In 1964 ben ik geboren in Berkel en Rodenrijs. In Wageningen studeerde ik tussen 1982 en 1989 Moleculaire Wetenschappen. Van 1994 tot 2000 werkte ik als leidinggevende bij academische boekhandels in Utrecht en Leiden en van 2000 tot 2008 als afdelingshoofd bij de Leidse universiteitsbibliotheek. Sindsdien werk ik als zelfstandig redacteur en vertaler. In 2014 was ik actief als Wikipedian-in-Residence voor zes speciale en wetenschappelijke bibliotheken.
Van 2008 tot en met 2014 ben ik in mijn vrije tijd werkzaam geweest als Wikipedia-redacteur onder het van Kurt Tucholsky geleende pseudoniem Theobald Tiger.
Ik lees graag gedichten, aforismen en essays.
Plato en Aristoteles, of de filosofie, Luca della Robbia (1400-1481) (Wikimedia Commons)
Voor de meesten van ons is filosofie niet alleen saai, maar bovendien irritant: je begrijpt al die beschouwingen zelden, en ze geven je het akelige gevoel dat je minderwaardig bent, dat je slechts dient tot brandhout van de geschiedenis. Om deze laatste gedachte te kunnen toelaten, moet je natuurlijk al wel een beetje filosofisch aangelegd zijn. En wat die minderwaardigheid betreft: die is natuurlijk een feit: u en ik, de mens, wij deugen bijna voor niets. Er schuilt wel iets heel bevrijdends in het besef van de eigen overtolligheid, misbaarheid, nutteloosheid, als u mij een kleine filosofische uitweiding, meer een ontboezeming eigenlijk, wilt toestaan.
Ronald Stuart Thomas – merkwaardig genoeg heeft hij nog geen artikel op de Nederlandse Wikipedia – heeft een gedicht geschreven dat als titel draagt Synopsis, samenvatting, overzicht, uittreksel. Lees dat gedicht, en u kunt een heleboel akelige filosofische beschouwingen overslaan, want niet alleen deugen u en ik vrijwel nergens toe, dat geldt ook voor bijna alle wijsgerige bespiegelingen.
Plato is Plato, en Aristotelianen zijn degenen die de filosofische traditie van Aristoteles voortgezet hebben. Hume is David Hume. Søren Kierkegaard kent u natuurlijk wel. Positivisten geloven uitsluitend in rationaliteit en wetenschap.
De thousands of fathoms die Kierkegaard overstak, verwijzen naar de waterdiepte waarboven, volgens Kierkegaard, de gelovige, als hij werkelijk gelooft, gegarandeerd zweeft, en wel in “vrees en beven“, een titel van één van Kierkegaards boeken. Een vadem is een lengtemaat, meestal gebruikt voor de dieptemeting van de zee, die, afhankelijk van de traditie, tussen de 1.82m en 1.89m bedraagt.
Vertaling:
Synopsis
Plato gaf ons weinig dat de
Aristotelianen niet weer
terugnamen. Spinoza gaf naderhand
voor onze aanpak een redenering;
hij leerde ons dat de liefde
een intellectuele bestaanswijze.
is. Toch vroeg Hume zich af
of minnaar en geliefde wel echt
bestonden. Het innerlijk dat hij
voor ons achterliet, was wat Kant
niet wist te transcenderen, en Hegel
niet kon ontleden: vrees, dat grauwe
onderwerp, dat Søren Kierkegaard
beschreef toen hij zijn duizenden
vadems overstak; het beest dat door
de geschiedenis raast, dat lachend
het beraad der positivisten voorzit.
Origineel:
Synopsis
Plato offered us little
the Aristotelians did not
take back. Later Spinoza
rationalized our approach;
we were taught that love
is an intellectual mode
of our being. Yet Hume questioned
the very existence of lover
or loved. The self he left us
with was what Kant
failed to transcend or Hegel
to dissolve: that grey subject
of dread that Søren Kierkegaard
depicted crossing its thousands
of fathoms; the beast that rages
through history; that presides smiling
at the councils of the positivists.
De Amerikaanse dichter Robert Frost (1874-1963) behoeft eigenlijk geen introductie. Hij is veelvuldig gelauwerd, hij slaagt erin een snaar te raken bij iedere versgevoelige die hem leest, hij hanteert een eenvoudig idioom, hij is erg goed in spreektaal, hij is niet eenvoudig te plaatsen in levensbeschouwelijke of godsdienstige coördinatensystemen, maar hij heeft een duidelijke, zij het weinig orthodoxe, religieuze inslag.
Het onderhavige gedicht – Fire and Ice – is een humoristisch gedicht dat, zoals dat gaat met humor, een ernstige ondertoon heeft. Het handelt over een tweemaal optredende apocalyps – het is een kort gedicht over vuur en ijs, hartstocht en haat.
“I like to say, guardedly, that I could define poetry this way: it is that which gets lost out of both prose and verse in translation.”
Deze uitspraak wordt vaak gebrekkig geciteerd als: ‘Poetry is what is lost in translation’. U kunt hieronder nagaan of Frost misschien toch gelijk had.
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling:
Vuur en ijs
De één zegt dat de aarde sterft door vuur, de ander zegt door ijs. Wat ik aan hartstocht heb beleefd, leert mij dat vuur de voorkeur heeft. Maar als een tweede dood zal zijn vereist, dan weet ik ook genoeg van haat om in te zien dat voor verwoesting ijs zich groots bewijst en steeds volstaat.
Origineel:
Fire and Ice
Some say the world will end in fire, Some say in ice. From what I’ve tasted of desire I hold with those who favor fire. But if it had to perish twice, I think I know enough of hate To know that for destruction ice Is also great And would suffice.
Titelblad De komende zege der democratie (scan eigen exemplaar)
Vlak voor de Tweede Wereldoorlog hield de beroemde Duitse schrijver Thomas Mann een aantal redevoeringen in de Verenigde Staten van Amerika, die uitgegeven zijn onder de titel: Vom zukünftigen Sieg der Demokratie (1938). Dit boekje is in een Nederlandse (geautoriseerde) vertaling uitgebracht door de Arbeiderspers in 1939. De vertaler was prof. dr. Leo Polak (1880-1941), een Nederlands hoogleraar in de wijsbegeerte en het recht die een vroeg slachtoffer was van de Holocaust.
Op p. 22 schrijft Mann:
De democratie, ze mag dan van de mens denken wat ze wil, meent het in elk geval goed met de mensen. Zij wil hun peil verhogen, ze leren denken en ze bevrijden, aan de cultuur wil zij het karakter van een voorrecht ontnemen, die brengen tot het volk – in één woord: haar doel is opvoeding. Opvoeding is een optimistisch menslievend begrip – de achting voor de mens is er onafscheidelijk aan verbonden.
En op p. 29 lezen we:
De echte democratie, zoals wij die begrijpen, is nooit mogelijk zonder een aristocratische inslag – het woord “aristocratisch” niet genomen in de zin van geboorte of welke privileges ook, maar in geestelijke zin. In een democratie die het hogere leven des geestes niet eert en er niet door bepaald wordt, heeft de demagogie vrij spel, en het peil van het nationale leven wordt tot dat der onwetenden en der onbeschaafden verlaagd, in plaats dat het beginsel der opvoeding heerst en men zijn best doet om de onderste lagen tot cultuur op te heffen en aan het niveau der beteren de erkende heerschappij te verschaffen.
Mann schreef in een heel moeilijke tijd waarin demagogie, jodenhaat, genocide en minachting voor geest, intellect en kunst op weg waren naar een gruwelijk dieptepunt. Ik begrijp zijn poging om een hoopvolle boodschap te brengen. Ik begrijp ook waarom hij dat in Amerika deed, het land dat toen immers de enige hoop was van de Westerse cultuur, en bovendien het radicaalste en beste democratische voorbeeld.
Maar het valt op dat Mann ‘democratie’ hier behandelt in een zeer rooskleurige betekenis. Het is een betekenis die ik er weliswaar heel graag aan zou geven – bevorderaar van geest en cultuur, opvoeder, volksverheffer – maar die ik toch maar heel moeilijk kan onderschrijven. Mann spreekt als een idealist. Ik kan dit idealisme niet delen, hoe graag ik ook zou willen, want ik ben het uiteraard wel van harte eens met het ideaal.
