Tagarchief: Spinozahuis Rijnsburg

Victor Kal – De list van Spinoza – 6

Dit is het zesde deel van een beschouwing over het werk van Victor Kal

  1. Enkele gedachten over het werk van de filosoof Victor Kal (link)
  2. Wie was Spinoza (link)
  3. De Spinoza-receptie in Nederland (link)
  4. Victor Kal en De list van Spinoza (link)
  5. Gelijkschakeling (link)
  6. Kals levensbeschouwelijke positie
  7. Theocratie en Democratie (link)
  8. De rehabilitatie van de schuld (link)
  9. De list van Spinoza (link)
  10. Besluit (link)
  11. Geraadpleegde literatuur (link)

6. Kals levensbeschouwelijke positie

Edward Moran, Unveiling of the Statue of Liberty, 1886 (schilderij)

Voor Kal is het moderne vrijheidsbegrip belangrijk: geestelijk vrij zijn, geen slaaf zijn van een massabeweging, ondermaans bestel, materiële zaak of enige vorm van dwang.

Het gevoel of het besef van die vrijheid noemt Kal charme, betovering of openbaring, een geestestoestand die als kenmerken ook verwondering en verlangen heeft. Heel belangrijk is dat die betovering niet is voorbehouden aan mensen die zich met zoveel woorden godsdienstig of religieus noemen. Ook mensen die zichzelf niet-religieus noemen kennen die betovering en kennen die vrijheid.

In een interview in Wapenveld uit 2003 merkte Kal op:

“Wat mij zorgen baart”, zegt Kal, “is de kwetsbaarheid van de moderne mens. Het gevoel dat mensen niet meer zichzelf kunnen zijn, omdat iets anders hun de wet voorschrijft. Het idee dat mensen hun wortels hebben verloren en daardoor gemakkelijk op sleeptouw worden genomen. Dat is wat er gebeurt in onze moderne maatschappij. Mensen denken te leven in een individualistische samenleving. Maar de particuliere identiteit van het individu is flinterdun. We lopen allemaal achter de mode aan. Op het niveau van de waarden, de opvattingen, hebben we persoonlijk nog maar weinig in huis. Het is de vraag, of wij ons nog kunnen verweren als ons leven in het gedrang komt.”

“Deze situatie is niet zo moeilijk te verklaren. Als mensen een binding verliezen met levensbeschouwelijke tradities, worden ze teruggeworpen op zichzelf. Hoe radicaler ze afscheid nemen van hun wortels, des te gemakkelijker worden ze een speelbal van wat zich op het politieke forum voordoet. Ze hebben geen reserve meer waarmee ze kritisch kunnen reageren op iemand die belooft al hun problemen te zullen oplossen. We hebben het gezien met Pim Fortuyn. Hoe zou iemand in zo korte tijd zoveel aanhangers kunnen krijgen, als deze mensen geen zwevend bestaan zouden leiden? Ik wil niet al te pessimistisch zijn, maar soms denk ik dat wij leven in omstandigheden waarin zoiets als het fascisme bij uitstek kan gedijen. Mensen zonder wortels zijn een potentiële prooi van ideologieën.”

Betovering maakt mensen religieus, ongeacht of ze dat erkennen. Om reden dat die betovering ook bij niet-godsdienstige mensen volop voorkomt, spreekt Kal ook niet van de secularisering van de maatschappij; hij spreekt van de secularisering van de religie. De religiositeit verdwijnt niet als de uiterlijke vormen van de godsdienst verdwijnen, maar deze wordt onzichtbaar, en daarmee wordt de algemeen voorkomende religiositeit onbewust en onbegrepen. En met de secularisering van de religie wordt de religiositeit ook onmededeelbaar omdat een gemeenschappelijke taal om erover te spreken verdwijnt.

De betovering brengt idealiter een opdracht met zich mee, de realisering van de vrijheid, en deze wordt in ernst en in verantwoordelijkheid aanvaard. De aanvaarde opdracht is voor iedereen anders en hangt uiteraard ook helemaal van de individuele historische context en de eigen aanleg af.

Voor de instandhouding van de vrijheid en de geestelijke onafhankelijkheid die daarvoor van belang is, als anker voor de morele verantwoordelijkheid en de morele ernst, is het belangrijk om zich te verhouden tot een transcendente, buiten onze wereld gesitueerde instantie.

