Auteursarchief: Arie Sonneveld

Onbekend's avatar

Over Arie Sonneveld

In 1964 ben ik geboren in Berkel en Rodenrijs. In Wageningen studeerde ik tussen 1982 en 1989 Moleculaire Wetenschappen. Van 1994 tot 2000 werkte ik als leidinggevende bij academische boekhandels in Utrecht en Leiden en van 2000 tot 2008 als afdelingshoofd bij de Leidse universiteitsbibliotheek. Sindsdien werk ik als zelfstandig redacteur en vertaler. In 2014 was ik actief als Wikipedian-in-Residence voor zes speciale en wetenschappelijke bibliotheken. Van 2008 tot en met 2014 ben ik in mijn vrije tijd werkzaam geweest als Wikipedia-redacteur onder het van Kurt Tucholsky geleende pseudoniem Theobald Tiger. Ik lees graag gedichten, aforismen en essays.

Over religie

368px-RümkeHC

H.C. Rümke (Wikimedia Commons)

Net als bijvoorbeeld Gerard Reve en R.S. Thomas beschouw ik kunst en religie als tweelingen.

Ik geloof niet in bekrompenheid.

Ik denk dat poëzie vaak een vorm van bidden is, en ik denk ook dat de joods-christelijke bijbel op veel plaatsen probeert de waarheid te benaderen op een dichterlijke manier.

Ik ben niet langer vrijgemaakt-gereformeerd, de kerk waarin ik ben opgegroeid en opgevoed, maar ben wel overwegend dankbaar voor de lessen die ik daar heb geleerd.

Ik beschouw mezelf als een christen, twijfelend, spottend, ironisch, soms me overgevend, soms me verzettend, maar me steeds verbonden wetend met de voornaamste christelijke tradities.

Op de overlegpagina van het Wikipedia-artikel Weet. (een artikel over een orthodox-christelijk, populair-wetenschappelijk blaadje) heb ik in het verleden onder het geleende pseudoniem Theobald Tiger het volgende geschreven, dat hier eigenlijk beter op zijn plaats is dan daar:

 

[…] ik heb ondervonden dat mijn achtergrond geen ruimte bood aan de vragen die ik stelde en er evenmin een antwoord op had. En ook bij mij was de losmaking een pijnlijk proces, vooral omdat ik er slecht tegen kon dat ik mijn ouders verdriet deed. Maar een echte bevrijding was het toch niet, omdat ik er gaandeweg achter kwam dat niemand antwoord op mijn vragen had, al was er uiteraard machtig veel te ontdekken – nog steeds.

Ook heb ik niet zozeer angst voor een leven zonder religie – al kan het leven zelf donders beangstigend zijn. Ik geloof namelijk […, niet] dat je in een God dient te geloven als voorwaarde om moreel te kunnen handelen, schoonheid te kunnen ondergaan of ontroerd te kunnen worden. Maar […, ik] geloof toch ook niet dat je de religie kunt uitbannen zonder dat er iets wezenlijks verloren gaat.

Religie is geen zingeving, geen normenstelsel en geen bindmiddel voor gemeenschappen. Het is dat allemaal ook natuurlijk, maar dat is slechts een (niet onbelangrijk) neveneffect van wat ik als haar kern beschouw: zij is volgens mij het besef dat je als sterfelijk mens een bescheiden plaats inneemt in een wereld die – om met Dante te spreken – gedragen wordt door de liefde die het al beweegt, dat je dus – zelf eindig – deel hebt aan iets onvergankelijks.

Voor een georganiseerde religie is het bovendien nodig dat dit besef wordt gedeeld. Het wegvallen van dat gedeelde besef acht ik op den duur schadelijk voor kunst (opgevat in ruime zin zodat het ook het scheppen van harmonie in de eigen leefomgeving insluit), wetenschap en moraal.

Dit betekent uiteraard niet dat niet-religieuze mensen niet serieus met die onderwerpen bezig kunnen zijn, of dat ze geen waardevolle bijdragen kunnen doen – ik bedoel daarmee dat het religieuze besef onmisbaar is om dwalingen te onderkennen en om de moed op te brengen om – desnoods – alleen te staan in de verdediging van de kernwaarden van onze beschaving.

Dat het religieuze levensbesef ook bij veel vertegenwoordigers van de georganiseerde religie ontbreekt, behoeft verder geen betoog. Dat ook het wetenschappelijke streven voortkomt uit l’amor che move il sole e l’altre stelle is zeker waar en er is dan ook niets in mij dat zich tegen de beoefening en de resultaten van strenge wetenschap verzet (ik maak nadrukkelijk een uitzondering voor de sociale wetenschappen die ik – gunstige uitzonderingen daargelaten – als broedplaatsen van cultuurbederf beschouw).

Sigmund_Freud_LIFE

Sigmund Freud (Wikimedia Commons)

Veel ontwikkelde mensen beschouwen godsdienstigheid – in navolging van Freud – als een ontwikkelingsstoornis, als een inadequaat, regressief antwoord op levensangst. Dat is soms zeker het geval. Maar dat is volgens mij toch niet het enige dat erover gezegd kan worden. De godsdienst heeft mensen zeker niet alleen maar geremd, maar ze ook soms de kracht gegeven om de waarheid hoog te houden, en om kunst en wetenschap voort te brengen op het hoogste niveau. “Nergens heeft ooit het onechte een dergelijke ontroerende wijdende en bevrijdende kracht gehad“, schreef H.C. Rümke in zijn essay Karakter en aanleg in verband met het ongeloof (1939).

Ter voorkoming van misverstanden: aan religieuze kwezelachtigheid heb ik een even grote hekel als aan atheïstische bigotterie. Ik ben een groot bewonderaar van de onlangs overleden Belgische schrijver en sinoloog Pierre Ryckmans (pseud.: Simon Leys), zelf katholiek, en een groot en welsprekend verdediger van de beschaving, te midden van de krankzinnigheden die werden uitgekraamd door de fellow-travellers (die veelal het verlaten van het christendom als een bevrijding hadden ondergaan) van het religievijandige maoïsme in de jaren zestig, zeventig en tachtig van de vorige eeuw.

En daaraan voorafgaand schreef ik:

Militante atheïsten zijn […] vaak heel fel, en ik heb een grondige hekel aan de zendingsdrift, humorloosheid en onverdraagzaamheid van militante atheïsten […]. Ik beschouw de militante atheïsten die zo dapper met hun sabeltjes zwaaien in de stoet die aangevoerd wordt/werd door Harris, wijlen Hitchens en Dawkins als de kwezels van onze tijd.

Maar er speelt wel degelijk nog iets. Ik heb een orthodox-protestantse achtergrond. Ik heb van deze geloofsrichting zekere afstand genomen, zonder de gehele christelijke erfenis overboord te hebben gezet. Ik beschouw de gretigheid waarmee de westerse beschaving zich ontdoet van haar metafysische erfenis als een ernstige vergissing. Ik geloof niet dat een levenshouding die zich uitsluitend wenst te baseren op rationaliteit en wetenschap de beschaving die ik waardevol vind – het goede en het ware en het schone – in stand kan houden.

Ik denk – als ik mij voor de gelegenheid even wat verheven mag uitdrukken – dat een mythopoëtische houding een belangrijke manier is om toegang te krijgen tot de waarheid. Ik denk dat Freud, Marx en Darwin alledrie een rol gespeeld hebben – althans in bepaalde interpretaties van hun werk – in de afbraak van de houding die ik voorsta (van deze drie is Darwins erfenis overigens de meest waardevolle). En dat komt omdat de evolutietheorie niet alleen een vruchtbare wetenschappelijke hypothese is gebleken, maar van de aanvang af ook is geweest wat ik hierboven een pseudoreligieuze Ersatz heb genoemd.

Daartegen verzetten de christenen zich ook, en – of je het nu met ze eens bent of niet – daarin hebben ze volgens mij volkomen gelijk. Dat ze daarbij allerlei creationistische en andere dwaalwegen bewandelen, is heel jammer, maar dat is, vermoed ik, het directe gevolg van de letterlijkheidscultus en de symboolblindheid die je veel bij hen aantreft en die je trouwens ook vaak bij rationalisten ziet. Ik ben er niet zo zeker van dat de ernst waarmee wij elkaar proberen te begrijpen en waarmee we ons jegens elkaar verstaanbaar proberen te maken, een gevolg is van de ‘evolutie’, […].

Ik [… vind wel] dat de natuurwetenschappen heel belangrijk zijn, en feitelijk als enige aanspraak kunnen maken op de titel ‘wetenschap’. […] Ik beschouw persoonlijk alle niet-natuurwetenschappen als pseudowetenschap. Maar ik denk wel dat er nog heel andere domeinen zijn dan die van ratio en wetenschap, domeinen die ook onze volle aandacht en liefde verdienen.

En even verderop:

Religies zijn weliswaar meestal gebaseerd op een openbaring, maar religies zijn toch niet bedoeld om zekerheid te bieden. Zekerheid bestaat niet, vroeger niet en nu niet, en zekerheid zal ook nooit bestaan. Militante atheïsten als Sam Harris, Richard Dawkins, wijlen Christopher Hitchens, wijlen Rudy Kousbroek en de nog levende Max Pam weten niets van het christendom; ze vervloeken, kleineren en ridiculiseren het christendom, maar ze citeren nooit de beste vertegenwoordigers ervan.

Wetenschap bevordert inderdaad de twijfel, en godsdienst probeert de aandacht te richten op wat eeuwig is. Dat zijn twee buitengewoon goede strevingen, die elkaar – volgens mij – geenszins uitsluiten.

