R.S. Thomas heeft een groot aantal gedichten geschreven die met wachten (‘waiting’) te maken hebben. Het begrip had een bijzondere betekenis voor hem, een betekenis die zeker christelijk is – wachten is onlosmakelijk verbonden met het gebed – maar die ook niet ver afligt van de waarde die Samuel Beckett eraan hechtte in zijn beroemde toneelstuk En attendat Godot (Waiting for Godot): wachten is onlosmakelijk verbonden met het leven.
Yeats is William Butler Yeats. Het gedicht kreeg aanvankelijk de titel Waiting en in een latere herdruk de titel Waiting for it.
Het is een afrekening met Yeatsiaanse retoriek, en het gedicht spreekt tevens zichzelf tegen door met een fraaie metafoor en een mooi ritme eigenlijk heel retorisch te eindigen.
Een goede analyse van het gedicht is gemaakt door William V. Davis in zijn boek Miraculous Simplicity – Miraculeuze eenvoud.1, een rake karakteristiek van Thomas’ poëzie. Deze titel werd ontleend aan een lezing van R.S. Thomas aan Swansea University in 1963, waarin hij het begrip veel ruimer toepaste:2
Art is not simple, and yet about so much of the best, whether in painting, poetry or music, there is a kind of miraculous simplicity.
Pagina 66
Vertaling:
Afwachten
Yeats zei het. Ik genoot ervan
toen ik jong was:
er was tijd genoeg.
Vingers die branden, een hart
dat schroeit, een vieze smaak
in de mond, terwijl ik hem opnieuw
lees, maar dit keer zonder
vertrouwen. Welke raad
kan geschreven retoriek ons
geven? Spiegels kapot slaan,
een geest strak aankijken, trachten
zonder krukken te lopen
op de rand van een graf? De enige
welsprekendheid die je, nu het de kleine
geloofsuurtjes zijn, nog onder de knie
moet krijgen, is die van het
gebogen hoofd, de knielende
knie, in afwachting van
de eerste bloem, aan het eind
van een koude winter, die zich opent
aan de doornstruik van de geest.
Mijn vertaling is in iets gewijzigde vorm gepubliceerd in het christelijk literair tijdschrift Liter (nr. 83, jrg. 19, september 2016).
Origineel:
Waiting for it
Yeats said that. Young
I delighted in it:
there was time enough.
Fingers burned, heart
seared, a bad taste
in the mouth, I read him
again, but without trust
any more. What counsel
has the pen’s rhetoric
to impart? Break mirrors, stare
ghosts in the face, try
walking without crutches
at the grave’s edge? Now
in the small hours
of belief the one eloquence
to master is that
of the bowed head, the bent
knee, waiting, as at the end
of a hard winter
for one flower to open
on the mind’s tree of thorns.
Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die ook zijn leven lang in Wales woonde en werkte als een Anglicaans priester. Hij was een groot natuurliefhebber, had een vrij vergaande afkeer van moderne zaken die hij vond afleiden waar het in het leven echt om ging, en hij schreef in het Engels.
Een aardige bespreking door Theodore Dalrymple van zijn biografie – Byron Rogers, The Man Who Went into the West: The Life of R. S. Thomas, Aurum Press – vindt u hier.
Hij was een merkwaardige, eenzelvige figuur die prachtige gedichten schreef, getrouwd was met de schilder Mildred (Elsi)Eldridge (aan wie hij een paar zeer fraaie gedichten heeft gewijd – zie elders op dit blog). Kingsley Amis – zeker geen geestverwant – schreef dat zijn poëzie “reduces most other modern verse to footling whimsy” (=triviale gekkigheid). Hij is in Nederland niet zeer bekend.
In 1879 schreef Fjodor Dostojevsky een dik en beroemd boek onder de titel De gebroeders Karamazov. Eén van deze gebroeders, één van de hoofdpersonen van het boek dus, is Ivan Karamazov, die opgevoerd wordt als een hartstochtelijk rationalist. Hij houdt in het boek een verhalende toespraak, die ook wel afzonderlijk is uitgegeven onder de titel De grootinquisiteur van Sevilla (in oudere vertalingen wordt dit verhaal soms De parabel van de grootinquisiteur genoemd), waarin de grootinquisiteur (die de kerk vertegenwoordigt) de op aarde weergekeerde Christus te woord staat. Christus maakt de kerk verwijten, en de grootinquisiteur verdedigt de kerk. Het aardige aan deze gefingeerde situatie is dat zowel Christus die zegt dat de kerk zijn werk heeft verraden, namelijk door de mens zijn vrijheid te ontnemen, als de grootinquisiteur die zegt dat de kerk Christus’ werk heeft verbeterd, namelijk door rekening te houden met het menselijk tekort, in dit geval de afschuw die veel mensen voor vrijheid voelen, hier het gelijk aan hun kant lijken te hebben.
Ik doe een bescheiden poging om te zeggen waar dit gedicht over gaat. De aangesprokene is Ivan Karamazov, en er worden een paar godsbeelden aan een onderzoekje onderworpen: we maken kennis met god als robot, maar ook met de god van de romantiek, de god die schuilt in het sublieme, die zich laat horen in natuurgeweld en kraters. Deze laatste god, en impliciet ook de aanbidder daarvan, wordt eigenliefde verweten omdat hij de stem van de kleine schepselen en de realiteit van de dood miskent.
Elia is de bijbelse profeet die volgens 1 Koningen 18 op de berg Karmel een competitie aangaat met de Baäl-priesters. Volgens Elia kan zijn God, de God van het Oude Testament, het klaargelegde offer op verzoek wel aansteken (door het te laten bliksemen), iets wat de Baäl met het door de Baäl-priesters voor hem klaargelegde offer op hun verzoek niet zou kunnen. Het is een spannende, sublieme scène die bloederig afloopt, maar Elia wint.
In de slotzinnen gaat het over de eigenliefde van een God die R.S. Thomas niet serieus kan nemen.
Vertaling:
Ivan Karamazov
Ja, ik weet hoe hij is:
een onmogelijk soort robot
waarin je je gebeden stopt
als kaartjes, die na een poosje
worden geretourneerd
met het woord ‘afgewezen’ erop.
Ik wijs zo’n god van de hand.
Maar als hij, zoals je beweert, bestaat,
en ik krenk hem met wat ik doe,
laat hem mij dan straffen:
ik zal kikken noch krijsen; gelijk krijgen
is wel een levenslange kastijding
waard. En God zich te zien
wreken, geeft jou een voorsprong,
totdat de aarde zich opent
om je op te nemen in een donkere
spleet, waarin je hem, zekerder
dan Elia, zult horen loeien in de wind
en het vuur en het gebrul
van de aardschok, maar niet
in de stille, zachte stem van de
wormen die je voor altijd verlossen
uit de tirannie van zijn eigenliefde.
Origineel:
Ivan Karamazov
Yes, I know what he is like:
a kind of impossible robot
you insert your prayers into
like tickets, that after a while
are returned to you with the words
‘Not granted’ written upon them.
I repudiate such a god.
But if, as you say, he exists,
and what I do is an offence
to him, let him punish me:
I shall not squeal; to be proved
right is worth a lifetime’s
chastisement. And to have God
avenging himself is to have
the advantage, till the earth opens
to receive one into a dark
cleft, where, safer than Elijah,
one will know him trumpeting
in the wind and the fire
and the roar of the earthquake, but not
in the still, small voice of the
worms that deliver one for ever
out of the tyranny of his self-love.
De dichter W.H. Auden had een meesterlijke techniek die moeilijk is na te bootsen in vertaling. Maar een geslaagde nabootsing blijft het vertaaldoel, natuurlijk. Dit gedicht beschrijft ironisch wat er gebeurt als iemand beroemd wordt en podium-op podium-af wordt gesleurd.
De openingszin bevat de uitdrukking “pelagian travellers”. Pelagius was een Britse monnik uit de oudheid die – als de overlevering juist is – geloofde in de vrije wil; hij achtte het mogelijk dat we het goede zouden doen. Hij verwierp predestinatie en erfzonde, en stond daarmee tegenover de kerkvader Aurelius Augustinus. Pelagius wordt in de meeste vormen van christendom als een ketter beschouwd. Auden gebruikt het adjectief ‘pelagian’ hier ironisch, zoals hij ook op veel andere plaatsen in dit gedicht ironisch is.
De uitzendorganisatie van Auden’s literaire schnabbels was Columbia Giesen Management.
Ik heb eerder naar dit gedicht verwezen n.a.v. de reactie op mijn vertaling van September 1, 1939.
Plato en Aristoteles, of de filosofie, Luca della Robbia (1400-1481) (Wikimedia Commons)
Voor de meesten van ons is filosofie niet alleen saai, maar bovendien irritant: je begrijpt al die beschouwingen zelden, en ze geven je het akelige gevoel dat je minderwaardig bent, dat je slechts dient tot brandhout van de geschiedenis. Om deze laatste gedachte te kunnen toelaten, moet je natuurlijk al wel een beetje filosofisch aangelegd zijn. En wat die minderwaardigheid betreft: die is natuurlijk een feit: u en ik, de mens, wij deugen bijna voor niets. Er schuilt wel iets heel bevrijdends in het besef van de eigen overtolligheid, misbaarheid, nutteloosheid, als u mij een kleine filosofische uitweiding, meer een ontboezeming eigenlijk, wilt toestaan.
