Categorie archief: Beschouwing

Victor Kal – De list van Spinoza – 7

Dit is het zevende deel van een beschouwing over het werk van Victor Kal

  1. Enkele gedachten over het werk van de filosoof Victor Kal (link)
  2. Wie was Spinoza (link)
  3. De Spinoza-receptie in Nederland (link)
  4. Victor Kal en De list van Spinoza (link)
  5. Gelijkschakeling (link)
  6. Kals levensbeschouwelijke positie (link)
  7. Theocratie en Democratie
  8. De rehabilitatie van de schuld (link)
  9. De list van Spinoza (link)
  10. Besluit (link)
  11. Geraadpleegde literatuur (link)

7. Theocratie en Democratie

Flavius Josephus (Wikimedia Commons)

In 2006 verschijnt van Ger Groot, Het krediet van het credo: godsdienst, ongeloof, katholicisme. Het is een essay waarin een atheïstisch-filosofische poging wordt gedaan om te begrijpen wat de christelijke religiositeit in een moderne en seculiere Europese cultuur nog betekent. Op p. 20 van dat boek schrijft Groot:

“Als we zoeken naar een mogelijke betekenis van de zin ‘God bestaat’, dan kan daarmee geen bestaan in de natuur bedoeld zijn. We kunnen natuurlijk, net als Spinoza, de knoop doorhakken en God eenvoudig met die natuur gelijkstellen (deus sive natura), maar daarin lost het goddelijke feitelijk op en komen we van de regen in de drup. Met een dergelijke god-natuur is nu eenmaal geen persoonlijke relatie mogelijk en dus zijn ook het gebed en de godsdienstoefening, waarin de gelovige zich tot God richt en antwoord verwacht, zinloos. En juist die godsdienstoefeningen zijn, zoals we later zullen zien, van doorslaggevend belang.”

Groot noemt zich atheïst, maar hij ziet wel scherp het belang van de rite, het gebed en ‘de godsdienstoefening’ voor de religieuze houding, een kernthema van Victor Kal. En Ger Groot acht Spinoza’s gelijkstelling van God en natuur dodelijk voor de continuering van de religieuze praktijk, ook net als Kal.

Victor Kal opent het artikel Theocratie en Democratie (gepubliceerd in het Tijdschrift voor Filosofie, 2009) met twee zuivere tegenstellingen: op het niveau van het individu plaatst hij de wereld van de vroomheid tegenover de wereld van de emancipatie, en op  het niveau van de samenleving plaatst hij de godsbeschikking tegenover de zelfbeschikking. Beide posities sluiten elkaar uit, en zo’n schema confronteert ons, zegt hij dan, met een vorm van manicheïsme.

Het manicheïsme gaat uit van twee onafhankelijke en ongeschapen principes: het goede en het kwade, een Rijk van het Licht en een Rijk van de Duisternis. Hier dus: een wereld waarin vroomheid en godsbeschikking centraal staan tegenover een wereld waarin emancipatie en zelfbeschikking centraal staan.

Tegen de achtergrond van deze dichotomie, verdedigt Kal vervolgens de stelling dat een ‘liberale democratie’ baat heeft bij de ‘formele theocratie’ en dat – ook andersom –  de formele theocratie baat heeft bij de liberale democratie.

Vervolgens zegt hij een beetje spottend dat zijn these de aanhangers van het manicheïsme confronteert met een gemeenschappelijke vijand, of althans met iemand ‘die alles door elkaar haalt’. Kal zet immers de wereld op zijn kop door te zeggen dat beide Rijken – die elkaar lijken uit te sluiten – hun onverzoenlijke vijand hard nodig hebben.

Het begrip ‘theocratie’ heeft hier met nadruk geen betrekking op het politieke domein, al heeft het op een indirecte manier natuurlijk wel betekenis voor dat domein, zoals zo ongeveer alles voor dat domein betekenis heeft. ‘Theocratie’ wordt hier begrepen als de erkenning van, de relatie tot en de openstelling voor de transcendente instantie die het morele domein beheerst door het individu.

Dit individu kan ervoor kiezen om door bemiddeling van een religieus instituut de plichten van de uitwendige rite te voltrekken met het oog op de verwezenlijking van zijn vrijheid – dat noemt Kal de formele theocratie. De informele theocratie is de wereld waarin de banden met de traditie zijn geslaakt, en waar de religiositeit, de theocratie verveelvoudigd is in evenzovele individualistische en autonome individuen

Een kort historisch exposé

Flavius Josephus is de eerste die de term ‘theocratie’ gebruikt. In een theocratie heeft God het voor het zeggen, in een monarchie de koning, in een democratie het volk, in een oligarchie de rijken. Het joodse volk waarover Josephus schrijft leeft in ballingschap, en de theocratie heeft derhalve bij Josephus wel een religieuze betekenis, maar geen politieke. Op dit punt staat Josephus lijnrecht tegenover Spinoza die de joodse theocratie tot een politieke constitutie meent te kunnen herleiden.

Bij Plato is de aristocratie de hoogste staatsvorm. Deze kan alleen tot stand komen krachtens goddelijke beschikking. Hiervoor is geen clerus noodzakelijk. De protagonist van deze theocratie is een door God beschikte enkeling die zijn eigen weg gaat maar zich door de godheid laat gezeggen.

Mozes die de stenen tafelen kapot werpt – Rembrandt (Wikimedia Commons)

Het joodse volk ontvangt via Mozes de stenen tafelen van God. Dit is de grote theocratische gebeurtenis in het Oude Testament. Deze wet vraagt om kritische en creatieve interpretatie, reden waarom Mozes zich steeds opnieuw tot God wendt met de vraag wat er nu precies moet gebeuren. Opschorting is een vast onderdeel van het theocratisch bestel. God moet steeds opnieuw worden geraadpleegd in een theocratisch bestel dat die naam waardig is. Dit blijkt ook uit de vorm en de dienst van de tabernakel.

De Thora propageert een vrijheid door binding. Wie zich aan de transcendente instantie bindt, bevrijdt zich van de machten die deze wereld beheersen. Deze vrijheid door binding heeft zeker ook een resonans in de moderne wijsbegeert gehad: Kierkegaard, Kant, Buber, Heidegger.

De multiplicatie van de theocratie

Theocratie heeft een slechte naam. Kal betwijfelt of dat terecht is: de mens verbindt zich slechts hoogst aarzelend met de transcendente instantie waarnaar de theocratie zich richt. Uniformering en nivellering in onze moderne wereld gaan terug op heel andere factoren: kapitaal, techniek, internationale wetgeving, mode.

De huidige monarchen zijn wel bijna allemaal onthoofd, en de meeste theocratische banden zijn geslaakt of worden belachelijk gemaakt, maar heeft het wel tot iets anders geleid dan tot een veelheid aan nieuwe absolutisten, tot de autonome, individualistische burgers? De moderne afkeer van de theocratie heeft misschien eerder tot een verveelvoudiging van de theocratie geleid.

Het ontstaan van de informele theocratie

Bij de overgang naar de moderne wereld geldt, volgens Kal het volgende (p.57-58):

“Het oude monarchale regime en het oude clericale regime [worden] wat hun theocratische aspect niet zozeer afgeschaft, als wel gemultipliceerd. Deze decentralisatie en multiplicatie van de theocratie of deze substitutie van de ene soeverein door de talloze soevereinen, gaat gepaard met een reeks van verschijnselen: verinnerlijking van de vroomheid (de anticeremoniële revolutie), individualisering van de vroomheid, verloren gaan van de religieuze vormen en de religieuze taal, en dan vanzelf, ten slotte, een secularisatie waarin die vroomheid tegelijk haar hoogtepunt bereikt en voor zichzelf onbegrijpelijk wordt. Op dit punt aangekomen vallen vroomheid en emancipatie exact samen. De theocratie is nu helemaal informeel geworden en ligt vanaf dit moment zelf ten grondslag aan de roep om democratie.”

En dan ontstaat een nieuw probleem (p.58-59):

Welnu, op het moment dat de theocratie informeel wordt, valt al die ‘uitwendigheid’ weg. De omgang met zichzelf wordt dan al gauw vluchtig en ondefinieerbaar. De sfeer van ‘theocratie’ en ‘vroomheid’ blijft echter, en leeft voort in de ernst van de vrije en verantwoordelijke moderne mens. Uitermate kwetsbaar, zo niet regelrecht bedreigd, is nu echter de grote veronderstelling ervan: dat vrijheid niet kan bestaan tenzij zij zich haar inhoud of ‘waartoe’ of grond laat geven, en dat een mens zich daarop telkens opnieuw moet voorbereiden. Wordt de genoemde vooronderstelling werkelijk niet meer gehonoreerd, dan degenereert soevereiniteit tot willekeur. De logische implicatie van de stand van zaken is dat de moderne democratie steeds de mogelijkheid heeft zich onverhoeds te manifesteren als een bij uitstek verraderlijke constitutie, met name daar waar, dankzij een gepolijst regime van legaliteit en fatsoen, velen zich van geen kwaad meer bewust zijn. Plotseling blijkt dan dat de paragraaf die vandaag nog wet is, morgen geschrapt kan zijn. Heilige ernst en dodelijke ontrouw wisselen elkaar voortaan af alsof het niets is. Een uitwendig regime dat de zaak waarom het gaat op afstand plaatst en door zijn ontnuchterende effect zowel het ene als het andere euvel zou kunnen doorbreken, staat niet meer ter beschikking.

Kant

Immanuel Kant heeft zich ook gunstig over de theocratie in de betekenis die Kal daaraan hecht uitgelaten. Het derde stuk van zijn Religion innerhalb der Grenzen der blossen Vernunft, draagt als titel: Der Sieg des guten Prinzips über das böse und die Gründung eines Reiches Gottes auf Erden (de overwinning van het goede principe over het kwade en de stichting van een Rijk van God op aarde). De stichting van zo’n Rijk acht Kant nodig om de overwinning – waarover Kant zich pessimistisch en met ongerustheid uitlaat – zeker te stellen.

Immanuel Kant (Wikimedia Commons)

Om verantwoordelijk te kunnen zijn in vrijheid, is een morele gemeenschap nodig. Kant neemt als wetgever van die morele gemeenschap een transcendente instantie aan – Gott als moralischer Welturheber (God als oorsprong/schepper/bewerker van de moraal). De hoop op deze transcendente instantie is volgens Kant alleen gerechtvaardigd als de mens doet ‘alsof alles op hemzelf aankomt’ (p.65)

De morele wet waarop Kant doelt is innerlijk. De wet van het Rijk van God is een morele wet, in tegenstelling tot de joodse wetgeving die, zo meent Kant, uit uiterlijke en willekeurige decreten bestaat. Ook Kant construeert hier de tegenstelling tussen innerlijke moraliteit en uiterlijke, door de staat beheerste legaliteit. Bij deze legaliteit worden innerlijke instemming en vrijheid niet verondersteld, anders dus dan bij de morele wet.

Immanuel Kant beschouwt als wezenlijk voor de vorming van het menselijke gemoed, de deugdzame mens, drie dingen (ik volg hier Kal bijna letterlijk):

  1. Deze vorming gaat niet buiten de vrije instemming van de mens om,
  2. Deze vorming gaat buiten de staat om en kan dus niet politiek zijn,
  3. Deze vorming moet ertoe bijdragen dat de burger als individu een vrij en goed mens is.

De morele gemeenschap die langs deze lijnen ontstaat, heeft daarbij tevens een transcendent oriëntatiepunt nodig.

En Kal zegt dan:

Punt voor punt staan deze condities in contrast met de politiek van het gemoed die Spinoza in zijn Theologisch-politiek tractaat (TPT) propageert.

Als de morele vrijheid, de ernst en het besef van verantwoordelijkheid van het individu niet wordt gecultiveerd, kan gemakkelijk achter de façade van fatsoen en legaliteit nihilisme schuil gaan. Kal licht dit toe, en citeert Spinoza uitgebreid. Hij eindigt dan met:

Wanneer Spinoza daarop laat volgen dat “de liefde voor het vaderland de hoogste vorm van plichtsbetrachting is” en dat “het heil van het volk [zoals vastgesteld door de ‘hoogste overheid’] de hoogste wet is, naar welke alle andere wetten, zowel menselijke als goddelijke, zich moeten voegen (TPT 414)” dan is duidelijk dat Spinoza gezien moet worden als een vroege grondlegger van het fascisme. Hem stond voor ogen elke vorm van theocratie grondig te neutraliseren.

Het is duidelijk dat in dit opzicht de Victor Kal van 2020, de schrijver van De list van Spinoza, gelijk is aan de Victor Kal van 2009, de schrijver van Theocratie en Democratie. Wel gebruikt Kal in De list van Spinoza het woord ‘fascisme’ met iets meer terughoudendheid en historische relativering.

Liberale democratie en theocratie hebben elkaar nodig

Vervolgens betoogt Kal dat de theocratie zoals hij die bedoelt, urgent is voor de liberale democratie. Een volstrekt informeel geworden theocratie die van elke traditie is losgekoppeld kan het individu niet langer steunen, waardoor zo’n individu op zichzelf wordt teruggeworpen. Achter een façade van legaliteit en fatsoen blijft er van verantwoordelijkheid en vrijheid weinig meer over, woekert en sluimert het nihilisme, en zal ook de democratie degenereren tot iets dat die naam niet langer verdient. De theocratie kan het nihilisme voorkomen, en kan ook weerstand bieden aan de manipulatieve en demonische schijn-uitweg die demagogen hebben te bieden.

Maar ook het omgekeerde geldt: de liberale democratie is ook urgent voor de theocratie. Het probleem wordt gevormd doordat de liberale democratie een moreel-indifferent domein van ‘onverschilligheid’ creëert die op gespannen voet staat met de ‘vroomheid’ waartoe de theocratie inspireert.

Toch kan deze onverschilligheid, deze onernst, deze speelruimte de theocratie dienen. Voor het individu dat in gemeenschap een relatie cultiveert met een transcendente instantie, waardoor vrijheid, morele ernst en verantwoordelijkheid mogelijk worden gemaakt, de moed ook om af te wijken, en zich niet in de luren te laten leggen door mode, kapitaal, massabeweging en de façade van legelaiteit en fatsoen, kan dat heel belangrijk zijn.

