Tagarchief: Vier kwartetten

The Dry Salvages – (Gedicht III van Vier kwartetten) – T.S. Eliot

T. S. Eliot (1888-1965) was een Amerikaans-Engelse dichter die in Nederland het meest bekend is geworden door het desolate gedicht The Waste Land, met de bekende openingszinnen:

April is the cruellest month, breeding
Lilacs out of the dead land, mixing
Memory and desire, stirring
Dull roots with spring rain.

Dit gedicht vestigde zijn naam als modernist in de Engelstalige letteren.

Eliot was Amerikaan van geboorte, maar vestigde zich in 1915 in het Verenigd Koninkrijk. Hij heeft daar zijn hele verdere leven gewoond en gewerkt, eerst bij een bank, later bij Faber & Faber, een uitgever die zich ontwikkelde tot de voornaamste uitgever van poëzie in de engelstalige wereld. T.S. Eliot ontving in 1948 de Nobelprijs voor Literatuur.

In Amerika werd hij opgevoed in de sfeer van de Unitariërs, een kerkgenootschap aan de rand van het christendom waarbinnen men niet geloofde aan de goddelijkheid van Jezus en niet in de Drieëenheid. De kerk werd gekenmerkt door een spiritualiteit waarin orde en discipline belangrijk waren, waarden die voor Eliot altijd belangrijk zijn gebleven.

Op latere leeftijd bekeerde Eliot zich tot de Anglo-Katholieke tak van The Church of England – een Anglicaanse Kerk. Uit die tijd dateren ook Four Quartets – Vier kwartetten – die ook heel bekend geworden zijn.

Mede door zijn bekering kreeg hij in bepaalde kringen de naam een oude conservatieve mopperaar te zijn, zoals u onder andere kunt nalezen in het artikel van (de auteur heeft zijn achternaam niet mee): Andrew Epstein, How Did T.S. Eliot Go From Young and Wild to Old and Stodgy?, The New York Times, 2 sept. 2022. Aan dat artikel heb ik ook de openingsfoto van T.S. Eliot ontleend.

Hier vindt u een Nederlands voorbeeld van dat hoofdschudden: de bespreking door Joris Note van Paul Claes’ vertaling van de Four Quartets, waarin die afkeer van Eliots bekering tot in de titel doorklinkt: “Een bekeerde dichter”. Overigens zwalkt Note wel een beetje – enerzijds vindt hij Claes’ vertaling goed – terecht – en heeft hij ook waardering voor de kwartetten, maar anderzijds vindt hij Eliot maar een vervelende zeur met zijn christendom.

Over dat raadsel wonden overigens ook velen zich op in zijn tijd. Virginia Woolf die Eliot goed kende, schreef aan haar zus Vanessa Bell:

“Ik had een bijzonder beschamend en verontrustend gesprek met de arme, lieve Tom Eliot, die we vanaf vandaag allemaal wel als dood mogen beschouwen. Hij is anglo-katholiek geworden, gelooft in God en onsterfelijkheid, en gaat naar de kerk. Ik was geschokt. Een lijk zou op mij nog geloofwaardiger overkomen dan hij. Ik bedoel, het heeft toch iets obsceens als een levend persoon bij de haard zit en in God gelooft.”

Dit citaat komt uit het zeer interessante Eliot-boek van Rob Hartmans, T.S. Eliot. De vele gezichten van een conservatieve modernist, Amsterdam: Spectrum 2022, p. 136. Hartmans probeert Eliot in dat boek te redden uit handen van zijn verguizers, overigens zonder hem in alle opzichten te volgen. De ondertitel van zijn boek geeft al zijn genuanceerde benadering aan. Aan het boek van Hartmans heb ik een aantal van de in dit stuk genoemde genoemde feiten ontleend.

In 1936 publiceerde Eliot het gedicht Burnt Norton. In 1939 besloot Eliot nog drie gedichten met een vergelijkbare vorm aan Burnt Norton toe te voegen. In 1940 publiceerde hij East Coker, in 1941 The Dry Salvages, in 1942 Little Gidding. In 1943 verschenen deze gedichten bij Faber and Faber als de bundel Four Quartets.

Het onderhavige gedicht The Dry Salvages – waarschijnlijk een verbastering van het Franse les trois sauvages (de drie wilden) – is vernoemd naar een kleine rotsformatie voor de noordoostkust van Cape Ann in Massachusetts waar Eliot in zijn jonge jaren soms verbleef en in de omgeving waarvan hij graag zeilde. Die ervaringen worden op sommige plaatsen in dit derde deel van Four Quartets dichterlijk verwerkt.

Het centrale thema van de kwartettencuclus is de tijd – Eliot contrasteerde vergankelijke tijd en eeuwige tijd. Alle kwartetten verwezen naar een concrete plaats. En in ieder kwartet staat een bepaald seizoen min of meer centraal alsmede één van de vier elementen lucht, aarde, water en vuur. In The Dry Salvages zijn het achtereenvolgens de genoemde rotsformatie uit de titel, het seizoen is voor mij een beetje onduidelijk, en het element water.

The Dry Salvages heeft vijf delen – net als de andere kwartetten – die verschillen in tempo en toon. Het gedicht is wat de vorm betreft – eveneens net als de andere kwartetten – geïnspireerd door het vijftiende strijkkwartet van Beethoven (opus 132).

Het gedicht verwijst naar tal van bekende werken uit de wereldliteratuur, onder andere naar de bijbel, de Baghavad Gita, naar Dante, en naar de christelijke liturgie. De Baghavad Gita speelt expliciet een rol. Verwezen wordt naar een dialoog waarin Krishna Arjuna instrueert en vermaant. Het belangrijkste element dat Eliot daaruit overneemt is de belangeloosheid van de daad: wat de daad iemand oplevert, is niet van belang.

Deel II bevat zes zesregelige strofen waarvan de regels 1 eindrijm hebben, de regels 2 idem, enz. Omdat de rijmen vrij ver uit elkaar staan, zijn er een aantal vrij nadrukkelijk, soms ook met ongebruikelijke woorden in het Engels. Ik heb geprobeerd die praktijk in mijn vertaling te handhaven.

Het gebed in deel IV is gericht aan Maria, de moeder van God. Figlia del tuo figlio is een citaat uit Dante Alighieri’s Divina Commedia (Paradiso, Canto 33). Het betekent ‘Dochter van je zoon’. Het is een beroemde omkering van wat je zou verwachten: het wijst op het feit dat hoewel de goddelijke Jezus natuurlijk Maria’s zoon is, ook het omgekeerde waar is: Maria is immers een schepsel (dochter) van God.

Net als bijvoorbeeld in Burnt Norton worden natuurbeschrijvingen afgewisseld met elementen uit het moderne leven: in Bunt Norton komt een rit met de metro voor, in The Dry Salvages een treinrit.

Annunciation (met hoofdletter) verwijst naar de aankondiging van Jezus’ geboorte. Die aankondiging wordt gedaan door de aartsengel Gabriël aan de maagd Maria.

Incarnation (met hoofdletter) verwijst naar de vleeswording van God op aarde, dat wil zeggen naar het feit van Jezus’ geboorte.

Het contrast van fare well (met spatie) en fare forward in de slotregels van deel III is heel moeilijk in het Nederlands na te bootsen zonder enorm vormverlies. Fare well betekent iets als ‘goed je best doen’, of soms ook de wens dat je succes hebt met wat je doet. Ik heb iets verzonnen. U moet maar zien of het u bevalt.

Edgware Road is een levendige straat in Londen: een centrum van arabische cultuur, Libanese winkeltjes enz. Een Nederlandse tegenhanger zou bijvoorbeeld de Javastraat in Amsterdam-Oost zijn.

Ik heb – tegen mijn gewoonte in – niet van het gehele gedicht één enkele audio-opname toegevoegd, maar ik heb van de verschillende delen afzonderlijke audio-opnames gemaakt.

Dit was geen gemakkelijke klus. Mocht u echte vertaalfouten tegenkomen, dan word ik daar graag op geattendeerd via e-mail – zie de pagina Over de vertaler/auteur, of via de reactiemogelijkheid.

Een vertaling van de hand van Peter van Huizen ter vergelijking, vindt u hier (Liter, Jrg 5, 2002 – via dbnl).

En – erg leuk – er is ook een geluidsopname van het oorspronkelijke gedicht. De gedragen voordracht is van T.S. Eliot zelf.



Vertaling

Geluidsopname van de vertaling – The Dry Salvages 1 – Arie Sonneveld

THE DRY SALVAGES
Nr. 3 van Vier kwartetten

– I –
Ik weet niet veel van goden, maar ik denk dat de rivier
Een machtige bruine god is – nors, ontembaar en dwars,
Soms wel geduldig, vaak eerst gezien als grens;
Nuttig, niet altijd betrouwbaar in dienst van de handel;
Uiteindelijk een probleem voor de bruggenbouwer.
En als het probleem is opgelost, wordt de bruine god vaak vergeten
Door de stadsbewoners – al blijft hij altijd onverbiddelijk.
Hij kiest zijn tijd, zijn toorn, is verwoestend, herinnert ons
Aan wat we het liefst vergeten. Ongeëerd, onbemind
Door techniek-aanbidders – maar wachtend, kijkend en wachtend.
Zijn ritme was al aanwezig in de kinderkamer,
Al vroeg in April, onder de uitbottende hemelboom,
In de geur van klaargezette oktoberdruiven,
En in de kring onder de suizende winterlamp.

