T. S. Eliot (1888-1965) was een Amerikaans-Engelse dichter die in Nederland het meest bekend is geworden door het desolate gedicht The Waste Land, met de bekende openingszinnen:
April is the cruellest month, breeding Lilacs out of the dead land, mixing Memory and desire, stirring Dull roots with spring rain.
Dit gedicht vestigde zijn naam als modernist in de Engelstalige letteren.
Eliot was Amerikaan van geboorte, maar vestigde zich in 1915 in het Verenigd Koninkrijk. Hij heeft daar zijn hele verdere leven gewoond en gewerkt, eerst bij een bank, later bij Faber & Faber, een uitgever die zich ontwikkelde tot de voornaamste uitgever van poëzie in de engelstalige wereld. T.S. Eliot ontving in 1948 de Nobelprijs voor Literatuur.
In Amerika werd hij opgevoed in de sfeer van de Unitariërs, een kerkgenootschap aan de rand van het christendom waarbinnen men niet geloofde aan de goddelijkheid van Jezus en niet in de Drieëenheid. De kerk werd gekenmerkt door een spiritualiteit waarin orde en discipline belangrijk waren, waarden die voor Eliot altijd belangrijk zijn gebleven.
Mede door zijn bekering kreeg hij in bepaalde kringen de naam een oude conservatieve mopperaar te zijn, zoals u onder andere kunt nalezen in het artikel van (de auteur heeft zijn achternaam niet mee): Andrew Epstein, How Did T.S. Eliot Go From Young and Wild to Old and Stodgy?, The New York Times, 2 sept. 2022.
Hier vindt u een Nederlands voorbeeld van dat hoofdschudden: de bespreking door Joris Note van Paul Claes’ vertaling van de Four Quartets, waarin die afkeer van Eliots bekering tot in de titel doorklinkt: “Een bekeerde dichter”. Overigens zwalkt Note wel een beetje – enerzijds vindt hij Claes’ vertaling goed – terecht – en heeft hij ook waardering voor de kwartetten, maar anderzijds vindt hij Eliot maar een vervelende zeur met zijn christendom.
Over dat raadsel wonden overigens ook velen zich op in zijn tijd. Virginia Woolf die Eliot goed kende, schreef aan haar zus Vanessa Bell:
“Ik had een bijzonder beschamend en verontrustend gesprek met de arme, lieve Tom Eliot, die we vanaf vandaag allemaal wel als dood mogen beschouwen. Hij is anglo-katholiek geworden, gelooft in God en onsterfelijkheid, en gaat naar de kerk. Ik was geschokt. Een lijk zou op mij nog geloofwaardiger overkomen dan hij. Ik bedoel, het heeft toch iets obsceens als een levend persoon bij de haard zit en in God gelooft.”
Dit citaat komt uit het zeer interessante Eliot-boek van Rob Hartmans, T.S. Eliot. De vele gezichten van een conservatieve modernist, Amsterdam: Spectrum 2022, p. 136. Hartmans probeert Eliot in dat boek te redden uit handen van zijn verguizers, overigens zonder hem in alle opzichten te volgen. De ondertitel van zijn boek geeft al zijn genuanceerde benadering aan. Aan het boek van Hartmans heb ik een aantal van de in dit stuk genoemde genoemde feiten ontleend.
In 1936 publiceerde Eliot het gedicht Burnt Norton. In 1939 besloot Eliot nog drie gedichten met een vergelijkbare vorm aan Burnt Norton toe te voegen. In 1940 publiceerde hij East Coker, in 1941 The Dry Salvages, in 1942 Little Gidding. In 1943 verschenen deze gedichten bij Faber and Faber als de bundel Four Quartets.
Het centrale thema van de kwartettencyclus is de tijd – Eliot contrasteerde vergankelijke tijd en eeuwige tijd. Alle kwartetten verwezen naar een concrete plaats. En in ieder kwartet staat een bepaald seizoen min of meer centraal alsmede één van de vier elementen lucht, aarde, water en vuur.
Het gedicht bestaat uit vier delen die steeds een belangrijke plaats in Eliots leven innemen.
