Auteursarchief: Arie Sonneveld

Onbekend's avatar

Over Arie Sonneveld

In 1964 ben ik geboren in Berkel en Rodenrijs. In Wageningen studeerde ik tussen 1982 en 1989 Moleculaire Wetenschappen. Van 1994 tot 2000 werkte ik als leidinggevende bij academische boekhandels in Utrecht en Leiden en van 2000 tot 2008 als afdelingshoofd bij de Leidse universiteitsbibliotheek. Sindsdien werk ik als zelfstandig redacteur en vertaler. In 2014 was ik actief als Wikipedian-in-Residence voor zes speciale en wetenschappelijke bibliotheken. Van 2008 tot en met 2014 ben ik in mijn vrije tijd werkzaam geweest als Wikipedia-redacteur onder het van Kurt Tucholsky geleende pseudoniem Theobald Tiger. Ik lees graag gedichten, aforismen en essays.

Vertaalmachine

Vertaalmachines vertalen niet;
vertaalmachines converteren
(dacht ik tot op heden).

Wat is Google Translate, de bekendste vertaalmachine, toch een zegen voor de mensheid. Geniet ervan!

Dat wil in dit geval zeggen: juicht en jubelt als de leeuwerik, en houd uw geloof in de “letterlijke vertaling” levend – hoewel omhoog op turf of baars of slechte lage podium“!

Wat volgt is een ready made, een verlaat surrealistisch procédé, een vorm van écriture automatique:

De Caged Skylark

Als een durf-gale Skylark scanted in een saaie kooi,
Man’s montage geest in zijn been, huis, bedoel huis, woont –
Die vogel voorbij het herinneren van zijn vrije Fells;
Dit in somberheid, leeftijd dag-werkende-out van het leven.

Hoewel omhoog op turf of baars of slechte lage podium
Zowel zingen Soms is de liefste, zoetste spreuken,
Maar beide hangen dodelijk soms in hun cellen
Of wringen hun barrières in uitbarstingen van angst of woede.

Niet dat de zoete-gevogelte, zang-gevogelte, heeft geen rust –
Waarom, hoor hem, hem horen brabbelen & drop naar zijn nest,
Maar zijn eigen nest, wild nest, geen gevangenis.

Man’s geest zal vlees-gebonden, toen in het beste gevonden worden,
Maar uncumberèd: weide-down is niet bedroefd
Voor een regenboog footing, noch dat hij voor zijn botten gestegen.

Het hieronder afgedrukte vers van Gerard Manley Hopkins is de inspiratiebron van bovenstaande fascinerende woordstapelingen:

The Caged Skylark

As a dare-gale skylark scanted in a dull cage,
Man’s mounting spirit in his bone-house, mean house, dwells —
That bird beyond the remembering his free fells;
This in drudgery, day-labouring-out life’s age.

Though aloft on turf or perch or poor low stage
Both sing sometímes the sweetest, sweetest spells,
Yet both droop deadly sómetimes in their cells
Or wring their barriers in bursts of fear or rage.

Not that the sweet-fowl, song-fowl, needs no rest —
Why, hear him, hear him babble & drop down to his nest,
But his own nest, wild nest, no prison.

Man’s spirit will be flesh-bound, when found at best,
But uncumberèd: meadow-down is not distressed
For a rainbow footing it nor he for his bónes rísen.

Ik heb altijd beweerd dat vertaalmachines niet vertalen maar converteren. Volgens een bepaald algoritme worden woorden en zinnen van een brontaal geconverteerd naar woorden en zinnen van een doeltaal. Daar zitten uiteraard allemaal problemen aan vast die nog niet bevredigend zijn opgelost. Maar soms kan een machinevertaling helpen om een website in een vreemde taal althans enigszins te begrijpen.

Machinevertalingen zijn echter nooit behulpzaam bij het maken van echte vertalingen, vertalingen die de semantische eigenschappen en relevante klankaspecten van de oorspronkelijke tekst getrouw weergeven. Het kost meer tijd om een corrupte vertaling op te kalefateren dan om helemaal overnieuw te beginnen. Het is veel beter, en ook veel eenvoudiger, om from scratch een goede vertaling te maken, ongehinderd door voorafgaand gebroddel.

Maar, zo blijkt nu, converteren kunnen vertaalmachines eigenlijk ook niet goed.

Een Caged Skylark is altijd en overal, linksom of rechtsom, letterlijk of figuurlijk, bovendien volmaakt in overeenstemming met de primaire woordbetekenissen, dus zonder ook maar een ogenblik acht te slaan op de context, een gekooide veldleeuwerik.

Een dergelijke omzetting moet zelfs een machine, zou je haast denken, voor elkaar kunnen krijgen. En Google is – als ik het geronk over deze onderneming mag geloven – bepaald niet de geringste onder de softwareontwikkelaars.

Bovenstaand bericht werd gepost in 2016. Inmiddels luidt het gedicht in machinevertaling:

De gekooide veldleeuwerik

Zoals een stormachtige leeuwerik in een saaie kooi scharrelde,
De stijgende geest van de mens in zijn bottenhuis, gemene huis, woont –
Die vogel kan zich zijn vrije heuvels niet herinneren;
Dit in een sleur, een alledaags leven.

Hoewel omhoog op gras of baars of slecht laag podium
Beiden zingen soms de liefste, liefste spreuken,
Toch hangen beide dodelijke sómetimes in hun cellen
Of hun barrières wegwringen in uitbarstingen van angst of woede.

Niet dat het zoete gevogelte, het zangvogel, geen rust nodig heeft –
Wel, hoor hem, hoor hem brabbelen en val naar zijn nest,
Maar zijn eigen nest, wild nest, geen gevangenis.

De geest van de mens zal vleesgebonden zijn, wanneer hij op zijn best wordt gevonden,
Maar ongetwijfeld: weiland is niet bedroefd
Voor een regenboog die erop staat, noch hij voor zijn bónes rísen.

Het is duidelijk dat Google Translate niet met accenten op woorden overweg kan. Een vertaling van het oorspronkelijke gedicht is het natuurlijk nog absoluut niet, maar er is al duidelijk iets van verbetering zichtbaar, bijvoorbeeld de letterlijke en in dit geval correcte vertaling van de titel: ‘Gekooide veldleeuwerik’ (12 januari 2021).

En dit is de Deepl-vertaling van 25 november 2024 luidt:

De gekooide veldleeuwerik

Als een waaghalzige veldleeuwerik in een saaie kooi,
woont de geest van de mens in zijn bottenhuis, een gemeen huis…
Die vogel voorbij het herinneren van zijn vrije vallen;
Dit in sleur, dag-arbeid-out van de leeftijd van het leven.

Hoewel hoog op gras of baars of arm laag podium
Beiden zingen soms de zoetste, zoetste spreuken,
Toch hangen beiden soms dodelijk in hun cellen
Of wringen hun barrières in uitbarstingen van angst of woede.

Niet dat de zoete vogel, zang vogel, geen rust nodig heeft –
Waarom, hoor hem, hoor hem babbelen & neervallen in zijn nest,
Maar zijn eigen nest, wild nest, geen gevangenis.

De geest van de mens zal vleesgebonden zijn, als hij op zijn best gevonden wordt,
Maar onbezwaard: weide-neer is niet bedroefd
Voor een regenboogvoet noch hij voor zijn bónes rísen.

Is ‘Het geloof der kameraden’ een satire?

In 2008 werd ik Wikipedia-redacteur. Dat betekende vrijwilligerswerk. De aanleiding was ergernis over de negatieve strekking  van het artikel over de historicus A.Th. van Deursen.

