In 1964 ben ik geboren in Berkel en Rodenrijs. In Wageningen studeerde ik tussen 1982 en 1989 Moleculaire Wetenschappen. Van 1994 tot 2000 werkte ik als leidinggevende bij academische boekhandels in Utrecht en Leiden en van 2000 tot 2008 als afdelingshoofd bij de Leidse universiteitsbibliotheek. Sindsdien werk ik als zelfstandig redacteur en vertaler. In 2014 was ik actief als Wikipedian-in-Residence voor zes speciale en wetenschappelijke bibliotheken.
Van 2008 tot en met 2014 ben ik in mijn vrije tijd werkzaam geweest als Wikipedia-redacteur onder het van Kurt Tucholsky geleende pseudoniem Theobald Tiger.
Ik lees graag gedichten, aforismen en essays.
Emily Dickinson (1830-1886) was een Amerikaanse dichteres die pas na haar dood beroemd is geworden.
Het zonnetje in huis was ze bepaald niet, maar wat een geweldige poëzie!
Dit gedicht beschrijft een nachtmerrie die niet eindigt in een verlossing, maar in een verdoving – zoals nachtmerries vaak aflopen – net als de werkelijkheid trouwens. Aardig is dat waar in het gedicht Ratio en Rede genoemd worden, dezelfde nachtmerrie onverminderd van kracht blijft, zelfs het allersterkst is, Op Weg Naar het Krankzinnige Einde.
Vertaling:
Een Uitvaart voelde ik, in mijn Brein
Een Uitvaart voelde ik, in mijn Brein, Met rouwenden die bleven komen – Bleven komen, af en aan – tot het leek Of de Ratio zich plotseling vertoonde.
En toen ten slotte iedereen een plekje had, Begon een Dienst, die als gestage Trom Ging dreunen – dreunen – tot ik dacht Dat het mijn geest haast had verstomd.
Toen tilden ze, zo hoorde ik, een Kist Die knerpte dwars doorheen mijn Ziel, Met weer diezelfde Loden Laarzen, Toen kwam de Ruimte – het luide bonzen,
Alsof de Hemelen zich kromden tot een Gong, En het Zijn zich welfde tot een Oor, En ik, en Stilte, een vreemdsoortig Ras, Waren verscheurd, solitair, hier –
En in de Rede brak opeens een Plank, En ik, ik stortte naar omlaag – omlaag, En raakte een Wereld, bij elke buiteling, En Stopte met beseffen, daar –
Origineel:
I felt a Funeral, in my Brain
I felt a Funeral, in my Brain, And Mourners to and fro Kept treading – treading – till it seemed That Sense was breaking through –
And when they all were seated, A Service, like a Drum – Kept beating – beating – till I thought My mind was going numb –
And then I heard them lift a Box And creak across my Soul With those same Boots of Lead, again, Then Space – began to toll,
As all the Heavens were a Bell, And Being, but an Ear, And I, and Silence, some strange Race, Wrecked, solitary, here –
And then a Plank in Reason, broke, And I dropped down, and down – And hit a World, at every plunge, And Finished knowing – then –
Op 21 april 2016 overleed Prince Rogers Nelson (1958-2016), de artiest die bekend stond als Prince, die enige tijd The artist formerly known as Prince (1993-1999) werd genoemd, en ten slotte weer Prince mocht heten.1 De doodsoorzaak was naar alle waarschijnlijkheid de overdosis van een pijnstiller.2
Het verdient aanbeveling om over de doden niet dan op correcte wijze te spreken: ‘De mortuis nil nisi bene‘, luidt het Latijnse gezegde, wat niet hetzelfde is als ‘de mortuis nil nisi bonum‘, over de doden niets dan goeds.
Het is niet gemakkelijk om over zijn muzikale prestaties ook maar een voorzichtig woordje van kritiek te vinden. Bijna iedereen is diep onder de indruk van wat Prince tot stand gebracht heeft. Zijn composities zijn geniaal, zijn orkestraties formidabel, zijn optredens waren fenomenaal, en zijn persoonlijkheid was onweerstaanbaar en – jawel – sexy. De muziek na zijn verscheiden zal nooit meer dezelfde zijn als de muziek voor zijn entree.
Prince, Paisley Park, 1988. Fotograaf Joel Bernstein
Over het masturbatieliedje Darling Nikki schreef The Guardian likkebaardend:3
“If Darling Nikki doesn’t make you want to have hot, dirty sex – the kind you remember years afterwards with a frisson going down your back – then I don’t know what would. This was the song that caused Tipper Gore to form the Parents Music Resource Center to police the music industry in 1985, putting “Parental Advisory” stickers all over album covers.“
Dat de waardering op een dergelijke kwijlende manier tot uitdrukking wordt gebracht, lijkt niet zonder betekenis: de muziek van Prince bedoelt bandeloze seks aan te prijzen en de opvoeding te ondermijnen, en slaagt daar – tot kennelijke tevredenheid van The Guardian – ook daadwerkelijk in. Egalité is het hoogste ideaal, want nooit zijn wij meer aan elkaar gelijk dan in het moment van seksuele vervoering.
Op TMF, een website gewijd aan nieuws over celebrities, werd na zijn dood het sentimentele getwitter van collega-celebrities gereproduceerd,4 tweets die vervolgens duizendvoudig werden herhaald en gerecycled en uitgekauwd, als waren het uitspraken van betekenis.
In dit koor voegden zich uiteraard ook politici zoals de Nederlandse Minister van Onderwijs Jet Bussemaker: “Hij was super-, supersexy”.5
Ik begrijp natuurlijk de ontsteltenis – en in een enkel geval: het verdriet – van collega-artiesten en nabestaanden. Ik hoop dat de artiest die gemeenlijk bekend stond onder de naam Prince zal rusten in vrede.
Maar de overledene lijkt me toch niet een cultuurdrager van de eerste orde geweest te zijn. Hij was misschien niet onmuzikaal, maar hij heeft toch eigenlijk geen mooie muziek gemaakt – helaas!
Prince was ijdel, narcistisch en megalomaan. Dat verhindert het maken van mooie muziek mogelijk nog niet helemaal, maar hij ontwikkelde zich eerder tot een performer, een zakenman en een stijlicoon – Kinderen allemaal naar binnen komen; sluit ramen en deuren! – dan tot een toonkunstenaar van betekenis. Hij verheerlijkte een permanente adolescentie – wat bij het klimmen der jaren uiteraard steeds moeilijker werd vol te houden. Is dat mogelijk de oorzaak van zijn voortijdige dood?
In 1999 was er een uitgebreid interview met The Artist bij Larry King. Prince gedroeg zich ijdel, self-conscious en onpersoonlijk: hij waakte ervoor – zichtbaar zenuwachtig en handenwringend – iets te zeggen dat zijn imperium aan het wankelen kon brengen.