(…)

De afgelopen eeuw van wetenschap en techniek heeft inderdaad wonderen voortgebracht. Maar de religie heeft dat ook, zij het geheel andere wonderen, zoals de muziek van Bach. De kerk is verantwoordelijk voor een groot aantal gruwelen – en zij heeft daar nooit passende verontschuldigingen voor aangeboden – maar ook het atheïsme heeft het bedrijven van gruwelen niet geschuwd.

Voor goed geformuleerde en interessante tegenspraak verwijs ik naar de Wikipedia-overlegpagina waarop deze citaten voorkomen.

Aan de in 2014 overleden Simon Leys/Pierre Ryckmans zal ik binnenkort op deze plaats aandacht besteden.

Zefier keert terug – Petrarca (2)

Een tweede poging:

Zefier keert terug en voert het geurend kruid,
De bloemen, de warmte – zijn nazaten – mee,
Prokne die kwettert, Filomeel die huilt,
Een nieuwe lente maakt in vermiljoen entree.

De hemel licht op, en de akker juicht,
Jupiter ziet naar zijn dochter, tevree;
En niet langer houdt de liefde zich schuil,
Alles verzoent zich: de elementen, het vee.

Maar, ach, voor mij keren slechts de benarde
zuchten weer, die zij ontlokte aan de kwartieren
van het hart, welks sleutels de hemel bewaarde:

En de vogelzang, de bloemen die welig tieren,
De lieve vrouwen en hun goede daden,
Zijn rimboe voor mij, vol woeste en snode dieren.

Zefier keert terug – Petrarca (1)

Testa_di_Francesco_Petrarca_di_profilo (1)

Petrarca en profil (Wikimedia Commons)

De oudste en zuiverste sonnetvorm is het Italiaanse sonnet, dat ook wel Petrarca-sonnet wordt genoemd. Het Italiaanse sonnet bestaat uit veertien regels, twee kwatrijnen (strofen van vier regels), en twee terzinen  (strofen van drie regels). De twee kwatrijnen heten samen het octet; de twee terzinen heten samen het sextet. Tussen het octet en het sextet bevindt zich een wending (ook wel volta of chute genoemd), wat betekent dat de dichter het na de achtste regel opeens over een andere boeg gooit: hij/zij wisselt van perspectief, brengt een tegenstelling aan, trekt conclusies uit de voorafgaande sfeerimpressie, of doet na die achtste regel anderszins iets verrassends.

Het rijmschema is streng. In de meest strikte vorm komen er maar vier rijmklanken voor in een Italiaans sonnet: twee in het octet (abba abba) en twee in het sextet (cdc dcd). Het rijmschema in het onderhavige sonnet is hierop een even strenge variant: abab abab cdc dcd.

Petrarca en Laura te Avignon - Josef_Manes_Laura

Petrarca en Laura te Avignon (Wikimedia Commons)

Het metrum is vaak een jambische vijfvoet: tien of elf lettergrepen met een afwisseling van onbeklemtoonde en beklemtoonde lettergrepen, beginnend met een onbeklemtoonde lettergreep. Er zijn tien lettergrepen als de regel eindigt op een staand of mannelijk rijm (stoep/poep) en elf lettergrepen als de regel eindigt op een vrouwelijk of slepend rijm (billen/gillen). Op de plek waar je een beklemtoonde lettergreep verwacht (heffing) mag ook een onbeklemtoonde staan. (Andersom – een beklemtoonde lettergreep waar je een onbeklemtoonde verwacht – mag ook wel, maar alleen als daarmee een bepaald effect wordt beoogd.) Een voorbeeld van een gewone jambische vijfvoet is:

Ik gíng naar Bómmel om de brúg te zien.

(om en zien staan op de plaats van een beklemtoonde lettergreep of heffing, maar je leest ze zonder nadruk.)

De sonnetten van Shakespeare zijn heel anders; ze voldoen niet aan bovengenoemde vormkenmerken. Het zijn eigenlijk drie kwatrijnen die worden afgesloten met twee rijmende regels. De drie kwatrijnen kennen soms wel een wending na het tweede kwatrijn, maar vaak ook niet; er wordt dan toegewerkt naar een soort climax. De rijmende slotregels zorgen voor een pointe. Er zijn bij Shakespeare meestal twee rijmklanken per kwatrijn, en elk kwatrijn heeft een eigen paar rijmklanken.

Een beroemd gedicht van Francesco Petrarca dat ook verschillende keren op muziek is gezet, onder anderen door Claudio Monteverdi, is Zefiro Torna:

Zefiro torna, e ‘l bel tempo rimena,
e i fiori e l’erbe, sua dolce famiglia,
et garrir Progne et pianger Filomena,
le primavera candida e vermiglia.

Ridono i prati, e ‘l ciel si rasserena;
Giove s’allegra di mirar sua figlia;
l’aria e l’acqua e la terra è d’amor piena;
ogni animal d’amar si riconsiglia.

Ma per me, lasso, tornano i più gravi
sospiri, che del cor profondo tragge
quella ch’al ciel se ne portò le chiavi;

e cantar augelletti, e fiorir piagge,
e’n belle donne oneste atti soavi
sono un deserto, e fere aspre e selvaggie.

Een paar opmerkingen vooraf:

  1. Zefiro = Zephyros, is in de Griekse mythologie de personificatie van de westenwind. Hij wordt in het Nederlands ook wel Zefier genoemd.
  2. Progne en Filomena (Prokne/Procne en Philomela) zijn dochters van de Atheense koning Pandion I: Prokne verandert in een zwaluw, en Philomela (in het Nederlands ook Filomeel) verandert in een nachtegaal.
  3. De wending is dat in de beide kwatrijnen eerst de westenwind wordt opgevoerd die het voorjaar brengt met alle aangenaamheid en zoetheid die daar bij hoort, maar dat deze lieflijkheid in de beide terzinen met het grote leed van de dichter wordt gecontrasteerd, die – helaas – zijn geliefde (Laura, i.c. Petrarca’s muze) moet missen, omdat zij er niet meer is (zij heeft immers de sleutels van zijn hart aan de hemel toevertrouwd).

In mijn vertaling heb ik niet een jambische vijfvoet, maar een jambische zesvoet toegepast, die bovendien – je zult dat bij het voorlezen wel merken – een ritmische tweedeling kent: er is een soort breuk in het midden. Een dergelijk metrum wordt een alexandrijn genoemd. Alexandrijnen vind je bijvoorbeeld ook in de sonnetten van P.C. Hooft. Ten opzichte van een strikte jambische zesvoet, heeft de alexandrijn wel eens een extra onbeklemtoonde lettergreep in het midden, bij de breuk.

De alexandrijn in mijn vertaling is vrij onregelmatig. Ook openen verschillende regels die wel jambisch (eerst onbeklemtoond en dan beklemtoond) eindigen, met een trochee (eerst beklemtoond en dan onbeklemtoond). Het geheel is wel ritmisch voor te lezen.

Hij, Zefier, is terug, en voert het zachte weer,
De bloemen, kruiden – zoete bloedverwanten – mede,
Prokne die kwettert, Filomeel die klaaglijk kwinkeleert,
De ongerepte lente, vermiljoen en teder.

De velden juichen, en de hemel lumineert:
Jupiter staart naar zijn dochter, innig tevreden;
Aarde, water en lucht, ze zijn in liefde geëerd;
De schepping verzoent zich, in toegenegen vrede.

Maar, ach, voor mij slechts de weerkerende benauwde
zuchten, die zij ontlokte aan de zwartste kwartieren
van het hart, welks sleutels zij de hemel toevertrouwde:

En de vogelzang, de bloemen die welig tieren,
De deugdzame daden der allerliefste vrouwen,
Zijn mij slechts wildernis, vol woeste en gekwelde dieren.

 

Ik heb het voornemen om hetzelfde gedicht nog eens te vertalen, maar dan met een strikt toegepaste jambische vijfvoet als metrum.

Mijn gebrekkige beheersing van het Italiaans heb ik mede aangevuld met wat de vertaling van Antony S. Kline mij over de betekenissen leerde.

Het pad dat ik niet nam – Robert Frost

RobertFrost
Robert Frost op een postzegel van 10 dollarcent (Wikimedia Commons)

Mijn vertaling van het gedicht The Road Not Taken van Robert Frost heeft een eervolle vermelding gekregen bij de poëzievertaalwedstrijd die in 2016 georganiseerd werd door De Bibliotheek Huizen-Laren-Blaricum, i.s.m. Stichting Kunst en Cultuur Huizen, het Kunst- en Cultuurcafé Huizen en met steun van Flevo Boekhandel Huizen.

Informatie over de wedstrijd vindt u hier. Er waren 33 vertalers die een vertaling hadden ingezonden. Er waren twee prijzen en een eervolle vermelding.

De jury bestond uit Henk Aertsen, oud-docent Engelse Taal- en Letterkunde van de Middeleeuwen en oud-docent Literair Vertalen aan de VU, Wil Hordijk, oud-docent Engels en Culturele en kunstzinnige vorming aan het Erfgooiers College Huizen en schrijver, en Roxane van Iperen, jurist en dichter/schrijver.

De bekendmaking van de uitslag, de vertalingen die de eerste en tweede prijs hebben ontvangen, en het juryrapport vindt u hier.

Hier is een opname van Robert Frost zelf die het gedicht voordraagt.

