Categorie archief: Poëzievertaling

Als ik het zeggen kon – W.H. Auden

De dichter Wystan Hugh Auden (1907-1973) is een van de grootste twintigste-eeuwse dichters in het Engelse taalgebied. Hij stamde uit een anglicaans middle class milieu, studeerde in Oxford, werd al snel de centrale figuur van een groep dichters in de jaren dertig – Louis MacNeice, Stephen Spender, Christopher Isherwood, John Betjeman – was zich al vroeg bewust van zijn dichterlijke roeping, gebruikte Freud in zijn beginjaren, Marx in de jaren die erop volgden, en keerde op middelbare leeftijd terug naar de christelijke levensovertuiging die hij al van kindsbeen aan kende.

Het gedicht If I could tell you is een van de bekendste gedichten uit Audens oeuvre. Het is een villanelle, een dichtvorm met zes strofen, vijf drieregelige strofen en een slotstrofe met vier regels. De openingsregel en de slotregel van de eerste strofe keren afwisselend terug als keerregels aan het eind van de volgende strofen. In de slotstrofe keren beide regels als slotregels terug. In het gedicht komen maar twee eindrijmklanken voor.

Dit gedicht speelt met wat je kunt zeggen, met dat waarover je wel of niet kunt spreken. Misschien dat de bekende slotzin van Ludwig Wittgensteins Tractatus Logico-Philosophicus hierbij een rol heeft gespeeld: “En van dat, waarover niet gesproken kan worden, moet men zwijgen” (vertaling W.F. Hermans).

Hier vindt u de vertaling van Arie van der Krogt, en hier de vertaling van Ans Bouter. Beide vertalingen houden zich goed aan de vorm, zijn inventief, en verschillen in hun interpretatie op een paar punten aanzienlijk van de mijne.

Auden draagt hier zijn gedicht zelf voor.

[De openingszin van mijn vertaling luidde aanvankelijk bij publicatie op dit kleine blog: “De Tijd zwijgt stil, maar ’t is zoals ik zei”.

Ik had die zin niet goed vertaald. Deze betekent: “De Tijd zegt niets, behalve: ik heb het je toch gezegd”. De ‘ik’ in het tweede deel van de zin is de Tijd en niet de stem van het gedicht.

Ik heb de verkeerde vertaling vervangen door: “De Tijd zegt niets, slechts: hoor je wat ik zei”.]

Vertaling:

Als ik het zeggen kon

De Tijd zegt niets, slechts: hoor je wat ik zei,
De Tijd weet goed wat je betalen moet;
Als ik het zeggen kon, dan hoorde je het van mij.

Ook als een clown zou maken dat ik schrei,
Of een stuk muziek mij bijna wankelen doet,
De Tijd zegt niets, slechts: hoor je wat ik zei.

Veel gunstigs is het niet, zeg ik er alvast bij,
Maar sinds m’n liefde meer is dan mijn woordenvloed,
Als ik het zeggen kon, dan hoorde je het van mij.

Niet zonder reden waait de wind ons straks voorbij,
Er moet een grond zijn voor de najaarsgloed;
De Tijd zegt niets, slechts: hoor je wat ik zei.

Misschien ontluikt de roos opzettelijk in mei,
En dringt het visioen wel aan op spoed;
Als ik het zeggen kon, dan hoorde je het van mij.

Stel nu dat alle leeuwen gingen, eindelijk vrij,
En beken en soldaten met een afscheidsgroet;
De Tijd zegt niets, slechts: hoor je wat ik zei.
Als ik het zeggen kon, dan hoorde je het van mij.

Origineel:

If I could tell you

Time will say nothing but I told you so,
Time only knows the price we have to pay;
If I could tell you I would let you know.

If we should weep when clowns put on their show,
If we should stumble when musicians play,
Time will say nothing but I told you so.

There are no fortunes to be told, although,
Because I love you more than I can say,
If I could tell you I would let you know.

The winds must come from somewhere when they blow,
There must be reasons why the leaves decay;
Time will say nothing but I told you so.

Perhaps the roses really want to grow,
The vision seriously intends to stay;
If I could tell you I would let you know.

Suppose the lions all get up and go,
And all the brooks and soldiers run away;
Will Time say nothing but I told you so?
If I could tell you I would let you know.

 

Verdwijn niet vredig in die goedertieren nacht – Dylan Thomas

Dylan_Thomas_Getty
Dylan Thomas (Getty Images)

Dylan Thomas (1914-1953) was een Welshe dichter die in het Engels schreef. Hij wordt beschouwd als een van de grootste Engelse modernistische dichters van de 20e eeuw. Een bekend hoorspel/toneelstuk van hem is Under Milk Wood.

Thomas had een militant-atheïstische vader en een nonconformistische moeder die een trouwe kerkganger was. Deze tegenstelling leidde ook tot huiselijke twisten. Thomas’ ambivalente houding jegens godsdienstige zaken kan daardoor niet als een verrassing komen. Hij bleef zijn leven lang wel gevoelig voor bijbelse taal en bijbelse voorstellingen.

Hij is vrij jong gestorven in New York City, tijdens een tour in Amerika, waarschijnlijk als gevolg van overmatig alcoholgebruik.

Het gedicht Do not go gentle into that good night is een van de bekendste gedichten die Dylan Thomas heeft geschreven. Het is een opstandig gedicht.

Alle metaforen in dit gedicht wijzen op de dood: ‘good night‘, ‘end of day‘, ‘dying of the light‘, ‘wise men at their end‘, ‘the last wave by‘, ‘near death‘, ‘there on that sad height‘ (vlak voor de dood zal intreden).

De vader die in de slotstrofe wordt aangesproken is reeds ‘on that sad height’ waar de zoon nog tegen te hoop loopt. Het is eigenlijk niet zo’n nobel sentiment dat onder woorden wordt gebracht – accepteer die ellendige rotdood niet – maar het gedicht ontleent zijn effect aan de rauwe bitterheid die schemert door de sonore versregels, een beetje vergelijkbaar met het beroemde gedicht ‘Het huwelijk’ van Willem Elsschot. Je voelt de onontkoombaarheid van ‘that good night‘.

Het gedicht is een ‘villanelle’: zes strofen met keerregels. De eerste en de laatste regel van de drieregelige openingsstrofe keren om de beurt terug in de vervolgstrofen, en ze keren samen terug in de slotstrofe. Er zijn maar twee rijmklanken.

Andere vertalingen van dit gedicht vindt u hier.

En hier hoort u Dylan Thomas zelf  op gedragen toon het gedicht voordragen.

Geluidsopname:

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling:

Verdwijn niet vredig in die goedertieren nacht

Verdwijn niet vredig in die goedertieren nacht,
De ouderdom moet laaien – ‘t is nog niet voorbij;
Blijf tieren tegen ‘t lot dat alle vuurgloed wacht.

Omdat zijn woord geen bliksems heeft teweeggebracht,
Beseft de wijze dat het donker goed is, maar ook hij
Verdwijnt niet vredig in die goedertieren nacht.

De goede, voortgaand op z’n laatste golf, huilt zacht
Om hoe zijn broze daden konden dansen in de wei,
Blijf tieren tegen ’t lot dat alle vuurgloed wacht.

De wilde, die de zon ontvoerde in een jubelende jacht,
Beseft te laat: de jammerende zon is niet van mij.
Verdwijn niet vredig in die goedertieren nacht.

De ernstige, het graf nabij, ziet nog uit alle macht
Dat blinde ogen vonken als een meteoor, ook hij
Blijft tieren tegen ’t lot dat alle vuurgloed wacht.

En gij, mijn vader, die uw grijsheid reeds volbracht,
Vloek mij met felle tranen, bid ik, zegen mij.
Verdwijn niet vredig in die goedertieren nacht.
Blijf tieren tegen ’t lot dat alle vuurgloed wacht.

Origineel:

Do not go gentle into that good night

Do not go gentle into that good night,
Old age should burn and rave at close of day;
Rage, rage against the dying of the light.

Though wise men at their end know dark is right,
Because their words had forked no lightning they
Do not go gentle into that good night.

Good men, the last wave by, crying how bright
Their frail deeds might have danced in a green bay,
Rage, rage against the dying of the light.

Wild men who caught and sang the sun in flight,
And learn, too late, they grieved it on its way,
Do not go gentle into that good night.

Grave men, near death, who see with blinding sight
Blind eyes could blaze like meteors and be gay,
Rage, rage against the dying of the light.

And you, my father, there on the sad height,
Curse, bless, me now with your fierce tears, I pray.
Do not go gentle into that good night.
Rage, rage against the dying of the light.

En de dood zal niet meer heersen – Dylan Thomas

Dylan_Thomas_Getty
Dylan Thomas (Getty Images)

Dylan Thomas (1914-1953) was een Welshe dichter die in het Engels schreef. Hij wordt beschouwd als een van de grootste Engelse modernistische dichters van de 20e eeuw. Een bekend hoorspel/toneelstuk van hem is Under Milk Wood.

Thomas had een militant-atheïstische vader en een nonconformistische moeder die een trouwe kerkganger was. Deze tegenstelling leidde ook tot huiselijke twisten. Thomas’ ambivalente houding jegens godsdienstige zaken kan daardoor niet als een verrassing komen. Hij bleef zijn leven lang wel gevoelig voor bijbelse taal en bijbelse voorstellingen.

Hij is vrij jong gestorven in New York City, tijdens een tour in Amerika, waarschijnlijk als gevolg van overmatig alcoholgebruik.

Het onderhavige gedicht – And death shall have no dominion – is een van de beroemdste gedichten uit zijn oeuvre. Het werd geschreven in 1933, toen Dylan Thomas nog geen twintig was.

Het gedicht ontstond uit een afspraak die Thomas had gemaakt met een bevriende dichter – Bert Trick (zelf niet bekend geworden) – om een gedicht over onsterfelijkheid te maken. Trick schreef een vers waarin de regel voorkwam: For death is not the end. Thomas schreef daarop het vers waarvan ik hier een vertaling publiceer.

De titel is tevens een refreinregel waarmee elke strofe opent en eindigt. Deze is een verwijzing naar Romeinen 6:9, een bijbelvers dus, dat in de King James-vertaling luidt:

Knowing that Christ being raised from the dead dieth no more; death hath no more dominion over him.

Romeinen 6:9 luidt in de Statenvertaling:

Wetende, dat Christus, opgewekt zijnde uit de doden, niet meer sterft; de dood heerst niet meer over Hem.

Ook in de rest van het vers komen veel bijbelse verwijzingen voor. Het slot van de openingsstrofe doet denken aan de retoriek van de Bergrede, een beroemde toespraak van Christus. De strekking van het vers – vergankelijke lichamen hebben deel aan de onvergankelijkheid – lijkt schatplichtig aan 1 Korinthiërs 15:40-44.

Het gedicht kent drie strofen met enigszins wisselende regellengte en onregelmatige eindrijmen, binnenrijmen, alliteraties en halfrijmen. Ik heb me bij de vertaling een paar vrijheden veroorloofd om de inhoud goed te kunnen overbrengen. De slotwoorden van de meeste regels van Thomas zijn eenlettergrepig (mannelijk rijm). Ik heb regelmatig gekozen voor tweelettergrepige slotwoorden (vrouwelijk rijm).