When Doves Cry wordt wel als een hoogtepunt van de componist, uitvoerend musicus en zanger Prince beschouwd. Ik heb het liedje zojuist nog eens driemaal in zijn geheel beluisterd, maar het is, net als Purple Rain – toch zijn allergrootste hit – van een monotone, meedogenloze, paralyserende leegheid die de luisteraar neerdrukt in een staat van eindeloze, doffe verveling.
Als u mijn oordeel over zijn muzikale kwaliteiten niet vertrouwt, luister maar eens rustig naar het liedje Cream – ook al overladen met seksuele symboliek, net als bijna alles wat hij maakte – en u zult horen dat zijn muziek de artistieke kwaliteit heeft van een stofzuiger.
Of het liedje I Wanna Be Your Lover, een stomvervelende Michael Jackson-imitatie, en dat terwijl het nagebootste en door plastische chirurgie misvormde voorbeeld – The King of Pop – zelf ook al van een intense treurigheid was.
Misschien denkt u nu dat toch ten minste de teksten van Prince flonkeren boven een woud van deprimerende clichés, en dat het juweeltjes van poëzie zijn, die – je weet het maar nooit – de drammerige, hitsige dreun van zijn muziek kunnen goedmaken:
There’s something about u, baby It happens all the time Whenever I’m around u, baby I get a dirty mind It doesn’t matter where we are It doesn’t matter who’s around It doesn’t matter I just wanna lay ya down In my daddy’s car It’s you I really wanna drive But you never go too far I may not be your kind of man I may not be your style But honey all I wanna do Is just love you for a little while
(…)
3FM-kuiken met zonnebril
Helaas, ook deze tekst getuigt, zoals u ongetwijfeld ziet, van een gebrekkige formuleerkunst en bovendien van een erbarmelijke leeghoofdigheid die zijn weerga alleen in de popmuziek kent. Seks is natuurlijk iets moois, maar ik denk niet dat de muziek van Prince ons zal helpen om dat te ontdekken.
Prince leek in sommige opzichten op de kort voor hem (eveneens door eigen toedoen) overleden collega-artiest Amy Winehouse: de verschillen waren groot, maar beiden waren zelfdestructief, ambitieus en (in muzikale zin) middelmatig, een giftige combinatie.
Net als dictators en bokskampioenen worden popmuzikanten overladen met buitensporige (en hoogst twijfelachtige) vormen van eerbetoon: His Purple Majesty, His Royal Badness, The Artist en His Purple Highness waren de bijnamen van deze Jehova-getuige, en alleen al het leveren van voorzichtige kritiek maakt voor zijn bewonderaars duidelijk dat de criticus te kwader trouw is.
Het zij zo. De muziek van Prince lijkt mij eerst en vooral de triomf van zelfpromotionele agressie, overschenen – nu en dan – met vlaagjes van valse sentimentaliteit.6
De naamsverandering wordt toegeschreven aan een zakelijk geschil met zijn platenmaatschappij Warner Brothers. De tijdelijke naamsverandering, die natuurlijk geen echte naamsverandering was, genereerde uiteraard ook winstgevende publiciteit.↩
W.J.M. Bronzwaer (1936-1999), bij leven hoogleraar Algemene Literatuurwetenschap in Nijmegen, heeft in 1984 bij Ambo een door hem samengestelde tweetalige bundel gepubliceerd: Gedichten / Gerard Manley Hopkins (keuze uit zijn poëzie met vertaling en commentaren). Een voorpublicatie daarvan en een interessante inleiding zijn online beschikbaar bij de Digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren (dbnl).4
Ik heb op deze vertaling kritiek gekregen die ik inmiddels verwerkt heb. Ik ben de criticus (die op deze openbare plaats liever anoniem blijft) zeer erkentelijk.
Volgens Bronzwaer heeft het woord ‘change’ in de laatste regel “zonder twijfel” betrekking op Darwins evolutie. Ik heb mede daarom gekozen voor de vertaling ‘variatie’.
Vertaling:
Bonte pracht
Eer zij God voor bonte dingen –
Voor bipolaire luchten als een gevlekte koe;
Voor rozige sproetjes als stippels op zwemmende forellen;
Vers-gloeiende kastanje-oogst; vleugelglans van vinken;
Verdeeld, verkaveld land – braak, geplooid, geploegd;
En van ieder ambacht het gerei, het tuig, de toestellen.
Hoe strijdig ook, oorspronkelijk, raar, apart;
Al wat balsturig is, bespikkeld (wie weet hoe?)
Met zoet, zuur, flonkerend, flauw, het trage of het snelle –
Hij vadert voort, wiens schoonheid elke variatie tart:
Looft Hem.
Origineel:
Pied Beauty
Glory be to God for dappled things –
For skies of couple-colour as a brinded cow;
For rose-moles all in stipple upon trout that swim;
Fresh-firecoal chestnut-falls; finches’ wings;
Landscape plotted and pieced – fold, fallow, and plough;
And áll trádes, their gear and tackle and trim.
All things counter, original, spare, strange;
Whatever is fickle, freckled (who knows how?)
With swift, slow; sweet, sour; adazzle, dim;
He fathers-forth whose beauty is past change:
Praise him.
Paul Begheyn S.J. (1944-), jezuiet, stafmedewerker Ignatiushuis en schrijver; hij publiceert sinds 1963 over geschiedenis, spiritualiteit, cultuur van de jezui͏̈etenorde, beeldende kunst en poëzie. Hij wordt beschouwd als een Petrus Canisius-kenner.↩
De Italiaanse dichter Eugenio Montale (1896-1981) is een belangrijk Italiaans dichter die (desondanks of misschien wel daarom) in 1975 de Nobelprijs voor Literatuur won.
Dit gedicht is een klassiek voorbeeld van de afkeer die veel kunstenaars hebben van het feit dat het publiek meer aandacht heeft voor de biografie dan voor het werk.
Dit gedicht is eerder vertaald – een beetje onbevredigend naar mijn smaak – door de overigens terecht geroemde en bekroonde vertaler Frans van Dooren (1934-2005).1
Geluidsopname:
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling:
Ten slotte
Geef ik mijn erfgenamen In de literatuur (indien aanwezig), Een onmogelijk advies: Ontsteek een fraai vreugdevuur van alles wat Mijn leven, mijn doen, mijn nalaten betreft. Ik ben geen Leopardi; veel brandbaars is er niet, Een beetje leven is al heel wat. Ik leefde voor vijf procent, daarmee houdt het Wel op. Maar al te vaak regent het echter Op dat wat al nat is.
