Friedrich Hölderlin (1770-1843) is een belangrijke Duitse dichter. Zijn verzen zijn klassiek van vorm, soms romantisch van inhoud, bijna altijd lyrisch van toon. Hij slaagt er vaak in je mee te slepen, je te vervoeren.
Zijn vader en stiefvader overleden toen hij nog vrij jong was. Zijn moeder had een toekomst als predikant voor hem in gedachten, maar hij koos betrekkelijk vastberaden voor zijn ware roeping: dichter. Hij bezat een aan de klassieke Griekse cultuur ontleende tragische levensopvatting. Zijn werk getuigt tevens van een religieus, maar niet-christelijk, levensbesef. Friedrich Nietzsche was een bewonderaar.
Hölderlin was filosofisch ingesteld. Hij heeft, naast gedichten, een wijsgerig werk geschreven (Urteil und Seyn), een filosofische roman (Hyperion oder Der Eremit in Griechenland), een treurspel (Empedokles); hij vertaalde ook Sophocles.
Het onderhavige gedicht, Hälfte des Lebens, is geschreven kort voor een zenuwinzinking.
Het gedicht is een van de beroemdste Hölderlin-gedichten. Het kent twee strofen, beide van zeven versregels. De eerste strofe roept een stralende, rijpe levensrijkdom op, de tweede een weeklacht over een kil, duister en zwijgzaam levenseinde. De enjambementen lopen over de gehele strofe heen en verschaffen dichterlijke samenhang. De versregels zijn kort; er is geen eindrijm. Hölderlin volgde hierin klassieke voorbeelden na.
De eerste levenshelft wordt opgeroepen met beeldspraak: rijpe vruchten, fraaie bloesems, een weelderige oever, dichterlijke zwanen, warme liefde, vervoering. De beelden zijn zowel natuurlijk als sacraal en religieus. Het adjectief ‘heilignuchter’ brengt beide aspecten samen.
De tweede strofe, en daarmee de tweede levenshelft, begint met een weeklacht: het roept gemis op, een ruïneuze cultuur, licht dat gedoofd is, kilte, ontnuchtering, vlaggen die nog wapperen terwijl de geest reeds is geweken.
Via deze link kunt u een wat uitgebreidere interpretatie van het gedicht lezen (in het Duits).
En hier kunt u op de website van het Literatuurmuseum Het imperfecte tapijt: Gerrit Komrij en de vertaling van poëzie lezen met drie alternatieve vertalingen van dit gedicht.
Vertaling:
Op de helft
Met gele peren hangt, en overdekt met wilde rozen, het land in het meer, gij aanbiddelijke zwanen, en dronken van kussen, doopt ge het hoofd in het heilignuchtere water.
Wee mij, waar oogst ik, als het winter is, de bloemen, waar de zonneschijn, en schaduwen der aarde? De muren staan hier sprakeloos en koud; in de wind klapperen de vlaggen.
Origineel:
Hälfte des Lebens
Mit gelben Birnen hänget Und voll mit wilden Rosen Das Land in den See, Ihr holden Schwäne, Und trunken von Küssen Tunkt ihr das Haupt Ins heilignüchterne Wasser.
Weh mir, wo nehm’ ich, wenn Es Winter ist, die Blumen, und wo Den Sonnenschein, Und Schatten der Erde ? Die Mauern stehn Sprachlos und kalt, im Winde Klirren die Fahnen.
Seamus Heaney (1939-2013) was een Noord-Iers dichter die veelal in Dublin woonde, die een tijdlang in Amerika werkte als hoogleraar, en die in 1995 de Nobelprijs voor literatuur ontving. Hij schreef ook voor toneel en was vertaler. Zijn voornaam rijmt op ‘famous’.
Heaney kwam uit een groot gezin, en zijn vader was boer. Je kunt aan dit gedicht merken dat hij gewend was aan ‘buiten spelen’, dat de vanzelfsprekendheid van rijkdom en luxe hem niet van kindsbeen aan bekend was. Ik stel dat – als tuinderszoon die geboren werd in de jaren ’60 en die sindsdien met toenemende welvaart te maken kreeg – met enig plezier vast.