Er zijn serieuze mensen geweest die bedenkingen hadden bij de democratie: Alexis de Tocqueville, Edmund Burke, Jérôme Heldring, onder veel anderen. Deze bedenkingen hoor je bijna nooit, want de democratie is voor de meeste mensen vrijwel onaantastbaar. De alternatieven zijn bovendien weinig aanlokkelijk. Maar toch is er een in mijn ogen onopgelost probleem: hoe kan worden voorkomen dat het volk op democratische wijze maatregelen afdwingt die vreselijk zijn, die fundamentele waarden aantasten, en dat het electoraat een beleid instelt dat onmenselijk is, dat dood en ellende van kwetsbaren tot gevolg heeft. Ik zou het antwoord wel eens willen weten.
Een parlementaire democratie biedt al wat meer waarborgen tegen overhaaste of verblinde faliekante beslissingen dan een directe democratie, omdat een parlement de ergste golven van domme woede en ingebeelde verontwaardiging nog kan tegenhouden, maar ook die dijk stelt me niet erg gerust. Er is geen enkele garantie dat de beschaving van volksvertegenwoordigers op een behoorlijk peil staat.
De Engelse arts-psychiater Theodore Dalrymple (pseud. van Anthony M. Daniels) heeft herhaaldelijk de aandacht gevestigd op wat hij de heersende “downward cultural aspiration” heeft genoemd. Ik citeer een paar zinnen uit zijn essay ‘All Men Are Created Snobs‘, gepubliceerd in het tijdschrift New England Review (mei, 2015):
Nowadays, however, it is persons in or from a higher social class who emulate those in a lower social class. They adopt the manner of speaking, dressing and cultural tastes of those below them. Intellectuals affect vulgar expressions and anyone with an avowed uninterest either in sport or in popular music is suspected at once of enmity towards the people, of the kind that at one time earned a ride in the charrette to the guillotine.
What does this change in the direction of cultural influence and aspiration signify? I think it signifies the complete ideological victory of egalitarianism, from which few dare derogate.
Democratie leek in 1938 een reddingsboei, maar ze wordt tegenwoordig soms eerder voorgesteld als een decadent luxeverschijnsel, vooral geschikt voor tijden waarin anderhalf procent vermindering van welvaartsgroei ten opzichte van het voorgaande jaar al “een recessie” wordt genoemd. Er wordt anno 2016 luide geroepen om ‘leiderschap’ aan de ene kant, en om diverse vormen van directe democratie anderzijds.
Hoe gewetensvrijheid, bescherming van minderheden, de vrijheden van godsdienst, vergadering, kritiek en meningsuiting, en een tijdige correctie van maatregelen die uiteindelijk niemand wil, op een andere manier dan op democratische wijze kunnen worden verwezenlijkt, weet ik niet, al denk ik wel dat ieder op zijn plaats en binnen zijn mogelijkheden hier een taak heeft, want ik vind die dingen stuk voor stuk van groot belang.
Maar de kwetsbaarheid van democratieën voor een afglijden in een poel van bruin of zwart of rood fascisme, vind ik zorgelijk. Grapjes hierover maken, helpt me niet.
Ik pleit nadrukkelijk niet voor een omverwerping van de democratie. Ik weet niks beters. Maar als platheid en lompheid, onverschilligheid en vulgariteit, meedogenloosheid en onwetendheid de toon gaan bepalen, en als het sportfestijn en de bevrediging van eigen genoegens het hoogste levensdoel vertegenwoordigen, als niemand meer weet waartoe we op aarde zijn, is er niet alleen geen enkele reden om aan een directe democratie te denken, ook de vertegenwoordigende, constitutionele democratie wordt bedreigd. Wat zou leiderschap in een democratische context dan nog kunnen betekenen? Aan volksverheffing en cultuurbevordering hoeven we dan zeker niet te denken, en de koers van het schip van staat kan dan niet anders dan zwalkend zijn.
“Wat wil het volk?” vroeg Gerard Reve in zijn gedicht Getuigenis, en hij antwoordde: “Niet veel goeds, dat is zeker.” Het is mij bekend dat Reve soms racistisch was en op een ergerlijke manier sprak over koffiebonen die met de jumbo het land uit gezet moesten worden – en dat pleit zeer zeker niet voor hem (ik heb bovendien een hekel aan de disculperende ironie van Reve en zijn bewonderaars) – maar dat Reve in het gedicht Getuigenis de achilleshiel van de democratie vastpakte, staat voor mij vast.
[Enkele aanpassingen 13 september 2016]
[Toevoeging 22 december 2016:
Een goed artikel van Jan Dirk Snel onder de titel Vrijheid en Democratie vindt u hier (Weblog Jan Dirk Snel, 8-4-2016).
Een goed artikel van Sjoerd van Hoorn over de oplossing van het probleem dat ik hierboven beschreef, onder de titel Over ‘Wat te doen met anti-democratische partijen?’ van George van den Bergh, vindt u hier (The Post Online, 23-12-2015).
Tegen hen die vinden dat de naam van God nodig weer eens anders gespeld of geschreven of genoemd moet worden, om aansluiting te vinden bij de belevingswereld van de jeugd of op grond van enige andere voorbijgaande bekommernis:
Waarom zouden we Hem die gisteren en heden dezelfde is, morgen anders noemen dan vandaag.
Hebreeën 13: 8 (Statenvertaling): “Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid.”
Ik geloof niet dat dit drinkliedje van William Butler Yeats nadere toelichting behoeft.
Vertaling:
Een drinklied
De wijn gaat door de mond,
De liefde door het oog;
Dat is de vaste grond
Waarop wij oud worden en broos.
Ik breng het glas naar de mond,
Ik kijk naar jou, ik bloos.
Origineel:
A Drinking Song
Wine comes in at the mouth
And love comes in at the eye;
That’s all we shall know for truth
Before we grow old and die.
I lift the glass to my mouth,
I look at you, and I sigh.
Ronald Stuart Thomas (1913-2000) is een belangrijk dichter in het Engelse taalgebied. Hij was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was ook een Anglicaanse predikant, zij het zeker niet iemand die er roestvrijstalen zekerheden op nahield. Hij was getrouwd met de subtiele schilderes Mildred Eldridge (1909-1991).
Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis hebben getuigd van hun bewondering. Seamus Heaney hield na zijn dood in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).
Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.
In een ontroerend filmpje uit 1996 dat Bloodaxe Books beschikbaar heeft gemaakt op Youtube – hier raadpleegbaar (vanaf 4’18”) – zegt Thomas:
“Mocht er sowieso later nog aan mij gedacht worden, dan zal dat wel zijn om de intensiteit van een paar gedichten die ik heb geschreven. Maar, los van de gedichten, als mens hoop ik dat m’n voorbeeld van iemand die hield van buiten-zijn, die hield van de aardse dingen, en die het talent had gekregen om ze niet alleen te horen maar ook te zien, voor anderen een zeker nut heeft gehad.”
Een gloeiende akker (foto: Gerard Klooster)
Ik heb in mijn leven heel wat preken beluisterd, en de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ze vaak veel te lang waren. De treurigste gemeenplaatsen werden soms schaamteloos aaneengeregen. Veel predikanten hebben een voorkeur – om een woord van de C.S. Lewis-vertaler Arend Smilde aan te halen – voor uitdrukkingen die “als een grafsteen over hun betekenis zijn gevallen”. Meestal antwoordde ik op de vraag hoe ik de preek had gevonden: “Zes keer zo kort en in het latijn.”
Maar ik beklaag mezelf niet: de kennis die ik heb opgedaan van de bijbelse taal en de christelijke traditie is een waardevol bezit.
Dit gedicht is een preek in de edelste zin van het woord, of beter gezegd: dit is wat een preek eigenlijk zou moeten zijn. Ik besef onmiddellijk dat vrijwel niemand hierin een aanbeveling zal zien, want preken is passé, abominabel en afschuwelijk, en we zijn er – denken we – definitief vanaf, maar heel misschien vergissen we ons wel een beetje. We zijn er nooit vanaf, en dat kan ook helemaal niet – ook de moderne moraal toetert je van alle kanten in de oren, vooral uit de mond van nihilistische en hedonistische celebrities en muzikanten die zich, zo jong en hip als ze zijn, cool, ongenaakbaar en onkwetsbaar wanen – en enige instructie, een spoor om te volgen, een zinperspectief hebben we misschien toch soms wel nodig, zo autonoom en mondig als we meestal denken dat we zijn.