Origineel:
Per finire
Raccomando ai miei posteri (se ne saranno) in sede letteraria, il che resta improbabile, di fare un bel falò di tutto che riguardi la mia vita, i miei fatti, i miei nonfatti. Non sono un Leopardi, lascio poco da ardere ed è già troppo vivere in percentuale. Vissi al cinque per cento, non aumentate la dose. Troppo spesso invece piove sul bagnato.
TOT BESLUIT geef ik mijn nakomelingen in de literatuur (als die er tenminste zullen zijn), iets wat onwaarschijnlijk is, de raad een mooi vreugdevuur te ontsteken van alles wat betrekking heeft op mijn leven, op dat wat ik wel en niet heb gedaan. Ik ben geen Leopardi, ik laat weinig brandbaars na en het is al te veel om voor een percentage te leven. Ik leefde niet meer dan vijf procent, vergroot de dosis niet. Te dikwijls echter regent het op iets dat al doorweekt is. ↩
Het gedicht Meer licht! Meer licht! van Anthony Hecht (1923-2004) contrasteert twee executie-taferelen: één van een Engelse martelaar op de brandstapel in de zestiende eeuw, en een meervoudige executie in Buchenwald tijdens de Tweede Wereldoorlog.
De trein naar Buchenwald stopte in Weimar, de stad waar Johann Wolfgang von Goethe woonde en werkte van 1775 tot zijn dood in 1832.
De titel verwijst naar de laatste woorden die Goethe volgens de overlevering op zijn sterfbed heeft gesproken: Mehr Licht.
Het “Vriend’lijk Licht” waarvan in het gedicht sprake is, is een enigszins anachronistische toespeling op Lead, Kindly Light, een lied dat geschreven werd door John Henry Newman.
De Tower waarnaar in het gedicht wordt verwezen is de Tower of London.
De Lüger die wordt genoemd – de umlaut lijkt me twijfelachtig, maar ik heb hem voorlopig in vertaling gehandhaafd – is een Duits pistool. Dat de schutter niet wordt genoemd, is opzettelijk: de nazi wordt gedepersonaliseerd.1
Hier kunt u de dichter het gedicht horen inleiden en voordragen.2
Het gedicht werd opgedragen aan het filosofenechtpaar Heinrich Blücher (1899-1970) en Hannah Arendt (1906-1975) die in 1940 waren getrouwd.
Anthony Hecht was een Amerikaans dichter van Duits-Joodse afkomst die naast gedichtenbundels ook enkele boeken over poëzie heeft geschreven, waaronder The Hidden Law: The Poetry of W. H. Auden (1993). Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog was hij als soldaat van het Amerikaanse leger betrokken bij de bevrijding van het concentratiekamp Flossenburg, wat een ingrijpende ervaring voor hem was.3
Een informatieve necrologie, geschreven kort na de dood van Hecht in 2004, kunt u hier lezen.4
Ik heb het rijm niet helemaal consequent gevolgd om de dramatiek van het vers niet te ontkrachten met een al te onnatuurlijke woordvolgorde en woordkeus.
Vertaling:
Meer licht! Meer licht!
Voor Heinrich Blücher en Hannah Arendt
Deze bewogen regels, volgens pijnlijk gebruik
Naar de brandstapel gebracht, werden in de Tower geschreven,
Nog voor de executie; ze werden overhandigd en luidden:
“God is mijn getuige, dat ik geen misdaad heb bedreven.”
Hij was welzeker moedig, maar de dood was gruwelijk:
De zak met buskruit vatte maar geen vlam.
Zijn benen waren beblaarde staken, waarop het zwarte sap,
Bubbelde en spatte, terwijl hij smeekte om het Vriend’lijk Licht.
En dat – het kon zeker veel erger – was er dan nog één
Die hem zijn jammerlijke waardigheid niet ontnam;
Zij die erbij stonden, zegden gebeden in Christus’ naam,
Die alle mensen oordelen zal, voor de rust van zijn ziel.
We wenden ons nu naar de rand van een Duits bos.
Drie mannen krijgen daar opdracht een gat te graven,
Waarin de twee Joden worden gemaand te gaan liggen,
Om levend te worden begraven door de derde, een Pool.
Geen licht uit de schrijn in Weimar, achter de heuvel,
Geen licht daagde van boven. Toch deed hij het niet.
Een Lüger zat diep in z’n handschoen verscholen.
Hij moest met de Joden ruilen van plaats.
De alomtegenwoordige dood had hun zielen weggespoeld.
Zware modder hoopte zich op tot aan zijn sidderende kin.
Toen je alleen het hoofd nog zag, klonk het commando
Hem weer uit te graven, en er zelf weer in te gaan liggen.
Geen licht, geen licht in het blauwe Poolse oog.
Toen hij klaar was, stampte een rijlaars de aarde aan.
De Lüger kwam lichtjes in z’n handschoen omhoog.
Het schot trof zijn buik; hij bloedde binnen drie uur dood.
Geen gebed of wierook steeg op in die uren,
Die zich rekten tot jaren, en elke dag kwamen uit de ovens
De stille geesten, die zich verdeelden in de winterlucht,
En zich afzetten als een roetlaag op zijn ogen.
Origineel:
More Light! More Light!
for Heinrich Blücher and Hannah Arendt
Composed in the Tower before his execution
These moving verses, and being brought at that time
Painfully to the stake, submitted, declaring thus:
“I implore my God to witness that I have made no crime.”
Nor was he forsaken of courage, but the death was horrible,
The sack of gunpowder failing to ignite.
His legs were blistered sticks on which the black sap
Bubbled and burst as he howled for the Kindly Light.
And that was but one, and by no means one of the worst;
Permitted at least his pitiful dignity;
And such as were by made prayers in the name of Christ,
That shall judge all men, for his soul’s tranquillity.
We move now to outside a German wood.
Three men are there commanded to dig a hole
In which the two Jews are ordered to lie down
And be buried alive by the third, who is a Pole.
Not light from the shrine at Weimar beyond the hill
Nor light from heaven appeared. But he did refuse.
A Lüger settled back deeply in its glove.
He was ordered to change places with the Jews.
Much casual death had drained away their souls.
The thick dirt mounted toward the quivering chin.
When only the head was exposed the order came
To dig him out again and to get back in.
No light, no light in the blue Polish eye.
When he finished a riding boot packed down the earth.
The Lüger hovered lightly in its glove.
He was shot in the belly and in three hours bled to death.
No prayers or incense rose up in those hours
Which grew to be years, and every day came mute
Ghosts from the ovens, sifting through crisp air,
And settled upon his eyes in a black soot.
Dit gedicht (1802) van Johann Wolfgang von Goethe, een enigszins vrij sonnet dat meer beschouwelijk dan aanschouwelijk van aard is, bevat een zin die ook in Nederland tot spreekwoord is geworden: In de beperking toont zich de meester.