Het gedicht gaat over kinderen die het talud langs de spoorweg beklimmen. De titel lijkt te verwijzen naar Railway Children (1906) van Edith Nesbit.
Het gedicht maakt voelbaar hoe jonge kinderen, ondanks hun overweldigende gevoel van nietigheid, kunnen opgaan in iets dat veel groter is dan zijzelf.
Het ‘oog van de naald’ in de slotregel is een verwijzing naar de uitspraak van Jezus dat het gemakkelijker is dat een kameel gaat door het oog van een naald dan dat een rijke het Koninkrijk Gods binnen gaat. Deze uitspraak van Jezus wordt in de gangbare bijbelvertalingen letterlijk vertaald. Waarschijnlijk wordt met ‘kameel’ een ‘dromedaris’ bedoeld, en met ‘oog van een naald’ een nevenpoortje van de hoofdpoort, een doorgang die veel te laag was voor een passerende dromedaris.
[Ik las onlangs een blogbijdrage van de oudheidkundige Jona Lendering dat het idee van dat nevenpoortje ter verklaring van die beeldspraak een dwaling is die uit de koker komt van Amerikaanse evangelicalen. Helemaal overtuigd ben ik nog niet, want het verklaart wel een toch vrij buitenissige beeldspraak.
Maar buitenissigheid kan bij beeldspraak natuurlijk altijd optreden. ‘Dat slaat als een tang op een varken’ werd een uitdrukking, juist omdat het buitenissig is.
Om reden dat Lendering geen filologische argumenten geeft en het in dit verband uitsluitend heeft over het goedpraten van ‘rijkdom’, twijfel ik nog een beetje. Maar misschien heeft hij gewoon gelijk, en deugt bovenstaande bewering niet.]
Het gedicht Railway Children, voorgedragen door Heaney zelf, kunt u hier beluisteren. Het gedicht is al eerder vertaald in het Nederlands, onder anderen door Cees Buddingh’, zie hier.
Vertaling:
Spoorwegkinderen
Toen we de helling van de tunnelbak beklommen
stonden we oog in oog met de witte knoppen
van de bovenleidingen, met hun gonzende draden.
Als een dansend handschrift golfden ze verder,
mijlenver oostwaarts en westwaarts,
doorzakkend onder de last van hun zwaluwen.
We waren klein, we dachten niet dat we iets wisten
dat van belang was. We dachten dat woorden reisden
langs draden, in de zakjes van regendruppels,
vervuld en verzadigd met een hemels
licht, met de glans van lijnen, en wij, we waren
daarnaast zo oneindig nietig
dat we konden glijden door het oog van een naald.
Origineel:
The Railway Children
When we climbed the slopes of the cutting
We were eye-level with the white cups
Of the telegraph poles and the sizzling wires.
Like lovely freehand they curved for miles
East and miles west beyond us, sagging
Under their burden of swallows.
We were small and thought we knew nothing
Worth knowing. We thought words travelled the wires
In the shiny pouches of raindrops,
Each one seeded full with the light
Of the sky, the gleam of the lines, and ourselves
So infinitesimally scaled
Heinrich Heine (1797-1856) is misschien de grootste lyrische dichter van het Duitse taalgebied. Hij was joods, hij voelde vaak als een goi, hij was ernstig, hij was ironisch, hij was trots, hij was onzeker, hij was ernstig, hij was speels, hij was romantisch, hij was klassiek. Hij lijkt weliswaar eenvoudig – maar toch zijn veel van zijn gedichten diepzinniger dan die van zijn diepzinnige tijdgenoten.
Friedrich Nietzsche, Peter Vos en Karel van het Reve waren bewonderaars. Er zijn ook schrijvers geweest die Heinrich Heine met Toon Hermans vergeleken (Boudewijn Büch) of die Heine de Piet Paaltjens der Duitse letteren noemden (J.P. Guépin). Martin van Amerongen – aan wiens artikel ik dit ontleen – was een groot bewonderaar.
Het conflict tussen besef van eigenwaarde en besef van nietigheid veroorzaakt de spanning in dit gedicht.