Een ding nog: “Van een transcendente functionaris kan niemand de onberispelijke functionaris zijn”, schrijft Kal op p.70. Oog in oog met een transcendente instantie kan onze ernst niet anders dan luchtige ernst zijn, reden waarom Plato en Kierkegaard de ironie nodig hadden, reden ook waarom de jood niet zonder de joodse humor kan.

Op zijn plaats is steeds een voorbereidend handelen dat het voorgenomen handelen opschort en in het geding brengt ten overstaan van een transcendente instantie.

Koning Saul (Wikimedia Commons)

Kal besluit zijn artikel met de volgende woorden:

“Het blijft zo dat de informele, geïndividualiseerde theocratie aan de basis ligt van de liberale democratie. Ter oriëntatie, ter ondersteuning en ter bescherming van de individuele soevereiniteit die daarin geïmpliceerd is, heeft rehabilitatie van de formele theocratie heden echter de grootste urgentie. Juist de liberale democratie biedt daartoe bij uitstek de gelegenheid: ook de formele theocratie krijgt binnen de maatschappij gestalte, en concurreert derhalve niet met het politieke regime – eerst nu is het mogelijk de wens ‘een koning’ te hebben werkelijk los te laten.”

In de slotzin wordt verwezen naar de wens die het joodse volk uitsprak een koning te hebben, waarna enigszins onwillig Saul, de voorganger van koning David, tot koning werd gekroond, een besluit dat niet in alle opzichten zegenrijk bleek.

Victor Kal – De list van Spinoza – 6

Dit is het zesde deel van een beschouwing over het werk van Victor Kal

  1. Enkele gedachten over het werk van de filosoof Victor Kal (link)
  2. Wie was Spinoza (link)
  3. De Spinoza-receptie in Nederland (link)
  4. Victor Kal en De list van Spinoza (link)
  5. Gelijkschakeling (link)
  6. Kals levensbeschouwelijke positie
  7. Theocratie en Democratie (link)
  8. De rehabilitatie van de schuld (link)
  9. De list van Spinoza (link)
  10. Besluit (link)
  11. Geraadpleegde literatuur (link)

6. Kals levensbeschouwelijke positie

Edward Moran, Unveiling of the Statue of Liberty, 1886 (schilderij)

Voor Kal is het moderne vrijheidsbegrip belangrijk: geestelijk vrij zijn, geen slaaf zijn van een massabeweging, ondermaans bestel, materiële zaak of enige vorm van dwang.

Het gevoel of het besef van die vrijheid noemt Kal charme, betovering of openbaring, een geestestoestand die als kenmerken ook verwondering en verlangen heeft. Heel belangrijk is dat die betovering niet is voorbehouden aan mensen die zich met zoveel woorden godsdienstig of religieus noemen. Ook mensen die zichzelf niet-religieus noemen kennen die betovering en kennen die vrijheid.

In een interview in Wapenveld uit 2003 merkte Kal op:

“Wat mij zorgen baart”, zegt Kal, “is de kwetsbaarheid van de moderne mens. Het gevoel dat mensen niet meer zichzelf kunnen zijn, omdat iets anders hun de wet voorschrijft. Het idee dat mensen hun wortels hebben verloren en daardoor gemakkelijk op sleeptouw worden genomen. Dat is wat er gebeurt in onze moderne maatschappij. Mensen denken te leven in een individualistische samenleving. Maar de particuliere identiteit van het individu is flinterdun. We lopen allemaal achter de mode aan. Op het niveau van de waarden, de opvattingen, hebben we persoonlijk nog maar weinig in huis. Het is de vraag, of wij ons nog kunnen verweren als ons leven in het gedrang komt.”

“Deze situatie is niet zo moeilijk te verklaren. Als mensen een binding verliezen met levensbeschouwelijke tradities, worden ze teruggeworpen op zichzelf. Hoe radicaler ze afscheid nemen van hun wortels, des te gemakkelijker worden ze een speelbal van wat zich op het politieke forum voordoet. Ze hebben geen reserve meer waarmee ze kritisch kunnen reageren op iemand die belooft al hun problemen te zullen oplossen. We hebben het gezien met Pim Fortuyn. Hoe zou iemand in zo korte tijd zoveel aanhangers kunnen krijgen, als deze mensen geen zwevend bestaan zouden leiden? Ik wil niet al te pessimistisch zijn, maar soms denk ik dat wij leven in omstandigheden waarin zoiets als het fascisme bij uitstek kan gedijen. Mensen zonder wortels zijn een potentiële prooi van ideologieën.”

Betovering maakt mensen religieus, ongeacht of ze dat erkennen. Om reden dat die betovering ook bij niet-godsdienstige mensen volop voorkomt, spreekt Kal ook niet van de secularisering van de maatschappij; hij spreekt van de secularisering van de religie. De religiositeit verdwijnt niet als de uiterlijke vormen van de godsdienst verdwijnen, maar deze wordt onzichtbaar, en daarmee wordt de algemeen voorkomende religiositeit onbewust en onbegrepen. En met de secularisering van de religie wordt de religiositeit ook onmededeelbaar omdat een gemeenschappelijke taal om erover te spreken verdwijnt.

De betovering brengt idealiter een opdracht met zich mee, de realisering van de vrijheid, en deze wordt in ernst en in verantwoordelijkheid aanvaard. De aanvaarde opdracht is voor iedereen anders en hangt uiteraard ook helemaal van de individuele historische context en de eigen aanleg af.

Voor de instandhouding van de vrijheid en de geestelijke onafhankelijkheid die daarvoor van belang is, als anker voor de morele verantwoordelijkheid en de morele ernst, is het belangrijk om zich te verhouden tot een transcendente, buiten onze wereld gesitueerde instantie.

Kal vestigt daarom vaak de aandacht op de betekenis van de rite, de liturgie, de vaste gewoonten die elke godsdienst kent, en op een gemeenschappelijke taal om over de transcendentie te spreken. Deelname aan de rite is een ‘voorbereidend handelen’ dat een mens in staat stelt te ontdekken waarheen zijn vrijheid hem zou kunnen of zou moeten voeren. Dit voorbereidend handelen maakt hem tevens vrij voor de taak waarvoor zijn ernst en zijn verantwoordelijkheid – het antwoord op zijn betovering – hem plaatsen. Deze deelname stelt een mens ook in staat om stand te houden tegen de druk van materiële en geestelijke modes, tegen de machtsontplooiing door internationaal opererend kapitaal, tegen de massamedia, tegen de kracht van de gelijkschakeling, de collectieve geestdrift die vaak vooraf gaat aan ideologische slavernij.

Kleine toevoeging die niet bij Kal voorkomt: de ‘religieloze godsdienst’ waarvoor Dietrich Bonhoeffer aan het eind van zijn leven in de gevangenisbrieven pleitte (Widerstand und Ergebung), lijkt wel enigszins op het laatste stadium van de onzichtbaarmaking van de godsdienst. Er rest dan immers weinig anders dan terugvallen op het vrome gemoed – er is geen uitwendige rite meer die de mens disciplineert in zijn omgang met de transcendentie.

Victor Kal – De list van Spinoza – 5

Dit is het vijfde deel van een beschouwing over het werk van Victor Kal

  1. Enkele gedachten over het werk van de filosoof Victor Kal (link)
  2. Wie was Spinoza (link)
  3. De Spinoza-receptie in Nederland (link)
  4. Victor Kal en De list van Spinoza (link)
  5. Gelijkschakeling
  6. Kals levensbeschouwelijke positie (link)
  7. Theocratie en Democratie (link)
  8. De rehabilitatie van de schuld (link)
  9. De list van Spinoza (link)
  10. Besluit (link)
  11. Geraadpleegde literatuur (link)

5. Gelijkschakeling

Nederlands wetboek, 1940: Per decreet van Adolf Hitler werden in Nederland wetten ingevoerd of aangepast, naar Duits model.

In De list van Spinoza schrijft Kal op p.218:

Welk spoor je ook volgt in het Theologisch-politiek tractaat, telkens kom je uit bij de ‘gelijkschakeling’: een van bovenaf geregisseerde, maar tegelijk van onderaf in vrijheid opgebrachte loyaliteit aan een machtsregime, dat langs die weg borg staat voor de gelijkgerichtheid van de mensen. Daarbij wordt de transcendente oriëntatie van het volk van de ene kant brutaal geëxploiteerd, van de andere kant even gewiekst weer geneutraliseerd.

Dat begrip ‘gelijkschakeling’ is een kernbegrip van het boek, en daarom ook opgenomen in de ondertitel. Gelijkschakeling – Gleichschaltung – heeft in zijn Duitse vorm uiteraard een zeer negatieve en beladen betekenis. In 1933 zorgt Hitler met een reeks wetten dat er “op elk gebied een einde [komt] aan de scheiding der machten en aan de vrijheid zich naar eigen smaak en opvatting te ontwikkelen.” (Website Bij Nader Inzien)

Kal laat daarop volgen:

Aan deze formele, bij wet geregelde gelijkschakeling ligt echter een informele gelijkschakeling ten grondslag die minstens zo belangrijk is: vanwege het talent van de Leider om de geesten van de mensen te absorberen, brengen die mensen de gelijkgerichtheid waarom het de Leider te doen is als het ware zelf tot stand. Dit is het ‘democratische’ aspect van de gelijkschakeling.

Het is dit vermogen van een Leider – een leider die erin geslaagd is om de wil van het volk met een ideologische mythe te belichamen – om het volk met verleidingskunst onder zijn beslag te brengen, en de neiging van een volk om zich door zo’n Leider bij de neus te laten nemen, het vermogen ook van zo’n Leider om de kwalijke gevolgen van de vervolgens onvermijdelijk optredende volksinvloed te ‘neutraliseren’, die een centrale rol spelen in wat Kal ‘de list van Spinoza’ noemt.

De moderne liberale samenleving verwacht iets van mensen, heeft vertrouwen in ze. Mensen worden niet gereduceerd tot hun levensgeschiedenis of afkomst. Vrijheid is hiervoor essentieel, en deze betekent ‘openheid’ en de mogelijkheid tot oorspronkelijkheid. Hiertoe creëert een liberale staat speelruimte voor de burgers, een speelruimte waarin pluriformiteit bestaat en tot bloei kan komen. Deze speelruimte is ook gestoeld op de hoop dat de individualistische burger verantwoordelijkheid op zich neemt.

De list van Spinoza: de grote gelijkschakeling

Het is duidelijk dat Spinoza niet een dergelijke speelruimte op het oog heeft. Bij hem ligt het zwaartepunt bij het machtsregime omdat zijn theologisch-politieke overwegingen uitgaan van een diep wantrouwen in het volk, en eigenlijk ook van diep wantrouwen in de elite. De speelruimte van die elite wordt alleen toegestaan in zoverre deze elite het machtsregime niet ondermijnt (p.219).

De ‘list van Spinoza’ is ook de reden waarom Kal Spinoza op verschillende plaatsen een wegbereider van het ‘fascisme’ noemt, al is ‘fascisme’ op zichzelf genomen natuurlijk een anachronisme, en al blijkt uit de naïviteit van Spinoza’s theologisch-politieke beschouwingen dat hij dat zelf geenszins besefte.

Kal noemt Spinoza daarom premodern en vindt hem bepaald geen wegbereider van het modernisme.

Victor Kal – De list van Spinoza – 4

Dit is het vierde deel van een beschouwing over het werk van Victor Kal

  1. Enkele gedachten over het werk van de filosoof Victor Kal (link)
  2. Wie was Spinoza (link)
  3. De Spinoza-receptie in Nederland (link)
  4. Victor Kal en De list van Spinoza
  5. Gelijkschakeling (link)
  6. Kals levensbeschouwelijke positie (link)
  7. Theocratie en Democratie (link)
  8. De rehabilitatie van de schuld (link)
  9. De list van Spinoza (link)
  10. Besluit (link)
  11. Geraadpleegde literatuur (link)

4. Victor Kal en De list van Spinoza

Victor Kal

Een paar woorden ter introductie van Victor Kal en De list van Spinoza.

Victor Kal is als docent filosofie verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, Faculteit der Geesteswetenschappen, Capaciteitsgroep Philosophical Tradition in Context. De link geeft ook een publicatielijst.

Ik maakte voor het eerst kennis met hem door middel van dit filmpje. Kal bekritiseert daarin wat Arnon Grunberg onder de titel Blinde gehoorzaamheid had betoogd in de Abraham Kuyper-lezing 2020. Grunberg had gesproken over Kierkegaard en diens boek Vrees en Beven. In dat boek geeft Kierkegaard een interpretatie van het bijbelse verhaal van Abraham die op weg ging om zijn zoon Izaäk te offeren. In die geschiedenis uit de Thora – in het boek Genesis – werd het vertrouwen van Abraham in de door God gedane belofte van een nieuw land en een talrijk volk zwaar op de proef gesteld.

Die beproeving ging als volgt: Abraham moest kiezen of hij zijn zoon, drager van de belofte, wilde offeren. Hij koos ervoor om dat offer daadwerkelijk te brengen. Dat offer ging na goddelijk ingrijpen op de valreep niet door. Maar door met Izaäk op weg te gaan en alles voor het offer in gereedheid te brengen, inclusief het geheven mes, had Abraham wel de beproeving doorstaan – hij had zonder waarborg zijn toekomst op huiveringwekkende wijze uit handen gegeven, en daarmee ontving hij, in de gestalte van de levende Izaäk, zijn toekomst terug uit handen van God.

Ik herinner me nog uit mijn jeugd een zin die letterlijk voorkomt in de bijbelvertaling uit 1951 (NBG51). Abraham gaat de berg op met zijn zoon Izaäk om hem te offeren – Izaäk weet van niets! – en dan staat er: “Zo gingen die beiden tezamen.” De rillingen liepen mij over de rug. Kierkegaard spreekt niet zonder reden in dit verband van ‘huivering’.