De direct erop volgende zin: En slechts de wet kan ons de vrijheid geven is overigens een stuk minder populair.
Natur und Kunst is al meer dan een eeuw unzeitgemäß (niet passend bij de tijd). De kunstgeschiedenis van de twintigste en een-en-twintigste eeuw is voor een aanzienlijk deel de geschiedenis van een streven dat geen wet en geen beperking accepteert. Verzet tegen bekrompenheid, tegen een benepen opvatting van burgerschap, tegen morele beperkingen die opgelegd werden aan de kunst, speelden hierbij een rol. Maar ook tegen esthetische beperkingen, tegen vormeisen die aan de dichtkunst gesteld werden.
Goethe zegt niet welke beperkingen je moet accepteren, maar wel dat je beperkingen moet accepteren. Wie zich in de dichtkunst verdiept, zal merken dat bijna alle serieuze dichters, zelfs de meest vrije, zich houden aan beperkingen die voor hun werk belangrijk zijn: die beperkingen kunnen ritmisch zijn, of metrisch, of ze kunnen het woordgebruik betreffen, soms ook het aantal versvoeten of lettergrepen per versregel, ze kunnen inhoudelijk zijn, of een verbod inhouden op een slotletter die niet gelijk mag zijn aan de beginletter van het erop volgende woord, en nog veel meer.
De formulering van Goethe is universeel, en zij lijkt alle valkuilen te hebben vermeden, zonder vaag of nietszeggend te zijn. Dat is heel knap.
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
——————————————————————————————————————————-
Vertaling:
Natuur en kunst
Natuur en kunst – ze gaan, zo lijkt het, eigen wegen, Maar je treft ze, voor je ’t weet, eendrachtig samen; Mijn onvree ging weer over in beamen, Ze hebben mij nu beide in hun ban gekregen.
Het vergt alleen dat men zich inzet en volhardt! Pas als, in daartoe uitgelezen uren, ons brein, Ons lijf en onze ziel aan kunst gebonden zijn, Kan zuivere natuur weer gloeien in ons hart.
Zo is het ook met vorming en beschaving: Vergeefs zullen de aan niets gebonden geesten Naar de voltooiing van hun hoge doelen streven.
Wie hoge dingen wil, moet zich bedwingen; In de beperking toont zich pas de meester, En slechts de wet kan ons de vrijheid geven.
Origineel:
Natur und Kunst
Natur und Kunst, sie scheinen sich zu fliehen, Und haben sich, eh’ man es denkt, gefunden; Der Widerwille ist auch mir verschwunden, Und beide scheinen gleich mich anzuziehen.
Es gilt wohl nur ein redliches Bemühen! Und wenn wir erst in abgemeßnen Stunden Mit Geist und Fleiß uns an die Kunst gebunden, Mag frei Natur im Herzen wieder glühen.
So ist’s mit aller Bildung auch beschaffen: Vergebens werden ungebundne Geister Nach der Vollendung reiner Höhe streben.
Wer Großes will, muß sich zusammen raffen; In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister, Und das Gesetz nur kann uns Freiheit geben.
Bij Heinrich Heine krijgt Das Ewigweibliche soms wel een beetje een cynische betekenis. Misschien spreekt dit gedicht u aan; misschien wordt u boos. Als u maar niet vergeet om het gedicht te lezen.
Het Duits heeft twee acceptabele woorden voor ‘de vrouw’: ‘das Weib’ en ‘die Frau’. Wij hebben er maar één, want ‘wijf’ is in deze context niet bruikbaar, en ook ‘dame’ betekent iets anders.
In Heines Neue Gedichte, is Een vrouw het eerste gedicht van de afdeling Romanzen.
Vertaling:
Een vrouw
Ze hadden elkaar zo heerlijk lief,
Zij was een ondeugd, hij was een dief.
Als hij de schelm uithing bij nachte,
Wierp zij zich op bed en lachte.
De dag verliep in vreugd en lust,
En ’s nachts werd hij door haar gekust.
Toen ze hem naar het gevang brachten,
Stond zij aan ’t raam en lachte.
Hij zond een boodschap: O kom toch gauw,
Ik verlang zo vreselijk naar jou,
Ik riep om je, ik smachtte –
Ze schudde haar hoofd en lachte.
Om zes uur ’s morgens ging zijn kop eraf,
Om zeven uur daalde hij neer in het graf;
Zij echter ging al rond achten
Aan de rode wijn en lachte.
Origineel:
Ein Weib
Sie hatten sich beide so herzlich lieb,
Spitzbübin war sie, er war ein Dieb.
Wenn er Schelmenstreiche machte,
Sie warf sich aufs Bett und lachte.
Der Tag verging in Freud und Lust,
Des Nachts lag sie an seiner Brust.
Als man ins Gefängnis ihn brachte,
Sie stand am Fenster und lachte.
Er ließ ihr sagen: O komm zu mir,
Ich sehne mich so sehr nach dir,
Ich rufe nach dir, ich schmachte –
Sie schüttelt’ das Haupt und lachte.
Um sechse des Morgens ward er gehenkt,
Um sieben ward er ins Grab gesenkt;
Sie aber schon um achte
Trank roten Wein und lachte.
Dit gedicht van Rainer Maria Rilke was het sluitstuk van Das Buch der Bilder. De dood wordt natuurlijk tevens voorgesteld als het sluitstuk van het leven, het stukje zonder welke het leven onvoltooid is.
De dood is groot, en wij behoren hem toe, ook al lachen wij zonder het goed te beseffen.
Binnen zes korte regels is het echter – terwijl wij menen midden in het leven te staan – datgene wat huilt in ons diepste innerlijk.
De beeldspraak verandert van een realiteit buiten ons die overweldigend is terwijl wij lachen – iets waarvan je je bovendien nauwelijks bewust bent – naar een realiteit binnen ons die diep verscholen is en huilt – wat voor anderen klein lijkt, maar wat als pijnlijk gevoeld wordt, openbaar wordt, en ten slotte voor iedereen onontkoombaar is.
In de dood is lachen en huilen, binnen en buiten, groot en klein uiteindelijk één.
Ik heb het rijm wel enigszins gevolgd in vertaling, namelijk als halfrijm, maar ik heb het niet geforceerd tot het originele volrijm, omdat het resultaat er voor mijn gevoel minder van werd. Vertalersonmacht ongetwijfeld.
[12-12-2020 – Na terechte kritiek heb ik vertaling en toelichting vrij ingrijpend aangepast. Het gaat om regel 2 en 3 van het gedichtje. Ik had die twee versregels niet goed begrepen, met name niet dat ‘lachenden munds’ een ‘adverbialer genitiv’-constructie is, zoals ‘blootshoofds’. Met dank aan G. Klooster. Hier vindt u een toelichting op het gedicht.]