De rivier is in ons, de zee is rondom ons;
Ook de zee is een landsgrens, het graniet
Dat zich erin uitstrekt, het strand waar ze tegenop spoelt;
En de signalen van eerdere en andere scheppingen:
De zeester, de degenkrab, de wervel van de walvis;
De poelen zeewater waarin we opmerkzaam turen
Naar al die tere algen en de zee-anemoon.
Ze doet gloren wat we verloren, het gescheurde visnet,
De kapotte kreeftenfuik, de gebroken roeispaan
En het gerei van verre doden. De zee heeft veel stemmen,
Veel goden en veel stemmen.
                                                        Het zout rust op de duinroos,
De nevel hangt in de zilverspar.
                                                        De zee die loeit
En de zee die schreit – het zijn verschillende stemmen
Die je vaak samen hoort: het gesuis in het want,
De dreiging en streling van een golf die breekt op water,
Het geluid van de branding in de granieten kammen,
En het alarmerend gehuil van een naderende kaap –
Het zijn allemaal stemmen van de zee, en ook de stampende fluitboei
Bij de ronding op de terugweg, en de zeemeeuw:
En toegedekt door de stille nevel
Is er de klank van de klok
Die een tijd – niet de onze – aangeeft, gewekt door kalme
Zeedeining, een tijd
Ouder dan de tijd van de uurwerken, ouder
Dan tijd die afgeteld wordt door bange, bezorgde vrouwen
Die wakker liggen, de toekomst berekenen,
Die uiteen halen, uiteen rafelen, uiteen snijden
Om heden weer aan verleden te kunnen vastmaken,
Tussen middernacht en dageraad, als het verleden slechts misleiding is,
De toekomst toekomstloos, nog voor de wekker gaat
En deze tijd stopt, een tijd die nooit eindigt;
En de zeedeining, die er is en er was vanaf de aanvang,
Luidt
De klok.



Geluidsopname van de vertaling – deel 2 – Arie Sonneveld

– II –
Waar is het einde ervan, van het geluidloos geschrei,
De stille verwelking van bloemen in het najaar
Die kelkblaadjes laten vallen in hun roerloosheid;
Waar is het einde dan, van het op drift geraakte wrak,
Het gebed van gebeente op het strand, het onbidbare
Gebed bij de noodlottige annunciatie?

Er is geen einde; er komt steeds bij:
Nawerking van elk nieuw uur, elk jaar,
Als emotie zich ontfermt over emotieloosheid
Van jarenlang leven temidden van wat brak
In wat vertrouwd werd als het meest betrouwbare –
En daarom het meest geschikt is voor renunciatie.

Er komt nog iets bij, gekrenkte trots of – zij aan zij –
Wroeging over wat je kon, maar ’t valt nu zwaar,
De losse devotie die door kon gaan voor devotieloosheid,
In een losgeslagen bootje dat traag onder water zakt,
Het stille luisteren naar de niet te missen, klare
Klank van de klok van de laatste annunciatie.

Waar is doel en einde van de visser die zijn zeil hijst
Achter de wind, waar de mist rust op de baren?
We kennen geen tijd met oceaanloosheid
Of met een oceaan waarin vergane overdaad ontbrak
Of met een toekomst die – als vroeger – niet de gevaren
Kent van een voortgaan zonder doel of destinatie.

We moeten ons indenken dat de vissers blijven
Lossen, ankeren, slepen, met een Noordooster die zwaar
Over ondiepe banken strijkt in bestendige erosieloosheid,
Of die hun geld beuren, zeil in de haven opgerold en strak;
Maar niet dat ze een tocht maken die waarde
Heeft met een lading die niet bestand is tegen visitatie.

Er komt geen einde aan, aan het geluidloos geschrei,
Geen einde aan de verwelking van bloemen in het najaar,
Het zich roeren van leed dat leedloos is in zijn roerloosheid;
Aan de driftige zee en het op drift geraakte wrak,
Het gebed van gebeente tot de Dood zijn God. Slechts waardig,
Bijna onbidbaar bidden bij die ene Annunciatie.

Het lijkt alsof, wanneer je ouder wordt,
Dat het verleden van patroon verandert, ophoudt slechts opeenvolging te zijn –
Of zelfs maar ontwikkeling: dat laatste is een partiële denkfout,
Voortkomend uit oppervlakkige ideeën over evolutie,
Die in alledaagse geesten bewerkt dat het verleden er niet langer toe doet.
De momenten van geluk – niet het gevoel van welbevinden,
Bloei, voldoening, veiligheid of genegenheid,
Of zelfs maar van een heel goed diner, maar een illuminatie:
We hadden de ervaring maar misten de betekenis,
En de betekenis nabij komen herstelt de ervaring
In andere vorm, voorbij elke betekenis
Die we kunnen hechten aan geluk. Ik heb al eerder gezegd
Dat ervaring van vroeger die tot leven komt in betekenis
Niet alleen de ervaring is van een enkel leven
Maar van meerdere generaties – dat je niet vergeet
Wat waarschijnlijk vrijwel onuitsprekelijk is:
De terugblik achter de zelfverzekerdheid
Van geschiedschrijving, het over je schouder kijken
Met steelse blik naar de pure, elementaire angst.
We ontdekken dan dat de momenten van gekweldheid
(Of deze al of niet door misverstand ontstaat,
omdat we verkeerde dingen hoopten of verkeerde dingen vreesden,
Is niet aan de orde) evenzeer beklijven
Voor zover tijd dingen laat beklijven. We beseffen dit beter
Door gekweldheid van anderen, waarvan we een glimp opvingen
Door betrokken te zijn, dan in die van onszelf.
Want ons eigen verleden wordt overwoekerd door dadendrang,
Maar de kwelling van anderen blijft een ervaring die niet
Wordt bepaald of uitgehold door de resulterende uitputting.
Mensen veranderen en lachen: de gekweldheid blijft.
Tijd die vernietigt, is tijd die bewaart,
Zoals de rivier met zijn lading dode kleurlingen, koeien en kippenhokken,
De bittere appel, en de aangevreten appel.
En de ruige rots in het onstuimige water –
Golven spoelen over hem heen, de mist verhult hem –
Op een vredige dag is hij slechts monument,
Bij gunstig weer steeds een baken om de koers
Uit te zetten: maar in donkere jaargetijden
Of plotselinge razernij, is hij dat wat hij altijd al was.



Geluidsopname van de vertaling – deel 3 – Arie Sonneveld

– III –
Ik vraag me soms af of het dat is wat Krishna bedoelde –
Naast andere dingen – of laat ik het nog anders zeggen:
De toekomst is een wegstervend lied, een geur van Royal Rose of lavendel,
Weeklachten over wie er nog niet zijn om te beklagen,
Geplet als ze zijn tussen gele bladen van een nooit open geslagen boek.
En de opgang is de neergang, de weg vooruit is de weg terug.
Je kunt er niet steeds mee bezig zijn, maar zo veel is zeker:
De tijd is geen geneesheer: de patiënt is er niet meer.
Als de trein optrekt, en de passagiers rustig bezig zijn
Met hun fruit, periodieken en zakelijke papieren
(en zij die hen uitzwaaiden hebben het perron verlaten)
Gaan hun gezichten van treurig naar vredig,
Op het slaperige ritme van een eeuwigheid.
Voorwaarts, reizigers! – niet om aan het verleden te ontsnappen
Naar andere levens, of naar een andere toekomst;
Jullie zijn niet dezelfden die dat station verlieten
Of die zullen aankomen op enig eindstation boven de
Steeds smaller wordende rails die samen onder jullie door glijden;
En op het dek van de ronkende veerboot
Zul je niet denken terwijl je achterwaarts kijkt naar het kielzog
Dat steeds wijder wordt: ‘het verleden is voorbij’,
Of ‘de toekomst ligt voor ons’.
Als het donker wordt weerklinkt een stem
In tuigage en antenne (die stem is onhoorbaar,
De fluisterende schelp van de tijd, en niet in een bepaalde taal)
‘Voorwaarts, jij die meent dat je op reis bent;
Je bent niet degene die de haven zag
Verdwijnen, of degene die straks aan wal gaat.
Nu je je bevindt tussen nabije en verre kust
Terwijl de tijd even stil staat, beschouw dan de toekomst
En het verleden met gelijkmoedigheid.
In het moment waarin daad noch dadenloosheid is
Kan dit je invallen: “in welke staat van zijn dan ook
Zou de menselijke geest zich kunnen richten
Op het uur van de dood” – dat is de enige daad
(En het uur van de dood is ieder moment)
Die vrucht zal dragen in het leven van anderen:
En denk daarbij niet aan vruchten van de daad.
Voorwaarts.
                       O reizigers, o zeelieden,
Jullie die aankwamen om in te schepen, en wier lichamen
Recht en oordeel van de zee zullen ondergaan,
Wat er ook gebeurt, dit is je ware bestemming.’
Zo leerde Krishna toen hij Arjuna vermaande
Over het domein van strijd.
                                                  Niet zwoegend voorwaarts,
Maar kalm voorwaarts, reizigers.



Geluidsopname van de vertaling – deel 4 – Arie Sonneveld

– IV –
Vrouwe, wier tempel staat op een rots aan de kust,
Bid voor allen die op schepen zijn, voor hen
Wier zaken draaien om vis, en
Voor hen die betrokken zijn bij ordelijk vaarverkeer
En voor hen die dit uitvoeren.

Spreek ook een vast gebed uit namens
Vrouwen die hun zonen of mannen hebben zien
Afreizen zonder dat ze terugkwamen:
Figlia del tuo figlio,
Koningin des Hemels.