Overigens kan ik me niet herinneren ooit een Kierkegaardiaanse duiding van de kansel te hebben vernomen.

Arnon Grunberg

Op Grunbergs lezing mocht Kal reageren als coreferent. Hij concludeerde op een beschaafde en sympathieke manier dat Grunberg er niet in geslaagd was tot deze Thora-geschiedenis door te dringen, en evenmin tot de zinrijke interpretatie die Kierkegaard aan die geschiedenis gaf, mede omdat hij de specifieke aard van het offer had miskend. Kal wees Grunberg erop dat het verhaal behalve een letterlijke interpretatie – de buitenkant van het mes – ook een andere interpretatie nodig had – de binnenkant van het mes – en dat het niet aanging om Abraham als een ontaarde en gewetenloze vader af te schilderen.

In het gesprek dat Kal en Grunberg naderhand hadden, bleef Kal heel goed overeind; Grunberg was ook hogelijk geïnteresseerd in Kals opvatting en de implicaties ervan.

Voor een aantal publicaties van Kal kunt u de literatuurlijst raadplegen. Ik zal proberen in de afleveringen die hierna komen enkele kernbegrippen uit een paar van die publicaties van Victor Kal beknopt te beschrijven.

Kal is opgegroeid in de Achterhoek in een gereformeerd milieu. Hij brak daarmee toen zijn vader overleed. Na een zoektocht – katholieken, protestanten, antroposofen (Zutphen) – sloot hij zich aan bij een joodse gemeenschap in Amsterdam.

Ten slotte citeer ik een accuraat stukje van de achterflap van De List van Spinoza:

In De list van Spinoza laat filosoof Victor Kal zien dat woorden als ‘vrijheid’ en ‘democratie’ voor Spinoza inderdaad belangrijk zijn, maar in een heel andere richting wijzen dan men meestal denkt. Aan de hand van citaten uit het Theologisch-politiek tractaat bewijst Kal dat Spinoza in dit werk met buitengewoon vernuft een ‘religie’ ontwerpt, in feite een staatsideologie, om het volk daarin met list en bedrog op te sluiten. Stap voor stap maakt Kal de grote ‘gelijkschakeling’ zichtbaar waarvan Spinoza denkt dat je die nodig hebt met het oog op de eenheid van de samenleving. Het ontwerp en de strategie van Spinoza zijn heden aan de orde van de dag, en dat wereldwijd.

Victor Kal – De list van Spinoza – 3

Dit is het derde deel van een beschouwing over het werk van Victor Kal

  1. Enkele gedachten over het werk van de filosoof Victor Kal (link)
  2. Wie was Spinoza (link)
  3. De Spinoza-receptie in Nederland
  4. Victor Kal en De list van Spinoza (link)
  5. Gelijkschakeling (link)
  6. Kals levensbeschouwelijke positie (link)
  7. Theocratie en Democratie (link)
  8. De rehabilitatie van de schuld (link)
  9. De list van Spinoza (link)
  10. Besluit (link)
  11. Geraadpleegde literatuur (link)

3. De Spinoza-receptie in Nederland

Volgens Wiep van Bunge (1960), hoogleraar in de geschiedenis van de filosofie, dateert de geestdrift voor Spinoza als kernfilosoof van het modernisme uit de jaren zestig van de twintigste eeuw. Noch de achttiende, noch de negentiende eeuw, noch de eerste helft van de twintigste eeuw hadden het erg druk met Spinoza, ook de positivisten niet. In Spinoza’s eigen tijd was er wel degelijk sprake van een zekere renommée, maar het belang dat aan zijn werk wordt gehecht en zelfs de grote geestdrift voor zijn wijsgerige persoon, is van betrekkelijk recente datum.

In Nederland is de taal- en letterkundige Johannes van Vloten (1818-1883) – domineeszoon en grondlegger van de Nederlandse humanistisch-atheïstische beweging – belangrijk geweest voor de Spinoza-receptie. Hij was bezorger van Spinoza’s verzamelde werken in twee delen, schrijver van een Spinoza-biografie, en ijveraar voor een Spinoza-standbeeld dat in 1880 daadwerkelijk in Den Haag werd onthuld (zie foto). Bij die onthulling hield Van Vloten een toespraak die is uitgegeven onder de titel: “Spinoza de blijde boodschapper der mondige menschheid”.

Aan het Duitse Wikipedia-artikel over Einsteins kosmische Religion ontleen ik de volgende anekdote. In 1929 antwoordde Albert Einstein op de vraag van een New Yorkse rabbijn “Glauben Sie an Gott?”:

Ich glaube an Spinozas Gott, der sich in der gesetzlichen Harmonie des Seienden offenbart, nicht an einen Gott, der sich mit dem Schicksal und den Handlungen der Menschen abgibt.

Deze anekdote treedt regelmatig op in werk van atheïsten met zendingsijver zoals Richard Dawkins, bijvoorbeeld in diens The God Delusion (God als misvatting). God wordt door Einstein als een pantheïstische God opgevoerd, een God dus die samenvalt met de werkelijkheid en die zich openbaart in de complexiteit en de schoonheid van het bestaande. Einstein beriep zich in dit opzicht terecht op Spinoza.

In 2008 werd in Amsterdam het Spinoza-monument opgericht (zie foto), met daarop een korte tekst gegraveerd: Het doel van de staat is de vrijheid. Deze tekst is afkomstig uit het Theologisch-politiek traktaat.

Boris van der Ham (voormalig D66-politicus), die in 2012 afscheid nam als volksvertegenwoordiger, schonk de Tweede Kamer bij die gelegenheid een exemplaar van het Theologisch-politiek traktaat. Een bijbel en een koran hadden de volksvertegenwoordigers in het verleden al eens ten geschenke gekregen. Het was nu tijd voor een werk ‘uit meer seculiere hoek’.

Dirk van Weelden schrijft in 2003 (hij heeft zijn alter ego Michiel gedoopt, en Michiel blijkt een lyrisch oor te hebben voor Spinoza’s proza):

Spinoza’s filosofie is een van taal gemaakt instrument dat ervoor zorgt dat gevoelens, rationele denkbeelden en intuïtieve noties over vrijheid, geluk, rechtvaardigheid, kennis en wijsheid soepel, zonder ruis of storing, samenwerken. Het doel van die samenwerking is het aanmoedigen en helpen ontstaan van een autonoom, levenslustig individu, dat weerbaar is tegen lijden en tegenslag.

Van Weelden heeft ook een bijdrage geleverd aan de kunstmanifestatie My Name is Spinoza – dit is bijvoorbeeld een tekst bij de aankondiging van die manifestatie in 2009: “De ideeën van Spinoza (Amsterdam, 1632) over god en religie, goed en kwaad, rede en emotie vormen de pijlers onder kernwaarden als tolerantie, respect en vrijheid van meningsuiting.”

De Volkskrant-columnist Erdal Balci zond in reactie op Stefan Paas (mei 2020) de volgende tweet de wereld in:

Alles wat mooi is aan de wereld hebben we te danken aan de strijd van Spinoza en de seculieren die zijn pad volgden. Door mensen als jij besef ik iedere dag meer dat er een goede roman over de grootmeester moet komen. Ik ga meteen aan de slag. Bedankt Stefan.

Ayaan Hirsi Ali speaking at the 2016 Conservative Political Action Conference (CPAC) in National Harbor, Maryland.

En Ayaan Hirsi Ali – Infidel van professie – heeft het Spinozahuis nog bezocht, samen met een paar vriendinnen, de dag voordat ze naar Amerika vertrok (1 september 2006). Ze hebben er een fles champagne leeggedronken.

Volgens De historische Canon van Nederland (2006, vernieuwd in 2020), moet Spinoza beschouwd worden als iemand “wiens ideeën over de vrijheid van denken en van meningsuiting belangrijk [zijn] geweest voor de moderne democratie.”

Onder het kopje Tolerantie lezen we in de Canon:

Spinoza is niet de enige die afstand wil nemen van vaststaande denkbeelden en hij krijgt steun van verschillende aanhangers, die zich net als hij losmaken van filosofische en godsdienstige tradities. In zijn Tractatus theologico-politicus geeft Spinoza in 1670 een aanzet tot een vrijere uitleg van de Bijbel. Hij spreekt zich uit voor de democratie en wijst op het grote belang van principiële tolerantie en vrijheid van meningsuiting.

De bekende Britse historicus Jonathan Israel, gerenommeerd schrijver over de Nederlandse zeventiende eeuw, schrijver van een groot tweedelig werk over de Nederlandse Republiek, en schrijver van een aantal werken over de (Radicale) Verlichting, beschouwt Spinoza als de grootste filosoof die ooit heeft geleefd, omdat

  1. hij de bijl legde aan de wortel van het theologisch denken en een scherp onderscheid maakte tussen filosofie en theologie (theologisch denken beschouwde Spinoza überhaupt niet als ‘denken’),
  2. hij de godsdienstige praktijken terug wilde brengen tot een verschijnsel dat geen noemenswaardige verwijzing naar enige transcendentie bezit of impliceert (alleen in naam),
  3. hij de onbetwiste voorvechter zou zijn van de democratie, het vrije denken en de vrijheid van meningsuiting, iemand die de grondslag heeft gelegd voor onze moderniteit.

De opvattingen van Israel hebben een grote weerklank gehad, ze hebben veel enthousiasme gegenereerd, maar ze zijn toch niet geheel onweersproken gebleven. Zie bijvoorbeeld de bespreking die de historicus Rob Hartmans (‘Jonathan Israel, of: het slagveld van de ideeëngeschiedenis’) wijdde aan de Radicale-Verlichtingstrilogie van Israel.

Hartmans opende zijn kritiek op Israels centrale these met een metafoor van de historicus David A. Bell. Deze sprak in een recensie getiteld Where Do We Come From? over de voorzichtigheid die de meeste historici betrachten als ze generalisaties over de geschiedenis naar voren brengen, maar Bell nam ook een ander type historicus waar, een historicus die zich eerder gedroeg als Maarschalk Zjoekov, iemand die zijn manschappen rücksichtslos door een mijnenveld joeg, met zeer veel doden tot gevolg, om daardoor ten slotte zijn doel – Berlijn – gemakkelijker te kunnen bereiken. Volgens Bell – en Hartmans valt hem daarin bij – is Israel meer een historicus van het Zjoekov-type. Hartmans vraagt zich zelfs af of het doel: Berlijn  – dat is bij Israel: de allesbeslissende Radicale Verlichting – wel ergens anders dan alleen in het hoofd van Israel bestaat.

Israel reageerde not amused op deze kritiek, en Hartmans eindigde zijn dupliek met deze zinnen:

Dat Jonathan Israel grote verdiensten heeft voor de geschiedschrijving, en dat zijn boeken een enorme stimulans hebben gegeven aan de bestudering van de Verlichting, staat buiten kijf. Het is alleen jammer dat hij zich sinds 2001 vooral is gaan opstellen als een ideoloog die de heilsboodschap van het radicale, seculiere Verlichtingsdenken erin wil rammen.

Ook Wiep van Bunge polemiseerde in zijn lezingen aan de Vrije Universiteit van Brussel (De Nederlandse Republiek, Spinoza en de radicale Verlichting, 2010) met Israels opvattingen. Hij concludeerde:

Vooral Spinoza’s overtuiging dat onder ‘wijzen’ noodzakelijkerwijs eensgezindheid zal ontstaan, heeft mij altijd benauwd. Het is misschien wel dit onvermogen verschillende intellectuele perspectieven te accommoderen, dat nog wel de meeste twijfel oproept over de geschiktheid van Spinoza als kompas voor de eenentwintigste eeuw. Weer wreekt zich hier, vrees ik, het ontbreken in de Ethica van de epistemologische bescheidenheid die juist in de Verlichting zulke goede diensten bewees.

Spinoza-huis Rijnsburg

De historicus Jan Dirk Snel schreef in een bespreking van Steven Nadler: Spinoza (Historisch Nieuwsblad 8/2001), nadat hij had genoemd hoe bijzonder het was dat in Spinoza’s tijd ontdekt werd dat “de natuur mechanisch begrepen kon worden”:

… En dus draafde Spinoza braaf door en dacht hij dat alles vanuit de rede begrepen kon worden. Hij verwarde causaliteit met noodzakelijkheid. En ethiek probeerde hij wiskundig te funderen.

Een eindje verderop spreekt Snel van “de arrogante betweterij van Spinoza” die alleen nog interessant is voor “dogmatische geesten”. Snel wijst er ook op dat de lof die Israel Spinoza toezwaait, en de blaam die veel orthodoxe protestanten Spinoza toewerpen, bijna gelijkluidend klinkt, en sprekend lijkt op Groen van Prinsterers ‘Ongeloof = Revolutie’.

Rob Hartmans schreef elders (De stamvaders van de  tolerantie – hij sluit zich aan bij de directeur van het Titus Brandsma Instituut en universitair docent aan de Radboud Universiteit Inigo Bocken):

Dat de diepreligieuze Locke een belangrijke wegbereider van de Verlichting was, valt niet te ontkennen. Maar juist radicale Verlichters als Spinoza hebben de Verlichting een antireligieuze richting opgestuwd. Met Bocken kan men zich afvragen of dit, zoals Israel beweert, alleen maar positief is geweest. Het precaire evenwicht tussen religie en politiek, zoals dat door Locke is beschreven, wordt uiteraard volledig verstoord als een van beide pijlers wordt weggevaagd. Als de heilsverwachting niet meer gescheiden is van de politiek, maar wordt beschouwd als quantité négligeable, als iets wat er niet zou behoren te zijn, is de kans groot dat het juist weer de politiek wordt binnen gesmokkeld. De twintigste eeuw heeft laten zien hoe rampzalig een dergelijk politiek messianisme is.

Op dit punt gaat Victor Kal nog een stap verder: de heilsverwachting wordt in het Theologisch-politiek tractaat niet alleen quantité négligeable, maar wordt opgevoerd in een verleidelijke schijngestalte. Deze schijngestalte wordt vervolgens aan het volk – van welks vermogen tot nadenken Spinoza minder dan niets verwacht – voorgehouden en ook opgelegd, met als doel om dat volk, moreel gesproken, in een vrijwillig aanvaard keurslijf te houden.