Een belangrijke informant van de eenzijdige kijk op Van Deursen op Wikipedia was Wim Berkelaar, een historicus die onder andere soms gedegen en interessante artikelen publiceert over het Nederlandse protestantisme. Deze had Van Deursen in een bijdrage aan de Academische Boekengids  (nr. 58, sept. 2006, p. 9-12) “een fundamentalist” genoemd. Nu is het niet eerlijk Berkelaar te verwijten wat anderen met zijn beweringen doen. Hoewel Van Deursen een zeer beschaafde persoon was, die zich – voor zover mij bekend – nimmer heeft misdragen, noch in werkelijkheid, noch in woord of geschrift, had Berkelaar natuurlijk gelijk dat Van Deursen in alle opzichten een steile protestant was. Maar de conclusie die het Wikipedia-artikel trok in de paragraaf Polemist voor eigen parochie (ook de paragraaftitel was ontleend aan het stuk van Berkelaar) voordat ik mijn bewerkingen deed, namelijk dat Van Deursen een nauwelijks serieus te nemen historicus was, kon ik toch niet accepteren.

Op 27 september 2015 kwam ik Berkelaar opnieuw tegen. Dit keer schreef hij een stuk over de kort daarvoor overleden schrijver Ger Verrips. En opnieuw ergerde ik mij, nu omdat hij over Het geloof der kameraden van de atheïst Karel van het Reve (diens afrekening met de marxistisch-leninistische wereldbeschouwing) zei, dat het “een roemruchte satire” was. Dat Van het Reve op een paar plaatsen in zijn boek laat merken dat hij een bepaalde redenering niet serieus kan nemen, betekent natuurlijk nog niet dat het essay een “satire” genoemd kan worden.

Een goede necrologie over Van Deursen is hier te vinden. De auteur is Jan Dirk Snel, de titel is ‘Arie Theodorus van Deursen (1931-2011)’, en het verscheen in het Historisch Nieuwsblad van 21 november 2011.

PS Mijn bijdragen aan het Van Deursen-artikel op Wikipedia (enkele terechte correcties in deze bijdragen zijn door andere redacteuren aangebracht; raadpleeg voor details de geschiedenis-pagina) waren weliswaar goed gefundeerd, maar voldeden eigenlijk niet aan de Wikipedia-richtlijnen. Origineel onderzoek was en is namelijk niet toegestaan. Wat in een Wikipedia-artikel terecht komt, dient eerst in gezaghebbende en raadpleegbare publicaties te zijn verschenen, en ook een nieuwe synthese op basis van allerhande bronnen, bijvoorbeeld journalistieke, is eigenlijk niet comme il faut. Aan dat laatste had ik me bezondigd.

Katten – Baudelaire

De Franse dichter Charles Baudelaire (1821-1867) schreef prachtige gedichten, onder andere in zijn beroemdste bundel Les Fleurs du mal  (1857) – De Bloemen van het kwaad.

Zijn werk heeft kenmerken van romantiek en decadentie. Baudelaire is een van de dichters die werd opgenomen in de door Paul Verlaine samengestelde bloemlezing Les poètes maudits (1884).

Het gedicht behoeft weinig toelichting. Het gaat over de liefde die de eenzame mens – dat wil hier zeggen: de mens die zich wijdt aan hartstochten die het grote publiek vreemd zijn – voelt voor de kat die, net als hijzelf, gewoon zijn gang gaat, in zijn nachtelijke onderzoekingen, in zijn liefdesleven, en die daarbij geen applaus nodig heeft. De kat wordt wel als een symbool van wellust beschouwd.

Het lijkt een heel onschuldig gedicht. Toch sprak Baudelaire van ‘De Bloemen van het kwaad’. Dat er kwaad zou kunnen schuilen in dit gedicht, is voor ons moderne besef misschien moeilijk na te voelen. Je kunt het alleen begrijpen, denk ik, als je beseft hoezeer Baudelaire destijds afweek van een manier van denken die meer op de gemeenschap was gericht dan op het individu.

De gelijke behandeling die de lichamelijke liefde en de geleerdheid – wellust en wetenschap – ten deel vallen, zal in de 19e eeuw mogelijk wel als enigszins schokkend zijn ervaren. Misschien voor sommige lezers nog steeds wel, al zullen zulke lezers tegenwoordig eerder de uitzondering dan de regel vormen.

Erebos is de god van de duisternis, een van de Griekse oergoden, een directe nakomeling van Chaos.

Het gedicht is een een sonnet, geschreven in niet altijd regelmatige, maar wel een ritmisch mooi lopende jambische zesvoet, die soms de vorm aanneemt van de Franse alexandrijn (met een cesuur, een ‘pauze’, tussen  de eerste zes en de laatste zes of zeven lettergrepen). Ik heb dat metrum zo goed mogelijk nagevolgd, soms met een extra lettergreep.

Ik heb een paar keer een halfrijm toegepast waar in het origineel een volrijm werd gebruikt.

Een aantal Engelse vertalingen van dit gedicht, kunt u hier raadplegen.

Voorafgaand aan de vertaling zelf, kunt u hieronder eerst een geluidsopname van de vertaling beluisteren. Ik heb deze opname zelf ingesproken.

Vertaling:

Katten

Alle vurige minnaars en strenge geleerden,
ze houden steeds, ook bij het klimmen der jaren,
van katten, de trots van het huis, ferme aaibare
dieren, altijd honkvast, net als zij zich beheersend.

Verknocht aan wellust en aan wetenschap,
kunnen ze zwarte huiver en stilte verdragen;
Erebos wou hen spannen voor zijn dodenwagens;
hun trots bleek echter een te grote handicap.

Ze menen, met hun adellijk air, sfinxen te zijn,
die lijken te slapen in een droom zonder eind,
zich plooiend in de ruimte van een eenzame nacht;

hun vruchtbare lendenen zijn vol magische vonken,
spikkels van goud, ragfijne korreltjes zand, die zacht
hun mystieke pupillen als sterren doen flonkeren.

Origineel:

Les Chats

Les amoureux fervents et les savants austères
Aiment également, dans leur mûre saison,
Les chats puissants et doux, orgueil de la maison,
Qui comme eux sont frileux et comme eux sédentaires.

Amis de la science et de la volupté,
Ils cherchent le silence et l’horreur des ténèbres;
L’Érèbe les eût pris pour ses coursiers funèbres,
S’ils pouvaient au servage incliner leur fierté.

Ils prennent en songeant les nobles attitudes
Des grands sphinx allongés au fond des solitudes,
Qui semblent s’endormir dans un rêve sans fin;

Leurs reins féconds sont pleins d’étincelles magiques,
Et des parcelles d’or, ainsi qu’un sable fin,
Etoilent vaguement leurs prunelles mystiques.

Binnen – R.S. Thomas

r.-s.-thomas-4da1a5eab4f6b_360x225
R.S. Thomas

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilderes Mildred Eldridge (1909-1991).

R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).

Een aardig artikel over Thomas’ leven en werk is van de hand van Theodore DalrympleA Man Out of Time.

Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.

Dit gedicht van Ronald Stuart Thomas behoeft weinig toelichting. Het begint vrij plotseling, alsof Thomas reageert op een verwijt, bijvoorbeeld dat zijn voortdurende gewandel in de natuur om vogels waar te nemen en te mijmeren, een manier was om te ontsnappen aan zijn eigenlijke taak als predikant en priester.

Het gedicht verscheen in het tijdschrift Poetry, in mei 1962. Het is postuum opgenomen in de Uncollected Poems.

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

——————————————————————————————————————————-

Vertaling:

Binnen

’t Was makkelijker om met jou te belanden
in het veld, waar vogels geen eisen stellen
aan mijn gebrekkige kennis, bloemen uitbotten
met geen ander idee dan het verkondigen van God.

Inwendig bleef ik tobben met de oude
problemen: als ik was verkwikt
door het bijbelwoord, stond ik oog in oog
met gewichtige priesters, hun misprijzende blik.

Origineel:

Indoors

It was easier to come out with you
Into the fields, where birds made no claim
On my poor knowledge and flowers grew
With no thought but to declare God.

