Tagarchief: Edmund Spenser

De Elfenkoningin (Proloog Boek 2) – Edmund Spenser

Edmund Spenser (1552/1553 – 1599) was een Engels protestants dichter uit de zestiende eeuw. Hij was ruim tien jaar ouder dan Shakespeare (1564-1616), en ze waren dus tijdgenoten. Beiden waren jonger dan ik nu ben (geb. 1964) toen ze stierven.

Maar voor hun poëzie geldt misschien wel een tweetal regels van Ida Gerhardt, ontleend aan Twee Uur, de klokken antwoordden elkaar:

… wat ontsprong aan hun verwondering
en stralend de millennia doorscheen

Spensers bekendste werk is The Faerie Queene. Dat is een episch gedicht dat heldenverhalen vertelt, en het is ook een allegorisch gedicht waarin gepersonifieerde begrippen worden opgevoerd. The Faerie Queene is één van de langste gedichten in het Engelse taalgebied.

Een Faerie Queene is een elfenkoningin, een feeënkoningin, een koningin van sprookjesland. Het lange gedicht is opgedragen aan Elizabeth I, en kan ook gelezen worden als een eerbetoon aan de vorstin, naast de allegorische uitbeelding van een flink aantal ridderlijke deugden.

In 1590 kwamen de eerste drie boeken van The Faerie Queene uit, en in 1596 opnieuw drie boeken. Het voornemen lijkt te zijn geweest twaalf boeken te laten verschijnen, maar we beschikken alleen over de eerste zes.

Het vertaalde gedicht is een proloog die tevens een opdracht is aan Elizabeth I. De proloog gaat vooraf aan de tekst van Boek 2 waarin de avonturen van Sir Guyon worden verteld, een ridder die de deugd van de zelfbeheersing, de matiging, de discipline belichaamt.

Het gedicht heeft vijf strofen die geschreven zijn in een vorm die de ‘Spenserian Stanza‘ wordt genoemd: een strofevorm met negen regels, geschreven in jambische vijfvoeten, met een alexandrijn (een jambische zesvoet met een cesuur) als afsluitende slotzin. Het rijmschema is heel strak: ababbcbcc.

De aanleiding voor deze vertaling is het verhelderende voorwoord dat de C.S. Lewis-vertaler Arend Smilde heeft geschreven bij de vertaling van Of This and Other Worlds (1982), een boek van Lewis dat in de nabije toekomst in Nederlandse vertaling verschijnt onder de titel Andere Werelden en de onze. In dat voorwoord laat Smilde het verband zien tussen Lewis’ christelijke geloof en diens geloof in de literaire verbeeldingskracht. De titel van die Lewis-bundel lijkt een toespeling te bevatten op een zinsnede uit de derde strofe van het onderhavige gedicht (regel 7/8):

What if in euery other starre vnseene
Of other worldes he happily should heare?

Uiteindelijk heeft Smilde mijn vertaling niet gebruikt, maar hij heeft wel grondig en waardevol commentaar geleverd op mijn vertaling toen deze nog niet helemaal af was, waardoor het resultaat zeer is verbeterd, waarvoor veel dank. Uiteraard ben ik zelf geheel verantwoordelijk voor alle vertaalfouten die het gedicht mogelijk nog bevat.

De eerste vier strofen zijn eerder vertaald door Christine D’Haen en werden aangeboden aan koningin Beatrix en koningin Fabiola ter gelegenheid van Beatrix’ bezoek aan België in 1981.

Hier vindt u de geannoteerde tekst van het gedicht.

Vertaling:

De Elfenkoningin – proloog Boek 2

Ik weet heel goed, doorluchte soeverein,
dat heel deez’ roemrijke geschiedenis
het schuim lijkt van een ijdel brein,
verzinsel slechts, een bron van ergernis,
in plaats van raak herleefde heugenis,
want geen die adem heeft, heeft weet
waar toch dat fraaie elfenland wel is,
dat ik zo blij bezing, ´t ontglipt ons steeds
tenzij men tijd met ijle oudheden verdeed.

