T. S. Eliot (1888-1965) was een Amerikaans-Engelse dichter die in Nederland het meest bekend is geworden door het desolate gedicht The Waste Land, met de bekende openingszinnen:
April is the cruellest month, breeding Lilacs out of the dead land, mixing Memory and desire, stirring Dull roots with spring rain.
Dit gedicht vestigde zijn naam als modernist in de Engelstalige letteren.
Eliot was Amerikaan van geboorte, maar vestigde zich in 1915 in het Verenigd Koninkrijk. Hij heeft daar zijn hele verdere leven gewoond en gewerkt, eerst bij een bank, later bij Faber & Faber, een uitgever die zich ontwikkelde tot de voornaamste uitgever van poëzie in de engelstalige wereld. T.S. Eliot ontving in 1948 de Nobelprijs voor Literatuur.
In Amerika werd hij opgevoed in de sfeer van de Unitariërs, een kerkgenootschap aan de rand van het christendom waarbinnen men niet geloofde aan de goddelijkheid van Jezus en niet in de Drieëenheid. De kerk werd gekenmerkt door een spiritualiteit waarin orde en discipline belangrijk waren, waarden die voor Eliot altijd belangrijk zijn gebleven.
Mede door zijn bekering kreeg hij in bepaalde kringen de naam een oude conservatieve mopperaar te zijn, zoals u onder andere kunt nalezen in het artikel van (de auteur heeft zijn achternaam niet mee): Andrew Epstein, How Did T.S. Eliot Go From Young and Wild to Old and Stodgy?, The New York Times, 2 sept. 2022.
Hier vindt u een Nederlands voorbeeld van dat hoofdschudden: de bespreking door Joris Note van Paul Claes’ vertaling van de Four Quartets, waarin die afkeer van Eliots bekering tot in de titel doorklinkt: “Een bekeerde dichter”. Overigens zwalkt Note wel een beetje – enerzijds vindt hij Claes’ vertaling goed – terecht – en heeft hij ook waardering voor de kwartetten, maar anderzijds vindt hij Eliot maar een vervelende zeur met zijn christendom.
Over dat raadsel wonden overigens ook velen zich op in zijn tijd. Virginia Woolf die Eliot goed kende, schreef aan haar zus Vanessa Bell:
“Ik had een bijzonder beschamend en verontrustend gesprek met de arme, lieve Tom Eliot, die we vanaf vandaag allemaal wel als dood mogen beschouwen. Hij is anglo-katholiek geworden, gelooft in God en onsterfelijkheid, en gaat naar de kerk. Ik was geschokt. Een lijk zou op mij nog geloofwaardiger overkomen dan hij. Ik bedoel, het heeft toch iets obsceens als een levend persoon bij de haard zit en in God gelooft.”
Dit citaat komt uit het zeer interessante Eliot-boek van Rob Hartmans, T.S. Eliot. De vele gezichten van een conservatieve modernist, Amsterdam: Spectrum 2022, p. 136. Hartmans probeert Eliot in dat boek te redden uit handen van zijn verguizers, overigens zonder hem in alle opzichten te volgen. De ondertitel van zijn boek geeft al zijn genuanceerde benadering aan. Aan het boek van Hartmans heb ik een aantal van de in dit stuk genoemde genoemde feiten ontleend.
In 1936 publiceerde Eliot het gedicht Burnt Norton. In 1939 besloot Eliot nog drie gedichten met een vergelijkbare vorm aan Burnt Norton toe te voegen. In 1940 publiceerde hij East Coker, in 1941 The Dry Salvages, in 1942 Little Gidding. In 1943 verschenen deze gedichten bij Faber and Faber als de bundel Four Quartets.
Het centrale thema van de kwartettencyclus is de tijd – Eliot contrasteerde vergankelijke tijd en eeuwige tijd. Alle kwartetten verwezen naar een concrete plaats. En in ieder kwartet staat een bepaald seizoen min of meer centraal alsmede één van de vier elementen lucht, aarde, water en vuur.
Het gedicht bestaat uit vier delen die steeds een belangrijke plaats in Eliots leven innemen.
T. S. Eliot (1888-1965) was een Amerikaans-Engelse dichter die in Nederland het meest bekend is geworden door het desolate gedicht The Waste Land, met de bekende openingszinnen:
April is the cruellest month, breeding Lilacs out of the dead land, mixing Memory and desire, stirring Dull roots with spring rain.
