Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilderes Mildred Eldridge (1909-1991).
R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).
Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.
Dit gedicht komt uit de bundel Experimenting with an Amen uit 1986, en de titel van die bundel suggereert dat hij moeite doet om tot een vorm van geloofsaanvaarding te komen – uitgedrukt met het bekende slotwoord van het gebed, Amen (= zo zal het zijn).
Het stralende kerstkind wordt vergeleken met de stralende maan, en zoals de maan naar beneden straalt vanuit het heelal, zo straalt het kind op een vreemde manier naar het heelal, tussen de wolkenflarden door, als een lamp tussen scherven. Het woord ‘abroad’ betekent hier zowel ‘uitheems’, ‘vreemd’, ‘niet-passend’, ‘misplaatst’, ‘ongerijmd’ als ‘verreikend’, ‘grensoverschrijdend’. Ik heb geprobeerd dit uit te drukken met ‘verdwaald’.
Vertaling
Kerstkind
De maan wordt geboren en een kind wordt geboren, gewikkeld in witte lakens als de maan in de wolken.
Ze stralen allebei, maar het licht van de één is verdwaald in het heelal als tussen scherven van glas.
Origineel:
Nativity
The moon is born and a child is born, lying among white clothes as the moon among clouds.
They both shine, but the light from the one is abroad in the universe as among broken glass.
Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).
Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de subtiele schilderes Mildred Eldridge (1909-1991).
Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.
In dit gedicht maakt Thomas zich op voor een ontmoeting met God, een ontmoeting die uit lijkt te blijven, maar paradoxalerwijs toch plaats lijkt te vinden. De setting is vertrouwd: een verlaten eiland, de zee, een door de tijd getekend kerkje. Andere mensen van wie hij zich vervreemd voelt. Een intense stilte, eenzaamheid, twijfel, twijfelend geloof.
Het is een ongebonden vers, voortgestuwd door enjambementen, zinnen die over de versregels heenlopen. Van groot belang is hier het ritme van de zinnen.
Het eiland is Bardsey Island (Welsh: Ynys Enlli), het eindstation van de North Wales Pilgrim’s Way, een eiland dat R.S. Thomas kon zien liggen als hij uitkeek over zee.
Het gedicht is gepubliceerd in de bundel Between Here and Now (1981).
Vertaling:
Voordracht van de vertaling
Bedevaartstochten
Er is een eiland waar je niet naar toe kunt, alleen met een bootje zoals vroeger de heiligen, gaande de gang langs de doodsbange koppen van hen die reeds lang zijn verdronken, kauwend op het gruis van zijn stranden. Zo ging ik de zoutweg op naar het gebouw met het stenen altaar en de gedoofde kaarsen, en ik knielde en hief mijn blik op naar de woedende waterspuwer, een uiltje dat lijkt op een gekrompen en wrokkig geworden god. Geen gestalte is meer te zien in het glas-in-lood van de hemel. Ben ik te laat? Waren ze ook te laat, deze eerste pelgrims? Hij is zo’n snelle God, ons altijd vooruit, en steeds weggaand als we komen. Er zijn er hier ook die niet gekomen zijn om te bidden, wier dagelijkse eredienst de eeuwige zee is. Ze luisteren niet naar gezangen maar naar de trage chemie van de bodem die heiligenbeenderen tot stof maakt, stof die kriebelt in de neusgaten.
Op dit eiland is alles tijdloos. De slingerbeweging van het tij kent geen klok: wat gebeurt heeft dag noch uur. Deze mensen zijn niet vroeg of laat: ze zijn hier slechts om die ene vraag te stellen die het leven beantwoordt door zich in hen te roeren. Degene die de vraag stelt ben ik. Was mijn bedevaart misschien om te komen tot mezelf, om te beseffen dat op zulke momenten en voor iemand als ik God zich nooit klaar en helder buiten vertoont, maar veeleer duister en onbegrijpelijk – alsof hij hierbinnen was?
Origineel:
Pilgrimages
There is an island there is no going to but in a small boat the way the saints went, travelling the gallery of the frightened faces of the long-drowned, munching the gravel of its beaches. So I have gone up the salt lane to the building with the stone altar and the candles gone out, and kneeled and lifted my eyes to the furious gargoyle of the owl that is like a god gone small and resentful. There is no body in the stained window of the sky now. Am I too late? Were they too late also, those first pilgrims? He is such a fast God, always before us and leaving as we arrive. There are those here not given to prayer, whose office is the blank sea that they say daily. What they listen to is not hymns but the slow chemistry of the soil that turns saints’ bones to dust, dust to an irritant of the nostril.
There is no time on this island. The swinging pendulum of the tide has no clock: the events are dateless. These people are not late or soon: they are just here with only the one question to ask, which life answers by being in them. It is I who ask. Was the pilgrimage I made to come to my own self, to learn that in times like these and for one like me God will never be plain and out there, but dark rather and inexplicable, as though he were in here?
Olieverfschilderij van William Shakespeare, waarschijnlijk geschilderd door John Taylor in 1610
De Engelse dichter, toneelschrijver en acteur William Shakespeare (1564-1616) wordt algemeen beschouwd als een van de grootste dichters die ooit heeft geleefd. Naast toneelwerk in verzen heeft hij ook 154 sonnetten geschreven die al vaker in het Nederlands vertaald zijn. Veel van die vertalingen zijn ook wel online te vinden.
Sonnet 146 is één van de laatste gedichten in de sonnettenreeks, en algemeen wordt aangenomen dat Shakespeare dit sonnet gericht heeft aan The Dark Lady, de zwarte dame. Over die dame weten we niet bijzonder veel. Wel is duidelijk dat Shakespeare met zijn beeldspraak optutten, ijdel vertoon voorstelt als iets van geringe waarde, en de voeding van de ziel als uiterst waardevol. En de teloorgang van het lichaam kan zelfs voeding zijn voor de ziel, waardoor de dood wordt overwonnen.
De sonnetvorm bij Shakespeare wijkt enigszins af van het Italiaanse sonnet dat door Petrarca is vervolmaakt. Het Shakespeareaanse sonnet telt drie kwatrijnen en een afsluitend distichon. De wending, cesuur of volta bevindt zich niet na het tweede kwatrijn – zoals bij Petrarca – maar tussen de drie kwatrijnen en de afsluitende slotregels.
In mijn vertaling heb ik in twaalf van de veertien versregels de vijfvoetige jambe (tien of elf lettergrepen, afhankelijk van het rijm – staand of slepend) vervangen door de zesvoetige jambe (twaalf of dertien lettergrepen, idem).
Over dit gedicht wordt vaak gezegd dat het een van de weinige gedichten is in Shakespeare’s oeuvre met een religieuze strekking, iets wat ik overigens betwijfel.
Het gedicht lijkt duidelijke toespelingen op de bijbel te bevatten, in de zin dat het verheerlijken van ijdel vertoon en het opmaken van het lichaam wordt verworpen, en er veel waarde wordt gehecht aan het voeden van de ziel met zaken die tijdloos zijn, waarmee – getuige het afsluitende distichon (de twee slotregels) – zelfs de dood onschadelijk wordt gemaakt.
Maar uiteraard ontbreekt de Shakespeareaanse ironie nooit helemaal.
Hier treft u een vrij goede toelichting op het sonnet aan, met een heldere en uitvoerige uitleg per zin.
In regel twee is in de eerste druk van de uitgave van de Sonnetten een zetfout gemaakt. De laatste drie woorden van de eerste regel – ‘my sinful earth’ – werden herhaald als de eerste drie woorden van de tweede regel. Dat klopt sowieso niet, en het klopt ook niet met de lettergreeptelling. Er is door heel veel redacteuren en commentatoren gegist wat er moet staan. Ik heb in deze vertaling op grond van persoonlijke voorkeur voor ‘[Why feed’st]‘ gekozen, maar het is goed om te bedenken dat er ook iets heel anders bedoeld kan zijn. Het woord ‘array’ aan het eind van de tweede regel kan zowel ‘in slagorde opstellen’ als ‘fraai uitdossen’ betekenen.
Voor de Engelse tekst volg ik de uitgave van de sonnetten in de reeks The Arden Shakespeare, met uitzondering van de genoemde keuze voor de eerste twee woorden van regel 2. Genoemde Arden-editie heeft: ‘Feeding these’. Peter Verstegen koos voor: ‘Repel these’. De Engelse acteur en filmproducent Sir Patrick Stewart draagt hier het gedicht voor met – als ik goed heb geluisterd – op die plaats de woorden ‘Pressed by’.
Vertaling:
Sonnet 146
O ziel, kern van mijn zondige, stoffelijke aard, waarom toch voed je dwarsheid die laat paraderen, waarom toch kwijn je weg, is ’t nodige zo schaars, en schilder je jouw buitenmuur in dure kleuren?
Waarom toch zou je, met zo’n kort contract, zo gul spenderen aan een landhuis dat vergaat? Zal de aardworm, erfgenaam van deze overdaad, er straks van smullen? Is dat van ‘t sterfelijk lijf het doel?
Mijn ziel, trek toch profijt van dienaars diepe smart, en laat zijn pijn steeds jou tot voordeel zijn. Koopt hemelse schatten op de markt van schuim en as; weest innerlijk welgevoed, uitwendig zonder schijn.
Dus voed je met de dood, die zich met mensen voedt; geen mens die – als de dood straks dood is – sterven moet.
Origineel:
Sonnet 146
Poor soul, the centre of my sinful earth, [Why feed’st] these rebel powers that thee array, Why dost thou pine within and suffer dearth, Painting thy outward walls so costly gay?
Why so large cost, having so short a lease, Dost thou upon thy fading mansion spend? Shall worms, inheritors of this excess, Eat up thy charge? Is this thy body’s end?
Then, soul, live thou upon thy servant’s loss, And let that pine to aggravate thy store; Buy terms divine in selling hours of dross, Within be fed, without be rich no more:
So shalt thou feed on death, that feeds on men, And death once dead, there’s no more dying then.