Vertaling:
Sluitstuk
Groot is de dood.
Wij zijn de zijnen
ook al lacht onze mond.
Als we ons midden in ’t leven wanen,
waagt hij te wenen
midden in ons.
Origineel:
Schlußstück
Der Tod ist groß.
Wir sind die Seinen
lachenden Munds.
Wenn wir uns mitten im Leben meinen,
wagt er zu weinen
mitten in uns.
Dit gedicht van Rainer Maria Rilke (1875-1926), een belangrijke lyrische dichter in het Duitse taalgebied, is terecht beroemd geworden door de regels:
Wer jetzt kein Haus hat, baut sich keines mehr. Wer jetzt allein ist, wird es lange bleiben
Het gedicht lijkt een beetje op een sonnet, maar is het niet. Het is geen moeilijk gedicht. Het is een korte bespiegeling bij het einde van de zomer en het intreden van de herfst.
Op 14 november hield Abdelkader Benali de Berg en Dal-lezing in het Centrum voor Religieus Humanisme, gevestigd in Villa Berg en Dal in Baarn. De titel was ‘Wie nu geen huis heeft, bouwt geen woning meer’. Dat was inderdaad een citaat uit mijn vertaling, een vertaling die Abdelkader Benali mooi vond, zoals hij ook schreef:
Geluidsopname
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling
Een dag in de herfst
Heer, het is tijd. De zomer kon niet fraaier. Vlij nu uw schaduw over onze zonnewijzers, en laat uw winden over alle velden waaien.
Beveel de laatste vruchten mooi te zwellen; gun ze een paar zwoele, zuidelijke dagen, dwing hen tot rijping en – ten slotte – jaag de laatste zoetheid in de zware wijnen.
Wie nu geen huis heeft, bouwt geen woning meer. Wie nu alleen is, zal het heel lang blijven, zal waken, lezen, lange brieven schrijven, zal wandelen in de lanen heen en weer, terwijl de wind de bladeren voort zal drijven.
Origineel
Herbsttag
Herr, es ist Zeit. Der Sommer war sehr groß. Leg deinen Schatten auf die Sonnenuhren, und auf den Fluren laß die Winde los.
Befehl den letzten Früchten voll zu sein; gib ihnen noch zwei südlichere Tage dränge sie zur Vollendung hin und jage die letzte Süße in den schweren Wein.
Wer jetzt kein Haus hat, baut sich keines mehr. Wer jetzt allein ist, wird es lange bleiben, wird wachen, lesen, lange Briefe schreiben und wird in den Alleen hin und her unruhig wandern, wenn die Blätter treiben.
Micha Wertheim – een cabaretier en columnist die ik over het algemeen waardeer – schrijft als slotalinea van een column in Vrij Nederland:1
“Als satiricus is mijn wereldbeeld er een van tegenstrijdigheden. Daarom voel ik mij ook beter thuis bij Charlie Hebdo en Jan Böhmermann, wanneer zij op zoek zijn naar twijfel in plaats van zekerheden. Dat al die anderen ook gebruik willen maken van de vrijheid van meningsuiting is ze van harte gegund, maar vergeef het me als ik niet bij iedere mening de vlag van het vrije woord hijs.”
Ik geloof er bitter weinig van dat Charlie Hebdo, Jan Böhmermann (of Micha Wertheim) “op zoek zijn naar twijfel”. Dat lijkt me een moderne mythe. Deze mythe is – denk ik – in het leven geroepen om een moderne opvatting te schragen, namelijk dat een levenshouding zonder waarde-oordelen de hoogste morele deugd vertegenwoordigt. Ik beschouw een dergelijke levenshouding als een dwaling.
Veel cabaretiers – en zeker ook veel cartoons van Charlie Hebdo – tonen een innige tevredenheid met de eigen morele positie: iets zeggen waaruit blijkt dat jij lekker gelijk hebt, wordt door de meeste mensen als de hoogste vorm van humor beschouwd. Men denke hierbij aan Andries Knevel, Richard Dawkins2of – inderdaad – Jan Böhmermann.3Micha Wertheim zelf is overigens heel goed in staat om cabaret te maken waarin de humor voortkomt uit de onmogelijkheid of moeilijkheid om ergens zeker van te zijn.
Twijfel kan volgens mij heel goed het resultaat zijn van de zoektocht naar waarheid (en daarmee de kern uitmaken van de column, de cartoon of de sketch), maar niet het doel.
Ik geloof wel dat mensen vaak twijfelen, en ook dat je in je binnenste vaak twijfel voelt over de meningen die jou het meest dierbaar zijn, en dat je daarom – reeds twijfelende – op zoek bent naar schrijvers, kunstenaars, cabaretiers die jouw opvattingen onderuit kunnen halen, naar meningen dus die jouw reeds bestaande twijfel bevestigen.
Maar ik geloof eigenlijk niet dat mensen “op zoek zijn naar twijfel“.
[Een paar correcties op 20 juli 2016: Wertheim zelf is heel goed in staat om humoristisch te zijn door zijn twijfels te gebruiken voor cabareteske doeleinden. In de slotzin heb ik een bijzin over ‘zelfdestructie’ verwijderd: zelfdestructieve mensen zijn meestal desperaat op zoek naar zekerheid, niet naar twijfel.)
John Gray, ‘The Closed Mind of Richard Dawkins. His atheism is its own kind of narrow religion‘, New Republic, 3 oktober 2014: “It is hard to resist the thought that the public recognition that in Britain is conferred by a knighthood is Dawkins’s secret dream. A life peerage would be even better. What could be more fitting for this tireless evangelist than to become the country’s officially appointed atheist, seated alongside the bishops in the House of Lords? He may lack their redeeming tolerance and display none of their sense of humor, but there cannot be any reasonable doubt that he belongs in the same profession.” ↩
‘Böhmermann mag delen smaadgedicht niet meer voordragen‘ (inclusief videofragment waarop de satiricus Jan Böhmermann het vers voordraagt dat de Turkse president Recep Tayyip Erdoğan in het verkeerde keelgat schoot), Website NOS Nieuws, 17 mei 2016.↩
Een vrij beroemd gedicht (er zijn geen heel beroemde gedichten, want poëzie is een kunst waar de meeste mensen niet erg van houden) van Christian Morgenstern is Das Knie. Ik ken het al decennialang uit mijn hoofd. Zo’n losse knie, niets meer en niets minder, heeft iets heel troostrijks.