De zinsnede ‘man in the wind and the west moon‘ is een ongebruikelijke uitdrukking in het Engels. Thomas verplaatste de attributen. Gewoon zou zijn: ‘man in the moon [het gezicht dat je in de maan kunt zien] and the west wind‘.

De zinsnede ‘hammer through daisies‘ – stoten door de margrieten – verwijst naar de uitdrukking ‘pushing up the daisies‘, wat een toespeling is op de doden die, nadat ze begraven zijn, de bloemen omhoog zouden duwen. In dit geval lijkt Thomas het opstandingsmotief te gebruiken. Ze stoten zich door de bloemen op het graf omhoog, en enteren de zon.

Een eerdere vertaling door Arie van der Krogt, een vertaling die wat kaler, wat minder gedragen is, die ook wat minder bijbels klinkt, vindt u hier. (Er zijn ook een paar duidelijke inhoudelijke verschillen.)

En hier hoort u de sonore stem van Dylan Thomas die het gedicht op bezwerende toon voordraagt.

Ik heb ook een geluidsopname van de vertaling gemaakt:

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling:

En de dood zal niet meer heersen

En de dood zal niet meer heersen.
Naakte doden, zij zullen één zijn
Met het mannetje van de wind en de westenmaan;
Als hun gebeente is kaalgepikt, hun kale gebeente verdwenen,
Dragen ze sterren aan elleboog en voet;
Al worden zij dwazen, zij zullen heel zijn,
Al zinken zij weg in de diepten, zij zullen herrijzen;
Al gaan geliefden teloor, de liefde zal blijven;
En de dood zal niet meer heersen.

En de dood zal niet meer heersen.
Zelfs onder de woelingen der zee
Zal wie daar langgerekt ligt niet weggewaaid sterven;
Gelegd op de pijnbank tot pezen het begeven,
Gebonden op het rad, zullen zij nochtans niet breken;
In hun hand zal overtuiging splijten in tweeën,
En het eenhoornkwaad zal hen doorboren;
Trek alle rafels uiteen, zij zullen niet scheuren;
En de dood zal niet meer heersen.

En de dood zal niet meer heersen.
Nooit meer krijsen meeuwen aan hun oren,
Of zullen golven luide kapotslaan op rotsen;
Waar een bloem tierde, zal een bloem nooit meer
Zijn hoofd heffen onder de tierende regen;
Al werden ze dwaas en dood als een pier,
De markante koppen stoten zich door de grafbloesem,
Enteren de zon, tot de zon zal bezwijken,
En de dood zal niet meer heersen.

Origineel:

And Death Shall Have No Dominion

And death shall have no dominion.
Dead men naked they shall be one
With the man in the wind and the west moon;
When their bones are picked clean and the clean bones gone,
They shall have stars at elbow and foot;
Though they go mad they shall be sane,
Though they sink through the sea they shall rise again;
Though lovers be lost love shall not;
And death shall have no dominion.

And death shall have no dominion.
Under the windings of the sea
They lying long shall not die windily;
Twisting on racks when sinews give way,
Strapped to a wheel, yet they shall not break;
Faith in their hands shall snap in two,
And the unicorn evils run them through;
Split all ends up they shan’t crack;
And death shall have no dominion.

And death shall have no dominion.
No more may gulls cry at their ears
Or waves break loud on the seashores;
Where blew a flower may a flower no more
Lift its head to the blows of the rain;
Though they be mad and dead as nails,
Heads of the characters hammer through daisies;
Break in the sun till the sun breaks down,
And death shall have no dominion.

La Belle Dame sans Merci, een ballade – John Keats

John Keats (1795-1821) is een van de belangrijkste romantische Engelse dichters.

Hij behoorde tot een groep dichters waartoe ook Percy Byssche Shelley en Lord Byron behoorden. Zijn dichterlijke productie kwam in ongeveer zes jaar tot stand, want hij overleed al heel vroeg – op 25-jarige leeftijd – aan tuberculose.

Zijn vader stierf toen hij acht was, en zijn moeder toen hij veertien was. Hij stierf in Rome en ligt ook daar begraven. Enkele weken na zijn dood schreef Shelley een gedicht ter herdenking aan Keats, onder de titel Adonais.

De biografische schets van Keats in de Encyclopaedia Brittannica vindt u hier.

George Barbier, La Belle Dame Sans Merci: Robe du Soir, de Worth (1921) – Lalique Museum in Doesburg

Keats was heel productief in de weinige jaren die hem ter beschikking stonden. Het onderhavige gedicht, La Belle Dame sans Merci: A Ballad, is een van de beroemdste, romantische gedichten uit de Engelse letterkunde. Het werd voor het eerst gepubliceerd in 1820, en het wordt beschouwd als de tegenhanger van Keats’ gedicht The Eve of St. Agnes, een gedicht dat een idyllische liefde bezingt.

La Belle Dame sans Merci – de mooie meedogenloze dame – beschrijft de destructieve kant en de ontredderende gevolgen van een onvoorwaardelijke liefde die slechts in de vorm van valse verleidingskunst beantwoord wordt.

Keats ontleende de titel van het gedicht aan de Franse dichter Alain Chartier (1385 – ca. 1433).

Gerard Reve heeft zijn ‘Meedogenloze jongen’- een homoseksule pendant van de fatale vrouw – ontleend aan het romantische motief dat Keats in dit gedicht mede heeft gemunt.

Omdat het licht werpt op het romantische motief van de fatale dame, citeer ik een passage uit Klaus Beekman en Mia Meijer, Kort Revier, Gerard Reve en het oordeel van zijn medeburgers (1973), waarin ze Johan Polak uitgebreid citeren, als volgt:

“Een van de in het oog springende motieven in de romantiek, vooral in de late romantiek, is de fatale vrouw. Hoewel de eerste specimina van dit verschrikkelijke slag al optreden in de vroegste griekse literatuur in de gedaante van de Sirenen die Odysseus moeten verleiden, wemelt het in de romantische letteren van deze vrouwen. Klassiek is het gedicht van Keats: La belle dame sans merci (de uitdrukking zelf is gevleugeld geworden):

I saw pale kings and princes too,
Pale warriors, death-pale were they all;
They cried—‘La Belle Dame sans Merci
Thee hath in thrall!’

Op dit stramien zitten de andere fatale vrouwen geborduurd. Of ze nu pacteren met de duivel (en dat doen ze graag), geselend rondgaan (dit vooral is een geliefde fantasie: she slays and her hands are not bloody, zingt Swinburne), eindeloze masturbaties bedrijven bij de man die in haar macht is (Mirbeau), één motief blijft hetzelfde: de man die zich in haar macht bevindt, komt daar niet meer van los.”

Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling:

La Belle Dame sans Merci – een ballade

Wat scheelt eraan, O, ridder-met-de-helm,
Zo eenzaam, bleek, door schrik omringd?
De zegge langs het meer is al verdord,
Geen vogel zingt.

Wat scheelt eraan, O, ridder-met-de-helm,
Zo afgemat, zo aangedaan?
De eekhoorn-voorraadschuur is vol,
De oogst gedaan.

Een lelie prijkt er op je hoofd,
Zo klam van angst, met koorts berijpt,
En op je wang een schrale roos
Die snel verkwijnt.

Ik trof een dame in het veld,
Ze was beeldschoon – een elfenkind,
Haar haar was lang, haar tred was licht,
Haar ogen waren wild.

Ik vlocht een krans voor om haar hoofd,
Een sjerp, een armband – geur en pracht;
Ze keek naar mij heel liefdevol,
En neuriede zacht.

Ik zette haar op mijn snelle hengst,
En wat ik zag was anders niet
Dan zij die zijwaarts hangend zong
Een elfenlied.

Ze vond mij bron van alle zoets,
Van wilde honing, manna-dauw,
Toen zei ze op haar vreemde wijs –
“’k hou echt van jou”.

Ze ontvoerde mij naar de elfengrot,
Ze huilde, zuchtte diep en puur,
Ik kuste toen haar wilde ogen
Met laaiend vuur.

Daar wiegde ze me toen in slaap,
Daar droomde ik – afgrondelijk erg! –
De laatste droom die ‘k heb gedroomd
Daar op die koude berg.

‘k Zag menig koning, menig prins,
Ze waren allemaal lijkbleek,
Het klonk – ‘La Belle Dame Sans Merci,
Ze houdt je in de greep’

‘k Zag grauwe lippen in de schemering,
Hun wrede lessen, wijd gesperd,
En ik ontwaakte en bevond
Me op die koude berg.

En dit is waarom ik hier toef,
Zo eenzaam, bleek, door schrik omringd,
Al is de zegge langs het meer verdord,
Geen vogel meer die zingt.

Origineel:

La Belle Dame sans Merci: A Ballad

O what can ail thee, knight-at-arms,
Alone and palely loitering?
The sedge has withered from the lake,
And no birds sing.

O what can ail thee, knight-at-arms,
So haggard and so woe-begone?
The squirrel’s granary is full,
And the harvest’s done.

I see a lily on thy brow,
With anguish moist and fever-dew,
And on thy cheeks a fading rose
Fast withereth too.

I met a lady in the meads,
Full beautiful—a faery’s child,
Her hair was long, her foot was light,
And her eyes were wild.

I made a garland for her head,
And bracelets too, and fragrant zone;
She looked at me as she did love,
And made sweet moan

I set her on my pacing steed,
And nothing else saw all day long,
For sidelong would she bend, and sing
A faery’s song.

She found me roots of relish sweet,
And honey wild, and manna-dew,
And sure in language strange she said—
‘I love thee true’.

She took me to her Elfin grot,
And there she wept and sighed full sore,
And there I shut her wild wild eyes
With kisses four.

And there she lullèd me asleep,
And there I dreamed—Ah! woe betide!—
The latest dream I ever dreamt
On the cold hill side.

I saw pale kings and princes too,
Pale warriors, death-pale were they all;
They cried—‘La Belle Dame sans Merci
Thee hath in thrall!’

I saw their starved lips in the gloam,
With horrid warning gapèd wide,
And I awoke and found me here,
On the cold hill’s side.

And this is why I sojourn here,
Alone and palely loitering,
Though the sedge is withered from the lake,
And no birds sing.

Sestina – Elizabeth Bishop

Elizabeth Bishop

Elizabeth Bishop

Elizabeth Bishop (1911-1979) was een Amerikaans schrijfster van gedichten en korte verhalen.

Uit het Nederlandse Wikipedia-artikel citeer ik een passage omdat die relevant is om het gedicht Sestina te begrijpen:

Bishops vader stierf kort na haar geboorte. Haar moeder kampte vaak met depressies en werd in later ook in een inrichting opgenomen. Vanaf haar derde tot haar zesde jaar werd Elizabeth liefdevol opgevoed door haar grootouders van moederszijde, in Great Village (Nova Scotia). Daarna werd de voogdij toegewezen aan de familie van haar vader in Worcester en twee jaar later werd ze ondergebracht bij de oudste zus van haar moeder in Revere, die leefden in relatief armoedige omstandigheden. Na de scheiding van haar grootouders had ze een ongelukkige kindertijd. Ze ontwikkelde ze chronische astma, die haar de rest van haar leven parten zou spelen.