Voordat ik met mijn vertaling voor de dag kom, moet ik allereerst vertellen dat ik een curieuze vergissing heb begaan. Ik had het gedicht van Frost gekopieerd van de bibliotheekwebsite en in mijn tekstverwerkingsprogramma (Word) geplakt, met weglating van de meegekopieerde HTML-opmaak. Bij het plakken waren ook de witregels die de strofescheiding markeren, verdwenen. Deze witregels voegde ik uiteraard vervolgens handmatig weer toe, en ik sloeg aan het vertalen. Maar ik had bij het toevoegen van de witregels per abuis vijf strofen van vier regels gecreëerd, in plaats van de originele vier strofen van vijf regels. Omdat ik me, mede als gevolg van die fout, ook nog een paar vrijheden met betrekking tot het rijmschema had veroorloofd, voldeed mijn vertaling niet helemaal aan de (gerechtvaardigde) vormeisen van de jury. Pas tijdens de prijsuitreiking werd mij duidelijk dat ik iets verkeerd had gedaan. En pas enige tijd na die uitreiking begon de akelige toedracht mij te dagen.

Bij het vertalen had ik overigens wel een paar keer de gedachte in me voelen opkomen dat Frost een merkwaardige strofe-indeling had gekozen, maar met de rotsvaste zekerheid die de ware broddelaar kenmerkt, had ik het niet nodig geoordeeld mijn kopie nog eens met de bron te vergelijken.

Gelukkig vond de jury de vertaling verder wel erg geslaagd.

Het moeilijkste bij de vertaling van dit gedicht is het aanbrengen van een natuurlijk ritme, de toepassing van een alledaagse woordkeus, en het herscheppen van een in vrij strakke versvorm gegoten parlando.

Dan nu mijn vertaling (met de foute witregels):

Het pad dat ik niet nam

In een geel bos gingen twee paden uiteen.
Jammer dat ik ze niet allebei kon gaan,
En als ondeelbare wandelaar bleef ik staan
En keek een tijdlang waar er één,

Heel in de verte, in het lage groen verdween;
Nam toen het tweede, dat als je het goed bekeek,
Eigenlijk betere aanspraken had,
Omdat het grazig was en ongerept leek.

Maar wat begaanbaarheid betreft, al snel bleek
Dat ze elkaar niet veel ontliepen, dat
Beide deze morgen waren bedekt met blad
Waarop nog geen voetzool getreden had.

O, het eerste komt later aan de beurt!
Maar wetend hoe onomkeerbaar paden zijn,
Vroeg ik me af of ik het terug zou zien.
Ooit zal ik dit vertellen, enigszins verscheurd,

Hoe ik tijden, tijden geleden heb gedwaald;
Twee paden gingen in een bos uiteen, en ik – ik had
Gekozen voor het minst gebaande pad,
En dat heeft al wat volgde toen bepaald.

De avond waarop de prijzen werden uitgereikt (27 januari 2016), een speciale editie van het maandelijks kunstcafé Huizen, vond plaats in Theater De Boerderij in Huizen en was bijzonder onderhoudend. De organisatoren waren Thom Schuitemaker (Bibliotheek Huizen-Laren-Blaricum), die een beschouwing over Frosts gedicht had gemaakt en voorlas, Fransje Sydzes, actrice/voordrachtskunstenaar, Nol van Bennekom, oud-journalist, -redacteur en muzikant, en Frans R. Bianchi, voorzitter Stichting Kunst & Cultuur Huizen.

Maartje van Weegen presenteerde de avond, Fransje Sydzes en Ani Avramova traden samen op; Sydzes droeg gedichten voor (o.a. M. Vasalis, Remco Campert), Avramova omlijstte de voordracht met pianospel (Chopin), Joop Daalmeijer maakte met een smakelijk vertelde en voor mij niet geheel begrijpelijke anekdote de prijswinnaars bekend, en ten slotte zongen Joop Visser en Jessica van Noord een aantal soms dromerige, vaak sardonische en altijd vermakelijke liedjes.

Het was heel slecht weer die avond: het regende dat het goot, het woei zeer hard,  de onverlichte snelweg lag op de terugweg vol met regenplassen, de strepen op de weg waren bijna niet te zien, er werd gewaarschuwd voor slipgevaar. U begrijpt dat ik met gevaar voor eigen leven de eervolle vermelding in ontvangst heb genomen:

Eervolle vermelding vertaalwedstrijd Huizen
Volgens de dichter J.C. Bloem zijn de twee grote verlangens in een mensenleven het verlangen naar liefde en het verlangen naar eer. Ik geloof wel dat dat waar is.

De prijs was een geschilderd portret van Adele door de de tekenaar/schilder Olaf Schouw. Een ensemble-foto van de prijsuitreiking vindt u hier. Ik sta als derde van links, tussen Wil Hordijk en Joop Daalmeijer, met het geschilderde portret van Adele in mijn handen.

De voor dit gedicht relevante passage uit het juryrapport luidde:

De eervolle vermelding gaat naar de inzender die in haar of zijn vertaling de structuur van het gedicht heeft aangepast, in plaats van vier strofen van vijf regels koos deze inzender voor vijf strofen van vier regels. Dat is de reden waarom de jury besloot hem of haar geen prijs maar een eervolle vermelding toe te kennen: tegenover de andere inzenders zou een prijstoekenning niet te rechtvaardigen en niet eerlijk zijn. Zijn of haar vertaling is heel poëtisch en ritmisch, leest makkelijk, kortom leest als een echt gedicht.

Huizen - Road not taken
Foto van de prijsuitreiking (Ik sta met het portret van Adèle in mijn handen tussen Joop Daalmeijer en Wil Hordijk)

Origineel:

The Road Not Taken

Two roads diverged in a yellow wood,
And sorry I could not travel both
And be one traveler, long I stood
And looked down one as far as I could
To where it bent in the undergrowth;

Then took the other, as just as fair,
And having perhaps the better claim,
Because it was grassy and wanted wear;
Though as for that the passing there
Had worn them really about the same,

And both that morning equally lay
In leaves no step had trodden black.
Oh, I kept the first for another day!
Yet knowing how way leads on to way,
I doubted if I should ever come back.

I shall be telling this with a sigh
Somewhere ages and ages hence:
Two roads diverged in a wood, and I –
I took the one less traveled by,
And that has made all the difference.

Sonnet 81 – Shakespeare

Sonnets-Titelblatt_1609

In dit een-en-tachtigste sonnet van de beroemdste dichter uit het Engelse taalgebied, William Shakespeare (1564-1616), vindt een grappige omkering plaats: de dichter zal worden vergeten, maar de aanbedene zal altijd voortleven, dankzij het vers dat u bezig bent te lezen.

In werkelijkheid is het uiteraard andersom: we kennen wel Shakespeare – enigszins althans – maar naar de naam van de aanbedene wordt al eeuwenlang gegist.

Het is een Shakespeare-sonnet, en het wijkt dus af van het Italiaanse sonnet in de traditie van Petrarca. Een Shakespeare-sonnet heeft de wending of volta na de twaalfde regel, direct dus voorafgaand aan de afsluitende slotregels die de pointe bevatten.

Het gedicht verscheen in 1609 in een bundel van 154 sonnetten.

Dit gedicht behoeft eigenlijk geen toelichting.

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling:

Sonnet 81

Of ík leef nog, en zal jouw grafschrift schrijven,
of jíj blijft hier, als ik voorgoed verdwijn.
maar dan: jouw heugenis zal altijd blijven,
van mij zal geen restant meer over zijn.

Jouw naam wacht roemrijk ‘t eind der tijden af,
de mijne vindt beslist vergetelheid.
De aarde biedt mij slechts een simpel graf,
terwijl jij in ons hart wordt bijgezet.

Mijn teder vers is straks jouw monument,
dat ongeschapen ogen ooit nog zullen lezen,
en door de tong van straks niet wordt miskend,
als ieder die nu ademt dood zal wezen.

Jij leeft nog voort, door wat mijn pen vermocht;
waar adem is, troon jij op ieders ademtocht.

Zojuist (25-1-2016) tot mijn afgrijzen ontdekt dat mijn twaalfde regel identiek is aan de twaalfde regel in de (mooie) vertaling van Arie van der Krogt – een vertaling die verder gelukkig niet al te zeer op de mijne lijkt.

Sonnet 81

Or I shall live your epitaph to make,
Or you survive when I in earth am rotten.
From hence your memory death cannot take,
Although in me each part will be forgotten.

Your name from hence immortal life shall have,
Though I, once gone, to all the world must die.
The earth can yield me but a common grave
When you entombèd in men’s eyes shall lie.

Your monument shall be my gentle verse,
Which eyes not yet created shall o’er-read,
And tongues to be your being shall rehearse
When all the breathers of this world are dead.

You still shall live – such virtue hath my pen –
Where breath most breathes, even in the mouths of men.

Bijna veertig – Derek Walcott

427px-Derek_Walcott_Festival_de_Poesía_Granada

Derek Walcott (Wikimedia Commons)

[Aan deze vertaling wordt de komende dagen nog gewerkt.]

Dit is een vers waarin Walcott twijfelt aan zichzelf, een soort midlifecrisis. “It’s menopausal almost,” zei hij er later zelf van. Het is wel een vers dat karakteristiek is voor zijn werkwijze: een slechts door komma’s of puntkomma’s gepunctueerde, ononderbroken gedachtestroom, met een fraaie ontwikkeling erin en ook een soort pointe.

