Op 11 augustus 2014 overleed de grote Belgische schrijver en sinoloog Pierre Ryckmans, alias Simon Leys, geboren in 1935, op 78-jarige leeftijd in Sydney.
Hij schreef het mooiste, scherpste en waarachtigste proza dat er na de Tweede Wereldoorlog geschreven is. Hij heeft meer gedaan dan wie ook om een eind te maken aan de westerse gevoeligheid (die ongeveer duurde van 1960-1985) voor de totalitaire, communistische verleiding.
Theodore Dalrymple, pseud. van Anthony M. Daniels, schreef op 13 augustus 2014 als openingszin van een kort In Memoriam:
“If fame were the reward of merit alone, Pierre Ryckmans, who wrote under the name of Simon Leys and has just died in Canberra aged 78, would have been one of the most famous men in the world.“[1]
Zijn bekendste werk, essays die een démasqué van het Chinese communisme behelzen, schreef hij onder het pseudoniem Simon Leys: Les habits neufs du président Mao (De nieuwe kleren van Voorzitter Mao), in 1971, en Ombres Chinoises (Chinese schimmen), in 1974.
Hij gaf met zijn boek Chinese schimmen een krachtige impuls aan wat bekend staat als ‘Het China-debat’, een debat over de waarde van de maoïstische revolutie voor China en de wereld, waaraan in Nederland onder anderen W.F. Wertheim, Rudy Kousbroek, Renate Rubinstein, Anja Meulenbelt en Martin van Amerongen meededen. Hij schreef zijn enige roman La mort de Napoléon (De dood van Napoleon) in 1986. Hij publiceerde de door hem vertaalde Analects of Confucius (Uitspraken van Confucius) in 1997. Zijn mooiste en veelzijdigste essaybundel is misschien wel zijn laatste: The Hall of Uselessness, uit 2011. Hij was een bewonderaar van G.K. Chesterton, Emile Cioran, C.S. Lewis en George Orwell. Hij ontving belangrijke prijzen in het Franse en Engelse taalgebied.
U heeft misschien nog nooit van hem gehoord. Geen Nederlandse krant heeft ter gelegenheid van zijn overlijden uitgebreid aandacht aan zijn leven en werk besteed. Ons Erfdeel, het belangrijkste Vlaams-Nederlandse culturele tijdschrift, heeft wel een mooi levensbericht gepubliceerd. Frans was zijn moedertaal. Hij schreef ook rechtstreeks in het Engels.
Hij was een geleerde, een essayist, een humoristisch schrijver, een romanschrijver, een kalligraaf, een vertaler, een literair criticus, een illustrator, een cartoonist. Hij was katholiek, maar geen kwezel. Hij had een Taiwanese vrouw en was vader van vier kinderen. Hij woonde en werkte van 1970 tot zijn dood in Australië.
Voetnoten 1. Anders dan Dalrymple zegt, stierf Ryckmans niet in Canberra, maar in Sydney. Zie ook de bewerkingssamenvatting van deze bewerking aan het Engelse Wikipedia-artikel. 2. Google Books geeft bij dit boek geen paginanummers. Zoeken op “Ryckmans”. Zie ook hier.
Heel zacht ging ik haar kamer binnen;
Zij lag op bed met opgetrokken been…
Maar toen ik over liefde wou beginnen,
Bevroor mijn tong, en werd mijn hart van steen.
Net als bijvoorbeeld Gerard Reve en R.S. Thomas beschouw ik kunst en religie als tweelingen.
Ik geloof niet in bekrompenheid.
Ik denk dat poëzie vaak een vorm van bidden is, en ik denk ook dat de joods-christelijke bijbel op veel plaatsen probeert de waarheid te benaderen op een dichterlijke manier.
Ik ben niet langer vrijgemaakt-gereformeerd, de kerk waarin ik ben opgegroeid en opgevoed, maar ben wel overwegend dankbaar voor de lessen die ik daar heb geleerd.
Ik beschouw mezelf als een christen, twijfelend, spottend, ironisch, soms me overgevend, soms me verzettend, maar me steeds verbonden wetend met de voornaamste christelijke tradities.
Op de overlegpagina van het Wikipedia-artikel Weet. (een artikel over een orthodox-christelijk, populair-wetenschappelijk blaadje) heb ik in het verleden onder het geleende pseudoniem Theobald Tiger het volgende geschreven, dat hier eigenlijk beter op zijn plaats is dan daar:
[…] ik heb ondervonden dat mijn achtergrond geen ruimte bood aan de vragen die ik stelde en er evenmin een antwoord op had. En ook bij mij was de losmaking een pijnlijk proces, vooral omdat ik er slecht tegen kon dat ik mijn ouders verdriet deed. Maar een echte bevrijding was het toch niet, omdat ik er gaandeweg achter kwam dat niemand antwoord op mijn vragen had, al was er uiteraard machtig veel te ontdekken – nog steeds.
Ook heb ik niet zozeer angst voor een leven zonder religie – al kan het leven zelf donders beangstigend zijn. Ik geloof namelijk […, niet] dat je in een God dient te geloven als voorwaarde om moreel te kunnen handelen, schoonheid te kunnen ondergaan of ontroerd te kunnen worden. Maar […, ik] geloof toch ook niet dat je de religie kunt uitbannen zonder dat er iets wezenlijks verloren gaat.
Religie is geen zingeving, geen normenstelsel en geen bindmiddel voor gemeenschappen. Het is dat allemaal ook natuurlijk, maar dat is slechts een (niet onbelangrijk) neveneffect van wat ik als haar kern beschouw: zij is volgens mij het besef dat je als sterfelijk mens een bescheiden plaats inneemt in een wereld die – om met Dante te spreken – gedragen wordt door de liefde die het al beweegt, dat je dus – zelf eindig – deel hebt aan iets onvergankelijks.
Voor een georganiseerde religie is het bovendien nodig dat dit besef wordt gedeeld. Het wegvallen van dat gedeelde besef acht ik op den duur schadelijk voor kunst (opgevat in ruime zin zodat het ook het scheppen van harmonie in de eigen leefomgeving insluit), wetenschap en moraal.
Dit betekent uiteraard niet dat niet-religieuze mensen niet serieus met die onderwerpen bezig kunnen zijn, of dat ze geen waardevolle bijdragen kunnen doen – ik bedoel daarmee dat het religieuze besef onmisbaar is om dwalingen te onderkennen en om de moed op te brengen om – desnoods – alleen te staan in de verdediging van de kernwaarden van onze beschaving.
Dat het religieuze levensbesef ook bij veel vertegenwoordigers van de georganiseerde religie ontbreekt, behoeft verder geen betoog. Dat ook het wetenschappelijke streven voortkomt uit l’amor che move il sole e l’altre stelle is zeker waar en er is dan ook niets in mij dat zich tegen de beoefening en de resultaten van strenge wetenschap verzet (ik maak nadrukkelijk een uitzondering voor de sociale wetenschappen die ik – gunstige uitzonderingen daargelaten – als broedplaatsen van cultuurbederf beschouw).
Veel ontwikkelde mensen beschouwen godsdienstigheid – in navolging van Freud – als een ontwikkelingsstoornis, als een inadequaat, regressief antwoord op levensangst. Dat is soms zeker het geval. Maar dat is volgens mij toch niet het enige dat erover gezegd kan worden. De godsdienst heeft mensen zeker niet alleen maar geremd, maar ze ook soms de kracht gegeven om de waarheid hoog te houden, en om kunst en wetenschap voort te brengen op het hoogste niveau. “Nergens heeft ooit het onechte een dergelijke ontroerende wijdende en bevrijdende kracht gehad“, schreef H.C. Rümke in zijn essay Karakter en aanleg in verband met het ongeloof (1939).
Ter voorkoming van misverstanden: aan religieuze kwezelachtigheid heb ik een even grote hekel als aan atheïstische bigotterie. Ik ben een groot bewonderaar van de onlangs overleden Belgische schrijver en sinoloog Pierre Ryckmans (pseud.: Simon Leys), zelf katholiek, en een groot en welsprekend verdediger van de beschaving, te midden van de krankzinnigheden die werden uitgekraamd door de fellow-travellers (die veelal het verlaten van het christendom als een bevrijding hadden ondergaan) van het religievijandige maoïsme in de jaren zestig, zeventig en tachtig van de vorige eeuw.
En daaraan voorafgaand schreef ik:
Militante atheïsten zijn […] vaak heel fel, en ik heb een grondige hekel aan de zendingsdrift, humorloosheid en onverdraagzaamheid van militante atheïsten […]. Ik beschouw de militante atheïsten die zo dapper met hun sabeltjes zwaaien in de stoet die aangevoerd wordt/werd door Harris, wijlen Hitchens en Dawkins als de kwezels van onze tijd.