En bid voor hen die ingescheept waren, en
Wier reis eindigde in het zand, in de hongermond van de zee
Of in de donkere muil van waaruit geen terugkeer is
Of waarin ze onbereikbaar zijn voor de klok van de zee
Met zijn eeuwige angelus.



Geluidsopname van de vertaling – deel 5 – Arie Sonneveld

– V –
Met Mars communiceren, praten met geesten,
Verslag doen van het gedrag van het zeemonster,
Een horoscoop opstellen, waarzeggen of toekomst lezen,
Kwalen afleiden uit het handschrift, een levensloop
Oproepen uit lijnen van de handpalm
En noodlot uit de vorm van vingers; afleiding van tekenen
Uit tovenarij, of theeblaadjes, het onvermijdelijke ontraadselen
Met speelkaarten, knoeien met pentagrammen
Of barbituraten, beelden die je achtervolgen
Terugvoeren op onbewuste angsten –
Nagaan hoe het zit met baarmoeder, groeve of dromen – het zijn allemaal gangbare
Vormen van tijdverdrijf en verdoving, en van stukjes in de krant:
En ze zullen dat altijd zijn, sommige ervan vooral
Als er internationaal onrust is en verbijstering
Of het nu in ergens in Azië is, of in Edgware Road.
De nieuwsgierige mens verdiept zich in verleden en toekomst
En klampt zich aan die dimensie vast. Maar om te vatten
Wat het belang is van het kruispunt van het tijdloze
Met de tijd, is een taak voor de heilige –
Eigenlijk geen taak, maar iets wat gegeven wordt
En genomen, in een leven lang sterven in liefde,
Gloed, belangeloosheid en overgave.
Voor de meesten van ons is er slechts het vluchtige
Moment, het moment binnen en buiten de tijd,
Een vleug afleiding die oplost in een lichtstraal,
De onooglijke wilde tijm, of het winterweerlicht,
Of de waterval, of muziek die zo intens binnen komt
Dat die in het geheel niet binnen komt, maar jij bent de muziek
Zolang de muziek duurt. Dit alles zijn maar hints en gissingen,
Hints gevolgd door gissingen; al het overige
Is gebed, getrouwheid, discipline, denken en daad.
De half gegiste suggestie, de half begrepen gave, is Incarnatie.
Hier is de onmogelijke eenheid
Van bestaanswijzen aan de orde,
Hier worden verleden en toekomst
Overwonnen en verzoend,
Waar daad anders beweging zou zijn
Van dat wat slechts bewogen wordt
Terwijl het zelf geen bewegingsbron heeft –
Gedreven door demonische, chthonische
Machten. En de juiste daad is ook vrijheid
Jegens verleden en toekomst.
Voor de meesten van ons, is dit het doel
Dat hier nooit verwezenlijkt zal worden;
Wij, die alleen daarom niet verslagen zijn
Omdat we het bleven proberen;
Wij, die pas dan rust vinden
Als onze wederkomst van tijd het leven voedt
(niet al te ver van de taxusboom)
Van een betekenisvolle bodem.



Origineel

THE DRY SALVAGES
No. 3 of Four Quartets

– I –
I do not know much about gods; but I think that the river
Is a strong brown god—sullen, untamed and intractable,
Patient to some degree, at first recognised as a frontier;
Useful, untrustworthy, as a conveyor of commerce;
Then only a problem confronting the builder of bridges.
The problem once solved, the brown god is almost forgotten
By the dwellers in cities—ever, however, implacable.
Keeping his seasons and rages, destroyer, reminder
Of what men choose to forget. Unhonoured, unpropitiated
By worshippers of the machine, but waiting, watching and waiting.
His rhythm was present in the nursery bedroom,
In the rank ailanthus of the April dooryard,
In the smell of grapes on the autumn table,
And the evening circle in the winter gaslight.

The river is within us, the sea is all about us;
The sea is the land’s edge also, the granite
Into which it reaches, the beaches where it tosses
Its hints of earlier and other creation:
The starfish, the horseshoe crab, the whale’s backbone;
The pools where it offers to our curiosity
The more delicate algae and the sea anemone.
It tosses up our losses, the torn seine,
The shattered lobsterpot, the broken oar
And the gear of foreign dead men. The sea has many voices,
Many gods and many voices.
                                             The salt is on the briar rose,
The fog is in the fir trees.
                                             The sea howl
And the sea yelp, are different voices
Often together heard: the whine in the rigging,
The menace and caress of wave that breaks on water,
The distant rote in the granite teeth,
And the wailing warning from the approaching headland
Are all sea voices, and the heaving groaner
Rounded homewards, and the seagull:
And under the oppression of the silent fog
The tolling bell
Measures time not our time, rung by the unhurried
Ground swell, a time
Older than the time of chronometers, older
Than time counted by anxious worried women
Lying awake, calculating the future,
Trying to unweave, unwind, unravel
And piece together the past and the future,
Between midnight and dawn, when the past is all deception,
The future futureless, before the morning watch
When time stops and time is never ending;
And the ground swell, that is and was from the beginning,
Clangs
The bell.

– II –
Where is there an end of it, the soundless wailing,
The silent withering of autumn flowers
Dropping their petals and remaining motionless;
Where is there an end to the drifting wreckage,
The prayer of the bone on the beach, the unprayable
Prayer at the calamitous annunciation?

There is no end, but addition: the trailing
Consequence of further days and hours,
While emotion takes to itself the emotionless
Years of living among the breakage
Of what was believed in as the most reliable—
And therefore the fittest for renunciation.

There is the final addition, the failing
Pride or resentment at failing powers,
The unattached devotion which might pass for devotionless,
In a drifting boat with a slow leakage,
The silent listening to the undeniable
Clamour of the bell of the last annunciation.

Where is the end of them, the fishermen sailing
Into the wind’s tail, where the fog cowers?
We cannot think of a time that is oceanless
Or of an ocean not littered with wastage
Or of a future that is not liable
Like the past, to have no destination.

We have to think of them as forever bailing,
Setting and hauling, while the North East lowers
Over shallow banks unchanging and erosionless
Or drawing their money, drying sails at dockage;
Not as making a trip that will be unpayable
For a haul that will not bear examination.

There is no end of it, the voiceless wailing,
No end to the withering of withered flowers,
To the movement of pain that is painless and motionless,
To the drift of the sea and the drifting wreckage,
The bone’s prayer to Death its God. Only the hardly, barely prayable
Prayer of the one Annunciation.

It seems, as one becomes older,
That the past has another pattern, and ceases to be a mere sequence—
Or even development: the latter a partial fallacy
Encouraged by superficial notions of evolution,
Which becomes, in the popular mind, a means of disowning the past.
The moments of happiness—not the sense of well-being,
Fruition, fulfilment, security or affection,
Or even a very good dinner, but the sudden illumination—
We had the experience but missed the meaning,
And approach to the meaning restores the experience
In a different form, beyond any meaning
We can assign to happiness. I have said before
That the past experience revived in the meaning
Is not the experience of one life only
But of many generations—not forgetting
Something that is probably quite ineffable:
The backward look behind the assurance
Of recorded history, the backward half-look
Over the shoulder, towards the primitive terror.
Now, we come to discover that the moments of agony
(Whether, or not, due to misunderstanding,
Having hoped for the wrong things or dreaded the wrong things,
Is not in question) are likewise permanent
With such permanence as time has. We appreciate this better
In the agony of others, nearly experienced,
Involving ourselves, than in our own.
For our own past is covered by the currents of action,
But the torment of others remains an experience
Unqualified, unworn by subsequent attrition.
People change, and smile: but the agony abides.
Time the destroyer is time the preserver,
Like the river with its cargo of dead negroes, cows and chicken coops,
The bitter apple, and the bite in the apple.
And the ragged rock in the restless waters,
Waves wash over it, fogs conceal it;
On a halcyon day it is merely a monument,
In navigable weather it is always a seamark
To lay a course by: but in the sombre season
Or the sudden fury, is what it always was.

– III –
I sometimes wonder if that is what Krishna meant—
Among other things—or one way of putting the same thing:
That the future is a faded song, a Royal Rose or a lavender spray
Of wistful regret for those who are not yet here to regret,
Pressed between yellow leaves of a book that has never been opened.
And the way up is the way down, the way forward is the way back.
You cannot face it steadily, but this thing is sure,
That time is no healer: the patient is no longer here.
When the train starts, and the passengers are settled
To fruit, periodicals and business letters
(And those who saw them off have left the platform)
Their faces relax from grief into relief,
To the sleepy rhythm of a hundred hours.
Fare forward, travellers! not escaping from the past
Into different lives, or into any future;
You are not the same people who left that station
Or who will arrive at any terminus,
While the narrowing rails slide together behind you;
And on the deck of the drumming liner
Watching the furrow that widens behind you,
You shall not think ‘the past is finished’
Or ‘the future is before us’.
At nightfall, in the rigging and the aerial,
Is a voice descanting (though not to the ear,
The murmuring shell of time, and not in any language)
‘Fare forward, you who think that you are voyaging;
You are not those who saw the harbour
Receding, or those who will disembark.
Here between the hither and the farther shore
While time is withdrawn, consider the future
And the past with an equal mind.
At the moment which is not of action or inaction
You can receive this: “on whatever sphere of being
The mind of a man may be intent
At the time of death”—that is the one action
(And the time of death is every moment)
Which shall fructify in the lives of others:
And do not think of the fruit of action.
Fare forward.
                          O voyagers, O seamen,
You who came to port, and you whose bodies
Will suffer the trial and judgement of the sea,
Or whatever event, this is your real destination.’
So Krishna, as when he admonished Arjuna
On the field of battle.
                                               Not fare well,
But fare forward, voyagers.