De sympathie die Frits Bolkestein en J.L. Heldring bij leven voor het christendom voelden, lijkt (naast een zekere nostalgie) op vergelijkbare overwegingen te berusten: aan een losgeslagen volk heb je niks. Overigens heeft Heldring herhaaldelijk gewezen op de altijd aanwezige mogelijkheid van een fascistische ontaarding van de democratie.

Spinoza voor het lyceum in Amsterdam-Zuid

Enfin, onder sommige vakgenoten lijkt Jonathan Israels jubelende Spinoza-beeld nogal wat scepsis te ontmoeten. In het publieke debat lijkt de sterk opgekomen en ronduit positieve reputatie van Spinoza nauwelijks omstreden.

Het is verleidelijk om te speculeren hoe dat komt. Mijn voorzichtige hypothese luidt dat er bij Israel sprake is van een vlucht naar voren: anders dan het liberale secularisme wil – het meerderheidsstandpunt van de geseculariseerde Noordwest-Europese protestantse wereld – is de godsdienst niet zozeer aan een terugtocht bezig, maar beleeft deze misschien zelfs een bescheiden réveil. In ieder geval is de religie – ook onder invloed van een nadrukkelijk aanwezige islam – teruggekeerd in het publieke debat, zij het vooralsnog op een vrij verwrongen manier. Aan dat mogelijke réveil, die terugkeer, die misstand moet een beslissend ‘halt’ worden toegeroepen. Dat ‘halt’ is Spinoza.

Victor Kal – Geraadpleegde literatuur – 11

Dit is het laatste deel van een beschouwing over het werk van Victor Kal

  1. Enkele gedachten over het werk van de filosoof Victor Kal (link)
  2. Wie was Spinoza (link)
  3. De Spinoza-receptie in Nederland (link)
  4. Victor Kal en De list van Spinoza (link)
  5. Gelijkschakeling (link)
  6. Kals filosofische stellingname (link)
  7. Theocratie en Democratie (link)
  8. De rehabilitatie van de schuld (link)
  9. De list van Spinoza (link)
  10. Besluit (link)
  11. Geraadpleegde bronnen

11. Geraadpleegde bronnen

Victor Kal – De list van Spinoza – 2

Dit is het tweede deel van een beschouwing over het werk van Victor Kal

  1. Enkele gedachten over het werk van de filosoof Victor Kal (link)
  2. Wie was Spinoza
  3. De Spinoza-receptie in Nederland (link)
  4. Victor Kal en De list van Spinoza (link)
  5. Gelijkschakeling (link)
  6. Kals filosofische stellingname (link)
  7. Theocratie en Democratie (link)
  8. De rehabilitatie van de schuld (link)
  9. De list van Spinoza (link)
  10. Besluit (link)
  11. Geraadpleegde literatuur (link)

2. Wie was Spinoza?

Tractatus theologico-politicus – ed. 1670

Dit is deel 2 van een serie. De introductie tot deze reeks afleveringen over Victor Kal, De list van Spinoza, Amsterdam: Prometheus 2020, kunt u hier nalezen.

In onze tijd is Benedictus de Spinoza (1632-1677) zonder twijfel de bekendste Nederlandse filosoof van de zeventiende eeuw. Hij was van portugees-joodse afkomst; hij stamde af van sefardische joden. Zijn bekendste werken zijn de Tractatus theologico-politicus (Theologisch-politiek traktaat) en de Ethica.

Een goede introductie tot Spinoza’s leven en werk biedt de historicus Rob Hartmans in zijn artikel: Baruch de SpinozaDe Groene Amsterdammer, nr. 2, 10 januari 1996.

Het Theologisch-politiek tractaat is een verhandeling waarin Spinoza de ideale verhouding tussen godsdienst en samenleving beschreef. De Ethica is een streng opgebouwd moraalfilosofisch werk waarin hij een levensleer ontvouwde. Volgens sommigen was hij een volbloed-atheïst; anderen nemen wat hij bijvoorbeeld aan het slot van de Ethica schrijft over het ‘heil’ van de wijze dat uiteindelijk gevonden wordt in de ‘amor intellectualis Dei’ wel serieus (Wiep van Bunge). Hij schreef in het Latijn.

Spinoza – Den Haag (Wikimedia Commons)

Wat zijn godsdienstige opvattingen betreft is het goed om te vermelden dat hij God en de Natuur (of de Natuurlijke Orde) aan elkaar gelijk stelde. Zijn godsbeeld was onpersoonlijk en immanent: God valt samen met, en bevindt zich dus niet boven of buiten de voor ons kenbare werkelijkheid, en God bezit geen persoonlijke, mensgelijkvormige eigenschappen.

Omdat Spinoza’s denkbeelden in zijn tijd en zijn omgeving niet in goede aarde vielen, werd hij verbannen uit de joodse gemeenschap, en week hij als 23-jarige uit van Amsterdam naar Rijnsburg (1661-1663). Daar bedreef hij filosofie en voorzag hij in zijn levensonderhoud met het slijpen van microscooplenzen. Het Spinozahuis in Rijnsburg kan tot op de huidige dag worden bezocht als een museumpje met gereconstrueerde bibliotheek. Later kwam Spinoza, via Voorburg, terecht in Den Haag.

Spinozahuis Rijnsburg

Het was Spinoza’s doel om filosofie en theologie zo strikt mogelijk te scheiden: de godsdienstige veelkleurigheid, en met name de felle en militante twisten die tussen de godsdienstige groepen in zijn tijd werden gevoerd, baarden hem zorgen, ook met het oog op de stabiliteit van de jonge Republiek. En stabiliteit was nodig om zich ongestoord aan de filosofie, de beschouwing van God of de Natuurlijke Orde, te kunnen wijden.

Victor Kal – De list van Spinoza – 1

Dit is het eerste deel van een beschouwing over het werk van Victor Kal

  1. Enkele gedachten over het werk van de filosoof Victor Kal
  2. Wie was Spinoza (link)
  3. De Spinoza-receptie in Nederland (link)
  4. Victor Kal en De list van Spinoza (link)
  5. Gelijkschakeling (link)
  6. Kals levensbeschouwelijke positie (link)
  7. Theocratie en Democratie (link)
  8. De rehabilitatie van de schuld (link)
  9. De list van Spinoza (link)
  10. Besluit (link)
  11. Geraadpleegde literatuur (link)

1. Enkele gedachten over het werk van de filosoof Victor Kal

Victor Kal

N.a.v. de verschijning van Victor Kal, De list van Spinoza, de grote gelijkschakeling, Amsterdam: Prometheus 2020.

Friedrich Nietzsche publiceerde ooit een bundel onder de titel Unzeitgemäße Betrachtungen.

Het boek dat de directe aanleiding vormt voor de beschouwing waarvan u nu de eerste aflevering onder ogen heeft – het in 2020 uitgekomen boek van de Amsterdamse filosoof Victor Kal (1951): De list van Spinoza, de grote gelijkschakeling – kan zonder overdrijving unzeitgemäß (oneigentijds) worden genoemd: het is een boek dat wijdverbreide en moderne ideeën over Spinoza ernstig relativeert. Misschien is het zelfs beter te zeggen dat Kal deze ideeën weerlegt.

Deze reeks afleveringen komt voort uit mijn bestudering van een deel van het wijsgerige werk van Victor Kal. Zijn bezorgdheid deel ik: het morele nihilisme dat schuil gaat achter een façade van legaliteit en fatsoen, de bijna totale verdwijning in de westerse wereld van de godsdienstige riten die bewustwording, beleving en openbaring van het religieuze leven bemoeilijkt, de grootkapitalistische en fascistische ontaardingen van de democratische rechtsorde die als gevolg van voornoemd nihilisme kansen krijgen.

De list van Spinoza

Het is misschien goed er meteen op te wijzen dat de ‘conservatieve revolutie’ (de term is innerlijk tegenstrijdig) die al een paar decennia gaande is, zich ook voedt met deze ongerustheid. Met deze ‘conservatieve revolutie’ heb ik geen affiniteit. Ik ben voor een liberale democratische rechtsorde die alle elementaire vrijheden garandeert, aansluiting zoekt bij internationale verbanden, ernaar streeft om aan een internationale rechtsorde bij te dragen. En ik heb een hekel aan complotdenken, xenofobie en ergdenkendheid. Ten slotte: het sjibbolet dat ‘vrijheid van meningsuiting’ heet, spreek ik steevast verkeerd uit.

Klein intermezzo: het begrip Conservatieve Revolutie gebruikte men aanvankelijk voor de stellingname van een bonte verzameling denkers die zich ruwweg tussen 1850 en 1950 manifesteerden. Ze keerden zich tegen het moderne individualisme en het moderne liberalisme: Carl Schmidt, Richard Wagner, Oswald Spengler, Ernst Jünger, Isaäc da Costa, Carel Gerretson. Gemeenschap wordt belangrijker geacht dan het individu, ze streven naar meer autoriteit, ze proberen de tegenstelling tussen maatschappij en staat op te heffen. Moderne conservatieve revolutionairen met nationalistische doelstellingen waren/zijn Pim Fortuyn, Thierry Baudet en Bart Jan Spruyt. De meesten flirten met het christendom zonder zich eraan te committeren (geldt niet voor Spruyt).

Ik noemde allereerst Nietzsche. Het drama van Nietzsche – de dood van God – is in zekere zin ook het drama van Kal, alleen werkt hij, zo lijkt het, de andere kant op. Bovendien beschrijft Kal het drama met een zekere luchtigheid en didactische kalmte, al schemert een echte ongerustheid door zijn woorden heen. Nietzsche moet daarbij vergeleken eerder theatraal genoemd worden, zelfs theatraal par excellence, om een van zijn geliefde uitdrukkingen te gebruiken.

Misschien is ook die tegenstelling schijn, en hebben ze beiden – Nietzsche en Kal – het culturele gemis in beeld gebracht dat met de bijna onzichtbaar-wording van het christendom in de westerse wereld begon: ze brengen verschillende kanten van dezelfde kloof in kaart: Nietzsche het gemis; Kal de noodzaak van een verhouding tot een transcendente oorsprong die ons besef van vrijheid steeds weer hernieuwt en die onze morele ernst schraagt.

Friedrich Nietzsche

Het is daarbij van belang te beseffen dat Kal een filosoof is. Hij is geen zendeling of theoloog, er is geen godsdienstig belang, er is geen godsdienst die wordt voorgetrokken. Wel meent hij dat het monotheïstisch uitgangspunt er wezenlijk toe doet.

Kal is van mening dat een transcendent oriëntatiepunt waartoe (of tot wie) de mensen zich in rite en met een bepaalde taal verhouden, van belang is om bewuste en vrije mensen te blijven die zich niet laten gelijkschakelen door een Leider die hen met een ideologisch of pseudoreligieus ideaal verleidt, waarna zo’n Leider diezelfde mensen pseudo-democratisch inschakelt voor zijn machtsdoeleinden – en dit is precies het programma van Spinoza waartegen Kal zich verzet. Kal beroept zich daarvoor op een aantal belangrijke denkers uit de geschiedenis van de filosofie: Plato, Kierkegaard, Heidegger, Kant, Derrida.

Spinoza heeft zich sinds de jaren zestig van de twintigste eeuw gaandeweg ontwikkeld tot een seculiere heilige, iemand die de wereld – godlof! Spinoza handhaafde de godvruchtige teksten – heeft ontdaan van goddelijke bemoeienis, met als gevolg dat veel moderne verworvenheden, zoals materialistische verklaringen voor verschijnselen, democratie, mensenrechten, tolerantie, gelijkheid en vrijheid van meningsuiting konden bloeien.

Benedictus de Spinoza

Victor Kal is er niet zo van overtuigd dat al die mooie dingen daadwerkelijk uit Spinoza’s filosofie voortvloeien. Hij beschouwt Spinoza onomwonden als een filosoof die elke vorm van aanraking met het goddelijke probeert te dwarsbomen, die het volk minacht, die premodern is, en dus geen werkelijk besef heeft van het moderne vrijheidsidee, die ronduit antiliberaal is, die onbewust een aantal grondslagen heeft gelegd voor de fascistische ontaarding van de democratie waarvan we onder andere in de twintigste eeuw getuige waren, en mogelijk ook nu weer opnieuw getuige zijn.

In zijn Zur Kritik der Hegel’schen Rechts-Philosophie uit 1844 schreef Marx een beroemde passage die eindigt met:

Die Religion ist der Seufzer der bedrängten Kreatur, das Gemüth einer herzlosen Welt, wie sie der Geist geistloser Zustände ist. Sie ist das Opium des Volks.

De slotzin, ‘Religie is opium van het volk‘, wordt vaak verbasterd tot: ‘Religie is opium voor het volk‘. Deze verbastering is precies wat bij Spinoza doelbewust gebeurt: omdat de religie de gedachteloosheid, het escapisme van het onverbeterlijke gewone volk is, dient de machthebber de religie doelbewust aan te wenden om het volk in het gareel te houden.

Wat in een aantal afleveringen volgt – ik zet vanaf vandaag elke dag een nieuwe aflevering op mijn website – is geen recensie. Ik ben een amateur reader, ongeschoold in de geschiedwetenschap, en ik ben tevens een filosofische dilettant. Maar ik lees soms wel met veel interesse en aandacht een historische of wijsgerige verhandeling. Als laatste aflevering treft de lezer een overzicht aan van de bronnen die ik heb gebruikt.

Ik geef in de volgende aflevering een paar summiere feiten over leven en werk van Spinoza, de filosoof wiens theologisch-politieke opvattingen het onderwerp vormen van De list van Spinoza. En ik vertel in de daarop volgende aflevering iets over de Spinoza-receptie in Nederland.

Ik wijd ook een paar afleveringen aan ouder werk van Victor Kal, de schrijver van het boek, voorheen filosoof aan de Universiteit van Amsterdam, een man die actief verbonden is met de joodse godsdienstige traditie. Ik ken de auteur niet persoonlijk.