Maar er speelt wel degelijk nog iets. Ik heb een orthodox-protestantse achtergrond. Ik heb van deze geloofsrichting zekere afstand genomen, zonder de gehele christelijke erfenis overboord te hebben gezet. Ik beschouw de gretigheid waarmee de westerse beschaving zich ontdoet van haar metafysische erfenis als een ernstige vergissing. Ik geloof niet dat een levenshouding die zich uitsluitend wenst te baseren op rationaliteit en wetenschap de beschaving die ik waardevol vind – het goede en het ware en het schone – in stand kan houden.
Ik denk – als ik mij voor de gelegenheid even wat verheven mag uitdrukken – dat een mythopoëtische houding een belangrijke manier is om toegang te krijgen tot de waarheid. Ik denk dat Freud, Marx en Darwin alledrie een rol gespeeld hebben – althans in bepaalde interpretaties van hun werk – in de afbraak van de houding die ik voorsta (van deze drie is Darwins erfenis overigens de meest waardevolle). En dat komt omdat de evolutietheorie niet alleen een vruchtbare wetenschappelijke hypothese is gebleken, maar van de aanvang af ook is geweest wat ik hierboven een pseudoreligieuze Ersatz heb genoemd.
Daartegen verzetten de christenen zich ook, en – of je het nu met ze eens bent of niet – daarin hebben ze volgens mij volkomen gelijk. Dat ze daarbij allerlei creationistische en andere dwaalwegen bewandelen, is heel jammer, maar dat is, vermoed ik, het directe gevolg van de letterlijkheidscultus en de symboolblindheid die je veel bij hen aantreft en die je trouwens ook vaak bij rationalisten ziet. Ik ben er niet zo zeker van dat de ernst waarmee wij elkaar proberen te begrijpen en waarmee we ons jegens elkaar verstaanbaar proberen te maken, een gevolg is van de ‘evolutie’, […].
Ik [… vind wel] dat de natuurwetenschappen heel belangrijk zijn, en feitelijk als enige aanspraak kunnen maken op de titel ‘wetenschap’. […] Ik beschouw persoonlijk alle niet-natuurwetenschappen als pseudowetenschap. Maar ik denk wel dat er nog heel andere domeinen zijn dan die van ratio en wetenschap, domeinen die ook onze volle aandacht en liefde verdienen.
En even verderop:
Religies zijn weliswaar meestal gebaseerd op een openbaring, maar religies zijn toch niet bedoeld om zekerheid te bieden. Zekerheid bestaat niet, vroeger niet en nu niet, en zekerheid zal ook nooit bestaan. Militante atheïsten als Sam Harris, Richard Dawkins, wijlen Christopher Hitchens, wijlen Rudy Kousbroek en de nog levende Max Pam weten niets van het christendom; ze vervloeken, kleineren en ridiculiseren het christendom, maar ze citeren nooit de beste vertegenwoordigers ervan.
Wetenschap bevordert inderdaad de twijfel, en godsdienst probeert de aandacht te richten op wat eeuwig is. Dat zijn twee buitengewoon goede strevingen, die elkaar – volgens mij – geenszins uitsluiten.
(…)
De afgelopen eeuw van wetenschap en techniek heeft inderdaad wonderen voortgebracht. Maar de religie heeft dat ook, zij het geheel andere wonderen, zoals de muziek van Bach. De kerk is verantwoordelijk voor een groot aantal gruwelen – en zij heeft daar nooit passende verontschuldigingen voor aangeboden – maar ook het atheïsme heeft het bedrijven van gruwelen niet geschuwd.
Zefier keert terug en voert het geurend kruid,
De bloemen, de warmte – zijn nazaten – mee,
Prokne die kwettert, Filomeel die huilt,
Een nieuwe lente maakt in vermiljoen entree.
De hemel licht op, en de akker juicht,
Jupiter ziet naar zijn dochter, tevree;
En niet langer houdt de liefde zich schuil,
Alles verzoent zich: de elementen, het vee.
Maar, ach, voor mij keren slechts de benarde
zuchten weer, die zij ontlokte aan de kwartieren
van het hart, welks sleutels de hemel bewaarde:
En de vogelzang, de bloemen die welig tieren,
De lieve vrouwen en hun goede daden,
Zijn rimboe voor mij, vol woeste en snode dieren.
De oudste en zuiverste sonnetvorm is het Italiaanse sonnet, dat ook wel Petrarca-sonnet wordt genoemd. Het Italiaanse sonnet bestaat uit veertien regels, twee kwatrijnen (strofen van vier regels), en twee terzinen (strofen van drie regels). De twee kwatrijnen heten samen het octet; de twee terzinen heten samen het sextet. Tussen het octet en het sextet bevindt zich een wending (ook wel volta of chute genoemd), wat betekent dat de dichter het na de achtste regel opeens over een andere boeg gooit: hij/zij wisselt van perspectief, brengt een tegenstelling aan, trekt conclusies uit de voorafgaande sfeerimpressie, of doet na die achtste regel anderszins iets verrassends.
Het rijmschema is streng. In de meest strikte vorm komen er maar vier rijmklanken voor in een Italiaans sonnet: twee in het octet (abba abba) en twee in het sextet (cdc dcd). Het rijmschema in het onderhavige sonnet is hierop een even strenge variant: abab abab cdc dcd.
Het metrum is vaak een jambische vijfvoet: tien of elf lettergrepen met een afwisseling van onbeklemtoonde en beklemtoonde lettergrepen, beginnend met een onbeklemtoonde lettergreep. Er zijn tien lettergrepen als de regel eindigt op een staand of mannelijk rijm (stoep/poep) en elf lettergrepen als de regel eindigt op een vrouwelijk of slepend rijm (billen/gillen). Op de plek waar je een beklemtoonde lettergreep verwacht (heffing) mag ook een onbeklemtoonde staan. (Andersom – een beklemtoonde lettergreep waar je een onbeklemtoonde verwacht – mag ook wel, maar alleen als daarmee een bepaald effect wordt beoogd.) Een voorbeeld van een gewone jambische vijfvoet is:
Ik gíng naar Bómmel om de brúg te zien.
(om en zien staan op de plaats van een beklemtoonde lettergreep of heffing, maar je leest ze zonder nadruk.)
De sonnetten van Shakespeare zijn heel anders; ze voldoen niet aan bovengenoemde vormkenmerken. Het zijn eigenlijk drie kwatrijnen die worden afgesloten met twee rijmende regels. De drie kwatrijnen kennen soms wel een wending na het tweede kwatrijn, maar vaak ook niet; er wordt dan toegewerkt naar een soort climax. De rijmende slotregels zorgen voor een pointe. Er zijn bij Shakespeare meestal twee rijmklanken per kwatrijn, en elk kwatrijn heeft een eigen paar rijmklanken.
Zefiro torna, e ‘l bel tempo rimena,
e i fiori e l’erbe, sua dolce famiglia,
et garrir Progne et pianger Filomena,
le primavera candida e vermiglia.
Ridono i prati, e ‘l ciel si rasserena;
Giove s’allegra di mirar sua figlia;
l’aria e l’acqua e la terra è d’amor piena;
ogni animal d’amar si riconsiglia.
Ma per me, lasso, tornano i più gravi
sospiri, che del cor profondo tragge
quella ch’al ciel se ne portò le chiavi;
e cantar augelletti, e fiorir piagge,
e’n belle donne oneste atti soavi
sono un deserto, e fere aspre e selvaggie.
Zefiro = Zephyros, is in de Griekse mythologie de personificatie van de westenwind. Hij wordt in het Nederlands ook wel Zefier genoemd.
Progne en Filomena (Prokne/Procne en Philomela) zijn dochters van de Atheense koning Pandion I: Prokne verandert in een zwaluw, en Philomela (in het Nederlands ook Filomeel) verandert in een nachtegaal.
De wending is dat in de beide kwatrijnen eerst de westenwind wordt opgevoerd die het voorjaar brengt met alle aangenaamheid en zoetheid die daar bij hoort, maar dat deze lieflijkheid in de beide terzinen met het grote leed van de dichter wordt gecontrasteerd, die – helaas – zijn geliefde (Laura, i.c. Petrarca’s muze) moet missen, omdat zij er niet meer is (zij heeft immers de sleutels van zijn hart aan de hemel toevertrouwd).