Er wordt in dit gedicht naar drie bijbelverhalen verwezen, één in het Oude Testament en twee in het Nieuwe Testament. Het betreft het verhaal van Mozes en het brandende braambos in Exodus 3, de gelijkenis van de schat in de akker in Mattheüs 13, en de aansporing om alles wat je hebt te verkopen om een schat in de hemel te bezitten in Mattheüs 19. Ik heb ‘field’ daarom met ‘akker’ vertaald, en ‘turning aside’ met ‘zich wenden naar’, zoals in de Statenvertaling.
Vreest niet – deze preek is heel kort en er is geen woord latijn bij.
Vertaling:
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
De gloeiende akker
Ik heb de zon zien doorbreken boven een kleine akker die een poosje oplichtte, en ging heen en vergat het. Maar dat was de parel van grote waarde, dat was de akker waarin zich de schat bevond. Ik besef nu dat ik alles wat ik heb, moet opgeven om hem te bezitten. Leven is niet jakkeren naar een wijkende toekomst, niet hunkeren naar een ingebeeld verleden. Het is zich wenden als Mozes naar het wonder van de vlammende struik, naar een gloed die vergankelijk lijkt als je jeugd van toen, maar die de eeuwigheid is die op jou wacht.
Origineel:
The Bright Field
I have seen the sun break through to illuminate a small field for a while, and gone my way and forgotten it. But that was the pearl of great price, the one field that had the treasure in it. I realise now that I must give all that I have to possess it. Life is not hurrying on to a receding future, nor hankering after an imagined past. It is the turning aside like Moses to the miracle of the lit bush, to a brightness that seemed as transitory as your youth once, but is the eternity that awaits you.
De lach is een kort, typerend gedichtje van R.S. Thomas, waaruit zowel levensaanvaarding spreekt als het besef dat onze wensen en verwachtingen niet zelden vergeefs en vaak zelfs een beetje bespottelijk zijn. Heel geschikt voor een wat ernstiger poesiealbum misschien wel. Jammer dat het niet rijmt natuurlijk, want een poesiealbum zonder rijm is een tandeloze tijger.
A sweet tooth is een zoetekauw.
Het gedichtje is opgenomen in Collected Poems: 1945-1990, zie hier.
Vertaling:
De lach
Mijn moeder bad dat ik zoet engelenhaar zou krijgen.
Mijn vader zei dat ik niet zonder flinke knuisten kon.
Het leven zelf, dat ergens doelloos rondhing,
schonk me een lach, en gaf me geen van beide.
In een eerdere versie had ik gekozen voor ‘gulzig tongetje’ i.p.v. ‘zoet engelenhaar’.
Origineel:
The Smile
My mother prayed that I should have the sweet tooth.
My father said that I should have the big fist.
And life, lingering somewhere by,
Smiled on me, giving me neither.
De dichter Wystan Hugh Auden (1907-1973) is een van de grootste twintigste-eeuwse dichters in het Engelse taalgebied. Hij stamde uit een anglicaans middle class milieu, studeerde in Oxford, werd al snel de centrale figuur van een groep dichters in de jaren dertig – Louis MacNeice, Stephen Spender, Christopher Isherwood, John Betjeman – was zich al vroeg bewust van zijn dichterlijke roeping, verdiepte zich in Freud in zijn beginjaren, in Marx in de jaren die erop volgden, en keerde op middelbare leeftijd terug naar het christelijk geloof.
Wie meer wil weten over Auden kan elders op mijn website terecht. Ik houd veel van zijn werk en heb al aardig wat vertalingen van zijn gedichten gemaakt. Peter Verstegen – een gelauwerd vertaler – heeft hier een Ten Geleide bij het vertalen van Auden gepubliceerd.
De naam van deze website – The Hidden Law – is vernoemd naar een gedicht van Auden. Elders kunt u veel meer door mij vertaalde gedichten met hun origineel aantreffen.
Augustus 1968is een kort, grappig en wrang gedicht dat Auden schreef bij de hardhandige beëindiging van de Praagse Lente op 20 augustus 1968. In dat jaar probeerde Alexander Dubček Tsjecho-Slowakije een gematigder communistische koers te laten varen – tevergeefs, zoals bleek.
Een ogre is een mensenetende reus.
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling:
Augustus 1968
De Kwaaie Reus kan reuzedingen, Waaraan geen mens ooit zou beginnen, Maar één ding blijft de Reus ontzegd: Geen mens kan snappen wat hij zegt! Hoog boven onderworpen velden, Tussen gevelden en ontstelden, Troont onze Reus, met borst vooruit, Schoon wartaal van zijn lippen druipt.
Origineel:
August 1968
The Ogre does what ogres can, Deeds quite impossible for Man, But one prize is beyond his reach, The Ogre cannot master Speech: About a subjugated plain, Among its desperate and slain, The Ogre stalks with hands on hips, While drivel gushes from his lips.
Devils Chimney (duivelsschoorsteen), een krijtsteenpilaar in Engeland (Wikimedia Commons)
Het wat langere gedicht In Praise of Limestone is een paysage moralisé; het gedicht is een hommage aan het vergankelijke landschap (kalksteen lost op in water) van het Zuid-Italiaanse Ischia waar Auden ’s zomers vaak verbleef. Maar tegelijkertijd symboliseert het onvergankelijkheid. Het gedicht is geschreven in breed uitwaaierende verzen die geen eindrijm kennen, maar wel binnenrijm, met name stafrijm.
Hier kunt u Auden beluisteren die het gedicht voordraagt.
Vertaling:
Ter ere van krijtsteen
Zou het landschap zich aandienen dat ons, onbestendigen,
Een blijvend heimwee bezorgt, dan is het in hoofdzaak
Omdat het oplost in water. Bezie de afgeronde hellingen
Met hun vluchtig aroma van tijm en, daaronder,
Een geheim systeem van grotten en gangen; hoor de bronnen
Die overal ontspringen met onderdrukt gelach,
Elk een meertje vullend voor de vis, elk slijpend aan
Zijn eigen kleine ravijn, welks kliffen bezigheid
Geven aan vlinder en hagedis; onderzoek deze streek
Van korte afstanden en welbepaalde plaatsen:
Wat zou meer als Moeder kunnen zijn, of mooier als achtergrond
Voor haar zoon, de mannetjes-flirt die lui in de zon
Tegen een rots ligt, nooit eraan twijfelend dat men hem,
Ondanks fouten, liefheeft, wiens daden slechts verlengstuk zijn
Van zijn talent om te charmeren? Van verweerd gesteente
Naar heuveltop-tempel, van opborrelend water naar
Markante fontein, van wilde naar bewerkte wijngaard,
Zijn vernuftige maar korte stappen, die de wens van een kind
Meer aandacht te krijgen dan zijn broers,
Door plezieren of klieren, gemakkelijk zet.
Aanschouw dan de bende rivalen als ze op en af klimmen,
Getweeën of gedrieën, van hun steile steenpartijen, soms
Gearmd, maar nooit, goddank, in de pas; of druk doende
’s Middags aan de schaduwzijde van een open plek met
Een vlot gesprek, elkaar te goed kennend om te denken
Dat er enig belangrijke geheim is, onmachtig
Een god te bevatten wiens luimige buien moreel zijn,
Die niet kan worden gesust met een slimme zin of een
Goed lied: want zij, gewend aan de respons van een keisteen,
Hebben nooit hun gelaat hoeven bedekken uit vrees
Voor de ontembare furie van een laaiende krater;
Vertrouwd met de lokale behoeften van valleien,
Waarin alles kan worden betast of bereikt per voet,
Hebben hun ogen nooit gekeken in oneindige ruimte
Door het vlechtwerk van een nomaden-kam; gelukkig geboren,
Hebben hun benen nooit de schimmels ontmoet
En de insecten van de jungle, de monsterlijke levensvormen
Waarmee wij, naar wij gaarne hopen, niets gemeen hebben.