De vorm van dit gedicht is een Sestina, ‘zesregelige strofe’ in het Italiaans. Uit het Lexicon der poëzie, p.291 (beschikbaar via de dbnl) citeer ik de volgende beschrijving:

[Het betreft] een Italiaanse laatmiddeleeuwse dichtvorm die tijdens de renaissance geïmiteerd werd in West-Europa en een heropleving kende in de 19de eeuw. Hij bestaat uit zes strofen van elk zes versregels, en een drieregelige eindstrofe. De rijmwoorden uit de eerste strofe keren alle terug als rijmwoorden in de volgende strofen, in een welbepaalde conventionele orde. Voorbeelden vinden we bij Petrarca, Dante en Camões.

Deze vorm wordt soms ook een sextine genoemd.

De volgorde van de slotwoorden van de versregels dient als volgt gekozen te worden (a is het slotwoord van de eerste regel, f is het slotwoord van de zesde regel):

1e strofe – abcdef
2e strofe – faebdc
3e strofe – cfdabe
4e strofe – ecbfad
5e strofe – deacfb
6e strofe – bdfeca
7e strofe – eca of ace

De slotstrofe van drie regels wordt wel de ‘envoi’ genoemd. Meestal komen alle zes slotwoorden terug in de envoi.

De vorm van dit gedicht is – zoals elke poëtische vorm – een spel. Het gedicht opent met heel gewone dingen: een huis, een kacheltje, een almanak, een grootmoeder, een kind.

Maar er zijn ook de tranen van de grootmoeder.

De verschuiving van de slotwoorden en de verschuiving van de rollen die die woorden in het gedicht spelen, maken dat het gedicht zich op een verrassende manier ontwikkelt.

Op de achtergrond lijkt zich een onuitgesproken drama af te spelen, waar het kind met haar fantasie op een geheel eigen manier op reageert. De instabiliteit van de situatie wordt in de slotstrofen gecontrasteerd met de schepping van een robuust huis in tweevoud, weliswaar vooralsnog in de tekeningen van het kind.

Bishops biografie verklaart het gedicht niet, maar maakt de keuze van deze thematiek wel begrijpelijk. Een vroege werktitel – Early Sorrow – werd later door Bishop vervangen door Sestina.

Wie iets meer over dit gedicht wil lezen, kan hier terecht, of hier.

Vertaling:

Sestina

De herfstregen valt op het huis.
In het slechte licht zit de oude grootmoeder
in de keuken samen met het kind
naast het Kleine Wonder-Kacheltje;
ze leest grapjes voor uit de almanak,
verbergt met gelach en gepraat haar tranen.

Ze denkt dat haar equinoctische tranen
en de regen die slaat op het dak van het huis
beide waren voorspeld door de almanak,
zij het slechts bekend bij een grootmoeder.
De fluitketel zingt op het kacheltje.
Ze snijdt wat brood en zegt tot het kind,

Het is nu theetijd; maar het kind
kijkt naar de kleine, harde theepot-tranen
die driftig dansen op de plaat van het kacheltje,
zoals de regen ook vast zal dansen op het huis.
Bij het opruimen hangt de oude grootmoeder
hem op aan z’n touwtje, de almanak

die zo wijs is. Als een vogel spreidt de almanak
zich half geopend uit boven het kind,
spreidt zich uit boven de oude grootmoeder
en haar theekopje vol donkerbruine tranen.
Ze huivert en zegt dat het misschien in huis
koud aanvoelt, en doet wat hout in het kacheltje.

Het moest zo zijn, zegt het Wonder-Kacheltje.
Ik weet wat ik weet, zegt de almanak.
Met krijtjes tekent het kind een standvastig huis
en een kronkelig paadje. Dan voegt het kind
er een mannetje aan toe met knopen als tranen
en laat het trots zien aan de grootmoeder.

Maar stiekem, terwijl de grootmoeder
druk bezig is met het kacheltje
vallen de maantjes omlaag als tranen
van tussen de bladzijden van de almanak
recht in het bloembed dat het kind
zo netjes heeft neergezet in het voorhuis.

Tijd om tranen te zaaien, zegt de almanak.
De grootmoeder zingt tot het wonderlijke kacheltje
en het kind tekent nog een ondoorgrondelijk huis.

Origineel:

Sestina

September rain falls on the house.
In the failing light, the old grandmother
sits in the kitchen with the child
beside the Little Marvel Stove,
reading the jokes from the almanac,
laughing and talking to hide her tears.

She thinks that her equinoctial tears
and the rain that beats on the roof of the house
were both foretold by the almanac,
but only known to a grandmother.
The iron kettle sings on the stove.
She cuts some bread and says to the child,

It’s time for tea now; but the child
is watching the teakettle’s small hard tears
dance like mad on the hot black stove,
the way the rain must dance on the house.
Tidying up, the old grandmother
hangs up the clever almanac

on its string. Birdlike, the almanac
hovers half open above the child,
hovers above the old grandmother
and her teacup full of dark brown tears.
She shivers and says she thinks the house
feels chilly, and puts more wood in the stove.

It was to be, says the Marvel Stove.
I know what I know, says the almanac.
With crayons the child draws a rigid house
and a winding pathway. Then the child
puts in a man with buttons like tears
and shows it proudly to the grandmother.

But secretly, while the grandmother
busies herself about the stove,
the little moons fall down like tears
from between the pages of the almanac
into the flower bed the child
has carefully placed in the front of the house.

Time to plant tears, says the almanac.
The grandmother sings to the marvelous stove
and the child draws another inscrutable house.

 

 

Zeventigste verjaardag – R.S. Thomas

r.-s.-thomas-4da1a5eab4f6b_360x225

R.S. Thomas

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die ook zijn leven lang in Wales woonde en werkte als een Anglicaans priester. Hij was een groot natuurliefhebber, had een vrij vergaande afkeer van moderne zaken die hij vond afleiden van waar het in het leven echt om ging, en hij schreef in het Engels.

Een aardige bespreking door Theodore Dalrymple van zijn biografie – Byron Rogers, The Man Who Went into the West: The Life of R. S. Thomas, Aurum Press – vindt u hier.

Hij was een merkwaardige, eenzelvige figuur die prachtige gedichten schreef, getrouwd was met de schilder Mildred (Elsi) Eldridge, aan wie hij, behalve dit gedicht, nog een paar fraaie gedichten heeft gewijd – zie elders op dit blog (bereikbaar via het menu op de hoofdpagina, onder de naam R.S. Thomas).

Kingsley Amis – zeker geen geestverwant – schreef dat zijn poëzie “reduces most other modern verse to footling whimsy” (=triviale gekkigheid). Hij is in Nederland niet zeer bekend.

Dit gedicht is wel geheimzinnig, maar niet heel moeilijk.

De openingsstrofe begint met het hart als een samenstel van chemische en histologische (weefselkundige) elementen, neemt dan een bewust-archaïsche wending – legend / oude held – en eindigt met de ietwat spottende vraag: zit je er nog wel in?

De tweede strofe proclameert de definitieve overwinning van de aangesproken vrouw – ongetwijfeld zijn eigen vrouw, Mildred Eldridge. Vervolgens wordt de tijd die het leven aantast benoemd met een aan Yeats  – dat is de beroemde dichter William Butler Yeats – ontleende humoristische beeldspraak: de tijd die als een rups de kroonblaadjes van de roos aanvreet.

De slotstrofe is ontroerend: deze beschrijft beeldend de effecten die het klimmen van de jaren heeft op de geliefde en op hemzelf, met een slotregel die, ondanks het voortschrijden van de onverbiddelijke tijd, voelt als een triomf: de liefde zal worden behouden.

Het gedicht komt voor in de Collected Poems op p.384.

In het boek van M. Wynn Thomas, R.S. Thomas: Serial Obsessive, University of Wales Press, p.142, kunt u nog iets meer over dit gedicht lezen.

Vertaling:

Zeventigste verjaardag

Gemaakt van weefsel en H2O,
en bewogen door aanvurende
cellen – Ah, hart, de oude held
van jouw wezen! Verzon ik
hem, en zit hij er nog steeds in?

In de strijd met andere vrouwen
is jouw overwinning verzekerd.
Het is de tijd, zei Yeats, die
de rups is in de roos van de wang,
de taaie uitzuiger van je kroonbladeren.

Je drijft nu van me weg
op de grijzende golf van je haren.
Ik buig ver af van de hoofdtak van mijn gebeente,
wel wetend dat de hand die ik uitstrek
niets van je kan behouden, alleen je liefde.

Origineel:

Seventieth Birthday

Made of tissue and H2O,
and activated by cells
firing – Ah, heart, the legend
of your person! Did I invent
it, and is it in being still?

In the competition with other
women your victory is assured.
It is time, as Yeats said, is
the caterpillar in the cheek’s rose,
the untiring witherer of your petals.

You are drifting away from
me on the whitening current of your hair.
I lean far out from the bone’s bough,
knowing the hand I extend
can save nothing of you but your love.

Wanneer ik vrees – John Keats

John Keats (1795-1821) is een van de belangrijkste romantische Engelse dichters.

Hij behoorde tot een groep dichters waartoe ook Percy Byssche Shelley en Lord Byron behoorden. Zijn dichterlijke productie kwam in ongeveer zes jaar tot stand, want hij overleed al heel vroeg – op 25-jarige leeftijd – aan tuberculose.

Zijn vader stierf toen hij acht was, en zijn moeder toen hij veertien was. Hij stierf in Rome en ligt ook daar begraven in een graf naast zijn vriend, de romantische kunstschilder Joseph Severn.

Enkele weken na zijn dood schreef Shelley een gedicht ter herdenking aan Keats, onder de titel Adonais. Ook Shelley ligt op diezelfde begraafplaats in Rome begraven – de Cimitero acattolico (de protestantse begraafplaats).

Het onderhavige gedicht is een sonnet in de traditie van Shakespeare, dat wil zeggen het heeft veertien regels, met twee afsluitende slotregels die een soort pointe bevatten. Het rijmschema is abab cdcd efef gg. Het gedicht wordt vaak als één blok tekst afgedrukt, maar ik heb er bij de opmaak de gebruikelijke drie kwatrijnen en een afsluitend distichon van gemaakt, vooral omwille van de leesbaarheid. Ik heb de regels soms iets langer gemaakt dan in het origineel om de inhoud recht te kunnen doen.

FannyBrawne1833_color

Fanny Brawne, c.1833 (R. Goodsell, Keats House)

Het gedicht is een meditatie over de dood, en het beschrijft de gevoelens van iemand die beseft dat de dood misschien wel eens eerder zou kunnen komen dan dat hij zijn droom van een onsterfelijk dichterschap zal kunnen verwezenlijken.

Het verdrietige is dat John Keats inderdaad heel vroeg gestorven is, maar het mooie is dat hij vrij veel verzen heeft geschreven die we vandaag nog steeds met plezier en ontroering lezen.

De ‘you’ in de derde strofe is naar alle waarschijnlijkheid Keats’ geliefde Fanny Brawne, met wie hij een niet altijd even gemakkelijke relatie had, en met wie hij door zijn voortijdige dood nooit getrouwd is geweest.

Wie iets meer wil weten, kan hier een beknopte toelichting vinden die niet al te vervelend is – wat niet vanzelf spreekt bij gedichten.