De dichter Wystan Hugh Auden (1907-1973) groeide op in Engeland, ging vlak voor de Tweede Wereldoorlog naar Amerika, ontving zijn opvoeding in een Anglicaans gezin, hield aanvankelijk van Freud, een tijdje halfhartig van Marx, keerde gerijpt terug naar het geloof van zijn jeugd, schreef gedichten, libretti en toneelteksten, en wordt veelal beschouwd als een van de grootste Engelse dichters in de twintigste eeuw.
Wie meer wil weten over Auden kan elders op mijn website terecht. Ik houd veel van zijn werk en heb al aardig wat vertalingen van zijn gedichten gemaakt. Peter Verstegen – een gelauwerd vertaler – heeft hier een Ten Geleide bij het vertalen van Auden gepubliceerd.
En hier maakte Verstegen een (naar mijn smaak) geslaagde vertaling van The Model openbaar.
Met betrekking tot dit gedicht is het nog wel goed om te vermelden dat de homoseksuele Auden vanaf zijn studietijd, de tijd dat hij zichzelf losmaakte van de afkeer die zijn milieu had jegens homoseksualiteit, de sterke neiging had – een neiging die hij gedurende zijn leven grotendeels heeft behouden – om te denken dat psychische verkramptheid, neurosen, het onvermogen om je te bevrijden van dat wat je belemmert, een onmiskenbaar effect heeft op je lichaam, op je fysieke gesteldheid, en dus op de kans dat je akelige ziekten (zoals kanker) ontwikkelt.
Alfred Binet (1857-1911) was een Franse psycholoog naar wie de Stanford-Binet-intelligentieschaal is genoemd, de eerste intelligentietest. Hermann Rorschach was een Zwitsers psychiater die de inktvlektest ontwikkelde. Uit de resultaten van deze test konden psychische eigenaardigheden van de testpersoon worden afgeleid zonder dat deze het zelf besefte.
Dit gedicht vertaalde ik al in 1998. Hierbij de publicatie met een paar kleine aanpassingen.
Vertaling:
Het Model
Wie in nette heren verleiders ziet, of in een verlegen meisje de angst voor een afwijzing leest, beseft wel terdege, dat iets uit handpalm, handschrift of gezicht te halen een zaak is van vertalen; maar dit oude dameslichaam geeft haarscherp een beeld van haar geest.
Ook zonder Rorschach of Binet begrijpt de grootste dwaas van haar krasheid en fiere verschijning de taal; want als je de tachtig haalt maakt zelfs een ietsie-pietsie vrekkigheid dat je aan duizend kwalen lijdt, en zonder mankeren blijkt een korreltje wanhoop fataal.
Of de stad zich ooit bezatte aan haar boezem, ze evident een dame was met faam en hippe habitus in kerkelijke kring, en grondig werd verwend door haar echtgenoot, of ze haar zoon verloor, dat alles verdween en ging teloor wat ook gebeurde, ze is er nog, ze vergaf, ze werd wat zij is.
Zo kan de schilder zijn gang gaan: een Engelse tuin wellicht, Chinese rijstvelden, een grootstedelijke wildernis, de lucht donker maken of licht, haar afzetten tegen groen pluche of een rode muur, eenheid verleent ze aan elk decor, door het oog te richten op wat waarlijk menselijk is.
Origineel:
The Model
Generally, reading palms or handwriting or faces Is a job of translation, since the kind Gentleman often is A seducer, the frowning schoolgirl may Be dying to be asked to stay; But the body of this old lady exactly indicates her mind;
Rorschach or Binet could not add to what a fool can see From the plain fact that she is alive and well; For when one is eighty Even a teeny-weeny bit of greed Makes one very ill indeed, And a touch of despair is instantaneously fatal:
Whether the town once drank bubbly out of her shoes or whether She was a governess with a good name In Church circles, if her Husband spoiled her or if she lost her son, Is by this time all one. She survived whatever happened; she forgave; she became.
So the painter may please himself; give her an English park, Rice-fields in China, or a slum tenement; Make the sky light or dark; Put plush green behind her or a red brick wall. She will compose them all, Centering the eye on their essential human element.
Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de subtiele schilderes Mildred Eldridge (1909-1991).
Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).
Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.
Het onderhavige gedicht was één van de gedichten waarop Thomas zelf erg was gesteld, en dat ook is voorgedragen op zijn begrafenis.
Het werd gepubliceerd in No Truce with the Furies (Newcastle upon Tyne : Bloodaxe Books, 1995).
Vertaling:
Avond
De boogschutter die aanlegt met de pijl van de tijd – heeft hij z’n pees gebroken nu de regenboog zo roerloos hangt boven ons dorp?
Laat ons daar staan, even, in de korte spanne tussen onze pijnigingen, tot de stilte van goud wordt, en liefde ons overstroomt in een eeuwig moment.
Origineel:
Evening
The archer with time as his arrow – has he broken his strings that the rainbow is so quiet over our village?
Let us stand, then, in the interval of our wounding, till the silence turn golden and love is a moment eternally overflowing.
Ik heb in het verleden al een vrij groot aantal gedichten van de dichter Ronald Stuart Thomas vertaald. Als u iets meer wilt weten van zijn achtergrond, dan verwijs ik u graag naar berichten die ik al eerder geschreven heb, bijvoorbeeld hier.
Hier kunt u de voordracht beluisteren die Thomas van dit gedicht gaf.
Ik vrees dat ik het aantal lettergrepen van het origineel vrij ver heb overschreden.
Dit gedicht komt uit de bundel The Echoes Return Slow (1988).
Vertaling:
Ik preekte over grote dingen
Ik preekte over grote dingen
in een kleine gemeente. Kleingeestig
zal ik niet zeggen, sommigen
hadden diepten waarvoor ik terug-
deinsde, welputten waarin je het
wegstervende woord ‘God’ laat vallen,
en waarin het, zover ik weet, alsmaar
verder valt. Wie erheen gaat
voor water, moet rekenen op een lange
zit. Hun ogen keken me aan
als de restanten van bloemen
op een oud graf. Ik kwam er,
voelde ik, om sintels aan te blazen
die reeds lang waren afgekoeld. Vaak,
als ik meende dat ze op het punt stonden
om zich voor me te ontsluiten, kwam
de tocht uit hun lege ruimten me
suizend tegemoet, en wikkelde ik mijzelf
in het gewichtiger gewaad van mijn roeping,
sprekend van licht en liefde in de steeds
zwaardere schaduwen van hun keukens.
Origineel:
I was vicar of large things
I was vicar of large things
in a small parish. Small-minded
I will not say, there were depths
in some of them I shrank back
from, wells that the word ‘God’
fell into and died away,
and for all I know is still
falling. Who goes for water
to such must prepare for a long
wait. Their eyes looked at me
and were the remains of flowers
on an old grave. I was there,
I felt, to blow on ashes
that were too long cold. Often,
when I thought they were about
to unbar to me, the draught
out of their empty places
came whistling, so that I wrapped
myself in the heavier clothing
of my calling, speaking of light and love
in the thickening shadows of their kitchens.
Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die ook in Wales woonde en werkte als een Anglicaans priester. Hij was een groot natuurliefhebber, had een vrij vergaande afkeer van moderne zaken die hij vond afleiden van waar het in het leven echt om ging, en hij schreef in het Engels.
Een aardige bespreking door Theodore Dalrymple van zijn biografie – Byron Rogers, The Man Who Went into the West: The Life of R. S. Thomas, Aurum Press – vindt u hier.
Hij was een merkwaardige, eenzelvige figuur die prachtige gedichten schreef, getrouwd was met de schilder Mildred (Elsi) Eldridge, aan wie hij een paar fraaie gedichten heeft gewijd – zie elders op dit blog (bereikbaar via het menu op de hoofdpagina, onder de naam R.S. Thomas).
Kingsley Amis – zeker geen geestverwant – schreef dat zijn poëzie “reduces most modern verse to footling whimsy” (=triviale gekkigheid). Hij is in Nederland niet zeer bekend. John Betjeman meende dat Thomas’ poëzie nog gelezen zou worden lang nadat zijn gedichten zouden zijn vergeten.
Het gedicht Sea-watching is een karakteristiek gedicht in Thomas’ oeuvre: bidden, afwezigheid, zee, vogels. Thomas was een vogelaar. In dit gedicht kijkt hij uit over de zee – het lijkt een terugkeer te betreffen. Zijn ogen zoeken vergeefs naar de vogel die zich niet vertoont. De schoonheid van dit alles is zo overweldigend dat de afwezigheid van de vogel er bijna niet meer toe doet. Het gedicht behandelt hiermee het thema van de Via Negativa op een gedempte manier: zie elders op dit blog.
De titel luidt dan ook Sea -watching en geen ‘Bird-watching’, Golven kijken en geen ‘Vogels kijken’.
Het gedicht is opgenomen in de bundel Laboratories of the Spirit, uitgegeven bij Macmillan in Londen (1976).
Grijze wateren, uitgestrekt als de gebedscontreien die je betreedt. Dagelijks, gedurende een aantal jaren, liet ik het oog erop rusten. Was er iets waarop ik wachtte? Niets gebeurde behalve dat onophoudelijke aanrollen van doelloze golven. Ah, maar een vogel die je haast nooit ziet, zie je haast nooit. Hij komt pas als je niet kijkt, op een moment dat je er niet bent. Je moet je ogen verslijten, zoals een ander zijn knieën. Ik werd de kluizenaar van de rotsen, omwoond door de wind en de mist. Er waren dagen – zo prachtig was de leegte die hij had kunnen vullen – dat z’n afwezigheid was als z’n aanwezigheid; zo onlosmakelijk zijn die twee, dat in mijn verwoede geest, na het lange vasten, mijn kijken met bidden versmolt.
Origineel:
Sea-watching
Grey waters, vast as an area of prayer that one enters. Daily over a period of years I have let the eye rest on them. Was I waiting for something? Nothing but that continuous waving that is without meaning occurred. Ah, but a rare bird is rare. It is when one is not looking at times one is not there that it comes. You must wear your eyes out, as others their knees. I became the hermit of the rocks, habited with the wind and the mist. There were days, so beautiful the emptiness it might have filled, its absence was as its presence; not to be told any more, so single my mind after its long fast, my watching from praying.