T. S. Eliot (1888-1965) was een Amerikaans-Engelse dichter die in Nederland het meest bekend is geworden door het desolate gedicht The Waste Land, met de bekende openingszinnen:
April is the cruellest month, breeding Lilacs out of the dead land, mixing Memory and desire, stirring Dull roots with spring rain.
Dit gedicht vestigde zijn naam als modernist in de Engelstalige letteren.
[Deze introductie kunt u verder overslaan als u de introducties tot de eerste drie delen van de Vier kwartetten al eens gelezen hebt. Het gedeelte dat specifiek over Little Gidding gaat begint met een alinea waarvan de openingswoorden luiden: “Het onderhavige gedicht …]
Eliot was Amerikaan van geboorte, maar vestigde zich in 1915 in het Verenigd Koninkrijk. Hij heeft daar zijn hele verdere leven gewoond en gewerkt, eerst bij een bank, later bij Faber & Faber, een uitgever die zich ontwikkelde tot de voornaamste uitgever van poëzie in de engelstalige wereld. T.S. Eliot ontving in 1948 de Nobelprijs voor Literatuur.
In Amerika werd hij opgevoed in de sfeer van de Unitariërs, een kerkgenootschap aan de rand van het christendom waarbinnen men niet geloofde aan de goddelijkheid van Jezus en niet in de Drieëenheid. De kerk werd gekenmerkt door een spiritualiteit waarin orde en discipline belangrijk waren, waarden die voor Eliot altijd belangrijk zijn gebleven.
Mede door zijn bekering kreeg hij in bepaalde kringen de naam een oude conservatieve mopperaar te zijn, zoals u onder andere kunt nalezen in het artikel van (de auteur heeft zijn achternaam niet mee): Andrew Epstein, How Did T.S. Eliot Go From Young and Wild to Old and Stodgy?, The New York Times, 2 sept. 2022.
Hier vindt u een Nederlands voorbeeld van dat hoofdschudden: de bespreking door Joris Note van Paul Claes’ vertaling van de Four Quartets, waarin die afkeer van Eliots bekering tot in de titel doorklinkt: “Een bekeerde dichter”. Overigens zwalkt Note wel een beetje – enerzijds vindt hij Claes’ vertaling goed – terecht – en heeft hij ook waardering voor de kwartetten, maar anderzijds vindt hij Eliot maar een vervelende zeur met zijn christendom.
Over dat raadsel wonden overigens ook velen zich op in zijn tijd. Virginia Woolf die Eliot goed kende, schreef aan haar zus Vanessa Bell:
“Ik had een bijzonder beschamend en verontrustend gesprek met de arme, lieve Tom Eliot, die we vanaf vandaag allemaal wel als dood mogen beschouwen. Hij is anglo-katholiek geworden, gelooft in God en onsterfelijkheid, en gaat naar de kerk. Ik was geschokt. Een lijk zou op mij nog geloofwaardiger overkomen dan hij. Ik bedoel, het heeft toch iets obsceens als een levend persoon bij de haard zit en in God gelooft.”
Dit citaat komt uit het zeer interessante Eliot-boek van Rob Hartmans, T.S. Eliot. De vele gezichten van een conservatieve modernist, Amsterdam: Spectrum 2022, p. 136. Hartmans probeert Eliot in dat boek te redden uit handen van zijn verguizers, overigens zonder hem in alle opzichten te volgen. De ondertitel van zijn boek geeft al zijn genuanceerde benadering aan. Aan het boek van Hartmans heb ik een aantal van de in dit stuk genoemde genoemde feiten ontleend.
In 1936 publiceerde Eliot het gedicht Burnt Norton. In 1939 besloot Eliot nog drie gedichten met een vergelijkbare vorm aan Burnt Norton toe te voegen. In 1940 publiceerde hij East Coker, in 1941 The Dry Salvages, in 1942 Little Gidding. In 1943 verschenen deze gedichten bij Faber and Faber als de bundel Four Quartets.
Het centrale thema van de kwartettencyclus is de tijd – Eliot contrasteerde vergankelijke tijd en eeuwige tijd. Alle kwartetten verwezen naar een concrete plaats. En in ieder kwartet staat een bepaald seizoen min of meer centraal alsmede één van de vier elementen lucht, aarde, water en vuur.