Dit is een aardige website over Keats: Mapping Keats’s Progress, A Critical Chronology.

En hier is A chapter from the biography of John Keats that inspired the Jane Campion film Bright Star.

Vertaling:

Wanneer ik vrees …

Wanneer ik vrees dat straks m’n einde aan zal breken
Eer ooit mijn pen geproefd heeft van mijn gulle geest,
Eer stapels boeken, rijk van taal en teken,
Als rijpe akkers zijn, waarop men aren leest;

Als ik aanschouw ’t gelaat van de besterde nacht,
Enorme wolksymbolen van de diepste innigheid,
En weet dat geen gelukshand mij ooit onverwacht
Hun schaduw zal doen schetsen bij gelegenheid;

En als ik voel – een breekbaar mensenkind –
Dat nu mijn blik voor ‘t laatst nog op jou rust,
Maar dat ik nooit de tovermacht meer ondervind
Van redeloze liefde – dan sta ik uitgeblust

Aan ‘t einde van de aarde, om te overwegen
Hoe roem en liefde schrompelden en zwegen.

Origineel:

When I have fears that I may cease to be

When I have fears that I may cease to be
Before my pen has gleaned my teeming brain,
Before high-pilèd books, in charactery,
Hold like rich garners the full ripened grain;

When I behold, upon the night’s starred face,
Huge cloudy symbols of a high romance,
And think that I may never live to trace
Their shadows with the magic hand of chance;

And when I feel, fair creature of an hour,
That I shall never look upon thee more,
Never have relish in the faery power
Of unreflecting love—then on the shore

Of the wide world I stand alone, and think
Till love and fame to nothingness do sink.

Ode aan de herfst – John Keats

John Keats (1795-1821) is een van de belangrijkste romantische Engelse dichters.

Hij behoorde tot een groep dichters waartoe ook Percy Byssche Shelley en Lord Byron behoorden. Zijn dichterlijke productie kwam in ongeveer zes jaar tot stand, want hij overleed al heel vroeg – op 25-jarige leeftijd – aan tuberculose.

Zijn vader stierf toen hij acht was, en zijn moeder toen hij veertien was. Hij stierf in Rome en ligt ook daar begraven. Enkele weken na zijn dood schreef Shelley een gedicht ter herdenking aan Keats, onder de titel Adonais.

Keats was heel productief in de weinige jaren die hem ter beschikking stonden. Het onderhavige gedicht, To Autumn, is een van de beroemdste gedichten uit de Engelse letterkunde en het behoort tot de ‘odes’ die Keats schreef in 1819, een jaar waarin hij veel problemen kende.

Het gedicht heeft drie strofen van elf regels, elk met een vrij strikt rijmschema en lettergreepaantal. In mijn vertaling ben ik soms van dat rijmschema en dat aantal afgeweken om in staat te zijn om ook de inhoud enigszins getrouw over te brengen. Ik heb vanzelfsprekend wel gestreefd naar beknoptheid en zeggingskracht.

In de eerste strofe wordt de herfst gepersonifieerd en voorgesteld als iemand die complotten smeedt met zijn boezemvriend, de zon. De rijkdom van de oogst wordt bezongen. De personificatie wordt het gehele gedicht volgehouden.

De tweede strofe roept de herfstsfeer op die gepaard gaat met verschillende vormen van oogstverwerking.

In de derde strofe worden de kleuren en de geluiden aan het einde van een herfstdag opgeroepen.

Het gedicht wordt – volgens de intro van het Engelse Wikipedia-artikel, dat voldoet aan hoge encyclopedische eisen (het heeft de etalagestatus) – op verschillende manieren geïnterpreteerd: als een bespiegeling over de dood, of als een allegorie over scheppende arbeid, of als een commentaar op de Peterloo Massacre (een cavaleriecharge in 1819 tegen een verzamelde menigte met gruwelijke afloop), of – ten slotte – als een nationalistisch gedicht.

Ik geloof daar allemaal weinig van.

Natuurlijk is elk gedicht ook een triomf, en als zodanig een lofzang op de scheppende arbeid, en bijna elk gedicht laat je voelen wat eindigheid en schoonheid betekenen, maar met die massaslachting en met dat nationalisme heeft dit gedicht niets te maken. Het gedicht ontstond na een herfstwandeling, en het is wat de titel ook zegt: een ode aan de herfst, het maakt de ontroering voelbaar van iemand die de herfst echt beleeft.

Dit gedicht is heel strak van vorm, heel natuurlijk van zegging, en heel mooi van sfeer. Het was daarom voor mij bijzonder moeilijk te vertalen. Ik hoop dat het althans een beetje gelukt is.

Mijn favoriete jaargetijde is de herfst, en ik ben ook persoonlijk bijzonder gesteld op dit gedicht. Commentaar, suggesties ter verbetering zijn altijd welkom. Mijn e-mailadres wordt vermeld op de pagina Over de vertaler/auteur.

Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling:

Ode aan de herfst

Seizoen van mist en malse overvloed!
Naaste hartsvriend van de rijpende zon,
Samen smoezend hoe je de wijnrank zoet
En zwaar langs rieten daken leiden kan,
Hoe de bemoste appeltak kan buigen,
En alle fruit kan geuren en kan gloeien,
De kalebas kan zwellen, hazelnoten kraken
Met puike kern, knoppen weer gaan groeien,
Steeds opnieuw, en bijen verse bloemen krijgen,
Totdat ze denken dat ze eeuwig kunnen zuigen,
De zomer zal hun kleverige raat bewaken.

Wie zou jou niet herkennen in die weelde?
En wie jou elders zocht, zag dat je goedgezind,
En rustig in de voorraadschuur verwijlde,
De haren wiegend in de dorsvloerwind,
Of dat je heerlijk sliep in half gemaaide voren,
Bedwelmd door klaproosgeuren, terwijl jouw zeis
De slag liet lopen met de bloemen en het koren;
En soms, net als wie aren leest, ben je in een staat
Van diepe ernst, als je uit een beek oprijst,
Of als je, bij de ciderpers, met kalm gelaat,
Het uitknijpen beziet, dat alsmaar verdergaat.

Waar zijn de lenteliederen. Waar zijn ze? Ach,
Vergeet ze maar, jij hebt je eigen lied, –
Een lage lucht bloost op de kwijnende dag
En dekt het stoppelveld met rozig coloriet;
Daar is de treurzang van het muggenkoor
Tussen de waterwilgen, hoger, alsmaar door,
Of dalend, als de wind weer komt of gaat,
En zie het forse lam dat bij het kreekje blaat,
De krekels zingend in de haag – nu komt het uur
Dat de roodborst in de tuin zijn triller horen laat;
en daar de zwaluwen, kwetterend in ’t azuur.

Origineel:

To Autumn

Season of mists and mellow fruitfulness!
Close bosom-friend of the maturing sun;
Conspiring with him how to load and bless
With fruit the vines that round the thatch-eaves run;
To bend with apples the mossed cottage-trees,
And fill all fruit with ripeness to the core;
To swell the gourd, and plump the hazel shells
With a sweet kernel; to set budding more,
And still more, later flowers for the bees,
Until they think warm days will never cease,
For Summer has o’erbrimmed their clammy cells.

Who hath not seen thee oft amid thy store?
Sometimes whoever seeks abroad may find
Thee sitting careless on a granary floor,
Thy hair soft-lifted by the winnowing wind;
Or on a half-reaped furrow sound asleep,
Drowsed with the fume of poppies, while thy hook
Spares the next swath and all its twined flowers;
And sometimes like a gleaner thou dost keep
Steady thy laden head across a brook;
Or by a cider-press, with patient look,
Thou watchest the last oozings, hours by hours.

Where are the songs of Spring? Ay, where are they?
Think not of them, thou hast thy music too, –
While barred clouds bloom the soft-dying day
And touch the stubble-plains with rosy hue;
Then in a wailful choir the small gnats mourn
Among the river sallows, borne aloft
Or sinking as the light wind lives or dies;
And full-grown lambs loud bleat from hilly bourn;
Hedge-crickets sing, and now with treble soft
The redbreast whistles from a garden-croft;
And gathering swallows twitter in the skies.

Op de helft – Friedrich Hölderlin

Friedrich Hölderlin (1770-1843) is een belangrijke Duitse dichter. Zijn verzen zijn klassiek van vorm, soms romantisch van inhoud, bijna altijd lyrisch van toon. Hij slaagt er vaak in je mee te slepen, je te vervoeren.

Zijn vader en stiefvader overleden toen hij nog vrij jong was. Zijn moeder had een toekomst als predikant voor hem in gedachten, maar hij koos betrekkelijk vastberaden voor zijn ware roeping: dichter. Hij bezat een aan de klassieke Griekse cultuur ontleende tragische levensopvatting. Zijn werk getuigt tevens van een religieus, maar niet-christelijk, levensbesef. Friedrich Nietzsche was een bewonderaar.

Hölderlin was filosofisch ingesteld. Hij heeft, naast gedichten, een wijsgerig werk geschreven (Urteil und Seyn), een filosofische roman (Hyperion oder Der Eremit in Griechenland), een treurspel (Empedokles); hij vertaalde ook Sophocles.

Het onderhavige gedicht, Hälfte des Lebens, is geschreven kort voor een zenuwinzinking.

Het gedicht is een van de beroemdste Hölderlin-gedichten. Het kent twee strofen, beide van zeven versregels. De eerste strofe roept een stralende, rijpe levensrijkdom op, de tweede een weeklacht over een kil, duister en zwijgzaam levenseinde. De enjambementen lopen over de gehele strofe heen en verschaffen dichterlijke samenhang. De versregels zijn kort; er is geen eindrijm. Hölderlin volgde hierin klassieke voorbeelden na.

De eerste levenshelft wordt opgeroepen met beeldspraak: rijpe vruchten, fraaie bloesems, een weelderige oever, dichterlijke zwanen, warme liefde, vervoering. De beelden zijn zowel natuurlijk als sacraal en religieus. Het adjectief ‘heilignuchter’ brengt beide aspecten samen.

De tweede strofe, en daarmee de tweede levenshelft, begint met een weeklacht: het roept gemis op, een ruïneuze cultuur, licht dat gedoofd is, kilte, ontnuchtering, vlaggen die nog wapperen terwijl de geest reeds is geweken.

Via deze link kunt u een wat uitgebreidere interpretatie van het gedicht lezen (in het Duits).

En hier kunt u op de website van het Literatuurmuseum Het imperfecte tapijt: Gerrit Komrij en de vertaling van poëzie lezen met drie alternatieve vertalingen van dit gedicht.

Vertaling:

Op de helft

Met gele peren hangt,
en overdekt met wilde rozen,
het land in het meer,
gij aanbiddelijke zwanen,
en dronken van kussen,
doopt ge het hoofd
in het heilignuchtere water.

Wee mij, waar oogst ik, als
het winter is, de bloemen, waar
de zonneschijn,
en schaduwen der aarde?
De muren staan hier
sprakeloos en koud; in de wind
klapperen de vlaggen.

Origineel:

Hälfte des Lebens

Mit gelben Birnen hänget
Und voll mit wilden Rosen
Das Land in den See,
Ihr holden Schwäne,
Und trunken von Küssen
Tunkt ihr das Haupt
Ins heilignüchterne Wasser.