Toelichting is verder overbodig: er is geen woord latijn bij.
Ik kwam het gedicht voor het eerst tegen bij Karel van het Reve, die een groot liefhebber van Heine was, net als Van het Reve’s leermeester Jacques Presser. Presser stelde ooit een bloemlezing samen van Heine’s gedichten: Ich weiss nicht was soll es bedeuten. Een bloemlezing (1956, met een prachtige inleiding).
Nu komt de dood – en het gaat dagen wat steeds mijn trots verbergen wou tot in de eeuwigheid: voor jou, voor jou, mijn hart heeft steeds voor jou geslagen.
De kist is klaar, men laat mij dalen in het graf. Dan ben ik vrij. maar jij, maar jij, Maria, jij zult huilend naar mij blijven talen.
Ik zie je zelfs je mooie handen wringen – O huil toch niet – dat is het lot gewoon, het mensenlot: – wat goed en schoon en groot is, zal een droevig slotlied zingen.
Origineel:
Es kommt der Tod
Es kommt der Tod – jetzt will ich sagen, Was zu verschweigen ewiglich Mein Stolz gebot: für dich, für dich, Es hat mein Herz für dich geschlagen!
Der Sarg ist fertig, sie versenken Mich in die Gruft. Da hab ich Ruh. Doch du, doch du, Maria, du Wirst weinen oft und mein gedenken.
Du ringst sogar die schönen Hände – O tröste dich – Das ist das Los, Das Menschenlos: – was gut und groß Und schön, das nimmt ein schlechtes Ende.
Carol Ann Duffy is een Schotse dichter en toneelschrijver. Ze was van 2009 tot 2019 Poet Laureate van het Verenigd Koninkrijk. Ze is hoogleraar Contemporary Poetry aan de Manchester Metropolitan University. Duffy is openlijk biseksueel.
Duffy kreeg een katholieke opvoeding, maar werd al betrekkelijk jong atheïst. Over de relatie tussen gebed en poëzie zei ze ooit dat die twee erg op elkaar lijken.
Ze houdt van gewone taal, gebruikt op een gelaagde manier. Ze houdt niet – vertelde ze in een interview – van interessante ‘Seamus Heaney-woorden’, wat in deze context betekent dat die woorden vreemd zijn en de woordbetekenissen nauwelijks bekend.
Het gedicht Prayer is de Engelse vertaalopgaaf van de vertaalwedstrijd Nederland vertaalt 2020. De uiterste inzenddatum was 28 februari 2020. Onderstaande vertaling is mijn inzending.
Het gedicht beschrijft niet-godsdienstige vormen van de gebedshouding, een houding van intense aandacht: een vrouw die haar hoofd opheft als ze de bomen hoort ruisen, een man die verstijft als hij aan zijn middelbareschool-tijd terugdenkt bij het geluid van een langskomende trein, de kamerhuurder die geroerd wordt door een uiterst eenvoudig pianomuziekje dat onverwacht opklinkt, het desolate effect van een kindernaam die luidkeels geroepen wordt, de radio die een routine prevelt en daarmee een trance opwekt.
Bij mijn opvoeding werd een zin van Paulus vaak aangehaald: ‘Het geloof is uit het horen’ (Rom. 10:17). Alle gebedservaringen die door Carol Ann Duffy worden opgeroepen, worden door geluiden opgewekt, en die geluiden worden bovendien steeds taliger: eerst ruisen, dan het metrische geratel en gestamp van een trein dat aan Latijnse verzen doet denken, dan het roepen van een kindernaam, en ten slotte de bijna gescandeerde berichten voor de scheepvaart.
De Engelse zeedistricten inclusief Finisterre (Bron)
De Engelse zeedistricten in de slotregel komen voor in de Shipping Forecast, een nieuwsbericht met een heel strakke vorm. Als u er een poosje naar wilt luisteren, dan kunt u op youtube terecht. Deze namen heb ik in vertaling vervangen door de plaatsnamen die op de Nederlandse radio voorkwamen in de berichten over de waterstanden, berichten die tot 1985 werden voorgelezen, en die ook een vast stramien volgden. Hier is een voorbeeld (met helaas vrij slechte geluidskwaliteit).