Spinoza-monument in Amsterdam

De voornaamste gedachten van De list van Spinoza komen in de diverse afleveringen aan de orde. Ik heb er naar gestreefd geen filosofisch jargon te gebruiken, maar ben er niet geheel aan ontkomen bepaalde begrippen die af en toe bij Kal terugkeren en die hij een specifieke betekenis geeft, te introduceren en soms beknopt toe te lichten.

Eén opmerking nog aan het eind van deze introductie: het is niet mijn doel om iemand ertoe te brengen de standbeelden en monumenten die aan Spinoza zijn gewijd omver te halen. Ook hoeven er geen waarschuwende bordjes bij die monumenten te worden gezet. Hij was een zeer bijzondere historische figuur, een filosoof die onze geschiedenis heeft beroerd, die geesten heeft bewogen, en die zijn plaats in de geschiedenisboeken verdient. Maar wie dat hardop zegt, zegt daarmee niet dat hij bewonderd moet worden om de verkeerde redenen.

Wonder en Afgrond

A Welsh Landscape

EeEen Welsh landschap

Een paar gedachten over een gedicht van Ronald Stuart Thomas (1913-2000). Misschien dat u ze leuk vindt om te lezen.

Onlangs had ik op Twitter een korte discussie met een collega over de interpretatie van een gedicht van Ronald Stuart Thomas, een Welshe dominee-dichter. Het betrof het gedicht Three Countries (Uncollected Poems, @BloodaxeBooks), dat als volgt luidt:

Three Countries

At Soay at the Cuillins I saw the salmon leap,
Uneasy captives at the coble’s side,
Where four stern men were hauling at the nets
That bore the glittering burden of the tide.

At Keem in Achill, when the nets were spread,
The basking sharks came cruising in the bay;
I saw the water broken by their fins,
And the bright eddies as they turned away.

But once in Malldraeth when the whitebait lay,
A serried harvest, in the grottoed shade
Of some green pool, I saw the mackerel fall
Softly upon them like a silver blade.

Dit is een fraai gedicht, mooi van taal, geheimzinnig van betekenis. Ik vind dit gedicht ongeschikt voor een vertaling, vanwege de plaatsnamen, en ook wel vanwege de culturele context die ik haast niet kan oproepen zonder de vertaling te bedelven onder een berg voetnoten.

Ik moest sommige dingen opzoeken. Omdat ik het mogelijk acht dat u momenteel net zo onwetend bent als ik tot voor kort was, geef ik een paar woordbetekenissen die u misschien niet paraat hebt.

  • Soay at the Cuillins: een eilandje bij het Schotse Isle of Skye, met uitzicht op de bergruggen van de Cuillins.
  • Keem in Achill: een baai van het Ierse eiland Achill.
  • Malldraeth (meestal gespeld als Malltraeth): plaatsje aan het einde van een diepe baai van Isle of Anglesey, gelegen ten noordwesten van Wales.
  • Coble: een Schotse platbodem, gebruikt voor de visserij.
  • Basking shark: reuzenhaai, een vredelievende haai die voorkomt in de zeeën rondom het Verenigd Koninkrijk en Ierland (lengte tot 11 meter). ‘Basking’ betekent: zich koesterend.
  • Eddies: draaikolken – ‘the bright eddies’ worden heel fraai met een antimetrie (afwijking van het metrum) tot uitdrukking gebracht.
  • Whitebait: zeebliek (meestal: jonge haring).
  • Serried: dicht opeengepakt.

De vraag die opgeworpen werd in de korte Twitter-discussie was of je ‘bovennatuur’ nodig hebt om dit gedicht te begrijpen; R.S. Thomas was immers een Welshe dominee-dichter. In eerste instantie antwoordde ik van niet, want de betekenis van het gedicht liet zich immers ongeveer als volgt samenvatten:

Het gaat over drie landen: Schotland, Ierland en Wales. De scènes spelen zich allemaal af op een eiland. In de eerste strofe is sprake van zalm, in de tweede van de reuzenhaai, in de slotstrofe van makreel.

In die drie landen gebeuren verschillende dingen tussen mens en vis: de mens die de tegenspartelende vis vangt (Schotland), de vis die genietend zijn gang gaat tussen de vissende mens (Ierland), de vis die wreed en ongerept zijn natuurlijke gang gaat, andere visjes aanvalt, ongetwijfeld opeet, gadegeslagen door een eenzame toeschouwer (Wales). Het zijn een soort ‘scènes moralisées’.

Na er in de vroege ochtend tussen de lakens een beetje over te hebben gepeinsd, vond ik toch dat er nog wat meer over die bovennatuur moest worden gezegd. Dat stukje van de discussie heeft zich buiten de openbaarheid afgespeeld.

R.S. Thomas in a Welsh landscape seen on the back

R.S. Thomas in een Welsh landschap op de rug gezien

Bij Thomas overheerst bijna in alles wat hij schrijft een zin voor het wonderbaarlijke en een zin voor het afgrondelijke (een bijzondere vorm van het wonderbaarlijke).

Als je dat tot de bovennatuur rekent, dan kun je in je interpretatie niet om zo’n bovennatuur heen.

Thomas was bijzonder gesteld op Kierkegaard, iemand die veel heeft gefilosofeerd over de afgrond, het zweven daarboven, en de moed om dat te doen. Thomas was ook een aandachtig natuurliefhebber, net als zijn vrouw de schilder Mildred Eldridge (1909-1991).

Het gedicht bevat heel zuivere beelden, en drie indringende voorstellingen.

Thomas ontpopte zich bij tijd en wijle als een Welshe nationalist. Als dominee vond hij dat de meeste moderne kwalen voortkomen uit het feit dat de mens vergeten is hoe hij moet leven, en gedachteloos welvaart en genietingen najaagt.

Ik denk dat de zuiverheid, de wreedheid, de natuurlijkheid, de eenzaamheid en de ongereptheid van de Welshe voorstelling hem zeer aansprak.

Over de uitleg van grap en gedicht

Over de uitleg van grap en gedicht

De uitleg van een grap is nooit grappig. Uitleg is voor mijn gevoel meestal ook strijdig met de geest van de grap. De grap blust het vuur van de twist, toont dat het sop de kool niet waard is, ontgrendelt onze gefixeerde blik, stookt een vreugdevuur van onze domheid; de grap relativeert, zegt men dan.

Ons twistmotief wordt door de grap bespot, en ook de gerichtheid van ons streven blijkt verdacht – de grappenmaker vergist zich zelden. De grap gelooft niet in de mogelijkheid dat twistzoekers, zwaarwichtige praters, radicale geesten, dwaallichten op dit moment voor rede of kritiek vatbaar zijn.

De grap gelooft ook niet dat de soep zo heet wordt gegeten als ze wordt opgediend. Deze eigenschap van de grap wekt soms abusievelijk de indruk dat de grappenmaker ‘positief’ in het leven staat, dat hij sombere uitkomsten, gruwelijke gevolgen, akelige verminkingen, massamoord, allerhande ellende onwaarschijnlijk acht.

Niets is minder waar. De meeste grappenmakers zijn – net als de meeste dichters – innig vertrouwd met wanhoop.

De rede is voor ons allemaal meestal heel ver weg, het is onduidelijk of de rede van binnen of van buiten komt, kritiek wordt als ondraaglijk beleefd of als een anomalie beschouwd, en het is zelfs niet helemaal zeker of de mens überhaupt een redelijk wezen is. Denkt u echt dat de mens over zelfkritiek beschikt? Ik doe manhaftig mijn best het te geloven.

Overigens vind ik het wel zeer aanbevelenswaardig om naar redelijkheid te streven, hoe moeilijk het misschien ook is.

Uitleg van de grap is niet een voortzetting, maar wel een terugkeer naar het belachelijk gemaakte streven, de radicaliteit, de twist, het gedram, de geketende blik.

Gedichten en grappen hebben deze belangrijke overeenkomst: ze hebben allebei een transcendent doel en uitleg is dodelijk.

De middelen zijn geheel verschillend, maar gedicht en grap proberen ons te bevrijden van onze gefixeerde blik, onze verbetenheid, ons vanzelfsprekendheidsgevoel, het gevoel dat we terecht boos zijn, het gevoel dat onze goede bedoelingen boven elke kritiek verheven zijn, het gevoel dat we heus alles al wel eens eerder hebben gezien.

Ongecorrigeerde zelfvoldaanheid jaagt ons in galop voort naar onze ondergang. En wie wil dat nou?

Ik doe altijd erg mijn best op m’n poëzievertalingen, en al geef ik soms wel wat summiere toelichting – meestal over zaken die aanvankelijk voor mijzelf een struikelblok vormden – met interpretatie blijf ik toch heel terughoudend.

Overigens staat elk gedicht gewoon op papier. Het ontstaat volgens mij niet alleen in het hoofd van de lezer. Als dat laatste alleen-zaligmakend zou zijn, was het onmogelijk om vertalingen kwalitatief met elkaar te vergelijken.

Dichters hebben wel degelijk iets te zeggen, en ik vind het de moeite waard om te achterhalen wat dat is. Het is daarom dat ik vertaal.

Als u deze tekst een beetje belachelijk vindt, kan ik u geen ongelijk geven.

Een voetnoot bij het begrip Cultuurmarxisme

Cultuurmarxisme

Omslag boek onder redactie van Paul Cliteur, Jasper Jansen en Perry Pierik

Het begrip ‘cultuurmarxisme’ – een spookachtig, anachronistisch verzinsel – wordt door louche-rechtse lieden (The Post Online, Sid Lukassen, Sietske Bergsma, Wierd Duk, PVV, FvD) gebruikt om een vermeende culturele tendens te beschrijven.

Paul Cliteur, Voorzitter Wetenschappelijk Bureau van FvD, jurist, militant-atheïstische schrijver, mede-redacteur van een boek met de titel Cultuurmarxisme, meent een argument voor de alomvattende greep die het begrip op de geesten heeft, te kunnen ontlenen aan het feit dat er geen PVV-hoogleraren zijn. Hierop is kritiek gegeven. Zie bijvoorbeeld dit Twitter-draadje van de theoloog en publicist Stefan Paas.

De kritiek is raak, en Cliteur heeft dergelijke kritiek zeer verdiend, maar deze gaat toch in mijn ogen voorbij aan het centrale punt. Dat punt is dat het bestaan van een verondersteld verschijnsel – ‘cultuurmarxisme’ – wordt aangetoond met de niet-respectabiliteit van de PVV.

Het aangevoerde feit, dat een positieve houding jegens de PVV niet als respectabel wordt beschouwd onder de elite van journalisten, televisiemakers, wetenschappers, beleidsmakers en schrijvers, is moeilijk te loochenen.  Dat is gewoon zo.

Alleen zelfstandige ondernemers en mensen hoog in de commerciële hiërarchie (die soms ook tot de elite worden gerekend) zijn soms wel duidelijk PVV-gezind (eigen waarneming), maar die komen sowieso niet voor hun politieke voorkeur uit in het openbaar.

De zwakte van Cliteurs betoog schuilt niet in het ter ondersteuning aangevoerde  feit – de niet-respectabiliteit van de PVV – maar in de gedachte dat dit feit het verschijnsel ‘cultuurmarxisme’ aantoont.

Daarvoor zie ik geen enkele aanleiding: het marxisme-leninisme is vrijwel over de gehele linie in diskrediet, de greep die het neomarxisme op de geesten heeft, is geen fractie van wat die in de jaren ’70 en ’80 was, en de afkeer van de PVV wordt beleden door heel diverse groepen.

De PVV rekruteert zijn islamofobe kiezers vooral onder de militante atheïsten, bekrompen protestanten, Telegraaflezers die het graag gezellig houden, gemelijke ex-katholieken, Teeuwen/Van Gogh-bewonderaars en GeenStijl-trollen.

Maar wie blijven er dan nog over? Dat zijn:
1.) Links: Groen Links, PvdA, SP;
2.) Christenen: CDA, CU en SGP;
3.) Migranten: DENK en anderen;
4.) Hoogopgeleide burgers die areligieus, onburgerlijk en vernieuwend willen zijn: VrijLinks, D’66.

Je kunt bezwaarlijk van dit gemêleerde gezelschap beweren dat ze er een gemeenschappelijke cultuurmarxistische filosofie op nahouden.

‘Cultuurmarxisme’ is een verschijnsel uit de jaren ’70 en ’80 van de 20e eeuw. Toen wemelde het van de fellow-travellers van sovjet-communisme en maoïsme, en was er daadwerkelijk een aanzienlijke neomarxistische invloed op het intellectuele leven.

Als je een argument zoekt voor ‘cultuurmarxisme’, dan zou ik het negeren in de Nederlandse pers van Simon Leys noemen: hij heeft meer gedaan dan wie ook om het marxisme in diskrediet te brengen, en zijn overlijden in 2014 is in de Nederlandse kranten en op de Nederlandse tv volstrekt genegeerd.

PS Na het bovenstaande geschreven te hebben werd ik via Twitter op een gedegen en interessant artikel over het onderwerp geattendeerd door de Leidse historicus Adriaan van Veldhuizen – waarvoor dank. Het betreft: Daniël Korving en Jaap Tielbeke, ‘Genealogie van het cultuurmarxisme. Een complottheorie voor paranoïde rechts’, De Groene, 6 september 2017.

 

 

De strijd tegen politieke correctheid

In de jaren die voorafgingen aan de millenniumwisseling – de late jaren ’90 – kwam er ruime aandacht voor het verschijnsel ‘politieke correctheid’. In 1997 verscheen Correct. Weldenkend Nederland sinds de jaren zestig, van de Nederlandse socioloog en schrijver Herman Vuijsje.