Within I had the old problems
To cope with: turning from the Book’s
Comfortable words, I came face to face
With the proud priests and their intolerant look.

Ovidius in het Derde Rijk – Geoffrey Hill

De Engelse dichter Geoffrey Hill (1932-2016) schreef als openingsvers van zijn bundel King Log (1986) het gedicht Ovid in The Third Reich.

Het gedicht laat Ovidius, auteur van de Amores, aan het woord in Hitlers Derde Rijk. Er ontstaat onvermijdelijk een sterke spanning tussen de zoektocht naar artistieke verfijning en de morele verschrikkingen tussen welke die zoektocht plaats vindt.

Wir haben es nicht gewusst, kan niet dienen als wapen op de plaatsen waar het bloed rijkelijk vloeit.

Kunnen de mooie praatjes – ik heb geleerd niet neer te zien op de verdoemden – dat wel?

En wat had Ovidius dan moeten zeggen?

De immorele strekking van het Ovidius-citaat (waaruit blijkt dat Ovidius zeer goed besefte wat moreel was) werpt een schel licht op de vredigheid en de gemoedsrust waaraan hij in dit gedicht, zoals zovelen die leefden tijdens de veronderstelde verwezenlijking van het Derde Rijk en wisten te overleven, zo sterk lijkt te hechten.

Vertaling:

Ovidius in het Derde Rijk

non peccat, quaecumque potest peccasse negare,
solaque famosam culpa professa facit.

[Wie zijn zonden weet te loochenen, zondigde niet;
het is slechts de schuldbelijdenis die schande brengt.]

Amores, III, xiv

Ik heb mijn werk en mijn kinderen lief. God
Is veraf, moeilijk. De wereld gaat door.
Te dicht bij de aloude goten met bloed
Is onschuld geen aards wapen meer.

Een ding heb ik geleerd: niet te gauw neerzien
Op de verdoemden. Zij vertonen, binnen hun sfeer,
Een vreemde harmonie met de liefde
Gods. Ik prijs, binnen de mijne, het liefdeskoor.

Origineel:

Ovid In The Third Reich

non peccat, quaecumque potest peccasse negare,
solaque famosam culpa professa facit.

Amores, III, xiv

I love my work and my children. God
Is distant, difficult. Things happen.
Too near the ancient troughs of blood
Innocence is no earthly weapon.

I have learned one thing: not to look down
So much upon the damned. They, in their sphere,
Harmonize strangely with the divine
Love. I, in mine, celebrate the love-choir.

Hier vindt u een vertaling van het gedicht door Peter Nijmeijer.1

Hier vindt u een bespreking van het gedicht (een van de vele).2

 


  1. Vlaanderen, jrg.46 (1997), p.227. 
  2.  E.M. Knottenbelt, Passionate Intelligence: The Poetry of Geoffrey Hill, Amsterdam/Atlanta GA: Editions Rodopi B.V. 1990, p.104 e.v. 

Het bevatten van de werkelijkheid

In een lezing voor de Chesterton Society, gaf de Belgische schrijver en sinoloog Simon Leys (pseudoniem van Pierre Ryckmans) een definitie van poëzie die niet alleen veel misverstanden kan wegnemen, maar tevens helder maakt waar het in de dichtkunst om gaat.

“But what is poetry? It is not merely a literary form made of rhythmic and rhyming lines – though Chesterton also wrote (and wrote memorably) a lot of these. Poetry is something much more essential. Poetry is grasping reality, making an inventory of the visible world, giving names to all creatures, naming what is. Thus, for Chesterton, one of the greatest poems ever written was, in Robinson Crusoe, simply the list of things that Robinson salvaged from the wreck of his ship: two guns, one axe, three cutlasses, one saw, three Dutch cheeses, five pieces of dried goat flesh… Poetry is our vital link with the outside world – the lifeline on which our very survival depends – and therefore also, in some circumstances, it can also become the ultimate safeguard of our mental sanity.”

Chesterton is uiteraard G.K. Chesterton of voluit:  Gilbert Keith Chesterton.

De lezing van Leys is opgenomen in diens laatste essaybundel The Hall of Uselessness: Collected Essays, New York, NY: New York Review Books 2013.

Gods kleine berg – Geoffrey Hill

Geoffrey Hill in 1986
Geoffrey Hill (fotograaf: Christopher Barker, 1986)

De Engelse dichter Geoffrey Hill  (1932-2016) is op 30 juni 2016 overleden. Hij is in Nederland onbekend, maar wordt beschouwd als een belangrijk dichter in het Engelse taalgebied. Een biografische schets van Hill vindt u op de website van Poetry Foundation.1

De titel van het gedicht, Gods kleine berg, verwijst naar God’s Little Mountain, een heuvel die een rol speelt in de roman Gone to Earth (1917) van de schrijfster Mary Webb (1881-1927). De titel is tevens een toespeling op de achternaam Hill. Omdat religieuze, mystieke voorstellingen in dit vers een rol spelen, ligt het voor de hand om ook aan een toespeling op de berg Sinaï te denken, temeer omdat Mozes iemand was die geen woorden beschikbaar had totdat God hem beloofde woorden in de mond te leggen.

In het gedicht wordt een mystieke natuurervaring beschreven waarvoor de dichter geen woorden vinden kan of toebedeeld krijgt, maar die paradoxalerwijze toch tot uitdrukking wordt gebracht volgens beproefd dichterlijk concept. De dichter was toen hij dit schreef (1952) nog maar twintig jaar oud.

Een bespreking van Geoffrey Hill’s poëtische, filosofische, literaire, christelijke, mystieke en culturele bekommernissen vindt u in een essay van de Anglo-Australische dichter Kevin Hart.2 Lezenswaardig is ook een beknopte necrologie in The New Criterion van David Yezzi: Verse in Perfect Pitch.3

Hier kunt u een interview met de dichter beluisteren.

Een goed interview met de dichter is: Geoffrey Hill: ‘poetry should be shocking and surprising’.1

Het gedicht bestaat uit vier kwatrijnen met zinnen van hoge intensiteit. Het rijm binnen de kwatrijnen is halfrijm.

De steen in de slotzin verwijst – denk ik – naar een versteende tong.

Charles Williams (zie de foto waar Geoffrey Hill bij zijn graf staat) was één van de Inklings, een literaire vriendengroep waartoe onder anderen ook C.S. Lewis en J.R.R. Tolkien behoorden.

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling:

Gods kleine berg

Het riviertje beneden klauterde als een geit
Die stenen los trapt. De berg stampte met zijn voet,
Trillend, als in trance. En watten van geluid
Sloten mij op, in een abrupte rust.

Ik dacht dat de donder de hemel had ontsteld.
Alles was zo stil. De lucht was gespleten, gevuld
Met vuur dat de lucht in kou had geëtst, gestold.
Ik wachtte op het woord dat me niet werd gegund,

Dat opgekropt was in een rijk van pure krachten,
Dat onderworpen werd aan de druk van de sterren;
Ik zag de engelen als gebleekte strootjes opstijgen;
Ik kon niet blijven staan voor deze dorsende ogen

En viel, totdat ik de wereld weer hervond.
Ik mis nu de gratie te zeggen wat voor mijn ogen bestond;
Want het hoofd vormt woorden die de tong niet vond.
En welke arts doet roeren wat reeds is versteend?

Origineel:

God’s Little Mountain

Below, the river scrambled like a goat
Dislodging stones. The mountain stamped its foot,
Shaking, as from a trance. And I was shut
With wads of sound into a sudden quiet.

I thought the thunder had unsettled heaven;
All was so still. And yet the sky was cloven
By flame that left the air cold and engraven.
I waited for the word that was not given,

Pent up into a region of pure force,
Made subject to the pressure of the stars;
I saw the angels lifted like pale straws;
I could not stand before those winnowing eyes

And fell, until I found the world again.
Now I lack grace to tell what I have seen;
For though the head frames words the tongue has none.
And who will prove the surgeon to this stone?