Ronald Stuart Thomas – merkwaardig genoeg heeft hij nog geen artikel op de Nederlandse Wikipedia – heeft een gedicht geschreven dat als titel draagt Synopsis, samenvatting, overzicht, uittreksel. Lees dat gedicht, en u kunt een heleboel akelige filosofische beschouwingen overslaan, want niet alleen deugen u en ik vrijwel nergens toe, dat geldt ook voor bijna alle wijsgerige bespiegelingen.
Plato is Plato, en Aristotelianen zijn degenen die de filosofische traditie van Aristoteles voortgezet hebben. Hume is David Hume. Søren Kierkegaard kent u natuurlijk wel. Positivisten geloven uitsluitend in rationaliteit en wetenschap.
De thousands of fathoms die Kierkegaard overstak, verwijzen naar de waterdiepte waarboven, volgens Kierkegaard, de gelovige, als hij werkelijk gelooft, gegarandeerd zweeft, en wel in “vrees en beven“, een titel van één van Kierkegaards boeken. Een vadem is een lengtemaat, meestal gebruikt voor de dieptemeting van de zee, die, afhankelijk van de traditie, tussen de 1.82m en 1.89m bedraagt.
Vertaling:
Synopsis
Plato gaf ons weinig dat de
Aristotelianen niet weer
terugnamen. Spinoza gaf naderhand
voor onze aanpak een redenering;
hij leerde ons dat de liefde
een intellectuele bestaanswijze.
is. Toch vroeg Hume zich af
of minnaar en geliefde wel echt
bestonden. Het innerlijk dat hij
voor ons achterliet, was wat Kant
niet wist te transcenderen, en Hegel
niet kon ontleden: vrees, dat grauwe
onderwerp, dat Søren Kierkegaard
beschreef toen hij zijn duizenden
vadems overstak; het beest dat door
de geschiedenis raast, dat lachend
het beraad der positivisten voorzit.
Origineel:
Synopsis
Plato offered us little
the Aristotelians did not
take back. Later Spinoza
rationalized our approach;
we were taught that love
is an intellectual mode
of our being. Yet Hume questioned
the very existence of lover
or loved. The self he left us
with was what Kant
failed to transcend or Hegel
to dissolve: that grey subject
of dread that Søren Kierkegaard
depicted crossing its thousands
of fathoms; the beast that rages
through history; that presides smiling
at the councils of the positivists.
De Amerikaanse dichter Robert Frost (1874-1963) behoeft eigenlijk geen introductie. Hij is veelvuldig gelauwerd, hij slaagt erin een snaar te raken bij iedere versgevoelige die hem leest, hij hanteert een eenvoudig idioom, hij is erg goed in spreektaal, hij is niet eenvoudig te plaatsen in levensbeschouwelijke of godsdienstige coördinatensystemen, maar hij heeft een duidelijke, zij het weinig orthodoxe, religieuze inslag.
Het onderhavige gedicht – Fire and Ice – is een humoristisch gedicht dat, zoals dat gaat met humor, een ernstige ondertoon heeft. Het handelt over een tweemaal optredende apocalyps – het is een kort gedicht over vuur en ijs, hartstocht en haat.
“I like to say, guardedly, that I could define poetry this way: it is that which gets lost out of both prose and verse in translation.”
Deze uitspraak wordt vaak gebrekkig geciteerd als: ‘Poetry is what is lost in translation’. U kunt hieronder nagaan of Frost misschien toch gelijk had.
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling:
Vuur en ijs
De één zegt dat de aarde sterft door vuur, de ander zegt door ijs. Wat ik aan hartstocht heb beleefd, leert mij dat vuur de voorkeur heeft. Maar als een tweede dood zal zijn vereist, dan weet ik ook genoeg van haat om in te zien dat voor verwoesting ijs zich groots bewijst en steeds volstaat.
Origineel:
Fire and Ice
Some say the world will end in fire, Some say in ice. From what I’ve tasted of desire I hold with those who favor fire. But if it had to perish twice, I think I know enough of hate To know that for destruction ice Is also great And would suffice.
Ik geloof niet dat dit drinkliedje van William Butler Yeats nadere toelichting behoeft.
Vertaling:
Een drinklied
De wijn gaat door de mond,
De liefde door het oog;
Dat is de vaste grond
Waarop wij oud worden en broos.
Ik breng het glas naar de mond,
Ik kijk naar jou, ik bloos.
Origineel:
A Drinking Song
Wine comes in at the mouth
And love comes in at the eye;
That’s all we shall know for truth
Before we grow old and die.
I lift the glass to my mouth,
I look at you, and I sigh.
Ronald Stuart Thomas (1913-2000) is een belangrijk dichter in het Engelse taalgebied. Hij was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was ook een Anglicaanse predikant, zij het zeker niet iemand die er roestvrijstalen zekerheden op nahield. Hij was getrouwd met de subtiele schilderes Mildred Eldridge (1909-1991).
Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis hebben getuigd van hun bewondering. Seamus Heaney hield na zijn dood in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).
Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.
In een ontroerend filmpje uit 1996 dat Bloodaxe Books beschikbaar heeft gemaakt op Youtube – hier raadpleegbaar (vanaf 4’18”) – zegt Thomas:
“Mocht er sowieso later nog aan mij gedacht worden, dan zal dat wel zijn om de intensiteit van een paar gedichten die ik heb geschreven. Maar, los van de gedichten, als mens hoop ik dat m’n voorbeeld van iemand die hield van buiten-zijn, die hield van de aardse dingen, en die het talent had gekregen om ze niet alleen te horen maar ook te zien, voor anderen een zeker nut heeft gehad.”
Een gloeiende akker (foto: Gerard Klooster)
Ik heb in mijn leven heel wat preken beluisterd, en de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ze vaak veel te lang waren. De treurigste gemeenplaatsen werden soms schaamteloos aaneengeregen. Veel predikanten hebben een voorkeur – om een woord van de C.S. Lewis-vertaler Arend Smilde aan te halen – voor uitdrukkingen die “als een grafsteen over hun betekenis zijn gevallen”. Meestal antwoordde ik op de vraag hoe ik de preek had gevonden: “Zes keer zo kort en in het latijn.”
Maar ik beklaag mezelf niet: de kennis die ik heb opgedaan van de bijbelse taal en de christelijke traditie is een waardevol bezit.
Dit gedicht is een preek in de edelste zin van het woord, of beter gezegd: dit is wat een preek eigenlijk zou moeten zijn. Ik besef onmiddellijk dat vrijwel niemand hierin een aanbeveling zal zien, want preken is passé, abominabel en afschuwelijk, en we zijn er – denken we – definitief vanaf, maar heel misschien vergissen we ons wel een beetje. We zijn er nooit vanaf, en dat kan ook helemaal niet – ook de moderne moraal toetert je van alle kanten in de oren, vooral uit de mond van nihilistische en hedonistische celebrities en muzikanten die zich, zo jong en hip als ze zijn, cool, ongenaakbaar en onkwetsbaar wanen – en enige instructie, een spoor om te volgen, een zinperspectief hebben we misschien toch soms wel nodig, zo autonoom en mondig als we meestal denken dat we zijn.
Er wordt in dit gedicht naar drie bijbelverhalen verwezen, één in het Oude Testament en twee in het Nieuwe Testament. Het betreft het verhaal van Mozes en het brandende braambos in Exodus 3, de gelijkenis van de schat in de akker in Mattheüs 13, en de aansporing om alles wat je hebt te verkopen om een schat in de hemel te bezitten in Mattheüs 19. Ik heb ‘field’ daarom met ‘akker’ vertaald, en ‘turning aside’ met ‘zich wenden naar’, zoals in de Statenvertaling.
Vreest niet – deze preek is heel kort en er is geen woord latijn bij.
Vertaling:
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
De gloeiende akker
Ik heb de zon zien doorbreken boven een kleine akker die een poosje oplichtte, en ging heen en vergat het. Maar dat was de parel van grote waarde, dat was de akker waarin zich de schat bevond. Ik besef nu dat ik alles wat ik heb, moet opgeven om hem te bezitten. Leven is niet jakkeren naar een wijkende toekomst, niet hunkeren naar een ingebeeld verleden. Het is zich wenden als Mozes naar het wonder van de vlammende struik, naar een gloed die vergankelijk lijkt als je jeugd van toen, maar die de eeuwigheid is die op jou wacht.
Origineel:
The Bright Field
I have seen the sun break through to illuminate a small field for a while, and gone my way and forgotten it. But that was the pearl of great price, the one field that had the treasure in it. I realise now that I must give all that I have to possess it. Life is not hurrying on to a receding future, nor hankering after an imagined past. It is the turning aside like Moses to the miracle of the lit bush, to a brightness that seemed as transitory as your youth once, but is the eternity that awaits you.