Dus als een van hen ontspoort, blijft de werking van
Diens geest begrijpelijk: een pooier worden
Of doen in nep-juwelen, of een mooie tenor verpesten
Met het oog op frenetiek applaus, kan elk overkomen,
Behalve de besten en slechtsten onder ons…
Dat is, denk ik waarom
De besten en slechtsten hier nooit lang bleven, maar zochten naar
Matelozer gronden waar de schoonheid niet zo extern was,
Het licht minder publiek en de zin van het leven nog wat meer
Dan een kamp vol dwazen: ‘Kom!’ riepen granieten woestenijen,
‘Hoe ontwijkend is jouw humor, hoe vluchtig jouw
Liefste kus, hoe permanent is de dood!’ (Heiligen-in-spe
Slopen zuchtend weg.) ‘Kom!’ zoemden klei en steengruis,
‘Op onze vlakten is ruimte om legers te drillen; rivieren
Willen getemd worden, slaven u een praalgraf bouwen
In grote stijl: het mensdom is zacht als de aarde en beide
Dienen veranderd.’ (Een imaginaire Caesar stond op en vertrok,
Met deuren smijtend.) Maar de echte roekeloze werd gegrepen
Door een oudere, koudere stem, de oceanische fluistering:
‘Ik ben de eenzaamheid die niets vraagt en belooft;
En zo zal ik je bevrijden. Er is geen liefde;
Er zijn slechts de vormen van naijver, allemaal treurig.’
Dat was waar, mijn beste, al deze stemmen spraken waarheid,
En nu nog: dit land is niet zo knus als het lijkt,
Zijn vrede is niet de historisch rust van een plek
Waar iets geregeld is, eens voor altijd: een achterlijk
Gedelapideerd gebied, verbonden
Met de grote drukke wereld door een tunnel, van een ietwat
Sjofele charme, is dat alles wat het nu is? Niet helemaal:
Het heeft een wereldse taak die het, ondanks zichzelf,
Niet verwaarloost, want wat voor Grootmachten vanzelf spreekt
Wordt problematisch: het stoort ons besef van recht. De dichter,
Bewonderd om zijn eerlijke gewoonte de zon de zon
Te noemen, zijn geest Puzzel, raakt van zijn stuk
Door deze marmeren beelden die zo duidelijk twijfel zaaien
Aan zijn anti-mythologische mythe; en deze schoffies
Die de wetenschapper nazitten door de betegelde zuilengang
Met hun levendige verlokkingen, laken zijn aandacht
Voor de verstafgelegen aspecten der Natuur; ook mij wordt
Verweten wat en hoeveel je weet. Geen tijd verliezen, niet
Gevangen worden, niet achtergelaten, niet, alsjeblieft!
Lijken op de beesten die steeds hetzelfde doen, of op iets als water
Of steen waarvan het gedrag kan worden voorspeld, dit is
Ons Dagelijks Gebed, welks grootste vreugde muziek is,
Die overal kan worden gemaakt, onzichtbaar is
En geen geur heeft. Voor zover we moeten rekenen met
De dood als feit, hebben we ongetwijfeld gelijk: maar als
Zonden kunnen worden vergeven, als lichamen opstaan uit de
Dood, raken deze modificaties van stof tot
Onschuldige atleten en gesticulerende fonteinen,
Louter gemaakt om het plezier, nog aan iets anders:
Verlosten kan het niet schelen uit welke hoek men ze bekijkt,
Ze hebben niets te verbergen. Beste, ik weet niets van
Beide, maar als ik tracht me een volmaakte liefde voor te stellen
Of het komende leven: wat ik hoor is het gemurmel van
Ondergronds water, wat ik zie is een landschap van krijtsteen.
Origineel:
In Praise Of Limestone
If it form the one landscape that we, the inconstant ones,
Are consistently homesick for, this is chiefly
Because it dissolves in water. Mark these rounded slopes
With their surface fragrance of thyme and, beneath,
A secret system of caves and conduits; hear the springs
That spurt out everywhere with a chuckle,
Each filling a private pool for its fish and carving
Its own little ravine whose cliffs entertain
The butterfly and the lizard; examine this region
Of short distances and definite places:
What could be more like Mother or a fitter background
For her son, the flirtatious male who lounges
Against a rock in the sunlight, never doubting
That for all his faults he is loved; whose works are but
Extensions of his power to charm? From weathered outcrop
To hill-top temple, from appearing waters to
Conspicuous fountains, from a wild to a formal vineyard,
Are ingenious but short steps that a child’s wish
To receive more attention than his brothers, whether
By pleasing or teasing, can easily take.
Watch, then, the band of rivals as they climb up and down
Their steep stone gennels in twos and threes, at times
Arm in arm, but never, thank God, in step; or engaged
On the shady side of a square at midday in
Voluble discourse, knowing each other too well to think
There are any important secrets, unable
To conceive a god whose temper-tantrums are moral
And not to be pacified by a clever line
Or a good lay: for accustomed to a stone that responds,
They have never had to veil their faces in awe
Of a crater whose blazing fury could not be fixed;
Adjusted to the local needs of valleys
Where everything can be touched or reached by walking,
Their eyes have never looked into infinite space
Through the lattice-work of a nomad’s comb; born lucky,
Their legs have never encountered the fungi
And insects of the jungle, the monstrous forms and lives
With which we have nothing, we like to hope, in common.
So, when one of them goes to the bad, the way his mind works
Remains incomprehensible: to become a pimp
Or deal in fake jewellery or ruin a fine tenor voice
For effects that bring down the house, could happen to all
But the best and the worst of us…
That is why, I suppose,
The best and worst never stayed here long but sought
Immoderate soils where the beauty was not so external,
The light less public and the meaning of life
Something more than a mad camp. `Come!’ cried the granite wastes,
`How evasive is your humour, how accidental
Your kindest kiss, how permanent is death.’ (Saints-to-be
Slipped away sighing.) `Come!’ purred the clays and gravels,
`On our plains there is room for armies to drill; rivers
Wait to be tamed and slaves to construct you a tomb
In the grand manner: soft as the earth is mankind and both
Need to be altered.’ (Intendant Caesars rose and
Left, slamming the door.) But the really reckless were fetched
By an older colder voice, the oceanic whisper:
`I am the solitude that asks and promises nothing;
That is how I shall set you free. There is no love;
There are only the various envies, all of them sad.’
They were right, my dear, all those voices were right
And still are; this land is not the sweet home that it looks,
Nor its peace the historical calm of a site
Where something was settled once and for all: A back ward
And dilapidated province, connected
To the big busy world by a tunnel, with a certain
Seedy appeal, is that all it is now? Not quite:
It has a worldy duty which in spite of itself
It does not neglect, but calls into question
All the Great Powers assume; it disturbs our rights. The poet,
Admired for his earnest habit of calling
The sun the sun, his mind Puzzle, is made uneasy
By these marble statues which so obviously doubt
His antimythological myth; and these gamins,
Pursuing the scientist down the tiled colonnade
With such lively offers, rebuke his concern for Nature’s
Remotest aspects: I, too, am reproached, for what
And how much you know. Not to lose time, not to get caught,
Not to be left behind, not, please! to resemble
The beasts who repeat themselves, or a thing like water
Or stone whose conduct can be predicted, these
Are our common prayer, whose greatest comfort is music
Which can be made anywhere, is invisible,
And does not smell. In so far as we have to look forward
To death as a fact, no doubt we are right: But if
Sins can be forgiven, if bodies rise from the dead,
These modifications of matter into
Innocent athletes and gesticulating fountains,
Made solely for pleasure, make a further point:
The blessed will not care what angle they are regarded from,
Having nothing to hide. Dear, I know nothing of
Either, but when I try to imagine a faultless love
Or the life to come, what I hear is the murmur
Of underground streams, what I see is a limestone landscape.
Voor de wedstrijd Nederland Vertaalt 2016, uitgeschreven door het Prins Bernhard Cultuurfonds, had ik een vertaling ingezonden van het gedicht Stern und Unstern van Robert Gernhardt (1937-2006). De vertaling is niet genomineerd voor een prijs – wat mij betreft wel terecht.
Ik had ook zelf nog kritiek op mijn eigen inzending, en heb daarom de vertaling nog op een paar plaatsen aangepast.
De uitdaging was natuurlijk ook om de titel Stern und Unstern te vertalen. Ik heb daarvoor een andere oplossing gekozen dan de vijf genomineerde inzendingen.