Maar laat ons het verstand als leidraad nemen,
veel van het aardrijk is nog niet ontdekt:
haast dagelijks wordt door vlijtig ondernemen,
besef van nieuwe streken opgewekt,
tot nu toe onvermoed, of hoogst suspect.
Wie had voorheen iets van Peru vernomen?
Welk dapper schip had een gegist bestek
der grote Amazone, met haar zomen?
Of van Virginia, welks vruchten tot ons komen?

Dit al bestond reeds – niemand die het wist,
en ’t bleef de knapste eeuwen onbekend:
een later tijd kent nieuwe zaken, onbetwist.
Waarom ontkennen als je nog onwetend bent,
slechts prijzen wat je uit aanschouwing kent?
Wat schuilt er in de lichtkring van de maan?
Wat als ‘n vreemde ster een boodschap zendt
van nieuwe oorden? – je zou perplex staan,
en je verwonderen – er zijn er die ’t verstaan.

Over dat elfenland kun je misschien
nog tekens vinden die jou vroeg of laat
een tipje geven. Mocht je ‘t niet doorzien,
besef dat speurzin bot kan zijn, inadequaat,
en volg het fijne spoor van rijm en maat.
Dan zult gij toch, o schone hemelkoningin,
in deze klare spiegel schouwen uw gelaat,
zoals uw rijk aan ‘t elfenland ontspringt,
uw voorgeslacht zich in dit oude beeld bevindt.

Een beeld dat ik, vergeef me, op zal bouwen,
gehuld in sluiers, vol van schaduwtonen,
zodat uw glorie zich durft te ontvouwen,
die anders zich niet makk’lijk zou vertonen,
verblinding treft wie schittering aanschouwen.
Vergeef me, en verleen aandachtig oor
aan ‘t avontuur dat Guyon zal bekronen,
met elfendapperheid, en tussendoor
vindt ook de schone deugd der Matiging gehoor.

Origineel:

The Faerie Queene (Book 2, Prologue)

Right well I wote most mighty Soueraine,
That all this famous antique history,
Of some th’aboundance of an idle braine
Will iudged be, and painted forgery
Rather than matter of iust memory,
Sith none, that breatheth liuing aire, does know,
Where is that happy land of Faery,
Which I so much do vaunt, yet no where show,
But vouch antiquities, which nobody can know.

But let that man with better sence aduize,
That of the world least part to vs is red:
And dayly how through hardy enterprize,
Many great Regions are discouered,
Which to late age were neuer mentioned.
Who euer heard of th’Indian Peru?
Or who in venturous vessell measured
The Amazons huge riuer now found trew?
Or fruitfullest Virginia who did euer vew?

Yet all these were, when no man did them know;
Yet haue from wisest ages hidden beene:
And later times things more vnknowne shall show.
Why then should witlesse man so much misweene
That nothing is, but that which he hath seene?
What of within the Moones faire shining spheare?
What if in euery other starre vnseene
Of other worldes he happily should heare?
He wonder would much more: yet such to some appeare.

Of Faerie lond yet if he more inquire,
By certaine signes here set in sundry place
He may it find; ne let him then admire,
But yield his sence to be too blunt and bace,
That no’te without an hound fine footing trace.
And thou, O fairest Princesse vnder sky,
In this faire mirrhour maist behold thy face,
And thine owne realmes in lond of Faery,
And in this antique Image thy great auncestry.

The which O pardon me thus to enfold
In couert vele, and wrap in shadowes light,
That feeble eyes your glory may behold,
Which else could not endure those beames bright
But would be dazled by exceeding light.
O pardon, and vouchsafe with patient eare
The braue aduentures of this Faery knight
The good Sir Guyon gratiously to heare,
In whom great rule of Temp’raunce goodly doth appeare.