Aardig is dat de zeedistricten voor de Engelsen een vergelijkbare existentiële betekenis hebben als de waterstanden voor de Nederlanders.
De Engelse slotnaam Finisterre – een naam die nu niet meer gebruikt wordt voor het betreffende zeedistrict – betekent ‘einde der aarde’. Die betekenis heb ik niet helemaal kunnen overbrengen. Het Grave beneden de sluis – in latere edities van de berichtgeving over de waterstanden in onbruik geraakt – roept wel een vergelijkbaar eeuwigheidsbesef op.
De dichter Ida Gerhardt gebruikte in haar gedicht Radiobericht eveneens het trance-effect van de radiostem die de waterstanden voorlas.
Op Twitter hebben eerder al twee Twitter-collega’s – Jelle van Baardewijk en Karel Smouter – hun vertaling openbaar gemaakt. Leuk om te lezen! Het zijn heel andere – veel vrijere – vertalingen dan de mijne die betrekkelijk streng de sonnetvorm volgt: ik heb rijm, metrum en aantal regels gehandhaafd: de vrijheden die ik me heb veroorloofd betreffen kleine inhoudelijke aanpassingen (bijv. waterstanden i.p.v. scheepvaartberichten) en in een paar gevallen de toevoeging van een extra versvoet (de metrische eenheid, twee extra lettergrepen).
Het oorspronkelijke gedicht is gepubliceerd in de bundel Mean Time (1993).
Mijn vertaling is niet genomineerd voor de prijzen van de wedstrijd Nederland vertaalt. Er waren 495 inzendingen. De vijf genomineerde vertalingen kunt u hier raadplegen.
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling:
Gebed
Soms overdag, al lukt bidden ons niet, dient een gebed zich aan. Een vrouw die plots haar hoofd opheft uit de zeef van haar handen, als ze de wet van de trage zang der bomen, een genade, beseft.
Soms ‘s nachts, al geloven we niets, dringt door wat waar is, de kleine vertrouwde pijn; een man die verstijft, die zijn jeugd terughoort in de verre Latijnse cadans van een trein.
Nu dan, bid voor ons. De huurder wordt ongewild vertroost door ’t prille loopje van een pianist dat uit het stadje opklinkt. Schemer; iemand gilt de naam van een kind alsof het is vermist.
Buiten is ‘t donker, de radio bidt binnenshuis – IJsselkop. Lobith. Grave beneden de sluis.
Origineel:
Prayer
Some days, although we cannot pray, a prayer utters itself. So, a woman will lift her head from the sieve of her hands and stare at the minims sung by a tree, a sudden gift.
Some nights, although we are faithless, the truth enters our hearts, that small familiar pain; then a man will stand stock-still, hearing his youth in the distant Latin chanting of a train.
Pray for us now. Grade 1 piano scales console the lodger looking out across a Midlands town. Then dusk, and someone calls a child’s name as though they named their loss.
John Keats asleep, by Joseph Severn, Rome, 28 January 1821
John Keats (Wikimedia Commons)
De Engelse dichter John Keats (1795-1821) is een van de belangrijkste dichters van de Romantiek. Hij behoorde tot een groep dichters waartoe ook Percy Byssche Shelley en Lord Byron behoorden. Zijn dichterlijke productie kwam in ongeveer zes jaar tot stand, want hij overleed al heel vroeg – op 25-jarige leeftijd – aan tuberculose.
Zijn vader stierf toen hij acht was, en zijn moeder toen hij veertien was. Hij stierf in Rome en ligt ook daar begraven. Enkele weken na zijn dood schreef Shelley een gedicht ter herdenking aan Keats, onder de titel Adonais.
Het vertaalde gedicht bevat een zowel hoogst ernstige als vermakelijke omkering. Ik denk niet dat iemand veel baat heeft bij een uitgebreide toelichting. Het gedicht blijft geheimzinnig, maar het spreekt toch voor zichzelf, zonder dat het ook maar in de geringste mate faciel is.
