekreukeld goudfolie,
Die aanwast tot grootsheid, als trage, uitgeperste olijfolie.
Waarom vreest men nu dan niet de schichten van Zijn staf?

Geslachten traden aan, traden op, traden plat;
Bedrijvigheid heeft alles besmet, besmeurd, bevlekt met vlijt,
Bezoedeld met mensengeur, bespat: de aarde slijt,
Werd kaal; gevoelloos bleek de voet die werd geschoeid.

Natuur wordt niettemin nooit helemaal verbruikt;
Kostbare jonkheid leeft in haar diepste grond;
Zelfs als het laatste licht in het zwarte westen dooft, ontluikt

Deze oostwaards aan de rode rand – O, morgenstond –
Want de Heilige Geest rust broedend op de gewelfde
Wereld met – jawel! – glanzende vleugels en warme borst.

Origineel:

God’s Grandeur

The world is charged with the grandeur of God.
It will flame out, like shining from shook foil;
It gathers to a greatness, like the ooze of oil
Crushed. Why do men then now not reck his rod?

Generations have trod, have trod, have trod;
And all is seared with trade; bleared, smeared with toil;
And wears man’s smudge and shares man’s smell: the soil
Is bare now, nor can foot feel, being shod.

And for all this, nature is never spent;
There lives the dearest freshness deep down things;
And though the last lights off the black West went

Oh, morning, at the brown brink eastward, springs–
Because the Holy Ghost over the bent
World broods with warm breast and with ah! bright wings.


  1.  Skylar H. Burris, University of Virginia, BA ’97; University of Texas at Brownsville, MA, Biblical Imagery in Gerard Manley Hopkins’s “God’s Grandeur” (1999).