Edmund Spenser (1552/1553 – 1599) was een Engels protestants dichter uit de zestiende eeuw. Hij was ruim tien jaar ouder dan Shakespeare (1564-1616), en ze waren dus tijdgenoten. Beiden waren jonger dan ik nu ben (geb. 1964) toen ze stierven.
Maar voor hun poëzie geldt misschien wel een tweetal regels van Ida Gerhardt, ontleend aan Twee Uur, de klokken antwoordden elkaar:
… wat ontsprong aan hun verwondering
en stralend de millennia doorscheen
Spensers bekendste werk is The Faerie Queene. Dat is een episch gedicht dat heldenverhalen vertelt, en het is ook een allegorisch gedicht waarin gepersonifieerde begrippen worden opgevoerd. The Faerie Queene is één van de langste gedichten in het Engelse taalgebied.
Een Faerie Queene is een elfenkoningin, een feeënkoningin, een koningin van sprookjesland. Het lange gedicht is opgedragen aan Elizabeth I, en kan ook gelezen worden als een eerbetoon aan de vorstin, naast de allegorische uitbeelding van een flink aantal ridderlijke deugden.
In 1590 kwamen de eerste drie boeken van The Faerie Queene uit, en in 1596 opnieuw drie boeken. Het voornemen lijkt te zijn geweest twaalf boeken te laten verschijnen, maar we beschikken alleen over de eerste zes.
Het vertaalde gedicht is een proloog die tevens een opdracht is aan Elizabeth I. De proloog gaat vooraf aan de tekst van Boek 2 waarin de avonturen van Sir Guyon worden verteld, een ridder die de deugd van de zelfbeheersing, de matiging, de discipline belichaamt.
Het gedicht heeft vijf strofen die geschreven zijn in een vorm die de ‘Spenserian Stanza‘ wordt genoemd: een strofevorm met negen regels, geschreven in jambische vijfvoeten, met een alexandrijn (een jambische zesvoet met een cesuur) als afsluitende slotzin. Het rijmschema is heel strak: ababbcbcc.
De aanleiding voor deze vertaling is het verhelderende voorwoord dat de C.S. Lewis-vertaler Arend Smilde heeft geschreven bij de vertaling van Of This and Other Worlds (1982), een boek van Lewis dat in de nabije toekomst in Nederlandse vertaling verschijnt onder de titel Andere Werelden en de onze. In dat voorwoord laat Smilde het verband zien tussen Lewis’ christelijke geloof en diens geloof in de literaire verbeeldingskracht. De titel van die Lewis-bundel lijkt een toespeling te bevatten op een zinsnede uit de derde strofe van het onderhavige gedicht (regel 7/8):
What if in euery other starre vnseene
Of other worldes he happily should heare?
Uiteindelijk heeft Smilde mijn vertaling niet gebruikt, maar hij heeft wel grondig en waardevol commentaar geleverd op mijn vertaling toen deze nog niet helemaal af was, waardoor het resultaat zeer is verbeterd, waarvoor veel dank. Uiteraard ben ik zelf geheel verantwoordelijk voor alle vertaalfouten die het gedicht mogelijk nog bevat.
De eerste vier strofen zijn eerder vertaald door Christine D’Haen en werden aangeboden aan koningin Beatrix en koningin Fabiola ter gelegenheid van Beatrix’ bezoek aan België in 1981.
Hier vindt u de geannoteerde tekst van het gedicht.
Vertaling:
De Elfenkoningin – proloog Boek 2
Ik weet heel goed, doorluchte soeverein,
dat heel deez’ roemrijke geschiedenis
het schuim lijkt van een ijdel brein,
verzinsel slechts, een bron van ergernis,
in plaats van raak herleefde heugenis,
want geen die adem heeft, heeft weet
waar toch dat fraaie elfenland wel is,
dat ik zo blij bezing, ´’t ontglipt ons steeds
tenzij men tijd met ijle oudheden verdeed.
Maar laat ons het verstand als leidraad nemen,
veel van het aardrijk is nog niet ontdekt:
haast dagelijks wordt door vlijtig ondernemen,
besef van nieuwe streken opgewekt,
tot nu toe onvermoed, of hoogst suspect.
Wie had voorheen iets van Peru vernomen?
Welk dapper schip had een gegist bestek
der grote Amazone, met haar zomen?
Of van Virginia, welks vruchten tot ons komen?
Dit al bestond reeds – niemand die het wist,
en ’t bleef de knapste eeuwen onbekend:
een later tijd kent nieuwe zaken, onbetwist.
Waarom ontkennen als je nog onwetend bent,
slechts prijzen wat je uit aanschouwing kent?
Wat schuilt er in de lichtkring van de maan?
Wat als ‘n vreemde ster een boodschap zendt
van nieuwe oorden? – je zou perplex staan,
en je verwonderen – er zijn er die ’t verstaan.
Over dat elfenland kun je misschien
nog tekens vinden die jou vroeg of laat
een tipje geven. Mocht je ‘t niet doorzien,
besef dat speurzin bot kan zijn, inadequaat,
en volg het fijne spoor van rijm en maat.
Dan zult gij toch, o schone hemelkoningin,
in deze klare spiegel schouwen uw gelaat,
zoals uw rijk aan ‘t elfenland ontspringt,
uw voorgeslacht zich in dit oude beeld bevindt.
Een beeld dat ik, vergeef me, op zal bouwen,
gehuld in sluiers, vol van schaduwtonen,
zodat uw glorie zich durft te ontvouwen,
die anders zich niet makk’lijk zou vertonen,
verblinding treft wie schittering aanschouwen.
Vergeef me, en verleen aandachtig oor
aan ‘t avontuur dat Guyon zal bekronen,
met elfendapperheid, en tussendoor
vindt ook de schone deugd der Matiging gehoor.
Origineel:
The Faerie Queene (Book 2, Prologue)
Right well I wote most mighty Soueraine,
That all this famous antique history,
Of some th’aboundance of an idle braine
Will iudged be, and painted forgery
Rather than matter of iust memory,
Sith none, that breatheth liuing aire, does know,
Where is that happy land of Faery,
Which I so much do vaunt, yet no where show,
But vouch antiquities, which nobody can know.
But let that man with better sence aduize,
That of the world least part to vs is red:
And dayly how through hardy enterprize,
Many great Regions are discouered,
Which to late age were neuer mentioned.
Who euer heard of th’Indian Peru?
Or who in venturous vessell measured
The Amazons huge riuer now found trew?
Or fruitfullest Virginia who did euer vew?
Yet all these were, when no man did them know;
Yet haue from wisest ages hidden beene:
And later times things more vnknowne shall show.
Why then should witlesse man so much misweene
That nothing is, but that which he hath seene?
What of within the Moones faire shining spheare?
What if in euery other starre vnseene
Of other worldes he happily should heare?
He wonder would much more: yet such to some appeare.
Of Faerie lond yet if he more inquire,
By certaine signes here set in sundry place
He may it find; ne let him then admire,
But yield his sence to be too blunt and bace,
That no’te without an hound fine footing trace.
And thou, O fairest Princesse vnder sky,
In this faire mirrhour maist behold thy face,
And thine owne realmes in lond of Faery,
And in this antique Image thy great auncestry.
The which O pardon me thus to enfold
In couert vele, and wrap in shadowes light,
That feeble eyes your glory may behold,
Which else could not endure those beames bright
But would be dazled by exceeding light.
O pardon, and vouchsafe with patient eare
The braue aduentures of this Faery knight
The good Sir Guyon gratiously to heare,
In whom great rule of Temp’raunce goodly doth appeare.
Elizabeth Bishop (1911-1979) was een Amerikaans schrijfster van gedichten en korte verhalen.
Het gedichtOne Art, in het verleden door mij vertaald als De kunst bij uitstek (elders op dit kleine blog raadpleegbaar), is een bekend gedicht in haar oeuvre.
Ze heeft weinig gemeen met de Confessional Poets, tijdgenoten die erg openhartig waren over hun persoonlijk leven, en die details daarvan openlijk gebruikten in hun poëzie. Ze was daar terughoudend mee, en ze was, hoewel ze de feministische zaak zeker was toegedaan, onwillig om met nadruk te worden bejegend als de lesbische vrouw die ze was, bijvoorbeeld in door feministen samengestelde bloemlezingen.
Er zijn tijdens haar leven niet veel meer dan honderd gedichten gepubliceerd. Ze cultiveerde een objectieve dichtstijl, die rijk is aan details, en haar gedichten zijn zeer evocatief. Het effect ontlenen ze mede aan de sterke emotie die schemert door die uiterlijke objectiviteit heen.
Het artikel van Bridget Read, ‘The Powerful Reticence of Elizabeth Bishop‘, The New Republic, 9 juni 2017, is een goede eerste kennismaking met Elizabeth Bishop. (Het onderschrift bij de openingsfoto van dat artikel is misleidend. De fotograaf is haar toenmalige levenspartner Alice Methfessel, en de afgebeelde persoon is Elizabeth Bishop op latere leeftijd.)
Fraai citaat uit dit artikel:
She sought to tap into “the surrealism of everyday life, unexpected moments of empathy” in order to produce something universal, whole. She had felt most of her life that she was at odds with the world around her, and that poetry was her salve. Verse could break into the essential, crack open “the horrible and terrible world,” which had given her such pain. Why bring reality back in?
The Mountain lijkt enigszins op een villanelle, een strenge dichtvorm, al voldoet dit gedicht zeker niet aan alle eisen van die vorm. De openingsstrofe opent bijvoorbeeld niet met de keerregels in de eerste en derde regel, zoals gebruikelijk. Er zijn ook meer strofen. Alle strofen zijn vierregelig, in plaats van meestentijds drieregelig. Er is geen noemenswaardig rijm.