In mijn vertaling heb ik niet een jambische vijfvoet, maar een jambische zesvoet toegepast, die bovendien – je zult dat bij het voorlezen wel merken – een ritmische tweedeling kent: er is een soort breuk in het midden. Een dergelijk metrum wordt een alexandrijn genoemd. Alexandrijnen vind je bijvoorbeeld ook in de sonnetten van P.C. Hooft. Ten opzichte van een strikte jambische zesvoet, heeft de alexandrijn wel eens een extra onbeklemtoonde lettergreep in het midden, bij de breuk.
De alexandrijn in mijn vertaling is vrij onregelmatig. Ook openen verschillende regels die wel jambisch (eerst onbeklemtoond en dan beklemtoond) eindigen, met een trochee (eerst beklemtoond en dan onbeklemtoond). Het geheel is wel ritmisch voor te lezen.
Hij, Zefier, is terug, en voert het zachte weer,
De bloemen, kruiden – zoete bloedverwanten – mede,
Prokne die kwettert, Filomeel die klaaglijk kwinkeleert,
De ongerepte lente, vermiljoen en teder.
De velden juichen, en de hemel lumineert:
Jupiter staart naar zijn dochter, innig tevreden;
Aarde, water en lucht, ze zijn in liefde geëerd;
De schepping verzoent zich, in toegenegen vrede.
Maar, ach, voor mij slechts de weerkerende benauwde
zuchten, die zij ontlokte aan de zwartste kwartieren
van het hart, welks sleutels zij de hemel toevertrouwde:
En de vogelzang, de bloemen die welig tieren,
De deugdzame daden der allerliefste vrouwen,
Zijn mij slechts wildernis, vol woeste en gekwelde dieren.
Ik heb het voornemen om hetzelfde gedicht nog eens te vertalen, maar dan met een strikt toegepaste jambische vijfvoet als metrum.
Mijn gebrekkige beheersing van het Italiaans heb ik mede aangevuld met wat de vertaling van Antony S. Kline mij over de betekenissen leerde.
Mijn vertaling van het gedicht The Road Not Taken van Robert Frost heeft een eervolle vermelding gekregen bij de poëzievertaalwedstrijd die in 2016 georganiseerd werd door De Bibliotheek Huizen-Laren-Blaricum, i.s.m. Stichting Kunst en Cultuur Huizen, het Kunst- en Cultuurcafé Huizen en met steun van Flevo Boekhandel Huizen.
Informatie over de wedstrijd vindt u hier. Er waren 33 vertalers die een vertaling hadden ingezonden. Er waren twee prijzen en een eervolle vermelding.
De jury bestond uit Henk Aertsen, oud-docent Engelse Taal- en Letterkunde van de Middeleeuwen en oud-docent Literair Vertalen aan de VU, Wil Hordijk, oud-docent Engels en Culturele en kunstzinnige vorming aan het Erfgooiers College Huizen en schrijver, en Roxane van Iperen, jurist en dichter/schrijver.
De bekendmaking van de uitslag, de vertalingen die de eerste en tweede prijs hebben ontvangen, en het juryrapport vindt u hier.
Hier is een opname van Robert Frost zelf die het gedicht voordraagt.
Voordat ik met mijn vertaling voor de dag kom, moet ik allereerst vertellen dat ik een curieuze vergissing heb begaan. Ik had het gedicht van Frost gekopieerd van de bibliotheekwebsite en in mijn tekstverwerkingsprogramma (Word) geplakt, met weglating van de meegekopieerde HTML-opmaak. Bij het plakken waren ook de witregels die de strofescheiding markeren, verdwenen. Deze witregels voegde ik uiteraard vervolgens handmatig weer toe, en ik sloeg aan het vertalen. Maar ik had bij het toevoegen van de witregels per abuis vijf strofen van vier regels gecreëerd, in plaats van de originele vier strofen van vijf regels. Omdat ik me, mede als gevolg van die fout, ook nog een paar vrijheden met betrekking tot het rijmschema had veroorloofd, voldeed mijn vertaling niet helemaal aan de (gerechtvaardigde) vormeisen van de jury. Pas tijdens de prijsuitreiking werd mij duidelijk dat ik iets verkeerd had gedaan. En pas enige tijd na die uitreiking begon de akelige toedracht mij te dagen.
Bij het vertalen had ik overigens wel een paar keer de gedachte in me voelen opkomen dat Frost een merkwaardige strofe-indeling had gekozen, maar met de rotsvaste zekerheid die de ware broddelaar kenmerkt, had ik het niet nodig geoordeeld mijn kopie nog eens met de bron te vergelijken.
Gelukkig vond de jury de vertaling verder wel erg geslaagd.
Het moeilijkste bij de vertaling van dit gedicht is het aanbrengen van een natuurlijk ritme, de toepassing van een alledaagse woordkeus, en het herscheppen van een in vrij strakke versvorm gegoten parlando.
Dan nu mijn vertaling (met de foute witregels):
Het pad dat ik niet nam
In een geel bos gingen twee paden uiteen. Jammer dat ik ze niet allebei kon gaan, En als ondeelbare wandelaar bleef ik staan En keek een tijdlang waar er één,
Heel in de verte, in het lage groen verdween; Nam toen het tweede, dat als je het goed bekeek, Eigenlijk betere aanspraken had, Omdat het grazig was en ongerept leek.
Maar wat begaanbaarheid betreft, al snel bleek Dat ze elkaar niet veel ontliepen, dat Beide deze morgen waren bedekt met blad Waarop nog geen voetzool getreden had.
O, het eerste komt later aan de beurt! Maar wetend hoe onomkeerbaar paden zijn, Vroeg ik me af of ik het terug zou zien. Ooit zal ik dit vertellen, enigszins verscheurd,
Hoe ik tijden, tijden geleden heb gedwaald; Twee paden gingen in een bos uiteen, en ik – ik had Gekozen voor het minst gebaande pad, En dat heeft al wat volgde toen bepaald.
De avond waarop de prijzen werden uitgereikt (27 januari 2016), een speciale editie van het maandelijks kunstcafé Huizen, vond plaats in Theater De Boerderij in Huizen en was bijzonder onderhoudend. De organisatoren waren Thom Schuitemaker (Bibliotheek Huizen-Laren-Blaricum), die een beschouwing over Frosts gedicht had gemaakt en voorlas, Fransje Sydzes, actrice/voordrachtskunstenaar, Nol van Bennekom, oud-journalist, -redacteur en muzikant, en Frans R. Bianchi, voorzitter Stichting Kunst & Cultuur Huizen.
Maartje van Weegen presenteerde de avond, Fransje Sydzes en Ani Avramova traden samen op; Sydzes droeg gedichten voor (o.a. M. Vasalis, Remco Campert), Avramova omlijstte de voordracht met pianospel (Chopin), Joop Daalmeijer maakte met een smakelijk vertelde en voor mij niet geheel begrijpelijke anekdote de prijswinnaars bekend, en ten slotte zongen Joop Visser en Jessica van Noord een aantal soms dromerige, vaak sardonische en altijd vermakelijke liedjes.
Het was heel slecht weer die avond: het regende dat het goot, het woei zeer hard, de onverlichte snelweg lag op de terugweg vol met regenplassen, de strepen op de weg waren bijna niet te zien, er werd gewaarschuwd voor slipgevaar. U begrijpt dat ik met gevaar voor eigen leven de eervolle vermelding in ontvangst heb genomen:
Volgens de dichter J.C. Bloem zijn de twee grote verlangens in een mensenleven het verlangen naar liefde en het verlangen naar eer. Ik geloof wel dat dat waar is.
De prijs was een geschilderd portret van Adele door de de tekenaar/schilder Olaf Schouw. Een ensemble-foto van de prijsuitreiking vindt u hier. Ik sta als derde van links, tussen Wil Hordijk en Joop Daalmeijer, met het geschilderde portret van Adele in mijn handen.
De voor dit gedicht relevante passage uit het juryrapport luidde:
De eervolle vermelding gaat naar de inzender die in haar of zijn vertaling de structuur van het gedicht heeft aangepast, in plaats van vier strofen van vijf regels koos deze inzender voor vijf strofen van vier regels. Dat is de reden waarom de jury besloot hem of haar geen prijs maar een eervolle vermelding toe te kennen: tegenover de andere inzenders zou een prijstoekenning niet te rechtvaardigen en niet eerlijk zijn. Zijn of haar vertaling is heel poëtisch en ritmisch, leest makkelijk, kortom leest als een echt gedicht.
Foto van de prijsuitreiking (Ik sta met het portret van Adèle in mijn handen tussen Joop Daalmeijer en Wil Hordijk)
Origineel:
The Road Not Taken
Two roads diverged in a yellow wood, And sorry I could not travel both And be one traveler, long I stood And looked down one as far as I could To where it bent in the undergrowth;
Then took the other, as just as fair, And having perhaps the better claim, Because it was grassy and wanted wear; Though as for that the passing there Had worn them really about the same,
And both that morning equally lay In leaves no step had trodden black. Oh, I kept the first for another day! Yet knowing how way leads on to way, I doubted if I should ever come back.
