Ik werd geboren om tien voor zeven. Mijn klas zat vol met achternichten. “Dubbele weegschaal”, zei m’n vriendin, “dat moest wel tobben worden”.
Ik lag tussen de forsythia’s naast een slapende egel en een dode merel die ik hoorde jubelen. Buiten mezelf was ik van vreugde.
Jarenlang leefde ik van bijna niks. Als je niks hebt kun je alleen kleine dingen voor een ander doen. Er bestaat een metafysica van niks.
Nu komen de mensen met sinterklaas naar me toe omdat ik rijmen kan. “Hoger kun je”, zei ik, “niet komen dan door te gaan liggen tussen de forsythia’s.”
Ik loop in streken waar de doden zijn. Ze staan daar wat te grijnzen langs de sloot. Die op de kale takken zitten, zijn niet groot. Maar goed dat hier geen Tien Geboden zijn.
Ik denk dat men de grot juist daarom sloot. Er zal toch wel een cijfercode zijn? Bij Trakl is soms sprake van een rode pijn. Een engel wacht nu naast een rots van lood.
De schedellijn vergt nog wat doodsbeheer. Geen mens heeft nog het graf gelekt. De doden vormen straks een polymeer
die zich langs evenaar en keerkring strekt. Men geeft die als een stippellijntje weer. De streng hoeft niet te worden opgerekt.
Ik heb geen blauwdruk voor globale dingen, Heb nooit van droefenis gezongen, Ben geen profeet, Al heb ik menigeen vervloekt; Ik heb nog nooit tot God gebeden Zonder woede, Of iemand ergens heen gesleept Die liever moe was, Al zou dat beter zijn geweest. Ik wist haast nooit wat mij bezielde, Geen hond wist wat ik waarom deed, “Want God is liefde en de liefde wreed”.
Ik heb geen hoge dunk van zingen, En van de onuitputtelijke longen, Der duivelszonen, Al sla ik munt uit elke pijn. Ik ken de larmoyante tonen Zonder einde, De liederen van eeuwigheid; In mij woedt niet het vredesheimwee, Of het beraad der psychologen, Al is het onmiskenbaar zo, Dat menig haantje onverdroten Droomt van welgeschapen kippenpoten.
Ik ben de burchtheer van de Merovingen En zie de buien al weer hangen Van hoenderdons, En de vergulde marsepeinen Straten die zich thans Wellustig door u laten tongen. Wie kan de Kaka-dans ontspringen? Kopergoden zullen schijnen, Terwijl die eindeloze Hoogst abjecte en zeer globale dingen In onze hoofdpijn zijn gegrift Als kakelende, wezenloze, eindeloze
Een jeu d’esprit uit ongeveer dezelfde tijd (1993) als het vorige rijmsel – Vrees en beven. Dit vers is weliswaar even godsdienstwaanzinnig als het vorige, maar het is toch wat lichter van toon.
FQI – Fides Quaerit Intellectum (geloof zoekt begrip) – is de naam van de vrijgemaakt-gereformeerde studentenvereniging in Kampen. Dat was de vereniging waar de toekomstige dominees lid van waren (en zijn). Door anderen – hier ligt hoogmoed op de loer – werd daar soms Fides Quadrat Intellectum (geloof ordent/voltooit/voegt een dimensie toe aan/kwadrateert het denken) van gemaakt. Zie dit stuk van K. Schilder uit 1950 in De Reformatie, later herdrukt in de Kamper Studentenalmanak.
De naam van de studentenvereniging is ontleend aan de Proslogion van Anselmus van Canterbury (1033-1109) – de alternatieve titel van die verhandeling luidt soms ook wel Fides Quaerens Intellectum (geloof op zoek naar begrip). De Proslogion brengt het beroemde ontologische godsbewijs van Anselmus onder woorden.
Geluidsopname:
Geluidsopname van het gedicht
Fides Quadrat Intellectum
Sinds ik een God ben schrijf ik rondzendbrieven. (Ik ben een tijd in therapie geweest, maar wie zichzelf aanvaarden kan, geneest.) Mijn hanepoten werden hiëroglyphen,
waaruit terstond zich wijsheden verhieven die heilzaam zijn voor ieder die ze leest, mits toegewijd, godvruchtig, onbevreesd! (Laat niemand zich door achterdocht ontrieven.)
Ik ben verzot op eschatologie: wij leven nu in barre, boze tijden; men doet maar, klampt zich vast aan god-weet-wie,
al was het maar om keuzes te vermijden, en niet te doen wat Ik als noodzaak zie: Mijn Eer, Mijn Leer, Mijn Grote Naam belijden.