Het gedicht kent dramatiek. Er komt een berg aan het woord bij het vallen van de avond. Deze vertelt hoe het overdag is. En ten slotte wordt het donker en valt de nacht. En steeds de herhaalde dramatische mededeling: ik weet mijn leeftijd niet, en de herhaalde vraag: zeg me hoe oud ik ben.
De stem van het gedicht is die van de berg, en de berg personifieert natuurlijk de dichter, of de mens in het algemeen, iemand met misschien een onverwoestbare kern, maar die ook onderworpen is aan de nacht, zoals wij allemaal.
Vertaling:
De berg
’s Avonds, er doemt wat achter me.
Ik kom in beweging, ik krimp ineen,
of houd moeizaam stil en brand.
Ik weet mijn leeftijd niet.
‘s Morgens is alles anders.
Een boek ligt open voor mij,
al te dichtbij om fijn te lezen.
Zeg me hoe oud ik ben.
En dan vult zich het dal
Met een potdichte mist
Als een katoenprop in mijn oor.
Ik weet mijn leeftijd niet.
Niet dat ik klagen wil.
Ze zeggen ‘t ligt aan mij.
Niemand vertelt me iets.
Zeg me hoe oud ik ben.
De scherpste scheidslijn
loopt langzaam uit en wijkt
als een verwelkte tattoo.
Ik weet mijn leeftijd niet.
Een schaduw valt; licht stijgt.
Klauterende lichtjes, oh jeugd,
nooit ben je hier lang genoeg!
Zeg me hoe oud ik ben.
Een steenkam zeefde hier
met tanden de versteende veren.
De klauwen gingen toen teloor.
Ik weet mijn leeftijd niet.
Ik word steeds dover. Vogelroep
sijpelt nog voort, en de waterval
wordt niet gewist. Mijn leeftijd?
Zeg me hoe oud ik ben.
Tijd voor de maan om te hangen,
voor sterren om te vliegeren.
Ik wil mijn leeftijd weten.
Zeg me hoe oud ik ben.
Origineel:
The Mountain
At evening, something behind me.
I start for a second, I blench,
or staggeringly halt and burn.
I do not know my age.
In the morning it is different.
An open book confronts me,
too close to read in comfort.
Tell me how old I am.
And then the valleys stuff
impenetrable mists
like cotton in my ears.
I do not know my age.
I do not mean to complain.
They say it is my fault.
Nobody tells me anything.
Tell me how old I am.
The deepest demarcation
can slowly spread and sink
like any blurred tattoo.
I do not know my age.
Shadows fall down; lights climb.
Clambering lights, oh children!
You never stay long enough.
Tell me how old I am.
Stone wings have sifted here
with feathers hardening feathers.
The claws are lost somewhere.
I do not know my age.
I am growing deaf. Bird-calls
dribble and the waterfalls
go unwiped. What is my age?
Tell me how old I am.
Let the moon go hang,
the stars go fly their kites.
I want to know my age.
Tell me how old I am.
Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die ook in Wales woonde en werkte als een Anglicaans priester. Hij was een groot natuurliefhebber, had een vrij vergaande afkeer van moderne zaken die hij vond afleiden van waar het in het leven echt om ging, en hij schreef in het Engels.
Een aardige bespreking door Theodore Dalrymple van zijn biografie – Byron Rogers, The Man Who Went into the West: The Life of R. S. Thomas, Aurum Press – vindt u hier.
Hij was een merkwaardige, eenzelvige figuur die prachtige gedichten schreef, getrouwd was met de schilder Mildred (Elsi)Eldridge, aan wie hij een paar fraaie gedichten heeft gewijd – zie elders op dit blog (bereikbaar via het menu op de hoofdpagina, onder de naam R.S. Thomas).
Kingsley Amis – zeker geen geestverwant – schreef dat zijn poëzie “reduces most other modern verse to footling whimsy” (=triviale gekkigheid). Hij is in Nederland niet zeer bekend. John Betjeman meende dat Thomas’ poëzie nog gelezen zou worden lang nadat zijn gedichten zouden zijn vergeten.
Ik heb op dit kleine blog al aardig wat vertalingen gepubliceerd. De twee dichters van wie ik het meeste heb vertaald zijn W.H. Auden en R.S. Thomas. Joseph Brodsky zei ooit van Auden – de dichter van wie hij het meeste hield – dat ‘godsdienstwaanzin’ een aandoening was waarvan Auden niet geheel vrij was. Als dat waar is – en het is waar, als je dat ‘waanzin’ niet al te letterlijk neemt – geldt het ook voor Thomas. En ook voor de vertaler wiens stukje u nu aan het lezen bent.
Het gedicht Rough is een heel merkwaardig, hard, sardonisch gedicht. Het beschrijft een schepper-god die zijn malicieuze grillen volgt en die de bedenker lijkt te zijn van een leven dat slechts gruwelijke hindernissen voor mens en dier oplevert en een akelige dood ten gevolge heeft. Van liefde en mededogen lijkt geen sprake. Aan het eind blijkt God een wezen te zijn dat bulderend lacht, met een steek in zijn zij tot gevolg, een steek die iemand verbeeldt die in de christelijke traditie Gods zoon genoemd wordt, namelijk Jezus.
De steek in de zij van de lachende God verwijst niet alleen naar de bulderlach, maar ook naar het verhaal van de kruisiging in het evangelie: toen Jezus aan het kruis was gestorven werd een steek in zijn zij toegebracht door soldaten om daarmee vast te kunnen stellen dat hij inderdaad niet meer leefde. De boosaardige schepper-god blijkt daarmee over een van de kruiswonden, de stigmata, te beschikken, en leeft verrassenderwijs voort als een gekruisigde, terwijl Jezus in de vorm van het stigma opduikt.
Dat we hier ver verwijderd zijn van vroompraterij, is wel duidelijk.
De kale tekst en de sardonisch gecomponeerde voorstellingswereld zijn typerend voor een aantal Thomas-gedichten, en ze sorteren een sterk effect bij de lezer.
Het gedicht verscheen in zijn bundel Laboratories of the Spirit, en het is opgenomen in zijn Collected Poems: 1945-1990.
(Ik heb twee suggesties overgenomen en enkele aanpassingen gedaan n.a.v. het scherpe commentaar van een mede-twitteraar, onder dank!)
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
——————————————————————————————————————————-
Vertaling:
Rauw
God keek naar de arend die keek naar de wolf die spiedde naar de haas die graasde in het gras, groen en golvend als Gods baard. Hij deed een stapje terug; het was perfect, een zelfregulerende machine van bloed en feces. Een ding ontbrak nog: hij scheidde in zeewater een vage nabootsing af van zichzelf, blies er lucht in, en liet de rode bloedlichaampjes wervelen. Het schepsel liet daarop al gauw de arend, de wolf en de haas smeken om genade. Alleen het gras bood weerstand. Dat diende om zijn verbeelding te verhitten. God nam een handvol ziektekiemen, die hij zaaide in het malse vlees. Zeer opmerkelijk was de oogst: de ledematen vormden een obscene vraag, het hoofd zwol op, uit de ogen kwamen tranen van pus. Er was een geluid als van de donder, de luide, onbedaarlijke lach van God, met een steek in zijn zij tot gevolg, Jezus.
Origineel:
Rough
God looked at the eagle that looked at the wolf that watched the jack-rabbit cropping the grass, green and curling as God’s beard. He stepped back; it was perfect, a self-regulating machine of blood and faeces. One thing was missing: he skimmed off a faint reflection of himself in sea-water; breathed air into it, and set the red corpuscles whirling. It was not long before the creature had the eagle, the wolf and the jack-rabbit squealing for mercy. Only the grass resisted. It used it to warm its imagination by. God took a handful of small germs, sowing them in the smooth flesh. It was curious, the harvest: the limbs modelled an obscene question, the head swelled, out of the eyes came tears of pus. There was the sound of thunder, the loud, uncontrollable laughter of God, and in his side like an incurred stitch, Jesus.
Ronald Stuart Thomas was een Welshe dichter-dominee die in het Engels schreef en getrouwd was met de fijnzinnige schilder Mildred Eldridge. Hij had samen met zijn vrouw één zoon.
Thomas was een man die het moderne leven voor een groot deel beschouwde als een dwaling, als een miskenning van het centrale levensthema, als minachting voor datgene waar het werkelijk op aan kwam, namelijk het volgen van het liefdegebod en het met aandacht en verwondering opgaan in de ongelooflijke rijkdom van al het geschapene. Hij preekte en gedroeg zich heel onalledaags, en hij ontpopte zich ook wel eens als een fanatieke Welshe nationalist.
Ik vermoed sterk dat de neiging binnen delen van de Nederlandse christenheid om zich conservatief te noemen, samenhangt met de afkeer van de moderniteit die ook voor R.S. Thomas zo opvallend aanwezig was.
Een goede introductie tot deze dichter wordt gevormd door deze bespreking van zijn biografie: A Man out of Time, door Theodore Dalrymple, niet toevallig ook zelf een uitgesproken conservatief.
Zo geformuleerd zullen veel mensen misschien denken dat ze zijn werk met een gerust hart ongelezen kunnen laten, maar dan zouden ze zichzelf toch te kort doen. Vergeleken met zijn gedichten doet veel moderne poëzie aan als “triviale gekkigheid” (footling whimsy), zei Kingsley Amis, en John Betjeman meende dat Thomas nog gelezen zou worden lang nadat zijn eigen werk al in de vergetelheid zou zijn verzonken.
Het onderhavige gedicht behandelt het centrale thema van Thomas expliciet.
Het is een betrekkelijk vrij gedicht, modern van vorm, vol ingehouden spot, en met een zware, het gehele gedicht doortrekkende ernst.
The lips of time zijn misschien een stille verwijzing naar het gedicht The force that through the green fuse drives the flower (1934) van Dylan Thomas:
The lips of time leech to the fountain head;
Love drips and gathers, but the fallen blood
Shall calm her sores.
Bron van het gedicht: R.S. Thomas, Counterpoint – A.D. p. 44, Bloodaxe Books 1990.