Dit gedicht vestigde zijn naam als modernist in de Engelstalige letteren.
[Deze introductie kunt u verder overslaan als u de introducties tot de andere delen van de Vier kwartetten al eens gelezen hebt. Het gedeelte dat specifiek over The Dry Salvages gaat begint met een alinea waarvan de openingswoorden luiden: “Het onderhavige gedicht …]
Eliot was Amerikaan van geboorte, maar vestigde zich in 1915 in het Verenigd Koninkrijk. Hij heeft daar zijn hele verdere leven gewoond en gewerkt, eerst bij een bank, later bij Faber & Faber, een uitgever die zich ontwikkelde tot de voornaamste uitgever van poëzie in de engelstalige wereld. T.S. Eliot ontving in 1948 de Nobelprijs voor Literatuur.
In Amerika werd hij opgevoed in de sfeer van de Unitariërs, een kerkgenootschap aan de rand van het christendom waarbinnen men niet geloofde aan de goddelijkheid van Jezus en niet in de Drieëenheid. De kerk werd gekenmerkt door een spiritualiteit waarin orde en discipline belangrijk waren, waarden die voor Eliot altijd belangrijk zijn gebleven.
Mede door zijn bekering kreeg hij in bepaalde kringen de naam een oude conservatieve mopperaar te zijn, zoals u onder andere kunt nalezen in het artikel van (de auteur heeft zijn achternaam niet mee): Andrew Epstein, How Did T.S. Eliot Go From Young and Wild to Old and Stodgy?, The New York Times, 2 sept. 2022. Aan dat artikel heb ik ook de openingsfoto van T.S. Eliot ontleend.
Hier vindt u een Nederlands voorbeeld van dat hoofdschudden: de bespreking door Joris Note van Paul Claes’ vertaling van de Four Quartets, waarin die afkeer van Eliots bekering tot in de titel doorklinkt: “Een bekeerde dichter”. Overigens zwalkt Note wel een beetje – enerzijds vindt hij Claes’ vertaling goed – terecht – en heeft hij ook waardering voor de kwartetten, maar anderzijds vindt hij Eliot maar een vervelende zeur met zijn christendom.
Over dat raadsel wonden overigens ook velen zich op in zijn tijd. Virginia Woolf die Eliot goed kende, schreef aan haar zus Vanessa Bell:
“Ik had een bijzonder beschamend en verontrustend gesprek met de arme, lieve Tom Eliot, die we vanaf vandaag allemaal wel als dood mogen beschouwen. Hij is anglo-katholiek geworden, gelooft in God en onsterfelijkheid, en gaat naar de kerk. Ik was geschokt. Een lijk zou op mij nog geloofwaardiger overkomen dan hij. Ik bedoel, het heeft toch iets obsceens als een levend persoon bij de haard zit en in God gelooft.”
Dit citaat komt uit het zeer interessante Eliot-boek van Rob Hartmans, T.S. Eliot. De vele gezichten van een conservatieve modernist, Amsterdam: Spectrum 2022, p. 136. Hartmans probeert Eliot in dat boek te redden uit handen van zijn verguizers, overigens zonder hem in alle opzichten te volgen. De ondertitel van zijn boek geeft al zijn genuanceerde benadering aan. Aan het boek van Hartmans heb ik een aantal van de in dit stuk genoemde genoemde feiten ontleend.
In 1936 publiceerde Eliot het gedicht Burnt Norton. In 1939 besloot Eliot nog drie gedichten met een vergelijkbare vorm aan Burnt Norton toe te voegen. In 1940 publiceerde hij East Coker, in 1941 The Dry Salvages, in 1942 Little Gidding. In 1943 verschenen deze gedichten bij Faber and Faber als de bundel Four Quartets.
Het onderhavige gedicht The Dry Salvages – waarschijnlijk een verbastering van het Franse les trois sauvages (de drie wilden) – is vernoemd naar een kleine rotsformatie voor de noordoostkust van Cape Ann in Massachusetts waar Eliot in zijn jonge jaren soms verbleef en in de omgeving waarvan hij graag zeilde. Die ervaringen worden op sommige plaatsen in dit derde deel van Four Quartets dichterlijk verwerkt.
