La Belle Dame sans Merci, een ballade – John Keats

John Keats (1795-1821) is een van de belangrijkste romantische Engelse dichters.

Hij behoorde tot een groep dichters waartoe ook Percy Byssche Shelley en Lord Byron behoorden. Zijn dichterlijke productie kwam in ongeveer zes jaar tot stand, want hij overleed al heel vroeg – op 25-jarige leeftijd – aan tuberculose.

Zijn vader stierf toen hij acht was, en zijn moeder toen hij veertien was. Hij stierf in Rome en ligt ook daar begraven. Enkele weken na zijn dood schreef Shelley een gedicht ter herdenking aan Keats, onder de titel Adonais.

De biografische schets van Keats in de Encyclopaedia Brittannica vindt u hier.

Keats was heel productief in de weinige jaren die hem ter beschikking stonden. Het onderhavige gedicht, La Belle Dame sans Merci: A Ballad, is een van de beroemdste, romantische gedichten uit de Engelse letterkunde. Het werd voor het eerst gepubliceerd in 1820, en het wordt beschouwd als de tegenhanger van Keats’ gedicht The Eve of St. Agnes, een gedicht dat een idyllische liefde bezingt.

La Belle Dame sans Merci – de mooie meedogenloze dame – beschrijft de destructieve kant en de ontredderende gevolgen van een onvoorwaardelijke liefde die slechts in de vorm van valse verleidingskunst beantwoord wordt.

Keats ontleende de titel van het gedicht aan de Franse dichter Alain Chartier (1385 – ca. 1433).

Gerard Reve heeft zijn ‘Meedogenloze jongen’- een homoseksule pendant van de fatale vrouw – ontleend aan het romantische motief dat Keats in dit gedicht mede heeft gemunt.

Omdat het licht werpt op het romantische motief van de fatale dame, citeer ik een passage uit Klaus Beekman en Mia Meijer, Kort Revier, Gerard Reve en het oordeel van zijn medeburgers (1973), waarin ze Johan Polak uitgebreid citeren, als volgt:

“Een van de in het oog springende motieven in de romantiek, vooral in de late romantiek, is de fatale vrouw. Hoewel de eerste specimina van dit verschrikkelijke slag al optreden in de vroegste griekse literatuur in de gedaante van de Sirenen die Odysseus moeten verleiden, wemelt het in de romantische letteren van deze vrouwen. Klassiek is het gedicht van Keats: La belle dame sans merci (de uitdrukking zelf is gevleugeld geworden):

I saw pale kings and princes too,
Pale warriors, death-pale were they all;
They cried—‘La Belle Dame sans Merci
Thee hath in thrall!’

 

Op dit stramien zitten de andere fatale vrouwen geborduurd. Of ze nu pacteren met de duivel (en dat doen ze graag), geselend rondgaan (dit vooral is een geliefde fantasie: she slays and her hands are not bloody, zingt Swinburne), eindeloze masturbaties bedrijven bij de man die in haar macht is (Mirbeau), één motief blijft hetzelfde: de man die zich in haar macht bevindt, komt daar niet meer van los.”

Vertaling:

La Belle Dame sans Merci – een ballade

Wat scheelt eraan, O, ridder-met-de-helm,
Zo eenzaam, bleek, door schrik omringd?
De zegge langs het meer is al verdord,
Geen vogel zingt.

Wat scheelt eraan, O, ridder-met-de-helm,
Zo afgemat, zo aangedaan?
De eekhoorn-voorraadschuur is vol,
De oogst gedaan.

Een lelie prijkt er op je hoofd,
Zo klam van angst, met koorts berijpt,
En op je wang een schrale roos
Die snel verkwijnt.

Ik trof een dame in het veld,
Ze was beeldschoon – een elfenkind,
Haar haar was lang, haar tred was licht,
Haar ogen waren wild.

Ik vlocht een krans voor om haar hoofd,
Een sjerp, een armband – geur en pracht;
Ze keek naar mij heel liefdevol,
En neuriede zacht.

Ik zette haar op mijn snelle hengst,
En wat ik zag was anders niet
Dan zij die zijwaarts hangend zong
Een elfenlied.

Ze vond mij bron van alle zoets,
Van wilde honing, manna-dauw,
Toen zei ze op haar vreemde wijs –
“’k hou echt van jou”.

Ze ontvoerde mij naar de elfengrot,
Ze huilde, zuchtte diep en puur,
Ik kuste toen haar wilde ogen
Met laaiend vuur.

Daar wiegde ze me toen in slaap,
Daar droomde ik – afgrondelijk erg! –
De laatste droom die ‘k heb gedroomd
Daar op die koude berg.