Eerst het Engels:

Nearing Forty

[for John Figueroa]

The irregular combination of fanciful invention may delight awhile by that novelty of which the common satiety of life sends us all in quest. But the pleasures of sudden wonder are soon exhausted and the mind can only repose on the stability of truth…
––SAMUEL JOHNSON

Insomniac since four, hearing this narrow,
rigidly metred, early-rising rain
recounting, as its coolness numbs the marrow,
that I am nearing forty, nearer the weak
vision thickening to a frosted pane,
nearer the day when I may judge my work
by the bleak modesty of middle age
as a false dawn, fireless and average,
which would be just, because your life bled for
the household truth, the style past metaphor
that finds its parallel however wretched
in simple, shining lines, in pages stretched
plain as a bleaching bedsheet under a guttering
rainspout; glad for the sputter
of occasional insight, you who foresaw
ambition as a searing meteor
will fumble a damp match and, smiling, settle
for the dry wheezing of a dented kettle,
for vision narrower than a louvre’s gap,
then, watching your leaves thin, recall how deep
prodigious cynicism plants its seed,
gauges our seasons by this year’s end rain
which, as greenhorns at school, we’d
call conventional for convectional;
or you will rise and set your lines to work
with sadder joy but steadier elation,
until the night when you can really sleep,
measuring how imagination
ebbs, conventional as any water clerk
who weighs the force of lightly falling rain,
which, as the new moon moves it, does its work
even when it seems to weep.

Dan de vertaling:

Bijna veertig

[Voor John Figueroa]

De grillige combinatie van vergezochte hersenspinsels kan ons een poos in verrukking brengen door de nieuwigheid waarnaar wij op zoek zijn als gevolg van onze oververzadiging met alledaagsheid. Maar het genoegen van de verbluftheid duurt niet lang en de geest kan slechts rust vinden in de bestendigheid van de waarheid…
––SAMUEL JOHNSON

Slapeloos sinds vieren, luisterend naar de dichte,
strikt-metrische, vroege-ochtendregen,
die aftelt, het merg verstijvend met zijn kilte,
dat ik bijna veertig ben, al dicht bij het slechte
zicht dat steeds diffuser wordt als matglas,
dichter bij de dag waarop ik mijn werk mag keuren
met de schrale kiesheid van een middelbare man,
als nooit ingeloste belofte, zonder pit en middelmatig,
wat wel kan kloppen, want je had je leven veil voor
de tegeltjeswijsheid, de stijl boven beeldspraak
die hoe dan ook een armzalige parallel vond
in simpele, oplichtende regels, op pagina’s
platgestreken als een gebleekt beddelaken onder een
neergutsende regenstraal; blij met het gespetter
van gelegenheidsvondstjes, was jij het die al bevroedde
dat ambitie als een verschroeide meteoor
zou prutsen met een natte lucifer, om, lachend, genoegen te nemen
met de piepende ademhaling van een gedeukte ketel,
met uitzicht smaller dan een louvre-luik,
om dan, jouw arme lommer ziende, te beseffen hoe diep
buitensporig cynisme zijn zaad plant,
het jaargetij toetsend aan deze eindejaarsregens,
die we, als groentjes op school, eerder
met conventie dan convectie zouden verbinden;
of je zult opstaan en zorgen dat je versregels hun werk doen
met droeviger vreugde maar gelijkmatiger vervoering,
totdat de nacht komt wanneer je echt niet slapen kan,
om vast te stellen hoe de verbeeldingskracht
wegebt, conventioneel als een doorsnee waterbeambte
die de kracht van de zachtjes neerdalende regen meet,
welke, door de nieuwe maan in gang gezet, haar werk doet
zelfs wanneer zij schijnt te huilen.

 

Tijdloos – R.S. Thomas

Aberdaron_church_-_geograph.org.uk_-_13372
Aberdaron Church, de kerk waar Thomas van 1967-1978 dominee was (Wikimedia Commons)

Enkele jaren geleden kwam ik voor het eerst de naam Ronald Stuart Thomas tegen toen ik een bespreking van Thomas’ biografie las. De openingszin van dat stuk luidt: “I am not notably frivolous, but whenever I read R. S. Thomas’s poetry, or his biography, I cannot help but reflect that, like the majority of mankind, I have spent most of my life chasing false gods.

De boekbespreking draagt als titel A Man Out of Time (City Journal, 6 nov 2006), en was geschreven door Theodore Dalrymple, een essayist die ik graag lees. Het gedicht No Time wordt erin geciteerd, evenals het gedicht A Marriage, dat ik al eerder vertaalde.

Thomas was, net als Guillaume van der Graft (pseud. van Willem Barnard), Nicolaas Beets en Piet Paaltjens, een dichter-dominee.

Dit gedicht ontroert mij zeer.

Vertaling:

Tijdloos
Uit: No Truce with the Furies (1995)

Ze liet me alleen. Van wie
was die stem, kouder
dan grafwind, die sprak
“Het is voorbij”? Ongrijpbaar,
onzichtbaar, komt ze nog
bij me, zoals ze vaak
deed, terwijl ik wat lees.
Er is een beving
van licht, als van een vogel die
de zonnebaan kruist, en ik kijk
op in herkenning
van een afwezige aanwezigheid.
Geen woord, geen geluid
als ze haar gang gaat,
maar een geur die blijft hangen,
geur van de tijd die zichzelf offert
in liefdesvuur.

Origineel:

No Time
Uit: No Truce with the Furies (1995)

She left me. What voice
colder than the wind
out of the grave said:
“It is over?” Impalpable,
invisible, she comes
to me still, as she would
do, and I at my reading.
There is a tremor
of light, as of a bird crossing
the sun’s path, and I look
up in recognition
of a presence in absence.
Not a word, not a sound,
as she goes her way,
but a scent lingering
which is that of time immolating
itself in love’s fire.

 

Vertrouwd met de nacht – Robert Frost

460px-Robert_Frost_NYWTS
Robert Frost (Wikimedia Commons)

De Amerikaanse dichter Robert Frost (1874-1963) behoeft eigenlijk geen introductie. Hij is veelvuldig gelauwerd, hij slaagt erin een snaar te raken bij iedere versgevoelige die hem leest, hij hanteert een eenvoudig idioom, hij is erg goed in spreektaal, hij is niet eenvoudig te plaatsen in levensbeschouwelijke of godsdienstige coördinatensystemen, maar hij heeft een duidelijke, zij het weinig orthodoxe, religieuze inslag.

Zijn moeder was een aanhanger van de Lutheraanse mysticus Emanuel Swedenborg; zijn vader was een sceptische en atheïstische journalist. Hij had manisch-depressieve trekken. Over zijn levenshouding, zie: Jay Parini, Listening for God in Unusual Places: The unorthodox faith of Robert FrostAmerica The Jesuit Review, March 4, 2013 issue (February 20, 2013).

De vorm van dit gedicht is vier terzines met een afsluitend distichon. Het metrum is een jambische vijfvoet, en het rijmschema volgt grotendeels de Danteske vorm van de terza rima.

Het gedicht behoeft weinig toelichting: het gaat om een eenzame nachtelijke wandelaar die niet alleen vertelt, maar bovendien ook levendig oproept dat de nacht en hij goede bekenden van elkaar zijn.

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling:

Vertrouwd met de nacht

Ik was met de nacht steeds innig vertrouwd.
Ik was soms doorweekt, liep terug door de regen.
Ik liep in het donker de stad uit, ‘t was koud.

Ik liep door duizend droeve stegen.
Ik zag een stadswacht die z’n ronde deed,
liep om, dan kwam ik hem niet tegen.

Ik hield mijn voetstap in, besefte ‘t leed
van een gesmoorde kreet die hoorbaar klonk
vanuit een straat welks naam ik steeds vergeet,

maar geen die groette of aandacht aan me schonk.
Hoog boven mij werd ik nog overschouwd
door een verlichte klok die als van gene zijde klonk,

die uitriep dat de tijd niet goed was en niet fout.
Ik was met de nacht steeds innig vertrouwd.

Origineel:

Acquainted with the Night

I have been one acquainted with the night.
I have walked out in rain—and back in rain.
I have outwalked the furthest city light.

I have looked down the saddest city lane.
I have passed by the watchman on his beat
And dropped my eyes, unwilling to explain.

I have stood still and stopped the sound of feet
When far away an interrupted cry
Came over houses from another street

But not to call me back or say good-bye;
And further still at an unearthly height
One luminary clock against the sky

Proclaimed the time was neither wrong nor right.
I have been one acquainted with the night.

De ondergang van Rome – W.H. Auden

800px-Cyril_Connolly_(3556836247)
Herdenkingssteen Cyril Connolly (Wikimedia Commons)

Dit gedicht van W.H. Auden roept in korte beeldende strofen een beeld van verval en ondergang op. De rendieren in de slotstrofe werken daarom bijna als een deus ex machina.

Het gedicht is geschreven in 1947 – kort na de oorlog dus – en staat in de Collected Poems, p. 332-333.

Hier kunt u Auden beluisteren die het gedicht voordraagt.

Het gedicht werd gepubliceerd in 1947, en is te vinden in de Collected Poems op de pagina’s 332-333.

Vertaling:

DE ONDERGANG VAN ROME
(Voor Cyril Connolly)

De pier voelt golven schuimend bonken;
Regenval op braak terrein
Geselt een verlaten trein;
Schorem vult de bergspelonken.

Welig tiert de gala-kleding;
Elke fiscus jaagt met zin
Op fraudeurs die vluchten in
Riolen van provincie-steden.

Riten vol privé-magie
Wiegen zacht de tempelhoer;
Elke literaat ontvoert
Vriendjes in zijn fantasie.

Cato prijst cerebrotoon
De Aloude Disciplines,
Maar gespierde mariniers
Muiten weer om drank en loon.

Caesars bijslaap heeft plezier,
Als een laagbetaalde klerk
Schrijft: IK HOUD NIET VAN MIJN WERK
Op een rôze formulier.

Zonder welvaart en compassie,
Broeden roodgepote sijsjes
Teder op hun spikkeleitjes,
Uitziend op een koortsig stadje.

