Tagarchief: H.C. Rümke

2. JHvdB – Jan Hendrik van den Berg – jeugd, carrière en schrijverschap

Dit is het tweede deel in een reeks beschouwingen over de metableticus Jan Hendrik van den Berg. Het behandelt beknopt zijn levensloop: jeugd, academische carrière en schrijverschap.

  1. JHvdB – Jan Hendrik van den Berg: wegbereider van een radicaal conservatisme (link)
  2. JHvdB – Jan Hendrik van den Berg – jeugd, carrière en schrijverschap
  3. JHvdB – Leermeester Rümke en de Utrechtse School (link)
  4. JHvdB – Internationale contacten: Heidegger, Lacan, Bachelard (link)
  5. JHvdB – Opkomst en ondergang van een echte schrijver (link)
  6. JHvdB – Geestdrift en wetenschap: de betekenis van de roes (link)
  7. JHvdB – Metabletica – een vorm van historische fenomenologie (link)
  8. JHvdB – Rebellie: euthanasie, apartheid, racisme, christendom (link)
  9. JHvdB – Paradoxaal conservatisme (link)
  10. JHvdB – Slotbeschouwing (link)
  11. JHvdB – Bronnen (link)
Jan Hendrik van den Berg. Foto: Wim van Vossen sr.

In 2002 publiceerde de Rotterdamse hoogleraar en rector van de Erasmus School of Philosophy Hub Zwart een boek dat geheel aan leven en werk van Van den Berg is gewijd: Boude bewoordingen. De historische fenomenologie (‘metabletica’) van Jan Hendrik van den Berg. Het is geen biografie in de geijkte zin, maar het verschaft ruimschoots biografische informatie. Ook heeft Zwart kennelijk het vertrouwen van Van den Berg weten te winnen.

Boude bewoordingen is een intellectuele biografie: de wereld van gedachte en gemoed worden in hun samenhang en ontwikkeling vanuit verschillende invalshoeken belicht en besproken. Zwart was geïntrigeerd geraakt door de kloof tussen de aanhoudende buitenlandse belangstelling voor de metabletica en de relatieve inheemse vergetelheid waarin de latere Van den Berg was verzonken. Hij noemt hem ergens ‘de grootste Nederlandse filosoof’ (van zijn tijd).

Er zijn meer bronnen voor Van den Bergs levensloop: interviews natuurlijk, gepubliceerde briefwisselingen en ook besprekingen van zijn levenswerk. Maar ook verder heeft hij zich niet onbetuigd gelaten: in zijn latere werk geeft hij vaak biografische informatie, bijvoorbeeld in het Woord vooraf in zijn Koude rillingen over de rug van Charles Darwin (1981), De kop van de Bromvlieg (2001), Geen toeval (1996), Op het scherp van de snede, waarvan de ondertitel veelzeggend luidt: Memoires van een gewraakt schrijver (2013). Ook is hij als fenomenoloog –  een wetenschapsman dus voor wie het subjectieve nadrukkelijk medebepalend is voor de resultaten van het onderzoek – nooit geheel afwezig in zijn werk.

Hub Zwart leest Metabletica van Jan Hendrik van den Berg. Foto RD, Henk Visscher

Jan Hendrik van den Berg heeft bijna een volle eeuw geleefd: hij werd in 1914 in Deventer geboren en overleed in 2012 in Gorinchem. Hij groeide ook op in Deventer, als jongste van twee broers. Het landschap van zijn jeugdige ontdekkingstochten was een waterwingebied dat hij als een ‘dorado’ beleefde. Hij raakte verrukt van de natuur, ontwikkelde een grote liefde voor insecten, en raakte gefascineerd door het wonderbaarlijke van de natuurlijke historiën. Ook zijn moeder was een natuurliefhebster die tevens graag literaire boeken las, zoals de Max Havelaar en Woutertje Pieterse. Zijn vader was natuurwetenschappelijk geïnteresseerd en nam hem mee naar kloosters. Hij leek uiterlijk het meest op zijn moeder.

Het milieu waarin hij opgroeide kan getypeerd worden als idealistisch en sociaaldemocratisch met veel aandacht voor verheven cultuur. Er was begrip en aandacht voor een enigszins christelijke spiritualiteit, zonder dat de ouders naar de kerk gingen. Ze waren beiden wel van Nederlands-Hervormde afkomst. Er was geen bezwaar tegen de kerkgang waarvoor de jonge Van den Berg soms koos. Hij werd bekoord door de stilte, het ritueel en de mystiek, en ook door de kerkelijke aandacht voor het woord.