I shall be telling this with a sigh Somewhere ages and ages hence: Two roads diverged in a wood, and I – I took the one less traveled by, And that has made all the difference.
In dit een-en-tachtigste sonnet van de beroemdste dichter uit het Engelse taalgebied, William Shakespeare (1564-1616), vindt een grappige omkering plaats: de dichter zal worden vergeten, maar de aanbedene zal altijd voortleven, dankzij het vers dat u bezig bent te lezen.
In werkelijkheid is het uiteraard andersom: we kennen wel Shakespeare – enigszins althans – maar naar de naam van de aanbedene wordt al eeuwenlang gegist.
Het is een Shakespeare-sonnet, en het wijkt dus af van het Italiaanse sonnet in de traditie van Petrarca. Een Shakespeare-sonnet heeft de wending of volta na de twaalfde regel, direct dus voorafgaand aan de afsluitende slotregels die de pointe bevatten.
Het gedicht verscheen in 1609 in een bundel van 154 sonnetten.
Dit gedicht behoeft eigenlijk geen toelichting.
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling:
Sonnet 81
Of ík leef nog, en zal jouw grafschrift schrijven, of jíj blijft hier, als ik voorgoed verdwijn. maar dan: jouw heugenis zal altijd blijven, van mij zal geen restant meer over zijn.
Jouw naam wacht roemrijk ‘t eind der tijden af, de mijne vindt beslist vergetelheid. De aarde biedt mij slechts een simpel graf, terwijl jij in ons hart wordt bijgezet.
Mijn teder vers is straks jouw monument, dat ongeschapen ogen ooit nog zullen lezen, en door de tong van straks niet wordt miskend, als ieder die nu ademt dood zal wezen.
Jij leeft nog voort, door wat mijn pen vermocht; waar adem is, troon jij op ieders ademtocht.
Zojuist (25-1-2016) tot mijn afgrijzen ontdekt dat mijn twaalfde regel identiek is aan de twaalfde regel in de (mooie) vertaling van Arie van der Krogt – een vertaling die verder gelukkig niet al te zeer op de mijne lijkt.
Sonnet 81
Or I shall live your epitaph to make,
Or you survive when I in earth am rotten.
From hence your memory death cannot take,
Although in me each part will be forgotten.
Your name from hence immortal life shall have,
Though I, once gone, to all the world must die.
The earth can yield me but a common grave
When you entombèd in men’s eyes shall lie.
Your monument shall be my gentle verse,
Which eyes not yet created shall o’er-read,
And tongues to be your being shall rehearse
When all the breathers of this world are dead.
You still shall live – such virtue hath my pen –
Where breath most breathes, even in the mouths of men.
[Aan deze vertaling wordt de komende dagen nog gewerkt.]
Dit is een vers waarin Walcott twijfelt aan zichzelf, een soort midlifecrisis. “It’s menopausal almost,” zei hij er later zelf van. Het is wel een vers dat karakteristiek is voor zijn werkwijze: een slechts door komma’s of puntkomma’s gepunctueerde, ononderbroken gedachtestroom, met een fraaie ontwikkeling erin en ook een soort pointe.
Eerst het Engels:
Nearing Forty
[for John Figueroa]
The irregular combination of fanciful invention may delight awhile by that novelty of which the common satiety of life sends us all in quest. But the pleasures of sudden wonder are soon exhausted and the mind can only repose on the stability of truth…
––SAMUEL JOHNSON
Insomniac since four, hearing this narrow,
rigidly metred, early-rising rain
recounting, as its coolness numbs the marrow,
that I am nearing forty, nearer the weak
vision thickening to a frosted pane,
nearer the day when I may judge my work
by the bleak modesty of middle age
as a false dawn, fireless and average,
which would be just, because your life bled for
the household truth, the style past metaphor
that finds its parallel however wretched
in simple, shining lines, in pages stretched
plain as a bleaching bedsheet under a guttering
rainspout; glad for the sputter
of occasional insight, you who foresaw
ambition as a searing meteor
will fumble a damp match and, smiling, settle
for the dry wheezing of a dented kettle,
for vision narrower than a louvre’s gap,
then, watching your leaves thin, recall how deep
prodigious cynicism plants its seed,
gauges our seasons by this year’s end rain
which, as greenhorns at school, we’d
call conventional for convectional;
or you will rise and set your lines to work
with sadder joy but steadier elation,
until the night when you can really sleep,
measuring how imagination
ebbs, conventional as any water clerk
who weighs the force of lightly falling rain,
which, as the new moon moves it, does its work
even when it seems to weep.
Dan de vertaling:
Bijna veertig
[Voor John Figueroa]
De grillige combinatie van vergezochte hersenspinsels kan ons een poos in verrukking brengen door de nieuwigheid waarnaar wij op zoek zijn als gevolg van onze oververzadiging met alledaagsheid. Maar het genoegen van de verbluftheid duurt niet lang en de geest kan slechts rust vinden in de bestendigheid van de waarheid…
––SAMUEL JOHNSON
Slapeloos sinds vieren, luisterend naar de dichte,
strikt-metrische, vroege-ochtendregen,
die aftelt, het merg verstijvend met zijn kilte,
dat ik bijna veertig ben, al dicht bij het slechte
zicht dat steeds diffuser wordt als matglas,
dichter bij de dag waarop ik mijn werk mag keuren
met de schrale kiesheid van een middelbare man,
als nooit ingeloste belofte, zonder pit en middelmatig,
wat wel kan kloppen, want je had je leven veil voor
de tegeltjeswijsheid, de stijl boven beeldspraak
die hoe dan ook een armzalige parallel vond
in simpele, oplichtende regels, op pagina’s
platgestreken als een gebleekt beddelaken onder een
neergutsende regenstraal; blij met het gespetter
van gelegenheidsvondstjes, was jij het die al bevroedde
dat ambitie als een verschroeide meteoor
zou prutsen met een natte lucifer, om, lachend, genoegen te nemen
met de piepende ademhaling van een gedeukte ketel,
met uitzicht smaller dan een louvre-luik,
om dan, jouw arme lommer ziende, te beseffen hoe diep
buitensporig cynisme zijn zaad plant,
het jaargetij toetsend aan deze eindejaarsregens,
die we, als groentjes op school, eerder
met conventie dan convectie zouden verbinden;
of je zult opstaan en zorgen dat je versregels hun werk doen
met droeviger vreugde maar gelijkmatiger vervoering,
totdat de nacht komt wanneer je echt niet slapen kan,
om vast te stellen hoe de verbeeldingskracht
wegebt, conventioneel als een doorsnee waterbeambte
die de kracht van de zachtjes neerdalende regen meet,
welke, door de nieuwe maan in gang gezet, haar werk doet
zelfs wanneer zij schijnt te huilen.
Aberdaron Church, de kerk waar Thomas van 1967-1978 dominee was (Wikimedia Commons)
Enkele jaren geleden kwam ik voor het eerst de naam Ronald Stuart Thomas tegen toen ik een bespreking van Thomas’ biografie las. De openingszin van dat stuk luidt: “I am not notably frivolous, but whenever I read R. S. Thomas’s poetry, or his biography, I cannot help but reflect that, like the majority of mankind, I have spent most of my life chasing false gods.“
De boekbespreking draagt als titel A Man Out of Time (City Journal, 6 nov 2006), en was geschreven door Theodore Dalrymple, een essayist die ik graag lees. Het gedicht No Time wordt erin geciteerd, evenals het gedicht A Marriage, dat ik al eerder vertaalde.
Ze liet me alleen. Van wie was die stem, kouder dan grafwind, die sprak “Het is voorbij”? Ongrijpbaar, onzichtbaar, komt ze nog bij me, zoals ze vaak deed, terwijl ik wat lees. Er is een beving van licht, als van een vogel die de zonnebaan kruist, en ik kijk op in herkenning van een afwezige aanwezigheid. Geen woord, geen geluid als ze haar gang gaat, maar een geur die blijft hangen, geur van de tijd die zichzelf offert in liefdesvuur.
Origineel:
No Time Uit: No Truce with the Furies (1995)
She left me. What voice colder than the wind out of the grave said: “It is over?” Impalpable, invisible, she comes to me still, as she would do, and I at my reading. There is a tremor of light, as of a bird crossing the sun’s path, and I look up in recognition of a presence in absence. Not a word, not a sound, as she goes her way, but a scent lingering which is that of time immolating itself in love’s fire.