‘k Zag menig koning, menig prins,
Ze waren allemaal lijkbleek,
Het klonk – ‘La Belle Dame Sans Merci,
Ze houdt je in de greep’

‘k Zag grauwe lippen in de schemering,
Hun wrede lessen, wijd gesperd,
En ik ontwaakte en bevond
Me op die koude berg.

En dit is waarom ik hier toef,
Zo eenzaam, bleek, door schrik omringd,
Al is de zegge langs het meer verdord,
Geen vogel meer die zingt.

Origineel:

La Belle Dame sans Merci: A Ballad

O what can ail thee, knight-at-arms,
Alone and palely loitering?
The sedge has withered from the lake,
And no birds sing.

O what can ail thee, knight-at-arms,
So haggard and so woe-begone?
The squirrel’s granary is full,
And the harvest’s done.

I see a lily on thy brow,
With anguish moist and fever-dew,
And on thy cheeks a fading rose
Fast withereth too.

I met a lady in the meads,
Full beautiful—a faery’s child,
Her hair was long, her foot was light,
And her eyes were wild.

I made a garland for her head,
And bracelets too, and fragrant zone;
She looked at me as she did love,
And made sweet moan

I set her on my pacing steed,
And nothing else saw all day long,
For sidelong would she bend, and sing
A faery’s song.

She found me roots of relish sweet,
And honey wild, and manna-dew,
And sure in language strange she said—
‘I love thee true’.

She took me to her Elfin grot,
And there she wept and sighed full sore,
And there I shut her wild wild eyes
With kisses four.

And there she lullèd me asleep,
And there I dreamed—Ah! woe betide!—
The latest dream I ever dreamt
On the cold hill side.

I saw pale kings and princes too,
Pale warriors, death-pale were they all;
They cried—‘La Belle Dame sans Merci
Thee hath in thrall!’

I saw their starved lips in the gloam,
With horrid warning gapèd wide,
And I awoke and found me here,
On the cold hill’s side.

And this is why I sojourn here,
Alone and palely loitering,
Though the sedge is withered from the lake,
And no birds sing.

 

2 gedachten over “La Belle Dame sans Merci, een ballade – John Keats

  1. Jos Houtsma

    In The White Goddess besteedt Robert Graves uitgebreid aandacht aan dit gedicht. Misschien de moeite waard om de tekst te citeren:

    Het geval van de Belle Dame Sans Merci vraagt om een nadere beschouwing in het licht van het Thema. Ik geef het gedicht zoals het oorspronkelijk verscheen, met een paar badinerende opmerkingen aan het eind: de versie uit een brief aan Keats’ broer in Amerika. De woorden die in de definitieve versie zijn veranderd, zijn tussen teksthaken geplaatst:

    Woensdagavond (waarschijnlijk 28 april 1819)
    La belle dame sans merci

    O What can ail thee Knight at arms
    Alone and palely loitering?
    The sedge is withered from the Lake
    And no birds sing!

    O What can ail thee Knight at arms
    So haggard and so woe begone?
    The squirrel’s granary is full
    And the harvest ’s done.

    I see [death’s] a lily on thy brow
    With anguish moist and fever dew,
    And on thy cheeks a fading rose
    Fast Withereth too –

    I met a Lady in de [Wild] Meads
    Full beautiful, a faery’s child
    Her hair was long, her foot was light
    And her eyes were wild –

    I made a Garland for her head,
    And bracelets too, and fragrant Zone,
    She look’d at me as she did love
    And made sweet moan.

    I set her on my pacing steed
    And nothing else saw all day long,
    For sidelong would she bend and sing
    A faery’s song –

    She found me roots of relish sweet
    And honey wild and [honey] manna dew,
    And sure in language strange she said
    I love thee true –

    She took me to her elfin grot
    And there she wept [and there she sighed]
    And sighed full sore
    And there I shut her wild wild eyes
    With kisses four –

    And there she lulled me asleep
    And there I dream’d Ah Woe betide!
    The latest dream I ever dreamt
    On the cold hill side.

    I saw pale Kings, and Princes too
    Pale warriors, death pale were they all
    Who cried La belle dame sans merci
    Thee hath in thrall.

    I saw their starv’d lips in the gloam
    [All tremble]
    With horrid warning [wide agape] gaped wide,
    And I awoke, and found me here
    On the cold hill’s side.