Het centrale thema van de kwartettencuclus is de tijd – Eliot contrasteerde vergankelijke tijd en eeuwige tijd. Alle kwartetten verwezen naar een concrete plaats. En in ieder kwartet staat een bepaald seizoen min of meer centraal alsmede één van de vier elementen lucht, aarde, water en vuur. In The Dry Salvages zijn het achtereenvolgens de genoemde rotsformatie uit de titel, het seizoen is voor mij een beetje onduidelijk, en het element water.
The Dry Salvages heeft vijf delen – net als de andere kwartetten – die verschillen in tempo en toon. Het gedicht is wat de vorm betreft – eveneens net als de andere kwartetten – geïnspireerd door het vijftiende strijkkwartet van Beethoven (opus 132).
Het gedicht verwijst naar tal van bekende werken uit de wereldliteratuur, onder andere naar de bijbel, de Baghavad Gita, naar Dante, en naar de christelijke liturgie. De Baghavad Gita speelt expliciet een rol. Verwezen wordt naar een dialoog waarin Krishna Arjuna instrueert en vermaant. Het belangrijkste element dat Eliot daaruit overneemt is de belangeloosheid van de daad: wat de daad iemand oplevert, is niet van belang.
Deel II bevat zes zesregelige strofen waarvan de regels 1 eindrijm hebben, de regels 2 idem, enz. Omdat de rijmen vrij ver uit elkaar staan, zijn er een aantal vrij nadrukkelijk, soms ook met ongebruikelijke woorden in het Engels. Ik heb geprobeerd die praktijk in mijn vertaling te handhaven.
Het gebed in deel IV is gericht aan Maria, de moeder van God. Figlia del tuo figlio is een citaat uit Dante Alighieri’s Divina Commedia (Paradiso, Canto 33). Het betekent ‘Dochter van je zoon’. Het is een beroemde omkering van wat je zou verwachten: het wijst op het feit dat hoewel de goddelijke Jezus natuurlijk Maria’s zoon is, ook het omgekeerde waar is: Maria is immers een schepsel (dochter) van God.
Net als bijvoorbeeld in Burnt Norton worden natuurbeschrijvingen afgewisseld met elementen uit het moderne leven: in Bunt Norton komt een rit met de metro voor, in The Dry Salvages een treinrit.
Annunciation (met hoofdletter) verwijst naar de aankondiging van Jezus’ geboorte. Die aankondiging wordt gedaan door de aartsengel Gabriël aan de maagd Maria.
Incarnation (met hoofdletter) verwijst naar de vleeswording van God op aarde, dat wil zeggen naar het feit van Jezus’ geboorte.
Het contrast van fare well (met spatie) en fare forward in de slotregels van deel III is heel moeilijk in het Nederlands na te bootsen zonder enorm vormverlies. Fare well betekent iets als ‘goed je best doen’, of soms ook de wens dat je succes hebt met wat je doet. Ik heb iets verzonnen. U moet maar zien of het u bevalt.
Edgware Road is een levendige straat in Londen: een centrum van arabische cultuur, Libanese winkeltjes enz. Een Nederlandse tegenhanger zou bijvoorbeeld de Javastraat in Amsterdam-Oost zijn.
Ik heb – tegen mijn gewoonte in – niet van het gehele gedicht één enkele audio-opname toegevoegd, maar ik heb van de verschillende delen afzonderlijke audio-opnames gemaakt.
Dit was geen gemakkelijke klus. Mocht u echte vertaalfouten tegenkomen, dan word ik daar graag op geattendeerd via e-mail – zie de pagina Over de vertaler/auteur, of via de reactiemogelijkheid.
Een vertaling van de hand van Peter van Huizen ter vergelijking, vindt u hier (Liter, Jrg 5, 2002 – via dbnl).
En – erg leuk – er is ook een geluidsopname van het oorspronkelijke gedicht. De gedragen voordracht is van T.S. Eliot zelf.