Het onderhavige gedicht heeft net als de drie vorige kwartetten vijf delen die verschillen in tempo en toon. Het gedicht is wat de vorm betreft – eveneens net als de andere kwartetten – geïnspireerd door het vijftiende strijkkwartet van Beethoven (opus 132).
T.S. Eliot had geen speciale band met de kerkgemeenschap of de geschiedenis die bij dit kerkje horen. Het is een beeld voor een kleine geloofsgemeenschap die op diverse plaatsen in dit gedicht wordt opgeroepen.
Eliot verwijst op een paar plaatsen naar teksten van Dante (de mystieke Roos uit Het Paradijs), de bijbel (Het Onze Vader), christelijke symboliek (de duif als beeld van de Heilige Geest) en het verhaal van Pinksteren waarbij de Heilige Geest neerdaalde op de mensen met tongen van vuur. Expliciet wordt verwezen naar Juliana van Norwich (ca. 1342 – ca. 1423), een Engelse mystica en schrijfster van Sixteen Revelations of Divine Love, een boek dat beschouwd wordt als het eerste door een vrouw geschreven Middelengelse boek. Tenslotte verwijst Eliot naar The Cloud of Unknowing, een anoniem mystiek werk uit de veertiende eeuw. Maar misschien zijn er nog meer verwijzingen die ik heb gemist.
Eliot maakt ook gebruik van concrete oorlogservaringen toen hij als burgerwacht werkte tijdens luchtaanvallen: de duif met de flikkerende tong – die uiteraard ook een overdrachtelijke betekenis heeft en een contrasterend beeldrijm vormt met het christelijke symbool – is een Duits oorlogsvliegtuig dat na een bombardement vervolgens weer vuurspuwend wegvloog.
Het slotakkoord van het gedicht wordt gevormd doordat vuur en roos één worden, waarbij de vlammen van de zonde zo worden geplooid dat ze de roos van verlossing vormen.
Er is nog veel meer over dit gedicht te vertellen, maar dat doe ik niet. Ik denk niet dat veel mensen het gedicht mooi gaan vinden door mijn gepraat erover, en het is toch ook aardig om zelf te ontdekken hoe mooi, muzikaal, frivool, ernstig en diepzinnig dit gedicht is.
Ik heb – tegen mijn gewoonte in – niet van het gehele gedicht één enkele audio-opname toegevoegd, maar ik heb van de verschillende delen afzonderlijke audio-opnames gemaakt.
Dit was geen gemakkelijke klus. Mocht u echte vertaalfouten tegenkomen, dan word ik daar graag op geattendeerd via e-mail – zie de pagina Over de vertaler/auteur, of via de reactiemogelijkheid.
Een vertaling van de hand van Peter van Huizen ter vergelijking, vindt u hier (Liter, Jrg 5, 2002 – via dbnl).
En – erg leuk – er is ook een geluidsopname van het oorspronkelijke gedicht. De gedragen voordracht is van T.S. Eliot zelf.
Vertaling
Little Gidding Nr. 4 van Vier kwartetten
Geluidsopname van de vertaling – Little Gidding 1 – Arie Sonneveld
– I –
Midwinterlente is een jaargetij op zich, Eeuwigdurend maar zompig als de avond valt, Stilstaand in tijd, tussen keerkring en pool. Als de korte dag met vorst en vuur zijn piek bereikt, Flambeert de zon het ijs op plas en sloten – Een beslagen spiegel in de vroege middag Weerkaatst een verblindende schittering In een hartverwarmende, windstille koude. De doffe geest wordt opgepookt door gloed, intenser Dan houtvlam of vuurkorf: geen wind, maar pinkstervuur In deze donkere dagen. Tussen dooi en vrieskou Siddert het sap van de ziel. Er is geen geur van aarde Of geur van enig leven. Het is lentetijd Maar buiten tijdsverband. De lage heg Is een uur lang wit met overgangsbloesem Van sneeuw, een bloei die abrupter optreedt Dan zomerbloei, zonder knop of verwelking, En buiten elk bestek van voortplanting. Waar is de zomer, het onvoorstelbare Nulpunt van Zomer?