– IV –
Lady, whose shrine stands on the promontory,
Pray for all those who are in ships, those
Whose business has to do with fish, and
Those concerned with every lawful traffic
And those who conduct them.

Repeat a prayer also on behalf of
Women who have seen their sons or husbands
Setting forth, and not returning:
Figlia del tuo figlio,
Queen of Heaven.

Also pray for those who were in ships, and
Ended their voyage on the sand, in the sea’s lips
Or in the dark throat which will not reject them
Or wherever cannot reach them the sound of the sea bell’s
Perpetual angelus.

– V –
To communicate with Mars, converse with spirits,
To report the behaviour of the sea monster,
Describe the horoscope, haruspicate or scry,
Observe disease in signatures, evoke
Biography from the wrinkles of the palm
And tragedy from fingers; release omens
By sortilege, or tea leaves, riddle the inevitable
With playing cards, fiddle with pentagrams
Or barbituric acids, or dissect
The recurrent image into pre-conscious terrors—
To explore the womb, or tomb, or dreams; all these are usual
Pastimes and drugs, and features of the press:
And always will be, some of them especially
When there is distress of nations and perplexity
Whether on the shores of Asia, or in the Edgware Road.
Men’s curiosity searches past and future
And clings to that dimension. But to apprehend
The point of intersection of the timeless
With time, is an occupation for the saint—
No occupation either, but something given
And taken, in a lifetime’s death in love,
Ardour and selflessness and self-surrender.
For most of us, there is only the unattended
Moment, the moment in and out of time,
The distraction fit, lost in a shaft of sunlight,
The wild thyme unseen, or the winter lightning
Or the waterfall, or music heard so deeply
That it is not heard at all, but you are the music
While the music lasts. These are only hints and guesses,
Hints followed by guesses; and the rest
Is prayer, observance, discipline, thought and action.
The hint half guessed, the gift half understood, is Incarnation.
Here the impossible union
Of spheres of existence is actual,
Here the past and future
Are conquered, and reconciled,
Where action were otherwise movement
Of that which is only moved
And has in it no source of movement—
Driven by daemonic, chthonic
Powers. And right action is freedom
From past and future also.
For most of us, this is the aim
Never here to be realised;
Who are only undefeated
Because we have gone on trying;
We, content at the last
If our temporal reversion nourish
(Not too far from the yew-tree)
The life of significant soil.

East Coker – (Gedicht II van Vier Kwartetten) – T.S. Eliot

T. S. Eliot (1888-1965) was een Amerikaans-Engelse dichter die in Nederland het meest bekend is geworden door het desolate gedicht The Waste Land, met de bekende openingszinnen:

April is the cruellest month, breeding
Lilacs out of the dead land, mixing
Memory and desire, stirring
Dull roots with spring rain.
Winter kept us warm, covering
Earth in forgetful snow, feeding
A little life with dried tubers.

Eliot was een ‘conservatieve modernist’, om een woord te gebruiken dat de historicus, schrijver en journalist Rob Hartmans heeft opgenomen in de ondertitel van zijn zeer interessante Eliot-boek: T.S. Eliot. De vele gezichten van een conservatieve modernist, Amsterdam: Spectrum 2022. Aan het boek van Hartmans heb ik een aantal van de hierna genoemde feiten ontleend.

Eliot heeft zijn hele volwassen leven in het Verenigd Koninkrijk gewoond en gewerkt, eerst bij een bank, later bij Faber & Faber, een uitgever die zich ontwikkelde tot de voornaamste uitgever van poëzie in de engelstalige wereld.

Op latere leeftijd bekeerde hij zich tot de Anglo-Katholieke tak van The Church of England – de Anglicaanse Kerk. Uit die tijd dateren ook Four Quartets – Vier Kwartetten – die ook heel bekend geworden zijn. T.S. Eliot ontving in 1948 de Nobelprijs voor Literatuur.

De bekering tot het christendom van T.S. Eliot wordt vaak negatief begrepen, alsof de man totaal iemand anders geworden was, alsof de ernst waarmee hij het christendom aanhing zijn gedichten veel slechter zouden hebben gemaakt. Hier vindt u een bespreking door Joris Note van Paul Claes’ vertaling van de Four Quartets, waarin die afkeer van Eliots bekering tot in de titel doorklinkt: “Een bekeerde dichter”. Overigens zwalkt Note heel erg – enerzijds vindt hij Claes’ vertaling goed en heeft hij ook waardering voor de kwartetten, maar anderzijds vindt hij Eliot maar een vervelende zeur met zijn christendom. Deze spagaat tref je wel vaker aan bij recensenten.

In 1936 publiceerde Eliot het gedicht Burnt Norton. In 1939 besloot Eliot nog drie gedichten met een vergelijkbare vorm aan Burnt Norton toe te voegen. In 1940 publiceerde hij East Coker, in 1941 The Dry Salvages, in 1942 Little Gidding. In 1943 verschenen deze gedichten bij Faber and Faber als de bundel Four Quartets.

In ieder kwartet staat een bepaald seizoen centraal alsmede één van de vier elementen lucht, aarde, water en vuur. In East Coker ligt de nadruk op de late zomer en op het element ‘aarde’.

East Coker is een klein plaatsje in het Engelse Somerset. De voorouders Van T.S. Eliot kwamen daar vandaan en ze emigreerden in de 18e eeuw naar Amerika. T.S. Eliot ligt ook in East Coker begraven, om precies te zijn in de St Michael and All Angels’ Church.

Op zeker moment gebruikt T.S. Eliot een aantal citaten en verwijzingen naar een van zijn voorvaderen. Ik heb die verwerkt door te spreken over sinne- en minnebeelden (Jacob Cats) en een verwijzing naar Vondels opregte trou (die – zoals bekend – vooral gevonden wordt tussen man en vrouw).

Het gedicht heeft vijf delen die verschillen in tempo en toon. De delen beschrijven tijd, ervaring, loutering, gebed en heelheid.

Het is nog wel aardig om op te merken dat een bepaalde retorische vorm die voorkomt in het bijbelboek Prediker – “Er is een tijd om te omhelzen en een tijd om je van omhelzingen te onthouden” – een vorm die enige tijd op vrij indrukwekkende wijze wordt volgehouden, door Eliot regelmatig wordt gehanteerd, te beginnen in het vroege gedicht The Love Song of J. Alfred Prufrock, maar ook in Burnt Norton en uiteraard ook op een paar plaatsen in het onderhavige gedicht.

East Coker bevat overigens ook een directe verwijzing naar de openingsregels van de Goddelijke Komedie van Dante.

Ik heb – tegen mijn gewoonte in – niet van het gehele gedicht één enkele audio-opname toegevoegd, maar ik heb van de verschillende delen afzonderlijke audio-opnames gemaakt.

Dit was geen gemakkelijke klus. Mocht u echte vertaalfouten tegenkomen, dan word ik daar graag op geattendeerd via e-mail – zie de pagina Over de vertaler/auteur, of via de reactiemogelijkheid.

Een vertaling van de hand van Peter van Huizen ter vergelijking, vindt u hier (Liter, Jrg 5, 2002 – via dbnl).



Deel 1 – Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

EAST COKER
(Nr. 2 van Vier kwartetten)

– I –
In mijn aanvang is mijn einde. Huizen komen, gaan,
De een na de ander, ze verkrotten, worden uitgebouwd,
Verwijderd, verwoest, hersteld, of waar ze waren
Is nu een open veld, een fabriek of een rondweg.
Oude steen wordt nieuwbouw, oud hout nieuw vuur,
Oud vuur wordt stof, en stof keert weer tot aarde
Die reeds bestaat uit vlees, vacht en faecaliën,
Skelet van mens en dier, maisstengels en loof.
Huizen leven en sterven: er is een tijd om te bouwen
En een tijd om te leven, een tijd voor nakroost
Een tijd voor de wind om de losse ruit te breken
En aan het houtwerk te rukken waar de veldmuis scharrelt
En te rukken aan het verrafelde wandkleed met stille zinspreuk geweven.

In mijn aanvang is mijn einde. Nu valt het licht
Over het open veld, waarbij de holle weg wegvalt,
Omsloten door begroeiing, donker in de namiddag,
Terwijl je leunt tegen een bankje als een kar passeert,
En de holle weg hardnekkig de kant op gaat
Van het dorp, door een zoemende hitte
Gehypnotiseerd. In een warme waas wordt zwoel licht
Eerder opgezogen dan weerkaatst door grauwe steen.
De dahlia’s slapen in de lege stilte.
Wacht op de vroege uil.
                                           In dat open veld
Als je niet te dichtbij komt, als je niet te dicht bij komt,
Kun je midden in een zomernacht de muziek horen
Van de tere fluit en de kleine trom
En je ziet ze dansen om het kampvuur
Een man en vrouw, verenigd
In parendans, sinnebeeld van echtverbond –
Sacrament van lust en waerdigheid.
Zij aan zij, een onverbrekelyck minnebeeld,
Verband van arm in arm of hand in hand,
Een teecken van opregte trou. Rondom, rondom het vuur
Springend door vlammen, of samen in kringen,
Met boerse ernst of met een boerse lach
Zware voeten geheven in plompe schoenen,
Aardvoeten, lemen voeten, geheven in landelijke vreugde,
Vreugde van wie reeds lang onder aarde
Maiskolven voedt. Het kennen van de tijdmaat,
Het houden van het ritme in de dans
Zoals ze leefden in hun levensgetijden
De tijd van seizoenen en hemelconstellaties
De tijd van melken en de tijd van oogsten
De tijd van paring voor man en vrouw,
En die van beesten. Voeten die komen en gaan.
Eten en drinken. Drek en dood.