Vertaling
Geluidsopname van de vertaling – The Dry Salvages 1 – Arie Sonneveld
THE DRY SALVAGES Nr. 3 van Vier kwartetten
– I – Ik weet niet veel van goden, maar ik denk dat de rivier Een machtige bruine god is – nors, ontembaar en dwars, Soms wel geduldig, vaak eerst gezien als grens; Nuttig, niet altijd betrouwbaar in dienst van de handel; Uiteindelijk een probleem voor de bruggenbouwer. En als het probleem is opgelost, wordt de bruine god vaak vergeten Door de stadsbewoners – al blijft hij altijd onverbiddelijk. Hij kiest zijn tijd, zijn toorn, is verwoestend, herinnert ons Aan wat we het liefst vergeten. Ongeëerd, onbemind Door techniek-aanbidders – maar wachtend, kijkend en wachtend. Zijn ritme was al aanwezig in de kinderkamer, Al vroeg in April, onder de uitbottende hemelboom, In de geur van klaargezette oktoberdruiven, En in de kring onder de suizende winterlamp.
De rivier is in ons, de zee is rondom ons; Ook de zee is een landsgrens, het graniet Dat zich erin uitstrekt, het strand waar ze tegenop spoelt; En de signalen van eerdere en andere scheppingen: De zeester, de degenkrab, de wervel van de walvis; De poelen zeewater waarin we opmerkzaam turen Naar al die tere algen en de zee-anemoon. Ze doet gloren wat we verloren, het gescheurde visnet, De kapotte kreeftenfuik, de gebroken roeispaan En het gerei van verre doden. De zee heeft veel stemmen, Veel goden en veel stemmen. Het zout rust op de duinroos, De nevel hangt in de zilverspar. De zee die loeit En de zee die schreit – het zijn verschillende stemmen Die je vaak samen hoort: het gesuis in het want, De dreiging en streling van een golf die breekt op water, Het geluid van de branding in de granieten kammen, En het alarmerend gehuil van een naderende kaap – Het zijn allemaal stemmen van de zee, en ook de stampende fluitboei Bij de ronding op de terugweg, en de zeemeeuw: En toegedekt door de stille nevel Is er de klank van de klok Die een tijd – niet de onze – aangeeft, gewekt door kalme Zeedeining, een tijd Ouder dan de tijd van de uurwerken, ouder Dan tijd die afgeteld wordt door bange, bezorgde vrouwen Die wakker liggen, de toekomst berekenen, Die uiteen halen, uiteen rafelen, uiteen snijden Om heden weer aan verleden te kunnen vastmaken, Tussen middernacht en dageraad, als het verleden slechts misleiding is, De toekomst toekomstloos, nog voor de wekker gaat En deze tijd stopt, een tijd die nooit eindigt; En de zeedeining, die er is en er was vanaf de aanvang, Luidt De klok.
Geluidsopname van de vertaling – deel 2 – Arie Sonneveld
– II – Waar is het einde ervan, van het geluidloos geschrei, De stille verwelking van bloemen in het najaar Die kelkblaadjes laten vallen in hun roerloosheid; Waar is het einde dan, van het op drift geraakte wrak, Het gebed van gebeente op het strand, het onbidbare Gebed bij de noodlottige annunciatie?
Er is geen einde; er komt steeds bij: Nawerking van elk nieuw uur, elk jaar, Als emotie zich ontfermt over emotieloosheid Van jarenlang leven temidden van wat brak In wat vertrouwd werd als het meest betrouwbare – En daarom het meest geschikt is voor renunciatie.
Er komt nog iets bij, gekrenkte trots of – zij aan zij – Wroeging over wat je kon, maar ’t valt nu zwaar, De losse devotie die door kon gaan voor devotieloosheid, In een losgeslagen bootje dat traag onder water zakt, Het stille luisteren naar de niet te missen, klare Klank van de klok van de laatste annunciatie.
Waar is doel en einde van de visser die zijn zeil hijst Achter de wind, waar de mist rust op de baren? We kennen geen tijd met oceaanloosheid Of met een oceaan waarin vergane overdaad ontbrak Of met een toekomst die – als vroeger – niet de gevaren Kent van een voortgaan zonder doel of destinatie.
We moeten ons indenken dat de vissers blijven Lossen, ankeren, slepen, met een Noordooster die zwaar Over ondiepe banken strijkt in bestendige erosieloosheid, Of die hun geld beuren, zeil in de haven opgerold en strak; Maar niet dat ze een tocht maken die waarde Heeft met een lading die niet bestand is tegen visitatie.