  1. Website Poetry Foundation, Geoffrey Hill (1930-2016), Biography (geraadpleegd 23 augustus 2016). 
  2. Kevin Hart, God’s Little Mountains: Young Geoffrey Hill and the Problems of Religious Poetry, in: Mark Knight, Louise Lee (red.), Religion, Literature and the Imagination: Sacred Worlds, A&C Black: 2009. 
  3. David Yezzi, Verse in Perfect Pitch, The New Criterion, Vol.34, Nr.10, juni 2016. 
  4. Sameer Rahim, Geoffrey Hill: ‘poetry should be shocking and surprising’, The Telegraph, 1 July 2016.

In de kerk – R.S. Thomas

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilderes Mildred Eldridge (1909-1991).

R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Met Seamus Heaney was hij bevriend.

Een aardig artikel over Thomas’ leven en werk is van de hand van Theodore DalrympleA Man Out of Time.

Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is, wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.

Dit gedicht beschrijft de houding van iemand die bidt in een heilige ruimte.

Afwezigheid, leegte, stilte, duisternis zijn belangrijk voor het R.S. Thomas, voor het gebed, en voor de ruimte waarin degene die bidt zich wendt tot een zwijgende en onzichtbare God.

Menigeen vergist zich als hij een vers als het onderhavige leest: het lijkt soms of er sprake is van iemand die eigenlijk niet geloven kan. Toch zou de spanning van het gedicht wegvallen als het verlangen om tot God te naderen eruit wordt weggeredeneerd.

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling:

In de kerk

Vaak probeer ik
De aard van deze stilten
Te doorgronden. Verbergt zich hier God
Voor mijn zoekende geest? Sinds die paar mensen
Zijn weggegaan, luister ik niet langer
Naar de lucht die zich herneemt
Voor haar wake. Zo wacht ze al eeuwen, al sinds de
Stenen zich hebben gegroepeerd om haar heen.
Zij zijn de vaste ribben
Van een lichaam dat ons gebed niet tot leven
Kon wekken. Vanuit de hoeken
Rukken schaduwen op om bezit te nemen
Van de plaatsen die het licht een uur lang
Bezet hield. Vleermuizen hervatten
Hun bedrijvigheid. Het ongemak van de kerkbank
Verdwijnt. Er is geen ander geluid
Dan het geluid van een man in het donker
Die ademt, die zijn geloof test
Op de leegte, die zijn vragen één voor één
Nagelt aan een leegstaand kruis.

Origineel:

In Church

Often I try
To analyse the quality
Of its silences. Is this where God hides
From my searching? I have stopped to listen,
After the few people have gone,
To the air recomposing itself
For vigil. It has waited like this
Since the stones grouped themselves about it.
These are the hard ribs
Of a body that our prayers have failed
To animate. Shadows advance
From their corners to take possession
Of places the light held
For an hour. The bats resume
Their business. The uneasiness of the pews
Ceases. There is no other sound
In the darkness but the sound of a man
Breathing, testing his faith
On emptiness, nailing his questions
One by one to an untenanted cross.

Het Koninkrijk – R.S. Thomas

Het gedicht The Kingdom is niet alleen voor vrome zielen, al beschrijft Ronald Stuart Thomas daarin wel degelijk het Koninkrijk van God.

Dit is misschien wel hetzelfde koninkrijk waarover Gerard Reve uitriep in de slotzin van zijn gedicht Graf te Blauwhuis: “Dat Koninkrijk van U, weet U wel, wordt dat nog wat?”

Vertaling:

Het Koninkrijk

We zijn er nog lang niet, maar de dingen
Gaan er daar heel anders toe:
Festivals waarbij de armen
Koning zijn, teringlijders van gezondheid
Blaken; spiegels waarin de blinden
Zichzelf aankijken, de liefde
Terugkijkt; alle industrie is voor het repareren
Van knikkende knoken en geesten die door het leven
Gebroken zijn. We zijn er nog niet, maar
Het kost geen tijd er te komen en de toegang
Is gratis, mits je uit jezelf alle begeerte
Verdrijft, je tevoorschijn komt met
Wat je echt nodig hebt, en je eenvoudig
Jouw geloof aanreikt, groen als een blaadje.

Origineel:

The Kingdom

It’s a long way off but inside it
There are quite different things going on:
Festivals at which the poor man
Is king and the consumptive is
Healed; mirrors in which the blind look
At themselves and love looks at them
Back; and industry is for mending
The bent bones and the minds fractured
By life. It’s a long way off, but to get
There takes no time and admission
Is free, if you purge yourself
Of desire, and present yourself with
Your need only and the simple offering
Of your faith, green as a leaf.

 

De ene en het al – Goethe

Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832) wordt beschouwd als de grootste dichter van het Duitse taalgebied. Hij heeft, naast epische en dramatische gedichten, tevens een groot aantal lyrische en filosofische gedichten geschreven. Het filosofisch-didactische Eins und Alles, ook hier en daar lyrisch van toon, roept in herinnering wat de dichter Geerten Gossaert ooit over gedichten opmerkte: poëzie is “door ontroering ritmisch geworden rede”.

Het gedicht is geënt op de gedachte van Heraklitus ‘Alles stroomt’, Panta rhei.

Zich meten met de wereldgeest is het leveren van scheppende arbeid.

In het gedicht Vermächtnis gebruikt Goethe soortgelijke gedachten, uiteraard met andere conclusies, want alles stroomt, nietwaar, en wat eenmaal is geschapen wacht dringend op herschepping. De eerste strofe van dat gedicht bevat zelfs een regel die precies gelijkluidend is aan een regel in het hier door mij vertaalde gedicht.

Het is bijna niet voorstelbaar dat een Nederlander ooit een dergelijk gedicht zou hebben geschreven of zelfs maar had kunnen schrijven – uitgezonderd Willem Bilderdijk misschien (maar die kende geen maat in zijn vervoering), of Frederik van Eeden (maar die gaf er al gauw een schertsende draai aan).

Vertaling:

De ene en het al

De enkeling mag graag wegdeinen
In het grenzenloze, en verdwijnen:
Dan wijkt de sleur, de last, de pijn;
Want wilde hartstocht, hunkeringen,
Stringente eisen, zedelijke dingen –
’t Is zalig er vanaf te zijn.

Kom wereldziel, vervul ons met uw wezen!
Want met de wereldgeest zich kunnen meten,
Is wat het hoogste wakker roept en riep.
De beste geesten die zich daaraan wijden,
Weten het ware meesterschap te leiden
Naar dat wat alles schept en schiep.

Herscheppen wat reeds is geschapen,
Opdat het niet in starheid zal ontslapen,
Geeft eeuwige, vitale arbeidslust,
Want wat nooit was, zal nu ontspringen:
Een bonte aarde en pure hemelingen;
Niets of niemand krijgt ooit rust.

Alles moet zich roeren en zich reppen,
En sinds het vorm kreeg, zich herscheppen,
Stagnatie kan slechts schijnbaar zijn.
Het eeuwige verdeelt zich in ons allen:
Want alles zal tot Niets vervallen,
Als het zich vastklampt aan het Zijn.

Origineel:

Eins und Alles

Im Grenzenlosen sich zu finden,
Wird gern der einzelne verschwinden,
Da löst sich aller Überdruß;
Statt heißem Wünschen, wildem Wollen,
Statt lästigem Fordern, strengem Sollen
Sich aufzugeben ist Genuß.

Weltseele, komm, uns zu durchdringen!
Dann mit dem Weltgeist selbst zu ringen,
Wird unsrer Kräfte Hochberuf.
Teilnehmend führen gute Geister,
Gelinde leitend höchste Meister
Zu dem, der alles schafft und schuf.