Vertaling:
Ster en dwaalster
Een verre ster houdt in de nacht
Bij mijn dwaalster trouw de wacht.
Mijn dwaalster is zo hopeloos verdwaald
dat hij in alles alsmaar faalt.
Hij zou slechts dwaalster moeten zijn,
maar vindt het dwalen zelf ook fijn.
Hij knipoogt vet, wenkt oliedom;
Voordat ik komen wil, keer ik al om.
En onderwijl knalt hij vol vuur
Op de mij toebedachte muur.
Nooit dat hij mij in rampspoed stort,
Nog eer dat ik zijn noodlot word.
Ik hecht al aan mijn dwaalster zoetjesaan,
totdat ik plots een and’re ster zie staan.
Die straalt zo fel en welgemoed,
dat angst mij allengs beven doet.
Ik vraag mij af: stel nou dat niet
mijn dwaalster maar mijn ster mij dwalen liet?
Ik heb een vriend – een heel goede vertaler – die moeite heeft met gedichten. Hij kan haast niet begrijpen waarom dichters hun gedachten niet gewoon in begrijpelijk proza opschrijven. Hij snapt ook niet waarom dichters hun versregels soms zo onlogisch afbreken.
Poëzie heeft een grotere intensiteit dan proza. Wie de intensiteit van een goed gedicht in proza wil vangen, wekt al snel de indruk dat het niet goed met hem gaat, dat hij krankzinnig is, of in ieder geval ernstig in de war. Liefde, wanhoop, natuurbeleving, haat, lofprijzing, mededogen, waarheidsliefde, religiositeit, zelfverwijt – al die dingen klinken, als je de intensiteit daarvan wilt overbrengen, heel theatraal of pathetisch in didactisch of betogend proza. Maar ze kunnen heel overtuigend zijn in goede poëzie. Poëzie is ook beknopter dan proza. Humor heeft niet zelden een dichterlijke vorm.
De afkeer die sommige mensen van poëzie hebben, wordt begrijpelijkerwijs gevoed door slechte verzen. En daar zijn er heel veel van.
Het ergert mij bijvoorbeeld enigszins dat in Nederland de mode die door de Vijftigers is geïntroduceerd om alle leestekens weg te laten en verzen te produceren waaraan kop noch staart, noch ook enige andere syntactische bekommernis te ontdekken valt, zoveel navolging vindt. ‘Vond’ moet ik misschien zeggen. Bij sommige dichters werkt dat weliswaar heel goed en is het zelfs ronduit functioneel, bijvoorbeeld bij de Todesfuge van Paul Celan, maar dat is lang niet altijd het geval. Maar dit is een zijspoor.
Als de wens om iets met grote intensiteit te schrijven er wel is, maar het dichterlijke vermogen daartoe ontbreekt, krijg je Candlelight-verzen.
Er is ongelooflijk veel slechte poëzie, zoals er ook ongelooflijk veel slechte muziek en onleesbaar proza is.
Laat alles wat je niks vindt ongelezen, maar verzet je niet tegen wat mooi of ontroerend of amusant of anderszins overrompelend is.
Maar waarom breken dichters hun regels vaak zo raar af?
Afbrekingen van versregels zijn heel goed te vergelijken met maatstrepen in de muziek. Als ze je hinderen, geen probleem, plak alles achter elkaar, en geniet het resultaat alsof die strepen er niet stonden. De melodielijn loopt vaak over de maatstrepen heen, en er is geen enkele reden om je door die stomme strepen van de wijs te laten brengen. In sommige klassieke versvormen wordt het metrum strak gehandhaafd en worden de maatstrepen soms nog benadrukt door een eindrijm; bij modernere poëzie is het vaak wat vrijer, maar in wezen is er weinig veranderd. De bijbelse psalmen zijn trouwens met betrekking tot metrum en rijm ook (relatief) vrij, en ze ontlenen hun effect vaak aan andere muzikale middelen, zoals een suggestieve en uitgestelde climaxopbouw, refrein, contrast en gevarieerde herhaling.
De dichter Hendrik de Vries (1896-1989) heeft een heleboel Spaanse volksgedichtjes vertaald. Hij publiceerde ze als ‘copla’s’. Eén daarvan luidt als volgt (ik citeer uit het hoofd):
Ik liep op het kerkhof rond;
Daar nam ik een kloek besluit:
Ik sloeg met mijn stok op de grond,
“Wie dapper is, komt er maar uit!”
Ik zou niet weten hoe je dat beknopt in proza zeggen kan, zonder subiet de indruk te wekken dat je hulp nodig hebt. Maar een onbegrijpelijk besef of thema is het zeker niet. En de lach die het vers opwekt staat evenmin los van de poëtische vorm. Ernst en plezier zijn beide tegelijkertijd en in gelijke mate aanwezig. En de Tijd, het verstrijken ervan, de onomkeerbaarheid ervan, is het grondthema van alle kunst.
En al dit gepraat kan het vers met geen mogelijkheid vervangen.1
Als je deze slotzin van maatstrepen zou willen voorzien – ik heb daarmee geen poëtische bedoelingen gehad, al is het natuurlijk wel een soort punchline of pointe – dan zou je dat bijvoorbeeld als volgt kunnen doen: En al dit gepraat / kan het vers / met geen mogelijkheid / vervangen.↩
Voor de wedstrijd Nederland Vertaalt 2016, uitgeschreven door het Prins Bernhard Cultuurfonds, had ik de volgende vertaling ingezonden.
Vertaling:
Liefde is niet alles
Wat is liefde? Geen vlees, geen vertroosting,
Geen sluimer, geen beschutting tegen regen,
Geen drijfhout voor de zwakke drenkeling,
Steeds op en neer, steeds op en neer bewegend.
Liefde heeft nimmer adem toegediend,
Zuivert geen bloed, spalkt geen gebroken been.
Maar menigeen raakt met de dood bevriend,
Als liefde ontbreekt, zo dadelijk of nu meteen.
Misschien dat ik, als alles mij mislukt,
Geprangd door pijn, door ziekte uitgeblust,
Of zonder uitzicht door gebrek terneergedrukt,
Aandrang voel jouw liefde weg te doen voor rust,
Of de gedachte aan vannacht voor brood.
Misschien. Waarschijnlijk hield ik mij dan groot.
Het gedicht is niet genomineerd voor een prijs. Hier kunt u de genomineerde gedichten lezen.
Vertaalopgave:
LOVE IS NOT ALL
Edna St. Vincent Millay (1892 – 1950)
Uit: The New Anthology of American Poetry: Modernisms, 1900 – 1950 (Ed. Steven Gould Axelrod, Camille Roman, Thomas J. Travisano, Rutgers University Press 2005)
Love is not all: it is not meat nor drink
Nor slumber nor a roof against the rain;
Nor yet a floating spar to men that sink
And rise and sink and rise and sink again;
Love can not fill the thickened lung with breath,
Nor clean the blood, nor set the fractured bone;
Yet many a man is making friends with death
Even as I speak, for lack of love alone.
It well may be that in a difficult hour,
Pinned down by pain and moaning for release,
Or nagged by want past resolution’s power,
I might be driven to sell your love for peace,
Or trade the memory of this night for food.
It well may be. I do not think I would.
R.S. Thomas werd in 1995 genomineerd voor de Nobelprijs voor literatuur 1996, een prijs die toen is gewonnen door Wisława Szymborska, een (overleden) Poolse dichteres die ook bijzonder mooie verzen maakte.
Hij vond het maar niks om genomineerd te worden,1 maar zei uiteindelijk:
“I don’t know anything about the mechanics of the business, but one can only be grateful if anybody thinks you’re worth putting up” […] “It’s sort of local boy made good and I imagine that all over the world there are minorities putting up their champions.”
De dichter R.S. Thomas hield erg van de Deense filosoof Søren Kierkegaard, de existentialistische filosooof, theoloog en cultuurcriticus. Dit gedicht gaat niet over Kierkegaards graf, al neemt het in de verbeelding dat graf als vertrekpunt, maar over diens geestelijke nalatenschap.
Het oorspronkelijke gedicht is afkomstig uit de bundel: Not That He Brought Flowers (1968), en werd opgenomen in Collected Poems 1945-1990, p. 183.