Om zijn studie geneeskunde (1936-1946) te bekostigen wordt hij wiskundeleraar. Over zijn studie schrijft Hub Zwart (Boude bewoordingen, p. 18): “Bij zijn eerste kennismaking met de geneeskunde wordt hij vooral getroffen door het romantisch-mysterieuze aspect ervan: het mysterie van het leven, de eerbied voor het lijk in de snijzaal, de highlights uit de geschiedenis van het vak.” Maar het klinische werk ligt hem minder – hij vindt het fysieke contact onprettig, vooral met vrouwelijke patiënten – en hij kiest voor psychiatrie. Zijn leermeester wordt de fenomenologische psychiater Henricus Cornelis Rümke – in zijn tijd een internationaal vermaard man –  bij wie hij ook in 1946 promoveert op het proefschrift: De betekenis van de phaenomenologische of existentiële anthropologie in de psychiatrie. Van den Berg begon een psychotherapeutische praktijk in Utrecht, trouwde en kreeg vier kinderen.

Rümke was een psychiater die aandacht had voor spiritualiteit en geloof, iemand die de stelling van Freud – ‘geloof is een ontwikkelingsstoornis’ – omdraaide: hij beschouwde juist ‘ongeloof’ als een stoornis (Karakter en aanleg in verband met het ongeloof. Psychologie van het ongeloof, 1939). Deze aandacht is voor Van den Berg niet zonder betekenis geweest. In zijn Metabletica wijst hij erop dat ten tijde van Freud de seksualiteit onderdrukt was en de spiritualiteit bloeide, maar dat in zijn tijd (dat is de tijd waarin Van den Berg schreef: tweede helft van de twintigste eeuw) juist de spiritualiteit het kind van de rekening was: zijn patiënten hadden veelal een bloeiend seksleven, maar een gevoel van geestelijke leegheid, ongerichtheid en onvervuldheid vormde voor hen een permanente kwelling.

In de jaren na de oorlog legt hij ook veel internationale contacten: Henri Ey, Jean Wahl, Jacques Lacan, Gaston Bachelard, Martin Heidegger.

In 1949 wordt hij geroyeerd als lid van het Psychoanalytische Genootschap omdat hij het bestaan van het onbewuste ontkend zou hebben, in 1951 wordt hij hoogleraar Pastorale Psychologie aan de Theologische Faculteit te Utrecht, in 1954 wordt hij hoogleraar Fenomenologische Methoden en Conflictpsychologie te Leiden.

In 1956 publiceert hij het boek Metabletica waarvan 26 drukken verschenen en 80.000 exemplaren werden verkocht. Er verschenen vele vertalingen van het boek. Het succes drukte een groot stempel op zijn verdere levensloop.

Zijn eerste metabletische ervaringen had hij overigens al veel eerder. Hij had in zijn jonge jaren een boek van Adolf Meyer uit 1936 gelezen die samenhang zag tussen de ontdekking van de bloedsomloop en het ontstaan van de barok. En een tweede ervaring: toen hij na de oorlog een poos in Frankrijk was, begreep hij de Franse psychiatrie niet. Op advies van een collega ging hij Franse belletrie lezen. Pas toen begreep hij dat de Franse cultuur gericht was op waarnemen, en dat de centrale psychiatrische categorie de hallucinatie was. De Duitse cultuur daarentegen is een denkcultuur en de corresponderende psychiatrische categorie is daar niet de hallucinatie, maar de waan.

Eersteling Metabletica bleek bepaald geen eenling te zijn; het was het begin van een reusachtig intellectueel project. Er volgde in de jaren vijftig en zestig een grote reeks metabletische publicaties, die allemaal graag gelezen en veel verkocht werden, maar die hem geen waardering in de Nederlandse wetenschappelijke wereld opleverden. Internationale waardering ondervond hij soms wel: in Amerika, Engeland, Canada, Japan, Zuid-Afrika.

In 1969 verscheen Medische macht en medische ethiek, een regelrechte bestseller, een boek dat ook serieuze invloed had op de ontwikkeling van het medisch-ethisch denken in een tijd waarin het medisch kunnen enorm toenam. Maar het was ook een provocerend boek, omdat het actieve levensbeëindiging als serieuze mogelijkheid noemde in die gevallen waarin de medische macht in de positie was geraakt om een – volgens Van den Berg – mensonwaardig leven in stand te houden.