De lach is een kort, typerend gedichtje van R.S. Thomas, waaruit zowel levensaanvaarding spreekt als het besef dat onze wensen en verwachtingen niet zelden vergeefs en vaak zelfs een beetje bespottelijk zijn. Heel geschikt voor een wat ernstiger poesiealbum misschien wel. Jammer dat het niet rijmt natuurlijk, want een poesiealbum zonder rijm is een tandeloze tijger.
A sweet tooth is een zoetekauw.
Het gedichtje is opgenomen in Collected Poems: 1945-1990, zie hier.
Vertaling:
De lach
Mijn moeder bad dat ik zoet engelenhaar zou krijgen.
Mijn vader zei dat ik niet zonder flinke knuisten kon.
Het leven zelf, dat ergens doelloos rondhing,
schonk me een lach, en gaf me geen van beide.
In een eerdere versie had ik gekozen voor ‘gulzig tongetje’ i.p.v. ‘zoet engelenhaar’.
Origineel:
The Smile
My mother prayed that I should have the sweet tooth.
My father said that I should have the big fist.
And life, lingering somewhere by,
Smiled on me, giving me neither.
De dichter Wystan Hugh Auden (1907-1973) is een van de grootste twintigste-eeuwse dichters in het Engelse taalgebied. Hij stamde uit een anglicaans middle class milieu, studeerde in Oxford, werd al snel de centrale figuur van een groep dichters in de jaren dertig – Louis MacNeice, Stephen Spender, Christopher Isherwood, John Betjeman – was zich al vroeg bewust van zijn dichterlijke roeping, verdiepte zich in Freud in zijn beginjaren, in Marx in de jaren die erop volgden, en keerde op middelbare leeftijd terug naar het christelijk geloof.
Wie meer wil weten over Auden kan elders op mijn website terecht. Ik houd veel van zijn werk en heb al aardig wat vertalingen van zijn gedichten gemaakt. Peter Verstegen – een gelauwerd vertaler – heeft hier een Ten Geleide bij het vertalen van Auden gepubliceerd.
De naam van deze website – The Hidden Law – is vernoemd naar een gedicht van Auden. Elders kunt u veel meer door mij vertaalde gedichten met hun origineel aantreffen.
Augustus 1968is een kort, grappig en wrang gedicht dat Auden schreef bij de hardhandige beëindiging van de Praagse Lente op 20 augustus 1968. In dat jaar probeerde Alexander Dubček Tsjecho-Slowakije een gematigder communistische koers te laten varen – tevergeefs, zoals bleek.
Een ogre is een mensenetende reus.
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling:
Augustus 1968
De Kwaaie Reus kan reuzedingen, Waaraan geen mens ooit zou beginnen, Maar één ding blijft de Reus ontzegd: Geen mens kan snappen wat hij zegt! Hoog boven onderworpen velden, Tussen gevelden en ontstelden, Troont onze Reus, met borst vooruit, Schoon wartaal van zijn lippen druipt.
Origineel:
August 1968
The Ogre does what ogres can, Deeds quite impossible for Man, But one prize is beyond his reach, The Ogre cannot master Speech: About a subjugated plain, Among its desperate and slain, The Ogre stalks with hands on hips, While drivel gushes from his lips.
Devils Chimney (duivelsschoorsteen), een krijtsteenpilaar in Engeland (Wikimedia Commons)
Het wat langere gedicht In Praise of Limestone is een paysage moralisé; het gedicht is een hommage aan het vergankelijke landschap (kalksteen lost op in water) van het Zuid-Italiaanse Ischia waar Auden ’s zomers vaak verbleef. Maar tegelijkertijd symboliseert het onvergankelijkheid. Het gedicht is geschreven in breed uitwaaierende verzen die geen eindrijm kennen, maar wel binnenrijm, met name stafrijm.
Hier kunt u Auden beluisteren die het gedicht voordraagt.
Vertaling:
Ter ere van krijtsteen
Zou het landschap zich aandienen dat ons, onbestendigen,
Een blijvend heimwee bezorgt, dan is het in hoofdzaak
Omdat het oplost in water. Bezie de afgeronde hellingen
Met hun vluchtig aroma van tijm en, daaronder,
Een geheim systeem van grotten en gangen; hoor de bronnen
Die overal ontspringen met onderdrukt gelach,
Elk een meertje vullend voor de vis, elk slijpend aan
Zijn eigen kleine ravijn, welks kliffen bezigheid
Geven aan vlinder en hagedis; onderzoek deze streek
Van korte afstanden en welbepaalde plaatsen:
Wat zou meer als Moeder kunnen zijn, of mooier als achtergrond
Voor haar zoon, de mannetjes-flirt die lui in de zon
Tegen een rots ligt, nooit eraan twijfelend dat men hem,
Ondanks fouten, liefheeft, wiens daden slechts verlengstuk zijn
Van zijn talent om te charmeren? Van verweerd gesteente
Naar heuveltop-tempel, van opborrelend water naar
Markante fontein, van wilde naar bewerkte wijngaard,
Zijn vernuftige maar korte stappen, die de wens van een kind
Meer aandacht te krijgen dan zijn broers,
Door plezieren of klieren, gemakkelijk zet.
Aanschouw dan de bende rivalen als ze op en af klimmen,
Getweeën of gedrieën, van hun steile steenpartijen, soms
Gearmd, maar nooit, goddank, in de pas; of druk doende
’s Middags aan de schaduwzijde van een open plek met
Een vlot gesprek, elkaar te goed kennend om te denken
Dat er enig belangrijke geheim is, onmachtig
Een god te bevatten wiens luimige buien moreel zijn,
Die niet kan worden gesust met een slimme zin of een
Goed lied: want zij, gewend aan de respons van een keisteen,
Hebben nooit hun gelaat hoeven bedekken uit vrees
Voor de ontembare furie van een laaiende krater;
Vertrouwd met de lokale behoeften van valleien,
Waarin alles kan worden betast of bereikt per voet,
Hebben hun ogen nooit gekeken in oneindige ruimte
Door het vlechtwerk van een nomaden-kam; gelukkig geboren,
Hebben hun benen nooit de schimmels ontmoet
En de insecten van de jungle, de monsterlijke levensvormen
Waarmee wij, naar wij gaarne hopen, niets gemeen hebben.
Dus als een van hen ontspoort, blijft de werking van
Diens geest begrijpelijk: een pooier worden
Of doen in nep-juwelen, of een mooie tenor verpesten
Met het oog op frenetiek applaus, kan elk overkomen,
Behalve de besten en slechtsten onder ons…
Dat is, denk ik waarom
De besten en slechtsten hier nooit lang bleven, maar zochten naar
Matelozer gronden waar de schoonheid niet zo extern was,
Het licht minder publiek en de zin van het leven nog wat meer
Dan een kamp vol dwazen: ‘Kom!’ riepen granieten woestenijen,
‘Hoe ontwijkend is jouw humor, hoe vluchtig jouw
Liefste kus, hoe permanent is de dood!’ (Heiligen-in-spe
Slopen zuchtend weg.) ‘Kom!’ zoemden klei en steengruis,
‘Op onze vlakten is ruimte om legers te drillen; rivieren
Willen getemd worden, slaven u een praalgraf bouwen
In grote stijl: het mensdom is zacht als de aarde en beide
Dienen veranderd.’ (Een imaginaire Caesar stond op en vertrok,
Met deuren smijtend.) Maar de echte roekeloze werd gegrepen
Door een oudere, koudere stem, de oceanische fluistering:
‘Ik ben de eenzaamheid die niets vraagt en belooft;
En zo zal ik je bevrijden. Er is geen liefde;
Er zijn slechts de vormen van naijver, allemaal treurig.’
Dat was waar, mijn beste, al deze stemmen spraken waarheid,
En nu nog: dit land is niet zo knus als het lijkt,
Zijn vrede is niet de historisch rust van een plek
Waar iets geregeld is, eens voor altijd: een achterlijk
Gedelapideerd gebied, verbonden
Met de grote drukke wereld door een tunnel, van een ietwat
Sjofele charme, is dat alles wat het nu is? Niet helemaal:
Het heeft een wereldse taak die het, ondanks zichzelf,
Niet verwaarloost, want wat voor Grootmachten vanzelf spreekt
Wordt problematisch: het stoort ons besef van recht. De dichter,
Bewonderd om zijn eerlijke gewoonte de zon de zon
Te noemen, zijn geest Puzzel, raakt van zijn stuk
Door deze marmeren beelden die zo duidelijk twijfel zaaien
Aan zijn anti-mythologische mythe; en deze schoffies
Die de wetenschapper nazitten door de betegelde zuilengang
Met hun levendige verlokkingen, laken zijn aandacht
Voor de verstafgelegen aspecten der Natuur; ook mij wordt
Verweten wat en hoeveel je weet. Geen tijd verliezen, niet
Gevangen worden, niet achtergelaten, niet, alsjeblieft!