Mocht je deze kant op komen En de route nemen die je waarschijnlijk nemen zou, Gezien de plaats waar je vast vandaan komt, Mocht je in Mei deze kant op komen, dan zouden de hagen opnieuw Wit zijn, wit zijn in Mei, met een weelderige zoetheid. Zo zou het ook zijn aan het einde van de reis, Als je in de nacht kwam als een verslagen koning, Als je overdag kwam zonder te weten wat je kwam doen, Zo zou het ook zijn, wanneer je het hobbelige pad verlaat En afbuigt achter de varkensstal naar de saaie gevel En de grafzerk. En wat je dacht dat je kwam doen Is slechts een schil, een huls van betekenis Waar het doel pas uitbreekt als het is vervuld, Zo dat al gebeurt. Want of je had geen doel, Of het doel ligt voorbij het einde dat je had bedacht en het veranderde met de vervulling. Er zijn andere plaatsen Die ook ’s werelds einde zijn, soms in de muil van de zee Of boven een donker meer, in een woestijn of een stad – Maar deze is het meest nabij, in plaats en tijd, Nu en in Engeland.
Mocht je deze kant op komen Via welke route dan ook, ergens vandaan, Op enig moment of in enig seizoen, Dan zou het altijd zo zijn: je zou gevoel en besef Moeten uitzetten. Je bent hier niet om te bevestigen, Jezelf iets te leren, nieuwsgierig te zijn Of verslag te doen. Je bent hier, waar gebed is gepast, Om te knielen. En gebed is meer dan woorden In ‘t gelid zetten – de bewuste activiteit Van de biddende geest – meer dan de klank van de biddende stem. En waar doden geen taal voor hadden, toen ze leefden, Kunnen ze je, nu ze dood zijn, vertellen: communicatie Van de doden gaat met tongen van vuur, voorbij de taal der levenden. Hier – het kruispunt van het tijdloos moment – Is Engeland en nergens. Nooit en altijd.
Geluidsopname van de vertaling – Little Gidding 2 – Arie Sonneveld
– II –
As op ‘t oudemannen-vest Is wat van verbrande rozen rest. Stof in lucht gesuspendeerd Die ‘t einde van ‘t verhaal markeert. Geïnhaleerde lucht was huis – Was muren, houtwerk en de muis, Hoop en angst – in dood gevlucht. Dit is de dood van lucht.
Watervloed en het verdrogen In de mond en bij de ogen, Het dode water en dood zand Strijden om de overhand. De dorre uitgeputte aarde Die futiel gezwoeg aanstaarde, Is mistroostig, treurig land. Dit is de dood van aarde.
Water en vuur bestrijden De stad, de kruiden en de weiden. Water en vuur – zij lachten Om ‘t offer dat we nimmer brachten. Water en vuur maken ferment Van het vergeten fundament, Van heiligdom en kloostermuur. Dit is de dood van water en vuur.