Und umzuschaffen das Geschaffne,
Damit sichs nicht zum Starren waffne,
Wirkt ewiges, lebendiges Tun.
Und was nicht war, nun will es werden
Zu reinen Sonnen, farbigen Erden;
In keinem Falle darf es ruhn.

Es soll sich regen, schaffend handeln,
Erst sich gestalten, dann verwandeln;
Nur scheinbar stehts Momente still.
Das Ewige regt sich fort in allen:
Denn alles muß in Nichts zerfallen,
Wenn es im Sein beharren will.

Wat ik moet doen – R.S. Thomas

Het gedicht This to do van R.S. Thomas (1913-2000), een dichter-dominee uit Wales, beschrijft een taak die de ik-figuur nog moet uitvoeren in levendige beelden. Thomas ontleende deze beelden mogelijk aan zijn eigen ervaring.

De taak is geestelijk en angstaanjagend; de ervaring was lichamelijk en opwindend: de enge opdracht wordt beschreven als een spannend avontuur.

Die opdracht is het vinden van de toegangsdeur tot jezelf, en de enge zoektocht wordt voorgesteld als een duik onder water die in een uiterst beperkte tijd moet worden uitgevoerd. (Thomas hield erg van de Deense filosoof Søren Kierkegaard die het bestaan beschreef als eng en subliem, als het oversteken van een afgrond die thousands of fathoms diep is.)

De dichter verbindt lucht en adem metaforisch met geld en munten.

In het begin wordt meer lucht opgenomen dan de ik-figuur heeft, meer geld opgenomen dan op de rekening staat. Aan het eind van het gedicht en tijdens de duik wordt met de opstijgende luchtbellen die als munten worden voorgesteld, de moed ‘gekocht’ die nodig is om de toegangsdeur te vinden.

Hier kunt u luisteren naar de dichter zelf die het vers voordraagt op een fraaie, gedragen toon, een toon die ongetwijfeld door vrolijke, moderne, redelijke mensen als uiterst gedateerd zal worden beschouwd, want het verleden is immers waardeloos, de toekomst vol seksuele en andere genietingen lonkt, en God is dood.

Vertaling:

Wat ik moet doen

Vaststaat dat ik dit doen moet
op enig moment: meer lucht opnemen
dan mijn saldo toelaat, breken door het
wateroppervlak, afdalen in de groene
duisternis, op zoek naar de deur
tot mijzelf, in doofheid en blindheid
en gedruis van angstig bloed
bij de trommelvliezen. Geen richting-
aanwijzers, alleen skeletten van dode
zeeaal; geen licht, behalve het flauwe schijnsel
van fosfor, waarin traag de lijken
schommelen. Ik moet afdalen met het
armzalig tegoed van mijn lijf, moed verzamelen,
die ik betaal met de munten van mijn adem.

Origineel:

This To Do

I have this that I must do
One day: overdraw on my balance
Of air, and breaking the surface
Of water go down into the green
Darkness to search for the door
To myself in dumbness and blindness
And uproar of scared blood
At the eardrums. There are no signposts
There but bones of the dead
Conger, no light but the pale
Phosphorous, where the slow corpses
Swag. I must go down with the poor
Purse of my body and buy courage,
Paying for it with the coins of my breath.

De gebarsten klok – Baudelaire

De Franse dichter Charles Baudelaire (1821-1867) is het bekendst geworden door zijn bundel Les Fleurs du Mal, de bloemen van het kwaad. Hierin is ook De gebarsten klok, een sonnet, opgenomen.

In de eerste strofe wordt het carillon beschreven die nachtelijke verhalen meevoert en doet opstijgen in de mistflarden. In de tweede strofe wordt over een welluidende, gezonde klok verteld die klinkt als een oude soldaat die vrome conclusies trekt uit zijn gerijpte levenservaring. Deze soldatenmetafoor is de aanzet voor het vervolg, na de wending.

Na de twee openingskwatrijnen, het octet, bevindt zich een wending, de gebruikelijke cesuur, voorafgaand aan de twee slotstrofen, de terzinen, die samen het sextet vormen.

Dan wordt in de derde strofe een gebarsten klok opgevoerd, de geblutste ziel van de ik-figuur. Deze is niet in staat om welluidend te klinken en vrome conclusies te trekken, maar heeft een gebroken en wegstervende stem, die – volgens de slotstrofe – slechts aan rochelende, bloederige, soldateske gruwelen doet denken.

De paradox is natuurlijk dat dit allemaal wordt opgeroepen met eloquente, sonore versregels.

Deze vertaling is experimenteel in die zin dat het metrum vanaf de tweede strofe enigszins afwijkt van het origineel. Het doel daarvan is om de vaart, de voortstuwing, de intensiteit van het origineel in het Nederlands zo getrouw mogelijk na te bootsen.

Spleen is Engels voor milt, en betekent hier depressieve gemoedstoestand. Het woord is in de negentiende eeuw beroemd geworden door de gedichten van Baudelaire. Ennui betekent verveling. Spleen en Ennui worden beide gebruikt om een postreligieus, modern levensbesef uit te drukken.

Voorafgaand aan de tekst volgt hieronder eerst een geluidsopname van de vertaling, ingesproken door mijzelf.

Vertaling:

De gebarsten klok

’t Is bitterzoet om in de lange winternacht,
Te luisteren, bij het vuur dat walmt en vonkt,
Naar de verhalen die zich in de flarden zacht
Verheffen op de zingzang van het carillon.

Gelukkig de klok die zijn welluidende lied,
Ondanks zijn leeftijd alert en gezond,
Met een religieus timbre over ons giet,
Als een oude soldaat in de deur van zijn tent.

Maar ik, gebarsten ziel, prooi van spleen en ennui,
Die de kou wil verdrijven met een grafmelodie,
Merk dat mijn stem het nauwelijks nog doet,

Als was ik gewond en ten dode gewijd,
Onder bergen van knoken, en in plassen van bloed,
Bewegingloos stervend, na manhaftige strijd.

Origineel:

La Cloche fêlée

II est amer et doux, pendant les nuits d’hiver,
D’écouter, près du feu qui palpite et qui fume,
Les souvenirs lointains lentement s’élever
Au bruit des carillons qui chantent dans la brume.

Bienheureuse la cloche au gosier vigoureux
Qui, malgré sa vieillesse, alerte et bien portante,
Jette fidèlement son cri religieux,
Ainsi qu’un vieux soldat qui veille sous la tente!

Moi, mon âme est fêlée, et lorsqu’en ses ennuis
Elle veut de ses chants peupler l’air froid des nuits,
II arrive souvent que sa voix affaiblie

Semble le râle épais d’un blessé qu’on oublie
Au bord d’un lac de sang, sous un grand tas de morts
Et qui meurt, sans bouger, dans d’immenses efforts.

Puinhopen – R.S. Thomas

Ruins

Bouwval in Wales

Puinhopen zijn altijd actueel, Brexit of geen Brexit.

Het gedicht Ruins van R.S. Thomas gaat over de kwetsbaarheid van de wereld waarop we vast vertrouwen en de zelfmisleiding die voor de instandhouding van die wereld nodig is.

In de eerste strofe wordt een excursie beschreven die is gesitueerd in een ruïne of puinhoop. Het opdwarrelende stof dat een slavenkleur heeft, wordt beschreven als iets essentieels, als de zuurstof die een voorwaarde is om te kunnen leven: eigenlijk moeten we natuurlijk zondebokken afwijzen, maar we kunnen toch niet zonder, althans niet zonder afschrikwekkend voorbeeld.

In de slotstrofe wordt het mogelijke koningsbot voorgesteld als een verloren hoofddoekje. Dit is een betekenisvolle omkering van de situatie waarin de koning iemand is voor wie je sterven wilt: er resteert alleen nog iets waarvan het belang onzeker en onduidelijk is.

Vertaling:

Puinhopen

En dit was een beschaving
Die niks tot stand bracht – zijn teen rakelde minachtend
Het slavenstof op. Zuurstof voor onze cultuur –
Wij inhaleerden het dankbaar.