Begin jaren zeventig treedt een keerpunt op: zijn geschriften worden maatschappijkritisch en hij raakt regelrecht in conflict met zijn tijd over de bezoeken die hij aan Zuid-Afrika brengt, een land  dat, zoals bekend, in die tijd een apartheidsregime kent. Hij weigert apartheid te veroordelen, en doet uitlatingen die getuigen van racisme en van een opvatting die later ‘witte (of blanke) suprematie’ zou worden genoemd.

Hooligans

Zijn metabletische werk wordt na dit keerpunt steeds actualiteitskritischer, zoals uit De reflex, Metabletica van de materie en Gedane Zaken blijkt. De belangrijkste voorbeelden hiervan zijn Hooligans – een metabletisch onderzoek naar oorsprong en verspreiding van het verschijnsel anarchisme – en een nakomende maar bijbehorende publicatie: Pest, Syphilis, Aids. In deze boeken uit hij zich soms onomwonden reactionair en in laatstgenoemde publicatie zelfs racistisch.

In de jaren vijftig vervreemdde hij zich dus van zijn vakgenoten; in de zeventiger en tachtiger jaren vervreemdde hij zich van het grote publiek door zich tegen het toen heersende radicaal-linkse intellectuele – soms zelfs regelrecht marxistische – klimaat te verzetten, en zich als conservatief te profileren.

Na deze periode keert hij terug – hij is dan inmiddels met emeritaat – naar zijn liefde voor de natuur met het boek Koude rillingen over de rug van Charles Darwin. Er volgt ook nog een klassiek-metabletische studie met Metabletica van God. En hij schrijft een aantal kleinere beschouwelijke boeken. De toon is dan een stuk serener, en de stijl minder gespannen, bezwerend en overredend.

Koude rillingen over de rug van Charles Darwin

Hub Zwart wijst erop (Boude bewoordingen, p.24-25) dat onbehagen in wezen aan al zijn metabletische publicaties ten grondslag ligt:

Voor al zijn metabletisch onderzoek geldt dat onbehagen in de actualiteit het vertrekpunt vormt en tot historisch onderzoek inspireert. Zoals onvrede met de actuele geneeskunde aanzette tot een onderzoek naar de geschiedenis van het vakgebied, dat zich uitstrekte van Mundinus (±1300) tot en met Röntgen (± 1900), zo zet onvrede met de actuele onderwijspolitiek aan tot een onderzoek naar de geschiedenis van het anarchisme, dat zich uitstrekt van de Franse Revolutie tot en met de Baader-Meinhof Gruppe.

Hub Zwart onderscheidt ten slotte vier fasen in het schrijverschap van Van den Berg:

  1. 1946-1956 – psychologische en psychiatrische teksten die een fenomenologische sfeer ademen;
  2. 1956-1971 – idem, maar daarnaast publiceert hij een aanzienlijk aantal metabletische teksten;
  3. 1971-1991 – metabletische studies met een geprononceerd maatschappijkritische inzet;
  4. 1991-2012 – metabletische teksten waaruit de maatschappijkritiek goeddeels is verdwenen en miniaturen.

In alle perioden is Van den Berg een schrijver die je puur voor je genoegen kunt lezen, die altijd glashelder is, die ongelooflijk veel weet, die origineel is en soms verrassende inzichten heeft.

Hub Zwart vertelt dat Van den Berg ooit voor de P.C. Hooftprijs in aanmerking leek te komen, maar dat zijn unzeitgemäße en een enkele keer ook regelrecht afstotende maatschappijkritische opvattingen een te grote belemmering hebben gevormd om hem voor te dragen.

In 2012 overleed hij op hoge leeftijd. Hij vond dat hij een prachtig leven had gehad.

Over religie

368px-RümkeHC

H.C. Rümke (Wikimedia Commons)

Net als bijvoorbeeld Gerard Reve en R.S. Thomas beschouw ik kunst en religie als tweelingen.

Ik geloof niet in bekrompenheid.

Ik denk dat poëzie vaak een vorm van bidden is, en ik denk ook dat de joods-christelijke bijbel op veel plaatsen probeert de waarheid te benaderen op een dichterlijke manier.

Ik ben niet langer vrijgemaakt-gereformeerd, de kerk waarin ik ben opgegroeid en opgevoed, maar ben wel overwegend dankbaar voor de lessen die ik daar heb geleerd.