Weh mir, wo nehm’ ich, wenn
Es Winter ist, die Blumen, und wo
Den Sonnenschein,
Und Schatten der Erde ?
Die Mauern stehn
Sprachlos und kalt, im Winde
Klirren die Fahnen.

Spoorwegkinderen – Seamus Heaney

Seamus_Heaney_Photograph_Edit

Seamus Heaney (Bron)

Seamus Heaney (1939-2013) was een Noord-Iers dichter die veelal in Dublin woonde, die een tijdlang in Amerika werkte als hoogleraar, en die in 1995 de Nobelprijs voor literatuur ontving. Hij schreef ook voor toneel en was vertaler. Zijn voornaam rijmt op ‘famous’.

Heaney kwam uit een groot gezin, en zijn vader was boer. Je kunt aan dit gedicht merken dat hij gewend was aan ‘buiten spelen’, dat de vanzelfsprekendheid van rijkdom en luxe hem niet van kindsbeen aan bekend was. Ik stel dat – als tuinderszoon die geboren werd in de jaren ’60 en die sindsdien met toenemende welvaart te maken kreeg – met enig plezier vast.

Hij was bevriend met Joseph Brodsky, een Russische dichter en Nobelprijs-winnaar, en schreef over hem een treffende en roerende necrologie.

Het gedicht gaat over kinderen die het talud langs de spoorweg beklimmen. De titel lijkt te verwijzen naar Railway Children (1906) van Edith Nesbit.

Het gedicht maakt voelbaar hoe jonge kinderen, ondanks hun overweldigende gevoel van nietigheid, kunnen opgaan in iets dat veel groter is dan zijzelf.

Het ‘oog van de naald’ in de slotregel is een verwijzing naar de uitspraak van Jezus dat het gemakkelijker is dat een kameel gaat door het oog van een naald dan dat een rijke het Koninkrijk Gods binnen gaat. Deze uitspraak van Jezus wordt in de gangbare bijbelvertalingen letterlijk vertaald. Waarschijnlijk wordt met ‘kameel’ een ‘dromedaris’ bedoeld, en met ‘oog van een naald’ een nevenpoortje van de hoofdpoort, een doorgang die veel te laag was voor een passerende dromedaris.

[Ik las onlangs een blogbijdrage van de oudheidkundige Jona Lendering dat het idee van dat nevenpoortje ter verklaring van die beeldspraak een dwaling is die uit de koker komt van Amerikaanse evangelicalen. Helemaal overtuigd ben ik nog niet, want het verklaart wel een toch vrij buitenissige beeldspraak.

Maar buitenissigheid kan bij beeldspraak natuurlijk altijd optreden. ‘Dat slaat als een tang op een varken’ werd een uitdrukking, juist omdat het buitenissig is.

Om reden dat Lendering geen filologische argumenten geeft en het in dit verband uitsluitend heeft over het goedpraten van ‘rijkdom’, twijfel ik nog een beetje. Maar misschien heeft hij gewoon gelijk, en deugt bovenstaande bewering niet.]

Het gedicht Railway Children, voorgedragen door Heaney zelf, kunt u hier beluisteren. Het gedicht is al eerder vertaald in het Nederlands, onder anderen door Cees Buddingh’, zie hier.

Vertaling:

Spoorwegkinderen

Toen we de helling van de tunnelbak beklommen
stonden we oog in oog met de witte knoppen
van de bovenleidingen, met hun gonzende draden.

Als een dansend handschrift golfden ze verder,
mijlenver oostwaarts en westwaarts,
doorzakkend onder de last van hun zwaluwen.

We waren klein, we dachten niet dat we iets wisten
dat van belang was. We dachten dat woorden reisden
langs draden, in de zakjes van regendruppels,

vervuld en verzadigd met een hemels
licht, met de glans van lijnen, en wij, we waren
daarnaast zo oneindig nietig

dat we konden glijden door het oog van een naald.

Origineel:

The Railway Children

When we climbed the slopes of the cutting
We were eye-level with the white cups
Of the telegraph poles and the sizzling wires.

Like lovely freehand they curved for miles
East and miles west beyond us, sagging
Under their burden of swallows.

We were small and thought we knew nothing
Worth knowing. We thought words travelled the wires
In the shiny pouches of raindrops,

Each one seeded full with the light
Of the sky, the gleam of the lines, and ourselves
So infinitesimally scaled

We could stream through the eye of a needle.

Nu komt de dood – Heinrich Heine

Heinrich Heine (1797-1856) is misschien de grootste lyrische dichter van het Duitse taalgebied. Hij was joods, hij voelde vaak als een goi, hij was ernstig, hij was ironisch, hij was trots, hij was onzeker, hij was ernstig, hij was speels, hij was romantisch, hij was klassiek. Hij lijkt weliswaar eenvoudig – maar toch zijn veel van zijn gedichten diepzinniger dan die van zijn diepzinnige tijdgenoten.

Friedrich Nietzsche, Peter Vos en Karel van het Reve waren bewonderaars. Er zijn ook schrijvers geweest die Heinrich Heine met Toon Hermans vergeleken (Boudewijn Büch) of die Heine de Piet Paaltjens der Duitse letteren noemden (J.P. Guépin). Martin van Amerongen – aan wiens artikel ik dit ontleen – was een groot bewonderaar.

Het conflict tussen besef van eigenwaarde en besef van nietigheid veroorzaakt de spanning in dit gedicht.

Toelichting is verder overbodig: er is geen woord latijn bij.

Ik kwam het gedicht voor het eerst tegen bij Karel van het Reve, die een groot liefhebber van Heine was, net als Van het Reve’s leermeester Jacques Presser. Presser stelde ooit een bloemlezing samen van Heine’s gedichten: Ich weiss nicht was soll es bedeuten. Een bloemlezing (1956, met een prachtige inleiding).

Het gedicht behoort tot Heines Nachgelesene Gedichte 1845 – 1856.

Vertaling:

Nu komt de dood

Nu komt de dood – en het gaat dagen
wat steeds mijn trots verbergen wou
tot in de eeuwigheid: voor jou, voor jou,
mijn hart heeft steeds voor jou geslagen.

De kist is klaar, men laat mij dalen
in het graf. Dan ben ik vrij.
maar jij, maar jij, Maria, jij
zult huilend naar mij blijven talen.

Ik zie je zelfs je mooie handen wringen –
O huil toch niet – dat is het lot gewoon,
het mensenlot: – wat goed en schoon
en groot is, zal een droevig slotlied zingen.

Origineel:

Es kommt der Tod

Es kommt der Tod – jetzt will ich sagen,
Was zu verschweigen ewiglich
Mein Stolz gebot: für dich, für dich,
Es hat mein Herz für dich geschlagen!

Der Sarg ist fertig, sie versenken
Mich in die Gruft. Da hab ich Ruh.
Doch du, doch du, Maria, du
Wirst weinen oft und mein gedenken.

Du ringst sogar die schönen Hände –
O tröste dich – Das ist das Los,
Das Menschenlos: – was gut und groß
Und schön, das nimmt ein schlechtes Ende.

Gebed – Carol Ann Duffy

Carol_Ann_Duffy
Carol Ann Duffy (Wikimedia Commons)

Carol Ann Duffy is een Schotse dichter en toneelschrijver. Ze was van 2009 tot 2019 Poet Laureate van het Verenigd Koninkrijk. Ze is hoogleraar Contemporary Poetry aan de Manchester Metropolitan University. Duffy is openlijk biseksueel.

Duffy kreeg een katholieke opvoeding, maar werd al betrekkelijk jong atheïst. Over de relatie tussen gebed en poëzie zei ze ooit dat die twee erg op elkaar lijken.

Ze houdt van gewone taal, gebruikt op een gelaagde manier. Ze houdt niet – vertelde ze in een interview – van interessante ‘Seamus Heaney-woorden’, wat in deze context betekent dat die woorden vreemd zijn en de woordbetekenissen nauwelijks bekend.

Het gedicht Prayer is de Engelse vertaalopgaaf van de vertaalwedstrijd Nederland vertaalt 2020. De uiterste inzenddatum was 28 februari 2020. Onderstaande vertaling is mijn inzending.

Het gedicht beschrijft niet-godsdienstige vormen van de gebedshouding, een houding van intense aandacht: een vrouw die haar hoofd opheft als ze de bomen hoort ruisen, een man die verstijft als hij aan zijn middelbareschool-tijd terugdenkt bij het geluid van een langskomende trein, de kamerhuurder die geroerd wordt door een uiterst eenvoudig pianomuziekje dat onverwacht opklinkt, het desolate effect van een kindernaam die luidkeels geroepen wordt, de radio die een routine prevelt en daarmee een trance opwekt.

Bij mijn opvoeding werd een zin van Paulus vaak aangehaald: ‘Het geloof is uit het horen’ (Rom. 10:17). Alle gebedservaringen die door Carol Ann Duffy worden opgeroepen, worden door geluiden opgewekt, en die geluiden worden bovendien steeds taliger: eerst ruisen, dan het metrische geratel en gestamp van een trein dat aan Latijnse verzen doet denken, dan het roepen van een kindernaam, en ten slotte de bijna gescandeerde berichten voor de scheepvaart.

Shipping Forecast
De Engelse zeedistricten inclusief Finisterre (Bron)

De Engelse zeedistricten in de slotregel komen voor in de Shipping Forecast, een nieuwsbericht met een heel strakke vorm. Als u er een poosje naar wilt luisteren, dan kunt u op youtube terecht. Deze namen heb ik in vertaling vervangen door de plaatsnamen die op de Nederlandse radio voorkwamen in de berichten over de waterstanden, berichten die tot 1985 werden voorgelezen, en die ook een vast stramien volgden. Hier is een voorbeeld (met helaas vrij slechte geluidskwaliteit).

Aardig is dat de zeedistricten voor de Engelsen een vergelijkbare existentiële betekenis hebben als de waterstanden voor de Nederlanders.

De Engelse slotnaam Finisterre – een naam die nu niet meer gebruikt wordt voor het betreffende zeedistrict – betekent ‘einde der aarde’. Die betekenis heb ik niet helemaal kunnen overbrengen. Het Grave beneden de sluis – in latere edities van de berichtgeving over de waterstanden in onbruik geraakt – roept wel een vergelijkbaar eeuwigheidsbesef op.

De dichter Ida Gerhardt gebruikte in haar gedicht Radiobericht eveneens het trance-effect van de radiostem die de waterstanden voorlas.

Op Twitter hebben eerder al twee Twitter-collega’s – Jelle van Baardewijk en Karel Smouter – hun vertaling openbaar gemaakt. Leuk om te lezen! Het zijn heel andere – veel vrijere – vertalingen dan de mijne die betrekkelijk streng de sonnetvorm volgt: ik heb rijm, metrum en aantal regels gehandhaafd: de vrijheden die ik me heb veroorloofd betreffen kleine inhoudelijke aanpassingen (bijv. waterstanden i.p.v. scheepvaartberichten) en in een paar gevallen de toevoeging van een extra versvoet (de metrische eenheid, twee extra lettergrepen).

Het oorspronkelijke gedicht is gepubliceerd in de bundel Mean Time (1993).

Mijn vertaling is niet genomineerd voor de prijzen van de wedstrijd Nederland vertaalt. Er waren 495 inzendingen. De vijf genomineerde vertalingen kunt u hier raadplegen.