Hier kunt u een Trijfel vinden, een column van Nico Scheepmaker, met door anderen gemaakte vertalingen, waaronder ook een fraaie vertaling van Scheepmaker zelf.1
[Correcties 15-4-2016]
Vertaling:
De knie
Een knie gaat stil de wereld rond.
Het is een losse knie!
Het is geen boom! Het is geen tent!
Het is een losse knie.
Eens werd een vechtende soldaat
Kapotgeschoten van rondom.
De knie alleen bleef ongedeerd –
Als was ‘t een heiligdom.
Nu gaat-ie stil de wereld rond.
Het is een losse knie.
Het is geen boom, het is geen tent.
Het is een losse knie.
Origineel:
Das Knie
Ein Knie geht einsam durch die Welt.
Es ist ein Knie, sonst nichts!
Es ist kein Baum! Es ist kein Zelt!
Es ist ein Knie, sonst nichts.
Im Kriege ward einmal ein Mann
erschossen um und um.
Das Knie allein blieb unverletzt-
als wärs ein Heiligtum.
Seitdem gehts einsam durch die Welt.
Es ist ein Knie, sonst nichts.
Es ist kein Baum, es ist kein Zelt.
Es ist ein Knie, sonst nichts.
Nico Scheepmaker, Trijfel, Leidsch Dagblad, 9 juni 1980, p.21 ↩
Christian Morgenstern was een humoristisch dichter en een ernstig man. Zijn grootste bekendheid geniet hij door zijn Galgenlieder.
Het onderhavige gedicht is een originele beschrijving van een zonnige natuurbeleving.
Ik heb na enig wikken en wegen het volrijm Siegel/Spiegel toch maar vervangen door het halfrijm zegel/spiegel. [Correctie 15-4-2016: toch een andere vertaaloplossing gekozen.]
Vertaling:
Het was zo’n wonderlijke middag…
Het was zo’n wonderlijke middag,
waarop men vissen hoorde zingen,
geen bries, geen stem, geen rimpelingen,
geen golfje dat zich welfde tot een slag.
Jullie alleen – de vissen – verbraken liefderijk
het zegel dat alom de stilte schraagt,
en zongen met miljoenen tegelijk,
onder de spiegel die de hemel draagt.
Origineel:
Es war ein solcher Vormittag …
Es war ein solcher Vormittag,
wo man die Fische singen hörte,
kein Lüftchen lief, kein Stimmchen störte,
kein Wellchen wölbte sich zum Schlag.
Nur sie, die Fische, brachen leis
der weit und breiten Stille Siegel
und sangen millionenweis’
dicht unter dem durchsonnten Spiegel.
Het gedicht Twijfel van de Duitse dichter, journalist, columnist en schrijver Kurt Tucholsky werd gepubliceerd in het blad Die Weltbühne, op 20 januari 1925, nr. 3, p.90, onder het pseudoniem Theobald Tiger.
Het is een heel mooi gedicht, maar het is extra ontroerend voor wie beseft in welke onmogelijke omstandigheden Tucholsky zijn werk als schrijver moest doen, omstandigheden die mede zouden leiden tot zijn voortijdige dood in 1935.
Van alle Duitse schrijvers die ik bewonder is Tucholsky mij het allerliefst, reden waarom ik in 2008 het pseudoniem Theobald Tiger heb gekozen, geleend eigenlijk, als mijn alias op Wikipedia.
De laatste zin van dit gedicht vinden sommige critici niet goed: deze is, hoe raak ook, in dichterlijke zin wel wat veel van het goede, maar in zijn tijd was haast alles wat Tucholsky schreef wel wat veel van het goede, vrees ik: “Um mich spüre ich ein leises Wandern. Sie rüsten zur Reise ins Dritte Reich” (uit het hoofd). Het lijkt me niet eenvoudig als je moet kiezen welke retorische middelen het meest effectief zijn om de komende catastrofe af te wenden.
Geluidsopname
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling:
Twijfel
Ik zit op het verkeerde schip. Van wat we doen, van al ons streven Van wat wij in de bladen schreven, Deugt vrijwel niets. Woord en begrip.
De bodem deint. Waartoe? Waarom? Kunst. Geen kunst. Vele kamers ging ik door. Nooit is het einde daar. En alsmaar Een nieuwe deur. Waarvoor?
Onmogelijk. Er is geen terugkeer. Wat ik ook doe, opstomen, in verzet komen, Het galmt voortdurend in mijn dromen: Niet meer.
Maar de nieuwste lichting vatte moed. Ze geloven. Met moeite, maar ze geloven. En uit die koene zielen stijgt naar boven: ‘t Komt goed.
Is dat het nu? Het slaat mij met stomheid. Wie zijn die lui die daar beneden zingen? Niemand kan ooit zijn tijd ontspringen. En hoe benijd ik, wie zich neerlegt bij de dingen… Zij hebben ’t goed, Zij gloriëren in hun domheid.
Origineel:
Zweifel
Ich sitz auf einem falschen Schiff. Von allem, was wir tun und treiben, und was wir in den Blättern schreiben, stimmt etwas nicht. Wort und Begriff.
Der Boden schwankt. Wozu? Wofür? Kunst. Nicht Kunst. Lauf durch viele Zimmer. Nie ist das Ende da. Und immer stößt du an eine neue Tür.
Es gibt ja keine Wiederkehr. Ich mag mich sträuben und mich bäumen, es klingt in allen meinem Träumen: Nicht mehr.
Wie gut hat es die neue Schicht. Sie glauben. Glauben unter Schmerzen. Es klingt aus allen tapfern Herzen: Noch nicht.
Ist es schon aus? Ich warte stumm. Wer sind Die, die da unten singen? Aus seiner Zeit kann Keiner springen. Und wie beneid ich Die, die gar nicht ringen. Die habens gut. Die sind schön dumm.
Gerard Manley Hopkins (1844-1891) was een van de belangrijkste Victoriaanse dichters. Hij was katholiek priester en jezuiet.
Dit gedicht is een sonnet met een streng rijmschema en de regels zijn bovendien afgeladen met alliteratie of stafrijm. Het gedicht bevat tevens een vrij beroemde zin die uit louter beklemtoonde eenlettergrepige woorden is opgebouwd: Why do men then now not reck his rod?
In deze vertaling heb ik – enigszins tegen mijn gewoonte in – het rijmschema niet strak gevolgd, omdat het vertaalresultaat er naar mijn smaak minder van werd als ik dat toch probeerde.
Om letterlijkheidsaanbidders en Droogstoppels royaal gelijk te geven: er zijn geen foto’s van een broedende Heilige Geest bekend.
Hier kan een bespreking van het gedicht worden geraadpleegd.1
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling:
Gods grandeur
De wereld is geladen met de grandeur van God, Die opvlamt, als schittering van gekreukeld goudfolie, Die aanwast tot grootsheid, als trage, uitgeperste olijfolie. Waarom vreest men nu dan niet de schichten van Zijn staf?