Vertaling:
Toen te leven
Toen te leven
was beseffen hoe onmisbaar
het gebed was, hoe onmogelijk.
Geweldig werk deden ze, de filosofen,
de vloer aanvegend met verklaringen
waarin niemand ooit geloofde.
We dreven weg in de ruimte-
tijd, vasthoudend aan het voorgoed
onbereikbare dat we hadden achtergelaten.
Tersluiks wegkijkend, repeteerden we
de smoesjes voor de tekortkomingen
van het rijk der liefde.
Omsingeld als we waren door
wetenschappelijke wegwijzers, snikten we
vergeefs dat we het spoor bijster waren.
We zijn er nog. Welke band
heeft voortbestaan met
zin en betekenis? Het antwoord was ooit
het lied van het gebeente op de lippen
van de tijd. Beide laten we nu
tot as vergaan in het crematorium van de geest.
Origineel:
To be alive then
To be alive then
was to be aware how necessary
prayer was and impossible.
The philosophers had done
their work well, demolishing
proofs we never believed in.
We were drifting in space –
time, in touch with what we had
left and could not return to.
We rehearsed the excuses
for the deficiencies of love’s
kingdom, avoiding our eyebeams.
Beset, as we were,
with science’s signposts, we whimpered
to no purpose that we were lost.
We are here still. What
is survival’s relationship
with meaning? The answer once
was the bone’s music at the lips
of time. We are incinerating
them both now in the mind’s crematorium.
Sylvia Plath (1932-1963) was een Amerikaanse dichter en schrijver van romans en korte verhalen. Ze trouwde met de dichter Ted Hughes (1930-1998) en kreeg twee kinderen met hem. Sylvia Plath leed haar hele leven onder depressies. Haar worsteling daarmee heeft ze vormgegeven in de roman The Bell Jar. Ze maakte in 1963 zelf een eind aan haar leven.
Het gedicht Mad Girl’s Love Song is een bekend gedicht in haar oeuvre. Plath beschouwde het zelf als een van haar beste gedichten.
Het gedicht is een villanelle: er zijn zes strofen, vijf drieregelige strofen en een vierregelige slotstrofe. De eerste en de derde regel keren afwisselend als keerregels terug in de volgende strofen. De slotregels van de slotstrofe zijn de beide keerregels. Een villanelle heeft twee rijmklanken. In dit geval is Sylvia Plath daar enigszins vrij mee omgesprongen: ze gebruikte soms halfrijmen. Die vrijheid heeft deze vertaler ook genomen.
Veel toelichting heeft dit gedicht niet nodig. Door de ogen te sluiten kun je de wereld en je angsten laten verdwijnen, en kun je ook dingen oproepen. Maar het heeft wel een prijs: de dingen keren terug als je je ogen open doet, de dromen verdwijnen, en de liefde die je met je ogen dicht oproept, biedt geen wederliefde.
Serafim of serafs zijn een soort engelen. Een dondervogel is een mythologische vogel die voorkomt in de mythen van de oorspronkelijke bewoners van Amerika.
Ik heb Sylvia Plath altijd een beetje een drama queen gevonden, en soms vind ik dat nog wel, al besef ik heel goed dat ze door depressies geplaagd werd en dus mededogen verdient. Ik houd me momenteel bezig met de villanelle, en ik vond dit gedicht toch wel heel goed gedaan. Ik hoop dat u de vertaling een beetje geslaagd vindt.
Dan hebben we nog de kwestie dat elke sensitivity reader mijn werk zal afkeuren. Hoe kan een witte man het vrouwelijke genie van Plath ooit recht doen? Mijn weerwoord hierop is dat zulke sensitivity readers niets te maken hebben met literatuur. Die kan immers alleen maar bestaan als we aannemen dat we elkaar, als we goed schrijven en aandachtig lezen, althans enigszins kunnen begrijpen. Ten slotte kan ik de lezer troosten met de bekentenis dat een toestand van zwaarmoedigheid niet helemaal terra incognita is voor deze vertaler.
De Meulenhoff-redacteur die de vertaling van de roman van Marta Pérez-Carbonell Nada más ilusorio begeleidde, vroeg mij of een fragment van de vertaling van dit gedicht opgenomen kon worden in de vertaling van het boek. De vertaling heeft als titel Niets is zo ongrijpbaar (2024), en het door mij vertaalde fragment staat op p.66. Met dank aan Kari-Anne Fygi (kafygi.bsky.social) en myopie.bsky.social (@myopie.bsky.social) die mij hierop attendeerden.
Geluidsopname:
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling:
Liefdeslied van een dwaas meisje
“Mijn ogen toe, en al wat is valt dood; ik sla ze op, en alles doet weer mee. (Je bent er vast alleen maar in mijn hoofd.)
De sterren walsen nu in blauw en rood, lukrake zwartheid danst nu plotsklaps mee; mijn ogen toe, en al wat is valt dood.
Ik werd door jou behekst en in je bed genood; je kuste me in maanlicht, gulzig en extreem. (Je bent er vast alleen maar in mijn hoofd.)
God tuimelt uit de lucht, en hellevuur dat dooft: exit de serafim, demonen snellen heen: mijn ogen toe, en al wat is valt dood.
Ik droomde dat je wederkwam, zoals beloofd, maar ik word oud als ik je naam vergeet. (Je bent er vast alleen maar in mijn hoofd.)
Had ik mijn dondervogel maar gekoosd; die brult in ’t voorjaar nog voor twee. Mijn ogen toe, en al wat is valt dood. (Je bent er vast alleen maar in mijn hoofd.)”
Origineel:
Mad Girl’s Love Song
“I shut my eyes and all the world drops dead; I lift my lids and all is born again. (I think I made you up inside my head.)
The stars go waltzing out in blue and red, And arbitrary blackness gallops in: I shut my eyes and all the world drops dead.
I dreamed that you bewitched me into bed And sung me moon-struck, kissed me quite insane. (I think I made you up inside my head.)
God topples from the sky, hell’s fires fade: Exit seraphim and Satan’s men: I shut my eyes and all the world drops dead.
I fancied you’d return the way you said, But I grow old and I forget your name. (I think I made you up inside my head.)
I should have loved a thunderbird instead; At least when spring comes they roar back again. I shut my eyes and all the world drops dead. (I think I made you up inside my head.)”
De dichter Wystan Hugh Auden (1907-1973) is een van de grootste twintigste-eeuwse dichters in het Engelse taalgebied. Hij stamde uit een anglicaans middle class milieu, studeerde in Oxford, werd al snel de centrale figuur van een groep dichters in de jaren dertig – Louis MacNeice, Stephen Spender, Christopher Isherwood, John Betjeman – was zich al vroeg bewust van zijn dichterlijke roeping, gebruikte Freud in zijn beginjaren, Marx in de jaren die erop volgden, en keerde op middelbare leeftijd terug naar de christelijke levensovertuiging die hij al van kindsbeen aan kende.
Het gedicht If I could tell you is een van de bekendste gedichten uit Audens oeuvre. Het is een villanelle, een dichtvorm met zes strofen, vijf drieregelige strofen en een slotstrofe met vier regels. De openingsregel en de slotregel van de eerste strofe keren afwisselend terug als keerregels aan het eind van de volgende strofen. In de slotstrofe keren beide regels als slotregels terug. In het gedicht komen maar twee eindrijmklanken voor.
Dit gedicht speelt met wat je kunt zeggen, met dat waarover je wel of niet kunt spreken. Misschien dat de bekende slotzin van Ludwig WittgensteinsTractatus Logico-Philosophicus hierbij een rol heeft gespeeld: “En van dat, waarover niet gesproken kan worden, moet men zwijgen” (vertaling W.F. Hermans).
Hier vindt u de vertaling van Arie van der Krogt, en hier de vertaling van Ans Bouter. Beide vertalingen houden zich goed aan de vorm, zijn inventief, en verschillen in hun interpretatie op een paar punten aanzienlijk van de mijne.
[De openingszin van mijn vertaling luidde aanvankelijk bij publicatie op dit kleine blog: “De Tijd zwijgt stil, maar ’t is zoals ik zei”.
Ik had die zin niet goed vertaald. Deze betekent: “De Tijd zegt niets, behalve: ik heb het je toch gezegd”. De ‘ik’ in het tweede deel van de zin is de Tijd en niet de stem van het gedicht.
Ik heb de verkeerde vertaling vervangen door: “De Tijd zegt niets, slechts: hoor je wat ik zei”.]
Vertaling:
Als ik het zeggen kon
De Tijd zegt niets, slechts: hoor je wat ik zei,
De Tijd weet goed wat je betalen moet;
Als ik het zeggen kon, dan hoorde je het van mij.
Ook als een clown zou maken dat ik schrei,
Of een stuk muziek mij bijna wankelen doet,
De Tijd zegt niets, slechts: hoor je wat ik zei.
Veel gunstigs is het niet, zeg ik er alvast bij,
Maar sinds m’n liefde meer is dan mijn woordenvloed,
Als ik het zeggen kon, dan hoorde je het van mij.
Niet zonder reden waait de wind ons straks voorbij,
Er moet een grond zijn voor de najaarsgloed;
De Tijd zegt niets, slechts: hoor je wat ik zei.
Misschien ontluikt de roos opzettelijk in mei,
En dringt het visioen wel aan op spoed;
Als ik het zeggen kon, dan hoorde je het van mij.
Stel nu dat alle leeuwen gingen, eindelijk vrij,
En beken en soldaten met een afscheidsgroet;
De Tijd zegt niets, slechts: hoor je wat ik zei.
Als ik het zeggen kon, dan hoorde je het van mij.
Origineel:
If I could tell you
Time will say nothing but I told you so,
Time only knows the price we have to pay;
If I could tell you I would let you know.
If we should weep when clowns put on their show,
If we should stumble when musicians play,
Time will say nothing but I told you so.
There are no fortunes to be told, although,
Because I love you more than I can say,
If I could tell you I would let you know.
The winds must come from somewhere when they blow,
There must be reasons why the leaves decay;
Time will say nothing but I told you so.