Ik heb in 2008, toen een geactualiseerde editie van Vuijsjes boek Correct verscheen, het Wikipedia-artikel over de auteur geschreven. Ik schreef in dat artikel toen:

Veel onderwerpen die hij al in de jaren zeventig en tachtig van de 20e eeuw aansneed, lijken pas in de 21e eeuw brandend actueel te zijn geworden. In Nieuwe vrijgestelden en Lof der dwang uitte hij kritiek op het doorslaan van de cultuuromslag die begon in de jaren zestig. In 1986 schreef hij over etnisch verschil als Hollands taboe.

Vuijsjes boek Correct vind ik nog altijd de beste introductie tot het onderwerp, al is er uiteraard nadien nog wel het een en ander gepasseerd dat de auteur bij het schrijven niet bevroeden kon. Vuijsje was niettemin zeker vooruitziend: het onderwerp is zeer in betekenis toegenomen, zij het dat de evenwichtigheid waarmee hij het onderwerp heeft behandeld na 1997 verloren is gegaan.

In 2009 voegde ik aan het Wikipedia-artikel Theodore Dalrymple een sectie Thema’s toe dat afsloot met:

De oorzaak van onze culturele armoede moet worden gezocht bij de intellectuelen: zij hebben sinds de Verlichting gaandeweg (en in de twintigste eeuw op grote schaal) de fundamenten van onze beschaving aangetast en zij kijken nu, op politiek-correcte wijze, weg van de problemen die dat heeft veroorzaakt.

Die sectie voldeed eigenlijk niet aan de Wikipedia-richtlijnen: ik had mijn eigen leeservaringen samengevat, en dat mag eigenlijk niet, maar ik denk wel dat die sectie een vrij aardige opsomming geeft van zijn opvattingen.

Dalrymple is een auteur die regelmatig een nummer maakt van de politieke correctheid, een verschijnsel dat – volgens hem – vergelijkbare en ook doelbewust nagestreefde effecten heeft als de onderdrukking van de uitingsvrijheid onder dictatoriale regimes:

“In my studies of communist societies, I came to the conclusion that the purpose of communist propaganda was not to persuade or convince, not to inform but to humiliate; and therefore, the less it corresponded to reality the better. When people are forced to remain silent when they are being told the most obvious lies, or even worse when they are forced to repeat lies themselves, they lose once and for all their sense of probity. To assent to obvious lies is …in some small way to become evil oneself. One’s standing to resist anything is thus eroded, and even destroyed. A variety of emasculated liars is easy to control. I think if you examine political correctness, it has the same effect and is intended to.”

Ik voel in toenemende mate ergernis bij dit soort citaten. Dit soort beweringen treffen mij nu als aanstellerig. Ze zijn ook niet onschuldig. Menig dwaallicht – Joost Niemöller – of misdadiger – Anders Breivik – voelt zich erdoor gesterkt. Toen ik dit citaat op Twitter voorbij zag komen in een beamende context, schreef ik dan ook:

To equate political correctness with the ruthless suppression of people’s views under the worst of tyrannies is not only self-dramatizing; it is self-deceptive, self-exculpatory and self-aggrandizing. We had better not assent – in some small way – to such an obvious lie.

De strijd tegen politieke correctheid is het centrale thema van populistisch rechts, de enigszins louche, volkse beweging waarin nationalistische, antisemitische en xenofobe sentimenten hun uitweg vinden.

Om deze reden schreef ik de volgende Twitter-reeks:

  1. De boze reacties op ‘politieke correctheid’ zijn zeer overdreven. Het verschijnsel bestaat (uiteraard), maar de consequenties van de (vermeende) taboebreuk zijn de moeite van het noemen nauwelijks waard. En als je daar toch bang voor bent, dan hou je toch gewoon je mond dicht?

2. Deze boosheid jegens PC doet enigszins denken aan het romantische cliché dat een schrijver het heel zwaar heeft om waarheden die het publiek onwelgevallig zijn te openbaren. Daar heeft die schrijver veel moed voor nodig en een gevoel dat zijn schrijverij noodzakelijk is.

3. Ik weet niet wie dat cliché heeft verspreid: Chamfort? Nietzsche? Flaubert? – ook dit cliché is belachelijk in de context van een liberale, constitutionele democratie. Dat er een gevoel van noodzaak moet zijn, las ik voor het eerst bij Jan Greshoff (Zwanen pesten).

4. Dat bijna elke schrijver onzeker is, zoekt naar de voor hem geschikte vorm, zoekt naar de juiste toon, zoekt naar zijn onderwerp, spreekt uiteraard vanzelf. Maar des schrijvers onzekerheid impliceert niet volautomatisch des omstanders vijandigheid.

5. De schrijver C.S. Lewis stak in zijn boek The Personal Heresy de draak met de ‘moed’ die van schrijvers gevraagd zou worden:

CS Lewis - moed - courage

6. Theodore Dalrymple maakt altijd een nummer van de strijd die hij te voeren heeft tegen Politieke Correctheid. Hij begon al betrekkelijk vroeg, toen er nog werkelijk van strijd sprake was, maar ook zijn boeken liggen inmiddels bij Nederlandse ministers op hun nachtkastje.

7. De boosheid jegens ‘politieke correctheid’ komt niet zelden voort uit het terechte gevoel dat wat jij zegt ook inderdaad niet door de beugel kan. Dit gold al voor Jan Hendrik van den Berg, die ronduit racistisch was, maar het geldt ook voor de Telegraaf-journalist Duk.

8. Als ik Petrus was, zou ik bij de hemelpoort aan de uit de schemering opdoemende schrijvers en tweeps en journalisten vragen: “Waarom stelde je je zo aan?”

Drie titels van literaire lezingen

Wie een lezing houdt, geeft meestal aan die lezing ook een titel mee. Die titel kan – als de auteur zijn of haar titel goed heeft gekozen – veelzeggend zijn.

In dit korte blogtekstje vergelijk ik drie titels:

  1. Het woord bij de daad, van Harry Mulisch
  2. Mondelinge mededelingen, van Willem Frederik Hermans
  3. Nu ik hier iets zeggen mag, van Ida Gerhardt

De titels die Mulisch, Hermans en Gerhardt gekozen hebben, zijn treffend – ze laten meteen al iets zien over de houding die deze auteurs aannemen ten aanzien van het leven.

Mulisch is voluit megalomaan, Hermans natuurwetenschappelijker dan hij is, Gerhardt wat al te christelijk.

De titel van Mulisch is een bewuste omkering van De daad bij het woord [voegen], een bekende Nederlandse uitdrukking. Mulisch was enthousiast over de studentenrevolutie van de jaren ’60 en en de revolutie van Fidel Castro. Het Woord bij de Daad is een pamflet dat daadwerkelijk de Cubaanse revolutie met woorden steunt. Mulisch liep daarbij geen risico en kon daarbij moeiteloos zijn pose van literaire glamourboy handhaven. Pogingen om hem ter verantwoording te roepen – het was uiteraard verkeerd en onverantwoordelijk wat hij te berde bracht – liepen stuk op zijn solipsistische stilzwijgen of zijn stugge herhaling van oude standpunten.

De filosofische houding van Willem Frederik Hermans was gebaseerd op de natuurwetenschappelijke zienswijze. Hoezeer hij ook een romanticus was, en hoezeer ook geteisterd door wrokkigheid en ressentiment, hij wilde een dienaar van de waarheid zijn, hij wilde datgene zeggen wat zijn lezers niet onder ogen wilden zien, maar wat in zijn ogen onontkoombaar was. De titel van zijn gebundelde lezingen getuigt daarvan: Mondelinge mededelingen – meer valt er niet over te zeggen, en meer zegt het ook niet. Maar het is – denk ik – wel degelijk zo dat er meer over valt te zeggen. De slotzin van het door Hermans vertaalde en door Wittgenstein geschreven Tractatus Logico-Philosophicus: “Van dat, waarover niet kan worden gesproken, moet men zwijgen”, is een streng klinkende constatering die, als deze als richtlijn wordt toegepast, hoogst onwenselijke resultaten afwerpt. Hermans wilde geen andere dan natuurwetenschappelijke pretenties voeren, al streefde hij volgens mij wel degelijk iets anders na, wat hij op andere momenten in interviews ook toegaf.

Ida Gerhardt was een dichteres die op latere leeftijd paranoïde werd, en haar leven lang geteisterd werd door gevoelens van miskenning. In de praktijk viel deze miskenning wel mee – ze heeft aanzienlijke literaire erkenning gehad – maar in haar gevoelsleven was deze erkenning slechts gebrekkig verankerd. Maar ze was ook een christelijke dichteres die samen met haar partner, Marie H. van der Zeyde, de bijbelse psalmen heeft vertaald. Ootmoed, een ander uitnemender achten dan jezelf, waren hoge deugden. Deze christelijke houding klinkt door in de nederige titel van haar voordrachten, Nu ik hier iets zeggen mag. Het wankele evenwicht tussen het besef van talent en roeping enerzijds en de boze houding jegens de (onontkoombare) literaire praktijk van kritiek en miskenning anderzijds, uitte zich in een wat al te nederige titel.

De titel van dit blogtekstje heeft – denk ik – de meeste verwantschap met de titel van Willem Frederik Hermans.

Wat betekent (ir)rationeel?

Een paar vragen over het gebruik van ‘rationeel’ en ‘irrationeel’, ‘rationaliteit’ en ‘irrationaliteit’.

  1. Ik begrijp vaak niet wat mensen bedoelen die iets ‘rationeel’ of ‘irrationeel’ vinden. Is de atheïstische levensbeschouwing rationeel? Kan een verlangen irrationeel zijn? En gedrag? Kan zo’n oordeel gelden voor levenskeuzes, vertrouwen, liefde, rebellie?
  2. Ik doel hier op het betrekkelijk gewone, dagelijkse spraakgebruik, inclusief het spraakgebruik dat gehanteerd wordt in recensies, columns en beschouwingen in serieuze culturele tijdschriften en landelijke dagbladen.
  3. Kan iemand die zijn mond stijf dicht houdt, die nooit iets zegt, die volhardt in stilzwijgen, ooit irrationeel zijn? Is strijdigheid tussen wat je doet en wat je zegt een criterium om iemand ‘irrationeel’ te noemen?
  4. Ik moet het huishouden doen, maar ik ga badmintonnen met de buurvrouw. Ben ik nu irrationeel? Ik wil eigenlijk graag badmintonnen met de buurvrouw, maar ik doe het huishouden, want mijn plichtsbesef is sterker. Ben ik nu rationeel?
  5. Een vriend is overleden. Ik ben geen lid van een kerk. Ik steek een kaarsje op. Ben ik nu irrationeel? Ik ben wel lid van een kerk. Ik steek een kaarsje op. Ben ik nu dan irrationeel? Ik ben atheïst. Ik spot met de kaarsenpraktijk. Ben ik rationeel?
  6. Hebben ‘rationeel’ en ‘irrationeel’ te maken met de geldigheid van een oordeel? Of met de logica van de redenering? Of slaan die begrippen alleen op de neiging om al of niet te beredeneren wat je wilt of kunt, wat je niet mag, of wat je zou moeten?
  7. Of hebben de begrippen ‘rationeel en ‘irrationeel’ alleen geldigheid in het domein waar wordt vastgesteld wat waar is, juist is, correct? Zijn er ook dingen die zich aan zulk een vaststelling onttrekken, waarbij die begrippen niet geldig zijn?
  8. Als schilder exploreer ik het irrationele – wat doet iemand eigenlijk die dat zegt? Is het zoeken naar harmonie, schoonheid, evenwicht irrationeel? Kan het nastreven van disharmonie rationeel zijn? Kan het schilderen zelf (ir)rationeel zijn?
  9. Is een droom (ir)rationeel? En een sprookje? Of geldt dat oordeel alleen voor bewuste, gearticuleerde en aan anderen meegedeelde beschouwingen?
  10. Wordt het liefdesspel tussen man en vrouw irrationeel als er geen kinderen (meer) uit voort kunnen komen? Is dansen irrationeel? Grapjes maken? Plagen? Zelfmoordgedachten hebben?
  11. Is het optimaliseren van een productieproces rationeel? Of is het nadenken daarover (al of niet) rationeel? Zijn de opbrengsten van de productie van belang om te besluiten of de uitkomst van de optimalisering rationeel is?

  12. Ik optimaliseer een productieproces. Is daarbij de verwaarlozing van het milieu-aspect (of enig ander aspect) irrationeel? Kan de verwaarlozing van dat aspect op zeker moment misschien irrationeel worden? Na het rapport van de Club van Rome?
  13. Ik rook. Ik erken dat dat ongezond is. Ben ik nu irrationeel? Waarom dan, want ik streef niet naar een gezond leven. Ik rook niet. Ik ben een fanatieke antirook-activist.  Kan onmatigheid in het activisme mijn gedrag irrationeel maken?
  14. Kun je als mens zelfdestructief zijn, handelen dwars tegen je eigen belang in? Zou je het als zelfdestructief gepercipieerde gedrag ook rationeel kunnen noemen? Wie stelt dat belang eigenlijk vast?
  15. Mag ik alleen beweringen die op een rigoureuze natuurwetenschappelijke manier experimenteel getoetst kunnen worden, en ook langs die weg bevestigd zijn, rationeel noemen?
  16. Moet een zin waarvan gezegd wordt dat deze een (ir)rationele boodschap overbrengt een equivalent van een wiskundige operator bevatten, een woordje als dus of daarom, een bewering als ‘is gelijk aan’?
  17. Worden er eisen gesteld aan de begripsomschrijving van de elementen van een bewering? Komt een bewering over menselijk (on)geluk of over intelligentie of over ‘geschiktheid voor een baan’ überhaupt in aanmerking voor de kwalificatie ‘(ir)rationeel’?

Zelf gebruik ik die begrippen meestal alleen om een oordeel te geven over de vraag of de gekozen middelen geschikt zijn om een vooraf gesteld doel te bereiken. Voor andere zaken voldoen in mijn ogen andere begrippen beter.

Ik was dit artikeltje begonnen als een Twitter-draadje. Maar daarvoor lijkt het resultaat me ongeschikt.

Vertaalmachine

Vertaalmachines vertalen niet;
vertaalmachines converteren
(dacht ik tot op heden).