Er komt geen einde aan, aan het geluidloos geschrei, Geen einde aan de verwelking van bloemen in het najaar, Het zich roeren van leed dat leedloos is in zijn roerloosheid; Aan de driftige zee en het op drift geraakte wrak, Het gebed van gebeente tot de Dood zijn God. Slechts waardig, Bijna onbidbaar bidden bij die ene Annunciatie.
Het lijkt alsof, wanneer je ouder wordt, Dat het verleden van patroon verandert, ophoudt slechts opeenvolging te zijn – Of zelfs maar ontwikkeling: dat laatste is een partiële denkfout, Voortkomend uit oppervlakkige ideeën over evolutie, Die in alledaagse geesten bewerkt dat het verleden er niet langer toe doet. De momenten van geluk – niet het gevoel van welbevinden, Bloei, voldoening, veiligheid of genegenheid, Of zelfs maar van een heel goed diner, maar een illuminatie: We hadden de ervaring maar misten de betekenis, En de betekenis nabij komen herstelt de ervaring In andere vorm, voorbij elke betekenis Die we kunnen hechten aan geluk. Ik heb al eerder gezegd Dat ervaring van vroeger die tot leven komt in betekenis Niet alleen de ervaring is van een enkel leven Maar van meerdere generaties – dat je niet vergeet Wat waarschijnlijk vrijwel onuitsprekelijk is: De terugblik achter de zelfverzekerdheid Van geschiedschrijving, het over je schouder kijken Met steelse blik naar de pure, elementaire angst. We ontdekken dan dat de momenten van gekweldheid (Of deze al of niet door misverstand ontstaat, omdat we verkeerde dingen hoopten of verkeerde dingen vreesden, Is niet aan de orde) evenzeer beklijven Voor zover tijd dingen laat beklijven. We beseffen dit beter Door gekweldheid van anderen, waarvan we een glimp opvingen Door betrokken te zijn, dan in die van onszelf. Want ons eigen verleden wordt overwoekerd door dadendrang, Maar de kwelling van anderen blijft een ervaring die niet Wordt bepaald of uitgehold door de resulterende uitputting. Mensen veranderen en lachen: de gekweldheid blijft. Tijd die vernietigt, is tijd die bewaart, Zoals de rivier met zijn lading dode kleurlingen, koeien en kippenhokken, De bittere appel, en de aangevreten appel. En de ruige rots in het onstuimige water – Golven spoelen over hem heen, de mist verhult hem – Op een vredige dag is hij slechts monument, Bij gunstig weer steeds een baken om de koers Uit te zetten: maar in donkere jaargetijden Of plotselinge razernij, is hij dat wat hij altijd al was.
Geluidsopname van de vertaling – deel 3 – Arie Sonneveld
– III – Ik vraag me soms af of het dat is wat Krishna bedoelde – Naast andere dingen – of laat ik het nog anders zeggen: De toekomst is een wegstervend lied, een geur van Royal Rose of lavendel, Weeklachten over wie er nog niet zijn om te beklagen, Geplet als ze zijn tussen gele bladen van een nooit open geslagen boek. En de opgang is de neergang, de weg vooruit is de weg terug. Je kunt er niet steeds mee bezig zijn, maar zo veel is zeker: De tijd is geen geneesheer: de patiënt is er niet meer. Als de trein optrekt, en de passagiers rustig bezig zijn Met hun fruit, periodieken en zakelijke papieren (en zij die hen uitzwaaiden hebben het perron verlaten) Gaan hun gezichten van treurig naar vredig, Op het slaperige ritme van een eeuwigheid. Voorwaarts, reizigers! – niet om aan het verleden te ontsnappen Naar andere levens, of naar een andere toekomst; Jullie zijn niet dezelfden die dat station verlieten Of die zullen aankomen op enig eindstation boven de Steeds smaller wordende rails die samen onder jullie door glijden; En op het dek van de ronkende veerboot Zul je niet denken terwijl je achterwaarts kijkt naar het kielzog Dat steeds wijder wordt: ‘het verleden is voorbij’, Of ‘de toekomst ligt voor ons’. Als het donker wordt weerklinkt een stem In tuigage en antenne (die stem is onhoorbaar, De fluisterende schelp van de tijd, en niet in een bepaalde taal) ‘Voorwaarts, jij die meent dat je op reis bent; Je bent niet degene die de haven zag Verdwijnen, of degene die straks aan wal gaat. Nu je je bevindt tussen nabije en verre kust Terwijl de tijd even stil staat, beschouw dan de toekomst En het verleden met gelijkmoedigheid. In het moment waarin daad noch dadenloosheid is Kan dit je invallen: “in welke staat van zijn dan ook Zou de menselijke geest zich kunnen richten Op het uur van de dood” – dat is de enige daad (En het uur van de dood is ieder moment) Die vrucht zal dragen in het leven van anderen: En denk daarbij niet aan vruchten van de daad. Voorwaarts. O reizigers, o zeelieden, Jullie die aankwamen om in te schepen, en wier lichamen Recht en oordeel van de zee zullen ondergaan, Wat er ook gebeurt, dit is je ware bestemming.’ Zo leerde Krishna toen hij Arjuna vermaande Over het domein van strijd. Niet zwoegend voorwaarts, Maar kalm voorwaarts, reizigers.