Perhaps the roses really want to grow,
The vision seriously intends to stay;
If I could tell you I would let you know.
Suppose the lions all get up and go,
And all the brooks and soldiers run away;
Will Time say nothing but I told you so?
If I could tell you I would let you know.
Dylan Thomas (1914-1953) was een Welshe dichter die in het Engels schreef. Hij wordt beschouwd als een van de grootste Engelse modernistische dichters van de 20e eeuw. Een bekend hoorspel/toneelstuk van hem is Under Milk Wood.
Thomas had een militant-atheïstische vader en een nonconformistische moeder die een trouwe kerkganger was. Deze tegenstelling leidde ook tot huiselijke twisten. Thomas’ ambivalente houding jegens godsdienstige zaken kan daardoor niet als een verrassing komen. Hij bleef zijn leven lang wel gevoelig voor bijbelse taal en bijbelse voorstellingen.
Hij is vrij jong gestorven in New York City, tijdens een tour in Amerika, waarschijnlijk als gevolg van overmatig alcoholgebruik.
Het gedicht Do not go gentle into that good night is een van de bekendste gedichten die Dylan Thomas heeft geschreven. Het is een opstandig gedicht.
Alle metaforen in dit gedicht wijzen op de dood: ‘good night‘, ‘end of day‘, ‘dying of the light‘, ‘wise men at their end‘, ’the last wave by‘, ‘near death‘, ’there on that sad height‘ (vlak voor de dood zal intreden).
De vader die in de slotstrofe wordt aangesproken is reeds ‘on that sad height’ waar de zoon nog tegen te hoop loopt. Het is eigenlijk niet zo’n nobel sentiment dat onder woorden wordt gebracht – accepteer die ellendige rotdood niet – maar het gedicht ontleent zijn effect aan de rauwe bitterheid die schemert door de sonore versregels, een beetje vergelijkbaar met het beroemde gedicht ‘Het huwelijk’ van Willem Elsschot. Je voelt de onontkoombaarheid van ‘that good night‘.
Het gedicht is een ‘villanelle’: zes strofen met keerregels. De eerste en de laatste regel van de drieregelige openingsstrofe keren om de beurt terug in de vervolgstrofen, en ze keren samen terug in de slotstrofe. Er zijn maar twee rijmklanken.
En hier hoort u Dylan Thomas zelf op gedragen toon het gedicht voordragen.
Geluidsopname:
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling:
Verdwijn niet vredig in die goedertieren nacht
Verdwijn niet vredig in die goedertieren nacht,
De ouderdom moet laaien – ‘t is nog niet voorbij;
Blijf tieren tegen ‘t lot dat alle vuurgloed wacht.
Omdat zijn woord geen bliksems heeft teweeggebracht,
Beseft de wijze dat het donker goed is, maar ook hij
Verdwijnt niet vredig in die goedertieren nacht.
De goede, voortgaand op z’n laatste golf, huilt zacht
Om hoe zijn broze daden konden dansen in de wei,
Blijf tieren tegen ’t lot dat alle vuurgloed wacht.
De wilde, die de zon ontvoerde in een jubelende jacht,
Beseft te laat: de jammerende zon is niet van mij.
Verdwijn niet vredig in die goedertieren nacht.
De ernstige, het graf nabij, ziet nog uit alle macht
Dat blinde ogen vonken als een meteoor, ook hij
Blijft tieren tegen ’t lot dat alle vuurgloed wacht.
En gij, mijn vader, die uw grijsheid reeds volbracht,
Vloek mij met felle tranen, bid ik, zegen mij.
Verdwijn niet vredig in die goedertieren nacht.
Blijf tieren tegen ’t lot dat alle vuurgloed wacht.
Origineel:
Do not go gentle into that good night
Do not go gentle into that good night,
Old age should burn and rave at close of day;
Rage, rage against the dying of the light.
Though wise men at their end know dark is right,
Because their words had forked no lightning they
Do not go gentle into that good night.
Good men, the last wave by, crying how bright
Their frail deeds might have danced in a green bay,
Rage, rage against the dying of the light.
Wild men who caught and sang the sun in flight,
And learn, too late, they grieved it on its way,
Do not go gentle into that good night.
Grave men, near death, who see with blinding sight
Blind eyes could blaze like meteors and be gay,
Rage, rage against the dying of the light.
And you, my father, there on the sad height,
Curse, bless, me now with your fierce tears, I pray.
Do not go gentle into that good night.
Rage, rage against the dying of the light.
Dylan Thomas (1914-1953) was een Welshe dichter die in het Engels schreef. Hij wordt beschouwd als een van de grootste Engelse modernistische dichters van de 20e eeuw. Een bekend hoorspel/toneelstuk van hem is Under Milk Wood.
Thomas had een militant-atheïstische vader en een nonconformistische moeder die een trouwe kerkganger was. Deze tegenstelling leidde ook tot huiselijke twisten. Thomas’ ambivalente houding jegens godsdienstige zaken kan daardoor niet als een verrassing komen. Hij bleef zijn leven lang wel gevoelig voor bijbelse taal en bijbelse voorstellingen.
Hij is vrij jong gestorven in New York City, tijdens een tour in Amerika, waarschijnlijk als gevolg van overmatig alcoholgebruik.
Het onderhavige gedicht – And death shall have no dominion – is een van de beroemdste gedichten uit zijn oeuvre. Het werd geschreven in 1933, toen Dylan Thomas nog geen twintig was.
Het gedicht ontstond uit een afspraak die Thomas had gemaakt met een bevriende dichter – Bert Trick (zelf niet bekend geworden) – om een gedicht over onsterfelijkheid te maken. Trick schreef een vers waarin de regel voorkwam: For death is not the end. Thomas schreef daarop het vers waarvan ik hier een vertaling publiceer.
De titel is tevens een refreinregel waarmee elke strofe opent en eindigt. Deze is een verwijzing naar Romeinen 6:9, een bijbelvers dus, dat in de King James-vertaling luidt:
Knowing that Christ being raised from the dead dieth no more; death hath no more dominion over him.
Romeinen 6:9 luidt in de Statenvertaling:
Wetende, dat Christus, opgewekt zijnde uit de doden, niet meer sterft; de dood heerst niet meer over Hem.
Ook in de rest van het vers komen veel bijbelse verwijzingen voor. Het slot van de openingsstrofe doet denken aan de retoriek van de Bergrede, een beroemde toespraak van Christus. De strekking van het vers – vergankelijke lichamen hebben deel aan de onvergankelijkheid – lijkt schatplichtig aan 1 Korinthiërs 15:40-44.
Het gedicht kent drie strofen met enigszins wisselende regellengte en onregelmatige eindrijmen, binnenrijmen, alliteraties en halfrijmen. Ik heb me bij de vertaling een paar vrijheden veroorloofd om de inhoud goed te kunnen overbrengen. De slotwoorden van de meeste regels van Thomas zijn eenlettergrepig (mannelijk rijm). Ik heb regelmatig gekozen voor tweelettergrepige slotwoorden (vrouwelijk rijm).
De zinsnede ‘man in the wind and the west moon‘ is een ongebruikelijke uitdrukking in het Engels. Thomas verplaatste de attributen. Gewoon zou zijn: ‘man in the moon [het gezicht dat je in de maan kunt zien] and the west wind‘.
De zinsnede ‘hammer through daisies‘ – stoten door de margrieten – verwijst naar de uitdrukking ‘pushing up the daisies‘, wat een toespeling is op de doden die, nadat ze begraven zijn, de bloemen omhoog zouden duwen. In dit geval lijkt Thomas het opstandingsmotief te gebruiken. Ze stoten zich door de bloemen op het graf omhoog, en enteren de zon.
Een eerdere vertaling door Arie van der Krogt, een vertaling die wat kaler, wat minder gedragen is, die ook wat minder bijbels klinkt, vindt u hier. (Er zijn ook een paar duidelijke inhoudelijke verschillen.)
En hier hoort u de sonore stem van Dylan Thomas die het gedicht op bezwerende toon voordraagt.
Ik heb ook een geluidsopname van de vertaling gemaakt:
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling:
En de dood zal niet meer heersen
En de dood zal niet meer heersen. Naakte doden, zij zullen één zijn Met het mannetje van de wind en de westenmaan; Als hun gebeente is kaalgepikt, hun kale gebeente verdwenen, Dragen ze sterren aan elleboog en voet; Al worden zij dwazen, zij zullen heel zijn, Al zinken zij weg in de diepten, zij zullen herrijzen; Al gaan geliefden teloor, de liefde zal blijven; En de dood zal niet meer heersen.
En de dood zal niet meer heersen. Zelfs onder de woelingen der zee Zal wie daar langgerekt ligt niet weggewaaid sterven; Gelegd op de pijnbank tot pezen het begeven, Gebonden op het rad, zullen zij nochtans niet breken; In hun hand zal overtuiging splijten in tweeën, En het eenhoornkwaad zal hen doorboren; Trek alle rafels uiteen, zij zullen niet scheuren; En de dood zal niet meer heersen.
En de dood zal niet meer heersen. Nooit meer krijsen meeuwen aan hun oren, Of zullen golven luide kapotslaan op rotsen; Waar een bloem tierde, zal een bloem nooit meer Zijn hoofd heffen onder de tierende regen; Al werden ze dwaas en dood als een pier, De markante koppen stoten zich door de grafbloesem, Enteren de zon, tot de zon zal bezwijken, En de dood zal niet meer heersen.
Origineel:
And Death Shall Have No Dominion
And death shall have no dominion. Dead men naked they shall be one With the man in the wind and the west moon; When their bones are picked clean and the clean bones gone, They shall have stars at elbow and foot; Though they go mad they shall be sane, Though they sink through the sea they shall rise again; Though lovers be lost love shall not; And death shall have no dominion.
And death shall have no dominion. Under the windings of the sea They lying long shall not die windily; Twisting on racks when sinews give way, Strapped to a wheel, yet they shall not break; Faith in their hands shall snap in two, And the unicorn evils run them through; Split all ends up they shan’t crack; And death shall have no dominion.