De dageraad breekt aan, een nieuwe dag
Maakt zich op voor warmte, stilte. De ochtendwind
Streelt een rimpelende zee. Hier ben ik,
Daar ben ik, of elders. In mijn aanvang.



Deel 2 – Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

East Coker – deel 2

– II –
Wat is November aan het doen
Met al die gekke lente-dingen
Die schepsels van een zomertijd,
Sneeuwklokjes zijn al wijd en zijd
De stokroos is toch veel te hoog
Rood wordt weer grijs; ze vallen af
De jonge roos vol vroege sneeuw?
Donder rolt langs sterren, roterend,
Zegekarren simulerend
Die in kosmische strijd verkeren;
Schorpioen vecht met de Zon
Tot Zon en Maan weer onder gaan
Kometen huilen, Leoniden belagen
De hemelen – het vlakke veld
Tolt in een draaikolk die de wereld
Voortjaagt naar verterend vuur
Dat laait voordat de ijstijd heerst.

Zo kon je het misschien zeggen – weinig bevredigend:
Omschrijvingskunst in uitgediende dichtvorm,
Die ons achter laat met de ondraaglijke worsteling
Om woord en betekenis. De poëzie doet er niet toe.
Het was niet (ik begin opnieuw) wat je verwacht had.
Wat was het waard waar je zo naar uitkeek,
De verbeide rust, de sereniteit van de herfst,
De wijsheid van de oude dag? Bedrogen ze ons
Of bedrogen ze zichzelf, die zachte oude stemmen,
Door ons alleen een recept voor bedrog na te laten?
Hun sereniteit was misschien opzettelijke verdoving,
Hun wijsheid slechts kennis van dode geheimen
Onnut in het duister waarin ze tuurden
Of waarvan ze hun ogen afwenden. Je kunt, zo komt het ons voor,
Op z’n best beperkte waarde ontdekken
In kennis gebaseerd op ervaring.
Kennis verschaft patronen, maar falsifieert ook,
Want het patroon is nieuw op elk moment,
En elk moment verleent een nieuwe, schokkende
Waarde aan ons hele bestaan. We worden alleen dan niet bedrogen
Door wat – hoe bedrieglijk ook – ons niet langer schaadt.
Daar ben je dan halverwege, niet alleen halverwege,
Maar van begin tot eind, in een donker bos, tussen braamstruiken,
Aan de rand van een zompig moeras, waar je nergens kunt staan,
Belaagd door monsters, met dansende lichtjes,
Die je mee willen lokken. Praat me niet
Van de wijsheid van ouderen, maar liever van hun dwaasheid,
Hun angst voor angst en razernij, hun angst voor bezetenheid,
Voor afhankelijkheid van de ander, of van anderen, of van God.
De enige wijsheid die we ooit kunnen verwerven
Is de wijsheid van nederigheid: nederigheid is eindeloos.

Alle huizen zijn verzwolgen door de zee.

Alle dansers zijn verzwolgen door de heuvels.



Deel 3 – Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

East Coker – deel 3

– III –
O, diepe, diepe duisternis. Ze gaan allen het duister in,
De lege interstellaire ruimten, leegte naar leegte,
De hoge heren, de kooplieden, de eminente letterkundigen,
De mecenassen, de staatslieden en de heersers,
De knappe ambtenaren, voorzitters van menige commissie,
Hoge industriëlen en onderaannemers, allen gaan het duister in,
Donker zal de Sun & Moon zijn, en de Almanach de Gotha,
Het Financiële Dagblad, het Register van Directeuren,
Alle gevoel verdord, elk streven verbrijzeld.
En ook wij gaan die kant op, in een zwijgende begrafenisstoet,
Niemands begrafenis, want er is niemand om te begraven.
Ik kalmeerde mezelf, wees stil, laat duisternis op je neerdalen
Die Gods duisternis zal zijn. Zoals op toneel,
De lichten gedoofd, wisseling van decors,
Met drukte en gedoe, met een overgang van duisternis naar duisternis,
En we weten dat de heuvels en de bomen, het verre panorama
En de hele imposante façade zal worden weggetakeld –
Net als wanneer de metro, in de tunnel, al te lang stopt tussen de stations,
En de gesprekken die eerst oplaaien langzaam stil vallen
En je ziet achter alle gezichten de mentale leegte verdiepen
Waarbij de verschrikking overblijft van niks om over na te denken;
Of wanneer, onder ether, de geest bewust is, maar bewust van niets –
Ik zei tot mijn ziel, wees stil, en wacht zonder hoop
Want hoop zou hoop zijn voor het verkeerde; wacht zonder liefde,
Want liefde zou liefde zijn voor het verkeerde; er is nog geloof
Maar het geloof en de liefde en de hoop liggen vervat in het wachten.
Wacht zonder denken, want je bent nog niet klaar om te denken.
Zo zal de duisternis het licht zijn, de stilte het dansen.
Geruis van stromende beekjes, en winterweerlicht.
De onooglijke wilde tijm en de wilde aardbei,
De lach in de tuin, echo’s van extase,
Niet zomaar, maar gretig, wijzend naar de kramp
Van geboorte en dood.
                                           Je zegt dat ik herhaal
Wat ik eerder al zei. Ik zal het nog eens zeggen.
Zal ik het nog eens zeggen? Om te komen,
Om te komen waar je bent, weg te komen van waar je niet bent,
Moet je een weg bewandelen waar geen extase is.
Om te komen bij wat je niet kent
Moet je een weg bewandelen die de weg is van onwetendheid.
Om te bezitten wat je niet bezit
Moet je de weg bewandelen van ontlediging.
Om te komen bij wat je niet bent
Moet je een weg kiezen waar je niet bent.
En wat je niet weet is het enige wat je weet
En wat je hebt is wat je niet hebt
En waar je bent is waar je niet bent.



Deel 4 – Geluidsopname van de vertaling – Arie onneveld

East Coker – deel 4

– IV –
De arts – gewond – hanteert het staal
Dat onderzoekt de ziek geworden delen;
We voelen aan de bloedbesmeurde hand
De scherpe meelij van wie ons wil helen,
Die de rare koortstabel weet te bespelen.

Slechts wat gezond is, is de kwaal,
Mits wij de stervende verpleegster horen
Die ons niet met een opgewekt verhaal
Maar ons met Adams vloek komt storen,
En dat voor beterschap, de kwaal dient te ontsporen.

Ons ziekenhuis is heel de aarde
Een gift van de geruïneerde miljonair,
Waarin wij, als wij ons gedragen,
Ooit zullen sterven met de absolute paternale
Zorg die ons weerhoudt, nooit zal verlaten.

De kou stijgt op tot in de knoken,
De koorts zingt in mentale koorden.
Wie warm wil worden, zorgt dat hij bevriest,
Gelouterd wordt in ijzig vagevuur
Welks vlammen rozen zijn, welks rook is doornen.

Slechts druppend bloed kunnen we drinken,
Slechts bloedig vlees is wat ons voedt:
En toch, en toch blijven we denken
Dat we solide zijn, gedegen vlees en bloed –
Opnieuw, en toch, heet deze Vrijdag goed.



Deel 5 – Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

East Coker – deel 5

– V –
Hier ben ik dan, zo halverwege, twintig jaar verder –
Twintig jaar grotendeels vermorst, de jaren van l’entre deux guerres
Zoekend naar woorden, en elke poging
Is een totaal nieuw begin, weer een nieuwe mislukking
Omdat men slechts geleerd heeft om het beste uit woorden te halen
Voor dingen die je niet langer zou moeten zeggen, of op een manier
Waarop je het niet langer kunt zeggen. En zo begint elk streven
Steeds opnieuw, een aanval op vaagheden
Met gebrekkig gereedschap dat ons steeds in de steek laat
In het rommeltje van slecht omlijnde gevoelens,
Ongedisciplineerde sentimenten. En wat er nog te winnen is
Met kracht en onderwerping, is allang ontdekt,
Een keer, twee keer, meerdere keren, door mensen die je nooit zult kunnen
Overtreffen – maar er is geen competitie –
Er is slechts het gevecht om terug te winnen wat verloren ging
En gevonden en steeds opnieuw verloren: en nu onder voorwaarden
Die weinig veelbelovend lijken. Maar misschien is er winst noch verlies.
We kunnen alleen blijven streven. De rest gaat ons niet aan.
Thuis is van waar we vertrekken. Als we ouder worden
Wordt de wereld vreemder, het patroon van leven en dood
Wordt complexer. Het is niet de intensiteit van
Het afzonderlijke moment, zonder voor en na,
Maar een levenslang branden in elk moment,
En niet slechts de levensduur van een enkel mens,
Maar van oude stenen die je niet kunt ontcijferen.
Er is een tijd voor de avond onder de sterren,
Een tijd voor de avond bij lamplicht
(Die avond met het foto-album).
Liefde komt zichzelf het meest nabij
Als hier en nu niet langer van belang zijn.
Oude mensen horen onderzoekers te zijn
Waar dan ook – het maakt niet uit
We moeten kalm zijn, blijven bewegen
Naar een andere intensiteit
Om een andere eenheid te vinden, een diepere verbondenheid,
Dwars door de kou en de kale verlatenheid,
Door gierende golven, de gierende wind, de uitgestrekte wateren
Van de stormvogel en de dolfijn. In mijn einde is mijn aanvang.