Lijken op de beesten die steeds hetzelfde doen, of op iets als water
Of steen waarvan het gedrag kan worden voorspeld, dit is
Ons Dagelijks Gebed, welks grootste vreugde muziek is,
Die overal kan worden gemaakt, onzichtbaar is
En geen geur heeft. Voor zover we moeten rekenen met
De dood als feit, hebben we ongetwijfeld gelijk: maar als
Zonden kunnen worden vergeven, als lichamen opstaan uit de
Dood, raken deze modificaties van stof tot
Onschuldige atleten en gesticulerende fonteinen,
Louter gemaakt om het plezier, nog aan iets anders:
Verlosten kan het niet schelen uit welke hoek men ze bekijkt,
Ze hebben niets te verbergen. Beste, ik weet niets van
Beide, maar als ik tracht me een volmaakte liefde voor te stellen
Of het komende leven: wat ik hoor is het gemurmel van
Ondergronds water, wat ik zie is een landschap van krijtsteen.
Origineel:
In Praise Of Limestone
If it form the one landscape that we, the inconstant ones,
Are consistently homesick for, this is chiefly
Because it dissolves in water. Mark these rounded slopes
With their surface fragrance of thyme and, beneath,
A secret system of caves and conduits; hear the springs
That spurt out everywhere with a chuckle,
Each filling a private pool for its fish and carving
Its own little ravine whose cliffs entertain
The butterfly and the lizard; examine this region
Of short distances and definite places:
What could be more like Mother or a fitter background
For her son, the flirtatious male who lounges
Against a rock in the sunlight, never doubting
That for all his faults he is loved; whose works are but
Extensions of his power to charm? From weathered outcrop
To hill-top temple, from appearing waters to
Conspicuous fountains, from a wild to a formal vineyard,
Are ingenious but short steps that a child’s wish
To receive more attention than his brothers, whether
By pleasing or teasing, can easily take.
Watch, then, the band of rivals as they climb up and down
Their steep stone gennels in twos and threes, at times
Arm in arm, but never, thank God, in step; or engaged
On the shady side of a square at midday in
Voluble discourse, knowing each other too well to think
There are any important secrets, unable
To conceive a god whose temper-tantrums are moral
And not to be pacified by a clever line
Or a good lay: for accustomed to a stone that responds,
They have never had to veil their faces in awe
Of a crater whose blazing fury could not be fixed;
Adjusted to the local needs of valleys
Where everything can be touched or reached by walking,
Their eyes have never looked into infinite space
Through the lattice-work of a nomad’s comb; born lucky,
Their legs have never encountered the fungi
And insects of the jungle, the monstrous forms and lives
With which we have nothing, we like to hope, in common.
So, when one of them goes to the bad, the way his mind works
Remains incomprehensible: to become a pimp
Or deal in fake jewellery or ruin a fine tenor voice
For effects that bring down the house, could happen to all
But the best and the worst of us…
That is why, I suppose,
The best and worst never stayed here long but sought
Immoderate soils where the beauty was not so external,
The light less public and the meaning of life
Something more than a mad camp. `Come!’ cried the granite wastes,
`How evasive is your humour, how accidental
Your kindest kiss, how permanent is death.’ (Saints-to-be
Slipped away sighing.) `Come!’ purred the clays and gravels,
`On our plains there is room for armies to drill; rivers
Wait to be tamed and slaves to construct you a tomb
In the grand manner: soft as the earth is mankind and both
Need to be altered.’ (Intendant Caesars rose and
Left, slamming the door.) But the really reckless were fetched
By an older colder voice, the oceanic whisper:
`I am the solitude that asks and promises nothing;
That is how I shall set you free. There is no love;
There are only the various envies, all of them sad.’
They were right, my dear, all those voices were right
And still are; this land is not the sweet home that it looks,
Nor its peace the historical calm of a site
Where something was settled once and for all: A back ward
And dilapidated province, connected
To the big busy world by a tunnel, with a certain
Seedy appeal, is that all it is now? Not quite:
It has a worldy duty which in spite of itself
It does not neglect, but calls into question
All the Great Powers assume; it disturbs our rights. The poet,
Admired for his earnest habit of calling
The sun the sun, his mind Puzzle, is made uneasy
By these marble statues which so obviously doubt
His antimythological myth; and these gamins,
Pursuing the scientist down the tiled colonnade
With such lively offers, rebuke his concern for Nature’s
Remotest aspects: I, too, am reproached, for what
And how much you know. Not to lose time, not to get caught,
Not to be left behind, not, please! to resemble
The beasts who repeat themselves, or a thing like water
Or stone whose conduct can be predicted, these
Are our common prayer, whose greatest comfort is music
Which can be made anywhere, is invisible,
And does not smell. In so far as we have to look forward
To death as a fact, no doubt we are right: But if
Sins can be forgiven, if bodies rise from the dead,
These modifications of matter into
Innocent athletes and gesticulating fountains,
Made solely for pleasure, make a further point:
The blessed will not care what angle they are regarded from,
Having nothing to hide. Dear, I know nothing of
Either, but when I try to imagine a faultless love
Or the life to come, what I hear is the murmur
Of underground streams, what I see is a limestone landscape.
Voor de wedstrijd Nederland Vertaalt 2016, uitgeschreven door het Prins Bernhard Cultuurfonds, had ik een vertaling ingezonden van het gedicht Stern und Unstern van Robert Gernhardt (1937-2006). De vertaling is niet genomineerd voor een prijs – wat mij betreft wel terecht.
Ik had ook zelf nog kritiek op mijn eigen inzending, en heb daarom de vertaling nog op een paar plaatsen aangepast.
De uitdaging was natuurlijk ook om de titel Stern und Unstern te vertalen. Ik heb daarvoor een andere oplossing gekozen dan de vijf genomineerde inzendingen.
Vertaling:
Ster en dwaalster
Een verre ster houdt in de nacht
Bij mijn dwaalster trouw de wacht.
Mijn dwaalster is zo hopeloos verdwaald
dat hij in alles alsmaar faalt.
Hij zou slechts dwaalster moeten zijn,
maar vindt het dwalen zelf ook fijn.
Hij knipoogt vet, wenkt oliedom;
Voordat ik komen wil, keer ik al om.
En onderwijl knalt hij vol vuur
Op de mij toebedachte muur.
Nooit dat hij mij in rampspoed stort,
Nog eer dat ik zijn noodlot word.
Ik hecht al aan mijn dwaalster zoetjesaan,
totdat ik plots een and’re ster zie staan.
Die straalt zo fel en welgemoed,
dat angst mij allengs beven doet.
Ik vraag mij af: stel nou dat niet
mijn dwaalster maar mijn ster mij dwalen liet?
Voor de wedstrijd Nederland Vertaalt 2016, uitgeschreven door het Prins Bernhard Cultuurfonds, had ik de volgende vertaling ingezonden.
Vertaling:
Liefde is niet alles
Wat is liefde? Geen vlees, geen vertroosting,
Geen sluimer, geen beschutting tegen regen,
Geen drijfhout voor de zwakke drenkeling,
Steeds op en neer, steeds op en neer bewegend.
Liefde heeft nimmer adem toegediend,
Zuivert geen bloed, spalkt geen gebroken been.
Maar menigeen raakt met de dood bevriend,
Als liefde ontbreekt, zo dadelijk of nu meteen.
Misschien dat ik, als alles mij mislukt,
Geprangd door pijn, door ziekte uitgeblust,
Of zonder uitzicht door gebrek terneergedrukt,
Aandrang voel jouw liefde weg te doen voor rust,
Of de gedachte aan vannacht voor brood.
Misschien. Waarschijnlijk hield ik mij dan groot.
Het gedicht is niet genomineerd voor een prijs. Hier kunt u de genomineerde gedichten lezen.
Vertaalopgave:
LOVE IS NOT ALL
Edna St. Vincent Millay (1892 – 1950)
Uit: The New Anthology of American Poetry: Modernisms, 1900 – 1950 (Ed. Steven Gould Axelrod, Camille Roman, Thomas J. Travisano, Rutgers University Press 2005)
Love is not all: it is not meat nor drink
Nor slumber nor a roof against the rain;
Nor yet a floating spar to men that sink
And rise and sink and rise and sink again;
Love can not fill the thickened lung with breath,
Nor clean the blood, nor set the fractured bone;
Yet many a man is making friends with death
Even as I speak, for lack of love alone.
It well may be that in a difficult hour,
Pinned down by pain and moaning for release,
Or nagged by want past resolution’s power,
I might be driven to sell your love for peace,
Or trade the memory of this night for food.
It well may be. I do not think I would.
De dichter R.S. Thomas hield erg van de Deense filosoof Søren Kierkegaard, de existentialistische filosooof, theoloog en cultuurcriticus. Dit gedicht gaat niet over Kierkegaards graf, al neemt het in de verbeelding dat graf als vertrekpunt, maar over diens geestelijke nalatenschap.