In het puin vond iemand
Een gekromd bot. Waarschijnlijk van een koning,
Zei hij. Wij, onvolmaakte hovelingen,
Staarden ernaar: gevallen hoofddoek van de tijd.

Origineel:

Ruins

And this was a civilization
That came to nothing—he spurned with his toe
The slave-coloured dust. We breathed it in
Thankfully, oxygen to our culture.

Somebody found a curved bone
In the ruins. A kings probably,
He said. Imperfect courtiers
We eyed it, the dropped kerchief of time.

De albatros – Baudelaire

Charles Baudelaire (1821-1867) was een negentiende-eeuwse Franse dichter wiens werk kenmerken heeft van romantiek en decadentie. Hij is een van de dichters die werd opgenomen in de door Paul Verlaine samengestelde bloemlezing Les poètes maudits (1884).

In zijn beroemdste bundel, Les Fleurs du Mal, de bloemen van het kwaad, staat ook De albatros, een gedicht dat het beeld van de gedoemde dichter (poète maudit) oproept.

Een albatros is een grote zeevogel. In het wrede lot van de gevangen albatros herkent Baudelaire het lot van de dichter.

In dit gedicht doet Baudelaire wat ook dominees doen die “exemplarisch preken”. Eerst wordt een verhaal verteld – dominees ontlenen dat verhaal uiteraard aan de bijbel – en vervolgens wordt dit verhaal als exempel gebruikt om een situatie te verhelderen, in dit geval de situatie waarin de dichter zich bevindt (of zich meent te bevinden).

Baudelaire schreef het gedicht tijdens een zeereis die hij als jongeman maakte naar het Caraïbisch gebied – Baudelaires ouders probeerden hem op deze luxe manier van zijn dwaalwegen en verkeerde bedenksels te genezen. (Waarom is dat mij nooit overkomen?) Het is overigens zeer te betwijfelen of het doel van de ouders is bereikt.

De vertaling van De albatros door Peter Verstegen, een vormvaste en (soms) vrij nauwkeurige vertaling die naar mijn smaak niet al te soepel Nederlands oplevert, kunt u hier nalezen. En hier kunt u de vertaling door Petrus Hoosemans nalezen. Ten slotte kunt u hier de Taalstaat-aflevering beluisteren waarin Kiki Coumans eerst het Franse gedicht l’Albatros voorleest, en vervolgens de vertaling van Menno Wigman.

De vorm van dit gedicht is vier kwatrijnen. Er zijn in dit gedicht twee wendingen: een na de eerste twee kwatrijnen, en een na het derde kwatrijn. De eerste acht regels vertellen het verhaal; in het derde kwatrijn wordt de albatros toegesproken; in het slotkwatrijn wordt het exempel uitgewerkt.

Onderstaande vertaling is ook terechtgekomen in de bloemlezing En blauw zal alles zijn, samengesteld door Elisabeth Lockhorn. In de opgenomen gedichten speelt de kleur ‘blauw’ een voorname rol.

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

——————————————————————————————————————————-

Vertaling:

De albatros

Niet zelden, ter vermaak, vangen de schepelingen
Een albatros, de reuzenvogel van de zee,
Hun reisgenoot, die ging waar zij ook gingen:
Ook over helse diepten gleed hij zwierig mee.

Maar niet zodra wordt hij op dek gezet, gevangen,
Of de koning van ’t azuur blijkt log, de geest geweken;
Zijn grote, witte vlerken blijven treurig hangen,
Als riemen die nu doelloos uit hun dollen steken.

Gewiekte reiziger, wat ben je arm en afgetobd!
Jij – eertijds mooi – zo uit balans en uit de gratie!
Op jouw snavel worden pijpen uitgeklopt,
En iemand geeft van jouw echec een imitatie.

De dichter lijkt op de prins van het hemelse blauw:
Hij negeert zijn belagers, trotseert alle winden,
Is verbannen op aarde, mikpunt van hoon, en algauw
Beletten zijn wieken dat hij ooit zijn bestemming zal vinden.

Origineel:

L’Albatros

Souvent, pour s’amuser, les hommes d’équipage
Prennent des albatros, vastes oiseaux des mers,
Qui suivent, indolents compagnons de voyage,
Le navire glissant sur les gouffres amers.

À peine les ont-ils déposés sur les planches,
Que ces rois de l’azur, maladroits et honteux,
Laissent piteusement leurs grandes ailes blanches
Comme des avirons traîner à côté d’eux.

Ce voyageur ailé, comme il est gauche et veule!
Lui, naguère si beau, qu’il est comique et laid!
L’un agace son bec avec un brûle-gueule,
L’autre mime, en boitant, l’infirme qui volait!

Le Poète est semblable au prince des nuées
Qui hante la tempête et se rit de l’archer;
Exilé sur le sol au milieu des huées,
Ses ailes de géant l’empêchent de marcher.

Opvallende moed – W.H. Auden

Een epigram van Wystan Hugh Auden.

Vertaling:

Opvallende moed

Maak maar ruzie, ga te wapen,
Laat de held zijn roes uitslapen;
Schiet een leeuw; beklim de top.
Niemand merkt je zwakheid op.

Origineel:

Conspicuous Courage

Pick a quarrel, go to war,
Leave the hero in the bar;
Hunt the lion, climb the peak:
No one guesses you are weak.

Roem is een bij – Emily Dickinson

Emily Dickinson (1830-1886) was een Amerikaanse dichter uit de 19e eeuw. Ze stamde uit een aanzienlijke familie, groeide op in Massachusetts binnen een calvinistische traditie (Puritanisme), was excentriek, leefde teruggetrokken, was angstig en nerveus. Verreweg de meeste gedichten die ze schreef – 1775 in The Complete Poems – zijn pas na haar dood gepubliceerd.

Ze leefde een ongehuwd en teruggetrokken leven, en ze was heel productief. Haar reputatie lijkt tot op de dag van vandaag eerder toe dan af te nemen.

Dit gedichtje is een epigram, een puntdichtje. In de laatste regel schiet het de dichteres plotseling te binnen dat de vleugeltjes ook relevant zijn voor de vergelijking, want voor je het weet vliegt het bijtje natuurlijk weer weg, de wijde wereld in. Althans, zo is het gedichtje opgebouwd. In werkelijkheid was de vluchtigheid van de roem ongetwijfeld het eerste wat de dichteres herkende in de vlucht van de bij.

Een van de vertaalproblemen is dat het woord ‘roem’ mannelijk is, dat het zelfstandig naamwoord ‘bij’ mannelijk of vrouwelijk is, en dat je eigenlijk niet goed met ‘het’ tegelijkertijd naar beide woorden kunt verwijzen. Omdat de meeste bijen vrouwtjes zijn, is ‘ze’ voor ‘bij’ goed verdedigbaar, maar datzelfde geldt niet voor ‘roem’. En iets dergelijks geldt ook als je er ‘bijtje’ van maakt. Dan kun je met ‘het’ verwijzen naar ‘bijtje’, maar die verwijzing kan eigenlijk nog steeds niet naar ‘roem’. Het enige waarop je misschien kunt vertrouwen is dat de Nederlandse woordgeslachten zo slecht in ons taalgevoel zijn verankerd dat steeds minder mensen een fout horen in de verwijzing met ‘het’ of ‘ze’ naar een mannelijk woord.

Enfin, ik heb dit keer vier vertalingen gemaakt waaruit ik vooralsnog niet goed kan kiezen:

Vertaling 1:

Roem is een bij

Roem is een bij,
Ze kan zingen –
Ze kan steken –
En, kijk, ze kan vliegen.

Vertaling 2:

Roem is een bijtje

Roem is een bijtje,
Het kan zingen
Het kan steken
En, kijk, het kan vliegen.

Vertaling 3:

Roem is een bij

Roem is een bij,
Ze heeft een lied –
Ze heeft een angel –
En, kijk, ze heeft vleugels.