In het onzeker uur voor dag en dauw Bij het eindigen van een nooit voltooide nacht Aan het weerkerend einde van het oneindige Nadat de donkere duif met de flikkerende tong De horizon was gepasseerd op de terugweg Terwijl de dode blaadjes als enige geluid Nog ratelden als blik over het asfalt Tussen drie wijken waaruit rook opsteeg, Ontmoette ik iemand die liep, rondhing, zich haastte Alsof hij zonder verzet voortgeblazen werd Door stedelijke ochtendwind als de metalen blaadjes. En toen ik mijn blik vestigde op het hangende hoofd Met die oplettendheid waarmee we de eerste Vreemdeling keuren in de vroege schemering Ving ik de snelle blik op van een dode meester Die ik gekend had, vergeten was, half herinnerde Tegelijk één en velen; in het bruingetekende gelaat Ogen van een geest die ik kende uit menig verhaal Zowel intiem als onbepaalbaar. Dus speelde ik een dubbelspel, en riep En hoorde een andere stem roepen: ‘Wat! Jij hier?’ Dat waren we duidelijk niet. Ik was nog steeds dezelfde Die tegelijk wist iemand anders te zijn – Hij een gelaat bezig vorm te krijgen; maar de woorden volstonden Om de herkenning af te dwingen waarvan ze uitgingen. En dus, zoals de heersende wind waaide, Te vreemd voor elkaar om elkaar mis te verstaan, Eensgezind in dit snijpunt van tijd Dat de ontmoeting nergens was, geen voor en geen na, Betraden we het voetpad als twee dode schimmen. Ik sprak: ‘Mijn verwondering is eenvoudig, Maar eenvoud wekt verwondering. Daarom spreek: Misschien zal ik het niet begrijpen, niet onthouden.’ En hij: ‘Ik popel niet om mijn gedachten en theorieën Die jij vergeten zal, hier te herhalen. Die dingen hebben hun doel gediend: laat ze maar. Doe jij hetzelfde, en bid dat ze vergeven worden Door anderen, zoals ik jou bid om zowel kwaad als goed Te vergeven. Het fruit van ‘t voorbije seizoen is gegeten En het welgevoede beest zal de lege emmer omver trappen. Want voorbije woorden horen bij een voorbije taal En woorden van straks wachten op een nieuwe stem. Maar nu de overgang geen beletsel vormt Voor de onrustige geest die tussen twee werelden Zweeft die steeds meer op elkaar gaan lijken, Vind ik woorden die ik nooit dacht uit te spreken In straten die ik nooit meer dacht te betreden Toen ik mijn lichaam achterliet in verre streken. Omdat het ons om taal ging, en taal ons dwong Het dialect van de stam te zuiveren, De geest tot vooruitzien en terugkijken te bewegen, Laat me dan de gaven, voorbehouden aan de oude dag, onthullen Door een kroon te plaatsen op wat je hebt bereikt. Allereerst: de kille afmatting van dovende zintuigen Zonder betovering, die niets méér weet te bieden Dan bittere smakeloosheid van schaduwfruit Wanneer lichaam en ziel uiteen gaan vallen. Vervolgens: de bewuste onmacht van woede Over menselijke dwaasheid, en de schurende lach over wat niet leuk meer is. Ten slotte: de scherpe pijn om voor je te zien Wat je ooit deed, en wie je was, schaamte Over ware drijfveren, en het heldere besef Van dingen die je fout deed, fout tot schade van de ander, Iets wat je ooit aanzag voor deugdzaamheid. Dan: bijval van dwazen steekt, eerbetoon bevlekt. Van misstap naar misstap beweegt de uitgeputte geest Zich voort, tenzij gezuiverd door het louterend vuur Dat je dwingt in de maat te bewegen, als een danser.’ De dag brak aan. In de misvormde straat Verliet hij mij – een soort vaarwel – En loste op in de klanken van de hoorn.
Geluidsopname van de vertaling – Little Gidding 3 – Arie Sonneveld
– III –
Er zijn drie toestanden die vaak op elkaar lijken Maar zeer verschillend zijn, bloei in dezelfde haag: Hechting aan het Ik, aan dingen en personen, onthechting Aan het Ik, aan dingen en personen; en, opvallender, onverschilligheid Die lijkt op beide zoals dood lijkt op leven, Zijn tussen twee levens in – bloemloos, tussen dode en levende netel, Brand- en dovenetel. En zo gebruik je het geheugen: Voor bevrijding – niet minder liefde maar uitbreiding Van liefde voorbij begeerte, en dus bevrijding Van toekomst en verleden beide. Daarom begint vaderlandsliefde Als gehechtheid aan ons eigen domein van de daad En merkt zij later dat dit weinig voorstelt, Al scheelt het iets. Geschiedenis kan slavernij zijn, Gechiedenis kan vrijheid zijn. Kijk, daar verdwijnen ze, Gelaatstrekken en plekken, met het Ik dat ze liefhad naar vermogen Om vernieuwd, omgevormd te worden, in een ander patroon.