Het oorspronkelijke gedicht is afkomstig uit de bundel: Not That He Brought Flowers (1968), en werd opgenomen in Collected Poems 1945-1990, p. 183.
Er zijn opvallende overeenkomsten tussen Kierkegaard en Thomas. Beiden hadden een afstandelijke relatie tot hun vader en tot hun God; beiden voelden zich vreemdelingen in hun tijd en in hun land; beiden waren filosofisch en theologisch geïnteresseerd; beiden waren religieus en geloofden dat kunst en religie bij elkaar hoorden, en ten slotte: beiden waren er met heel hun wezen op gericht om hun gedachten en levensbesef tot uitdrukking te brengen in een overrompelende taal.1
De verwijzing naar het Lucas-evangelie heeft betrekking op de openingsverzen van Lucas 24.2
Vertaling:
Een graf dat ik niet bezocht
Er zijn plaatsen waar ik nooit ben geweest,
met opzet niet, zoals Sørens graf
in Kopenhagen. Toen ik de straten zag,
met hun duffe nabootsing van al die
andere straten, ging ik liever naar Dragør,
dat aangeharkte dorpje met zijn bloemen
en oude dakpannen, dat lag afgetekend
langs de Oostzee, dat obsolete water.
Ze hadden gedaan wat ze konden
om hem te verankeren met alle gewicht
van nationale eerbiedwaardigheid,
dat is waar. Ik dacht me in
hoe groot zijn grafsteen was, het marmer
dat zijn beenderen plette; maar zou hij er
geweest zijn om de bedevaart
van dit zwoegende lichaam
te ontvangen, een paar maanden terug,
als ik toch was gegaan?
Wat brengt mensen ertoe een grote geest
te verwerpen, en later te denken dat deze
terugkeert, verenigd met de lijkwade
die ze ervoor hebben klaargelegd?
Het is het Lucas-evangelie dat ons
waarschuwt om niet tussen de doden
te scharrelen als er levenden zijn – dus dein ik
met hem mee in zijn boeken,
hand aan hand, zoals een kind
met zijn vader, soms stilstaand om te staren,
zoals hij ooit deed, naar het geestelijk vaderland.
[Toevoegingen en correcties 16 februari]
Oorspronkelijk gedicht:
A Grave Unvisited
There are places where I have not been;
Deliberately not, like Soren’s grave
In Copenhagen. Seeing the streets
With their tedious reproduction
Of all streets, I preferred Dragort,
The cobbled village with its flowers
And pantiles by the clear edge
Of the Baltic, that extinct sea.
What they could do to anchor him
With the heaviness of a nation’s
Respectability they have done,
I am sure. I imagine the size
Of his tombstone, the solid marble
Cracking his bones; but would he have been
There to receive this toiling body’s
Pilgrimage a few months back,
Had I made it?
What is it drives a people
To the rejection of a great
Spirit, and after to think it returns
Reconciled to the shroud
Prepared for it? It is Luke’s gospel
Warns us of the danger
Of scavenging among the dead
For the living – so I go
Up and down with him in his books,
Hand and hand like a child
With its father, pausing to stare
As he did once at the mind’s country.
Zie ook William Virgil Davis, R.S. Thomas. Poetry and Theology, Waco, Texas: Baylor University Press 2007, hfdst. R.S. Thomas and Søren Kierkegaard, p.123-142. ↩
Deze verzen luiden in de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV): “Maar op de eerste dag van de week gingen ze bij het ochtendgloren naar het graf met de geurige olie die ze bereid hadden. Bij het graf aangekomen, zagen ze echter dat de steen voor het graf was weggerold, en toen ze naar binnen gingen vonden ze het lichaam van de Heer Jezus niet. Hierdoor raakten ze helemaal van streek. Plotseling stonden er twee mannen in stralende gewaden bij hen. Ze werden door schrik bevangen en sloegen de handen voor hun ogen. De mannen zeiden tot hen: “Waarom zoekt u de levende onder de doden?” ↩
R.S. Thomas was een dichter die veel hield van Wales, iemand die ook vaak werd beschouwd als een Welsh nationalist.
Het onderhavige gedicht heet A Welsh Testament, en het werpt weliswaar enig licht op deze kwestie, maar het is niettemin een echt gedicht, zelfs een sterk en ontroerend gedicht, met een frappante pointe.
Hier kunt u horen hoe het gedicht klinkt als het wordt voorgelezen door de dichter zelf. Bedenk: klank is voor elk gedicht zeer belangrijk!
Hier kunt u het gedicht nalezen (even twee keer op ‘volgende’ klikken, want de link opent in de inhoudsopgave).
Het gedicht levert een vertaalprobleem op dat ik nog niet bevredigend heb opgelost. Het geluid van de wind wordt weergegeven met honing, honing, een woord dat zowel het betreffende geluid van de wind als de betekenis ‘slijpend’ weergeeft. Mijn voorlopige oplossing is om het ‘slijpen’ in de voorafgaande regel te gebruiken, en om het woord ‘honing’ – toevallig ook een Nederlands woord – om de klank te handhaven. Goed is het niet, want ‘honing’ richt in het Nederlands de geest op betekenissen die niet ter zake doen, maar voorlopig weet ik niks beters.
Het doet een beetje denken aan Karel van het Reve die de verleiding bijna niet kon weerstaan om een gedicht van Chodasevitsj dat in het Russisch begint met Ja, ja, ja, … (wat betekent: Ik, ik, ik…) naar het Nederlands te vertalen met Ja, ja, ja…
Glyn Dwr was een Welsh leider, de laatste inheemse Prince of Wales, iemand die vocht voor Welshe onafhankelijkheid, een soort vader des (niet bestaanden) vaderlands.
Vertaling:
Een Welsh testament
Inderdaad, ik was Welsh. Maakt het uit?
Ik sprak een taal die mij werd doorgegeven
op de plaats waar ik nu eenmaal was,
een plaats opeengehoopt tussen grijze muren
van mist voor minstens de helft van het jaar.
Mijn woord voor hemel was niet de jouwe.
Het woord voor hel had een scherp randje,
geslepen door de hand van de wind:
oewing, oewing, dag en nacht,
met een schril geluid. Glyn Dwr wist niks
van een harnas tegen regenprojectielen;
wat hebben we aan hem te danken?
Zelfs God had een Welshe naam:
we spraken tot hem in de taal der vaderen;
Hij zou zich vooral bekommerd hebben
om het Welshe volk. De geschiedenis liet zien
dat hij te groot was om hem aan de muur
van een stenen kerkje te spijkeren, maar toch
propten we hem tussen de kaften van een zwart boek.
Desondanks keek men naar ons.
Mijn hoge jukbeenderen, mijn schedellengte
trok hen aan, als naar een zeldzaam portret
van een dode meester. Ik zag hen staren
uit hun lange auto’s, als mijn buste langs kwam
tussen ooien en hamels. Ik zag hen staan
bij de doornhagen, als ik de verre kudden
bijeen dreef met een schelle fluittoon.
En altijd waren daar hun ogen; ik voelde
de sterke druk: Je bent Welsh, zeiden ze;
spreek ons zo aan; houd jouw land vrij
van benzinegeur, van het luide gebrul
van hete tractoren. Vrede
willen we, en rust.
Is een museum
vrede, vroeg ik. Ben ik de hoeder
van de relieken van het hart, iemand die de stof
in zijn eigen ogen blaast? Ik ben een man;
ik heb nooit de taaie rol gewild die het leven
me toebedeelde, een acteur die speelde
voor een publiek van vroeger op een toneel
van aarde en steen; het absurde etiket
van afkomst, van ras, dat scheef
over mijn schouders hangt. Ik was gekerkerd
totdat jij kwam; jouw stem was een sleutel
die draaide in het reusachtige slot
van de uitzichtloosheid. Ging de deur open
om mij eruit of jou erin te laten?
[Een paar verbeteringen aangebracht op 12 februari 2016]
Oorspronkelijk gedicht:
A Welsh Testament
All right, I was Welsh. Does it matter?
I spoke a tongue that was passed on
To me in the place I happened to be,
A place huddled between grey walls
Of cloud for at least half the year.
My word for heaven was not yours.
The word for hell had a sharp edge
Put on it by the hand of the wind
Honing, honing with a shrill sound
Day and night. Nothing that Glyn Dwr
Knew was armour against the rain’s
Missiles. What was descent from him?
Even God had a Welsh name:
We spoke to him in the old language;
He was to have a peculiar care
For the Welsh people. History showed us
He was too big to be nailed to the wall
Of a stone chapel, yet still we crammed him
Between the boards of a black book.
Yet men sought us despite this.
My high cheek-bones, my length of skull
Drew them as to a rare portrait
By a dead master. I saw them stare
From their long cars, as I passed knee-deep
In ewes and wethers. I saw them stand
By the thorn hedges, watching me string
The far flocks on a shrill whistle.
And always there was their eyes; strong
Pressure on me: You are Welsh, they said;
Speak to us so; keep your fields free
Of the smell of petrol, the loud roar
Of hot tractors; we must have peace
And quietness.