Geluidsopname van de vertaling – deel 4 – Arie Sonneveld
– IV – Vrouwe, wier tempel staat op een rots aan de kust, Bid voor allen die op schepen zijn, voor hen Wier zaken draaien om vis, en Voor hen die betrokken zijn bij ordelijk vaarverkeer En voor hen die dit uitvoeren.
Spreek ook een vast gebed uit namens Vrouwen die hun zonen of mannen hebben zien Afreizen zonder dat ze terugkwamen: Figlia del tuo figlio, Koningin des Hemels.
En bid voor hen die ingescheept waren, en Wier reis eindigde in het zand, in de hongermond van de zee Of in de donkere muil van waaruit geen terugkeer is Of waarin ze onbereikbaar zijn voor de klok van de zee Met zijn eeuwige angelus.
Geluidsopname van de vertaling – deel 5 – Arie Sonneveld
– V – Met Mars communiceren, praten met geesten, Verslag doen van het gedrag van het zeemonster, Een horoscoop opstellen, waarzeggen of toekomst lezen, Kwalen afleiden uit het handschrift, een levensloop Oproepen uit lijnen van de handpalm En noodlot uit de vorm van vingers; afleiding van tekenen Uit tovenarij, of theeblaadjes, het onvermijdelijke ontraadselen Met speelkaarten, knoeien met pentagrammen Of barbituraten, beelden die je achtervolgen Terugvoeren op onbewuste angsten – Nagaan hoe het zit met baarmoeder, groeve of dromen – het zijn allemaal gangbare Vormen van tijdverdrijf en verdoving, en van stukjes in de krant: En ze zullen dat altijd zijn, sommige ervan vooral Als er internationaal onrust is en verbijstering Of het nu in ergens in Azië is, of in Edgware Road. De nieuwsgierige mens verdiept zich in verleden en toekomst En klampt zich aan die dimensie vast. Maar om te vatten Wat het belang is van het kruispunt van het tijdloze Met de tijd, is een taak voor de heilige – Eigenlijk geen taak, maar iets wat gegeven wordt En genomen, in een leven lang sterven in liefde, Gloed, belangeloosheid en overgave. Voor de meesten van ons is er slechts het vluchtige Moment, het moment binnen en buiten de tijd, Een vleug afleiding die oplost in een lichtstraal, De onooglijke wilde tijm, of het winterweerlicht, Of de waterval, of muziek die zo intens binnen komt Dat die in het geheel niet binnen komt, maar jij bent de muziek Zolang de muziek duurt. Dit alles zijn maar hints en gissingen, Hints gevolgd door gissingen; al het overige Is gebed, getrouwheid, discipline, denken en daad. De half gegiste suggestie, de half begrepen gave, is Incarnatie. Hier is de onmogelijke eenheid Van bestaanswijzen aan de orde, Hier worden verleden en toekomst Overwonnen en verzoend, Waar daad anders beweging zou zijn Van dat wat slechts bewogen wordt Terwijl het zelf geen bewegingsbron heeft – Gedreven door demonische, chthonische Machten. En de juiste daad is ook vrijheid Jegens verleden en toekomst. Voor de meesten van ons, is dit het doel Dat hier nooit verwezenlijkt zal worden; Wij, die alleen daarom niet verslagen zijn Omdat we het bleven proberen; Wij, die pas dan rust vinden Als onze wederkomst van tijd het leven voedt (niet al te ver van de taxusboom) Van een betekenisvolle bodem.