Wat is Google Translate, de bekendste vertaalmachine, toch een zegen voor de mensheid. Geniet ervan!

Dat wil in dit geval zeggen: juicht en jubelt als de leeuwerik, en houd uw geloof in de “letterlijke vertaling” levend – hoewel omhoog op turf of baars of slechte lage podium“!

Wat volgt is een ready made, een verlaat surrealistisch procédé, een vorm van écriture automatique:

De Caged Skylark

Als een durf-gale Skylark scanted in een saaie kooi,
Man’s montage geest in zijn been, huis, bedoel huis, woont –
Die vogel voorbij het herinneren van zijn vrije Fells;
Dit in somberheid, leeftijd dag-werkende-out van het leven.

Hoewel omhoog op turf of baars of slechte lage podium
Zowel zingen Soms is de liefste, zoetste spreuken,
Maar beide hangen dodelijk soms in hun cellen
Of wringen hun barrières in uitbarstingen van angst of woede.

Niet dat de zoete-gevogelte, zang-gevogelte, heeft geen rust –
Waarom, hoor hem, hem horen brabbelen & drop naar zijn nest,
Maar zijn eigen nest, wild nest, geen gevangenis.

Man’s geest zal vlees-gebonden, toen in het beste gevonden worden,
Maar uncumberèd: weide-down is niet bedroefd
Voor een regenboog footing, noch dat hij voor zijn botten gestegen.

Het hieronder afgedrukte vers van Gerard Manley Hopkins is de inspiratiebron van bovenstaande fascinerende woordstapelingen:

The Caged Skylark

As a dare-gale skylark scanted in a dull cage,
Man’s mounting spirit in his bone-house, mean house, dwells —
That bird beyond the remembering his free fells;
This in drudgery, day-labouring-out life’s age.

Though aloft on turf or perch or poor low stage
Both sing sometímes the sweetest, sweetest spells,
Yet both droop deadly sómetimes in their cells
Or wring their barriers in bursts of fear or rage.

Not that the sweet-fowl, song-fowl, needs no rest —
Why, hear him, hear him babble & drop down to his nest,
But his own nest, wild nest, no prison.

Man’s spirit will be flesh-bound, when found at best,
But uncumberèd: meadow-down is not distressed
For a rainbow footing it nor he for his bónes rísen.

Ik heb altijd beweerd dat vertaalmachines niet vertalen maar converteren. Volgens een bepaald algoritme worden woorden en zinnen van een brontaal geconverteerd naar woorden en zinnen van een doeltaal. Daar zitten uiteraard allemaal problemen aan vast die nog niet bevredigend zijn opgelost. Maar soms kan een machinevertaling helpen om een website in een vreemde taal althans enigszins te begrijpen.

Machinevertalingen zijn echter nooit behulpzaam bij het maken van echte vertalingen, vertalingen die de semantische eigenschappen en relevante klankaspecten van de oorspronkelijke tekst getrouw weergeven. Het kost meer tijd om een corrupte vertaling op te kalefateren dan om helemaal overnieuw te beginnen. Het is veel beter, en ook veel eenvoudiger, om from scratch een goede vertaling te maken, ongehinderd door voorafgaand gebroddel.

Maar, zo blijkt nu, converteren kunnen vertaalmachines eigenlijk ook niet goed.

Een Caged Skylark is altijd en overal, linksom of rechtsom, letterlijk of figuurlijk, bovendien volmaakt in overeenstemming met de primaire woordbetekenissen, dus zonder ook maar een ogenblik acht te slaan op de context, een gekooide veldleeuwerik.

Een dergelijke omzetting moet zelfs een machine, zou je haast denken, voor elkaar kunnen krijgen. En Google is – als ik het geronk over deze onderneming mag geloven – bepaald niet de geringste onder de softwareontwikkelaars.

Bovenstaand bericht werd gepost in 2016. Inmiddels luidt het gedicht in machinevertaling:

De gekooide veldleeuwerik

Zoals een stormachtige leeuwerik in een saaie kooi scharrelde,
De stijgende geest van de mens in zijn bottenhuis, gemene huis, woont –
Die vogel kan zich zijn vrije heuvels niet herinneren;
Dit in een sleur, een alledaags leven.

Hoewel omhoog op gras of baars of slecht laag podium
Beiden zingen soms de liefste, liefste spreuken,
Toch hangen beide dodelijke sómetimes in hun cellen
Of hun barrières wegwringen in uitbarstingen van angst of woede.

Niet dat het zoete gevogelte, het zangvogel, geen rust nodig heeft –
Wel, hoor hem, hoor hem brabbelen en val naar zijn nest,
Maar zijn eigen nest, wild nest, geen gevangenis.

De geest van de mens zal vleesgebonden zijn, wanneer hij op zijn best wordt gevonden,
Maar ongetwijfeld: weiland is niet bedroefd
Voor een regenboog die erop staat, noch hij voor zijn bónes rísen.

Het is duidelijk dat Google Translate niet met accenten op woorden overweg kan. Een vertaling van het oorspronkelijke gedicht is het natuurlijk nog absoluut niet, maar er is al duidelijk iets van verbetering zichtbaar, bijvoorbeeld de letterlijke en in dit geval correcte vertaling van de titel: ‘Gekooide veldleeuwerik’ (12 januari 2021).

En dit is de Deepl-vertaling van 25 november 2024 luidt:

De gekooide veldleeuwerik

Als een waaghalzige veldleeuwerik in een saaie kooi,
woont de geest van de mens in zijn bottenhuis, een gemeen huis…
Die vogel voorbij het herinneren van zijn vrije vallen;
Dit in sleur, dag-arbeid-out van de leeftijd van het leven.

Hoewel hoog op gras of baars of arm laag podium
Beiden zingen soms de zoetste, zoetste spreuken,
Toch hangen beiden soms dodelijk in hun cellen
Of wringen hun barrières in uitbarstingen van angst of woede.

Niet dat de zoete vogel, zang vogel, geen rust nodig heeft –
Waarom, hoor hem, hoor hem babbelen & neervallen in zijn nest,
Maar zijn eigen nest, wild nest, geen gevangenis.

De geest van de mens zal vleesgebonden zijn, als hij op zijn best gevonden wordt,
Maar onbezwaard: weide-neer is niet bedroefd
Voor een regenboogvoet noch hij voor zijn bónes rísen.

Is ‘Het geloof der kameraden’ een satire?

In 2008 werd ik Wikipedia-redacteur. Dat betekende vrijwilligerswerk. De aanleiding was ergernis over de negatieve strekking  van het artikel over de historicus A.Th. van Deursen.

Een belangrijke informant van de eenzijdige kijk op Van Deursen op Wikipedia was Wim Berkelaar, een historicus die onder andere soms gedegen en interessante artikelen publiceert over het Nederlandse protestantisme. Deze had Van Deursen in een bijdrage aan de Academische Boekengids  (nr. 58, sept. 2006, p. 9-12) “een fundamentalist” genoemd. Nu is het niet eerlijk Berkelaar te verwijten wat anderen met zijn beweringen doen. Hoewel Van Deursen een zeer beschaafde persoon was, die zich – voor zover mij bekend – nimmer heeft misdragen, noch in werkelijkheid, noch in woord of geschrift, had Berkelaar natuurlijk gelijk dat Van Deursen in alle opzichten een steile protestant was. Maar de conclusie die het Wikipedia-artikel trok in de paragraaf Polemist voor eigen parochie (ook de paragraaftitel was ontleend aan het stuk van Berkelaar) voordat ik mijn bewerkingen deed, namelijk dat Van Deursen een nauwelijks serieus te nemen historicus was, kon ik toch niet accepteren.

Op 27 september 2015 kwam ik Berkelaar opnieuw tegen. Dit keer schreef hij een stuk over de kort daarvoor overleden schrijver Ger Verrips. En opnieuw ergerde ik mij, nu omdat hij over Het geloof der kameraden van de atheïst Karel van het Reve (diens afrekening met de marxistisch-leninistische wereldbeschouwing) zei, dat het “een roemruchte satire” was. Dat Van het Reve op een paar plaatsen in zijn boek laat merken dat hij een bepaalde redenering niet serieus kan nemen, betekent natuurlijk nog niet dat het essay een “satire” genoemd kan worden.

Een goede necrologie over Van Deursen is hier te vinden. De auteur is Jan Dirk Snel, de titel is ‘Arie Theodorus van Deursen (1931-2011)’, en het verscheen in het Historisch Nieuwsblad van 21 november 2011.

PS Mijn bijdragen aan het Van Deursen-artikel op Wikipedia (enkele terechte correcties in deze bijdragen zijn door andere redacteuren aangebracht; raadpleeg voor details de geschiedenis-pagina) waren weliswaar goed gefundeerd, maar voldeden eigenlijk niet aan de Wikipedia-richtlijnen. Origineel onderzoek was en is namelijk niet toegestaan. Wat in een Wikipedia-artikel terecht komt, dient eerst in gezaghebbende en raadpleegbare publicaties te zijn verschenen, en ook een nieuwe synthese op basis van allerhande bronnen, bijvoorbeeld journalistieke, is eigenlijk niet comme il faut. Aan dat laatste had ik me bezondigd.

Bij de dood van Prince Rogers Nelson

Op 21 april 2016 overleed Prince Rogers Nelson (1958-2016), de artiest die bekend stond als Prince, die enige tijd The artist formerly known as Prince (1993-1999) werd genoemd, en ten slotte weer Prince mocht heten.1 De doodsoorzaak was naar alle waarschijnlijkheid de overdosis van een pijnstiller.2

Het verdient aanbeveling om over de doden niet dan op correcte wijze te spreken: ‘De mortuis nil nisi bene‘, luidt het Latijnse gezegde, wat niet hetzelfde is als ‘de mortuis nil nisi bonum‘, over de doden niets dan goeds.

Het is niet gemakkelijk om over zijn muzikale prestaties ook maar een voorzichtig woordje van kritiek te vinden. Bijna iedereen is diep onder de indruk van wat Prince tot stand gebracht heeft. Zijn composities zijn geniaal, zijn orkestraties formidabel, zijn optredens waren fenomenaal, en zijn persoonlijkheid was onweerstaanbaar en – jawel – sexy. De muziek na zijn verscheiden zal nooit meer dezelfde zijn als de muziek voor zijn entree.

Prince, Paisley Park, 1988⁠. Fotograaf Joel Bernstein

Over het masturbatieliedje Darling Nikki schreef The Guardian likkebaardend:3

If Darling Nikki doesn’t make you want to have hot, dirty sex – the kind you remember years afterwards with a frisson going down your back – then I don’t know what would. This was the song that caused Tipper Gore to form the Parents Music Resource Center to police the music industry in 1985, putting “Parental Advisory” stickers all over album covers.

Dat de waardering op een dergelijke kwijlende manier tot uitdrukking wordt gebracht, lijkt niet zonder betekenis: de muziek van Prince bedoelt bandeloze seks aan te prijzen en de opvoeding te ondermijnen, en slaagt daar – tot kennelijke tevredenheid van The Guardian – ook daadwerkelijk in. Egalité is het hoogste ideaal, want nooit zijn wij meer aan elkaar gelijk dan in het moment van seksuele vervoering.

Op TMF, een website gewijd aan nieuws over celebrities, werd na zijn dood het sentimentele getwitter van collega-celebrities gereproduceerd,4 tweets die vervolgens duizendvoudig werden herhaald en gerecycled en uitgekauwd, als waren het uitspraken van betekenis.

In dit koor voegden zich uiteraard ook  politici zoals de Nederlandse Minister van Onderwijs Jet Bussemaker: “Hij was super-, supersexy”.5

Ik begrijp natuurlijk de ontsteltenis – en in een enkel geval: het verdriet – van collega-artiesten en nabestaanden. Ik hoop dat de artiest die gemeenlijk bekend stond onder de naam Prince zal rusten in vrede.

Maar de overledene lijkt me toch niet een cultuurdrager van de eerste orde geweest te zijn. Hij was misschien niet onmuzikaal, maar hij heeft toch eigenlijk geen mooie muziek gemaakt – helaas!

Prince was ijdel, narcistisch en megalomaan. Dat verhindert het maken van mooie muziek mogelijk nog niet helemaal, maar hij ontwikkelde zich eerder tot een performer, een zakenman en een stijlicoon – Kinderen allemaal naar binnen komen; sluit ramen en deuren! – dan tot een toonkunstenaar van betekenis. Hij verheerlijkte een permanente adolescentie – wat bij het klimmen der jaren uiteraard steeds moeilijker werd vol te houden. Is dat mogelijk de oorzaak van zijn voortijdige dood?

In 1999 was er een uitgebreid interview met The Artist bij Larry King. Prince gedroeg zich ijdel, self-conscious en onpersoonlijk: hij waakte ervoor – zichtbaar zenuwachtig en handenwringend – iets te zeggen dat zijn imperium aan het wankelen kon brengen.

When Doves Cry wordt wel als een hoogtepunt van de componist, uitvoerend musicus en zanger Prince beschouwd. Ik heb het liedje zojuist nog eens driemaal in zijn geheel beluisterd, maar het is, net als Purple Rain – toch zijn allergrootste hit – van een monotone, meedogenloze, paralyserende leegheid die de luisteraar neerdrukt in een staat van eindeloze, doffe verveling.

Als u mijn oordeel over zijn muzikale kwaliteiten niet vertrouwt, luister maar eens rustig naar het liedje Cream – ook al overladen met seksuele symboliek, net als bijna alles wat hij maakte – en u zult horen dat zijn muziek de artistieke kwaliteit heeft van een stofzuiger.