De Amerikaanse dichter Robert Frost (1874-1963) behoeft eigenlijk geen introductie. Hij is veelvuldig gelauwerd, hij slaagt erin een snaar te raken bij iedere versgevoelige die hem leest, hij hanteert een eenvoudig idioom, hij is erg goed in spreektaal, hij is niet eenvoudig te plaatsen in levensbeschouwelijke of godsdienstige coördinatensystemen, maar hij heeft een duidelijke, zij het weinig orthodoxe, religieuze inslag.
De vorm van dit gedicht is vier terzines met een afsluitend distichon. Het metrum is een jambische vijfvoet, en het rijmschema volgt grotendeels de Danteske vorm van de terza rima.
Het gedicht behoeft weinig toelichting: het gaat om een eenzame nachtelijke wandelaar die niet alleen vertelt, maar bovendien ook levendig oproept dat de nacht en hij goede bekenden van elkaar zijn.
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling:
Vertrouwd met de nacht
Ik was met de nacht steeds innig vertrouwd. Ik was soms doorweekt, liep terug door de regen. Ik liep in het donker de stad uit, ‘t was koud.
Ik liep door duizend droeve stegen. Ik zag een stadswacht die z’n ronde deed, liep om, dan kwam ik hem niet tegen.
Ik hield mijn voetstap in, besefte ‘t leed van een gesmoorde kreet die hoorbaar klonk vanuit een straat welks naam ik steeds vergeet,
maar geen die groette of aandacht aan me schonk. Hoog boven mij werd ik nog overschouwd door een verlichte klok die als van gene zijde klonk,
die uitriep dat de tijd niet goed was en niet fout. Ik was met de nacht steeds innig vertrouwd.
Origineel:
Acquainted with the Night
I have been one acquainted with the night. I have walked out in rain—and back in rain. I have outwalked the furthest city light.
I have looked down the saddest city lane. I have passed by the watchman on his beat And dropped my eyes, unwilling to explain.
I have stood still and stopped the sound of feet When far away an interrupted cry Came over houses from another street
But not to call me back or say good-bye; And further still at an unearthly height One luminary clock against the sky
Proclaimed the time was neither wrong nor right. I have been one acquainted with the night.
Dit gedicht van W.H. Auden roept in korte beeldende strofen een beeld van verval en ondergang op. De rendieren in de slotstrofe werken daarom bijna als een deus ex machina.
Het gedicht is geschreven in 1947 – kort na de oorlog dus – en staat in de Collected Poems, p. 332-333.
Hier kunt u Auden beluisteren die het gedicht voordraagt.
Het gedicht werd gepubliceerd in 1947, en is te vinden in de Collected Poems op de pagina’s 332-333.
Vertaling:
DE ONDERGANG VAN ROME (Voor Cyril Connolly)
De pier voelt golven schuimend bonken; Regenval op braak terrein Geselt een verlaten trein; Schorem vult de bergspelonken.
Welig tiert de gala-kleding; Elke fiscus jaagt met zin Op fraudeurs die vluchten in Riolen van provincie-steden.
Riten vol privé-magie Wiegen zacht de tempelhoer; Elke literaat ontvoert Vriendjes in zijn fantasie.
Cato prijst cerebrotoon De Aloude Disciplines, Maar gespierde mariniers Muiten weer om drank en loon.
Caesars bijslaap heeft plezier, Als een laagbetaalde klerk Schrijft: IK HOUD NIET VAN MIJN WERK Op een rôze formulier.
Zonder welvaart en compassie, Broeden roodgepote sijsjes Teder op hun spikkeleitjes, Uitziend op een koortsig stadje.
Maar wat, ondanks alles, telt: Kudden rendierherten trekken Voort in goudbemoste verten, Rustig en verbazend snel.
Origineel:
THE FALL OF ROME (For Cyril Connolly)
The piers are pummelled by the waves; In a lonely field the rain Lashes an abandoned train; Outlaws fill the mountain caves.
Fantastic grow the evening gowns; Agents of the Fisc pursue Absconding tax-defaulters through The sewers of provincial towns.
Private rites of magic send The temple prostitutes to sleep; All the literati keep An imaginary friend.
Cerebrotonic Cato may Extol the Ancient Disciplines, But the muscle-bound Marines Mutiny for food and pay.
Caesar’s double-bed is warm As an unimportant clerk Writes I DO NOT LIKE MY WORK On a pink official form.
Unendowed with wealth or pity, Little birds with scarlet legs, Sitting on their speckled eggs, Eye each flu-infected city.
Altogether elsewhere, vast Herds of reindeer move across Miles and miles of golden moss, Silently and very fast.
Polen, parade voor Adolf Hitler (1939), overgenomen van Wikimedia Commons
Het gedicht September 1, 1939 werd door Auden geschreven bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. De titel is de datum waarop Hitlers Duitsland Polen binnen viel. Auden bevond zich toen, net als de ik-figuur in het gedicht, in New York. Het gedicht werd al snel erg populair. Ook na de aanslagen op de Twin Towers in 2001 werd het gedicht veel geciteerd. De symboliek van wolkenkrabbers, waarvoor kennelijk ook de zelfmoordterroristen gevoelig waren, is een van de motieven in dit gedicht.
Maar de weerklank die het vindt, betekent nog niet dat het een “politiek gedicht” is, zoals vaak is betoogd. Ik zou niet weten wat dat is, een ‘politiek gedicht’.
De beroemdste zinnen – “We must love one another or die” – waren voor Auden in een later stadium van zijn dichterschap aanleiding om het gedicht als onwaarachtig te verwerpen. We moeten immers sowieso sterven. In het algemeen vond Auden dat de retoriek met hem aan de haal was gegaan, in plaats van andersom, reden waarom hij herdrukken ervan tegen hield. Veel critici vinden dit moeilijk te verteren, maar helemaal onbegrijpelijk is het niet: de slotzinnen van diverse strofen klinken bijzonder sonoor, maar ze ronken toch ook wel een beetje. Ook is voor mijn gevoel de in het gedicht geconstrueerde tegenstelling tussen een alomvattende liefde, die goed is, en een exclusieve liefde, die verkeerd is, wel heel erg idealistisch als de eraan gehechte waardeoordelen zonder meer worden toegepast op de gehele mensheid. Het is een paulinisch idealisme waarop ook het katholieke priestercelibaat is gebaseerd. De apostel Paulus zegt in 1 Kor. 7:7 : “Ik zou wel willen, dat alle mensen waren, zoals ikzelf [dat wil zeggen: ongehuwd, AS].” Enfin, ik heb erg mijn best gedaan om ook de welluidende retoriek netjes te vertalen.
De slotstrofe van het gedicht is geïnspireerd door E.M. Forster die in zijn essay uit 1938, What I Believe, schreef (hij benadrukte het belang van persoonlijke relaties boven de grote ideologische en nationale doeleinden):
And one can, at all events, show one’s own little light here, one’s own poor little trembling flame, with the knowledge that it is not the only light that is shining in the darkness, and not the only one which the darkness does not comprehend.
En even verderop:
It is a humiliating outlook – though the greater the darkness, the brighter shine the little lights, reassuring one another, signalling: “Well, at all events, I ‘m still here. I don’ t like it very much, but how are you ?” Unquenchable lights of my aristocracy! Signals of the invincible army ! “Come along – anyway, let’s have a good time while we can. “I think they signal that too.
Forster en Auden kenden elkaar, en Forster bewonderde Auden ook in sommige opzichten: “Because he once wrote ‘We must love one another or die’ he can command me to follow him.“
Joseph Brodsky wijdde een 53 pagina’s tellende beschouwing aan dit gedicht, dat gepubliceerd werd in zijn essaybundel Less than One (1985), vertaald als Tussen iemand en niemand (vertaling: Frans Kellendonk en Kees Verheul, 1987).
Het gedicht voldoet aan een door de jonge Auden geciteerde definitie van poëzie: “Memorable Speech”. Ik ken het gedicht al sinds mijn studietijd – jaren tachtig van de 20e eeuw – uit mijn hoofd.
52d Street was de Jazz-straat van de wereld. De bijgaande foto is uit 1948 en de fotograaf is William P. Gottlieb.
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling:
1 september 1939
Ik zit in één van de bars Van Fifty-second Street, Onzeker en ook bang, Nu de vernuftige hoop vervliegt Van een laag en vals decennium: Golven van woede en angst Gaan rond over de verlichte En verduisterde streken der aarde, En houden ons in hun ban; Het onzegbare bouquet van de dood Schendt de septembernacht.