Er zijn opvallende overeenkomsten tussen Kierkegaard en Thomas. Beiden hadden een afstandelijke relatie tot hun vader en tot hun God; beiden voelden zich vreemdelingen in hun tijd en in hun land; beiden waren filosofisch en theologisch geïnteresseerd; beiden waren religieus en geloofden dat kunst en religie bij elkaar hoorden, en ten slotte: beiden waren er met heel hun wezen op gericht om hun gedachten en levensbesef tot uitdrukking te brengen in een overrompelende taal.1
De verwijzing naar het Lucas-evangelie heeft betrekking op de openingsverzen van Lucas 24.2
Vertaling:
Een graf dat ik niet bezocht
Er zijn plaatsen waar ik nooit ben geweest,
met opzet niet, zoals Sørens graf
in Kopenhagen. Toen ik de straten zag,
met hun duffe nabootsing van al die
andere straten, ging ik liever naar Dragør,
dat aangeharkte dorpje met zijn bloemen
en oude dakpannen, dat lag afgetekend
langs de Oostzee, dat obsolete water.
Ze hadden gedaan wat ze konden
om hem te verankeren met alle gewicht
van nationale eerbiedwaardigheid,
dat is waar. Ik dacht me in
hoe groot zijn grafsteen was, het marmer
dat zijn beenderen plette; maar zou hij er
geweest zijn om de bedevaart
van dit zwoegende lichaam
te ontvangen, een paar maanden terug,
als ik toch was gegaan?
Wat brengt mensen ertoe een grote geest
te verwerpen, en later te denken dat deze
terugkeert, verenigd met de lijkwade
die ze ervoor hebben klaargelegd?
Het is het Lucas-evangelie dat ons
waarschuwt om niet tussen de doden
te scharrelen als er levenden zijn – dus dein ik
met hem mee in zijn boeken,
hand aan hand, zoals een kind
met zijn vader, soms stilstaand om te staren,
zoals hij ooit deed, naar het geestelijk vaderland.
[Toevoegingen en correcties 16 februari]
Oorspronkelijk gedicht:
A Grave Unvisited
There are places where I have not been;
Deliberately not, like Soren’s grave
In Copenhagen. Seeing the streets
With their tedious reproduction
Of all streets, I preferred Dragort,
The cobbled village with its flowers
And pantiles by the clear edge
Of the Baltic, that extinct sea.
What they could do to anchor him
With the heaviness of a nation’s
Respectability they have done,
I am sure. I imagine the size
Of his tombstone, the solid marble
Cracking his bones; but would he have been
There to receive this toiling body’s
Pilgrimage a few months back,
Had I made it?
What is it drives a people
To the rejection of a great
Spirit, and after to think it returns
Reconciled to the shroud
Prepared for it? It is Luke’s gospel
Warns us of the danger
Of scavenging among the dead
For the living – so I go
Up and down with him in his books,
Hand and hand like a child
With its father, pausing to stare
As he did once at the mind’s country.
Zie ook William Virgil Davis, R.S. Thomas. Poetry and Theology, Waco, Texas: Baylor University Press 2007, hfdst. R.S. Thomas and Søren Kierkegaard, p.123-142. ↩
Deze verzen luiden in de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV): “Maar op de eerste dag van de week gingen ze bij het ochtendgloren naar het graf met de geurige olie die ze bereid hadden. Bij het graf aangekomen, zagen ze echter dat de steen voor het graf was weggerold, en toen ze naar binnen gingen vonden ze het lichaam van de Heer Jezus niet. Hierdoor raakten ze helemaal van streek. Plotseling stonden er twee mannen in stralende gewaden bij hen. Ze werden door schrik bevangen en sloegen de handen voor hun ogen. De mannen zeiden tot hen: “Waarom zoekt u de levende onder de doden?” ↩
R.S. Thomas was een dichter die veel hield van Wales, iemand die ook vaak werd beschouwd als een Welsh nationalist.
Het onderhavige gedicht heet A Welsh Testament, en het werpt weliswaar enig licht op deze kwestie, maar het is niettemin een echt gedicht, zelfs een sterk en ontroerend gedicht, met een frappante pointe.
Hier kunt u horen hoe het gedicht klinkt als het wordt voorgelezen door de dichter zelf. Bedenk: klank is voor elk gedicht zeer belangrijk!
Hier kunt u het gedicht nalezen (even twee keer op ‘volgende’ klikken, want de link opent in de inhoudsopgave).
Het gedicht levert een vertaalprobleem op dat ik nog niet bevredigend heb opgelost. Het geluid van de wind wordt weergegeven met honing, honing, een woord dat zowel het betreffende geluid van de wind als de betekenis ‘slijpend’ weergeeft. Mijn voorlopige oplossing is om het ‘slijpen’ in de voorafgaande regel te gebruiken, en om het woord ‘honing’ – toevallig ook een Nederlands woord – om de klank te handhaven. Goed is het niet, want ‘honing’ richt in het Nederlands de geest op betekenissen die niet ter zake doen, maar voorlopig weet ik niks beters.
Het doet een beetje denken aan Karel van het Reve die de verleiding bijna niet kon weerstaan om een gedicht van Chodasevitsj dat in het Russisch begint met Ja, ja, ja, … (wat betekent: Ik, ik, ik…) naar het Nederlands te vertalen met Ja, ja, ja…
Glyn Dwr was een Welsh leider, de laatste inheemse Prince of Wales, iemand die vocht voor Welshe onafhankelijkheid, een soort vader des (niet bestaanden) vaderlands.
Vertaling:
Een Welsh testament
Inderdaad, ik was Welsh. Maakt het uit?
Ik sprak een taal die mij werd doorgegeven
op de plaats waar ik nu eenmaal was,
een plaats opeengehoopt tussen grijze muren
van mist voor minstens de helft van het jaar.
Mijn woord voor hemel was niet de jouwe.
Het woord voor hel had een scherp randje,
geslepen door de hand van de wind:
oewing, oewing, dag en nacht,
met een schril geluid. Glyn Dwr wist niks
van een harnas tegen regenprojectielen;
wat hebben we aan hem te danken?
Zelfs God had een Welshe naam:
we spraken tot hem in de taal der vaderen;
Hij zou zich vooral bekommerd hebben
om het Welshe volk. De geschiedenis liet zien
dat hij te groot was om hem aan de muur
van een stenen kerkje te spijkeren, maar toch
propten we hem tussen de kaften van een zwart boek.
Desondanks keek men naar ons.
Mijn hoge jukbeenderen, mijn schedellengte
trok hen aan, als naar een zeldzaam portret
van een dode meester. Ik zag hen staren
uit hun lange auto’s, als mijn buste langs kwam
tussen ooien en hamels. Ik zag hen staan
bij de doornhagen, als ik de verre kudden
bijeen dreef met een schelle fluittoon.
En altijd waren daar hun ogen; ik voelde
de sterke druk: Je bent Welsh, zeiden ze;
spreek ons zo aan; houd jouw land vrij
van benzinegeur, van het luide gebrul
van hete tractoren. Vrede
willen we, en rust.
Is een museum
vrede, vroeg ik. Ben ik de hoeder
van de relieken van het hart, iemand die de stof
in zijn eigen ogen blaast? Ik ben een man;
ik heb nooit de taaie rol gewild die het leven
me toebedeelde, een acteur die speelde
voor een publiek van vroeger op een toneel
van aarde en steen; het absurde etiket
van afkomst, van ras, dat scheef
over mijn schouders hangt. Ik was gekerkerd
totdat jij kwam; jouw stem was een sleutel
die draaide in het reusachtige slot
van de uitzichtloosheid. Ging de deur open
om mij eruit of jou erin te laten?
[Een paar verbeteringen aangebracht op 12 februari 2016]
Oorspronkelijk gedicht:
A Welsh Testament
All right, I was Welsh. Does it matter?
I spoke a tongue that was passed on
To me in the place I happened to be,
A place huddled between grey walls
Of cloud for at least half the year.
My word for heaven was not yours.
The word for hell had a sharp edge
Put on it by the hand of the wind
Honing, honing with a shrill sound
Day and night. Nothing that Glyn Dwr
Knew was armour against the rain’s
Missiles. What was descent from him?