Of het liedje I Wanna Be Your Lover, een stomvervelende Michael Jackson-imitatie, en dat terwijl het nagebootste en door plastische chirurgie misvormde voorbeeld – The King of Pop – zelf ook al van een intense treurigheid was.

prince-en-concert-1985
Prince treedt op (1985)(herkomst foto)

Misschien denkt u nu dat toch ten minste de teksten van Prince flonkeren boven een woud van deprimerende clichés, en dat het juweeltjes van poëzie zijn, die – je weet het maar nooit – de drammerige, hitsige dreun van zijn muziek kunnen goedmaken:

Dirty Mind

There’s something about u, baby
It happens all the time
Whenever I’m around u, baby
I get a dirty mind
It doesn’t matter where we are
It doesn’t matter who’s around
It doesn’t matter
I just wanna lay ya down
In my daddy’s car
It’s you I really wanna drive
But you never go too far
I may not be your kind of man
I may not be your style
But honey all I wanna do
Is just love you for a little while

(…)

3fmkuikengroot
3FM-kuiken met zonnebril

Helaas, ook deze tekst getuigt, zoals u ongetwijfeld ziet, van een gebrekkige formuleerkunst en bovendien van een erbarmelijke leeghoofdigheid die zijn weerga alleen in de popmuziek kent. Seks is natuurlijk iets moois, maar ik denk niet dat de muziek van Prince ons zal helpen om dat te ontdekken.

Prince leek in sommige opzichten op de kort voor hem (eveneens door eigen toedoen) overleden collega-artiest Amy Winehouse: de verschillen waren groot, maar beiden waren zelfdestructief, ambitieus en (in muzikale zin) middelmatig, een giftige combinatie.

Net als dictators en bokskampioenen worden popmuzikanten overladen met buitensporige (en hoogst twijfelachtige) vormen van eerbetoon: His Purple Majesty, His Royal Badness, The Artist en His Purple Highness waren de bijnamen van deze Jehova-getuige, en alleen al het leveren van voorzichtige kritiek maakt voor zijn bewonderaars duidelijk dat de criticus te kwader trouw is.

Het zij zo. De muziek van Prince lijkt mij eerst en vooral de triomf van zelfpromotionele agressie, overschenen – nu en dan – met vlaagjes van valse sentimentaliteit.6


  1. De naamsverandering wordt toegeschreven aan een zakelijk geschil met zijn platenmaatschappij Warner Brothers. De tijdelijke naamsverandering, die natuurlijk geen echte naamsverandering was, genereerde uiteraard ook winstgevende publiciteit.
  2. Website NOS Nieuws, ‘Prince overleden aan overdosis, zegt bron bij onderzoek‘, 2 juni 2016.
  3. Website The Guardian, 11 october 2011, Old music: Prince – Darling Nikki.
  4. Website TMF, Prince’S Death – Celeb Reactions, 21 april 2016 
  5. Website NOS Nieuws, Bussemaker had fascinatie voor Prince: hij was super-, supersexy, 21 april 2016.. 
  6. Deze bijdrage werd in rudimentaire vorm gepost op mijn Facebook-pagina op 22 februari 2016

Op zoek naar twijfel

Micha Wertheim

Micha Wertheim, fotograaf: Merlijn Doomernik

Micha Wertheim – een cabaretier en columnist die ik over het algemeen waardeer – schrijft als slotalinea van een column in Vrij Nederland:1

“Als satiricus is mijn wereldbeeld er een van tegenstrijdigheden. Daarom voel ik mij ook beter thuis bij Charlie Hebdo en Jan Böhmermann, wanneer zij op zoek zijn naar twijfel in plaats van zekerheden. Dat al die anderen ook gebruik willen maken van de vrijheid van meningsuiting is ze van harte gegund, maar vergeef het me als ik niet bij iedere mening de vlag van het vrije woord hijs.”

Ik geloof er bitter weinig van dat Charlie Hebdo, Jan Böhmermann (of Micha Wertheim) “op zoek zijn naar twijfel”. Dat lijkt me een moderne mythe. Deze mythe is – denk ik – in het leven geroepen om een moderne opvatting te schragen, namelijk dat een levenshouding zonder waarde-oordelen de hoogste morele deugd vertegenwoordigt. Ik beschouw een dergelijke levenshouding als een dwaling.

Veel cabaretiers – en zeker ook veel cartoons van Charlie Hebdo – tonen een innige tevredenheid met de eigen morele positie: iets zeggen waaruit blijkt dat jij lekker gelijk hebt, wordt door de meeste mensen als de hoogste vorm van humor beschouwd. Men denke hierbij aan Andries KnevelRichard Dawkins2of – inderdaad – Jan Böhmermann.3 Micha Wertheim zelf is overigens heel goed in staat om cabaret te maken waarin de humor voortkomt uit de onmogelijkheid of moeilijkheid om ergens zeker van te zijn.

Twijfel kan volgens mij heel goed het resultaat zijn van de zoektocht naar waarheid (en daarmee de kern uitmaken van de column, de cartoon of de sketch), maar niet het doel.

Ik geloof wel dat mensen vaak twijfelen, en ook dat je in je binnenste vaak twijfel voelt over de meningen die jou het meest dierbaar zijn, en dat je daarom – reeds twijfelende – op zoek bent naar schrijvers, kunstenaars, cabaretiers die jouw opvattingen onderuit kunnen halen, naar meningen dus die jouw reeds bestaande twijfel bevestigen.

Maar ik geloof eigenlijk niet dat mensen “op zoek zijn naar twijfel“.

[Een paar correcties op 20 juli 2016: Wertheim zelf is heel goed in staat om humoristisch te zijn door zijn twijfels te gebruiken voor cabareteske doeleinden. In de slotzin heb ik een bijzin over ‘zelfdestructie’ verwijderd: zelfdestructieve mensen zijn meestal desperaat op zoek naar zekerheid, niet naar twijfel.)


  1. Micha Wertheim, ‘Ik hijs niet bij elke mening de vlag van het vrije woord‘, Vrij Nederland, 18 april 2016 
  2. John Gray, ‘The Closed Mind of Richard Dawkins. His atheism is its own kind of narrow religion‘, New Republic, 3 oktober 2014: “It is hard to resist the thought that the public recognition that in Britain is conferred by a knighthood is Dawkins’s secret dream. A life peerage would be even better. What could be more fitting for this tireless evangelist than to become the country’s officially appointed atheist, seated alongside the bishops in the House of Lords? He may lack their redeeming tolerance and display none of their sense of humor, but there cannot be any reasonable doubt that he belongs in the same profession.” 
  3. Böhmermann mag delen smaadgedicht niet meer voordragen‘ (inclusief videofragment waarop de satiricus Jan Böhmermann het vers voordraagt dat de Turkse president Recep Tayyip Erdoğan in het verkeerde keelgat schoot), Website NOS Nieuws, 17 mei 2016.

De achilleshiel van de democratie

De komende zege der democratie0001

Titelblad De komende zege der democratie (scan eigen exemplaar)

Vlak voor de Tweede Wereldoorlog hield de beroemde Duitse schrijver Thomas Mann een aantal redevoeringen in de Verenigde Staten van Amerika, die uitgegeven zijn onder de titel: Vom zukünftigen Sieg der Demokratie (1938). Dit boekje is in een Nederlandse (geautoriseerde) vertaling uitgebracht door de Arbeiderspers in 1939.  De vertaler was prof. dr. Leo Polak (1880-1941), een Nederlands hoogleraar in de wijsbegeerte en het recht die een vroeg slachtoffer was van de Holocaust.

Op p. 22 schrijft Mann:

De democratie, ze mag dan van de mens denken wat ze wil, meent het in elk geval goed met de mensen. Zij wil hun peil verhogen, ze leren denken en ze bevrijden, aan de cultuur wil zij het karakter van een voorrecht ontnemen, die brengen tot het volk – in één woord: haar doel is opvoeding. Opvoeding is een optimistisch menslievend begrip – de achting voor de mens is er onafscheidelijk aan verbonden.

En op p. 29 lezen we:

De echte democratie, zoals wij die begrijpen, is nooit mogelijk zonder een aristocratische inslag – het woord “aristocratisch” niet genomen in de zin van geboorte of welke privileges ook, maar in geestelijke zin. In een democratie die het hogere leven des geestes niet eert en er niet door bepaald wordt, heeft de demagogie vrij spel, en het peil van het nationale leven wordt tot dat der onwetenden en der onbeschaafden verlaagd, in plaats dat het beginsel der opvoeding heerst en men zijn best doet om de onderste lagen tot cultuur op te heffen en aan het niveau der beteren de erkende heerschappij te verschaffen.

Thomas_Mann_1929 (1)

Thomas Mann (1929) – (Wikimedia Commons)

Mann schreef in een heel moeilijke tijd waarin demagogie, jodenhaat, genocide en minachting voor geest, intellect en kunst op weg waren naar een gruwelijk dieptepunt. Ik begrijp zijn poging om een hoopvolle boodschap te brengen. Ik begrijp ook waarom hij dat in Amerika deed, het land dat toen immers de enige hoop was van de Westerse cultuur, en bovendien het radicaalste en beste democratische voorbeeld.

Maar het valt op dat Mann ‘democratie’ hier behandelt in een zeer rooskleurige betekenis. Het is een betekenis die ik er weliswaar heel graag aan zou geven – bevorderaar van geest en cultuur, opvoeder, volksverheffer – maar die ik toch maar heel moeilijk kan onderschrijven. Mann spreekt als een idealist. Ik kan dit idealisme niet delen, hoe graag ik ook zou willen, want ik ben het uiteraard wel van harte eens met het ideaal.

Er zijn serieuze mensen geweest die bedenkingen hadden bij de democratie: Alexis de Tocqueville, Edmund Burke, Jérôme Heldring, onder veel anderen. Deze bedenkingen hoor je bijna nooit, want de democratie is voor de meeste mensen vrijwel onaantastbaar. De alternatieven zijn bovendien weinig aanlokkelijk. Maar toch is er een in mijn ogen onopgelost probleem: hoe kan worden voorkomen dat het volk op democratische wijze maatregelen afdwingt die vreselijk zijn, die fundamentele waarden aantasten, en dat het electoraat een beleid instelt dat onmenselijk is, dat dood en ellende van kwetsbaren tot gevolg heeft. Ik zou het antwoord wel eens willen weten.

Een parlementaire democratie biedt al wat meer waarborgen tegen overhaaste of verblinde faliekante beslissingen dan een directe democratie, omdat een parlement de ergste golven van domme woede en ingebeelde verontwaardiging nog kan tegenhouden, maar ook die dijk stelt me niet erg gerust. Er is geen enkele garantie dat de beschaving van volksvertegenwoordigers op een behoorlijk peil staat.

Theodoredalrymple

Theodore Dalrymple (Wikimedia Commons)

De Engelse arts-psychiater Theodore Dalrymple (pseud. van Anthony M. Daniels) heeft herhaaldelijk de aandacht gevestigd op wat hij de heersende “downward cultural aspiration” heeft genoemd. Ik citeer een paar zinnen uit zijn essay ‘All Men Are Created Snobs‘, gepubliceerd in het tijdschrift New England Review (mei, 2015):

Nowadays, however, it is persons in or from a higher social class who emulate those in a lower social class. They adopt the manner of speaking, dressing and cultural tastes of those below them. Intellectuals affect vulgar expressions and anyone with an avowed uninterest either in sport or in popular music is suspected at once of enmity towards the people, of the kind that at one time earned a ride in the charrette to the guillotine.

What does this change in the direction of cultural influence and aspiration signify? I think it signifies the complete ideological victory of egalitarianism, from which few dare derogate.

Democratie leek in 1938 een reddingsboei, maar ze wordt tegenwoordig soms eerder voorgesteld als een decadent luxeverschijnsel, vooral geschikt voor tijden waarin anderhalf procent vermindering van welvaartsgroei ten opzichte van het voorgaande jaar al “een recessie” wordt genoemd. Er wordt anno 2016 luide geroepen om ‘leiderschap’ aan de ene kant, en om diverse vormen van directe democratie anderzijds.

Hoe gewetensvrijheid, bescherming van minderheden, de vrijheden van godsdienst, vergadering, kritiek en meningsuiting, en een tijdige correctie van maatregelen die uiteindelijk niemand wil, op een andere manier dan op democratische wijze kunnen worden verwezenlijkt, weet ik niet, al denk ik wel dat ieder op zijn plaats en binnen zijn mogelijkheden hier een taak heeft, want ik vind die dingen stuk voor stuk van groot belang.

Maar de kwetsbaarheid van democratieën voor een afglijden in een poel van bruin of zwart of rood fascisme, vind ik zorgelijk. Grapjes hierover maken, helpt me niet.

Ik pleit nadrukkelijk niet voor een omverwerping van de democratie. Ik weet niks beters. Maar als platheid en lompheid, onverschilligheid en vulgariteit, meedogenloosheid en onwetendheid de toon gaan bepalen, en als het sportfestijn en de bevrediging van eigen genoegens het hoogste levensdoel vertegenwoordigen, als niemand meer weet waartoe we op aarde zijn, is er niet alleen geen enkele reden om aan een directe democratie te denken, ook de vertegenwoordigende, constitutionele democratie wordt bedreigd. Wat zou leiderschap in een democratische context dan nog kunnen betekenen? Aan volksverheffing en cultuurbevordering hoeven we dan zeker niet te denken, en de koers van het schip van staat kan dan niet anders dan zwalkend zijn.

“Wat wil het volk?” vroeg Gerard Reve in zijn gedicht Getuigenis, en hij antwoordde: “Niet veel goeds, dat is zeker.” Het is mij bekend dat Reve soms racistisch was en op een ergerlijke manier sprak over koffiebonen die met de jumbo het land uit gezet moesten worden – en dat pleit zeer zeker niet voor hem (ik heb bovendien een hekel aan de disculperende ironie van Reve en zijn bewonderaars) – maar dat Reve in het gedicht Getuigenis de achilleshiel van de democratie vastpakte, staat voor mij vast.

[Enkele aanpassingen 13 september 2016]

[Toevoeging 22 december 2016:

  • Een goed artikel van Jan Dirk Snel onder de titel Vrijheid en Democratie vindt u hier (Weblog Jan Dirk Snel, 8-4-2016).
  • Een goed artikel van Sjoerd van Hoorn over de oplossing van het probleem dat ik hierboven beschreef, onder de titel Over ‘Wat te doen met anti-democratische partijen?’ van George van den Bergh, vindt u hier (The Post Online, 23-12-2015).

Einde toevoeging]