Kal vestigt daarom vaak de aandacht op de betekenis van de rite, de liturgie, de vaste gewoonten die elke godsdienst kent, en op een gemeenschappelijke taal om over de transcendentie te spreken. Deelname aan de rite is een ‘voorbereidend handelen’ dat een mens in staat stelt te ontdekken waarheen zijn vrijheid hem zou kunnen of zou moeten voeren. Dit voorbereidend handelen maakt hem tevens vrij voor de taak waarvoor zijn ernst en zijn verantwoordelijkheid – het antwoord op zijn betovering – hem plaatsen. Deze deelname stelt een mens ook in staat om stand te houden tegen de druk van materiële en geestelijke modes, tegen de machtsontplooiing door internationaal opererend kapitaal, tegen de massamedia, tegen de kracht van de gelijkschakeling, de collectieve geestdrift die vaak vooraf gaat aan ideologische slavernij.

Kleine toevoeging die niet bij Kal voorkomt: de ‘religieloze godsdienst’ waarvoor Dietrich Bonhoeffer aan het eind van zijn leven in de gevangenisbrieven pleitte (Widerstand und Ergebung), lijkt wel enigszins op het laatste stadium van de onzichtbaarmaking van de godsdienst. Er rest dan immers weinig anders dan terugvallen op het vrome gemoed – er is geen uitwendige rite meer die de mens disciplineert in zijn omgang met de transcendentie.

Victor Kal – De list van Spinoza – 3

Dit is het derde deel van een beschouwing over het werk van Victor Kal

  1. Enkele gedachten over het werk van de filosoof Victor Kal (link)
  2. Wie was Spinoza (link)
  3. De Spinoza-receptie in Nederland
  4. Victor Kal en De list van Spinoza (link)
  5. Gelijkschakeling (link)
  6. Kals levensbeschouwelijke positie (link)
  7. Theocratie en Democratie (link)
  8. De rehabilitatie van de schuld (link)
  9. De list van Spinoza (link)
  10. Besluit (link)
  11. Geraadpleegde literatuur (link)

3. De Spinoza-receptie in Nederland

Volgens Wiep van Bunge (1960), hoogleraar in de geschiedenis van de filosofie, dateert de geestdrift voor Spinoza als kernfilosoof van het modernisme uit de jaren zestig van de twintigste eeuw. Noch de achttiende, noch de negentiende eeuw, noch de eerste helft van de twintigste eeuw hadden het erg druk met Spinoza, ook de positivisten niet. In Spinoza’s eigen tijd was er wel degelijk sprake van een zekere renommée, maar het belang dat aan zijn werk wordt gehecht en zelfs de grote geestdrift voor zijn wijsgerige persoon, is van betrekkelijk recente datum.

In Nederland is de taal- en letterkundige Johannes van Vloten (1818-1883) – domineeszoon en grondlegger van de Nederlandse humanistisch-atheïstische beweging – belangrijk geweest voor de Spinoza-receptie. Hij was bezorger van Spinoza’s verzamelde werken in twee delen, schrijver van een Spinoza-biografie, en ijveraar voor een Spinoza-standbeeld dat in 1880 daadwerkelijk in Den Haag werd onthuld (zie foto). Bij die onthulling hield Van Vloten een toespraak die is uitgegeven onder de titel: “Spinoza de blijde boodschapper der mondige menschheid”.

Aan het Duitse Wikipedia-artikel over Einsteins kosmische Religion ontleen ik de volgende anekdote. In 1929 antwoordde Albert Einstein op de vraag van een New Yorkse rabbijn “Glauben Sie an Gott?”:

Ich glaube an Spinozas Gott, der sich in der gesetzlichen Harmonie des Seienden offenbart, nicht an einen Gott, der sich mit dem Schicksal und den Handlungen der Menschen abgibt.

Deze anekdote treedt regelmatig op in werk van atheïsten met zendingsijver zoals Richard Dawkins, bijvoorbeeld in diens The God Delusion (God als misvatting). God wordt door Einstein als een pantheïstische God opgevoerd, een God dus die samenvalt met de werkelijkheid en die zich openbaart in de complexiteit en de schoonheid van het bestaande. Einstein beriep zich in dit opzicht terecht op Spinoza.

In 2008 werd in Amsterdam het Spinoza-monument opgericht (zie foto), met daarop een korte tekst gegraveerd: Het doel van de staat is de vrijheid. Deze tekst is afkomstig uit het Theologisch-politiek traktaat.

Boris van der Ham (voormalig D66-politicus), die in 2012 afscheid nam als volksvertegenwoordiger, schonk de Tweede Kamer bij die gelegenheid een exemplaar van het Theologisch-politiek traktaat. Een bijbel en een koran hadden de volksvertegenwoordigers in het verleden al eens ten geschenke gekregen. Het was nu tijd voor een werk ‘uit meer seculiere hoek’.