Geslachten traden aan, traden op, traden plat; Bedrijvigheid heeft alles besmet, besmeurd, bevlekt met vlijt, Bezoedeld met mensengeur, bespat: de aarde slijt, Werd kaal; gevoelloos bleek de voet die werd geschoeid.
Natuur wordt niettemin nooit helemaal verbruikt; Kostbare jonkheid leeft in haar diepste grond; Zelfs als het laatste licht in het zwarte westen dooft, ontluikt
Deze oostwaards aan de rode rand – O, morgenstond – Want de Heilige Geest rust broedend op de gewelfde Wereld met – jawel! – glanzende vleugels en warme borst.
Origineel:
God’s Grandeur
The world is charged with the grandeur of God. It will flame out, like shining from shook foil; It gathers to a greatness, like the ooze of oil Crushed. Why do men then now not reck his rod?
Generations have trod, have trod, have trod; And all is seared with trade; bleared, smeared with toil; And wears man’s smudge and shares man’s smell: the soil Is bare now, nor can foot feel, being shod.
And for all this, nature is never spent; There lives the dearest freshness deep down things; And though the last lights off the black West went
Oh, morning, at the brown brink eastward, springs– Because the Holy Ghost over the bent World broods with warm breast and with ah! bright wings.
Heinrich Heine, geschilderd door Moritz Daniel Oppenheim in 1831 (licentie)
De auteur van dit opstandige gedicht is Heinrich Heine (1797-1856), misschien wel de grootste lyrische dichter uit het Duitse taalgebied. Ik heb voor het eerst met dit vers kennisgemaakt toen ik een artikel van Karel van het Reve las.
Het gedicht werd in 1854 gepubliceerd in de Vermischte Schriften, Bd 1, Dl VIII, als het eerste vers in de cyclus Zum Lazarus, p.148-149. Het ritme van het oorspronkelijke vers is buitengewoon sterk en ondersteunt de inhoud op volmaakte wijze.
De slotzin heeft na de voorafgaande galopperende rebellie iets heel ontroerends, omdat deze oproept dat de dood zowel onontkoombaar als ontoereikend is.
Het gedicht speelt soms een rol in het debat over de vraag of (de joodse) Heine al of niet godsdienstig was.
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling:
Weg met die heilige parabels, weg met die vrome postulaten – zorg dat die vervloekte vragen zonder omhaal ons verlaten.
Waarom wordt hier de oprechte, kreunend op zijn kruisweg, uitgejouwd, terwijl daar, hoog te paard gezeten, de slechte juichend zijn banier ontvouwt?
Wie is daar schuldig aan? Zou onze Heer toch niet zo heel almachtig zijn? Of schept hij al die euvels zelf? Ach, dat zou schurkachtig zijn.
En daarom blijven wij maar vragen, totdat men onze grote monden met wat aarde straks doet zwijgen – maar is dat nu een antwoord?
Origineel:
Laß die heil’gen Parabolen, Laß die frommen Hypothesen – Suche die verdammten Fragen Ohne Umschweif uns zu lösen.
Warum schleppt sich blutend, elend, Unter Kreuzlast der Gerechte, Während glücklich als ein Sieger Trabt auf hohem Roß der Schlechte?
Woran liegt die Schuld? Ist etwa Unser Herr nicht ganz allmächtig? Oder treibt er selbst den Unfug? Ach, das wäre niederträchtig.
Also fragen wir beständig, Bis man uns mit einer Handvoll Erde endlich stopft die Mäuler – Aber ist das eine Antwort?
Een van de beroemdste gedichten van Johann Wolfgang von Goethe is een heel simpel versje, Wandrers Nachtlied, dat hij ooit optekende, waarschijnlijk op 6 september 1780, in een hut op de Kickelhahn bij Ilmenau, vanwaaruit toezicht gehouden werd op de jacht.
Sommige dingen zijn onmogelijk: het rijm Gipfeln / Wipfeln is in het Nederlands niet te evenaren.
Waar aanvankelijk ‘vogeltjes’ stond – vertaling van Vöglein – heb ik er na een suggestie van de poëzieliefhebber Anne Stolte – ‘vogels’ van gemaakt. Het loopt mooier, en niemand denkt in een schemerend bos aan zwijgende zeearenden of ganzen.
Over de heuvels daalt Vrede, Bijna onmerkbaar deelt Rust zich ook mede Aan de bomen; De vogels houden zich stil. Wacht maar, al snel Zal ook jouw rust komen.
Origineel:
Wandrers Nachtlied
Über allen Gipfeln Ist Ruh, In allen Wipfeln Spürest du Kaum einen Hauch; Die Vögelein schweigen im Walde. Warte nur, balde Ruhest du auch.
R.S. Thomas heeft een groot aantal gedichten geschreven die met wachten (‘waiting’) te maken hebben. Het begrip had een bijzondere betekenis voor hem, een betekenis die zeker christelijk is – wachten is onlosmakelijk verbonden met het gebed – maar die ook niet ver afligt van de waarde die Samuel Beckett eraan hechtte in zijn beroemde toneelstuk En attendat Godot (Waiting for Godot): wachten is onlosmakelijk verbonden met het leven.
Yeats is William Butler Yeats. Het gedicht kreeg aanvankelijk de titel Waiting en in een latere herdruk de titel Waiting for it.
Het is een afrekening met Yeatsiaanse retoriek, en het gedicht spreekt tevens zichzelf tegen door met een fraaie metafoor en een mooi ritme eigenlijk heel retorisch te eindigen.
Een goede analyse van het gedicht is gemaakt door William V. Davis in zijn boek Miraculous Simplicity – Miraculeuze eenvoud.1, een rake karakteristiek van Thomas’ poëzie. Deze titel werd ontleend aan een lezing van R.S. Thomas aan Swansea University in 1963, waarin hij het begrip veel ruimer toepaste:2
Art is not simple, and yet about so much of the best, whether in painting, poetry or music, there is a kind of miraculous simplicity.
Pagina 66
Vertaling:
Afwachten
Yeats zei het. Ik genoot ervan
toen ik jong was:
er was tijd genoeg.
Vingers die branden, een hart
dat schroeit, een vieze smaak
in de mond, terwijl ik hem opnieuw
lees, maar dit keer zonder
vertrouwen. Welke raad
kan geschreven retoriek ons
geven? Spiegels kapot slaan,
een geest strak aankijken, trachten
zonder krukken te lopen
op de rand van een graf? De enige
welsprekendheid die je, nu het de kleine
geloofsuurtjes zijn, nog onder de knie
moet krijgen, is die van het
gebogen hoofd, de knielende
knie, in afwachting van
de eerste bloem, aan het eind
van een koude winter, die zich opent
aan de doornstruik van de geest.