Vertaling 4:

Roem is een bij

Roem is een bij.
Daar zingt ze –
Daar steekt ze –
En, kijk, daar vliegt ze.

Origineel:

Fame is a bee

Fame is a bee.
It has a song –
It has a sting –
Ah, too, it has a wing.

Voor Helena – Edgar Allan Poe

Edgar Allan Poe (1809-1849) was een Amerikaans romantisch schrijver van korte verhalen en gedichten. Hij was goed in raadselachtige en soms macabere wendingen. Zijn verhalen hebben mede de aanzet gegeven tot het ontstaan van het detective– en science fiction-genre.

Zijn beste werk heeft een zeer hoge intensiteit. Deze intensiteit bereikt Poe met vreemde, soms angstaanjagende motieven en een merkwaardige afwisseling van stijlregisters. In zijn gedichten gebruikt hij nieuwe vormen en vaak heel inventieve en strakke rijmschema’s: soms rijmen hele zinnen op elkaar.

Poe had het vermogen tot exaltatie, geestvervoering. Zonder dat vermogen zou er – denk ik – geen kunst bestaan, wat zeker niet betekent dat goede kunst een geëxalteerde vorm moet hebben.

Voor Helena is een liefdesgedicht, al is de aanbedene niet alleen de schone vrouw, maar ook de beschaving die zij belichaamt of waarnaar zij verwijst.

Een paar toelichtende opmerkingen:

  • Helena (van Troje) was de dochter van Zeus en werd in de Griekse mythologie beschouwd als de mooiste vrouw op aarde.
  • Niceaanse is een bijvoeglijk naamwoord dat verwijst naar Nicea, een stadje in de oudheid dat bekend is geworden van de concilies die er plaatsvonden. Het oude stadsdeel bevindt zich in de stad İznik, in het huidige Turkije.
  • Een bark is een zeilschip met ten minste drie masten dat reeds bestond in de oudheid .
  • Hyancinthenhaar verwijst naar Hyakinthos, een Spartaanse prins. En uiteraard ook naar de naar hem genoemde bloem.
  • Naiaden zijn waternimfen.
  • Psyche wordt de vrouw van Cupido (Amor/Eros).

Vertaling:

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Voor Helena

Helena, uw schoonheid is voor mij
Als een Niceaanse bark uit oude tijd,
Die over de zoetgeurende zee voorbij
Gaat, die deze reutelende reiziger verblijdt
En naar zijn geboortegrond geleidt.

Gewend op woeste zeeën rond te dolen,
Heeft uw Hyacinthenhaar, uw klassieke
Gelaat, uw Naiaden-air mij thuis doen komen
Bij de grootsheid van de Grieken,
En het grandioze Rome.

Zie daar nu, in die verre stralende nis,
Hoe sculpturaal is daar uw stand-
Plaats – de agaten lamp in uw hand,
Ah! Psyche, die afkomstig is
Uit Heilig Land!

Origineel:

To Helen

Helen, thy beauty is to me
Like those Nicean barks of yore
That gently, o’er a perfumed sea,
The weary, way-worn wanderer bore
To his own native shore.

On desperate seas long wont to roam,
Thy hyacinth hair, thy classic face,
Thy Naiad airs have brought me home
To the glory that was Greece,
And the grandeur that was Rome.

Lo, in yon brilliant window-niche
How statue-like I see thee stand,
The agate lamp within thy hand,
Ah! Psyche, from the regions which
Are Holy Land!

Hoop is dat ding met veren – Emily Dickinson

Het gedicht ‘Hope’ is the thing with feathers is één van de bekendste gedichten van de Amerikaanse dichter Emily Dickinson (1830-1886). Dickinson schreef bijna 1800 gedichten, maar de meeste werden pas gepubliceerd na haar dood.

Volgens een onbevestigde overlevering zou Willem van Oranje gezegd of geschreven hebben: “Men hoeft niet te hopen om iets te ondernemen, noch te slagen om te volharden” (Point n’est besoin d’espérer pour entreprendre, ni de réussir pour persévérer). Dat is een mooie gedachte.

In de christelijke traditie zijn Geloof, Hoop en Liefde de goddelijke deugden.

Upton Sinclair schreef in The Jungle als openingszin van hoofdstuk 8: “Yet even by this deadly winter the germ of hope was not to be kept from sprouting in their hearts.

Dit gedicht gaat dus over hoop. Maar hoe hartverwarmend de hoop vaak ook is, en hoe zelfklevend meestal de illusie dat wat je hoopt ooit waar zal wezen, de dichteres laat er zich op voorstaan dat het vogeltje niets – echt niets – aan haar te danken heeft.

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

——————————————————————————————————————————-

Vertaling:

Hoop is dat ding met veren

‘Hoop’ is dat ding met veren,
Dat neerstrijkt in de ziel,
En ‘t wijsje zingt, zonder de woorden,
En dat ons nooit – nog nooit – ontviel.

In Stormwind klinkt zij allerliefst;
En vreselijk moet het noodweer zijn,
Dat zorgt dat ’t Vogeltje de moed verliest;
Ze is zo teder en zo fijn.

Ik hoorde haar in bitterkoude streken;
Ook op de hachelijkste Zee was zij,
Maar nooit – ik overdrijf niet –
Vroeg zij een kruimeltje – van Mij.

Origineel:

‘Hope’ is the thing with feathers

‘Hope’ is the thing with feathers—
That perches in the soul—
And sings the tune without the words—
And never stops—at all—

And sweetest—in the Gale—is heard—
And sore must be the storm—
That could abash the little Bird
That kept so many warm—

I’ve heard it in the chillest land—
And on the strangest Sea—
Yet, never, in Extremity,
It asked a crumb—of Me.

Een Uitvaart voelde ik, in mijn Brein – Emily Dickinson

Emily Dickinson (1830-1886) was een Amerikaanse dichteres die pas na haar dood beroemd is geworden.

Het zonnetje in huis was ze bepaald niet, maar wat een geweldige poëzie!

Dit gedicht beschrijft een nachtmerrie die niet eindigt in een verlossing, maar in een verdoving – zoals nachtmerries vaak aflopen – net als de werkelijkheid trouwens. Aardig is dat waar in het gedicht Ratio en Rede genoemd worden, dezelfde nachtmerrie onverminderd van kracht blijft, zelfs het allersterkst is, Op Weg Naar het Krankzinnige Einde.

Vertaling:

Een Uitvaart voelde ik, in mijn Brein

Een Uitvaart voelde ik, in mijn Brein,
Met rouwenden die bleven komen –
Bleven komen, af en aan – tot het leek
Of de Ratio zich plotseling vertoonde.

En toen ten slotte iedereen een plekje had,
Begon een Dienst, die als gestage Trom
Ging dreunen – dreunen – tot ik dacht
Dat het mijn geest haast had verstomd.

Toen tilden ze, zo hoorde ik, een Kist
Die knerpte dwars doorheen mijn Ziel,
Met weer diezelfde Loden Laarzen,
Toen kwam de Ruimte – het luide bonzen,

Alsof de Hemelen zich kromden tot een Gong,
En het Zijn zich welfde tot een Oor,
En ik, en Stilte, een vreemdsoortig Ras,
Waren verscheurd, solitair, hier –

En in de Rede brak opeens een Plank,
En ik, ik stortte naar omlaag – omlaag,
En raakte een Wereld, bij elke buiteling,
En Stopte met beseffen, daar –

Origineel:

I felt a Funeral, in my Brain

I felt a Funeral, in my Brain,
And Mourners to and fro
Kept treading – treading – till it seemed
That Sense was breaking through –

And when they all were seated,
A Service, like a Drum –
Kept beating – beating – till I thought
My mind was going numb –

And then I heard them lift a Box
And creak across my Soul
With those same Boots of Lead, again,
Then Space – began to toll,

As all the Heavens were a Bell,
And Being, but an Ear,
And I, and Silence, some strange Race,
Wrecked, solitary, here –

And then a Plank in Reason, broke,
And I dropped down, and down –
And hit a World, at every plunge,
And Finished knowing – then –

Bij de dood van Prince Rogers Nelson

Op 21 april 2016 overleed Prince Rogers Nelson (1958-2016), de artiest die bekend stond als Prince, die enige tijd The artist formerly known as Prince (1993-1999) werd genoemd, en ten slotte weer Prince mocht heten.1 De doodsoorzaak was naar alle waarschijnlijkheid de overdosis van een pijnstiller.2

Het verdient aanbeveling om over de doden niet dan op correcte wijze te spreken: ‘De mortuis nil nisi bene‘, luidt het Latijnse gezegde, wat niet hetzelfde is als ‘de mortuis nil nisi bonum‘, over de doden niets dan goeds.