Zonde is Noodwendig, maar Alles zal goed komen, en Al zulke dingen komen weer goed. Als ik opnieuw denk aan deze plek En deze mensen, niet altijd lofwaardig, Niet direct vriendelijk of verwant, Maar met een bijzondere bezieling, Allen geraakt door een gedeelde bezieling, Verenigd in de strijd die hen verdeelde; Als ik denk aan een koning bij avond, Aan drie mannen, of meer, op het schavot En aan een paar doden die vergeten zijn Op andere plekken, hier en in verre streken, En aan iemand die blind en zwijgend stierf, Waarom zouden we dan deze doden Meer eren dan de stervelingen? Het is niet het terugluiden van de klok Evenmin is het een bezwering Om de geest van de Roos op te roepen. We kunnen oude twisten niet doen herleven We kunnen oud beleid niet opnieuw voeren Of meegaan achter een antieke trom. Deze mensen, en ook hun bestrijders En degenen die zij bestreden Aanvaarden de grondwet van de stilte En worden geplooid tot een soort eenheid. Wat we ook erven van de gelukkigen, We hebben genomen wat verslagenen Ons moesten nalaten – een symbool: Een symbool, voltooid in de dood. En alles zal goed komen en Al zulke dingen komen weer goed Door de loutering van het motief In de diepten van onze smeekbede.
Geluidsopname van de vertaling – Little Gidding 4 – Arie Sonneveld
– IV –
De dalende duif klieft de atmosfeer In een vuurvlam van angstgloed Waarvan dan elke taal beweert: Dit maakt onze zonden weer goed. Hoop die in wanhoop steeds wederkeert Is de keus voor schavot of schavot, Om met vuur van vuur te worden verlost.
Wie schiep dan deze wrede keus? Liefde. De onbekende Naam die Liefde heet Schuilt achter de handen die weefden Aan het ondraaglijk vlammenkleed Door geen mens ooit opgeheven. We leven slechts, we smachten ieder uur, Verteerd door ofwel vuur of vuur.
Geluidsopname van de vertaling – Little Gidding 5 – Arie Sonneveld
– V –
Wat begin heet, is vaak het eind, Wie een eind kiest, kiest een nieuw begin. Het einde is vertrekpunt. En elke frase En zin die raak is (waar elk woord thuis is, Zijn plaats inneemt om de andere te schragen, Het woord dat niet schuw is, niet opvallend, Een soepele uitwisseling van het oude en het nieuwe, Het gewone woord, precies en niet vulgair, Het formele woord, exact maar niet pedant, Het gehele gezelschap dat samen danst), Elke frase, elke zin is een einde en een begin, Elk gedicht een epitaaf. En elke daad Een stap naar het blok, het vuur, de muil van de zee, Een onleesbare steen: En daar beginnen we dan. We sterven met de stervenden: Kijk, daar gaan ze, en wij gaan met hen mee. We worden geboren met de doden: Kijk, ze keren terug, en ze nemen ons mee. Het moment van de roos, het moment van de taxusboom Duren even lang. Een volk zonder geschiedenis Is niet van tijd verlost, want geschiedenis is een patroon Van tijdloze momenten. Dus nu het licht het laat afweten Op een winternamiddag, in een afgelegen kapel: Geschiedenis is nu en in Engeland.
Deze Liefde en de stem van deze Roeping trekt
En zo zullen we onderzoekers blijven En het eind van onze onderzoekingen Is dat we aankomen waar we begonnen En dat we deze plaats leren kennen als nieuw. Door de vreemde, vaag-bekende poort Zien we wat het begin was In het laatste stukje aarde dat nog ontdekt wordt; Bij de bron van de langste rivier De stem van de verborgen waterval En de kinderen in de appelboom Vreemd, omdat niemand ze zocht Maar gehoord, vaag gehoord in de stilte Tussen twee golven van de zee. Snel dan, hier, nu, altijd – Voorwaarde van volkomen eenvoud (die alles kost, niets minder) En alles zal goed komen, en Alle soorten dingen komen weer goed Als de vlammentongen gevouwen worden In een kroonstreng van vuur En het vuur en de roos één zullen zijn.