Is a museum
Peace? I asked. Am I the keeper
Of the heart’s relics, blowing the dust
In my own eyes? I am a man;
I never wanted the drab role
Life assigned me, an actor playing
To the past’s audience upon a stage
Of earth and stone; the absurd label
Of birth, of race hanging askew
About my shoulders. I was in prison
Until you came; your voice was a key
Turning in the enormous lock
Of hopelessness. Did the door open
To let me out or yourselves in?
Het korte gedicht De dans van R.S. Thomas behoeft weinig toelichting. Het roept op een geresigneerde manier het verlangen op naar de verloren jeugd van een oude man. Het is een treffend gedicht, vind ik, al is het verre van triviaal. Het is vooral een intens en lyrisch gedicht, zonder de sentimentaliteit waardoor voor mijn gevoel vrij veel populaire liedjes en gedichten worden ontsierd.
Het rijm jaren/haren was tijdens het vertalen onopzettelijk ontstaan. Ik heb het gehandhaafd; het stoort zeker niet, en geeft misschien zelfs iets van de spanning terug die onvermijdelijk wegebt in elke poëzievertaling.
Het oorspronkelijke gedicht is te vinden in Collected poems, 1945-1990. Zie hier.
Een interessant interview met de dichter is hier te vinden.
Vertaling:
De dans
Ze is jong. Heb ik het recht
Haar naam maar te noemen? Kind,
Het is geen liefde die ik bied
Aan jouw soepele leden, jouw ogen;
Slechts de dorre hulde
Van een oude man die door de tijd
Wordt gekruisigd. Neem in de dans
Voor even mijn hand,
Negeer zijn steelse druk,
De schrale hunkering van de jaren,
En leid me onder het jonge loof
Van de onschuld. Laat mij mijn jeugd
Opnieuw ruiken in jouw haren.
Oorspronkelijk gedicht:
The Dance
She is young. Have I the right
Even to name her? Child,
It is not love I offer
Your quick limbs, your eyes;
Only the barren homage
Of an old man whom time
Crucifies. Take my hand
A moment in the dance,
Ignoring its sly pressure,
The dry rut of age,
And lead me under the boughs
Of innocence. Let me smell
My youth again in your hair.
Auden was nog maar kort in Amerika toen William Butler Yeats (1939) overleed. Hij schreef een In Memoriam-gedicht dat later nog wat werd uitgebreid, en nog weer later werd besnoeid, en dat uiteindelijk heel beroemd is geworden, vooral door de regel: For poetry makes nothing happen, waarmee, zoals vaak beweerd wordt, een generatie afscheid nam van zijn intellectuele pretenties en politieke illusies.1
De strofen 2 t/m 4 van deel III werden door Auden later geschrapt, vooral omdat hij af wilde van de niet al te eerbiedige strofe waarin Kipling en Claudel worden genoemd. Ze zijn hier wel vertaald – de Kipling/Claudel-strofe eveneens wat oneerbiedig, zij het misschien ook een beetje vrij. Deze strofen zijn op deze website tussen vierkante haken geplaatst, zowel in de vertaling als in het origineel.
Deel III heeft verder eerder een eerbiedige dan een oneerbiedige klank. De dichter wordt voortdurend aangespoord om te loven en te danken en te prijzen. Onwillekeurig moet je denken aan de woorden die Christopher Isherwood in 1937 over hun samenwerking sprak:
“when we collaborate, I have to keep a sharp eye on him – or down flop the characters on their knees . . .: another constant danger is that of choral interruptions by angel-voices. If Auden had his way, he would turn every play into a cross between grand opera and high mass.”
Hier kunt u Auden beluisteren die het gedicht voordraagt.
En hieronder kunt u de geluidsopname van de vertaling beluisteren. De stem is die van de vertaler – van mijzelf dus.
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling:
In Memoriam William Butler Yeats
I
Hij ging heen in het holst van de winter: Beekjes bevroren, luchthavens vrijwel verlaten, Standbeelden misvormd door de sneeuw; Het kwik daalde in de keel van de stervende dag. Al onze instrumenten zijn het eens: De dag van zijn dood was donker en koud.
Ver van zijn ziekbed Draafden wolven door eeuwig groene bossen, Het kreekje negeerde de hippe boulevards; Volgens klaagzangers Liet de dood van de dichter zijn gedichten met rust.
Maar voor hem was het de laatste middag als zichzelf, Een middag met zusters en fluisterpraat; De gewesten van zijn lichaam lagen dwars, De pleinen van zijn geest waren leeg, Stilte daalde neer in de buitenwijken, Zijn gevoelsstroom stokte; hij werd zijn bewonderaars.
Hij ligt verstrooid over zo’n honderd steden, En is is overgeleverd aan bijval van vreemden, Moet z’n geluk vinden in een andersoortig landschap, Wordt afgemeten aan een uitheemse moraal. De woorden van een dode Worden omgevormd in de darmen van de levenden.
Maar in al het gedoe en het tumult van morgen, Als handelaars op de beurs weer zullen brullen als beesten, En armen de moeiten verduren waaraan ze haast al gewend zijn, En ieder in de cocon van het ik meent zeker te zijn van zijn vrijheid, Zullen een paar duizend terugzien op deze dag Zoals je terugziet op een dag waarop je iets hoogst ongewoons deed. Al onze instrumenten zijn het eens: De dag van zijn dood was donker en koud.
II
Je doolde als wij; je begaafdheid was sterker: Congregaties van rijke vrouwen, fysieke aftakeling, Jouzelf. Het dwaze Ierland pijnigde je tot poëzie. Ierland heeft haar dwaasheid en klimaat nog steeds; Dichtkunst schept geen daden: zij springt tevoorschijn In het moeras waar zij gemaakt wordt, waar makers Streng zijn, stroomt dan zuidwaards, Weg van de hoven der eenzaamheid, het drukke gezeur, Achterlijke stadjes waarin we geloven en sterven; zij schiet over, zij gebeurt gewoon, een mond.
III
Aarde, opent nu met ere, Opdat Yeats kan wederkeren. Laat het Ierse vat verzinken, Verzen zijn al uitgeschonken.
Tijd die nimmer tolereert Wat kwetsbaar is, en zich afkeert In een oogwenk of een uur Jegens menig mooi figuur,
Aanbidt de taal en zij vergeeft Iedereen door wie zij leeft; Aanvaardt ook angst en wankelmoed, Legt eerbewijzen aan hun voet.
Zodoende schonk de Tijd terecht Aan Kipling ooit genâ voor recht, En schonk ook aan Claudel genâ, Genâ voor brille en blabla.
In de angstdroom van het donker Blaffen alle bange honden, Elke Europese natie-staat Ligt gekluisterd in zijn haat.
Het intellectueel echec Schendt elk gelaat en elk gesprek, En in ieders oog verloren Ligt het meelij vastgevroren.
Ga nu, dichter, ga op jacht Naar de bodem van de nacht, Laat je stem ons blijvend wijzen Op de noodzaak om te prijzen.
Verzen kweken, verzen snoeien, Laat in vloek een wijngaard groeien, Zing van falen, doem en dood In vervoering van uw nood.
Geef de heilfontein een start, In woestijnen van het hart; Aan zijn dagen vastgeklonken, Leer de vrije mens te danken.
He disappeared in the dead of winter:
The brooks were frozen, the airports almost deserted,
The snow disfigured the public statues;
The mercury sank in the mouth of the dying day.
What instruments we have agree
The day of his death was a dark cold day.
Far from his illness
The wolves ran on through the evergreen forests,
The peasant river was untempted by the fashionable quays;
By mourning tongues
The death of the poet was kept from his poems.
But for him it was his last afternoon as himself,
An afternoon of nurses and rumours;
The provinces of his body revolted,
The squares of his mind were empty,
Silence invaded the suburbs,
The current of his feeling failed; he became his admirers.
Now he is scattered among a hundred cities
And wholly given over to unfamiliar affections,
To find his happiness in another kind of wood
And be punished under a foreign code of conscience.
The words of a dead man
Are modified in the guts of the living.
But in the importance and noise of to-morrow
When the brokers are roaring like beasts on the floor of the Bourse,
And the poor have the sufferings to which they are fairly accustomed,
And each in the cell of himself is almost convinced of his freedom,
A few thousand will think of this day
As one thinks of a day when one did something slightly unusual.
What instruments we have agree
The day of his death was a dark cold day.
II
You were silly like us; your gift survived it all:
The parish of rich women, physical decay,
Yourself. Mad Ireland hurt you into poetry.
Now Ireland has her madness and her weather still,
For poetry makes nothing happen: it survives
In the valley of its making where executives
Would never want to tamper, flows on south
From ranches of isolation and the busy griefs,
Raw towns that we believe and die in; it survives,
A way of happening, a mouth.
III
Earth, receive an honoured guest:
William Yeats is laid to rest.
Let the Irish vessel lie
Emptied of its poetry.