Origineel
THE DRY SALVAGES No. 3 of Four Quartets
– I – I do not know much about gods; but I think that the river Is a strong brown god—sullen, untamed and intractable, Patient to some degree, at first recognised as a frontier; Useful, untrustworthy, as a conveyor of commerce; Then only a problem confronting the builder of bridges. The problem once solved, the brown god is almost forgotten By the dwellers in cities—ever, however, implacable. Keeping his seasons and rages, destroyer, reminder Of what men choose to forget. Unhonoured, unpropitiated By worshippers of the machine, but waiting, watching and waiting. His rhythm was present in the nursery bedroom, In the rank ailanthus of the April dooryard, In the smell of grapes on the autumn table, And the evening circle in the winter gaslight.
The river is within us, the sea is all about us; The sea is the land’s edge also, the granite Into which it reaches, the beaches where it tosses Its hints of earlier and other creation: The starfish, the horseshoe crab, the whale’s backbone; The pools where it offers to our curiosity The more delicate algae and the sea anemone. It tosses up our losses, the torn seine, The shattered lobsterpot, the broken oar And the gear of foreign dead men. The sea has many voices, Many gods and many voices. The salt is on the briar rose, The fog is in the fir trees. The sea howl And the sea yelp, are different voices Often together heard: the whine in the rigging, The menace and caress of wave that breaks on water, The distant rote in the granite teeth, And the wailing warning from the approaching headland Are all sea voices, and the heaving groaner Rounded homewards, and the seagull: And under the oppression of the silent fog The tolling bell Measures time not our time, rung by the unhurried Ground swell, a time Older than the time of chronometers, older Than time counted by anxious worried women Lying awake, calculating the future, Trying to unweave, unwind, unravel And piece together the past and the future, Between midnight and dawn, when the past is all deception, The future futureless, before the morning watch When time stops and time is never ending; And the ground swell, that is and was from the beginning, Clangs The bell.
– II – Where is there an end of it, the soundless wailing, The silent withering of autumn flowers Dropping their petals and remaining motionless; Where is there an end to the drifting wreckage, The prayer of the bone on the beach, the unprayable Prayer at the calamitous annunciation?
There is no end, but addition: the trailing Consequence of further days and hours, While emotion takes to itself the emotionless Years of living among the breakage Of what was believed in as the most reliable— And therefore the fittest for renunciation.
There is the final addition, the failing Pride or resentment at failing powers, The unattached devotion which might pass for devotionless, In a drifting boat with a slow leakage, The silent listening to the undeniable Clamour of the bell of the last annunciation.
Where is the end of them, the fishermen sailing Into the wind’s tail, where the fog cowers? We cannot think of a time that is oceanless Or of an ocean not littered with wastage Or of a future that is not liable Like the past, to have no destination.
We have to think of them as forever bailing, Setting and hauling, while the North East lowers Over shallow banks unchanging and erosionless Or drawing their money, drying sails at dockage; Not as making a trip that will be unpayable For a haul that will not bear examination.
There is no end of it, the voiceless wailing, No end to the withering of withered flowers, To the movement of pain that is painless and motionless, To the drift of the sea and the drifting wreckage, The bone’s prayer to Death its God. Only the hardly, barely prayable Prayer of the one Annunciation.
It seems, as one becomes older, That the past has another pattern, and ceases to be a mere sequence— Or even development: the latter a partial fallacy Encouraged by superficial notions of evolution, Which becomes, in the popular mind, a means of disowning the past. The moments of happiness—not the sense of well-being, Fruition, fulfilment, security or affection, Or even a very good dinner, but the sudden illumination— We had the experience but missed the meaning, And approach to the meaning restores the experience In a different form, beyond any meaning We can assign to happiness. I have said before That the past experience revived in the meaning Is not the experience of one life only But of many generations—not forgetting Something that is probably quite ineffable: The backward look behind the assurance Of recorded history, the backward half-look Over the shoulder, towards the primitive terror. Now, we come to discover that the moments of agony (Whether, or not, due to misunderstanding, Having hoped for the wrong things or dreaded the wrong things, Is not in question) are likewise permanent With such permanence as time has. We appreciate this better In the agony of others, nearly experienced, Involving ourselves, than in our own. For our own past is covered by the currents of action, But the torment of others remains an experience Unqualified, unworn by subsequent attrition. People change, and smile: but the agony abides. Time the destroyer is time the preserver, Like the river with its cargo of dead negroes, cows and chicken coops, The bitter apple, and the bite in the apple. And the ragged rock in the restless waters, Waves wash over it, fogs conceal it; On a halcyon day it is merely a monument, In navigable weather it is always a seamark To lay a course by: but in the sombre season Or the sudden fury, is what it always was.