Het is niet gemakkelijk om over zijn muzikale prestaties ook maar een voorzichtig woordje van kritiek te vinden. Bijna iedereen is diep onder de indruk van wat Prince tot stand gebracht heeft. Zijn composities zijn geniaal, zijn orkestraties formidabel, zijn optredens waren fenomenaal, en zijn persoonlijkheid was onweerstaanbaar en – jawel – sexy. De muziek na zijn verscheiden zal nooit meer dezelfde zijn als de muziek voor zijn entree.

Prince, Paisley Park, 1988⁠. Fotograaf Joel Bernstein

Over het masturbatieliedje Darling Nikki schreef The Guardian likkebaardend:3

If Darling Nikki doesn’t make you want to have hot, dirty sex – the kind you remember years afterwards with a frisson going down your back – then I don’t know what would. This was the song that caused Tipper Gore to form the Parents Music Resource Center to police the music industry in 1985, putting “Parental Advisory” stickers all over album covers.

Dat de waardering op een dergelijke kwijlende manier tot uitdrukking wordt gebracht, lijkt niet zonder betekenis: de muziek van Prince bedoelt bandeloze seks aan te prijzen en de opvoeding te ondermijnen, en slaagt daar – tot kennelijke tevredenheid van The Guardian – ook daadwerkelijk in. Egalité is het hoogste ideaal, want nooit zijn wij meer aan elkaar gelijk dan in het moment van seksuele vervoering.

Op TMF, een website gewijd aan nieuws over celebrities, werd na zijn dood het sentimentele getwitter van collega-celebrities gereproduceerd,4 tweets die vervolgens duizendvoudig werden herhaald en gerecycled en uitgekauwd, als waren het uitspraken van betekenis.

In dit koor voegden zich uiteraard ook  politici zoals de Nederlandse Minister van Onderwijs Jet Bussemaker: “Hij was super-, supersexy”.5

Ik begrijp natuurlijk de ontsteltenis – en in een enkel geval: het verdriet – van collega-artiesten en nabestaanden. Ik hoop dat de artiest die gemeenlijk bekend stond onder de naam Prince zal rusten in vrede.

Maar de overledene lijkt me toch niet een cultuurdrager van de eerste orde geweest te zijn. Hij was misschien niet onmuzikaal, maar hij heeft toch eigenlijk geen mooie muziek gemaakt – helaas!

Prince was ijdel, narcistisch en megalomaan. Dat verhindert het maken van mooie muziek mogelijk nog niet helemaal, maar hij ontwikkelde zich eerder tot een performer, een zakenman en een stijlicoon – Kinderen allemaal naar binnen komen; sluit ramen en deuren! – dan tot een toonkunstenaar van betekenis. Hij verheerlijkte een permanente adolescentie – wat bij het klimmen der jaren uiteraard steeds moeilijker werd vol te houden. Is dat mogelijk de oorzaak van zijn voortijdige dood?

In 1999 was er een uitgebreid interview met The Artist bij Larry King. Prince gedroeg zich ijdel, self-conscious en onpersoonlijk: hij waakte ervoor – zichtbaar zenuwachtig en handenwringend – iets te zeggen dat zijn imperium aan het wankelen kon brengen.

When Doves Cry wordt wel als een hoogtepunt van de componist, uitvoerend musicus en zanger Prince beschouwd. Ik heb het liedje zojuist nog eens driemaal in zijn geheel beluisterd, maar het is, net als Purple Rain – toch zijn allergrootste hit – van een monotone, meedogenloze, paralyserende leegheid die de luisteraar neerdrukt in een staat van eindeloze, doffe verveling.

Als u mijn oordeel over zijn muzikale kwaliteiten niet vertrouwt, luister maar eens rustig naar het liedje Cream – ook al overladen met seksuele symboliek, net als bijna alles wat hij maakte – en u zult horen dat zijn muziek de artistieke kwaliteit heeft van een stofzuiger.

Of het liedje I Wanna Be Your Lover, een stomvervelende Michael Jackson-imitatie, en dat terwijl het nagebootste en door plastische chirurgie misvormde voorbeeld – The King of Pop – zelf ook al van een intense treurigheid was.

prince-en-concert-1985
Prince treedt op (1985)(herkomst foto)

Misschien denkt u nu dat toch ten minste de teksten van Prince flonkeren boven een woud van deprimerende clichés, en dat het juweeltjes van poëzie zijn, die – je weet het maar nooit – de drammerige, hitsige dreun van zijn muziek kunnen goedmaken:

Dirty Mind

There’s something about u, baby
It happens all the time
Whenever I’m around u, baby
I get a dirty mind
It doesn’t matter where we are
It doesn’t matter who’s around
It doesn’t matter
I just wanna lay ya down
In my daddy’s car
It’s you I really wanna drive
But you never go too far
I may not be your kind of man
I may not be your style
But honey all I wanna do
Is just love you for a little while

(…)

3fmkuikengroot
3FM-kuiken met zonnebril

Helaas, ook deze tekst getuigt, zoals u ongetwijfeld ziet, van een gebrekkige formuleerkunst en bovendien van een erbarmelijke leeghoofdigheid die zijn weerga alleen in de popmuziek kent. Seks is natuurlijk iets moois, maar ik denk niet dat de muziek van Prince ons zal helpen om dat te ontdekken.

Prince leek in sommige opzichten op de kort voor hem (eveneens door eigen toedoen) overleden collega-artiest Amy Winehouse: de verschillen waren groot, maar beiden waren zelfdestructief, ambitieus en (in muzikale zin) middelmatig, een giftige combinatie.

Net als dictators en bokskampioenen worden popmuzikanten overladen met buitensporige (en hoogst twijfelachtige) vormen van eerbetoon: His Purple Majesty, His Royal Badness, The Artist en His Purple Highness waren de bijnamen van deze Jehova-getuige, en alleen al het leveren van voorzichtige kritiek maakt voor zijn bewonderaars duidelijk dat de criticus te kwader trouw is.

Het zij zo. De muziek van Prince lijkt mij eerst en vooral de triomf van zelfpromotionele agressie, overschenen – nu en dan – met vlaagjes van valse sentimentaliteit.6


  1. De naamsverandering wordt toegeschreven aan een zakelijk geschil met zijn platenmaatschappij Warner Brothers. De tijdelijke naamsverandering, die natuurlijk geen echte naamsverandering was, genereerde uiteraard ook winstgevende publiciteit.
  2. Website NOS Nieuws, ‘Prince overleden aan overdosis, zegt bron bij onderzoek‘, 2 juni 2016.
  3. Website The Guardian, 11 october 2011, Old music: Prince – Darling Nikki.
  4. Website TMF, Prince’S Death – Celeb Reactions, 21 april 2016 
  5. Website NOS Nieuws, Bussemaker had fascinatie voor Prince: hij was super-, supersexy, 21 april 2016.. 
  6. Deze bijdrage werd in rudimentaire vorm gepost op mijn Facebook-pagina op 22 februari 2016