Origineel

EAST COKER
(No. 2 of ‘Four Quartets’)

– I –
In my beginning is my end. In succession
Houses rise and fall, crumble, are extended,
Are removed, destroyed, restored, or in their place
Is an open field, or a factory, or a by-pass.
Old stone to new building, old timber to new fires,
Old fires to ashes, and ashes to the earth
Which is already flesh, fur and faeces,
Bone of man and beast, cornstalk and leaf.
Houses live and die: there is a time for building
And a time for living and for generation
And a time for the wind to break the loosened pane
And to shake the wainscot where the field-mouse trots
And to shake the tattered arras woven with a silent motto.

In my beginning is my end. Now the light falls
Across the open field, leaving the deep lane
Shuttered with branches, dark in the afternoon,
Where you lean against a bank while a van passes,
And the deep lane insists on the direction
Into the village, in the electric heat
Hypnotised. In a warm haze the sultry light
Is absorbed, not refracted, by grey stone.
The dahlias sleep in the empty silence.
Wait for the early owl.
In that open field
If you do not come too close, if you do not come too close,
On a summer midnight, you can hear the music
Of the weak pipe and the little drum
And see them dancing around the bonfire
The association of man and woman
In daunsinge, signifying matrimonie—
A dignified and commodiois sacrament.
Two and two, necessarye coniunction,
Holding eche other by the hand or the arm
Whiche betokeneth concorde. Round and round the fire
Leaping through the flames, or joined in circles,
Rustically solemn or in rustic laughter
Lifting heavy feet in clumsy shoes,
Earth feet, loam feet, lifted in country mirth
Mirth of those long since under earth
Nourishing the corn. Keeping time,
Keeping the rhythm in their dancing
As in their living in the living seasons
The time of the seasons and the constellations
The time of milking and the time of harvest
The time of the coupling of man and woman
And that of beasts. Feet rising and falling.
Eating and drinking. Dung and death.

Dawn points, and another day
Prepares for heat and silence. Out at sea the dawn wind
Wrinkles and slides. I am here
Or there, or elsewhere. In my beginning.

– II –
What is the late November doing
With the disturbance of the spring
And creatures of the summer heat,
And snowdrops writhing under feet
And hollyhocks that aim too high
Red into grey and tumble down
Late roses filled with early snow?
Thunder rolled by the rolling stars
Simulates triumphal cars
Deployed in constellated wars
Scorpion fights against the Sun
Until the Sun and Moon go down
Comets weep and Leonids fly
Hunt the heavens and the plains
Whirled in a vortex that shall bring
The world to that destructive fire
Which burns before the ice-cap reigns.

That was a way of putting it—not very satisfactory:
A periphrastic study in a worn-out poetical fashion,
Leaving one still with the intolerable wrestle
With words and meanings. The poetry does not matter.
It was not (to start again) what one had expected.
What was to be the value of the long looked forward to,
Long hoped for calm, the autumnal serenity
And the wisdom of age? Had they deceived us
Or deceived themselves, the quiet-voiced elders,
Bequeathing us merely a receipt for deceit?
The serenity only a deliberate hebetude,
The wisdom only the knowledge of dead secrets
Useless in the darkness into which they peered
Or from which they turned their eyes. There is, it seems to us,
At best, only a limited value
In the knowledge derived from experience.
The knowledge imposes a pattern, and falsifies,
For the pattern is new in every moment
And every moment is a new and shocking
Valuation of all we have been. We are only undeceived
Of that which, deceiving, could no longer harm.
In the middle, not only in the middle of the way
But all the way, in a dark wood, in a bramble,
On the edge of a grimpen, where is no secure foothold,
And menaced by monsters, fancy lights,
Risking enchantment. Do not let me hear
Of the wisdom of old men, but rather of their folly,
Their fear of fear and frenzy, their fear of possession,
Of belonging to another, or to others, or to God.
The only wisdom we can hope to acquire
Is the wisdom of humility: humility is endless.

The houses are all gone under the sea.

The dancers are all gone under the hill.

– III –
O dark dark dark. They all go into the dark,
The vacant interstellar spaces, the vacant into the vacant,
The captains, merchant bankers, eminent men of letters,
The generous patrons of art, the statesmen and the rulers,
Distinguished civil servants, chairmen of many committees,
Industrial lords and petty contractors, all go into the dark,
And dark the Sun and Moon, and the Almanach de Gotha
And the Stock Exchange Gazette, the Directory of Directors,
And cold the sense and lost the motive of action.
And we all go with them, into the silent funeral,
Nobody’s funeral, for there is no one to bury.
I said to my soul, be still, and let the dark come upon you
Which shall be the darkness of God. As, in a theatre,
The lights are extinguished, for the scene to be changed
With a hollow rumble of wings, with a movement of darkness on darkness,
And we know that the hills and the trees, the distant panorama
And the bold imposing facade are all being rolled away—
Or as, when an underground train, in the tube, stops too long between stations
And the conversation rises and slowly fades into silence
And you see behind every face the mental emptiness deepen
Leaving only the growing terror of nothing to think about;
Or when, under ether, the mind is conscious but conscious of nothing—
I said to my soul, be still, and wait without hope
For hope would be hope for the wrong thing; wait without love,
For love would be love of the wrong thing; there is yet faith
But the faith and the love and the hope are all in the waiting.
Wait without thought, for you are not ready for thought:
So the darkness shall be the light, and the stillness the dancing.
Whisper of running streams, and winter lightning.
The wild thyme unseen and the wild strawberry,
The laughter in the garden, echoed ecstasy
Not lost, but requiring, pointing to the agony
Of death and birth.
You say I am repeating
Something I have said before. I shall say it again.
Shall I say it again? In order to arrive there,
To arrive where you are, to get from where you are not,
You must go by a way wherein there is no ecstasy.
In order to arrive at what you do not know
You must go by a way which is the way of ignorance.
In order to possess what you do not possess
You must go by the way of dispossession.
In order to arrive at what you are not
You must go through the way in which you are not.
And what you do not know is the only thing you know
And what you own is what you do not own
And where you are is where you are not.

– IV –
The wounded surgeon plies the steel
That questions the distempered part;
Beneath the bleeding hands we feel
The sharp compassion of the healer’s art
Resolving the enigma of the fever chart.

Our only health is the disease
If we obey the dying nurse
Whose constant care is not to please
But to remind of our, and Adam’s curse,
And that, to be restored, our sickness must grow worse.

The whole earth is our hospital
Endowed by the ruined millionaire,
Wherein, if we do well, we shall
Die of the absolute paternal care
That will not leave us, but prevents us everywhere.

The chill ascends from feet to knees,
The fever sings in mental wires.
If to be warmed, then I must freeze
And quake in frigid purgatorial fires
Of which the flame is roses, and the smoke is briars.

The dripping blood our only drink,
The bloody flesh our only food:
In spite of which we like to think
That we are sound, substantial flesh and blood—
Again, in spite of that, we call this Friday good.

– V –
So here I am, in the middle way, having had twenty years—
Twenty years largely wasted, the years of l’entre deux guerres
Trying to use words, and every attempt
Is a wholly new start, and a different kind of failure
Because one has only learnt to get the better of words
For the thing one no longer has to say, or the way in which
One is no longer disposed to say it. And so each venture
Is a new beginning, a raid on the inarticulate
With shabby equipment always deteriorating
In the general mess of imprecision of feeling,
Undisciplined squads of emotion. And what there is to conquer
By strength and submission, has already been discovered
Once or twice, or several times, by men whom one cannot hope
To emulate—but there is no competition—
There is only the fight to recover what has been lost
And found and lost again and again: and now, under conditions
That seem unpropitious. But perhaps neither gain nor loss.
For us, there is only the trying. The rest is not our business.
Home is where one starts from. As we grow older
The world becomes stranger, the pattern more complicated
Of dead and living. Not the intense moment
Isolated, with no before and after,
But a lifetime burning in every moment
And not the lifetime of one man only
But of old stones that cannot be deciphered.
There is a time for the evening under starlight,
A time for the evening under lamplight
(The evening with the photograph album).
Love is most nearly itself
When here and now cease to matter.
Old men ought to be explorers
Here or there does not matter
We must be still and still moving
Into another intensity
For a further union, a deeper communion
Through the dark cold and the empty desolation,
The wave cry, the wind cry, the vast waters
Of the petrel and the porpoise. In my end is my beginning.

Burnt Norton – (Gedicht I van Vier Kwartetten) – T.S. Eliot

T. S. Eliot (1888-1965) was een Amerikaans-Engelse dichter die in Nederland het meest bekend is geworden door het desolate gedicht The Waste Land, met de bekende openingszinnen:

April is the cruellest month, breeding
Lilacs out of the dead land, mixing
Memory and desire, stirring
Dull roots with spring rain.
Winter kept us warm, covering
Earth in forgetful snow, feeding
A little life with dried tubers.

Het gedicht The Waste Land weerspiegelde zowel zijn sombere kijk op de stand van de beschaving als zijn sombere kijk op de stand van zijn toenmalige huwelijk (1936).

Eliot was een ‘conservatieve modernist’, om een woord te gebruiken dat de historicus, schrijver en journalist Rob Hartmans heeft opgenomen in de ondertitel van zijn zeer interessante Eliot-boek: T.S. Eliot. De vele gezichten van een conservatieve modernist, Amsterdam: Spectrum 2022. Aan het boek van Hartmans heb ik een aantal van de hierna genoemde feiten ontleend.