Even God had a Welsh name:
We spoke to him in the old language;
He was to have a peculiar care
For the Welsh people. History showed us
He was too big to be nailed to the wall
Of a stone chapel, yet still we crammed him
Between the boards of a black book.
Yet men sought us despite this.
My high cheek-bones, my length of skull
Drew them as to a rare portrait
By a dead master. I saw them stare
From their long cars, as I passed knee-deep
In ewes and wethers. I saw them stand
By the thorn hedges, watching me string
The far flocks on a shrill whistle.
And always there was their eyes; strong
Pressure on me: You are Welsh, they said;
Speak to us so; keep your fields free
Of the smell of petrol, the loud roar
Of hot tractors; we must have peace
And quietness.
Is a museum
Peace? I asked. Am I the keeper
Of the heart’s relics, blowing the dust
In my own eyes? I am a man;
I never wanted the drab role
Life assigned me, an actor playing
To the past’s audience upon a stage
Of earth and stone; the absurd label
Of birth, of race hanging askew
About my shoulders. I was in prison
Until you came; your voice was a key
Turning in the enormous lock
Of hopelessness. Did the door open
To let me out or yourselves in?
Het korte gedicht De dans van R.S. Thomas behoeft weinig toelichting. Het roept op een geresigneerde manier het verlangen op naar de verloren jeugd van een oude man. Het is een treffend gedicht, vind ik, al is het verre van triviaal. Het is vooral een intens en lyrisch gedicht, zonder de sentimentaliteit waardoor voor mijn gevoel vrij veel populaire liedjes en gedichten worden ontsierd.
Het rijm jaren/haren was tijdens het vertalen onopzettelijk ontstaan. Ik heb het gehandhaafd; het stoort zeker niet, en geeft misschien zelfs iets van de spanning terug die onvermijdelijk wegebt in elke poëzievertaling.
Het oorspronkelijke gedicht is te vinden in Collected poems, 1945-1990. Zie hier.
Een interessant interview met de dichter is hier te vinden.
Vertaling:
De dans
Ze is jong. Heb ik het recht
Haar naam maar te noemen? Kind,
Het is geen liefde die ik bied
Aan jouw soepele leden, jouw ogen;
Slechts de dorre hulde
Van een oude man die door de tijd
Wordt gekruisigd. Neem in de dans
Voor even mijn hand,
Negeer zijn steelse druk,
De schrale hunkering van de jaren,
En leid me onder het jonge loof
Van de onschuld. Laat mij mijn jeugd
Opnieuw ruiken in jouw haren.
Oorspronkelijk gedicht:
The Dance
She is young. Have I the right
Even to name her? Child,
It is not love I offer
Your quick limbs, your eyes;
Only the barren homage
Of an old man whom time
Crucifies. Take my hand
A moment in the dance,
Ignoring its sly pressure,
The dry rut of age,
And lead me under the boughs
Of innocence. Let me smell
My youth again in your hair.
Auden was nog maar kort in Amerika toen William Butler Yeats (1939) overleed. Hij schreef een In Memoriam-gedicht dat later nog wat werd uitgebreid, en nog weer later werd besnoeid, en dat uiteindelijk heel beroemd is geworden, vooral door de regel: For poetry makes nothing happen, waarmee, zoals vaak beweerd wordt, een generatie afscheid nam van zijn intellectuele pretenties en politieke illusies.1
De strofen 2 t/m 4 van deel III werden door Auden later geschrapt, vooral omdat hij af wilde van de niet al te eerbiedige strofe waarin Kipling en Claudel worden genoemd. Ze zijn hier wel vertaald – de Kipling/Claudel-strofe eveneens wat oneerbiedig, zij het misschien ook een beetje vrij. Deze strofen zijn op deze website tussen vierkante haken geplaatst, zowel in de vertaling als in het origineel.
Deel III heeft verder eerder een eerbiedige dan een oneerbiedige klank. De dichter wordt voortdurend aangespoord om te loven en te danken en te prijzen. Onwillekeurig moet je denken aan de woorden die Christopher Isherwood in 1937 over hun samenwerking sprak:
“when we collaborate, I have to keep a sharp eye on him – or down flop the characters on their knees . . .: another constant danger is that of choral interruptions by angel-voices. If Auden had his way, he would turn every play into a cross between grand opera and high mass.”
Hier kunt u Auden beluisteren die het gedicht voordraagt.
En hieronder kunt u de geluidsopname van de vertaling beluisteren. De stem is die van de vertaler – van mijzelf dus.
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling:
In Memoriam William Butler Yeats
I
Hij ging heen in het holst van de winter: Beekjes bevroren, luchthavens vrijwel verlaten, Standbeelden misvormd door de sneeuw; Het kwik daalde in de keel van de stervende dag. Al onze instrumenten zijn het eens: De dag van zijn dood was donker en koud.
Ver van zijn ziekbed Draafden wolven door eeuwig groene bossen, Het kreekje negeerde de hippe boulevards; Volgens klaagzangers Liet de dood van de dichter zijn gedichten met rust.
Maar voor hem was het de laatste middag als zichzelf, Een middag met zusters en fluisterpraat; De gewesten van zijn lichaam lagen dwars, De pleinen van zijn geest waren leeg, Stilte daalde neer in de buitenwijken, Zijn gevoelsstroom stokte; hij werd zijn bewonderaars.
Hij ligt verstrooid over zo’n honderd steden, En is is overgeleverd aan bijval van vreemden, Moet z’n geluk vinden in een andersoortig landschap, Wordt afgemeten aan een uitheemse moraal. De woorden van een dode Worden omgevormd in de darmen van de levenden.
Maar in al het gedoe en het tumult van morgen, Als handelaars op de beurs weer zullen brullen als beesten, En armen de moeiten verduren waaraan ze haast al gewend zijn, En ieder in de cocon van het ik meent zeker te zijn van zijn vrijheid, Zullen een paar duizend terugzien op deze dag Zoals je terugziet op een dag waarop je iets hoogst ongewoons deed. Al onze instrumenten zijn het eens: De dag van zijn dood was donker en koud.
II
Je doolde als wij; je begaafdheid was sterker: Congregaties van rijke vrouwen, fysieke aftakeling, Jouzelf. Het dwaze Ierland pijnigde je tot poëzie. Ierland heeft haar dwaasheid en klimaat nog steeds; Dichtkunst schept geen daden: zij springt tevoorschijn In het moeras waar zij gemaakt wordt, waar makers Streng zijn, stroomt dan zuidwaards, Weg van de hoven der eenzaamheid, het drukke gezeur, Achterlijke stadjes waarin we geloven en sterven; zij schiet over, zij gebeurt gewoon, een mond.
III
Aarde, opent nu met ere, Opdat Yeats kan wederkeren. Laat het Ierse vat verzinken, Verzen zijn al uitgeschonken.
Tijd die nimmer tolereert Wat kwetsbaar is, en zich afkeert In een oogwenk of een uur Jegens menig mooi figuur,
Aanbidt de taal en zij vergeeft Iedereen door wie zij leeft; Aanvaardt ook angst en wankelmoed, Legt eerbewijzen aan hun voet.
Zodoende schonk de Tijd terecht Aan Kipling ooit genâ voor recht, En schonk ook aan Claudel genâ, Genâ voor brille en blabla.
In de angstdroom van het donker Blaffen alle bange honden, Elke Europese natie-staat Ligt gekluisterd in zijn haat.
Het intellectueel echec Schendt elk gelaat en elk gesprek, En in ieders oog verloren Ligt het meelij vastgevroren.
Ga nu, dichter, ga op jacht Naar de bodem van de nacht, Laat je stem ons blijvend wijzen Op de noodzaak om te prijzen.
Verzen kweken, verzen snoeien, Laat in vloek een wijngaard groeien, Zing van falen, doem en dood In vervoering van uw nood.
Geef de heilfontein een start, In woestijnen van het hart; Aan zijn dagen vastgeklonken, Leer de vrije mens te danken.
He disappeared in the dead of winter:
The brooks were frozen, the airports almost deserted,
The snow disfigured the public statues;
The mercury sank in the mouth of the dying day.
What instruments we have agree
The day of his death was a dark cold day.
Far from his illness
The wolves ran on through the evergreen forests,
The peasant river was untempted by the fashionable quays;
By mourning tongues
The death of the poet was kept from his poems.