Maar wat, ondanks alles, telt:
Kudden rendierherten trekken
Voort in goudbemoste verten,
Rustig en verbazend snel.

Origineel:

THE FALL OF ROME
(For Cyril Connolly)

The piers are pummelled by the waves;
In a lonely field the rain
Lashes an abandoned train;
Outlaws fill the mountain caves.

Fantastic grow the evening gowns;
Agents of the Fisc pursue
Absconding tax-defaulters through
The sewers of provincial towns.

Private rites of magic send
The temple prostitutes to sleep;
All the literati keep
An imaginary friend.

Cerebrotonic Cato may
Extol the Ancient Disciplines,
But the muscle-bound Marines
Mutiny for food and pay.

Caesar’s double-bed is warm
As an unimportant clerk
Writes I DO NOT LIKE MY WORK
On a pink official form.

Unendowed with wealth or pity,
Little birds with scarlet legs,
Sitting on their speckled eggs,
Eye each flu-infected city.

Altogether elsewhere, vast
Herds of reindeer move across
Miles and miles of golden moss,
Silently and very fast.

1 september 1939 – W.H. Auden

Polen, Parade vor Adolf Hitler
Polen, parade voor Adolf Hitler (1939), overgenomen van Wikimedia Commons

Het gedicht September 1, 1939 werd door Auden geschreven bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. De titel is de datum waarop Hitlers Duitsland Polen binnen viel. Auden bevond zich toen, net als de ik-figuur in het gedicht, in New York. Het gedicht werd al snel erg populair. Ook na de aanslagen op de Twin Towers in 2001 werd het gedicht veel geciteerd. De symboliek van wolkenkrabbers, waarvoor kennelijk ook de zelfmoordterroristen gevoelig waren, is een van de motieven in dit gedicht.

Maar de weerklank die het vindt, betekent nog niet dat het een “politiek gedicht” is, zoals vaak is betoogd. Ik zou niet weten wat dat is, een ‘politiek gedicht’.

De beroemdste zinnen – “We must love one another or die” – waren voor Auden in een later stadium van zijn dichterschap aanleiding om het gedicht als onwaarachtig te verwerpen. We moeten immers sowieso sterven. In het algemeen vond Auden dat de retoriek met hem aan de haal was gegaan, in plaats van andersom, reden waarom hij herdrukken ervan tegen hield. Veel critici vinden dit moeilijk te verteren, maar helemaal onbegrijpelijk is het niet: de slotzinnen van diverse strofen klinken bijzonder sonoor, maar ze ronken toch ook wel een beetje. Ook is voor mijn gevoel de in het gedicht geconstrueerde tegenstelling tussen een alomvattende liefde, die goed is, en een exclusieve liefde, die verkeerd is, wel heel erg idealistisch als de eraan gehechte waardeoordelen zonder meer worden toegepast op de gehele mensheid. Het is een paulinisch idealisme waarop ook het katholieke priestercelibaat is gebaseerd. De apostel Paulus zegt in 1 Kor. 7:7 : “Ik zou wel willen, dat alle mensen waren, zoals ikzelf [dat wil zeggen: ongehuwd, AS].” Enfin, ik heb erg mijn best gedaan om ook de welluidende retoriek netjes te vertalen.

De slotstrofe van het gedicht is geïnspireerd door E.M. Forster die in zijn essay uit 1938, What I Believe, schreef (hij benadrukte het belang van persoonlijke relaties boven de grote ideologische en nationale doeleinden):

And one can, at all events, show one’s own little light here, one’s own poor little trembling flame, with the knowledge that it is not the only light that is shining in the darkness, and not the only one which the darkness does not comprehend.

En even verderop:

It is a humiliating outlook – though the greater the darkness, the brighter shine the little lights, reassuring one another, signalling: “Well, at all events, I ‘m still here. I don’ t like it very much, but how are you ?” Unquenchable lights of my aristocracy! Signals of the invincible army ! “Come along – anyway, let’s have a good time while we can. “I think they signal that too.

Forster en Auden kenden elkaar, en Forster bewonderde Auden ook in sommige opzichten: “Because he once wrote ‘We must love one another or die’ he can command me to follow him.

Joseph Brodsky wijdde een 53 pagina’s tellende beschouwing aan dit gedicht, dat gepubliceerd werd in zijn essaybundel Less than One (1985), vertaald als Tussen iemand en niemand (vertaling: Frans Kellendonk en Kees Verheul, 1987).

Het gedicht voldoet aan een door de jonge Auden geciteerde definitie van poëzie: “Memorable Speech”. Ik ken het gedicht al sinds mijn studietijd – jaren tachtig van de 20e eeuw – uit mijn hoofd.

52d Street was de Jazz-straat van de wereld. De bijgaande foto is uit 1948 en de fotograaf is William P. Gottlieb.

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling:

1 september 1939

Ik zit in één van de bars
Van Fifty-second Street,
Onzeker en ook bang,
Nu de vernuftige hoop vervliegt
Van een laag en vals decennium:
Golven van woede en angst
Gaan rond over de  verlichte
En verduisterde streken der aarde,
En houden ons in hun ban;
Het onzegbare bouquet van de dood
Schendt de septembernacht.

Trefzekere geleerdheid kan
Het hele misdrijf opdelven,
Dat een cultuur al sinds Luther
In waanzin heeft gestort,
Nagaan wat er voorviel in Linz,
Welk kolossaal imago
Een geesteszieke god schiep:
U en ik, wij weten –
Elk kind leert dat al vlug –
Wie kwaad moet ondergaan,
Betaalt met kwaad terug.

Verbannen Thucidides wist
Wat een toespraak zeggen kon
Over Democratie,
En wat dictators doen,
Hun oudemannengezever,
Gericht tot een apathisch graf,
Ontleedde het in zijn boek:
De verdreven Verlichting,
De verslavende pijn,
Wanbeleid en verdriet:
Het overstelpt ons nu opnieuw.

In deze neutrale lucht,
Waar wolkenkrabbers blind
De kracht van het Collectief
In volle omvang proclameren,
Schenkt elke taal om strijd
Zijn scheut met loze praat:
Maar wie houdt het lang vol
In een euforische droom;
Uit de spiegel staren ze ons aan:
Het imperialistische gelaat,
En de internationale doem.

Koppen aan de bar
Hangen aan hun doorsneedag:
Licht mag niet uitgaan,
Muziek moet blijven spelen;
Alle mores spannen samen
Om dit fort te laten lijken
Op het meubilair van thuis.
We zouden eens zien waar we zijn,
Verdwaald in een behekst woud,
Kinderen, bang in het donker,
Nooit gelukkig geweest, of goed.

De holste militante wartaal
Die prominenten uitslaan,
Verbleekt bij onze aandriften:
Wat de gestoorde Nijinsky
Schreef over Djagilev,
Geldt voor ieder mensenhart,
Want de weeffout in het wezen
Van elke man en vrouw
Doet knielen voor een valse god:
Geen liefde die het al omvat,
Maar liefde alleen voor jou.

Uit het conservatieve donker
Trekken de drommen forenzen
Het ethische domein binnen,
Hun ochtendgelofte prevelend:
“Trouw zal ik zijn aan mijn vrouw,
Mijn best ga ik doen op mijn werk.”
Hulpeloze bestuurders staan op
En vervolgen obligaat hun spel:
Wie kan hen nu bevrijden,
Wie bereikt nog de doven,
Wie spreekt voor sprakelozen?

Ik heb alleen een stem
Om de leugenstrik te ontwarren,
De romantische leugen in de geest
Van de zinnelijke Gewone Man,
En de leugen van het Gezag
Wiens gebouwen de hemel kerven:
Iets als de Staat bestaat niet,
En niemand leeft alleen;
Honger laat geen keus
Aan burger of agent;
We moeten liefhebben, of sterven.

Weerloos in de zwarte nacht
Ligt onze wereld uitgeteld;
Toch pinken overal
Ironische lichtpuntjes
Die doven als de Oprechten
Van gedachten wisselen.
Misschien mag ik, die net als zij
Gevormd is uit Eros en stof,
Die net zo belaagd wordt
Door ontkenning en wanhoop,
Een beamende vlam tonen.

Origineel:

September 1, 1939

I sit in one of the dives
On Fifty-second Street
Uncertain and afraid
As the clever hopes expire
Of a low dishonest decade:
Waves of anger and fear
Circulate over the bright
And darkened lands of the earth,
Obsessing our private lives;
The unmentionable odour of death
Offends the September night.

Accurate scholarship can
Unearth the whole offence
From Luther until now
That has driven a culture mad,
Find what occurred at Linz,
What huge imago made
A psychopathic god:
I and the public know
What all schoolchildren learn,
Those to whom evil is done
Do evil in return.

Exiled Thucydides knew
All that a speech can say
About Democracy,
And what dictators do,
The elderly rubbish they talk
To an apathetic grave;
Analysed all in his book,
The enlightenment driven away,
The habit-forming pain,
Mismanagement and grief:
We must suffer them all again.

Into this neutral air
Where blind skyscrapers use
Their full height to proclaim
The strength of Collective Man,
Each language pours its vain
Competitive excuse:
But who can live for long
In an euphoric dream;
Out of the mirror they stare,
Imperialism’s face
And the international wrong.

Faces along the bar
Cling to their average day:
The lights must never go out,
The music must always play,
All the conventions conspire
To make this fort assume
The furniture of home;
Lest we should see where we are,
Lost in a haunted wood,
Children afraid of the night
Who have never been happy or good.

The windiest militant trash
Important Persons shout
Is not so crude as our wish:
What mad Nijinsky wrote
About Diaghilev
Is true of the normal heart;
For the error bred in the bone
Of each woman and each man
Craves what it cannot have,
Not universal love
But to be loved alone.