Trefzekere geleerdheid kan Het hele misdrijf opdelven, Dat een cultuur al sinds Luther In waanzin heeft gestort, Nagaan wat er voorviel in Linz, Welk kolossaal imago Een geesteszieke god schiep: U en ik, wij weten – Elk kind leert dat al vlug – Wie kwaad moet ondergaan, Betaalt met kwaad terug.
Verbannen Thucidides wist Wat een toespraak zeggen kon Over Democratie, En wat dictators doen, Hun oudemannengezever, Gericht tot een apathisch graf, Ontleedde het in zijn boek: De verdreven Verlichting, De verslavende pijn, Wanbeleid en verdriet: Het overstelpt ons nu opnieuw.
In deze neutrale lucht, Waar wolkenkrabbers blind De kracht van het Collectief In volle omvang proclameren, Schenkt elke taal om strijd Zijn scheut met loze praat: Maar wie houdt het lang vol In een euforische droom; Uit de spiegel staren ze ons aan: Het imperialistische gelaat, En de internationale doem.
Koppen aan de bar Hangen aan hun doorsneedag: Licht mag niet uitgaan, Muziek moet blijven spelen; Alle mores spannen samen Om dit fort te laten lijken Op het meubilair van thuis. We zouden eens zien waar we zijn, Verdwaald in een behekst woud, Kinderen, bang in het donker, Nooit gelukkig geweest, of goed.
De holste militante wartaal Die prominenten uitslaan, Verbleekt bij onze aandriften: Wat de gestoorde Nijinsky Schreef over Djagilev, Geldt voor ieder mensenhart, Want de weeffout in het wezen Van elke man en vrouw Doet knielen voor een valse god: Geen liefde die het al omvat, Maar liefde alleen voor jou.
Uit het conservatieve donker Trekken de drommen forenzen Het ethische domein binnen, Hun ochtendgelofte prevelend: “Trouw zal ik zijn aan mijn vrouw, Mijn best ga ik doen op mijn werk.” Hulpeloze bestuurders staan op En vervolgen obligaat hun spel: Wie kan hen nu bevrijden, Wie bereikt nog de doven, Wie spreekt voor sprakelozen?
Ik heb alleen een stem Om de leugenstrik te ontwarren, De romantische leugen in de geest Van de zinnelijke Gewone Man, En de leugen van het Gezag Wiens gebouwen de hemel kerven: Iets als de Staat bestaat niet, En niemand leeft alleen; Honger laat geen keus Aan burger of agent; We moeten liefhebben, of sterven.
Weerloos in de zwarte nacht Ligt onze wereld uitgeteld; Toch pinken overal Ironische lichtpuntjes Die doven als de Oprechten Van gedachten wisselen. Misschien mag ik, die net als zij Gevormd is uit Eros en stof, Die net zo belaagd wordt Door ontkenning en wanhoop, Een beamende vlam tonen.
Origineel:
September 1, 1939
I sit in one of the dives On Fifty-second Street Uncertain and afraid As the clever hopes expire Of a low dishonest decade: Waves of anger and fear Circulate over the bright And darkened lands of the earth, Obsessing our private lives; The unmentionable odour of death Offends the September night.
Accurate scholarship can Unearth the whole offence From Luther until now That has driven a culture mad, Find what occurred at Linz, What huge imago made A psychopathic god: I and the public know What all schoolchildren learn, Those to whom evil is done Do evil in return.
Exiled Thucydides knew All that a speech can say About Democracy, And what dictators do, The elderly rubbish they talk To an apathetic grave; Analysed all in his book, The enlightenment driven away, The habit-forming pain, Mismanagement and grief: We must suffer them all again.
Into this neutral air Where blind skyscrapers use Their full height to proclaim The strength of Collective Man, Each language pours its vain Competitive excuse: But who can live for long In an euphoric dream; Out of the mirror they stare, Imperialism’s face And the international wrong.
Faces along the bar Cling to their average day: The lights must never go out, The music must always play, All the conventions conspire To make this fort assume The furniture of home; Lest we should see where we are, Lost in a haunted wood, Children afraid of the night Who have never been happy or good.
The windiest militant trash Important Persons shout Is not so crude as our wish: What mad Nijinsky wrote About Diaghilev Is true of the normal heart; For the error bred in the bone Of each woman and each man Craves what it cannot have, Not universal love But to be loved alone.
From the conservative dark Into the ethical life The dense commuters come, Repeating their morning vow; “I will be true to the wife, I’ll concentrate more on my work,” And helpless governors wake To resume their compulsory game: Who can release them now, Who can reach the deaf, Who can speak for the dumb?
All I have is a voice To undo the folded lie, The romantic lie in the brain Of the sensual man-in-the-street And the lie of Authority Whose buildings grope the sky: There is no such thing as the State And no one exists alone; Hunger allows no choice To the citizen or the police; We must love one another or die.
Defenceless under the night Our world in stupor lies; Yet, dotted everywhere, Ironic points of light Flash out wherever the Just Exchange their messages: May I, composed like them Of Eros and of dust, Beleaguered by the same Negation and despair, Show an affirming flame.
De dichter Wystan Hugh Auden (1907-1973) is een van de grootste twintigste-eeuwse dichters in het Engelse taalgebied. Hij stamde uit een anglicaans middle class milieu (Church of England), studeerde in Oxford, was openlijk homoseksueel, werd al snel de centrale figuur van een groep dichters in de jaren dertig – Louis MacNeice, Stephen Spender, Christopher Isherwood, John Betjeman – was zich al vroeg bewust van zijn dichterlijke roeping, gebruikte Freud in zijn beginjaren, Marx in de jaren die erop volgden, en keerde op middelbare leeftijd terug naar de christelijke levensovertuiging waarmee hij was opgegroeid.
Het gedicht Funeral Blues is misschien wel het beroemdste gedicht van W.H. Auden. Het dankt zijn bekendheid bij het grote publiek aan de centrale plaats die het had in de film Four Weddings and a Funeral, een Britse romantische tragikomedie uit 1994 onder regie van Mike Newell.
Het gedicht werd voor het eerst gepubliceerd in 1936 in een vorm die sterk afweek van de vorm waaronder het bekend is geworden. Het maakte aanvankelijk deel uit van The Ascent of F6 (De beklimming van de F6), een toneelstuk in verzen van Auden en Christopher Isherwood. Het gedicht in de ons meest bekende vorm is voor het eerst gepubliceerd in Denys Kilham Roberts & Geoffrey Grigson (red.), The Year’s Poetry,1938 (Londen: John Lane at the Bodley Head, 1938), en later opgenomen in Audens bundel Another Time (1940). Benjamin Britten heeft het vers op muziek gezet, als één van de Cabaret Songs; het ishier te beluisteren.
Funeral Blues is opgetrokken uit hyperbolen (overdrijvingen) en is hier en daar grotesk, kenmerken die het gedicht effectief benut om groot verdriet op te roepen. Misschien is elke geslaagde evocatie van sterke emotie wel een beetje cabaretesk.
Mij persoonlijk ontroert dit gedicht niet heel erg – het is me iets te theatraal – maar het is wel prachtig uitgevoerd natuurlijk.
Het is al vaak vertaald, bijvoorbeeld mooi door Willem Wilmink.
De slotstrofe luidt bij Wilmink:
Laat in de sterren kortsluiting ontstaan, maak ook de zon onklaar. Begraaf de maan Giet leeg die oceaan en kap het woud: niets deugt meer, nu hij niet meer van me houdt.
De laatste regel van Wilminks vertaling doet voor mijn gevoel afbreuk aan de strekking – natuurlijk is ook doodgaan een vorm van verlaten, maar de zinsnede ‘nu hij niet meer van me houdt’ geeft toch een averechts effect.
Sterren zijn overbodig, doof ze stuk voor stuk; Pak de maan in, blus de zon van ons geluk; Maai weg het woud, leg droog de oceaan. Want niets meer komt er ooit nog goed voortaan.
In Schulte Nordholts slotstrofe treft mij de zin “blus de zon van ons geluk” als minder gelukkig. Het doel is niet dat ‘de zon van ons geluk’ wordt geblust, maar de zon zelf.
Enfin, Funeral Blues wordt zo vaak geciteerd dat je er soms een beetje misselijk van wordt, net als van Mozarts Eine kleine Nachtmusik. Maar ik ben geen snob.
——————————————————————————————————————————-
Geluidsopname:
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Hier kunt u de voordracht van het oorspronkelijke gedicht in het Engels beluisteren (vier verschillende stemmen), met een fraai filmpje waarbij je Auden ziet lopen rondom zijn huisje in het Oostenrijkse Kirchstetten met een tas in zijn hand op weg naar de Volkswagen Kever waarmee hij uiteindelijk wegrijdt. Ik denk dat de tweede strofe wordt voorgedragen door Auden zelf.