    And this is why I [whither] sojourn here
    Alone and palely loitering;
    Though the sedge is withered from the Lake
    And no birds sing…

    Waarom vier kussen – zul je zeggen – nou, vier omdat ik het vurige enthousiasme van mijn Muze in toom wil houden – in plaats van four had ze graag score gezegd, wat had gekund zonder het rijm te schaden – maar we moeten de verbeelding temperen met overleg, zoals de critici zeggen. Ik moest het aantal zo kiezen dat beide ogen eerlijk aan bod zouden komen, en om je de waarheid te zeggen, twee per stuk lijkt echt niet te weinig. Stel dat ik had gezegd zeven, dan zou dat drieëneenhalf per stuk zijn geweest – een beetje raar aantal, goed dat ik dat niet gedaan heb.

    De context van het gedicht is uitgebreid besproken in Sir Sidney Colvins Life of Keats. Keats had een (intertijd aan Chaucer toegeschreven) vertaling gelezen van Alain Chartiers La Belle Dame sans Mercy, waarin ‘een edelman geen genade vindt bij een adellijke dame en sterft van verdriet’. In de vertaling komen deze regels voor:

    I came into a lustie green vallay
    Full of floures… Riding an easy paas
    I fell in thought of joy full desperate
    With great disease and paine, so that I was
    Of all lovers the most unfortunate.

    Er zijn ook andere literaire bronnen voor de ballade gevonden. In Spensers Faerie Queene (II, 6) ziet ridder Cymochiles, als hij wandelt op de oever van de rivier, de tovenares Phaedria in een roeiboot. Hij aanvaardt haar uitnodiging om bij haar in de boot te komen, en ze hebben een aangename tijd samen. Ze zingt, maakt grapjes, zet bloemenkransen op haar hoofd en hangt verse bloemen om haar hals, en de ridder weet niet waar hij het zoeken moet van blijdschap. Ze gaan aan land op een eiland in het ‘meer van ijdelheid’, waar ze haar ‘ongelukkige slachtoffer’ meeneemt naar een beschaduwd dal, hem diep in slaap zingt, met zijn hoofd in haar schoot, en hem dan achterlaat. Vergelijkbaar is de passage in Malory’s Morte d’Arthur (IV, 1), waar de profetische dichter Merlijn was assotted and doted upon, ‘helemaal zijn verstand kwijt was en verslingerd raakte aan’ de tovenares Nimue. Zij lokte hem in een grot, en liet hem daar opgesloten achter.

    Amy Lowell heeft nog een bron van het gedicht gevonden in de romance van Palmerijn van Engeland, waarvan bekend is dat Keats hem verslonden had. Palmerijn is tot over zijn oren verliefd op ene Polinarda, maar hij is bang dat hij haar gekwetst heeft en piekert over zijn verdriet onder bomen aan de waterkant. ‘En daardoor werd hij bevangen door een zo heftige hartstocht, dat zijn sterke hart het liet afweten, en zo krachtig waren deze waandenkbeelden dat hij als een dode aan de voet van de wilgen lag.’ In een andere episode zag Palmerijn ‘een jonkvrouw op een wit damespaard op hem afkomen, haar haren over haar schouders, en haar kleren leken helemaal in de war. Terwijl ze op hem afreed, kreet ze het uit en klaagde steen en been, de lucht was vervuld van haar geweeklaag’. Ze was gezonden door de tovenares Eutropa, met de bedoeling hem in de val te lokken. En tegen het eind van de romance treft men een beschrijving aan van koningen en prinsen, opgebaard in een graftempel op ‘het gevaarlijke eiland’ – dit lijkt de bron te zijn voor Keats’ Pale Kings and Princes too.

    Er zijn in de Belle Dame Sans Merci ook herinneringen aan te wijzen aan Coleridges Kubla Khan, met zijn singing maiden en zijn poëtische honey-dew (honey wild and manna dew is Keats’ versie), aan een regel van Wordsworth, Her eyes are wild, en aan een regel in William Browne’s Pastorals: Let no bird sing… Maar de belangrijkste bron van allemaal is de ballade van Thomas the Rhymer, waarvan onlangs versies waren gepubliceerd door Sir Walter Scott in zijn Border Minstrelsy, en door Robert Jamieson in zijn Popular Ballads. Thomas van Erceldoune werd op haar melkwitte paard meegenomen door de Koningin van Elfland en ontvoerd naar een tuin waar ze hem brood en wijn gaf, hem in slaap zong in haar schoot, en hem begiftigde met poëtisch inzicht; ze waarschuwde hem evenwel dat het zijn lot zou kunnen zijn als sabbatoffer naar de hel te gaan, langs de weg die lies out owr yon frosty fell, ‘daarginds over die vorstige heide’ (vergelijk Keats’ cold hillside).