From the conservative dark
Into the ethical life
The dense commuters come,
Repeating their morning vow;
“I will be true to the wife,
I’ll concentrate more on my work,”
And helpless governors wake
To resume their compulsory game:
Who can release them now,
Who can reach the deaf,
Who can speak for the dumb?

All I have is a voice
To undo the folded lie,
The romantic lie in the brain
Of the sensual man-in-the-street
And the lie of Authority
Whose buildings grope the sky:
There is no such thing as the State
And no one exists alone;
Hunger allows no choice
To the citizen or the police;
We must love one another or die.

Defenceless under the night
Our world in stupor lies;
Yet, dotted everywhere,
Ironic points of light
Flash out wherever the Just
Exchange their messages:
May I, composed like them
Of Eros and of dust,
Beleaguered by the same
Negation and despair,
Show an affirming flame.

Begrafenisblues – W.H. Auden

De dichter Wystan Hugh Auden (1907-1973) is een van de grootste twintigste-eeuwse dichters in het Engelse taalgebied. Hij stamde uit een anglicaans middle class milieu (Church of England), studeerde in Oxford, was openlijk homoseksueel, werd al snel de centrale figuur van een groep dichters in de jaren dertig – Louis MacNeice, Stephen Spender, Christopher Isherwood, John Betjeman – was zich al vroeg bewust van zijn dichterlijke roeping, gebruikte Freud in zijn beginjaren, Marx in de jaren die erop volgden, en keerde op middelbare leeftijd terug naar de christelijke levensovertuiging waarmee hij was opgegroeid.

Het gedicht Funeral Blues is misschien wel het beroemdste gedicht van W.H. Auden. Het dankt zijn bekendheid bij het grote publiek aan de centrale plaats die het had in de film Four Weddings and a Funeral, een Britse romantische tragikomedie uit 1994 onder regie van Mike Newell.

Het gedicht werd voor het eerst gepubliceerd in 1936 in een vorm die sterk afweek van de vorm waaronder het bekend is geworden. Het maakte aanvankelijk deel uit van The Ascent of F6 (De beklimming van de F6), een toneelstuk in verzen van Auden en Christopher Isherwood. Het gedicht in de ons meest bekende vorm is voor het eerst gepubliceerd in Denys Kilham Roberts & Geoffrey Grigson (red.), The Year’s Poetry, 1938 (Londen: John Lane at the Bodley Head, 1938), en later opgenomen in Audens bundel Another Time (1940). Benjamin Britten heeft het vers op muziek gezet, als één van de Cabaret Songs; het is hier te beluisteren.

Funeral Blues is opgetrokken uit hyperbolen (overdrijvingen) en is hier en daar grotesk, kenmerken die het gedicht effectief benut om groot verdriet op te roepen. Misschien is elke geslaagde evocatie van sterke emotie wel een beetje cabaretesk.

Mij persoonlijk ontroert dit gedicht niet heel erg – het is me iets te theatraal – maar het is wel prachtig uitgevoerd natuurlijk.

Het is al vaak vertaald, bijvoorbeeld mooi door Willem Wilmink.

De slotstrofe luidt bij Wilmink:

Laat in de sterren kortsluiting ontstaan,
maak ook de zon onklaar. Begraaf de maan
Giet leeg die oceaan en kap het woud:
niets deugt meer, nu hij niet meer van me houdt.

De laatste regel van Wilminks vertaling doet voor mijn gevoel afbreuk aan de strekking – natuurlijk is ook doodgaan een vorm van verlaten, maar de zinsnede ‘nu hij niet meer van me houdt’ geeft toch een averechts effect.

Bij Jan Willem Schulte Nordholt luidt de laatste strofe:

Sterren zijn overbodig, doof ze stuk voor stuk;
Pak de maan in, blus de zon van ons geluk;
Maai weg het woud, leg droog de oceaan.
Want niets meer komt er ooit nog goed voortaan.

In Schulte Nordholts slotstrofe treft mij de zin “blus de zon van ons geluk” als minder gelukkig. Het doel is niet dat ‘de zon van ons geluk’ wordt geblust, maar de zon zelf.

Enfin, Funeral Blues wordt zo vaak geciteerd dat je er soms een beetje misselijk van wordt, net als van Mozarts Eine kleine Nachtmusik. Maar ik ben geen snob.

——————————————————————————————————————————-

Geluidsopname:

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Hier kunt u de voordracht van het oorspronkelijke gedicht in het Engels beluisteren (vier verschillende stemmen), met een fraai filmpje waarbij je Auden ziet lopen rondom zijn huisje in het Oostenrijkse Kirchstetten met een tas in zijn hand op weg naar de Volkswagen Kever waarmee hij uiteindelijk wegrijdt. Ik denk dat de tweede strofe wordt voorgedragen door Auden zelf.

——————————————————————————————————————————-

Vertaling:

Begrafenisblues

Weg met die klokken, gooi dat toestel kapot,
breng de hond tot zwijgen met een smakelijk bot,
demp de piano’s, begeleid met doffe trom
de treurenden, zeg tot de kist slechts: Kom!

Huur zeurende vliegtuigjes boven ons hoofd,
die aan de hemel schrijven: Hij is dood.
Geef aan de duif een kraag van crêpepapier,
een zwarte pet aan dienders in ‘t verkeer.

Hij was mijn Noord, mijn Zuid, mijn Oost en West,
mijn werkweek, weekend en mijn warme nest,
mijn dag, mijn nacht, mijn kletspraat en betekenis;
ik dacht dat liefde eeuwig was – ik had het mis.

Sterren verdwijn, doof ze zonder pardon,
vaag weg die maan, ontmantel de zon,
giet zeeën maar leeg, stamp ’t oerwoud fijn.
Want nooit kan iets nog mooi of zinrijk zijn.

Origineel:

Funeral Blues

Stop all the clocks, cut off the telephone,
Prevent the dog from barking with a juicy bone,
Silence the pianos and with muffled drum
Bring out the coffin, let the mourners come.

Let aeroplanes circle moaning overhead
Scribbling on the sky the message He Is Dead,
Put crêpe bows round the white necks of the public doves,
Let the traffic policemen wear black cotton gloves.

He was my North, my South, my East and West,
My working week and my Sunday rest,
My noon, my midnight, my talk, my song;
I thought that love would last for ever: I was wrong.

The stars are not wanted now: put out every one;
Pack up the moon and dismantle the sun;
Pour away the ocean and sweep up the wood.
For nothing now can ever come to any good.

Grafschrift voor een tiran – W.H. Auden

De dichter Wystan Hugh Auden (1907-1973) groeide op in Engeland, ging vlak voor de Tweede Wereldoorlog naar Amerika, ontving zijn opvoeding in een Anglicaans gezin, hield aanvankelijk van Freud, een tijdje halfhartig van Marx, keerde gerijpt terug naar het geloof van zijn jeugd, schreef gedichten, libretti en toneelteksten, en wordt veelal beschouwd als een van de grootste Engelse dichters in de twintigste eeuw.

Wie meer wil weten over Auden kan elders op mijn website terecht. Ik houd veel van zijn werk en heb al aardig wat vertalingen van zijn gedichten gemaakt. Peter Verstegen – een gelauwerd vertaler – heeft in De Tweede Ronde (jrg. 3, 1982) een informatief Ten Geleide bij een aantal Auden-vertalingen gepubliceerd. Het stuk bevat in een notendop Audens intellectuele en dichterlijke ontwikkeling.

De slotzin van het onderhavige gedicht is een omkering van een vrij bekende zin die de Amerikaanse historicus John Lothrop Motley schreef in zijn boek The Rise of the Dutch Republic (1856): “As long as he lived, he was the guiding-star of a whole brave nation, and when he died the little children cried in the streets.” Deze zin heeft betrekking op Willem van Oranje. Zie: Elizabeth Knowles, What They Didn’t Say: A Book of Misquotations (2006, onder: When he died the little children cried in the streets).

De omkering van Motley’s enigszins kwezelachtige, hagiografische zin, heeft een heel sterk effect: opeens besef je waar al die nog redelijk gewoon klinkende constateringen over de tiran toe kunnen leiden.

Hier is een geluidsopname van W.H. Auden die dit gedicht voordraagt.

En hier is mijn voordracht van de vertaling:

Arie Sonneveld – geluidsopname van de vertaling

Vertaling:

Grafschrift voor een tiran

Een soort van volmaaktheid, was wat hij najoeg,
En de verzen die hij bedacht waren eenvoudig genoeg;
Hij kende onze dwaasheid als de zak van zijn broek,
En was hogelijk geïnteresseerd in vloten en soldaten;
Als hij lachte, brulden achtenswaardige senatoren van de lach,
En als hij huilde, stierven de jonge kinderen in de straten.

Origineel:

Epitaph on a Tyrant

Perfection, of a kind, was what he was after,
And the poetry he invented was easy to understand;
He knew human folly like the back of his hand,
And was greatly interested in armies and fleets;
When he laughed, respectable senators burst with laughter,
And when he cried the little children died in the streets.

Sonnet 29 – Shakespeare

 

Shakespeare_(oval-cropped) (1)

Shakespeare (Wikimedia Commons)

Vertaling:

Nu ik, door lot en medemens veracht,
Mijn uitgestotenheid beween in eenzaamheid,
Een dove hemel hinder met mijn loze klacht,
Mijn lot vervloek, bedroefd door zelfverwijt

Verlang te zijn als wie nog toekomst heeft,
Als één die door zijn vrienden wordt geprezen
Om zijn talent en het gemak waarmee hij leeft,
Met wat hij ’t meest bemint het allerminst tevreden,

Toch stijgt, als ik soms denk aan uw beminde lach,
Mijn door gekweld getob bezwaard gemoed,
Als de leeuwerik omhoog, die bij het krieken van de dag
uit norse sluimering, jubelend de hemel groet.