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling:

Gebed

Soms overdag, al lukt bidden ons niet, dient een gebed
zich aan. Een vrouw die plots haar hoofd opheft
uit de zeef van haar handen, als ze de wet
van de trage zang der bomen, een genade, beseft.

Soms ‘s nachts, al geloven we niets, dringt door
wat waar is, de kleine vertrouwde pijn;
een man die verstijft, die zijn jeugd terughoort
in de verre Latijnse cadans van een trein.

Nu dan, bid voor ons. De huurder wordt ongewild
vertroost door ’t prille loopje van een pianist
dat uit het stadje opklinkt. Schemer; iemand gilt
de naam van een kind alsof het is vermist.

Buiten is ‘t donker, de radio bidt binnenshuis –
IJsselkop. Lobith. Grave beneden de sluis.

Origineel:

Prayer

Some days, although we cannot pray, a prayer
utters itself. So, a woman will lift
her head from the sieve of her hands and stare
at the minims sung by a tree, a sudden gift.

Some nights, although we are faithless, the truth
enters our hearts, that small familiar pain;
then a man will stand stock-still, hearing his youth
in the distant Latin chanting of a train.

Pray for us now. Grade 1 piano scales
console the lodger looking out across
a Midlands town. Then dusk, and someone calls
a child’s name as though they named their loss.

Darkness outside. Inside, the radio’s prayer –
Rockall. Malin. Dogger. Finisterre.

Over de dood – John Keats

John Keats asleep, by Joseph Severn, Rome, 28 January 1821
John_Keats_by_William_Hilton
John Keats (Wikimedia Commons)

De Engelse dichter John Keats (1795-1821) is een van de belangrijkste dichters van de Romantiek. Hij behoorde tot een groep dichters waartoe ook Percy Byssche Shelley en Lord Byron behoorden. Zijn dichterlijke productie kwam in ongeveer zes jaar tot stand, want hij overleed al heel vroeg – op 25-jarige leeftijd – aan tuberculose.

Zijn vader stierf toen hij acht was, en zijn moeder toen hij veertien was. Hij stierf in Rome en ligt ook daar begraven. Enkele weken na zijn dood schreef Shelley een gedicht ter herdenking aan Keats, onder de titel Adonais.

Het vertaalde gedicht bevat een zowel hoogst ernstige als vermakelijke omkering. Ik denk niet dat iemand veel baat heeft bij een uitgebreide toelichting. Het gedicht blijft geheimzinnig, maar het spreekt toch voor zichzelf, zonder dat het ook maar in de geringste mate faciel is.

Het zijn twee kwatrijnen met een streng rijmschema en een duidelijk metrum. De strenge vorm werkt toch niet storend omdat het fraaie ritme het gedicht laat zingen.

Arie Storm
Arie Storm

De aanleiding tot deze vertaling was een korte en prettige tweetwisseling (hier en hier) met de Nederlandse romanschrijver en literatuurcriticus Arie Storm op Twitter. De tweetwisseling eindigde met de dood, en Storm poste vervolgens On Death van John Keats. Aanvankelijk dacht ik dat het niet te vertalen was, maar ik heb het toch geprobeerd.

Op hoop van zegen.

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

——————————————————————————————————————————-

Vertaling:

Over de dood

Kan dood soms slapen zijn, als leven dromen is,
elk zalig tafereel voorbij gaat als een waan?
Vergankelijk gerief wordt spookgeschiedenis,
de grootste angst blijft toch om dood te gaan.

Hoe vreemd dat ’t mensenkind op aarde dwaalt,
een treurig leven leidt, en ferm en onverkort
zijn ruige paden volgt; en hij er evenmin naar taalt
zijn vloek te zien, die is dat hij straks wakker wordt.

([20-2-2020] De regel ‘en scènes van geluk verzwinden als een waan?’ vervangen door ‘elk zalig tafereel voorbij gaat als een waan?’ En ‘deze mens’ is vervangen door ”t mensenkind’.)

Origineel:

On Death

Can death be sleep, when life is but a dream,
And scenes of bliss pass as a phantom by?
The transient pleasures as a vision seem,
And yet we think the greatest pain’s to die.

How strange it is that man on earth should roam,
And lead a life of woe, but not forsake
His rugged path; nor dare he view alone
His future doom which is but to awake.

Naar de kust – Mary Oliver

Mary Oliver (1935-2019) is een Amerikaanse dichter, en ze werd geboren in een landelijk plaatsje, vlakbij Cleveland in Ohio. Daar ontwikkelde ze een grote voorliefde voor de natuur. Ze woonde een groot deel van haar leven in Provincetown, Massachusetts, een kustplaats waar de kust niet erg steil is.

Mary Oliver - Kevork Djansezian
Mary Oliver – Getty Images

Ze begon betrekkelijk vroeg met dichten. Ze schrijft verzen met een fraai ritme en een gevoelige toon, waarin vaak rijm ontbreekt, waarin een dichterlijke stroom en tegenstroom nooit ontbreken, verzen die ons gevoelig maken en verrijken – zoals elk goed gedicht – voor de gruwelen en de schoonheden en de geheimenissen van het bestaan – “We are nourished by the mystery” (The Fish).

Ze was bevriend met de zus van  Edna St. Vincent Millay, en heeft met haar de nagelaten papieren van de dichteres geordend.

Het gedicht heeft weinig toelichting nodig. De grootsheid van de natuur is het antwoord op het gevoel van ellendigheid – een gevoel dat natuurlijk vaak maar moeilijk door ons, arme mensen, gerelativeerd kan worden – dat de ik-figuur haar vraag aan de zee deed stellen.

Het gedicht is gepubliceerd in A Thousand Mornings (2012).

Een necrologie, geschreven door Lynn Neary, ‘Beloved Poet Mary Oliver, Who Believed Poetry ‘Mustn’t Be Fancy,’ Dies At 83‘ op de website van New Hampshire Public Radio (17 januari 2019), vindt u hier.

De slotregel van dat stuk is een ontroerend en ook veelzeggend citaat uit een gedicht (When Death Comes) dat Mary Oliver’s houding tegenover de naderende dood beschrijft:

“When it’s over, I want to say: all my life / I was a bride married to amazement.”

Vertaling:

Ik daal af naar de kust

Ik daal af naar de kust als het licht wordt,
en, gebonden aan het uur, zie ik golven
die aanrollen of zich verwijderen,
en ik zeg: O, ik voel me ellendig,
wat zal –
wat moet ik doen? En de zee zegt
met zijn lieflijke stem:
Het spijt me, ik heb het nu te druk.

Origineel:

I Go Down To The Shore

I go down to the shore in the morning
and depending on the hour the waves
are rolling in or moving out,
and I say, oh, I am miserable,
what shall–
what should I do? And the sea says
in its lovely voice:
Excuse me, I have work to do.

Getreiter – R.S. Thomas

RS Thomas Obituary
R.S. Thomas

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilderes Mildred Eldridge (1909-1991).

Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Met Seamus Heaney was hij bevriend.

A Welsh Landscape
Welsh landschap

Een aardig artikel over Thomas’ leven en werk is van de hand van Theodore Dalrymple: A Man Out of Time.

Ik verwijs verder naar mijn vorige blogbericht dat een vertaling van ‘Via Negativa’ betrof. Een aantal opmerkingen die ik bij dat gedicht ter toelichting maakte, zijn ook van toepassing op dit gedicht.

Een klein stukje van het gedicht wordt hier voorgedragen door R.S. Thomas op een Amazon-website die de gelijknamige CD met door de auteur zelf voorgedragen gedichten verkoopt.

Het gedicht is te vinden in No Truce With the Furies, Bloodaxe: 1995, p. 45 en in Collected Later Poems, Bloodaxe: 2004, p.249.

In het gedicht dat ik vertaald heb ontbreekt de afsluitende zwevende komma die zou moeten volgen op de zwevende komma waarmee ‘I have lived with nothingness … opent. Ik heb inmiddels navraag gedaan, maar voorlopig heb ik de afsluitende komma aan het eind van het gedicht geplaatst.

Vertaling:

Getreiter

“O”, zei hij, “Ik leef al met het ‘niets’
sinds het begrip zijn betekenis verloor.
Ik heb even vaak ‘ja’ gezegd tegen de kosmos
Als de keren dat de echo’s
alsmaar sterker terugkeerden als ‘nee’.
Mijn negatieven van het goddelijke heb ik
ontwikkeld en hun kleuropnames bewaard
in een album met luchtspiegelingen. Ik weet
dat de verbeelding slechts kan toeven
in een geoxydeerde wereld. De waarheid
is minder adembenemend dan het vacuüm
waarin ze zich terugtrekt. Maar
desalniettemin heb ik het lam
toch even zien dartelen, alsof
het leven iets moois was. Dit, zei ik toen,
is Gods schurkenstreek, diens geknoei
met de balans, waarbij de ene schaal
eerst wordt volgestapeld met kwaad
om hem dan opeens omhoog te laten
schieten, met in de ander een traan
die drupte uit het meest afstandelijke oog.”

Origineel:

Mischief

‘Oh,’ he said, ‘I have lived with nothingness
so long it has lost its meaning.
I have said “yes” to the universe
so many times its echoes
have returned increasingly as “no”.
I have developed my negatives
of the divine and preserved their technicolour
in a make-belief album. I realise
the imagination is alive only
in an oxygenated world. The truth
is less breath-taking than the vacuum
into which it withdraws. But against
all this I have seen the lamb
gambolling for a moment, as though
life were a good thing. This, I have said,
is God’s roguery, juggling
with the scales, weighting the one
pan down with evil piled
upon evil then sending it suddenly
sky-high with in the other a tear
fallen from the hardest of eyes.’

Via Negativa – R.S. Thomas

RS Thomas in a Welsh landscape seen on the back

R.S. Thomas

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de subtiele schilderes Mildred Eldridge (1909-1991).

Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Met Seamus Heaney was hij bevriend.

Een aardig artikel over Thomas’ leven en werk is van de hand van Theodore Dalrymple: A Man Out of Time.

Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.

In de samenvattende woorden van Christopher Morgan (p.172):

The shift one encounters between the God of the mythic poems and that of the via negativa poems is a shift primarily from the deistic paradigm of an anthropomorphised creator-God which is ‘out there’ to a ground of being, a ‘majestic intellect’, an eternal reality which is interior but unlimited, which is intimately personal, but which, as a ubiquitous source, simultaneously spills the boundaries of ‘personality’ or ‘being’.

r.-s.-thomas-4da1a5eab4f6b_360x225

R.S. Thomas (Bron: Wikimedia Commons)

Thomas vond daarbij aansluiting bij een traditie die ook door de mystici werd gevolgd en vormgegeven, Meister Eckhart bijvoorbeeld, en die ook door existentialistische denkers als Paul Tillich en Søren Kierkegaard werd beschreven en verdiept. Thomas heeft ten slotte ook gedichten geschreven die eerder van een ‘aanwezigheid’ getuigen  – gedichten die dus een uitdrukking zijn van de via affirmativa (weg van de aanvaarding).

Het gedicht Via Negativa verscheen in de bundel H’m (1972), de bundel waarin Thomas’ toewending tot de gelijknamige spirituele houding het duidelijkst aan het licht trad.