[Time that is intolerant
Of the brave and the innocent,
And indifferent in a week
To a beautiful physique,]
[Worships language and forgives
Everyone by whom it lives;
Pardons cowardice, conceit,
Lays its honours at their feet.]
[Time that with this strange excuse
Pardoned Kipling and his views,
And will pardon Paul Claudel,
Pardons him for writing well.]
In the nightmare of the dark
All the dogs of Europe bark,
And the living nations wait,
Each sequestered in its hate;
Intellectual disgrace
Stares from every human face,
And the seas of pity lie
Locked and frozen in each eye.
Follow, poet, follow right
To the bottom of the night,
With your unconstraining voice
Still persuade us to rejoice.
With the farming of a verse
Make a vineyard of the curse,
Sing of human unsuccess
In a rapture of distress.
In the deserts of the heart
Let the healing fountains start,
In the prison of his days
Teach the free man how to praise.
Terzijde: als deze bewering juist is, als dit afscheid inderdaad zou hebben plaatsgevonden, als de intellectuelen hun pretenties en illusies daadwerkelijk zouden hebben afgezworen, zou dat een gebeurtenis van belang zijn, met als paradoxaal gevolg dat een versregel die stelt dat verzen geen gebeurtenissen scheppen, een gebeurtenis van belang heeft geschapen. Maar misschien is het verwerpen van een eerder gekoesterde dwaling niet een gebeurtenis in de hier bedoelde zin des woords. En of de intellectuelen hun pretenties en illusies daadwerkelijk massaal hebben afgezworen, kan op goede gronden worden betwijfeld. ↩
Zefier keert terug en voert het geurend kruid,
De bloemen, de warmte – zijn nazaten – mee,
Prokne die kwettert, Filomeel die huilt,
Een nieuwe lente maakt in vermiljoen entree.
De hemel licht op, en de akker juicht,
Jupiter ziet naar zijn dochter, tevree;
En niet langer houdt de liefde zich schuil,
Alles verzoent zich: de elementen, het vee.
Maar, ach, voor mij keren slechts de benarde
zuchten weer, die zij ontlokte aan de kwartieren
van het hart, welks sleutels de hemel bewaarde:
En de vogelzang, de bloemen die welig tieren,
De lieve vrouwen en hun goede daden,
Zijn rimboe voor mij, vol woeste en snode dieren.
De oudste en zuiverste sonnetvorm is het Italiaanse sonnet, dat ook wel Petrarca-sonnet wordt genoemd. Het Italiaanse sonnet bestaat uit veertien regels, twee kwatrijnen (strofen van vier regels), en twee terzinen (strofen van drie regels). De twee kwatrijnen heten samen het octet; de twee terzinen heten samen het sextet. Tussen het octet en het sextet bevindt zich een wending (ook wel volta of chute genoemd), wat betekent dat de dichter het na de achtste regel opeens over een andere boeg gooit: hij/zij wisselt van perspectief, brengt een tegenstelling aan, trekt conclusies uit de voorafgaande sfeerimpressie, of doet na die achtste regel anderszins iets verrassends.
Het rijmschema is streng. In de meest strikte vorm komen er maar vier rijmklanken voor in een Italiaans sonnet: twee in het octet (abba abba) en twee in het sextet (cdc dcd). Het rijmschema in het onderhavige sonnet is hierop een even strenge variant: abab abab cdc dcd.
Het metrum is vaak een jambische vijfvoet: tien of elf lettergrepen met een afwisseling van onbeklemtoonde en beklemtoonde lettergrepen, beginnend met een onbeklemtoonde lettergreep. Er zijn tien lettergrepen als de regel eindigt op een staand of mannelijk rijm (stoep/poep) en elf lettergrepen als de regel eindigt op een vrouwelijk of slepend rijm (billen/gillen). Op de plek waar je een beklemtoonde lettergreep verwacht (heffing) mag ook een onbeklemtoonde staan. (Andersom – een beklemtoonde lettergreep waar je een onbeklemtoonde verwacht – mag ook wel, maar alleen als daarmee een bepaald effect wordt beoogd.) Een voorbeeld van een gewone jambische vijfvoet is:
Ik gíng naar Bómmel om de brúg te zien.
(om en zien staan op de plaats van een beklemtoonde lettergreep of heffing, maar je leest ze zonder nadruk.)
De sonnetten van Shakespeare zijn heel anders; ze voldoen niet aan bovengenoemde vormkenmerken. Het zijn eigenlijk drie kwatrijnen die worden afgesloten met twee rijmende regels. De drie kwatrijnen kennen soms wel een wending na het tweede kwatrijn, maar vaak ook niet; er wordt dan toegewerkt naar een soort climax. De rijmende slotregels zorgen voor een pointe. Er zijn bij Shakespeare meestal twee rijmklanken per kwatrijn, en elk kwatrijn heeft een eigen paar rijmklanken.
Zefiro torna, e ‘l bel tempo rimena,
e i fiori e l’erbe, sua dolce famiglia,
et garrir Progne et pianger Filomena,
le primavera candida e vermiglia.
Ridono i prati, e ‘l ciel si rasserena;
Giove s’allegra di mirar sua figlia;
l’aria e l’acqua e la terra è d’amor piena;
ogni animal d’amar si riconsiglia.
Ma per me, lasso, tornano i più gravi
sospiri, che del cor profondo tragge
quella ch’al ciel se ne portò le chiavi;
e cantar augelletti, e fiorir piagge,
e’n belle donne oneste atti soavi
sono un deserto, e fere aspre e selvaggie.
Zefiro = Zephyros, is in de Griekse mythologie de personificatie van de westenwind. Hij wordt in het Nederlands ook wel Zefier genoemd.
Progne en Filomena (Prokne/Procne en Philomela) zijn dochters van de Atheense koning Pandion I: Prokne verandert in een zwaluw, en Philomela (in het Nederlands ook Filomeel) verandert in een nachtegaal.
De wending is dat in de beide kwatrijnen eerst de westenwind wordt opgevoerd die het voorjaar brengt met alle aangenaamheid en zoetheid die daar bij hoort, maar dat deze lieflijkheid in de beide terzinen met het grote leed van de dichter wordt gecontrasteerd, die – helaas – zijn geliefde (Laura, i.c. Petrarca’s muze) moet missen, omdat zij er niet meer is (zij heeft immers de sleutels van zijn hart aan de hemel toevertrouwd).
In mijn vertaling heb ik niet een jambische vijfvoet, maar een jambische zesvoet toegepast, die bovendien – je zult dat bij het voorlezen wel merken – een ritmische tweedeling kent: er is een soort breuk in het midden. Een dergelijk metrum wordt een alexandrijn genoemd. Alexandrijnen vind je bijvoorbeeld ook in de sonnetten van P.C. Hooft. Ten opzichte van een strikte jambische zesvoet, heeft de alexandrijn wel eens een extra onbeklemtoonde lettergreep in het midden, bij de breuk.
De alexandrijn in mijn vertaling is vrij onregelmatig. Ook openen verschillende regels die wel jambisch (eerst onbeklemtoond en dan beklemtoond) eindigen, met een trochee (eerst beklemtoond en dan onbeklemtoond). Het geheel is wel ritmisch voor te lezen.
Hij, Zefier, is terug, en voert het zachte weer,
De bloemen, kruiden – zoete bloedverwanten – mede,
Prokne die kwettert, Filomeel die klaaglijk kwinkeleert,
De ongerepte lente, vermiljoen en teder.
De velden juichen, en de hemel lumineert:
Jupiter staart naar zijn dochter, innig tevreden;
Aarde, water en lucht, ze zijn in liefde geëerd;
De schepping verzoent zich, in toegenegen vrede.
Maar, ach, voor mij slechts de weerkerende benauwde
zuchten, die zij ontlokte aan de zwartste kwartieren
van het hart, welks sleutels zij de hemel toevertrouwde:
En de vogelzang, de bloemen die welig tieren,
De deugdzame daden der allerliefste vrouwen,
Zijn mij slechts wildernis, vol woeste en gekwelde dieren.
Ik heb het voornemen om hetzelfde gedicht nog eens te vertalen, maar dan met een strikt toegepaste jambische vijfvoet als metrum.
Mijn gebrekkige beheersing van het Italiaans heb ik mede aangevuld met wat de vertaling van Antony S. Kline mij over de betekenissen leerde.
Mijn vertaling van het gedicht The Road Not Taken van Robert Frost heeft een eervolle vermelding gekregen bij de poëzievertaalwedstrijd die in 2016 georganiseerd werd door De Bibliotheek Huizen-Laren-Blaricum, i.s.m. Stichting Kunst en Cultuur Huizen, het Kunst- en Cultuurcafé Huizen en met steun van Flevo Boekhandel Huizen.
Informatie over de wedstrijd vindt u hier. Er waren 33 vertalers die een vertaling hadden ingezonden. Er waren twee prijzen en een eervolle vermelding.