——————————————————————————————————————————-
Vertaling:
Begrafenisblues
Weg met die klokken, gooi dat toestel kapot, breng de hond tot zwijgen met een smakelijk bot, demp de piano’s, begeleid met doffe trom de treurenden, zeg tot de kist slechts: Kom!
Huur zeurende vliegtuigjes boven ons hoofd, die aan de hemel schrijven: Hij is dood. Geef aan de duif een kraag van crêpepapier, een zwarte pet aan dienders in ‘t verkeer.
Hij was mijn Noord, mijn Zuid, mijn Oost en West, mijn werkweek, weekend en mijn warme nest, mijn dag, mijn nacht, mijn kletspraat en betekenis; ik dacht dat liefde eeuwig was – ik had het mis.
Sterren verdwijn, doof ze zonder pardon, vaag weg die maan, ontmantel de zon, giet zeeën maar leeg, stamp ’t oerwoud fijn. Want nooit kan iets nog mooi of zinrijk zijn.
Origineel:
Funeral Blues
Stop all the clocks, cut off the telephone, Prevent the dog from barking with a juicy bone, Silence the pianos and with muffled drum Bring out the coffin, let the mourners come.
Let aeroplanes circle moaning overhead Scribbling on the sky the message He Is Dead, Put crêpe bows round the white necks of the public doves, Let the traffic policemen wear black cotton gloves.
He was my North, my South, my East and West, My working week and my Sunday rest, My noon, my midnight, my talk, my song; I thought that love would last for ever: I was wrong.
The stars are not wanted now: put out every one; Pack up the moon and dismantle the sun; Pour away the ocean and sweep up the wood. For nothing now can ever come to any good.
De dichter Wystan Hugh Auden (1907-1973) groeide op in Engeland, ging vlak voor de Tweede Wereldoorlog naar Amerika, ontving zijn opvoeding in een Anglicaans gezin, hield aanvankelijk van Freud, een tijdje halfhartig van Marx, keerde gerijpt terug naar het geloof van zijn jeugd, schreef gedichten, libretti en toneelteksten, en wordt veelal beschouwd als een van de grootste Engelse dichters in de twintigste eeuw.
Wie meer wil weten over Auden kan elders op mijn website terecht. Ik houd veel van zijn werk en heb al aardig wat vertalingen van zijn gedichten gemaakt. Peter Verstegen – een gelauwerd vertaler – heeft in De Tweede Ronde (jrg. 3, 1982) een informatief Ten Geleide bij een aantal Auden-vertalingen gepubliceerd. Het stuk bevat in een notendop Audens intellectuele en dichterlijke ontwikkeling.
De slotzin van het onderhavige gedicht is een omkering van een vrij bekende zin die de Amerikaanse historicus John Lothrop Motley schreef in zijn boek The Rise of the Dutch Republic (1856): “As long as he lived, he was the guiding-star of a whole brave nation, and when he died the little children cried in the streets.” Deze zin heeft betrekking op Willem van Oranje. Zie: Elizabeth Knowles, What They Didn’t Say: A Book of Misquotations (2006, onder: When he died the little children cried in the streets).
De omkering van Motley’s enigszins kwezelachtige, hagiografische zin, heeft een heel sterk effect: opeens besef je waar al die nog redelijk gewoon klinkende constateringen over de tiran toe kunnen leiden.
Hier is een geluidsopname van W.H. Auden die dit gedicht voordraagt.
En hier is mijn voordracht van de vertaling:
Arie Sonneveld – geluidsopname van de vertaling
Vertaling:
Grafschrift voor een tiran
Een soort van volmaaktheid, was wat hij najoeg, En de verzen die hij bedacht waren eenvoudig genoeg; Hij kende onze dwaasheid als de zak van zijn broek, En was hogelijk geïnteresseerd in vloten en soldaten; Als hij lachte, brulden achtenswaardige senatoren van de lach, En als hij huilde, stierven de jonge kinderen in de straten.
Origineel:
Epitaph on a Tyrant
Perfection, of a kind, was what he was after, And the poetry he invented was easy to understand; He knew human folly like the back of his hand, And was greatly interested in armies and fleets; When he laughed, respectable senators burst with laughter, And when he cried the little children died in the streets.
Nu ik, door lot en medemens veracht,
Mijn uitgestotenheid beween in eenzaamheid,
Een dove hemel hinder met mijn loze klacht,
Mijn lot vervloek, bedroefd door zelfverwijt
Verlang te zijn als wie nog toekomst heeft,
Als één die door zijn vrienden wordt geprezen
Om zijn talent en het gemak waarmee hij leeft,
Met wat hij ’t meest bemint het allerminst tevreden,
Toch stijgt, als ik soms denk aan uw beminde lach,
Mijn door gekweld getob bezwaard gemoed,
Als de leeuwerik omhoog, die bij het krieken van de dag
uit norse sluimering, jubelend de hemel groet.
Uw liefde zingt in zulke zoete jubeltonen
Dat ik mijn staat niet ruilen wil met die van godenzonen.
Origineel:
When, in disgrace with Fortune and men’s eyes,
I all alone beweep my outcast state,
And trouble deaf heaven with my bootless cries,
And look upon myself and curse my fate,
Wishing me like to one more rich in hope,
Featured like him, like him with friends possessed,
Desiring this man’s art and that man’s scope,
With what I most enjoy contented least:
Yet in these thoughts myself almost despising,
Haply I think on thee, and then my state,
Like to the lark at break of day arising
From sullen earth, sings hymns at heaven’s gate;
For thy sweet love remembered such wealth brings
That then I scorn to change my state with kings’.
In 1946 – vlak na de oorlog dus – was Wystan Hugh Auden de Phi Beta Kappa-dichter aan de Harvard-universiteit. Hij droeg er het gedicht Under Which Lyre voor, met als ondertitel A Reactionary Tract For The Times. Een korte bespreking van de ontstaansgeschiedenis is te vinden in Adam Kirsch, A Poet’s Warning, Harvard Magazine, nov-dec 2007.
Het is een spits en geestig gedicht waarin Apollinische pompeusheid, humorloosheid en cynisch najagen van eigenbelang wordt gecontrasteerd met gebrek aan discipline, vroegrijpheid en bohemien-gedrag, zoals belichaamd door Hermes. Het gedicht eindigt met een grappige Hermetische dekaloog (Tien geboden).
Kiest u zelf bij welke lier de muziek u het beste bevalt.
Hier hoort u de stem van W.H. Auden zelf die zijn gedicht met verve voordraagt.
Geluidsopname van de vertaling
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling:
BIJ WELKE LIER Een reactionaire tijdrede (Phi Beta Kappa-gedicht, Harvard, 1946)
Ares staakt eindelijk de strijd; Van struiken druipt nog lange tijd Vergoten bloed, En de in puin geschoten steden Herrijzen weer en baden vredig In zomergloed.
Op ieder campusplein verschenen Ruige veteranen die weer trainen Als corps-novieten; Instructeurs met wrange spot Geven groentjes toegang tot De vakgebieden.
Ze bestormen de kronkeltrappen Van kunsten en van wetenschappen, Of hangen er rond, En zenuwen, gestaald tot moorden, Worden kapotgeschoten door de Verzen van Donne.
Beroofd van oorlogsprivileges Geeft de professor weer college, Maar soms met spijt; Zijn dictafoon beviel hem goed, Hij heeft beroemdheden ontmoet En wil dat kwijt.
Maar onnavolgbaar als zovaak Zendt Zeus de wil-tot-tegenspraak Als pandemie; Hij dwingt de vaudeville tot preken En wie een feestwoord uit moet spreken Tot polemiek.
Laat Ares soezen, deze slag Gaat altijd door, want elke dag Geeft ons te zien De danser naar Apollo’s pijpen En hem die Hermes, de vroegrijpe, Probleemloos dient.
Onsterfelijken zaaiden gaarne Verderf en dood op Midden-aarde; Hun nooit verjaard Besef van haat krijgt elk geslacht, Elk mensentype in zijn macht: De tweedejaars
Die lacht om al wat somber is Of doet alsof hij Cortez is (De prairie-heerser), En zij die, net als ik, verbleken, Als ze een keel opzetten tegen Hun jaren veertig.
Door een Olympisch Vuur verhit, Hoewel men samen lacht en bidt, Maar on-klassieker, Voltrekken burgergoden even Gemeen hun dialectisch streven, Maar fanatieker.