Helemaal onderaan dit blogstukje geef ik een wat uitgebreider citaat uit het boek van Morgan over de betekenis van de via negativa.

Hier kunt u ten slotte een artikel vinden over het onderwerp via negativa van J.D. Vicary, ‘Via Negativa, absence and presence in the recent poetry of R.S. Thomas’, Critical Quarterly, Volume 27, Issue 3 (sept. 1985).

Vertaling:

Via Negativa

Maar nee! Nooit anders gedacht dan
dat God voor ons de rol speelt van
grote afwezige, de vacante stilte
diep van binnen, de plaats waar we gaan
zoeken, zonder hoop thuis te komen
of wat te vinden. Hij bewaakt de loze kieren
in onze kennis, de duisternis
tussen de sterren. Van hem zijn de echo’s
die we volgen, de voetafdrukken die hij
zojuist verliet. We steken onze hand in
zijn zijde, hopend er warmte
te voelen. We kijken naar mensen
en plaatsen alsof ook hij ernaar had
gekeken; alleen de afspiegeling ontbreekt.

Origineel:

Via Negativa

Why no! I never thought other than
That God is that great absence
In our lives, the empty silence
Within, the place where we go
Seeking, not in hope to
Arrive or find. He keeps the interstices
In our knowledge, the darkness
Between stars. His are the echoes
We follow, the footprints he has just
Left. We put our hands in
His side hoping to find
It warm. We look at people
And places as though he had looked
At them, too; but miss the reflection.

 

Over de betekenis van de via negativa, Christopher Morgan (p. 173):

Via negativa, meaning literally ‘by way of what is not’, is an idea associated largely with mystical theology. Thomas himself uses the term as a poem title in H’m. Perhaps the earliest and most comprehensive discussion of via negativa occurs in ‘The Mystic Theology’, the work of the sixth-century Syrian mystic Dionysus the Areopagite, although the idea is perhaps best known in the West through the anonymous English classic of medieval mysticism The Cloud of Unknowing. Regardless of particular sources, the idea of via negativa is common to eastern mystical traditions predating Christianity, as well as to Christian monastic traditions in the West, both as an approach to and as an experience of divinity. As a technique of approach via negativa signifies a deliberate mortification not only of the sensual appetites but of the whole desire of the ego for its own realisation and dominance, as well as of the distraction seen to be posed by the physical world. It insists upon an emptying of the self, a silencing of the individual will, and a patient waiting and watching in these privations for God’s approach.

Elizabeth Barrett Browning – Hoe ik je liefheb?

De Engelse dichter Elizabeth Barrett Browning (1806-1861) is een merkwaardige figuur. Ze stamde uit een aanzienlijke familie met ‘oud geld’, mocht niet trouwen van haar vader, was religieus van aanleg en houding, tobde met haar gezondheid, leefde tot haar huwelijk een vrij teruggetrokken leven, trouwde uiteindelijk met de zes jaar jongere dichter Robert Browning (1812-1889) (die anders dan zijzelf in zekere zin een society-figuur was), werd als gevolg van dat huwelijk onterfd, bestreed de slavernij (waar haar familie veel aan te danken had), was in sommige opzichten feministisch (maar in andere niet), woonde na haar huwelijk bijna voortdurend in Florence, schreef een beroemde sonnettenreeks onder de misleidende titel ‘Sonnets from the Portuguese’ (want suggererend dat het hier een vertaling betrof – quod non), leed zeer onder de onfortuinlijke dood van haar geliefde broer (ze had meer broers), en schreef poëzie die nog steeds met plezier wordt gelezen.

Ze werd bewonderd door Edgar Allan Poe, Emily Dickinson en anderen. Ze correspondeerde met bekende cultuurdragers, onder wie Alfred Tennyson, William Makepeace Thackeray, Harriet Hosmer, Isa Blagden, George Sand, Charles Kingsley en John Ruskin. Met sommigen van hen raakte ze ook bevriend.

In de slaapkamer van de beroemde Amerikaanse dichteres Emily Dickinson (1830-1886) hing een portret van Elizabeth Barrett Browning.

In de cyclus Sonnets from the Portuguese staat haar liefde voor Robert Browning centraal. De cyclus omvat 44 sonnetten, waarin Sonnet 43 – How do I love thee? – het gedicht dus dat ik hier vertaald heb – het bekendst is geworden. De cyclus werd geschreven in 1845/46, maar werd voor het eerst, op aandringen van Robert Browning, gepubliceerd in 1850.

Mijn vertaling van het gedicht How do I love thee? heeft de eerste prijs gekregen bij de poëzievertaalwedstrijd die georganiseerd werd door De Bibliotheek Huizen-Laren-Blaricum, i.s.m. Stichting Kunst en Cultuur Huizen en het Kunst- en Cultuurcafé Huizen.

Informatie over de wedstrijd, de bekendmaking van de uitslag, de vertalingen die een prijs hebben ontvangen, en het juryrapport vindt u hier. Er waren 32 vertalers die een vertaling hadden ingezonden. Er waren drie prijzen en een aanmoedigingsprijs voor een aantal jonge studenten uit Boekarest die gezamenlijk een vertaling hadden ingezonden.

De jury bestond uit Henk Aertsen, oud-hoogleraar Engelse Taal- en Letterkunde van de Middeleeuwen en oud-docent Literair Vertalen aan de VU, Joni Zwart, vertaalster, literair redacteur en docente (die een prachtige inleiding hield), en Petra Kos, docent Engels Erfgooiers College Huizen (die het gedicht heel mooi voordroeg).

De zinnen in het juryrapport die betrekking hebben op mijn vertaling luiden:

De eerste prijs gaat naar de inzender met nummer 22. Haar of zijn vertaling leest prima, ook hier weer mooie, korte regels in overeenstemming met het metrum van het origineel, waardoor zij of hij erin geslaagd is de beknoptheid van het origineel te handhaven, er staat geen woord teveel in, en de vertaling geeft de inhoud en strekking van het origineel goed weer. En deze inzender heeft het slot van het eerste terzet en het begin van het tweede, I love thee with a love I seemed to lose / with my lost saints, heel sterk vertaald met “ik heb je lief met vuur – passion – dat bijna doofde in rouw / omdat mijn engel ging” – dat beantwoordt precies aan de strekking van het sextet: na de gevoelens die spreken in het octaaf , de eerste acht regels, volgt in het sextet een conclusie, hier met een religieuze boventoon. Gefeliciteerd.

Vertaalwedstrijd 2020 Huizen
Ikzelf sta hier helemaal links, naast  Henk Aertsen, Odette Jonkers, Dini Hauptmeijer, Frits Spits, Petra Kos en Joni Zwart

Een kort filmpje waarop de prijsuitreiking in beeld wordt gebracht is geplaatst op YouTube. Hierop ziet u de voordracht door Petra Kos van het oorspronkelijke gedicht – How Do I Love Thee? – de bekendmaking van de prijs door Frits Spits, een korte gedachtewisseling met ondergetekende, Maartje van Weegen die als een duveltje uit een doosje verschijnt, en de voordracht van de vertaling door mijzelf.

Filmpje van de prijsuitreiking met kort interview en mijn voordracht van het winnende gedicht

Tijdens de culturele avond in De Boerderij in Huizen waarin de bekendmaking plaatsvond, werd ook de Kunst- en Cultuurprijs van Huizen uitgereikt aan Cees Kranenburg, een van de grootste (jazz-)drummers die Nederland ooit heeft voortgebracht.

Een verslag van die avond vindt u hier. Ik lees onder de hierbij getoonde foto dat ik “geëmotioneerd” zou zijn geweest. Nu vind ik het geen schande om ‘geëmotioneerd’ te zijn, maar het viel volgens mij die avond nog wel een beetje mee.

En er was een fantastisch optreden met muziek van Mendelssohn en Grieg van het piepjonge strijkkwartet dat ook al eens heeft opgetreden bij Podium Witteman: Viride.

Het gedicht is een sonnet. Ik las ergens dat het gedicht een ‘Italiaans sonnet’ werd genoemd. Voor mijn gevoel is het een vorm die ergens tussen het Italiaanse sonnet en het Shakespeare-sonnet in ligt. Het heeft geen duidelijk afsluitend distichon (twee goed gemarkeerde slotregels), maar de wending tussen de eerste acht regels en het afsluitende sextet is ook niet al te duidelijk.

Door Cornelis W. Schoneveld is een vertaling gepubliceerd van alle 44 sonnetten onder de titel Liefdesbiecht in klinkdicht (uitg. Liverse, Dordrecht, 2014). Zijn vertaling van onder andere het onderhavige gedicht, vindt u hier. Ritmisch en inhoudelijk vind ik Schonevelds vertaling, hoewel bekwaam uitgevoerd, een beetje rommelig.

Huizen - Hen Aersen en de nummers 1 en 2
De voorzitter van de jury, Henk Aertsen, tussen Odette Jonkers en ondergetekende

Een mooie vertaling van dit gedicht is door Rainer Maria Rilke gemaakt in 1908 (Sonette aus dem Portugiesischen).

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

——————————————————————————————————————————-

Vertaling:

Hoe ik je liefheb?
(Sonnet 43)

Hoe ik je liefheb? Laat me ‘t eens nagaan.
Ik heb je lief zo diep en hoog en wijd
als mijn ziel reikt, die onbespied een tijd
in dienst van Zijn en zaligheid mag staan.

Bij elk klein ongerief van het bestaan,
heb ik je lief, bij zon, in schemertijd.
Ik heb je lief om niet, als uit gerechtigheid.
Ik heb je zuiver lief, al wijkt de lof voor blaam.

Ik heb je lief met kinderlijke trouw,
met gloed die ooit aan bitterheid ontsproot.
Ik heb je lief met vuur dat bijna doofde in rouw

omdat mijn engel ging. Ik heb je lief als deelgenoot
in vreugde en verdriet, en als ‘k op God vertrouw,
verdiept mijn liefde zich nog na de dood.

Origineel:

How Do I Love Thee?
(Sonnet 43)

How do I love thee? Let me count the ways.
I love thee to the depth and breadth and height
My soul can reach, when feeling out of sight
For the ends of being and ideal grace.

I love thee to the level of every day’s
Most quiet need, by sun and candle-light.
I love thee freely, as men strive for right.
I love thee purely, as they turn from praise.

I love thee with the passion put to use
In my old griefs, and with my childhood’s faith.
I love thee with a love I seemed to lose

With my lost saints. I love thee with the breath,
Smiles, tears, of all my life; and, if God choose,
I shall but love thee better after death.

Herfstziel – Georg Trakl

De dichter Georg Trakl (1887-1914) was een Oostenrijks dichter die overrompelende verzen schreef met een expressionistische vorm en toon. (Ik laat de hyperlink wijzen naar het Duitse Wikipedia-artikel, want het Nederlandse artikel is bar slecht en klinkt bovendien te vertaald.)

Voor een klein overzichtje van wat het ‘expressionisme’ betekende voor de lyrische dichtkunst, verwijs ik eveneens naar een Duits Wikipedia-artikel: Expressionismus (Literatur), onder het subkopje Lyrik.