Ik beschouw mezelf als een christen, twijfelend, spottend, ironisch, soms me overgevend, soms me verzettend, maar me steeds verbonden wetend met de voornaamste christelijke tradities.

Op de overlegpagina van het Wikipedia-artikel Weet. (een artikel over een orthodox-christelijk, populair-wetenschappelijk blaadje) heb ik in het verleden onder het geleende pseudoniem Theobald Tiger het volgende geschreven, dat hier eigenlijk beter op zijn plaats is dan daar:

 

[…] ik heb ondervonden dat mijn achtergrond geen ruimte bood aan de vragen die ik stelde en er evenmin een antwoord op had. En ook bij mij was de losmaking een pijnlijk proces, vooral omdat ik er slecht tegen kon dat ik mijn ouders verdriet deed. Maar een echte bevrijding was het toch niet, omdat ik er gaandeweg achter kwam dat niemand antwoord op mijn vragen had, al was er uiteraard machtig veel te ontdekken – nog steeds.

Ook heb ik niet zozeer angst voor een leven zonder religie – al kan het leven zelf donders beangstigend zijn. Ik geloof namelijk […, niet] dat je in een God dient te geloven als voorwaarde om moreel te kunnen handelen, schoonheid te kunnen ondergaan of ontroerd te kunnen worden. Maar […, ik] geloof toch ook niet dat je de religie kunt uitbannen zonder dat er iets wezenlijks verloren gaat.

Religie is geen zingeving, geen normenstelsel en geen bindmiddel voor gemeenschappen. Het is dat allemaal ook natuurlijk, maar dat is slechts een (niet onbelangrijk) neveneffect van wat ik als haar kern beschouw: zij is volgens mij het besef dat je als sterfelijk mens een bescheiden plaats inneemt in een wereld die – om met Dante te spreken – gedragen wordt door de liefde die het al beweegt, dat je dus – zelf eindig – deel hebt aan iets onvergankelijks.

Voor een georganiseerde religie is het bovendien nodig dat dit besef wordt gedeeld. Het wegvallen van dat gedeelde besef acht ik op den duur schadelijk voor kunst (opgevat in ruime zin zodat het ook het scheppen van harmonie in de eigen leefomgeving insluit), wetenschap en moraal.

Dit betekent uiteraard niet dat niet-religieuze mensen niet serieus met die onderwerpen bezig kunnen zijn, of dat ze geen waardevolle bijdragen kunnen doen – ik bedoel daarmee dat het religieuze besef onmisbaar is om dwalingen te onderkennen en om de moed op te brengen om – desnoods – alleen te staan in de verdediging van de kernwaarden van onze beschaving.

Dat het religieuze levensbesef ook bij veel vertegenwoordigers van de georganiseerde religie ontbreekt, behoeft verder geen betoog. Dat ook het wetenschappelijke streven voortkomt uit l’amor che move il sole e l’altre stelle is zeker waar en er is dan ook niets in mij dat zich tegen de beoefening en de resultaten van strenge wetenschap verzet (ik maak nadrukkelijk een uitzondering voor de sociale wetenschappen die ik – gunstige uitzonderingen daargelaten – als broedplaatsen van cultuurbederf beschouw).

Sigmund_Freud_LIFE

Sigmund Freud (Wikimedia Commons)

Veel ontwikkelde mensen beschouwen godsdienstigheid – in navolging van Freud – als een ontwikkelingsstoornis, als een inadequaat, regressief antwoord op levensangst. Dat is soms zeker het geval. Maar dat is volgens mij toch niet het enige dat erover gezegd kan worden. De godsdienst heeft mensen zeker niet alleen maar geremd, maar ze ook soms de kracht gegeven om de waarheid hoog te houden, en om kunst en wetenschap voort te brengen op het hoogste niveau. “Nergens heeft ooit het onechte een dergelijke ontroerende wijdende en bevrijdende kracht gehad“, schreef H.C. Rümke in zijn essay Karakter en aanleg in verband met het ongeloof (1939).

Ter voorkoming van misverstanden: aan religieuze kwezelachtigheid heb ik een even grote hekel als aan atheïstische bigotterie. Ik ben een groot bewonderaar van de onlangs overleden Belgische schrijver en sinoloog Pierre Ryckmans (pseud.: Simon Leys), zelf katholiek, en een groot en welsprekend verdediger van de beschaving, te midden van de krankzinnigheden die werden uitgekraamd door de fellow-travellers (die veelal het verlaten van het christendom als een bevrijding hadden ondergaan) van het religievijandige maoïsme in de jaren zestig, zeventig en tachtig van de vorige eeuw.