And death shall have no dominion. No more may gulls cry at their ears Or waves break loud on the seashores; Where blew a flower may a flower no more Lift its head to the blows of the rain; Though they be mad and dead as nails, Heads of the characters hammer through daisies; Break in the sun till the sun breaks down, And death shall have no dominion.
John Keats (1795-1821) is een van de belangrijkste romantische Engelse dichters.
Hij behoorde tot een groep dichters waartoe ook Percy Byssche Shelley en Lord Byron behoorden. Zijn dichterlijke productie kwam in ongeveer zes jaar tot stand, want hij overleed al heel vroeg – op 25-jarige leeftijd – aan tuberculose.
Zijn vader stierf toen hij acht was, en zijn moeder toen hij veertien was. Hij stierf in Rome en ligt ook daar begraven. Enkele weken na zijn dood schreef Shelley een gedicht ter herdenking aan Keats, onder de titel Adonais.
De biografische schets van Keats in de Encyclopaedia Brittannica vindt u hier.
George Barbier, La Belle Dame Sans Merci: Robe du Soir, de Worth (1921) – Lalique Museum in Doesburg
Keats was heel productief in de weinige jaren die hem ter beschikking stonden. Het onderhavige gedicht, La Belle Dame sans Merci: A Ballad, is een van de beroemdste, romantische gedichten uit de Engelse letterkunde. Het werd voor het eerst gepubliceerd in 1820, en het wordt beschouwd als de tegenhanger van Keats’ gedicht The Eve of St. Agnes, een gedicht dat een idyllische liefde bezingt.
La Belle Dame sans Merci – de mooie meedogenloze dame – beschrijft de destructieve kant en de ontredderende gevolgen van een onvoorwaardelijke liefde die slechts in de vorm van valse verleidingskunst beantwoord wordt.
Keats ontleende de titel van het gedicht aan de Franse dichter Alain Chartier (1385 – ca. 1433).
Gerard Reve heeft zijn ‘Meedogenloze jongen’- een homoseksule pendant van de fatale vrouw – ontleend aan het romantische motief dat Keats in dit gedicht mede heeft gemunt.
“Een van de in het oog springende motieven in de romantiek, vooral in de late romantiek, is de fatale vrouw. Hoewel de eerste specimina van dit verschrikkelijke slag al optreden in de vroegste griekse literatuur in de gedaante van de Sirenen die Odysseus moeten verleiden, wemelt het in de romantische letteren van deze vrouwen. Klassiek is het gedicht van Keats: La belle dame sans merci (de uitdrukking zelf is gevleugeld geworden):
I saw pale kings and princes too, Pale warriors, death-pale were they all; They cried—‘La Belle Dame sans Merci Thee hath in thrall!’
Op dit stramien zitten de andere fatale vrouwen geborduurd. Of ze nu pacteren met de duivel (en dat doen ze graag), geselend rondgaan (dit vooral is een geliefde fantasie: she slays and her hands are not bloody, zingt Swinburne), eindeloze masturbaties bedrijven bij de man die in haar macht is (Mirbeau), één motief blijft hetzelfde: de man die zich in haar macht bevindt, komt daar niet meer van los.”
Geluidsopname
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling:
La Belle Dame sans Merci – een ballade
Wat scheelt eraan, O, ridder-met-de-helm, Zo eenzaam, bleek, door schrik omringd? De zegge langs het meer is al verdord, Geen vogel zingt.
Wat scheelt eraan, O, ridder-met-de-helm, Zo afgemat, zo aangedaan? De eekhoorn-voorraadschuur is vol, De oogst gedaan.
Een lelie prijkt er op je hoofd, Zo klam van angst, met koorts berijpt, En op je wang een schrale roos Die snel verkwijnt.
Ik trof een dame in het veld, Ze was beeldschoon – een elfenkind, Haar haar was lang, haar tred was licht, Haar ogen waren wild.
Ik vlocht een krans voor om haar hoofd, Een sjerp, een armband – geur en pracht; Ze keek naar mij heel liefdevol, En neuriede zacht.
Ik zette haar op mijn snelle hengst, En wat ik zag was anders niet Dan zij die zijwaarts hangend zong Een elfenlied.
Ze vond mij bron van alle zoets, Van wilde honing, manna-dauw, Toen zei ze op haar vreemde wijs – “’k hou echt van jou”.
Ze ontvoerde mij naar de elfengrot, Ze huilde, zuchtte diep en puur, Ik kuste toen haar wilde ogen Met laaiend vuur.
Daar wiegde ze me toen in slaap, Daar droomde ik – afgrondelijk erg! – De laatste droom die ‘k heb gedroomd Daar op die koude berg.
‘k Zag menig koning, menig prins, Ze waren allemaal lijkbleek, Het klonk – ‘La Belle Dame Sans Merci, Ze houdt je in de greep’
‘k Zag grauwe lippen in de schemering, Hun wrede lessen, wijd gesperd, En ik ontwaakte en bevond Me op die koude berg.
En dit is waarom ik hier toef, Zo eenzaam, bleek, door schrik omringd, Al is de zegge langs het meer verdord, Geen vogel meer die zingt.
Origineel:
La Belle Dame sans Merci: A Ballad
O what can ail thee, knight-at-arms, Alone and palely loitering? The sedge has withered from the lake, And no birds sing.
O what can ail thee, knight-at-arms, So haggard and so woe-begone? The squirrel’s granary is full, And the harvest’s done.
I see a lily on thy brow, With anguish moist and fever-dew, And on thy cheeks a fading rose Fast withereth too.
I met a lady in the meads, Full beautiful—a faery’s child, Her hair was long, her foot was light, And her eyes were wild.
I made a garland for her head, And bracelets too, and fragrant zone; She looked at me as she did love, And made sweet moan
I set her on my pacing steed, And nothing else saw all day long, For sidelong would she bend, and sing A faery’s song.
She found me roots of relish sweet, And honey wild, and manna-dew, And sure in language strange she said— ‘I love thee true’.
She took me to her Elfin grot, And there she wept and sighed full sore, And there I shut her wild wild eyes With kisses four.
And there she lullèd me asleep, And there I dreamed—Ah! woe betide!— The latest dream I ever dreamt On the cold hill side.
I saw pale kings and princes too, Pale warriors, death-pale were they all; They cried—‘La Belle Dame sans Merci Thee hath in thrall!’
I saw their starved lips in the gloam, With horrid warning gapèd wide, And I awoke and found me here, On the cold hill’s side.
And this is why I sojourn here, Alone and palely loitering, Though the sedge is withered from the lake, And no birds sing.
Elizabeth Bishop (1911-1979) was een Amerikaans schrijfster van gedichten en korte verhalen.
Uit het Nederlandse Wikipedia-artikel citeer ik een passage omdat die relevant is om het gedicht Sestina te begrijpen:
Bishops vader stierf kort na haar geboorte. Haar moeder kampte vaak met depressies en werd in later ook in een inrichting opgenomen. Vanaf haar derde tot haar zesde jaar werd Elizabeth liefdevol opgevoed door haar grootouders van moederszijde, in Great Village (Nova Scotia). Daarna werd de voogdij toegewezen aan de familie van haar vader in Worcester en twee jaar later werd ze ondergebracht bij de oudste zus van haar moeder in Revere, die leefden in relatief armoedige omstandigheden. Na de scheiding van haar grootouders had ze een ongelukkige kindertijd. Ze ontwikkelde ze chronische astma, die haar de rest van haar leven parten zou spelen.
De vorm van dit gedicht is een Sestina, ‘zesregelige strofe’ in het Italiaans. Uit het Lexicon der poëzie, p.291 (beschikbaar via de dbnl) citeer ik de volgende beschrijving:
[Het betreft] een Italiaanse laatmiddeleeuwse dichtvorm die tijdens de renaissance geïmiteerd werd in West-Europa en een heropleving kende in de 19de eeuw. Hij bestaat uit zes strofen van elk zes versregels, en een drieregelige eindstrofe. De rijmwoorden uit de eerste strofe keren alle terug als rijmwoorden in de volgende strofen, in een welbepaalde conventionele orde. Voorbeelden vinden we bij Petrarca, Dante en Camões.
Deze vorm wordt soms ook een sextine genoemd.
De volgorde van de slotwoorden van de versregels dient als volgt gekozen te worden (a is het slotwoord van de eerste regel, f is het slotwoord van de zesde regel):
1e strofe – abcdef
2e strofe – faebdc
3e strofe – cfdabe
4e strofe – ecbfad
5e strofe – deacfb
6e strofe – bdfeca
7e strofe – eca of ace
De slotstrofe van drie regels wordt wel de ‘envoi’ genoemd. Meestal komen alle zes slotwoorden terug in de envoi.
De vorm van dit gedicht is – zoals elke poëtische vorm – een spel. Het gedicht opent met heel gewone dingen: een huis, een kacheltje, een almanak, een grootmoeder, een kind.
Maar er zijn ook de tranen van de grootmoeder.
De verschuiving van de slotwoorden en de verschuiving van de rollen die die woorden in het gedicht spelen, maken dat het gedicht zich op een verrassende manier ontwikkelt.
Op de achtergrond lijkt zich een onuitgesproken drama af te spelen, waar het kind met haar fantasie op een geheel eigen manier op reageert. De instabiliteit van de situatie wordt in de slotstrofen gecontrasteerd met de schepping van een robuust huis in tweevoud, weliswaar vooralsnog in de tekeningen van het kind.
Bishops biografie verklaart het gedicht niet, maar maakt de keuze van deze thematiek wel begrijpelijk. Een vroege werktitel – Early Sorrow – werd later door Bishop vervangen door Sestina.
Wie iets meer over dit gedicht wil lezen, kan hier terecht, of hier.
Vertaling:
Sestina
De herfstregen valt op het huis.
In het slechte licht zit de oude grootmoeder
in de keuken samen met het kind
naast het Kleine Wonder-Kacheltje;
ze leest grapjes voor uit de almanak,
verbergt met gelach en gepraat haar tranen.