Trakl groeide betrekkelijk gelukkig op in een groot gemengd luthers/katholiek gezin, maar bezat een zwaarmoedige aard. De beroemde filosoof van taal en logica Ludwig Wittgenstein heeft hem een tijdlang ondersteund met een financiële toelage. Hij was enigszins religieus in christelijke zin, zij het volstrekt onorthodox, maar zijn oog voor schuld en zonde was aanmerkelijk groter dan zijn besef van verlossing: hij is op 27-jarige leeftijd aan een overdosis cocaïne overleden.

In de titel van dit gedicht komen de begrippen ‘herfst’ en ‘ziel’ samen, twee begrippen die vaak voorkwamen in Trakls gedichten: het najaar resoneerde het best met zijn geestelijke toestand, en de ziel met zijn pijnigingen was een van zijn hoofdthema’s.

Het gedicht heeft vier strofen met regels die zeven (staand of mannelijk rijm) of acht (slepend of vrouwelijk rijm) lettergrepen kennen. Het metrum is trochaeïsch, dat wil zeggen dat het een afwisseling van beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen heeft en begint met een beklemtoonde lettergreep. (De meeste Nederlandse gedichten zijn jambisch en beginnen dus met een onbeklemtoonde lettergreep.)

Het rijm van elke strofe is abba – waarbij de a-rijmen staand zijn en de b-rijmen slepend. Ik heb soms een halfrijm toegepast waar in het origineel een volrijm werd gebruikt.

Dit gedicht is geschreven in augustus 1913, nadat hij een tijd vaak wel gelukkig, maar soms ook angstig had doorgebracht met vrienden als Karl Kraus, Adolf Loos und Bessie Bruce in Venetië.

In elke strofe staat een kleur centraal: bruin (herfstig), zwart (somber), blauw (afgezonderd), rood (pijnlijk).

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

——————————————————————————————————————————-

Vertaling:

Herfstziel
(2e versie)

Jachtgeroep, geblaf om bloed;
achter kruis en bruine heuvel
schittert zacht de waterspiegel,
schreeuwt de havik schel en luid.

Boven stoppelveld en pad
siddert reeds een inktzwart zwijgen;
pure hemel tussen twijgen;
slechts de beek vloeit stadig af.

Dra ontglipt ons vis en wild.
Blauwe ziel, dit duister dwalen,
maakte ons eenzaam, telkenmale.
Avond wisselt zin en beeld.

Eenvoud, goedheid – brood en wijn,
God in uw clemente handen
legt de mens het duister einde,
alle schuld en rode pijn.

Origineel:

Herbstseele
(2. Fassung)

Jägerruf und Blutgebell;
Hinter Kreuz und braunem Hügel
Blindet sacht der Weiherspiegel,
Schreit der Habicht hart und hell.

Über Stoppelfeld und Pfad
Banget schon ein schwarzes Schweigen;
Reiner Himmel in den Zweigen;
Nur der Bach rinnt still und stad.

Bald entgleitet Fisch und Wild.
Blaue Seele, dunkles Wandern
Schied uns bald von Lieben, Andern.
Abend wechselt Sinn und Bild.

Rechten Lebens Brot und Wein,
Gott in deine milden Hände
Legt der Mensch das dunkle Ende,
Alle Schuld und rote Pein.

Doodsfuga – Paul Celan

De dichter Paul Celan (1920-1970) was een duitstalige jood die in Tsjernivtsi – toenmalig Roemenië, tegenwoordig Oekraïne – werd geboren. Hij wordt beschouwd als een van de grootste lyrische dichters van het Duitse taalgebied. Zijn ouders werden door de nazi’s vermoord. Zelf maakte hij in Parijs in 1970 een einde aan zijn leven.

Het gedicht Todesfuge is een van de beroemdste gedichten uit zijn oeuvre. Het is overduidelijk een Holocaust-gedicht met een bezwerende toon, en het maakt gebruik van een obsessieve herhaling van zinsneden. Een fuga is een muziekvorm waarin ook bepaalde muzikale frasen op wisselende toonhoogten herhaald worden.

In het gedicht wordt zwarte melk gedronken, op alle tijden van de dag, en het is niet overdreven om te vermoeden dat het de bedoeling is dat je als lezer of toehoorder het gevoel krijgt dat er hier wordt gekokhalsd.

In het gedicht wordt een kampcommandant opgevoerd die kennelijk diepe gevoelens heeft voor een hoogblonde germaanse dame die luistert naar de naam Margarete, terwijl tezelfdertijd een joodse dame met de naam Sulamith wordt ontmenselijkt en vermoord.

dein-aschenes-haar-sulamith-anselm-kiefer-72578-copyright-kroller-muller-museum (1)
Anselm Kiefer, Dein aschenes Haar Sulamith, 1981 (copyright Kröller Müller  Museum)

De donkerte, de zwarte lucht die schemert naar Duitsland, is een beeld voor de rook die de schoorsteen van het moordcrematorium verlaat. De scène die wordt opgeroepen is een beeld van joodse gevangenen die een graf graven terwijl andere gevangenen daarbij geestdriftig dienen te musiceren terwijl de bruut zelf hen met zijn honden opjaagt en hoont.

Hier is een geluidsfragment waarin Paul Celan zijn gedicht zelf (heel mooi) voordraagt.

Er zijn geen leestekens, maar ik denk niet dat iemand daarover hoeft te struikelen. Het geeft een effect van grote wanhopige koortsachtigheid, met twee wegstervende slotzinnen.

Margarete is een verwijzing naar de blonde Gretchen in Goethes Faust. Sulamith is een joodse naam en zij komt voor in Hooglied 6:13 (SV): “Keer weder, keer weder, o Sulammith! Keer weder, keer weder, dat wij u mogen aanzien. Wat ziet gijlieden de Sulammith aan? Zij is als een rei van twee heiren.”

Het gedicht heeft Anselm Kiefer geïnspireerd tot verschillende kunstwerken, waarvan er één hierboven is afgebeeld.

Een collega-twitteraar die zich op dat forum Maarten Devant noemt, heeft me onlangs uitgedaagd om dit gedicht te vertalen. Dank – die uitdaging heb ik aangenomen.

Het oorspronkelijke Duitse gedicht verscheen in 1948, in Celans eerste gedichtenbundel Der Sand aus den Urnen. Het is niet precies bekend wanneer Celan het schreef, waarschijnlijk ergens in 1945.

Hier is de vertaling van Ton Naaijkens na te lezen, op de website van mijn leraar Nederlands op de middelbare school: Gert Slings.

Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling:

Doodsfuga

Zwarte melk van de vroegte wij drinken die ‘s avonds
wij drinken die ’s middags en ’s morgens wij drinken die ‘s nachts
wij drinken en drinken
wij delven een graf in de luchten daar lig je wat minder benauwd
In het huis woont een man die speelt met de slangen die schrijft
die schrijft als het duistert naar Duitsland
jouw goudblonde haar Margarete

Hij schrijft het en opent de deur en er fonkelen sterren
hij fluit dan zijn honden nabij
hij fluit dan zijn joden tevoorschijn laat delven een graf in de aarde
hij beveelt ons zweep je nu op tot de dans

Zwarte melk van de vroegte wij drinken die ‘s nachts
wij drinken die ’s middags en ’s morgens wij drinken die ‘s avonds
wij drinken en drinken
In het huis woont een man die speelt met de slangen die schrijft
die schrijft als het duistert naar Duitsland
jouw goudblonde haar Margarete
jouw asgrauwe haar Sulamith

wij delven een graf in de luchten daar lig je wat minder benauwd

Hij roept steek dieper de grond in ja jullie en jullie anderen zing maar en speel
hij grijpt in zijn koppel naar ijzer en zwaait het zijn ogen zijn blauw
steek dieper die spaden ja jullie en jullie anderen zweep weer op tot de dans

Zwarte melk van de vroegte wij drinken die ‘s nachts
wij drinken die ’s-middags en ’s morgens wij drinken die ‘s avonds
wij drinken en drinken
in het huis woont een man jouw goudblonde haar Margarete
jouw asgrauwe haar Sulamith hij speelt met de slangen

Hij roept speel de dood lekker lokkend de dood is een meester uit Duitsland
hij roept strijk donkerder nog die violen dan stijg je als rook in de lucht
dan heb je een graf in de wolken daar lig je wat minder benauwd

Zwarte melk van de vroegte wij drinken die ‘s nachts
wij drinken die ’s middags de dood is een meester uit Duitsland
wij drinken die ’s avonds en ’s morgens wij drinken en drinken
de dood is een meester uit Duitsland zijn oog schittert blauw
hij treft je met kogels van lood hij raakt je dan rauw
in het huis woont een man jouw goudblonde haar Margarete
hij stuurt dan zijn honden recht op ons af hij schenkt ons een graf in de lucht
hij speelt met de slangen en droomt de dood is een meester uit Duitsland

jouw goudblonde haar Margarete
jouw asgrauwe haar Sulamith

Origineel:

Todesfuge

Schwarze Milch der Frühe wir trinken sie abends
wir trinken sie mittags und morgens wir trinken sie nachts
wir trinken und trinken
wir schaufeln ein Grab in den Lüften da liegt man nicht eng
Ein Mann wohnt im Haus der spielt mit den Schlangen der schreibt
der schreibt wenn es dunkelt nach Deutschland
dein goldenes Haar Margarete

er schreibt es und tritt vor das Haus und es blitzen die Sterne
er pfeift seine Rüden herbei
er pfeift seine Juden hervor läßt schaufeln ein Grab in der Erde
er befiehlt uns spielt auf nun zum Tanz

Schwarze Milch der Frühe wir trinken dich nachts
wir trinken dich morgens und mittags wir trinken dich abends
wir trinken und trinken
Ein Mann wohnt im Haus der spielt mit den Schlangen der schreibt
der schreibt wenn es dunkelt nach Deutschland
dein goldenes Haar Margarete
Dein aschenes Haar Sulamith

wir schaufeln ein Grab in den Lüften da liegt man nicht eng

Er ruft stecht tiefer ins Erdreich ihr einen ihr andern singet und spielt
er greift nach dem Eisen im Gurt er schwingts seine Augen sind blau
stecht tiefer die Spaten ihr einen ihr anderen spielt weiter zum Tanz auf

Schwarze Milch der Frühe wir trinken dich nachts
wir trinken dich mittags und morgens wir trinken dich abends
wir trinken und trinken
ein Mann wohnt im Haus dein goldenes Haar Margarete
dein aschenes Haar Sulamith er spielt mit den Schlangen

Er ruft spielt süßer den Tod der Tod ist ein Meister aus Deutschland
er ruft streicht dunkler die Geigen dann steigt ihr als Rauch in die Luft
dann habt ihr ein Grab in den Wolken da liegt man nicht eng

Schwarze Milch der Frühe wir trinken dich nachts
wir trinken dich mittags der Tod ist ein Meister aus Deutschland
wir trinken dich abends und morgens wir trinken und trinken
der Tod ist ein Meister aus Deutschland sein Auge ist blau
er trifft dich mit bleierner Kugel er trifft dich genau
ein Mann wohnt im Haus dein goldenes Haar Margarete
er hetzt seine Rüden auf uns er schenkt uns ein Grab in der Luft
er spielt mit den Schlangen und träumet der Tod ist ein Meister aus Deutschland

dein goldenes Haar Margarete
dein aschenes Haar Sulamith