But for him it was his last afternoon as himself,
An afternoon of nurses and rumours;
The provinces of his body revolted,
The squares of his mind were empty,
Silence invaded the suburbs,
The current of his feeling failed; he became his admirers.
Now he is scattered among a hundred cities
And wholly given over to unfamiliar affections,
To find his happiness in another kind of wood
And be punished under a foreign code of conscience.
The words of a dead man
Are modified in the guts of the living.
But in the importance and noise of to-morrow
When the brokers are roaring like beasts on the floor of the Bourse,
And the poor have the sufferings to which they are fairly accustomed,
And each in the cell of himself is almost convinced of his freedom,
A few thousand will think of this day
As one thinks of a day when one did something slightly unusual.
What instruments we have agree
The day of his death was a dark cold day.
II
You were silly like us; your gift survived it all:
The parish of rich women, physical decay,
Yourself. Mad Ireland hurt you into poetry.
Now Ireland has her madness and her weather still,
For poetry makes nothing happen: it survives
In the valley of its making where executives
Would never want to tamper, flows on south
From ranches of isolation and the busy griefs,
Raw towns that we believe and die in; it survives,
A way of happening, a mouth.
III
Earth, receive an honoured guest:
William Yeats is laid to rest.
Let the Irish vessel lie
Emptied of its poetry.
[Time that is intolerant
Of the brave and the innocent,
And indifferent in a week
To a beautiful physique,]
[Worships language and forgives
Everyone by whom it lives;
Pardons cowardice, conceit,
Lays its honours at their feet.]
[Time that with this strange excuse
Pardoned Kipling and his views,
And will pardon Paul Claudel,
Pardons him for writing well.]
In the nightmare of the dark
All the dogs of Europe bark,
And the living nations wait,
Each sequestered in its hate;
Intellectual disgrace
Stares from every human face,
And the seas of pity lie
Locked and frozen in each eye.
Follow, poet, follow right
To the bottom of the night,
With your unconstraining voice
Still persuade us to rejoice.
With the farming of a verse
Make a vineyard of the curse,
Sing of human unsuccess
In a rapture of distress.
In the deserts of the heart
Let the healing fountains start,
In the prison of his days
Teach the free man how to praise.
Terzijde: als deze bewering juist is, als dit afscheid inderdaad zou hebben plaatsgevonden, als de intellectuelen hun pretenties en illusies daadwerkelijk zouden hebben afgezworen, zou dat een gebeurtenis van belang zijn, met als paradoxaal gevolg dat een versregel die stelt dat verzen geen gebeurtenissen scheppen, een gebeurtenis van belang heeft geschapen. Maar misschien is het verwerpen van een eerder gekoesterde dwaling niet een gebeurtenis in de hier bedoelde zin des woords. En of de intellectuelen hun pretenties en illusies daadwerkelijk massaal hebben afgezworen, kan op goede gronden worden betwijfeld. ↩
Eind jaren tachtig had ik een tijdelijk baantje. Ik werd, samen met een paar andere Wageningse studenten, uitgezonden om een vuilstortplaats aan te leggen in de directe nabijheid van het Noordzeekanaal. Het was een enorm weiland van, misschien, een kilometer bij een halve kilometer. Als we ‘s-morgens aankwamen stoven de fazanten links en rechts voor ons busje weg. We logeerden in een goedkoop hotel in Wijk aan Zee, verdienden ongeveer tien gulden per uur en kregen dagelijks vijfentwintig gulden om van te eten en goedkope whisky’s te drinken (Ballantine’s), onder het genot waarvan wij the people, the world and the universe bespraken.
We moesten in de breedte van het, met een aarden wal omsloten en van rechte geulen voorziene weiland lange stroken zwart kunststof uitrollen en vervolgens aan elkaar lassen. Dat lassen deden we met een speciaal laswagentje, en wel op zo’n manier dat er een luchtbaan in de las terecht kwam. In die luchtbaan moest de opgevoerde druk enige tijd in stand kunnen blijven, ten teken dat er geen lekkages in de las zaten. Zo’n las duurde wel een uur. Het was de bedoeling dat het gehele weiland zodoende werd bedekt met een ondoordringbare laag kunststof.
Een van mijn collega-uitzendkrachten die al ruim in de dertig was, een niet-westerse socioloog wiens carrière maar niet van de grond kwam, opende op zeker moment zijn mond, terwijl we samen ieder een laswagentje traag voortduwden, midden in de nietigmakende weidsheid van het gaandeweg geplastificeerde Noord-Hollandse landschap, met op de achtergrond een reusachtig cruiseschip dat magistraal door de weilanden schoof, en hij citeerde vloeiend de compromisloze openingswoorden van de roman A Bend in the River:
The world is what it is; men who are nothing, who allow themselves to become nothing, have no place in it.
De romanschrijver is V.S. Naipaul. Naipaul’s biograaf, Patrick French, heeft er de titel van zijn biografie aan ontleend.
Op 11 augustus 2014 overleed de grote Belgische schrijver en sinoloog Pierre Ryckmans, alias Simon Leys, geboren in 1935, op 78-jarige leeftijd in Sydney.
Hij schreef het mooiste, scherpste en waarachtigste proza dat er na de Tweede Wereldoorlog geschreven is. Hij heeft meer gedaan dan wie ook om een eind te maken aan de westerse gevoeligheid (die ongeveer duurde van 1960-1985) voor de totalitaire, communistische verleiding.
Theodore Dalrymple, pseud. van Anthony M. Daniels, schreef op 13 augustus 2014 als openingszin van een kort In Memoriam:
“If fame were the reward of merit alone, Pierre Ryckmans, who wrote under the name of Simon Leys and has just died in Canberra aged 78, would have been one of the most famous men in the world.“[1]
Zijn bekendste werk, essays die een démasqué van het Chinese communisme behelzen, schreef hij onder het pseudoniem Simon Leys: Les habits neufs du président Mao (De nieuwe kleren van Voorzitter Mao), in 1971, en Ombres Chinoises (Chinese schimmen), in 1974.
Hij gaf met zijn boek Chinese schimmen een krachtige impuls aan wat bekend staat als ‘Het China-debat’, een debat over de waarde van de maoïstische revolutie voor China en de wereld, waaraan in Nederland onder anderen W.F. Wertheim, Rudy Kousbroek, Renate Rubinstein, Anja Meulenbelt en Martin van Amerongen meededen. Hij schreef zijn enige roman La mort de Napoléon (De dood van Napoleon) in 1986. Hij publiceerde de door hem vertaalde Analects of Confucius (Uitspraken van Confucius) in 1997. Zijn mooiste en veelzijdigste essaybundel is misschien wel zijn laatste: The Hall of Uselessness, uit 2011. Hij was een bewonderaar van G.K. Chesterton, Emile Cioran, C.S. Lewis en George Orwell. Hij ontving belangrijke prijzen in het Franse en Engelse taalgebied.
U heeft misschien nog nooit van hem gehoord. Geen Nederlandse krant heeft ter gelegenheid van zijn overlijden uitgebreid aandacht aan zijn leven en werk besteed. Ons Erfdeel, het belangrijkste Vlaams-Nederlandse culturele tijdschrift, heeft wel een mooi levensbericht gepubliceerd. Frans was zijn moedertaal. Hij schreef ook rechtstreeks in het Engels.
Hij was een geleerde, een essayist, een humoristisch schrijver, een romanschrijver, een kalligraaf, een vertaler, een literair criticus, een illustrator, een cartoonist. Hij was katholiek, maar geen kwezel. Hij had een Taiwanese vrouw en was vader van vier kinderen. Hij woonde en werkte van 1970 tot zijn dood in Australië.
Voetnoten 1. Anders dan Dalrymple zegt, stierf Ryckmans niet in Canberra, maar in Sydney. Zie ook de bewerkingssamenvatting van deze bewerking aan het Engelse Wikipedia-artikel. 2. Google Books geeft bij dit boek geen paginanummers. Zoeken op “Ryckmans”. Zie ook hier.
Heel zacht ging ik haar kamer binnen;
Zij lag op bed met opgetrokken been…
Maar toen ik over liefde wou beginnen,
Bevroor mijn tong, en werd mijn hart van steen.