Bijgaand rijmsel schreef ik op 6 oktober 1993. Ik was toen 29 jaar.
Het is geen goed gedicht – het is eigenlijk helemaal geen gedicht. Het is de wanhopige klacht van iemand die in een sektarische geloofsgemeenschap is opgegroeid – de Vrijgemaakt-gereformeerde kerken – iemand die ondanks wanhopige pogingen om loyaal te blijven ten langen leste ontdekt dat dat nooit zal gaan lukken.
Het rijmschema is net zo monomaan en obstinaat als ik was op het moment dat ik het schreef.
De enige zin die me ook bij teruglezen nog steeds wel enigszins bevalt is:
– men ziet soms uitersten elkander raken–.
De titel verwijst naar Kierkegaard.
Enfin, voor wie het verder interesseert:
Vrees en beven
Ik schreeuw ongaarne luidkeels van de daken. (Wie klaagt, hij klage met een tong van lood.) Ik leef alleen, ook ’s nachts, en droom van draken die blazen, bijten tot de laatste stoot.
Ik durf niet tot een dominee te naken, bang als ik ben dat hij een idioot verhaal ophangt over De Dag der Wrake, en liefst verbiedt wat God niet eens verbood.
Voor ketters is van geen vergeving sprake; de God des Heils veroordeelt en verstoot al wie de band met kerk en godsdienst slaken: ze zullen eeuwig branden na hun dood.
Genoegen weet zo’n godsknecht vaak te smaken in dat wat mij ontstelde en verdroot: de beeldenstorm, de hel en zulke zaken, kunsthaat, het rinkelen van glas-in-lood.
Hij wil mij Gode welgevallig maken, – “Vouw toch je handen, maak je knieën bloot” –, een kerkganger, een dankbare diaken, een ouderling, een frenetiek zeloot.
Als hij Calvijn aanwijst als lichtend baken, of mij tot Christus en ter kerke noodt – men ziet soms uitersten elkander raken –, nog liever sterf ik of ik blijf neuroot.
Wanneer de preektoon mij bijkans doet braken – de kleur van mijn gelaat wordt langzaam rood –, houd ik opeengeklemd mijn beide kaken en weiger categorisch Wijn en Brood.
Met hemelsleutels tracht men te bewaken wat mensen aanzien voor wat God gebood, en wat het leven aangenaam kan maken, helaas, is in het licht der Schrift slechts schroot.
Ik heb mijn hersens menigmaal doen kraken, bij God geklaagd mijn wanhoop en mijn nood. Of men het in mij prijzen wil of laken: het Heilsgeheim der Kerk is mij te groot.
Onrust ligt op ramkoers met de aarde. Een ruimteschip heeft zich al losgemaakt. De nachten worden sedertdien doorwaakt. De duiven koeren in de appelgaarde.
Men vloekt met hoon een oude en bebaarde schepper-god. Hopeloos heeft hij verzaakt, terwijl hij zich kennelijk heeft vermaakt toen hij zijn banvloek aan ons openbaarde.
Mijn tuin ligt vredig in het bleke licht. Een dwarrelende zwerm van zwarte kauwen vliegt ka-ka roepend langs de notenboom.
De mannen monkelen, terwijl de vrouwen snappen dat dit een zaak is van gewicht. De wereld gloeit nog na als in een droom.
Op Twitter trof ik een aardige gedachtewisseling aan over ‘het sublieme’ in de romantiek, een gedachtewisseling die met deze tweet begon. Ik deed deed de suggestie dat in de Nederlandse romantiek eerder sprake was van ‘het verhevene’ dan van ‘het sublieme, en noemde een boek waarin nader wordt ingegaan op dat ‘verhevene’.
Een sympathieke en erudiete plaatsgenoot, leraar Nederlands, iemand die deelnam aan die gedachtewisseling, merkte toen op:
“Lijkt me een geweldig boek, echt iets voor mij. Maar ja, je wil niet weten hoe hoog de toren nog is.”
Toen schreef ik, zonder daar aanvankelijk erg in te hebben, bijna een haiku waarvan alleen de langste regel de laatste was geworden: “Trede voor trede, gestadig omhoog, langzaam worden het stipjes.”
Ik heb deze bijna-haiku een beetje omgewerkt zodat aan de vormeisen van de haiku wordt voldaan.