Mijn vertaling is in iets gewijzigde vorm gepubliceerd in het christelijk literair tijdschrift Liter (nr. 83, jrg. 19, september 2016).
Origineel:
Waiting for it
Yeats said that. Young
I delighted in it:
there was time enough.
Fingers burned, heart
seared, a bad taste
in the mouth, I read him
again, but without trust
any more. What counsel
has the pen’s rhetoric
to impart? Break mirrors, stare
ghosts in the face, try
walking without crutches
at the grave’s edge? Now
in the small hours
of belief the one eloquence
to master is that
of the bowed head, the bent
knee, waiting, as at the end
of a hard winter
for one flower to open
on the mind’s tree of thorns.
Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die ook zijn leven lang in Wales woonde en werkte als een Anglicaans priester. Hij was een groot natuurliefhebber, had een vrij vergaande afkeer van moderne zaken die hij vond afleiden waar het in het leven echt om ging, en hij schreef in het Engels.
Een aardige bespreking door Theodore Dalrymple van zijn biografie – Byron Rogers, The Man Who Went into the West: The Life of R. S. Thomas, Aurum Press – vindt u hier.
Hij was een merkwaardige, eenzelvige figuur die prachtige gedichten schreef, getrouwd was met de schilder Mildred (Elsi)Eldridge (aan wie hij een paar zeer fraaie gedichten heeft gewijd – zie elders op dit blog). Kingsley Amis – zeker geen geestverwant – schreef dat zijn poëzie “reduces most other modern verse to footling whimsy” (=triviale gekkigheid). Hij is in Nederland niet zeer bekend.
In 1879 schreef Fjodor Dostojevsky een dik en beroemd boek onder de titel De gebroeders Karamazov. Eén van deze gebroeders, één van de hoofdpersonen van het boek dus, is Ivan Karamazov, die opgevoerd wordt als een hartstochtelijk rationalist. Hij houdt in het boek een verhalende toespraak, die ook wel afzonderlijk is uitgegeven onder de titel De grootinquisiteur van Sevilla (in oudere vertalingen wordt dit verhaal soms De parabel van de grootinquisiteur genoemd), waarin de grootinquisiteur (die de kerk vertegenwoordigt) de op aarde weergekeerde Christus te woord staat. Christus maakt de kerk verwijten, en de grootinquisiteur verdedigt de kerk. Het aardige aan deze gefingeerde situatie is dat zowel Christus die zegt dat de kerk zijn werk heeft verraden, namelijk door de mens zijn vrijheid te ontnemen, als de grootinquisiteur die zegt dat de kerk Christus’ werk heeft verbeterd, namelijk door rekening te houden met het menselijk tekort, in dit geval de afschuw die veel mensen voor vrijheid voelen, hier het gelijk aan hun kant lijken te hebben.
Ik doe een bescheiden poging om te zeggen waar dit gedicht over gaat. De aangesprokene is Ivan Karamazov, en er worden een paar godsbeelden aan een onderzoekje onderworpen: we maken kennis met god als robot, maar ook met de god van de romantiek, de god die schuilt in het sublieme, die zich laat horen in natuurgeweld en kraters. Deze laatste god, en impliciet ook de aanbidder daarvan, wordt eigenliefde verweten omdat hij de stem van de kleine schepselen en de realiteit van de dood miskent.
Elia is de bijbelse profeet die volgens 1 Koningen 18 op de berg Karmel een competitie aangaat met de Baäl-priesters. Volgens Elia kan zijn God, de God van het Oude Testament, het klaargelegde offer op verzoek wel aansteken (door het te laten bliksemen), iets wat de Baäl met het door de Baäl-priesters voor hem klaargelegde offer op hun verzoek niet zou kunnen. Het is een spannende, sublieme scène die bloederig afloopt, maar Elia wint.
In de slotzinnen gaat het over de eigenliefde van een God die R.S. Thomas niet serieus kan nemen.
Vertaling:
Ivan Karamazov
Ja, ik weet hoe hij is:
een onmogelijk soort robot
waarin je je gebeden stopt
als kaartjes, die na een poosje
worden geretourneerd
met het woord ‘afgewezen’ erop.
Ik wijs zo’n god van de hand.
Maar als hij, zoals je beweert, bestaat,
en ik krenk hem met wat ik doe,
laat hem mij dan straffen:
ik zal kikken noch krijsen; gelijk krijgen
is wel een levenslange kastijding
waard. En God zich te zien
wreken, geeft jou een voorsprong,
totdat de aarde zich opent
om je op te nemen in een donkere
spleet, waarin je hem, zekerder
dan Elia, zult horen loeien in de wind
en het vuur en het gebrul
van de aardschok, maar niet
in de stille, zachte stem van de
wormen die je voor altijd verlossen
uit de tirannie van zijn eigenliefde.
Origineel:
Ivan Karamazov
Yes, I know what he is like:
a kind of impossible robot
you insert your prayers into
like tickets, that after a while
are returned to you with the words
‘Not granted’ written upon them.
I repudiate such a god.
But if, as you say, he exists,
and what I do is an offence
to him, let him punish me:
I shall not squeal; to be proved
right is worth a lifetime’s
chastisement. And to have God
avenging himself is to have
the advantage, till the earth opens
to receive one into a dark
cleft, where, safer than Elijah,
one will know him trumpeting
in the wind and the fire
and the roar of the earthquake, but not
in the still, small voice of the
worms that deliver one for ever
out of the tyranny of his self-love.
De dichter W.H. Auden had een meesterlijke techniek die moeilijk is na te bootsen in vertaling. Maar een geslaagde nabootsing blijft het vertaaldoel, natuurlijk. Dit gedicht beschrijft ironisch wat er gebeurt als iemand beroemd wordt en podium-op podium-af wordt gesleurd.
De openingszin bevat de uitdrukking “pelagian travellers”. Pelagius was een Britse monnik uit de oudheid die – als de overlevering juist is – geloofde in de vrije wil; hij achtte het mogelijk dat we het goede zouden doen. Hij verwierp predestinatie en erfzonde, en stond daarmee tegenover de kerkvader Aurelius Augustinus. Pelagius wordt in de meeste vormen van christendom als een ketter beschouwd. Auden gebruikt het adjectief ‘pelagian’ hier ironisch, zoals hij ook op veel andere plaatsen in dit gedicht ironisch is.
De uitzendorganisatie van Auden’s literaire schnabbels was Columbia Giesen Management.
Ik heb eerder naar dit gedicht verwezen n.a.v. de reactie op mijn vertaling van September 1, 1939.