T. S. Eliot (1888-1965) was een Amerikaans-Engelse dichter die in Nederland het meest bekend is geworden door het desolate gedicht The Waste Land, met de bekende openingszinnen:
April is the cruellest month, breeding
Lilacs out of the dead land, mixing
Memory and desire, stirring
Dull roots with spring rain.
Dit gedicht vestigde zijn naam als modernist in de Engelstalige letteren.
[Deze introductie kunt u verder overslaan als u eerdere introducties tot Eliot-vertalingen al gelezen hebt. Het gedeelte dat specifiek over dit gedicht gaat begint met een alinea waarvan de openingswoorden luiden: “Het onderhavige gedicht …]
Eliot was Amerikaan van geboorte, maar vestigde zich in 1915 in het Verenigd Koninkrijk. Hij heeft daar zijn hele verdere leven gewoond en gewerkt, eerst bij een bank, later bij Faber & Faber, een uitgever die zich ontwikkelde tot de voornaamste uitgever van poëzie in de engelstalige wereld. T.S. Eliot ontving in 1948 de Nobelprijs voor Literatuur.
In Amerika werd hij opgevoed in de sfeer van de Unitariërs, een kerkgenootschap aan de rand van het christendom waarbinnen men niet geloofde aan de goddelijkheid van Jezus en niet in de Drieëenheid. De kerk werd gekenmerkt door een spiritualiteit waarin orde en discipline belangrijk waren, waarden die voor Eliot altijd belangrijk zijn gebleven.
Op latere leeftijd bekeerde Eliot zich tot de Anglo-Katholieke tak van The Church of England – een Anglicaanse Kerk. Uit die tijd dateren ook Four Quartets – Vier kwartetten – die ook heel bekend geworden zijn.
Mede door zijn bekering kreeg hij in bepaalde kringen de naam een oude conservatieve mopperaar te zijn, zoals u onder andere kunt nalezen in het artikel van (de auteur heeft zijn achternaam niet mee): Andrew Epstein, How Did T.S. Eliot Go From Young and Wild to Old and Stodgy?, The New York Times, 2 sept. 2022. Aan dat artikel heb ik ook de openingsfoto van T.S. Eliot ontleend.
Hier vindt u een Nederlands voorbeeld van dat hoofdschudden: de bespreking door Joris Note van Paul Claes’ vertaling van de Four Quartets, waarin die afkeer van Eliots bekering tot in de titel doorklinkt: “Een bekeerde dichter”. Overigens zwalkt Note wel een beetje – enerzijds vindt hij Claes’ vertaling goed – terecht – en heeft hij ook waardering voor de kwartetten, maar anderzijds vindt hij Eliot maar een vervelende zeur met zijn christendom.
Over dat raadsel wonden overigens ook velen zich op in zijn tijd. Virginia Woolf die Eliot goed kende, schreef aan haar zus Vanessa Bell:
“Ik had een bijzonder beschamend en verontrustend gesprek met de arme, lieve Tom Eliot, die we vanaf vandaag allemaal wel als dood mogen beschouwen. Hij is anglo-katholiek geworden, gelooft in God en onsterfelijkheid, en gaat naar de kerk. Ik was geschokt. Een lijk zou op mij nog geloofwaardiger overkomen dan hij. Ik bedoel, het heeft toch iets obsceens als een levend persoon bij de haard zit en in God gelooft.”
Dit citaat komt uit het zeer interessante Eliot-boek van Rob Hartmans, T.S. Eliot. De vele gezichten van een conservatieve modernist, Amsterdam: Spectrum 2022, p. 136. Hartmans probeert Eliot in dat boek te redden uit handen van zijn verguizers, overigens zonder hem in alle opzichten te volgen. De ondertitel van zijn boek geeft al zijn genuanceerde benadering aan. Aan het boek van Hartmans heb ik een aantal van de in dit stuk genoemde genoemde feiten ontleend.
Gedicht
Het onderhavige gedicht draait om een contrast: het is al herfst, maar de herfst lijkt nog niet ingetreden. Maar de krans die de jij-figuur draagt is meer dan herfstig: het is bruin, vaal en lelijk. Veel meer kun je over dit gedicht niet zeggen, denk ik.
Geluidsopname
Vertaling
Lied
De weg naar huis voerde omlaag.
Nog zaten bomen vol in ’t blad;
Het strelend najaarsbriesje had
Geen sidderende spinnenweb geveld.
Het bloeide nog uitbundig in de haag,
Geen kelkblad dwarrelde eronder;
Maar rozen in jouw krans – ze waren zonder
Elan of kleur – ‘t was droef met ze gesteld.
Origineel
Song
When we came home across the hill
No leaves were fallen from the trees;
The gentle fingers of the breeze
Had torn no quivering cobweb down.
The hedgerow bloomed with flowers still,
No withered petals lay beneath;
But the wild roses in your wreath
Were faded, and the leaves were brown.