Eliot heeft zijn hele volwassen leven in het Verenigd Koninkrijk gewoond en gewerkt, eerst bij een bank, later bij Faber & Faber, een uitgever die zich ontwikkelde tot de voornaamste uitgever van poëzie in de engelstalige wereld.

Op latere leeftijd bekeerde hij zich tot de Anglo-Katholieke tak van The Church of England – de Anglicaanse Kerk. Uit die tijd dateren ook Four Quartets – Vier Kwartetten – die ook heel bekend geworden zijn. T.S. Eliot ontving in 1948 de Nobelprijs voor Literatuur.

In 1936 heeft Eliot het gedicht Burnt Norton gepubliceerd. Het waren herschreven passages uit een vroege versie van het drama in verzen Murder in the Cathedral. Het was geïnspireerd door het vijftiende strijkkwartet van Beethoven (opus 132). Het gedicht telt 175 regels en is genoemd naar een landgoed dat Eliot twee jaar eerder met een vriendin – Emily Hale – had bezocht. Het gedicht bestaat uit vijf delen die onderling enigszins verschillen in stijl en tempo.

In 1939 besloot Eliot nog drie gedichten met een vergelijkbare vorm aan Burnt Norton toe te voegen. In 1940 publiceerde hij East Coker, in 1941 The Dry Salvages, in 1942 Little Gidding. In 1943 verschenen deze gedichten bij Faber and Faber als de bundel Four Quartets.

Het centrale thema van de kwartettencuclus is de tijd – Eliot contrasteerde vergankelijke tijd en eeuwige tijd. Alle kwartetten verwezen naar een concrete plaats. En in ieder kwartet staat een bepaald seizoen centraal alsmede één van de vier elementen lucht, aarde, water en vuur. In Burnt Norton zijn het achtereenvolgens het landgoed uit de titel, de zomer en het element lucht.

Het gedicht is op veel plaatsen abstract, maar verwijst toch zeker ook naar concrete realiteiten: de tuin van Burnt Norton, een rit met een koets, het lichamelijke, een rit met de metro, het uitspansel, opnieuw de tuin. Het beeld van de rozentuin wordt vaak gebruikt in een erotische context.

Het gedicht verwijst naar tal van bekende werken uit de wereldliteratuur, onder andere naar de bijbel, de Veda’s, naar Dante (die in de slotregel van de Divina Kommedia gewag maakt van de liefde die het al beweegt), en naar Johannes van het Kruis, auteur van Donkere nacht van de ziel, in de passage over de trapopgangen.

Het Engelse woord ‘smokefall’ komt volgens de OED alleen in dit gedicht van Eliot voor. Ik heb het met ‘mistflarden’ vertaald, maar misschien weet iemand iets beters of beschikt hij/zij mogelijk over informatie waarover ik niet de beschikking had.

Het begrip tijd komt voortdurend voor. Begrippen als ‘de tijd van nu’, ‘de verleden tijd’ en ‘de toekomstige tijd’ worden voortdurend gebruikt, maar ze zijn in deze vorm voor mij als vertaler niet altijd goed bruikbaar – de retorische kracht van het gedicht is een heel belangrijk kenmerk. Ik heb een paar oplossingen verzonnen waarvan ik hoop dat ze voor de lezer van de vertaling werken.

Ik heb – tegen mijn gewoonte in – niet van het gehele gedicht één enkele audio-opname toegevoegd, maar ik heb van de verschillende delen afzonderlijke audio-opnames gemaakt.

Dit was geen gemakkelijke klus. Mocht u echte vertaalfouten tegenkomen, dan word ik daar graag op geattendeerd via e-mail – zie de pagina Over de vertaler/auteur, of via de reactiemogelijkheid.

Een vertaling van de hand van Peter van Huizen ter vergelijking, vindt u hier (Liter, Jrg 5, 2002 – via dbnl).

Hier vindt u een versie van het originele gedicht.



Vertaling

Burnt Norton
Nr. 1 van Vier Kwartetten

Geluidsopname vertaling Burnt Norton – deel 1 – Arie Sonneveld

– I –
Tijd van nu en tijd van toen
Zijn wellicht tegenwoordig in de tijd van straks,
En tijd van straks ligt steeds gevat in tijd van toen.
Als alle tijd voor eeuwig tegenwoordig is
Is alle tijd volkomen reddeloos.
Wat had kunnen zijn is een abstractie,
Blijft voor altijd mogelijkheid
Maar slechts in een denkbeeldige wereld.
Wat had kunnen zijn, wat is geweest
Wijzen naar één verte, die altijd daar is.
Voetstappen echoën in het geheugen
Langs een pad dat we niet namen
Naar de toegang tot de rozentuin
Die we nooit openden. Zo echoën mijn woorden
In jouw geest.
                             Maar waartoe ik
Het stof zou verstoren op een schaal met rozenblaadjes
Weet ik niet.
                             Andere echo’s
Wonen in de tuin. Zullen we er achteraan?
Vlug, zei de vogel, zoek ze, zoek ze
Om de hoek. Zullen we gaan door dat hek,
Naar onze eerste wereld. Zullen we erachter aan,
De lokroep van de lijster. Naar onze eerste wereld.
Daar waren ze, waardig, onzichtbaar,
Zorgeloos bewegend, over dorre blaadjes,
In de hitte van de herfst, door de trillende lucht,
En de vogel riep, in antwoord op
Ongehoorde muziek in struikgewas verborgen,
En een ongeziene gekruiste blik, want de rozen
Leken op bloemen die wisten bekeken te worden.
Ze waren er als onze gasten, ze mochten er zijn, ze wilden er zijn.
Zo gingen wij, ook zij, in formele schikking,
Langs de verlaten laan, naar de ronde ruimte,
Om neer te kijken in de verdroogde poel.
Droog was de poel, droog het beton, bruingerand,
En de poel werd gevuld met water uit zonlicht,
En de lotus steeg op, zachtjes, zachtjes,
Het oppervlak schitterde uit een lichtend hart,
En ze waren achter ons, weerspiegeld in de poel.
Toen schoof een wolk langs, en de poel was leeg.
Ga nu, zei de vogel, want het gebladerte zat vol kinderen,
Verstopt in spanning, hun lachen inhoudend.
Ga, ga, ga nu, zei de vogel: de mensheid
Kan weinig werkelijkheid verdragen.
Tijd van toen en tijd van straks
Wat had kunnen zijn, wat is geweest
Wijzen naar één verte, die altijd daar is.

Geluidsopname vertaling Burnt Norton – deel 2 – Arie Sonneveld

– II –
Saffier en knoflook in het slijk
Remmen de wentelende as.
Trillende snaren in ons bloed
Zingen onder tekenen van wonden
Die in oude oorlogen ontstonden.
De dans doorheen ons bloedsysteem,
De rondgang van ons lymfevocht
Wordt aan de hemelen geschikt
Stijgt op als zomer in ‘t geboomte,
En wij zijn boven dat geboomte
In het lichtspel op het loof
En horen over natte gronden
Onder ons, de zwijnen en de honden
Die volgen trouw hun oud patroon
Maar met de hemelen verbonden.

Bij de roerloze kern van een rusteloze wereld. Geen vlees geen vleesloosheid;
Niet heen- en niet teruggaand; bij die roerloze kern, daar is de dans,
Maar zonder gaan en zonder staan. En noem het geen starheid,
Waar heden en verleden bijeen zijn. Geen terugkomst, geen heengaan,
Geen opgang, geen neergang. Zonder die kern, die roerloze kern,
Kon geen dans ooit bestaan, en slechts daar is de dans.
Ik kan alleen zeggen, daar waren we: maar ik kan niet zeggen waar.
En ik kan niet zeggen hoe lang, want dat plaatst het in de tijd.
Bevrijding van praktische verlangens,
Vrijheid van handeling en leed, losmaking van innerlijke
En uiterlijke dwang, terwijl je omringd bent
Door een rijkdom aan zin, een wit licht dat je omgeeft,
Erhebung zonder beweging, concentratie
Zonder uitsluiting, zowel een nieuwe wereld
Als de oude die scherp wordt uitgedrukt, begrepen
In de voltooiing van zijn onvolkomen extase,
De losmaking uit zijn onvolkomen gruwel.
Toch zal de ketening aan toen en straks,
Geweven in de zwakte van het vergankelijke lichaam,
De mensheid beschermen tegen hemel en doem
Zo onverdraaglijk voor het vlees.
Tijd van toen en tijd van straks
Staan maar weinig bewustzijn toe.
Bewust te zijn is buiten de tijd te staan
Maar slechts in tijd kan het moment in de rozentuin,
Het moment in het prieel als de regen tokkelt,
Het moment in de tochtige kerk tussen de mistflarden
Worden herinnerd – betrokken op toen en straks.
Tijd wordt slechts door tijd overwonnen.

Geluidsopname vertaling Burnt Norton – deel 3 – Arie Sonneveld

– III –
Dit is een plaats van ongemak
Tijd ervoor en tijd erna
In schemertoestand: geen daglicht
Die de gestalte ongereptheid verleend
Die schaduwen vluchtige schoonheid geeft
Door trage wisseling die bestendigheid suggereert
Geen duisternis die de ziel zuivert
Die het zinnelijke ledigt door onthouding
Die genegenheid reinigt van het tijdelijke.
Geen volheid geen leegte. Slechts een schijnsel
Op gespannen gezichten getekend door de tijd
Door afleiding afgeleid van elke afleiding
Gevuld met inbeelding en gespeend van zin
Apathie die zich breed maakt zonder concentratie
Mensen en snippers, rondtollend in koude wind
Die waait voor en na de tijd,
wind die ongezonde longen in gaat en uit
De tijd ervoor en de tijd erna.
Oprispingen van zieke zielen
In armelijke lucht, loomheid
Die wegdrijft op de wind die strijkt over de sombere heuvels van Londen,
Hampstead en Clerkenwell, Capden en Putney
Highgate, Primrose en Ludgate. Niet hier
Niet hier de duisternis, in deze kwetterende wereld.