De jury bestond uit Henk Aertsen, oud-docent Engelse Taal- en Letterkunde van de Middeleeuwen en oud-docent Literair Vertalen aan de VU, Wil Hordijk, oud-docent Engels en Culturele en kunstzinnige vorming aan het Erfgooiers College Huizen en schrijver, en Roxane van Iperen, jurist en dichter/schrijver.
De bekendmaking van de uitslag, de vertalingen die de eerste en tweede prijs hebben ontvangen, en het juryrapport vindt u hier.
Hier is een opname van Robert Frost zelf die het gedicht voordraagt.
Voordat ik met mijn vertaling voor de dag kom, moet ik allereerst vertellen dat ik een curieuze vergissing heb begaan. Ik had het gedicht van Frost gekopieerd van de bibliotheekwebsite en in mijn tekstverwerkingsprogramma (Word) geplakt, met weglating van de meegekopieerde HTML-opmaak. Bij het plakken waren ook de witregels die de strofescheiding markeren, verdwenen. Deze witregels voegde ik uiteraard vervolgens handmatig weer toe, en ik sloeg aan het vertalen. Maar ik had bij het toevoegen van de witregels per abuis vijf strofen van vier regels gecreëerd, in plaats van de originele vier strofen van vijf regels. Omdat ik me, mede als gevolg van die fout, ook nog een paar vrijheden met betrekking tot het rijmschema had veroorloofd, voldeed mijn vertaling niet helemaal aan de (gerechtvaardigde) vormeisen van de jury. Pas tijdens de prijsuitreiking werd mij duidelijk dat ik iets verkeerd had gedaan. En pas enige tijd na die uitreiking begon de akelige toedracht mij te dagen.
Bij het vertalen had ik overigens wel een paar keer de gedachte in me voelen opkomen dat Frost een merkwaardige strofe-indeling had gekozen, maar met de rotsvaste zekerheid die de ware broddelaar kenmerkt, had ik het niet nodig geoordeeld mijn kopie nog eens met de bron te vergelijken.
Gelukkig vond de jury de vertaling verder wel erg geslaagd.
Het moeilijkste bij de vertaling van dit gedicht is het aanbrengen van een natuurlijk ritme, de toepassing van een alledaagse woordkeus, en het herscheppen van een in vrij strakke versvorm gegoten parlando.
Dan nu mijn vertaling (met de foute witregels):
Het pad dat ik niet nam
In een geel bos gingen twee paden uiteen. Jammer dat ik ze niet allebei kon gaan, En als ondeelbare wandelaar bleef ik staan En keek een tijdlang waar er één,
Heel in de verte, in het lage groen verdween; Nam toen het tweede, dat als je het goed bekeek, Eigenlijk betere aanspraken had, Omdat het grazig was en ongerept leek.
Maar wat begaanbaarheid betreft, al snel bleek Dat ze elkaar niet veel ontliepen, dat Beide deze morgen waren bedekt met blad Waarop nog geen voetzool getreden had.
O, het eerste komt later aan de beurt! Maar wetend hoe onomkeerbaar paden zijn, Vroeg ik me af of ik het terug zou zien. Ooit zal ik dit vertellen, enigszins verscheurd,
Hoe ik tijden, tijden geleden heb gedwaald; Twee paden gingen in een bos uiteen, en ik – ik had Gekozen voor het minst gebaande pad, En dat heeft al wat volgde toen bepaald.
De avond waarop de prijzen werden uitgereikt (27 januari 2016), een speciale editie van het maandelijks kunstcafé Huizen, vond plaats in Theater De Boerderij in Huizen en was bijzonder onderhoudend. De organisatoren waren Thom Schuitemaker (Bibliotheek Huizen-Laren-Blaricum), die een beschouwing over Frosts gedicht had gemaakt en voorlas, Fransje Sydzes, actrice/voordrachtskunstenaar, Nol van Bennekom, oud-journalist, -redacteur en muzikant, en Frans R. Bianchi, voorzitter Stichting Kunst & Cultuur Huizen.
Maartje van Weegen presenteerde de avond, Fransje Sydzes en Ani Avramova traden samen op; Sydzes droeg gedichten voor (o.a. M. Vasalis, Remco Campert), Avramova omlijstte de voordracht met pianospel (Chopin), Joop Daalmeijer maakte met een smakelijk vertelde en voor mij niet geheel begrijpelijke anekdote de prijswinnaars bekend, en ten slotte zongen Joop Visser en Jessica van Noord een aantal soms dromerige, vaak sardonische en altijd vermakelijke liedjes.
Het was heel slecht weer die avond: het regende dat het goot, het woei zeer hard, de onverlichte snelweg lag op de terugweg vol met regenplassen, de strepen op de weg waren bijna niet te zien, er werd gewaarschuwd voor slipgevaar. U begrijpt dat ik met gevaar voor eigen leven de eervolle vermelding in ontvangst heb genomen:
Volgens de dichter J.C. Bloem zijn de twee grote verlangens in een mensenleven het verlangen naar liefde en het verlangen naar eer. Ik geloof wel dat dat waar is.
De prijs was een geschilderd portret van Adele door de de tekenaar/schilder Olaf Schouw. Een ensemble-foto van de prijsuitreiking vindt u hier. Ik sta als derde van links, tussen Wil Hordijk en Joop Daalmeijer, met het geschilderde portret van Adele in mijn handen.
De voor dit gedicht relevante passage uit het juryrapport luidde:
De eervolle vermelding gaat naar de inzender die in haar of zijn vertaling de structuur van het gedicht heeft aangepast, in plaats van vier strofen van vijf regels koos deze inzender voor vijf strofen van vier regels. Dat is de reden waarom de jury besloot hem of haar geen prijs maar een eervolle vermelding toe te kennen: tegenover de andere inzenders zou een prijstoekenning niet te rechtvaardigen en niet eerlijk zijn. Zijn of haar vertaling is heel poëtisch en ritmisch, leest makkelijk, kortom leest als een echt gedicht.
Foto van de prijsuitreiking (Ik sta met het portret van Adèle in mijn handen tussen Joop Daalmeijer en Wil Hordijk)
Origineel:
The Road Not Taken
Two roads diverged in a yellow wood, And sorry I could not travel both And be one traveler, long I stood And looked down one as far as I could To where it bent in the undergrowth;
Then took the other, as just as fair, And having perhaps the better claim, Because it was grassy and wanted wear; Though as for that the passing there Had worn them really about the same,
And both that morning equally lay In leaves no step had trodden black. Oh, I kept the first for another day! Yet knowing how way leads on to way, I doubted if I should ever come back.
I shall be telling this with a sigh Somewhere ages and ages hence: Two roads diverged in a wood, and I – I took the one less traveled by, And that has made all the difference.
In dit een-en-tachtigste sonnet van de beroemdste dichter uit het Engelse taalgebied, William Shakespeare (1564-1616), vindt een grappige omkering plaats: de dichter zal worden vergeten, maar de aanbedene zal altijd voortleven, dankzij het vers dat u bezig bent te lezen.
In werkelijkheid is het uiteraard andersom: we kennen wel Shakespeare – enigszins althans – maar naar de naam van de aanbedene wordt al eeuwenlang gegist.
Het is een Shakespeare-sonnet, en het wijkt dus af van het Italiaanse sonnet in de traditie van Petrarca. Een Shakespeare-sonnet heeft de wending of volta na de twaalfde regel, direct dus voorafgaand aan de afsluitende slotregels die de pointe bevatten.
Het gedicht verscheen in 1609 in een bundel van 154 sonnetten.
Dit gedicht behoeft eigenlijk geen toelichting.
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling:
Sonnet 81
Of ík leef nog, en zal jouw grafschrift schrijven, of jíj blijft hier, als ik voorgoed verdwijn. maar dan: jouw heugenis zal altijd blijven, van mij zal geen restant meer over zijn.
Jouw naam wacht roemrijk ‘t eind der tijden af, de mijne vindt beslist vergetelheid. De aarde biedt mij slechts een simpel graf, terwijl jij in ons hart wordt bijgezet.
Mijn teder vers is straks jouw monument, dat ongeschapen ogen ooit nog zullen lezen, en door de tong van straks niet wordt miskend, als ieder die nu ademt dood zal wezen.
Jij leeft nog voort, door wat mijn pen vermocht; waar adem is, troon jij op ieders ademtocht.
Zojuist (25-1-2016) tot mijn afgrijzen ontdekt dat mijn twaalfde regel identiek is aan de twaalfde regel in de (mooie) vertaling van Arie van der Krogt – een vertaling die verder gelukkig niet al te zeer op de mijne lijkt.
Sonnet 81
Or I shall live your epitaph to make,
Or you survive when I in earth am rotten.
From hence your memory death cannot take,
Although in me each part will be forgotten.
Your name from hence immortal life shall have,
Though I, once gone, to all the world must die.
The earth can yield me but a common grave
When you entombèd in men’s eyes shall lie.
Your monument shall be my gentle verse,
Which eyes not yet created shall o’er-read,
And tongues to be your being shall rehearse
When all the breathers of this world are dead.
You still shall live – such virtue hath my pen –
Where breath most breathes, even in the mouths of men.