Trede voor trede – Langzaam worden het stipjes – Het hoofd naar de wolk
strakke kuifjes scheefstaand op pratende hoofdjes rare kaketoes die konterfeitsels kakelen
woedende wenkbrauwen aardbol sprenkelend met giftige pedagoochempraat
niemand zal ooit meer deftig zijn niemand zal krakelieren zoals de zwanen vroeger krakelierden lyrisch krakelierden stervend zullen krakelieren in de kerker van hun hoofd
een twee een twee een twee drie opgemarcheerd naar de vette landerijen onverveerd en vanzelfsprekend ulieden warm aanbevelend
katers warm als geile broodjes spinnen op de vensterbank
hoe harder ik schreeuw hoe naakter de geeuw van al die krioelende kraaiende krakelierende kaketoes en hun onvolkomen naar de hemel reikende konterfeitsels
Ze waren warm, en, ja, ze wilden leven. Liefde wilden ze, voedsel, nutteloosheid, ze spartelden, ze knuffelden zo-even.
Het noodlot blijft aan kleine dingen kleven. Ze dansten in hun kooi van zorgeloosheid, ze waren warm, en, ja, ze wilden leven.
Het duurde eeuwig en het duurde even, alsof je in een rijpe abrikoos snijdt … Ze spartelden, ze knuffelden zo-even.
Het mes zal wat het nam niet kunnen geven. Het hachelijke leven in zijn broosheid. Ze waren warm, en, ja, ze wilden leven.
De snoetjes hielden niet bepaald van sneven. O, koene snijders in verstand en boosheid! Ze spartelden, ze knuffelden zo-even.
Het snoer viel niet in liefelijke dreven. Gebod voor wie aan dit memento schrijft: “Ze waren warm, en, ja, ze wilden leven, ze spartelden, ze knuffelden zo-even.”
Achter de bosrand valt de avondzon. Er is een uil die in zijn stilte vliegt. Ik hoor een stem die samenzwerend liegt. (De waarheid is al weken op de bon.)
Het gif zit onmiskenbaar in de bron. Al wat gebeurd is, heeft ons zeer gegriefd. ‘Misschien dat u een felle twist belieft?’ Geen woord is nog partij voor het kanon.
Het blanke leven is niet steeds naar wens. Verwoesten is wat ik in zwartheid deed. Het leven kent een prikkeldraden-grens.
Verwijt mij nooit wat ik mijzelf verweet. Ik maak – waar zijn de laatste bohemiens? – een fietstocht naar de zomen van het leed.
Er zit een wild konijntje op het gras. De wildernis is nu een voederbak. De vrijheid groeit voortreffelijk in een kas.
Beschaving is vergeten wie je was. Je zorgde dat het jou aan niets ontbrak. Er zit een wild konijntje op het gras.
Vergeefs zijn alle boeken die je las. Natuur sterft meestal in gehakketak. De vrijheid groeit voortreffelijk in een kas.
We produceren zuiver blauwzuurgas. Een meubelzaak ontwierp de ballenbak. Er zit een wild konijntje op het gras.
Rousseau verheerlijkte de wildebras. De schedel is een diamanten dak. De vrijheid groeit voortreffelijk in een kas.
Plafonds zijn dikwijls voor wie streeft van glas. Lof zij de authentieke schobbejak. Er zit een wild konijntje op het gras. De vrijheid groeit voortreffelijk in een kas.
Herstellen doen wij niks; wij halen neer.
Toen schiepen wij de vorm van Gods genade.
Wat mij belaagt, is dat wat ik begeer.
De liefde bleek ludiek geslachtsverkeer.
Vaak hebben wij elkaar voorgoed verraden.
Herstellen doen wij niks; wij halen neer.
Hoe goedertieren Hij ook was als Heer,
Zijn lijk stond op uit een betwiste wade.
Wat mij belaagt, is dat wat ik begeer.
De dood bleef ons ontglippen, telkens weer.
Er blijft emplooi voor de verroeste spade.
Herstellen doen wij niks; wij halen neer.
Wat Hij gezegd had, stolde tot een leer.
Wij maken nieuw, betreden verse paden.
Wat mij belaagt, is dat wat ik begeer.
Hij kwam van ver en daalde tweemaal neer.
Wij staan te staren op een koude kade.
Herstellen doen wij niks; wij halen neer.
Wat mij belaagt, is dat wat ik begeer.
De kikkers kwaken in de zwarte beek.
Een stille schaduw nadert hoog en snel.
De hemel is de voorhof van de hel.
Het goede nieuws is vrijwel altijd fake.
Maar weinig is wat het zojuist nog leek.
Een kikker kwaakt luidkeels ‘Immanuel’,
want driemaal heilig is het liefdesspel:
“En zeg tot wie geen tong heeft: ‘spreek’!”
De schaduw is een vorm van blasfemie.
Verlustigend en zwijgend ziet hij toe:
gekonkel, brouille, seks of sodomie,
het alsmaar kijken wordt hij nimmer moe.
De dood is domein van historici.
Vergankelijk vlees is eeuwig taboe.