Uw liefde zingt in zulke zoete jubeltonen
Dat ik mijn staat niet ruilen wil met die van godenzonen.

Origineel:

When, in disgrace with Fortune and men’s eyes,
I all alone beweep my outcast state,
And trouble deaf heaven with my bootless cries,
And look upon myself and curse my fate,

Wishing me like to one more rich in hope,
Featured like him, like him with friends possessed,
Desiring this man’s art and that man’s scope,
With what I most enjoy contented least:

Yet in these thoughts myself almost despising,
Haply I think on thee, and then my state,
Like to the lark at break of day arising
From sullen earth, sings hymns at heaven’s gate;

For thy sweet love remembered such wealth brings
That then I scorn to change my state with kings’.

Braamscheut

4443397003_2e77bc4fa2_b

Spring with Spikes (Mark Robinson, Flickr, CC BY-NC 2.0)

Verschroeide aarde
Aan de beekbedding ontspringt
Een rode braamscheut

(Eigen werk)

Onovergankelijk

400px-Halsteren_-_Dorpsstraat_22_-_Raadhuis_-_Bordes_leeuw_met_de_Nederlandse_leeuw
Nederlandse Leeuw met Nederlandse Leeuw (Bordes Raadhuis Halsteren; Fotograaf: John Scholte; Wikimedia Commons)

Je maintiendrai“, brult de Nederlandse Leeuw, wijselijk in het midden latend wat hij handhaven zal.

Bij welke lier – W.H. Auden

In 1946 – vlak na de oorlog dus – was Wystan Hugh Auden de Phi Beta Kappa-dichter aan de Harvard-universiteit. Hij droeg er het gedicht Under Which Lyre voor, met als ondertitel A Reactionary Tract For The Times. Een korte bespreking van de ontstaansgeschiedenis is te vinden in Adam Kirsch, A Poet’s Warning, Harvard Magazine, nov-dec 2007.

Het is een spits en geestig gedicht waarin Apollinische pompeusheid, humorloosheid en cynisch najagen van eigenbelang wordt gecontrasteerd met gebrek aan discipline, vroegrijpheid en bohemien-gedrag, zoals belichaamd door Hermes. Het gedicht eindigt met een grappige Hermetische dekaloog (Tien geboden).

Kiest u zelf bij welke lier de muziek u het beste bevalt.

Hier hoort u de stem van W.H. Auden zelf die zijn gedicht met verve voordraagt.

Geluidsopname van de vertaling

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling:

BIJ WELKE LIER
Een reactionaire tijdrede
(Phi Beta Kappa-gedicht, Harvard, 1946)

Ares staakt eindelijk de strijd;
Van struiken druipt nog lange tijd
Vergoten bloed,
En de in puin geschoten steden
Herrijzen weer en baden vredig
In zomergloed.

Op ieder campusplein verschenen
Ruige veteranen die weer trainen
Als corps-novieten;
Instructeurs met wrange spot
Geven groentjes toegang tot
De vakgebieden.

Ze bestormen de kronkeltrappen
Van kunsten en van wetenschappen,
Of hangen er rond,
En zenuwen, gestaald tot moorden,
Worden kapotgeschoten door de
Verzen van Donne.

Beroofd van oorlogsprivileges
Geeft de professor weer college,
Maar soms met spijt;
Zijn dictafoon beviel hem goed,
Hij heeft beroemdheden ontmoet
En wil dat kwijt.

Maar onnavolgbaar als zovaak
Zendt Zeus de wil-tot-tegenspraak
Als pandemie;
Hij dwingt de vaudeville tot preken
En wie een feestwoord uit moet spreken
Tot polemiek.

Laat Ares soezen, deze slag
Gaat altijd door, want elke dag
Geeft ons te zien
De danser naar Apollo’s pijpen
En hem die Hermes, de vroegrijpe,
Probleemloos dient.

Onsterfelijken zaaiden gaarne
Verderf en dood op Midden-aarde;
Hun nooit verjaard
Besef van haat krijgt elk geslacht,
Elk mensentype in zijn macht:
De tweedejaars

Die lacht om al wat somber is
Of doet alsof hij Cortez is
(De prairie-heerser),
En zij die, net als ik, verbleken,
Als ze een keel opzetten tegen
Hun jaren veertig.

Door een Olympisch Vuur verhit,
Hoewel men samen lacht en bidt,
Maar on-klassieker,
Voltrekken burgergoden even
Gemeen hun dialectisch streven,
Maar fanatieker.

De Hermes-zonen spelen graag,
Doen slechts hun best als men hen vraagt
Kalmaan te doen;
Apollo’s nakroost zwoegt met vlijt
En is tot slavendienst bereid
Om het fatsoen.

Een vredesmissie is in deze
Verbondenheid door antithese
Gedoemd tot flop;
Respect misschien maar vriendschap nooit:
Falstaff de dwaas strijdt meer dan ooit
Met Hal de snob.

Liet hij zijn Ik nu maar alleen,
Apollo kreeg de troon meteen,
Fasces en valken;
Hij zit daar graag, is het gewend;
’t Zou hier met Hermes als regent
Zijn als de Balkan.

Jaloers op onze god der dromen
Tracht hij met list omhoog te komen
In onze gunst;
Onthand met lier en partituur,
Schept hij met imitatievuur
Subsidiekunst.

Als hij de baas is op de faculteit,
Wordt Waarheid snel Doelmatigheid;
PR en Sport
Vult menig kern-curriculum;
Hij zorgt dat ieder practicum
Commercie wordt.

Atletisch, extravert en ruw
Geeft hij wie eenzaam is en schuw
Geen schijn van kans;
Het doel: een dichtbevolkt Nirwana;
Zijn schild draagt dit devies: Mens Sana
Qui mal y pense.

Zijn vaandels zijn van goudbrokaat;
Triomfen viert hij inderdaad,
Van Links tot Rechts,
Van Yale tot Princeton, en het nieuws
Van Broadway tot de Book Reviews
Geeft niets dan slechts.

Zijn radio galmt homerisch voort,
Niet door besef van maat gestoord
(Pastiche van Whitman);
Vol adjectieven is zijn taal
Om doughnut of om Jan Modaal
Flink te aanbidden.

Van hem is ook de huislyriek
Op huwelijk, hond of hosmuziek,
Op zweet of zwoerd,
Verzonnen door een hoofse bard
Wiens ellenlange rijm verward
Obstructie voert.

Zo gaan naar hem de feest-oraties
En series fuga-variaties
Op volksballaden;
Dieet-experts plengen een glas
Met pruimensap of kalebas
Met snoepsalade.

Hij is als sensatie-zuchtige
Verzot op seks en vluchtige
Godsdienstigheid;
Een stortbui van romans belooft
(Neerplenzend op ons weerloos hoofd)
Een griezeltijd.

Voorts tracht hij in het Hermes-kamp
Met vals tuniek en hoefgestamp
Een wig te drijven;
Het gonst van existentialisten
Die ieder elke hoop betwisten,
Maar blijven schrijven.

Geeft niks, want winnen zal hij niet;
Wij krijgen steun van Aphrodite!
Maar wat gedaan
Als zijn regiem verhardt? Wij zullen,
Bij Zeus, als politieke nullen,
Hem toch verslaan.

Geleerden, schietend uit de muren
Van tijdschriften met veel allure,
Staan voor de feiten;
Ons keurkorps intellectuelen
Bestormt de magazine-burelen
Om trends te grijpen.

’s Nachts smoest de zelfkant-avantgarde
Op feestjes over ons verstarde
Establishment;
Des ochtends stort een groot notabele
Terneer, geveld door een capabele
Verbale stunt.

Moreel herstel vormt onze kracht,
Opdat ons straks het schouwspel wacht
Van ’s vijands vlucht:
Apollo’s heir raakt in paniek.
De dekaloog der Hermetiek
Wordt nu Uw tucht:──

Gij zult professors nimmer vleien,
Noch in uw proefschrift-schrijverijen
Opvoedend praten;
Gij zult projecten niet aanbidden,
Noch onderdanig zijn temidden
Der bureaucraten.

Tegen enquêtes zegt gij nee;
Aan quizzen doet gij nimmer mee;
Niet uit gemak
Zult gij een test doen; vormt geen span
Met statistici; hebt afschuw van
Elk socio-vak.

Gij zult u niet vertonen samen
Met snelle jongens in reclame,
Noch blij verrast
De bijbel lezen om zijn spraak,
Noch vrijen met wie zich te vaak
en grondig wast.

Uw grenzen houden u niet tegen;
Versmaadt vlak water, kalme wegen;
Als het mag zijn,
Kiest wat u hoon oplevert, spot;
Leest The New Yorker; hoopt op God;
En hou het klein.

Origineel:

UNDER WHICH LYRE
A Reactionary Tract for the Times
(Phi Beta Kappa Poem, Harvard, 1946, Collected Poems, pag. 335-339)

Ares at last has quit the field,
The bloodstains on the bushes yield
To seeping showers,
And in their convalescent state
The fractured towns associate
With summer flowers.

Encamped upon the college plain
Raw veterans already train
As freshman forces;
Instructors with sarcastic tongue
Shepherd the battle-weary young
Through basic courses.

Among bewildering appliances
For mastering the arts and sciences
They stroll or run,
And nerves that steeled themselves to slaughter
Are shot to pieces by the shorter
Poems of Donne.