De Hermes-zonen spelen graag, Doen slechts hun best als men hen vraagt Kalmaan te doen; Apollo’s nakroost zwoegt met vlijt En is tot slavendienst bereid Om het fatsoen.
Een vredesmissie is in deze Verbondenheid door antithese Gedoemd tot flop; Respect misschien maar vriendschap nooit: Falstaff de dwaas strijdt meer dan ooit Met Hal de snob.
Liet hij zijn Ik nu maar alleen, Apollo kreeg de troon meteen, Fasces en valken; Hij zit daar graag, is het gewend; ’t Zou hier met Hermes als regent Zijn als de Balkan.
Jaloers op onze god der dromen Tracht hij met list omhoog te komen In onze gunst; Onthand met lier en partituur, Schept hij met imitatievuur Subsidiekunst.
Als hij de baas is op de faculteit, Wordt Waarheid snel Doelmatigheid; PR en Sport Vult menig kern-curriculum; Hij zorgt dat ieder practicum Commercie wordt.
Atletisch, extravert en ruw Geeft hij wie eenzaam is en schuw Geen schijn van kans; Het doel: een dichtbevolkt Nirwana; Zijn schild draagt dit devies: Mens Sana Qui mal y pense.
Zijn vaandels zijn van goudbrokaat; Triomfen viert hij inderdaad, Van Links tot Rechts, Van Yale tot Princeton, en het nieuws Van Broadway tot de Book Reviews Geeft niets dan slechts.
Zijn radio galmt homerisch voort, Niet door besef van maat gestoord (Pastiche van Whitman); Vol adjectieven is zijn taal Om doughnut of om Jan Modaal Flink te aanbidden.
Van hem is ook de huislyriek Op huwelijk, hond of hosmuziek, Op zweet of zwoerd, Verzonnen door een hoofse bard Wiens ellenlange rijm verward Obstructie voert.
Zo gaan naar hem de feest-oraties En series fuga-variaties Op volksballaden; Dieet-experts plengen een glas Met pruimensap of kalebas Met snoepsalade.
Hij is als sensatie-zuchtige Verzot op seks en vluchtige Godsdienstigheid; Een stortbui van romans belooft (Neerplenzend op ons weerloos hoofd) Een griezeltijd.
Voorts tracht hij in het Hermes-kamp Met vals tuniek en hoefgestamp Een wig te drijven; Het gonst van existentialisten Die ieder elke hoop betwisten, Maar blijven schrijven.
Geeft niks, want winnen zal hij niet; Wij krijgen steun van Aphrodite! Maar wat gedaan Als zijn regiem verhardt? Wij zullen, Bij Zeus, als politieke nullen, Hem toch verslaan.
Geleerden, schietend uit de muren Van tijdschriften met veel allure, Staan voor de feiten; Ons keurkorps intellectuelen Bestormt de magazine-burelen Om trends te grijpen.
’s Nachts smoest de zelfkant-avantgarde Op feestjes over ons verstarde Establishment; Des ochtends stort een groot notabele Terneer, geveld door een capabele Verbale stunt.
Moreel herstel vormt onze kracht, Opdat ons straks het schouwspel wacht Van ’s vijands vlucht: Apollo’s heir raakt in paniek. De dekaloog der Hermetiek Wordt nu Uw tucht:──
Gij zult professors nimmer vleien, Noch in uw proefschrift-schrijverijen Opvoedend praten; Gij zult projecten niet aanbidden, Noch onderdanig zijn temidden Der bureaucraten.
Tegen enquêtes zegt gij nee; Aan quizzen doet gij nimmer mee; Niet uit gemak Zult gij een test doen; vormt geen span Met statistici; hebt afschuw van Elk socio-vak.
Gij zult u niet vertonen samen Met snelle jongens in reclame, Noch blij verrast De bijbel lezen om zijn spraak, Noch vrijen met wie zich te vaak en grondig wast.
Uw grenzen houden u niet tegen; Versmaadt vlak water, kalme wegen; Als het mag zijn, Kiest wat u hoon oplevert, spot; Leest The New Yorker; hoopt op God; En hou het klein.
Origineel:
UNDER WHICH LYRE A Reactionary Tract for the Times (Phi Beta Kappa Poem, Harvard, 1946, Collected Poems, pag. 335-339)
Ares at last has quit the field, The bloodstains on the bushes yield To seeping showers, And in their convalescent state The fractured towns associate With summer flowers.
Encamped upon the college plain Raw veterans already train As freshman forces; Instructors with sarcastic tongue Shepherd the battle-weary young Through basic courses.
Among bewildering appliances For mastering the arts and sciences They stroll or run, And nerves that steeled themselves to slaughter Are shot to pieces by the shorter Poems of Donne.
Professors back from secret missions Resume their proper eruditions, Though some regret it; They liked their dictophones a lot, They met some big wheels, and do not Let you forget it.
But Zeus’ inscrutable decree Permits the will-to-disagree To be pandemic, Ordains that vaudeville shall preach And every commencement speech Be a polemic.
Let Ares doze, that other war Is instantly declared once more ‘Twixt those who follow Precocious Hermes all the way And those who without qualms obey Pompous Apollo.
What high immortals do in mirth Is life and death in Middle-Earth; Their a-historic Antipathy forever gripes All ages and somatic types, The sophomoric
Who face the future’s darkest hints With giggles or with prairie squints As stout as Cortez, And those who like myself turn pale As we approach with ragged sail The fattening forties.
Brutal like all Olympic games, Though fought with smiles and Christian names And less dramatic, This dialectic strife between The civil gods is just as mean, And more fanatic.
The sons of Hermes love to play, And only do their best when they Are told they oughtn’t; Apollo’s children never shrink From boring jobs but have to think Their work important.
Related by antithesis A compromise between us is Impossible; Respect perhaps but friendship never: Falstaff the fool confronts forever The prig Prince Hal.
If he would leave the self alone, Apollo’s welcome to the throne, Fasces and falcons; He loves to rule, has always done it; The earth would soon, did Hermes run it, Be like the Balkans.
But jealous of our god of dreams, His common sense in secret schemes To rule the heart; Unable to invent the lyre, Creates with simulated fire Official art.
And when he occupies a college, Truth is replaced by Useful Knowledge; He pays particular Attention to Commercial Thought, Public Relations, Hygiene, Sport, In his curricula.
Athletic, extravert and crude, For him to work in solitude Is the offence, The goal a populous Nirvana: His shield bears this device: Mens Sana Qui mal y pense.
Today his arms we must confess From Right to Left have met success, His banners wave From Yale to Princeton, and the news From Broadway to the Book Reviews Is very grave.
His radio homers all day long In over-Whitmanated song That does not scan, With adjectives laid end to end, Extol the doughnut and commend The Comman Man.
His, too, each homely lyric thing On sport or spousal love or spring Or dogs or dusters, Invented by some courthouse bard For recitation by the yard In filibusters.
To him ascend the prize orations And sets of fugal variations On some folk ballad, While dietitians sacrifice A glass of prune-juice or a nice Marsh-mallow salad.
Charged with his compound of sensational Sex plus some undenominational Religious matter, Enormous novels by co-eds Rain down on our defenceless heads Till our teeth chatter.
In fake Hermetic uniforms Behind our battle lines, in swarms That keep alighting, His existentialists declare That they are in complete despair, Yet go on writing.
No matter; He shall be defied; White Aphrodite is on our side: What though his threat To organize us grow more critical? Zeus willing, we, the unpolitical, Shall beat him yet.
Lone scholars, sniping from the walls Of learned periodicals, Our facts defend, Our intellectual marines, Landing in little magazines Capture a trend.
By night our student Underground At cocktail parties whisper round From ear to ear; Fat figures in the public eye Collapse next morning, ambushed by Some witty sneer.
In our morale must lie our strength: So that we may behold at length Routed Apollo’s Batallions melt away like fog, Keep well the Hermetic Decalogue, Which runs as follows:──
Thou shalt not do as the dean pleases, Thou shalt not write thy doctor’s thesis On education, Thou shalt not worship projects nor Shalt thou or thine bow down before Administration.
Thou shalt not answer questionnaires Or quizzes upon World-Affairs, Nor with compliance Take any test. Thou shalt not sit With statisticians nor commit A social science.
Thou shalt not be on friendly terms With guys in advertising firms, Nor speak with such As read the Bible for its prose, Nor, above all, make love to those Who wash too much.
Thou shalt not live within thy means Nor on plain water or raw greens. If thou must choose Between the chances, choose the odd: Read The New Yorker, trust in God; And take short views.
The breezy call of incense-breathing Morn,
The swallow twitt’ring from the straw-built shed,
The cock’s shrill clarion, or the echoing horn,
No more shall rouse them from their lowly bed.