En daaraan voorafgaand schreef ik:

Militante atheïsten zijn […] vaak heel fel, en ik heb een grondige hekel aan de zendingsdrift, humorloosheid en onverdraagzaamheid van militante atheïsten […]. Ik beschouw de militante atheïsten die zo dapper met hun sabeltjes zwaaien in de stoet die aangevoerd wordt/werd door Harris, wijlen Hitchens en Dawkins als de kwezels van onze tijd.

Maar er speelt wel degelijk nog iets. Ik heb een orthodox-protestantse achtergrond. Ik heb van deze geloofsrichting zekere afstand genomen, zonder de gehele christelijke erfenis overboord te hebben gezet. Ik beschouw de gretigheid waarmee de westerse beschaving zich ontdoet van haar metafysische erfenis als een ernstige vergissing. Ik geloof niet dat een levenshouding die zich uitsluitend wenst te baseren op rationaliteit en wetenschap de beschaving die ik waardevol vind – het goede en het ware en het schone – in stand kan houden.

Ik denk – als ik mij voor de gelegenheid even wat verheven mag uitdrukken – dat een mythopoëtische houding een belangrijke manier is om toegang te krijgen tot de waarheid. Ik denk dat Freud, Marx en Darwin alledrie een rol gespeeld hebben – althans in bepaalde interpretaties van hun werk – in de afbraak van de houding die ik voorsta (van deze drie is Darwins erfenis overigens de meest waardevolle). En dat komt omdat de evolutietheorie niet alleen een vruchtbare wetenschappelijke hypothese is gebleken, maar van de aanvang af ook is geweest wat ik hierboven een pseudoreligieuze Ersatz heb genoemd.

Daartegen verzetten de christenen zich ook, en – of je het nu met ze eens bent of niet – daarin hebben ze volgens mij volkomen gelijk. Dat ze daarbij allerlei creationistische en andere dwaalwegen bewandelen, is heel jammer, maar dat is, vermoed ik, het directe gevolg van de letterlijkheidscultus en de symboolblindheid die je veel bij hen aantreft en die je trouwens ook vaak bij rationalisten ziet. Ik ben er niet zo zeker van dat de ernst waarmee wij elkaar proberen te begrijpen en waarmee we ons jegens elkaar verstaanbaar proberen te maken, een gevolg is van de ‘evolutie’, […].

Ik [… vind wel] dat de natuurwetenschappen heel belangrijk zijn, en feitelijk als enige aanspraak kunnen maken op de titel ‘wetenschap’. […] Ik beschouw persoonlijk alle niet-natuurwetenschappen als pseudowetenschap. Maar ik denk wel dat er nog heel andere domeinen zijn dan die van ratio en wetenschap, domeinen die ook onze volle aandacht en liefde verdienen.

En even verderop:

Religies zijn weliswaar meestal gebaseerd op een openbaring, maar religies zijn toch niet bedoeld om zekerheid te bieden. Zekerheid bestaat niet, vroeger niet en nu niet, en zekerheid zal ook nooit bestaan. Militante atheïsten als Sam Harris, Richard Dawkins, wijlen Christopher Hitchens, wijlen Rudy Kousbroek en de nog levende Max Pam weten niets van het christendom; ze vervloeken, kleineren en ridiculiseren het christendom, maar ze citeren nooit de beste vertegenwoordigers ervan.

Wetenschap bevordert inderdaad de twijfel, en godsdienst probeert de aandacht te richten op wat eeuwig is. Dat zijn twee buitengewoon goede strevingen, die elkaar – volgens mij – geenszins uitsluiten.

(…)

De afgelopen eeuw van wetenschap en techniek heeft inderdaad wonderen voortgebracht. Maar de religie heeft dat ook, zij het geheel andere wonderen, zoals de muziek van Bach. De kerk is verantwoordelijk voor een groot aantal gruwelen – en zij heeft daar nooit passende verontschuldigingen voor aangeboden – maar ook het atheïsme heeft het bedrijven van gruwelen niet geschuwd.

Voor goed geformuleerde en interessante tegenspraak verwijs ik naar de Wikipedia-overlegpagina waarop deze citaten voorkomen.

Aan de in 2014 overleden Simon Leys/Pierre Ryckmans zal ik binnenkort op deze plaats aandacht besteden.