Professors back from secret missions
Resume their proper eruditions,
Though some regret it;
They liked their dictophones a lot,
They met some big wheels, and do not
Let you forget it.

But Zeus’ inscrutable decree
Permits the will-to-disagree
To be pandemic,
Ordains that vaudeville shall preach
And every commencement speech
Be a polemic.

Let Ares doze, that other war
Is instantly declared once more
‘Twixt those who follow
Precocious Hermes all the way
And those who without qualms obey
Pompous Apollo.

What high immortals do in mirth
Is life and death in Middle-Earth;
Their a-historic
Antipathy forever gripes
All ages and somatic types,
The sophomoric

Who face the future’s darkest hints
With giggles or with prairie squints
As stout as Cortez,
And those who like myself turn pale
As we approach with ragged sail
The fattening forties.

Brutal like all Olympic games,
Though fought with smiles and Christian names
And less dramatic,
This dialectic strife between
The civil gods is just as mean,
And more fanatic.

The sons of Hermes love to play,
And only do their best when they
Are told they oughtn’t;
Apollo’s children never shrink
From boring jobs but have to think
Their work important.

Related by antithesis
A compromise between us is
Impossible;
Respect perhaps but friendship never:
Falstaff the fool confronts forever
The prig Prince Hal.

If he would leave the self alone,
Apollo’s welcome to the throne,
Fasces and falcons;
He loves to rule, has always done it;
The earth would soon, did Hermes run it,
Be like the Balkans.

But jealous of our god of dreams,
His common sense in secret schemes
To rule the heart;
Unable to invent the lyre,
Creates with simulated fire
Official art.

And when he occupies a college,
Truth is replaced by Useful Knowledge;
He pays particular
Attention to Commercial Thought,
Public Relations, Hygiene, Sport,
In his curricula.

Athletic, extravert and crude,
For him to work in solitude
Is the offence,
The goal a populous Nirvana:
His shield bears this device: Mens Sana
Qui mal y pense.

Today his arms we must confess
From Right to Left have met success,
His banners wave
From Yale to Princeton, and the news
From Broadway to the Book Reviews
Is very grave.

His radio homers all day long
In over-Whitmanated song
That does not scan,
With adjectives laid end to end,
Extol the doughnut and commend
The Comman Man.

His, too, each homely lyric thing
On sport or spousal love or spring
Or dogs or dusters,
Invented by some courthouse bard
For recitation by the yard
In filibusters.

To him ascend the prize orations
And sets of fugal variations
On some folk ballad,
While dietitians sacrifice
A glass of prune-juice or a nice
Marsh-mallow salad.

Charged with his compound of sensational
Sex plus some undenominational
Religious matter,
Enormous novels by co-eds
Rain down on our defenceless heads
Till our teeth chatter.

In fake Hermetic uniforms
Behind our battle lines, in swarms
That keep alighting,
His existentialists declare
That they are in complete despair,
Yet go on writing.

No matter; He shall be defied;
White Aphrodite is on our side:
What though his threat
To organize us grow more critical?
Zeus willing, we, the unpolitical,
Shall beat him yet.

Lone scholars, sniping from the walls
Of learned periodicals,
Our facts defend,
Our intellectual marines,
Landing in little magazines
Capture a trend.

By night our student Underground
At cocktail parties whisper round
From ear to ear;
Fat figures in the public eye
Collapse next morning, ambushed by
Some witty sneer.

In our morale must lie our strength:
So that we may behold at length
Routed Apollo’s
Batallions melt away like fog,
Keep well the Hermetic Decalogue,
Which runs as follows:──

Thou shalt not do as the dean pleases,
Thou shalt not write thy doctor’s thesis
On education,
Thou shalt not worship projects nor
Shalt thou or thine bow down before
Administration.

Thou shalt not answer questionnaires
Or quizzes upon World-Affairs,
Nor with compliance
Take any test. Thou shalt not sit
With statisticians nor commit
A social science.

Thou shalt not be on friendly terms
With guys in advertising firms,
Nor speak with such
As read the Bible for its prose,
Nor, above all, make love to those
Who wash too much.

Thou shalt not live within thy means
Nor on plain water or raw greens.
If thou must choose
Between the chances, choose the odd:
Read The New Yorker, trust in God;
And take short views.

Unity

Edward Hopper, The House by the Railroad (1925)

Edward Hopper, The House by the Railroad (1925)

Oorspronkelijk wilde ik een gedichtje maken met het woord Twitter erin. Dat mislukte, en in plaats daarvan ontstond dit versje:

Unity

My Lord, exclaimed a desperate soul,
One day all things will form a whole
In which I play a vital role…

But none of this came ever true;
The earth was rock, the ocean glue,
The swallow twitt’ring, and the heaven blue.

Het bevat een toespeling op Elegy Written in a Country Churchyard (1750) van Thomas Gray.

De regels 17-20 van de Elegy luidden:

The breezy call of incense-breathing Morn,
The swallow twitt’ring from the straw-built shed,
The cock’s shrill clarion, or the echoing horn,
No more shall rouse them from their lowly bed.

Honnepon

Honnepon staat op het punt haar bril af te zetten.

Honnepon staat op het punt haar bril af te zetten.

Honnepon

Honnepon lag bleek als was
Lang uitgestrekt in ’t groene gras,
Ontdaan van bril en bloemjapon,
Zich bruin te bakken in de zon.

Ik zag een toefje okselhaar…

Oh Honnepon, één nachtje maar,
Ik zou de koning zijn te rijk,
Al zag je bleekgroen als een lijk.

Capriccio

Willem Wilmink

Willem Wilmink

Ter gelegenheid van de 19e Willem Wilmink Dichtwedstrijd had ik een gedicht met de titel Capriccio ingezonden. De opdracht was om een door Ingmar Heytze opgegeven regel in het gedicht te verwerken. Deze regel luidde: Alles is meteen zo veel. Voor het overige was de verzenmaker vrij.

Het gedicht is overigens niet in de prijzen gevallen.

Capriccio

Alles is meteen zoveel machtiger als je het opblaast,
Laaiender als de zon schijnt,
Dromeriger in de hooitijd,
Bedrieglijker als je jong bent.

Ik volgde haar deinende heupen in Madame Tussauds.
Alles is heviger als je geketend wordt,
Als je haar silhouet bevend ziet rijmen,
Als je denkt dat je haar levend kust.

In maten en kleuren is Alles te koop.
Zingend dansen ze op het scherm,
Jonge mensen, spontaan en fris.
Geluk wiegt geurend in een flacon.

“Van verzen word je niet rijk”, zingen ze,
“Je kunt beter wat anders gaan doen.”
Kan me niks schelen; ik wil altijd Alles
Omhelzen, de wereld op stelten zetten.

Scheepmaker schreef Over Alles
De kip van Egypte, voetbal, samizdat,
Ik ben het moe een mens te zijn” –
Dwars tegen wijze adviezen in.

Soms droom ik dat ik Alles ben,
Een luchtbel met een glans van mystiek.
“Omnia vanitas”, zegt de Prediker.
En het wordt niet snel licht.

Men spreekt wel van ‘Alleskunners’.
Ik zal vermoedelijk niet dol op ze zijn,
Maar ik heb, als wijlen Szymborska, gemakkelijk praten:
Ik ken er niet één.

Wie Alles kan, schrijft geen gedichten.
De goddelijke komedie trekt een select publiek:
Wilmink, Mandelstam, de Beatrijs,
Montale, Auden, Focquenbroch!

Christus wilde Alles verlossen,
Een alleszins vermetele poging die thans evenwel
Als minder geslaagd wordt beschouwd:
“Alles is meteen zo veel.”

Alles is een betovering.
Wie haar met ontroering aanziet, stamelend aanspreekt,
Lokkend meevoert, looft en dartel omhelst,
Danst een verrukkelijke, capricieuze dans.

Sonnet 127 – Shakespeare

Dedication page from The Sonnets

Opdracht in The Sonnets

Op Wikipedia heb ik (onder het pseudoniem Theobald Tiger) op 6 maart 2014 een vertaling van Shakespeare’s ‘Sonnet 127′ gepubliceerd.

Vertaling (zie ook deze overlegpagina):

Sonnet 127

Eertijds gold zwart niet als mooi of voornaam,
En als het zo was, werd het niet zo genoemd.
Maar nu is zwart toch schoonheids erfgenaam,
En wordt goudblonde schoonheid als bastaard verdoemd.

Want sinds de mens de natuur heeft gebreideld,
Wanstaltigheid schiep, namaak die doorgaat voor echt,
Wordt de schoonheid ontwijd, haar streven verijdeld,
Haar lustoord onteerd, haar bestaansrecht ontzegd.

De ogen van mijn lief zijn zwart, godlof!
Haar zwarte wenkbrauwen tonen haar pijn
Om al wat niet mooi is, maar toch doet alsof,
De schepping schofferend met valsheid en schijn.

Maar ieder zal zeggen, hoezeer ze ook klagen,
Wat schoonheid is, hoef je nooit meer te vragen.

Origineel:

Sonnet 127

In the old age black was not counted fair,
Or if it were, it bore not beauty’s name;
But now is black beauty’s successive heir,
And beauty slandered with a bastard shame:
For since each hand hath put on nature’s power,
Fairing the foul with art’s false borrowed face,
Sweet beauty hath no name, no holy bower,
But is profaned, if not lives in disgrace.
Therefore my mistress’ eyes are raven-black,
Her brow so suited, and they mourners seem
At such who, not born fair, no beauty lack,
Sland’ring creation with a false esteem.

Yet so they mourn, becoming of their woe,
That every tongue says beauty should look so.