Daal verder af, daal af om te komen
In de wereld van niet aflatende eenzaamheid,
Wereld geen wereld, al wat geen wereld is,
Innerlijke duisternis, teloorgang
En aftakeling van alle bezit,
Verdorring van de wereld der zinnen,
Ontruiming van de wereld der verbeelding,
Werkeloosheid van de wereld van de geest;
Dit is de ene richting, en de ander
Is hetzelfde, niet in gaan
Maar in afzien van gaan; terwijl de wereld voortgaat
Met gretigheid, op zijn metalen sporen
Van de verleden tijd en de toekomende.

Geluidsopname vertaling Burnt Norton – deel 4 – Arie Sonneveld

– IV –
Tijd en klokgelui droegen de dag ten grave,
De zwarte wolk doet de zon uitgeleide.
Zal de zonnebloem naar ons neigen, zal de clematis
Zich zoekend tot ons wenden, rank en twijg
Die zich vastklampen?
                                         Sluiten
Kille vingers van de taxusboom
Zich om ons heen? Sinds het kleed van de ijsvogel
Licht heeft beantwoord met licht, roerloos werd, was het licht nog
Bij de roerloze kern van een rusteloze wereld.

Geluidsopname vertaling Burnt Norton – deel 5 – Arie Sonneveld

– V –
Woorden bewegen, muziek beweegt
Alleen in de tijd; maar dat wat slechts leeft
Kan slechts sterven. Woorden, voorbij taal, reiken
Naar de stilte. Slechts door de vorm, het patroon
Kunnen woord of muziek reiken
Naar roerloze stilte, zoals een Chinese vaas
Voortdurend stil beweegt in zijn roerloze stilte.
Niet de stilte van de viool, terwijl de noot naklinkt,
Niet dat alleen, maar het samen bestaan,
Of zeg dat het eind voorafgaat aan het begin,
En het eind en het begin waren er steeds
Voor het begin en na het eind,
En alles is nu altijd. Woorden krampen,
Kraken, en breken soms onder de last,
Onder de spanning, ze glippen, glijden, kwijnen weg,
Sterven in slordigheid, blijven niet waar ze horen,
Blijven niet stil. Schrille stemmen
Die schelden, spotten of alleen maar kletsen
Vergezellen hen altijd. Het Woord in de woestijn
Wordt het meest bedreigd door stemmen der verleiding,
De luidruchtige schaduw in de begrafenisdans,
De luide klacht van de troosteloze chimaera.

Het detail van het patroon is beweging
Zoals in het beeld van de tien trapopgangen.
De begeerte zelf is beweging,
Op zichzelf niet begerenswaardig;
De liefde zelf is onbeweeglijk,
Slechts doel en oorzaak van beweging,
Tijdloos, en niets begerend
Behalve in het aspect van tijd
Dat zich laat kennen als beperking
Tussen zijn en niet-zijn.
Opeens in een baan van zonlicht
Zelfs als het stof beweegt
Verheft zich het verborgen lachen
Van kinderen in het groen
Snel nu, hier, nu, altijd –
Lachwekkend hoe vermorste droeve tijd
zich uitstrekt voor en na.



Origineel

BURNT NORTON
(No. 1 of Four Quartets)

– I –
Time present and time past
Are both perhaps present in time future,
And time future contained in time past.
If all time is eternally present
All time is unredeemable.
What might have been is an abstraction
Remaining a perpetual possibility
Only in a world of speculation.
What might have been and what has been
Point to one end, which is always present.
Footfalls echo in the memory
Down the passage which we did not take
Towards the door we never opened
Into the rose-garden. My words echo
Thus, in your mind.
                           But to what purpose
Disturbing the dust on a bowl of rose-leaves
I do not know.
                           Other echoes
Inhabit the garden. Shall we follow?
Quick, said the bird, find them, find them,
Round the corner. Through the first gate,
Into our first world, shall we follow
The deception of the thrush? Into our first world.
There they were, dignified, invisible,
Moving without pressure, over the dead leaves,
In the autumn heat, through the vibrant air,
And the bird called, in response to
The unheard music hidden in the shrubbery,
And the unseen eyebeam crossed, for the roses
Had the look of flowers that are looked at.
There they were as our guests, accepted and accepting.
So we moved, and they, in a formal pattern,
Along the empty alley, into the box circle,
To look down into the drained pool.
Dry the pool, dry concrete, brown edged,
And the pool was filled with water out of sunlight,
And the lotos rose, quietly, quietly,
The surface glittered out of heart of light,
And they were behind us, reflected in the pool.
Then a cloud passed, and the pool was empty.
Go, said the bird, for the leaves were full of children,
Hidden excitedly, containing laughter.
Go, go, go, said the bird: human kind
Cannot bear very much reality.
Time past and time future
What might have been and what has been
Point to one end, which is always present.

– II –
Garlic and sapphires in the mud
Clot the bedded axle-tree.
The trilling wire in the blood
Sings below inveterate scars
Appeasing long forgotten wars.
The dance along the artery
The circulation of the lymph
Are figured in the drift of stars
Ascend to summer in the tree
We move above the moving tree
In light upon the figured leaf
And hear upon the sodden floor
Below, the boarhound and the boar
Pursue their pattern as before
But reconciled among the stars.

At the still point of the turning world. Neither flesh nor fleshless;
Neither from nor towards; at the still point, there the dance is,
But neither arrest nor movement. And do not call it fixity,
Where past and future are gathered. Neither movement from nor towards,
Neither ascent nor decline. Except for the point, the still point,
There would be no dance, and there is only the dance.
I can only say, there we have been: but I cannot say where.
And I cannot say, how long, for that is to place it in time.
The inner freedom from the practical desire,
The release from action and suffering, release from the inner
And the outer compulsion, yet surrounded
By a grace of sense, a white light still and moving,
Erhebung without motion, concentration
Without elimination, both a new world
And the old made explicit, understood
In the completion of its partial ecstasy,
The resolution of its partial horror.
Yet the enchainment of past and future
Woven in the weakness of the changing body,
Protects mankind from heaven and damnation
Which flesh cannot endure.
Time past and time future
Allow but a little consciousness.
To be conscious is not to be in time
But only in time can the moment in the rose-garden,
The moment in the arbour where the rain beat,
The moment in the draughty church at smokefall
Be remembered; involved with past and future.
Only through time time is conquered.

– III –
Here is a place of disaffection
Time before and time after
In a dim light: neither daylight
Investing form with lucid stillness
Turning shadow into transient beauty
With slow rotation suggesting permanence
Nor darkness to purify the soul
Emptying the sensual with deprivation
Cleansing affection from the temporal.
Neither plenitude nor vacancy. Only a flicker
Over the strained time-ridden faces
Distracted from distraction by distraction
Filled with fancies and empty of meaning
Tumid apathy with no concentration
Men and bits of paper, whirled by the cold wind
That blows before and after time,
Wind in and out of unwholesome lungs
Time before and time after.
Eructation of unhealthy souls
Into the faded air, the torpid
Driven on the wind that sweeps the gloomy hills of London,
Hampstead and Clerkenwell, Campden and Putney,
Highgate, Primrose and Ludgate. Not here
Not here the darkness, in this twittering world.

Descend lower, descend only
Into the world of perpetual solitude,
World not world, but that which is not world,
Internal darkness, deprivation
And destitution of all property,
Desiccation of the world of sense,
Evacuation of the world of fancy,
Inoperancy of the world of spirit;
This is the one way, and the other
Is the same, not in movement
But abstention from movement; while the world moves
In appetency, on its metalled ways
Of time past and time future.

– IV –
Time and the bell have buried the day,
The black cloud carries the sun away.
Will the sunflower turn to us, will the clematis
Stray down, bend to us; tendril and spray
Clutch and cling?
                               Chill
Fingers of yew be curled
Down on us? After the kingfisher’s wing
Has answered light to light, and is silent, the light is still
At the still point of the turning world.

– V –
Words move, music moves
Only in time; but that which is only living
Can only die. Words, after speech, reach
Into the silence. Only by the form, the pattern,
Can words or music reach
The stillness, as a Chinese jar still
Moves perpetually in its stillness.
Not the stillness of the violin, while the note lasts,
Not that only, but the co-existence,
Or say that the end precedes the beginning,
And the end and the beginning were always there
Before the beginning and after the end.
And all is always now. Words strain,
Crack and sometimes break, under the burden,
Under the tension, slip, slide, perish,
Decay with imprecision, will not stay in place,
Will not stay still. Shrieking voices
Scolding, mocking, or merely chattering,
Always assail them. The Word in the desert
Is most attacked by voices of temptation,
The crying shadow in the funeral dance,
The loud lament of the disconsolate chimera.

The detail of the pattern is movement,
As in the figure of the ten stairs.
Desire itself is movement
Not in itself desirable;
Love is itself unmoving,
Only the cause and end of movement,
Timeless, and undesiring
Except in the aspect of time
Caught in the form of limitation
Between un-being and being.
Sudden in a shaft of sunlight
Even while the dust moves
There rises the hidden laughter
Of children in the foliage
Quick now, here, now, always—
Ridiculous the waste sad time
Stretching before and after.