– III – I sometimes wonder if that is what Krishna meant— Among other things—or one way of putting the same thing: That the future is a faded song, a Royal Rose or a lavender spray Of wistful regret for those who are not yet here to regret, Pressed between yellow leaves of a book that has never been opened. And the way up is the way down, the way forward is the way back. You cannot face it steadily, but this thing is sure, That time is no healer: the patient is no longer here. When the train starts, and the passengers are settled To fruit, periodicals and business letters (And those who saw them off have left the platform) Their faces relax from grief into relief, To the sleepy rhythm of a hundred hours. Fare forward, travellers! not escaping from the past Into different lives, or into any future; You are not the same people who left that station Or who will arrive at any terminus, While the narrowing rails slide together behind you; And on the deck of the drumming liner Watching the furrow that widens behind you, You shall not think ’the past is finished’ Or ’the future is before us’. At nightfall, in the rigging and the aerial, Is a voice descanting (though not to the ear, The murmuring shell of time, and not in any language) ‘Fare forward, you who think that you are voyaging; You are not those who saw the harbour Receding, or those who will disembark. Here between the hither and the farther shore While time is withdrawn, consider the future And the past with an equal mind. At the moment which is not of action or inaction You can receive this: “on whatever sphere of being The mind of a man may be intent At the time of death”—that is the one action (And the time of death is every moment) Which shall fructify in the lives of others: And do not think of the fruit of action. Fare forward. O voyagers, O seamen, You who came to port, and you whose bodies Will suffer the trial and judgement of the sea, Or whatever event, this is your real destination.’ So Krishna, as when he admonished Arjuna On the field of battle. Not fare well, But fare forward, voyagers.
– IV – Lady, whose shrine stands on the promontory, Pray for all those who are in ships, those Whose business has to do with fish, and Those concerned with every lawful traffic And those who conduct them.
Repeat a prayer also on behalf of Women who have seen their sons or husbands Setting forth, and not returning: Figlia del tuo figlio, Queen of Heaven.
Also pray for those who were in ships, and Ended their voyage on the sand, in the sea’s lips Or in the dark throat which will not reject them Or wherever cannot reach them the sound of the sea bell’s Perpetual angelus.
– V – To communicate with Mars, converse with spirits, To report the behaviour of the sea monster, Describe the horoscope, haruspicate or scry, Observe disease in signatures, evoke Biography from the wrinkles of the palm And tragedy from fingers; release omens By sortilege, or tea leaves, riddle the inevitable With playing cards, fiddle with pentagrams Or barbituric acids, or dissect The recurrent image into pre-conscious terrors— To explore the womb, or tomb, or dreams; all these are usual Pastimes and drugs, and features of the press: And always will be, some of them especially When there is distress of nations and perplexity Whether on the shores of Asia, or in the Edgware Road. Men’s curiosity searches past and future And clings to that dimension. But to apprehend The point of intersection of the timeless With time, is an occupation for the saint— No occupation either, but something given And taken, in a lifetime’s death in love, Ardour and selflessness and self-surrender. For most of us, there is only the unattended Moment, the moment in and out of time, The distraction fit, lost in a shaft of sunlight, The wild thyme unseen, or the winter lightning Or the waterfall, or music heard so deeply That it is not heard at all, but you are the music While the music lasts. These are only hints and guesses, Hints followed by guesses; and the rest Is prayer, observance, discipline, thought and action. The hint half guessed, the gift half understood, is Incarnation. Here the impossible union Of spheres of existence is actual, Here the past and future Are conquered, and reconciled, Where action were otherwise movement Of that which is only moved And has in it no source of movement— Driven by daemonic, chthonic Powers. And right action is freedom From past and future also. For most of us, this is the aim Never here to be realised; Who are only undefeated Because we have gone on trying; We, content at the last If our temporal reversion nourish (Not too far from the yew-tree) The life of significant soil.