Dirk van Weelden schrijft in 2003 (hij heeft zijn alter ego Michiel gedoopt, en Michiel blijkt een lyrisch oor te hebben voor Spinoza’s proza):

Spinoza’s filosofie is een van taal gemaakt instrument dat ervoor zorgt dat gevoelens, rationele denkbeelden en intuïtieve noties over vrijheid, geluk, rechtvaardigheid, kennis en wijsheid soepel, zonder ruis of storing, samenwerken. Het doel van die samenwerking is het aanmoedigen en helpen ontstaan van een autonoom, levenslustig individu, dat weerbaar is tegen lijden en tegenslag.

Van Weelden heeft ook een bijdrage geleverd aan de kunstmanifestatie My Name is Spinoza – dit is bijvoorbeeld een tekst bij de aankondiging van die manifestatie in 2009: “De ideeën van Spinoza (Amsterdam, 1632) over god en religie, goed en kwaad, rede en emotie vormen de pijlers onder kernwaarden als tolerantie, respect en vrijheid van meningsuiting.”

De Volkskrant-columnist Erdal Balci zond in reactie op Stefan Paas (mei 2020) de volgende tweet de wereld in:

Alles wat mooi is aan de wereld hebben we te danken aan de strijd van Spinoza en de seculieren die zijn pad volgden. Door mensen als jij besef ik iedere dag meer dat er een goede roman over de grootmeester moet komen. Ik ga meteen aan de slag. Bedankt Stefan.

Ayaan Hirsi Ali speaking at the 2016 Conservative Political Action Conference (CPAC) in National Harbor, Maryland.

En Ayaan Hirsi Ali – Infidel van professie – heeft het Spinozahuis nog bezocht, samen met een paar vriendinnen, de dag voordat ze naar Amerika vertrok (1 september 2006). Ze hebben er een fles champagne leeggedronken.

Volgens De historische Canon van Nederland (2006, vernieuwd in 2020), moet Spinoza beschouwd worden als iemand “wiens ideeën over de vrijheid van denken en van meningsuiting belangrijk [zijn] geweest voor de moderne democratie.”

Onder het kopje Tolerantie lezen we in de Canon:

Spinoza is niet de enige die afstand wil nemen van vaststaande denkbeelden en hij krijgt steun van verschillende aanhangers, die zich net als hij losmaken van filosofische en godsdienstige tradities. In zijn Tractatus theologico-politicus geeft Spinoza in 1670 een aanzet tot een vrijere uitleg van de Bijbel. Hij spreekt zich uit voor de democratie en wijst op het grote belang van principiële tolerantie en vrijheid van meningsuiting.

De bekende Britse historicus Jonathan Israel, gerenommeerd schrijver over de Nederlandse zeventiende eeuw, schrijver van een groot tweedelig werk over de Nederlandse Republiek, en schrijver van een aantal werken over de (Radicale) Verlichting, beschouwt Spinoza als de grootste filosoof die ooit heeft geleefd, omdat

  1. hij de bijl legde aan de wortel van het theologisch denken en een scherp onderscheid maakte tussen filosofie en theologie (theologisch denken beschouwde Spinoza überhaupt niet als ‘denken’),
  2. hij de godsdienstige praktijken terug wilde brengen tot een verschijnsel dat geen noemenswaardige verwijzing naar enige transcendentie bezit of impliceert (alleen in naam),
  3. hij de onbetwiste voorvechter zou zijn van de democratie, het vrije denken en de vrijheid van meningsuiting, iemand die de grondslag heeft gelegd voor onze moderniteit.

De opvattingen van Israel hebben een grote weerklank gehad, ze hebben veel enthousiasme gegenereerd, maar ze zijn toch niet geheel onweersproken gebleven. Zie bijvoorbeeld de bespreking die de historicus Rob Hartmans (‘Jonathan Israel, of: het slagveld van de ideeëngeschiedenis’) wijdde aan de Radicale-Verlichtingstrilogie van Israel.

Hartmans opende zijn kritiek op Israels centrale these met een metafoor van de historicus David A. Bell. Deze sprak in een recensie getiteld Where Do We Come From? over de voorzichtigheid die de meeste historici betrachten als ze generalisaties over de geschiedenis naar voren brengen, maar Bell nam ook een ander type historicus waar, een historicus die zich eerder gedroeg als Maarschalk Zjoekov, iemand die zijn manschappen rücksichtslos door een mijnenveld joeg, met zeer veel doden tot gevolg, om daardoor ten slotte zijn doel – Berlijn – gemakkelijker te kunnen bereiken. Volgens Bell – en Hartmans valt hem daarin bij – is Israel meer een historicus van het Zjoekov-type. Hartmans vraagt zich zelfs af of het doel: Berlijn  – dat is bij Israel: de allesbeslissende Radicale Verlichting – wel ergens anders dan alleen in het hoofd van Israel bestaat.