    Keats was vierentwintig en verkeerde in een crisis. Hij had de medicijnenstudie opgegeven voor de literatuur en begon te twijfelen of hij daarmee in zijn levensonderhoud kon voorzien. De laatste tijd was hij ten prooi aan een loitering indolence, een ‘lome indolentie’. Hij had een jaloerse en bezitterige hartstocht opgevat voor de ‘mooie, elegante, gracieuze, dwaze, modeverslaafde en vreemde… SLET’ Fanny Brawne. Ze was kennelijk gecharmeerd van hem en hij mocht haar ‘beau’ zijn, maar haar frivoliteit veroorzaakte steeds meer pijn, temeer daar hij zich niet kon veroorloven haar ten huwelijk te vragen, of haar te vragen hem trouw te zijn. De kisses four in het gedicht zijn misschien een aanpassing van de traditionele ‘drie kussen’ van de ballade, die nodig was voor het rijm, maar waarschijnlijk zijn ze autobiografisch. Fanny schijnt Keats als reactie op zijn bazigheid vaak wreed behandeld te hebben. Ze schijnt zelfs – zoals hij klaagt in een brief – ‘van zijn hart een speelbal te hebben gemaakt’ door te flirten met zijn vriend Brown. De Belle Dame was dus in zekere zin de ongrijpbare Fanny Brawne, die hij in figuurlijke zin voor zich op het zadel van zijn Pegasus zette; en het is waar dat ze in ieder geval genoeg van zijn gedichten hield om er één of twee over te schrijven.

    Keats deed zijn best om in de brief aan zijn broer George – die financieel krap zat en ver van huis was – de kracht van zijn hartstocht voor Fanny te verbergen, en ook zijn ernstige gezondheidstoestand, die zijn andere moeilijkheden nog verergerde. Hij was nu in een vroeg stadium van tuberculose, die hij zes maanden eerder had opgelopen, tijdens een uitputtende wandeltocht in Schotland bij de terugkeer waarvan hij zijn broer Tom stervend aan dezelfde ziekte had aangetroffen. Als voormalig student Medicijnen wist hij dat er nog geen behandeling voor deze ziekte bestond. Hij had ‘de lelie’ op Toms gezicht gezien, de vurige roos op zijn wangen, zijn uitgedroogde lippen, open als een gruwelijke waarschuwing, en hij had zijn ‘wilde, wilde ogen’ gesloten met munten, niet met kussen.

    In de brief met de Belle Dame Sans Merci vermeldt Keats een ontmoeting met Coleridge, die bij de vijver van Highgate een wandeling maakte met Green, Keats’ vroegere docent Medicijnen. Wat Coleridge over deze ontmoeting schreef, is bewaard. Keats vroeg toestemming om hem de hand te drukken, ter herinnering aan hun ontmoeting, en toen hij weg was zei Coleridge tegen Green: ‘De dood zit in die hand.’ Hij sprak over ‘een zekere hitte, een vochtigheid’, fever dew is Keats eigen beschrijving. We kunnen dus zeggen dat, in zekere zin, La Belle Dame Sans Merci tuberculose was: de slachtoffers van de ziekte waarschuwden hem dat hij nu bij hen hoorde. Het duurde nog bijna een jaar voor hij zijn veroordeling kreeg, in de vorm van een hevige longbloeding, maar Keats moet al hebben beseft dat hij, zelfs als hij in staat zou zijn Fanny te onderhouden, haar nu niet met goed fatsoen kon vragen met hem te trouwen; zeker niet omdat de tuberculose werd verergerd door de geslachtsziekte die hij twee jaar eerder had opgelopen bij een visite aan zijn vriend Bailey, de theologiestudent in Oxford. Zo waren de trekken van de Belle Dame mooi op een vreemde, bleke, dunne manier, zoals die van Fanny, maar tegelijkertijd sinister en spottend: ze stelden het leven voor waar hij van hield – in zijn brieven aan Fanny identificeerde hij haar met leven en liefde – maar ook de dood waar hij bang voor was.
    Maar er is in dit personage uit een nachtmerrie nog een derde bestanddeel: de geest van de poëzie. Keats’ belangrijkste troost in zijn misère, zijn allesoverheersende hartstocht, en het voornaamste wapen waarmee hij hoopte zich een weg te banen naar Fanny’s hart, was zijn poëtische ambitie. De dichtkunst was evenwel geen vriendelijke meesteres. Zijn hart en zijn geest waren zo in de war dat hij zich er niet toe kon brengen de romantische epen te schrijven waarmee hij – in wedijver met Milton – hoopte naam te maken. Onlangs was hij, na twee en een half boek, gestopt met het schrijven aan Hyperion en hij had zijn vriend Woodhouse toevertrouwd dat hij er zo ontevreden over was dat hij niet in staat was door te gaan.

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s