Origineel
Little Gidding No. 4 of Four Quartets
– I –
Midwinter spring is its own season Sempiternal though sodden towards sundown, Suspended in time, between pole and tropic. When the short day is brightest, with frost and fire, The brief sun flames the ice, on pond and ditches, In windless cold that is the heart’s heat, Reflecting in a watery mirror A glare that is blindness in the early afternoon. And glow more intense than blaze of branch, or brazier, Stirs the dumb spirit: no wind, but pentecostal fire In the dark time of the year. Between melting and freezing The soul’s sap quivers. There is no earth smell Or smell of living thing. This is the spring time But not in time’s covenant. Now the hedgerow Is blanched for an hour with transitory blossom Of snow, a bloom more sudden Than that of summer, neither budding nor fading, Not in the scheme of generation. Where is the summer, the unimaginable Zero summer?
If you came this way, Taking the route you would be likely to take From the place you would be likely to come from, If you came this way in May time, you would find the hedges White again, in May, with voluptuary sweetness. It would be the same at the end of the journey, If you came at night like a broken king, If you came by day not knowing what you came for, It would be the same, when you leave the rough road And turn behind the pig-sty to the dull facade And the tombstone. And what you thought you came for Is only a shell, a husk of meaning From which the purpose breaks only when it is fulfilled If at all. Either you had no purpose Or the purpose is beyond the end you figured And is altered in fulfilment. There are other places Which also are the world’s end, some at the sea jaws, Or over a dark lake, in a desert or a city— But this is the nearest, in place and time, Now and in England.
If you came this way, Taking any route, starting from anywhere, At any time or at any season, It would always be the same: you would have to put off Sense and notion. You are not here to verify, Instruct yourself, or inform curiosity Or carry report. You are here to kneel Where prayer has been valid. And prayer is more Than an order of words, the conscious occupation Of the praying mind, or the sound of the voice praying. And what the dead had no speech for, when living, They can tell you, being dead: the communication Of the dead is tongued with fire beyond the language of the living. Here, the intersection of the timeless moment Is England and nowhere. Never and always.
– II –
Ash on an old man’s sleeve Is all the ash the burnt roses leave. Dust in the air suspended Marks the place where a story ended. Dust inbreathed was a house— The walls, the wainscot and the mouse, The death of hope and despair, This is the death of air.
There are flood and drouth Over the eyes and in the mouth, Dead water and dead sand Contending for the upper hand. The parched eviscerate soil Gapes at the vanity of toil, Laughs without mirth. This is the death of earth.
Water and fire succeed The town, the pasture and the weed. Water and fire deride The sacrifice that we denied. Water and fire shall rot The marred foundations we forgot, Of sanctuary and choir. This is the death of water and fire.
In the uncertain hour before the morning Near the ending of interminable night At the recurrent end of the unending After the dark dove with the flickering tongue Had passed below the horizon of his homing While the dead leaves still rattled on like tin Over the asphalt where no other sound was Between three districts whence the smoke arose I met one walking, loitering and hurried As if blown towards me like the metal leaves Before the urban dawn wind unresisting. And as I fixed upon the down-turned face That pointed scrutiny with which we challenge The first-met stranger in the waning dusk I caught the sudden look of some dead master Whom I had known, forgotten, half recalled Both one and many; in the brown baked features The eyes of a familiar compound ghost Both intimate and unidentifiable. So I assumed a double part, and cried And heard another’s voice cry: ‘What! are you here?’ Although we were not. I was still the same, Knowing myself yet being someone other— And he a face still forming; yet the words sufficed To compel the recognition they preceded. And so, compliant to the common wind, Too strange to each other for misunderstanding, In concord at this intersection time Of meeting nowhere, no before and after, We trod the pavement in a dead patrol. I said: ‘The wonder that I feel is easy, Yet ease is cause of wonder. Therefore speak: I may not comprehend, may not remember.’ And he: ‘I am not eager to rehearse My thoughts and theory which you have forgotten. These things have served their purpose: let them be. So with your own, and pray they be forgiven By others, as I pray you to forgive Both bad and good. Last season’s fruit is eaten And the fullfed beast shall kick the empty pail. For last year’s words belong to last year’s language And next year’s words await another voice. But, as the passage now presents no hindrance To the spirit unappeased and peregrine Between two worlds become much like each other, So I find words I never thought to speak In streets I never thought I should revisit When I left my body on a distant shore. Since our concern was speech, and speech impelled us To purify the dialect of the tribe And urge the mind to aftersight and foresight, Let me disclose the gifts reserved for age To set a crown upon your lifetime’s effort. First, the cold friction of expiring sense Without enchantment, offering no promise But bitter tastelessness of shadow fruit As body and soul begin to fall asunder. Second, the conscious impotence of rage At human folly, and the laceration Of laughter at what ceases to amuse. And last, the rending pain of re-enactment Of all that you have done, and been; the shame Of motives late revealed, and the awareness Of things ill done and done to others’ harm Which once you took for exercise of virtue. Then fools’ approval stings, and honour stains. From wrong to wrong the exasperated spirit Proceeds, unless restored by that refining fire Where you must move in measure, like a dancer.’ The day was breaking. In the disfigured street He left me, with a kind of valediction, And faded on the blowing of the horn.