Israel reageerde not amused op deze kritiek, en Hartmans eindigde zijn dupliek met deze zinnen:

Dat Jonathan Israel grote verdiensten heeft voor de geschiedschrijving, en dat zijn boeken een enorme stimulans hebben gegeven aan de bestudering van de Verlichting, staat buiten kijf. Het is alleen jammer dat hij zich sinds 2001 vooral is gaan opstellen als een ideoloog die de heilsboodschap van het radicale, seculiere Verlichtingsdenken erin wil rammen.

Ook Wiep van Bunge polemiseerde in zijn lezingen aan de Vrije Universiteit van Brussel (De Nederlandse Republiek, Spinoza en de radicale Verlichting, 2010) met Israels opvattingen. Hij concludeerde:

Vooral Spinoza’s overtuiging dat onder ‘wijzen’ noodzakelijkerwijs eensgezindheid zal ontstaan, heeft mij altijd benauwd. Het is misschien wel dit onvermogen verschillende intellectuele perspectieven te accommoderen, dat nog wel de meeste twijfel oproept over de geschiktheid van Spinoza als kompas voor de eenentwintigste eeuw. Weer wreekt zich hier, vrees ik, het ontbreken in de Ethica van de epistemologische bescheidenheid die juist in de Verlichting zulke goede diensten bewees.

Spinoza-huis Rijnsburg

De historicus Jan Dirk Snel schreef in een bespreking van Steven Nadler: Spinoza (Historisch Nieuwsblad 8/2001), nadat hij had genoemd hoe bijzonder het was dat in Spinoza’s tijd ontdekt werd dat “de natuur mechanisch begrepen kon worden”:

… En dus draafde Spinoza braaf door en dacht hij dat alles vanuit de rede begrepen kon worden. Hij verwarde causaliteit met noodzakelijkheid. En ethiek probeerde hij wiskundig te funderen.

Een eindje verderop spreekt Snel van “de arrogante betweterij van Spinoza” die alleen nog interessant is voor “dogmatische geesten”. Snel wijst er ook op dat de lof die Israel Spinoza toezwaait, en de blaam die veel orthodoxe protestanten Spinoza toewerpen, bijna gelijkluidend klinkt, en sprekend lijkt op Groen van Prinsterers ‘Ongeloof = Revolutie’.

Rob Hartmans schreef elders (De stamvaders van de  tolerantie – hij sluit zich aan bij de directeur van het Titus Brandsma Instituut en universitair docent aan de Radboud Universiteit Inigo Bocken):

Dat de diepreligieuze Locke een belangrijke wegbereider van de Verlichting was, valt niet te ontkennen. Maar juist radicale Verlichters als Spinoza hebben de Verlichting een antireligieuze richting opgestuwd. Met Bocken kan men zich afvragen of dit, zoals Israel beweert, alleen maar positief is geweest. Het precaire evenwicht tussen religie en politiek, zoals dat door Locke is beschreven, wordt uiteraard volledig verstoord als een van beide pijlers wordt weggevaagd. Als de heilsverwachting niet meer gescheiden is van de politiek, maar wordt beschouwd als quantité négligeable, als iets wat er niet zou behoren te zijn, is de kans groot dat het juist weer de politiek wordt binnen gesmokkeld. De twintigste eeuw heeft laten zien hoe rampzalig een dergelijk politiek messianisme is.

Op dit punt gaat Victor Kal nog een stap verder: de heilsverwachting wordt in het Theologisch-politiek tractaat niet alleen quantité négligeable, maar wordt opgevoerd in een verleidelijke schijngestalte. Deze schijngestalte wordt vervolgens aan het volk – van welks vermogen tot nadenken Spinoza minder dan niets verwacht – voorgehouden en ook opgelegd, met als doel om dat volk, moreel gesproken, in een vrijwillig aanvaard keurslijf te houden.

De sympathie die Frits Bolkestein en J.L. Heldring bij leven voor het christendom voelden, lijkt (naast een zekere nostalgie) op vergelijkbare overwegingen te berusten: aan een losgeslagen volk heb je niks. Overigens heeft Heldring herhaaldelijk gewezen op de altijd aanwezige mogelijkheid van een fascistische ontaarding van de democratie.