Ze denkt dat haar equinoctische tranen
en de regen die slaat op het dak van het huis
beide waren voorspeld door de almanak,
zij het slechts bekend bij een grootmoeder.
De fluitketel zingt op het kacheltje.
Ze snijdt wat brood en zegt tot het kind,
Het is nu theetijd; maar het kind
kijkt naar de kleine, harde theepot-tranen
die driftig dansen op de plaat van het kacheltje,
zoals de regen ook vast zal dansen op het huis.
Bij het opruimen hangt de oude grootmoeder
hem op aan z’n touwtje, de almanak
die zo wijs is. Als een vogel spreidt de almanak
zich half geopend uit boven het kind,
spreidt zich uit boven de oude grootmoeder
en haar theekopje vol donkerbruine tranen.
Ze huivert en zegt dat het misschien in huis
koud aanvoelt, en doet wat hout in het kacheltje.
Het moest zo zijn, zegt het Wonder-Kacheltje.
Ik weet wat ik weet, zegt de almanak.
Met krijtjes tekent het kind een standvastig huis
en een kronkelig paadje. Dan voegt het kind
er een mannetje aan toe met knopen als tranen
en laat het trots zien aan de grootmoeder.
Maar stiekem, terwijl de grootmoeder
druk bezig is met het kacheltje
vallen de maantjes omlaag als tranen
van tussen de bladzijden van de almanak
recht in het bloembed dat het kind
zo netjes heeft neergezet in het voorhuis.
Tijd om tranen te zaaien, zegt de almanak.
De grootmoeder zingt tot het wonderlijke kacheltje
en het kind tekent nog een ondoorgrondelijk huis.
Origineel:
Sestina
September rain falls on the house.
In the failing light, the old grandmother
sits in the kitchen with the child
beside the Little Marvel Stove,
reading the jokes from the almanac,
laughing and talking to hide her tears.
She thinks that her equinoctial tears
and the rain that beats on the roof of the house
were both foretold by the almanac,
but only known to a grandmother.
The iron kettle sings on the stove.
She cuts some bread and says to the child,
It’s time for tea now; but the child
is watching the teakettle’s small hard tears
dance like mad on the hot black stove,
the way the rain must dance on the house.
Tidying up, the old grandmother
hangs up the clever almanac
on its string. Birdlike, the almanac
hovers half open above the child,
hovers above the old grandmother
and her teacup full of dark brown tears.
She shivers and says she thinks the house
feels chilly, and puts more wood in the stove.
It was to be, says the Marvel Stove.
I know what I know, says the almanac.
With crayons the child draws a rigid house
and a winding pathway. Then the child
puts in a man with buttons like tears
and shows it proudly to the grandmother.
But secretly, while the grandmother
busies herself about the stove,
the little moons fall down like tears
from between the pages of the almanac
into the flower bed the child
has carefully placed in the front of the house.
Time to plant tears, says the almanac.
The grandmother sings to the marvelous stove
and the child draws another inscrutable house.
Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die ook zijn leven lang in Wales woonde en werkte als een Anglicaans priester. Hij was een groot natuurliefhebber, had een vrij vergaande afkeer van moderne zaken die hij vond afleiden van waar het in het leven echt om ging, en hij schreef in het Engels.
Een aardige bespreking door Theodore Dalrymple van zijn biografie – Byron Rogers, The Man Who Went into the West: The Life of R. S. Thomas, Aurum Press – vindt u hier.
Hij was een merkwaardige, eenzelvige figuur die prachtige gedichten schreef, getrouwd was met de schilder Mildred (Elsi)Eldridge, aan wie hij, behalve dit gedicht, nog een paar fraaie gedichten heeft gewijd – zie elders op dit blog (bereikbaar via het menu op de hoofdpagina, onder de naam R.S. Thomas).
Kingsley Amis – zeker geen geestverwant – schreef dat zijn poëzie “reduces most other modern verse to footling whimsy” (=triviale gekkigheid). Hij is in Nederland niet zeer bekend.
Dit gedicht is wel geheimzinnig, maar niet heel moeilijk.
De openingsstrofe begint met het hart als een samenstel van chemische en histologische (weefselkundige) elementen, neemt dan een bewust-archaïsche wending – legend / oude held – en eindigt met de ietwat spottende vraag: zit je er nog wel in?
De tweede strofe proclameert de definitieve overwinning van de aangesproken vrouw – ongetwijfeld zijn eigen vrouw, Mildred Eldridge. Vervolgens wordt de tijd die het leven aantast benoemd met een aan Yeats – dat is de beroemde dichter William Butler Yeats – ontleende humoristische beeldspraak: de tijd die als een rups de kroonblaadjes van de roos aanvreet.
De slotstrofe is ontroerend: deze beschrijft beeldend de effecten die het klimmen van de jaren heeft op de geliefde en op hemzelf, met een slotregel die, ondanks het voortschrijden van de onverbiddelijke tijd, voelt als een triomf: de liefde zal worden behouden.
Het gedicht komt voor in de Collected Poems op p.384.
In het boek van M. Wynn Thomas, R.S. Thomas: Serial Obsessive, University of Wales Press, p.142, kunt u nog iets meer over dit gedicht lezen.
Vertaling:
Zeventigste verjaardag
Gemaakt van weefsel en H2O,
en bewogen door aanvurende
cellen – Ah, hart, de oude held
van jouw wezen! Verzon ik
hem, en zit hij er nog steeds in?
In de strijd met andere vrouwen
is jouw overwinning verzekerd.
Het is de tijd, zei Yeats, die
de rups is in de roos van de wang,
de taaie uitzuiger van je kroonbladeren.
Je drijft nu van me weg
op de grijzende golf van je haren.
Ik buig ver af van de hoofdtak van mijn gebeente,
wel wetend dat de hand die ik uitstrek
niets van je kan behouden, alleen je liefde.
Origineel:
Seventieth Birthday
Made of tissue and H2O,
and activated by cells
firing – Ah, heart, the legend
of your person! Did I invent
it, and is it in being still?
In the competition with other
women your victory is assured.
It is time, as Yeats said, is
the caterpillar in the cheek’s rose,
the untiring witherer of your petals.
You are drifting away from
me on the whitening current of your hair.
I lean far out from the bone’s bough,
knowing the hand I extend
can save nothing of you but your love.
John Keats (1795-1821) is een van de belangrijkste romantische Engelse dichters.
Hij behoorde tot een groep dichters waartoe ook Percy Byssche Shelley en Lord Byron behoorden. Zijn dichterlijke productie kwam in ongeveer zes jaar tot stand, want hij overleed al heel vroeg – op 25-jarige leeftijd – aan tuberculose.
Zijn vader stierf toen hij acht was, en zijn moeder toen hij veertien was. Hij stierf in Rome en ligt ook daar begraven in een graf naast zijn vriend, de romantische kunstschilder Joseph Severn.
Enkele weken na zijn dood schreef Shelley een gedicht ter herdenking aan Keats, onder de titel Adonais. Ook Shelley ligt op diezelfde begraafplaats in Rome begraven – de Cimitero acattolico (de protestantse begraafplaats).
Het onderhavige gedicht is een sonnet in de traditie van Shakespeare, dat wil zeggen het heeft veertien regels, met twee afsluitende slotregels die een soort pointe bevatten. Het rijmschema is abab cdcd efef gg. Het gedicht wordt vaak als één blok tekst afgedrukt, maar ik heb er bij de opmaak de gebruikelijke drie kwatrijnen en een afsluitend distichon van gemaakt, vooral omwille van de leesbaarheid. Ik heb de regels soms iets langer gemaakt dan in het origineel om de inhoud recht te kunnen doen.
Fanny Brawne, c.1833 (R. Goodsell, Keats House)
Het gedicht is een meditatie over de dood, en het beschrijft de gevoelens van iemand die beseft dat de dood misschien wel eens eerder zou kunnen komen dan dat hij zijn droom van een onsterfelijk dichterschap zal kunnen verwezenlijken.
Het verdrietige is dat John Keats inderdaad heel vroeg gestorven is, maar het mooie is dat hij vrij veel verzen heeft geschreven die we vandaag nog steeds met plezier en ontroering lezen.
De ‘you’ in de derde strofe is naar alle waarschijnlijkheid Keats’ geliefde Fanny Brawne, met wie hij een niet altijd even gemakkelijke relatie had, en met wie hij door zijn voortijdige dood nooit getrouwd is geweest.
Wie iets meer wil weten, kan hier een beknopte toelichting vinden die niet al te vervelend is – wat niet vanzelf spreekt bij gedichten.
Wanneer ik vrees dat straks m’n einde aan zal breken
Eer ooit mijn pen geproefd heeft van mijn gulle geest,
Eer stapels boeken, rijk van taal en teken,
Als rijpe akkers zijn, waarop men aren leest;
Als ik aanschouw ’t gelaat van de besterde nacht,
Enorme wolksymbolen van de diepste innigheid,
En weet dat geen gelukshand mij ooit onverwacht
Hun schaduw zal doen schetsen bij gelegenheid;
En als ik voel – een breekbaar mensenkind –
Dat nu mijn blik voor ‘t laatst nog op jou rust,
Maar dat ik nooit de tovermacht meer ondervind
Van redeloze liefde – dan sta ik uitgeblust
Aan ‘t einde van de aarde, om te overwegen
Hoe roem en liefde schrompelden en zwegen.
Origineel:
When I have fears that I may cease to be
When I have fears that I may cease to be
Before my pen has gleaned my teeming brain,
Before high-pilèd books, in charactery,
Hold like rich garners the full ripened grain;
When I behold, upon the night’s starred face,
Huge cloudy symbols of a high romance,
And think that I may never live to trace
Their shadows with the magic hand of chance;
And when I feel, fair creature of an hour,
That I shall never look upon thee more,
Never have relish in the faery power
Of unreflecting love—then on the shore
Of the wide world I stand alone, and think
Till love and fame to nothingness do sink.