– III –
There are three conditions which often look alike Yet differ completely, flourish in the same hedgerow: Attachment to self and to things and to persons, detachment From self and from things and from persons; and, growing between them, indifference Which resembles the others as death resembles life, Being between two lives—unflowering, between The live and the dead nettle. This is the use of memory: For liberation—not less of love but expanding Of love beyond desire, and so liberation From the future as well as the past. Thus, love of a country Begins as attachment to our own field of action And comes to find that action of little importance Though never indifferent. History may be servitude, History may be freedom. See, now they vanish, The faces and places, with the self which, as it could, loved them, To become renewed, transfigured, in another pattern.
Sin is Behovely, but All shall be well, and All manner of thing shall be well. If I think, again, of this place, And of people, not wholly commendable, Of no immediate kin or kindness, But of some peculiar genius, All touched by a common genius, United in the strife which divided them; If I think of a king at nightfall, Of three men, and more, on the scaffold And a few who died forgotten In other places, here and abroad, And of one who died blind and quiet Why should we celebrate These dead men more than the dying? It is not to ring the bell backward Nor is it an incantation To summon the spectre of a Rose. We cannot revive old factions We cannot restore old policies Or follow an antique drum. These men, and those who opposed them And those whom they opposed Accept the constitution of silence And are folded in a single party. Whatever we inherit from the fortunate We have taken from the defeated What they had to leave us—a symbol: A symbol perfected in death. And all shall be well and All manner of thing shall be well By the purification of the motive In the ground of our beseeching.
– IV –
The dove descending breaks the air With flame of incandescent terror Of which the tongues declare The one discharge from sin and error. The only hope, or else despair Lies in the choice of pyre or pyre— To be redeemed from fire by fire.
Who then devised the torment? Love. Love is the unfamiliar Name Behind the hands that wove The intolerable shirt of flame Which human power cannot remove. We only live, only suspire Consumed by either fire or fire.
– V –
What we call the beginning is often the end And to make an end is to make a beginning. The end is where we start from. And every phrase And sentence that is right (where every word is at home, Taking its place to support the others, The word neither diffident nor ostentatious, An easy commerce of the old and the new, The common word exact without vulgarity, The formal word precise but not pedantic, The complete consort dancing together) Every phrase and every sentence is an end and a beginning, Every poem an epitaph. And any action Is a step to the block, to the fire, down the sea’s throat Or to an illegible stone: and that is where we start. We die with the dying: See, they depart, and we go with them. We are born with the dead: See, they return, and bring us with them. The moment of the rose and the moment of the yew-tree Are of equal duration. A people without history Is not redeemed from time, for history is a pattern Of timeless moments. So, while the light fails On a winter’s afternoon, in a secluded chapel History is now and England.
With the drawing of this Love and the voice of this Calling
We shall not cease from exploration And the end of all our exploring Will be to arrive where we started And know the place for the first time. Through the unknown, remembered gate When the last of earth left to discover Is that which was the beginning; At the source of the longest river The voice of the hidden waterfall And the children in the apple-tree Not known, because not looked for But heard, half-heard, in the stillness Between two waves of the sea. Quick now, here, now, always— A condition of complete simplicity (Costing not less than everything) And all shall be well and All manner of thing shall be well When the tongues of flame are in-folded Into the crowned knot of fire And the fire and the rose are one.