Spinoza voor het lyceum in Amsterdam-Zuid

Enfin, onder sommige vakgenoten lijkt Jonathan Israels jubelende Spinoza-beeld nogal wat scepsis te ontmoeten. In het publieke debat lijkt de sterk opgekomen en ronduit positieve reputatie van Spinoza nauwelijks omstreden.

Het is verleidelijk om te speculeren hoe dat komt. Mijn voorzichtige hypothese luidt dat er bij Israel sprake is van een vlucht naar voren: anders dan het liberale secularisme wil – het meerderheidsstandpunt van de geseculariseerde Noordwest-Europese protestantse wereld – is de godsdienst niet zozeer aan een terugtocht bezig, maar beleeft deze misschien zelfs een bescheiden réveil. In ieder geval is de religie – ook onder invloed van een nadrukkelijk aanwezige islam – teruggekeerd in het publieke debat, zij het vooralsnog op een vrij verwrongen manier. Aan dat mogelijke réveil, die terugkeer, die misstand moet een beslissend ‘halt’ worden toegeroepen. Dat ‘halt’ is Spinoza.

Victor Kal – De list van Spinoza – 2

Dit is het tweede deel van een beschouwing over het werk van Victor Kal

  1. Enkele gedachten over het werk van de filosoof Victor Kal (link)
  2. Wie was Spinoza
  3. De Spinoza-receptie in Nederland (link)
  4. Victor Kal en De list van Spinoza (link)
  5. Gelijkschakeling (link)
  6. Kals filosofische stellingname (link)
  7. Theocratie en Democratie (link)
  8. De rehabilitatie van de schuld (link)
  9. De list van Spinoza (link)
  10. Besluit (link)
  11. Geraadpleegde literatuur (link)

2. Wie was Spinoza?

Tractatus theologico-politicus – ed. 1670

Dit is deel 2 van een serie. De introductie tot deze reeks afleveringen over Victor Kal, De list van Spinoza, Amsterdam: Prometheus 2020, kunt u hier nalezen.

In onze tijd is Benedictus de Spinoza (1632-1677) zonder twijfel de bekendste Nederlandse filosoof van de zeventiende eeuw. Hij was van portugees-joodse afkomst; hij stamde af van sefardische joden. Zijn bekendste werken zijn de Tractatus theologico-politicus (Theologisch-politiek traktaat) en de Ethica.

Een goede introductie tot Spinoza’s leven en werk biedt de historicus Rob Hartmans in zijn artikel: Baruch de SpinozaDe Groene Amsterdammer, nr. 2, 10 januari 1996.

Het Theologisch-politiek tractaat is een verhandeling waarin Spinoza de ideale verhouding tussen godsdienst en samenleving beschreef. De Ethica is een streng opgebouwd moraalfilosofisch werk waarin hij een levensleer ontvouwde. Volgens sommigen was hij een volbloed-atheïst; anderen nemen wat hij bijvoorbeeld aan het slot van de Ethica schrijft over het ‘heil’ van de wijze dat uiteindelijk gevonden wordt in de ‘amor intellectualis Dei’ wel serieus (Wiep van Bunge). Hij schreef in het Latijn.

Spinoza – Den Haag (Wikimedia Commons)

Wat zijn godsdienstige opvattingen betreft is het goed om te vermelden dat hij God en de Natuur (of de Natuurlijke Orde) aan elkaar gelijk stelde. Zijn godsbeeld was onpersoonlijk en immanent: God valt samen met, en bevindt zich dus niet boven of buiten de voor ons kenbare werkelijkheid, en God bezit geen persoonlijke, mensgelijkvormige eigenschappen.

Omdat Spinoza’s denkbeelden in zijn tijd en zijn omgeving niet in goede aarde vielen, werd hij verbannen uit de joodse gemeenschap, en week hij als 23-jarige uit van Amsterdam naar Rijnsburg (1661-1663). Daar bedreef hij filosofie en voorzag hij in zijn levensonderhoud met het slijpen van microscooplenzen. Het Spinozahuis in Rijnsburg kan tot op de huidige dag worden bezocht als een museumpje met gereconstrueerde bibliotheek. Later kwam Spinoza, via Voorburg, terecht in Den Haag.

Spinozahuis Rijnsburg

Het was Spinoza’s doel om filosofie en theologie zo strikt mogelijk te scheiden: de godsdienstige veelkleurigheid, en met name de felle en militante twisten die tussen de godsdienstige groepen in zijn tijd werden gevoerd, baarden hem zorgen, ook met het oog op de stabiliteit van de jonge Republiek. En stabiliteit was nodig om zich ongestoord aan de filosofie, de beschouwing van God of de Natuurlijke Orde, te kunnen wijden.