Het zijn twee kwatrijnen met een streng rijmschema en een duidelijk metrum. De strenge vorm werkt toch niet storend omdat het fraaie ritme het gedicht laat zingen.
Arie Storm
De aanleiding tot deze vertaling was een korte en prettige tweetwisseling (hier en hier) met de Nederlandse romanschrijver en literatuurcriticus Arie Storm op Twitter. De tweetwisseling eindigde met de dood, en Storm poste vervolgens On Death van John Keats. Aanvankelijk dacht ik dat het niet te vertalen was, maar ik heb het toch geprobeerd.
Op hoop van zegen.
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
——————————————————————————————————————————-
Vertaling:
Over de dood
Kan dood soms slapen zijn, als leven dromen is, elk zalig tafereel voorbij gaat als een waan? Vergankelijk gerief wordt spookgeschiedenis, de grootste angst blijft toch om dood te gaan.
Hoe vreemd dat ’t mensenkind op aarde dwaalt, een treurig leven leidt, en ferm en onverkort zijn ruige paden volgt; en hij er evenmin naar taalt zijn vloek te zien, die is dat hij straks wakker wordt.
([20-2-2020] De regel ‘en scènes van geluk verzwinden als een waan?’ vervangen door ‘elk zalig tafereel voorbij gaat als een waan?’ En ‘deze mens’ is vervangen door ”t mensenkind’.)
Origineel:
On Death
Can death be sleep, when life is but a dream, And scenes of bliss pass as a phantom by? The transient pleasures as a vision seem, And yet we think the greatest pain’s to die.
How strange it is that man on earth should roam, And lead a life of woe, but not forsake His rugged path; nor dare he view alone His future doom which is but to awake.
Mary Oliver (1935-2019) is een Amerikaanse dichter, en ze werd geboren in een landelijk plaatsje, vlakbij Cleveland in Ohio. Daar ontwikkelde ze een grote voorliefde voor de natuur. Ze woonde een groot deel van haar leven in Provincetown, Massachusetts, een kustplaats waar de kust niet erg steil is.
Mary Oliver – Getty Images
Ze begon betrekkelijk vroeg met dichten. Ze schrijft verzen met een fraai ritme en een gevoelige toon, waarin vaak rijm ontbreekt, waarin een dichterlijke stroom en tegenstroom nooit ontbreken, verzen die ons gevoelig maken en verrijken – zoals elk goed gedicht – voor de gruwelen en de schoonheden en de geheimenissen van het bestaan – “We are nourished by the mystery” (The Fish).
Ze was bevriend met de zus van Edna St. Vincent Millay, en heeft met haar de nagelaten papieren van de dichteres geordend.
Het gedicht heeft weinig toelichting nodig. De grootsheid van de natuur is het antwoord op het gevoel van ellendigheid – een gevoel dat natuurlijk vaak maar moeilijk door ons, arme mensen, gerelativeerd kan worden – dat de ik-figuur haar vraag aan de zee deed stellen.
Een necrologie, geschreven door Lynn Neary, ‘Beloved Poet Mary Oliver, Who Believed Poetry ‘Mustn’t Be Fancy,’ Dies At 83‘ op de website van New Hampshire Public Radio (17 januari 2019), vindt u hier.
De slotregel van dat stuk is een ontroerend en ook veelzeggend citaat uit een gedicht (When Death Comes) dat Mary Oliver’s houding tegenover de naderende dood beschrijft:
“When it’s over, I want to say: all my life / I was a bride married to amazement.”
Vertaling:
Ik daal af naar de kust
Ik daal af naar de kust als het licht wordt, en, gebonden aan het uur, zie ik golven die aanrollen of zich verwijderen, en ik zeg: O, ik voel me ellendig, wat zal – wat moet ik doen? En de zee zegt met zijn lieflijke stem: Het spijt me, ik heb het nu te druk.
Origineel:
I Go Down To The Shore
I go down to the shore in the morning and depending on the hour the waves are rolling in or moving out, and I say, oh, I am miserable, what shall– what should I do? And the sea says in its lovely voice: Excuse me, I have work to do.
Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilderes Mildred Eldridge (1909-1991).
Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Met Seamus Heaney was hij bevriend.
Ik verwijs verder naar mijn vorige blogbericht dat een vertaling van ‘Via Negativa’ betrof. Een aantal opmerkingen die ik bij dat gedicht ter toelichting maakte, zijn ook van toepassing op dit gedicht.
Een klein stukje van het gedicht wordt hier voorgedragen door R.S. Thomas op een Amazon-website die de gelijknamige CD met door de auteur zelf voorgedragen gedichten verkoopt.
Het gedicht is te vinden in No Truce With the Furies, Bloodaxe: 1995, p. 45 en in Collected Later Poems, Bloodaxe: 2004, p.249.
In het gedicht dat ik vertaald heb ontbreekt de afsluitende zwevende komma die zou moeten volgen op de zwevende komma waarmee ‘I have lived with nothingness … opent. Ik heb inmiddels navraag gedaan, maar voorlopig heb ik de afsluitende komma aan het eind van het gedicht geplaatst.
Vertaling:
Getreiter
“O”, zei hij, “Ik leef al met het ‘niets’ sinds het begrip zijn betekenis verloor. Ik heb even vaak ‘ja’ gezegd tegen de kosmos Als de keren dat de echo’s alsmaar sterker terugkeerden als ‘nee’. Mijn negatieven van het goddelijke heb ik ontwikkeld en hun kleuropnames bewaard in een album met luchtspiegelingen. Ik weet dat de verbeelding slechts kan toeven in een geoxydeerde wereld. De waarheid is minder adembenemend dan het vacuüm waarin ze zich terugtrekt. Maar desalniettemin heb ik het lam toch even zien dartelen, alsof het leven iets moois was. Dit, zei ik toen, is Gods schurkenstreek, diens geknoei met de balans, waarbij de ene schaal eerst wordt volgestapeld met kwaad om hem dan opeens omhoog te laten schieten, met in de ander een traan die drupte uit het meest afstandelijke oog.”
Origineel:
Mischief
‘Oh,’ he said, ‘I have lived with nothingness so long it has lost its meaning. I have said “yes” to the universe so many times its echoes have returned increasingly as “no”. I have developed my negatives of the divine and preserved their technicolour in a make-belief album. I realise the imagination is alive only in an oxygenated world. The truth is less breath-taking than the vacuum into which it withdraws. But against all this I have seen the lamb gambolling for a moment, as though life were a good thing. This, I have said, is God’s roguery, juggling with the scales, weighting the one pan down with evil piled upon evil then sending it suddenly sky-high with in the other a tear fallen from the hardest of eyes.’
Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de subtiele schilderes Mildred Eldridge (1909-1991).
Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Met Seamus Heaney was hij bevriend.
Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.
In de samenvattende woorden van Christopher Morgan (p.172):
The shift one encounters between the God of the mythic poems and that of the via negativa poems is a shift primarily from the deistic paradigm of an anthropomorphised creator-God which is ‘out there’ to a ground of being, a ‘majestic intellect’, an eternal reality which is interior but unlimited, which is intimately personal, but which, as a ubiquitous source, simultaneously spills the boundaries of ‘personality’ or ‘being’.
R.S. Thomas (Bron: Wikimedia Commons)
Thomas vond daarbij aansluiting bij een traditie die ook door de mystici werd gevolgd en vormgegeven, Meister Eckhart bijvoorbeeld, en die ook door existentialistische denkers als Paul Tillich en Søren Kierkegaard werd beschreven en verdiept. Thomas heeft ten slotte ook gedichten geschreven die eerder van een ‘aanwezigheid’ getuigen – gedichten die dus een uitdrukking zijn van de via affirmativa (weg van de aanvaarding).
Het gedicht Via Negativa verscheen in de bundel H’m (1972), de bundel waarin Thomas’ toewending tot de gelijknamige spirituele houding het duidelijkst aan het licht trad.
Helemaal onderaan dit blogstukje geef ik een wat uitgebreider citaat uit het boek van Morgan over de betekenis van de via negativa.
Hier kunt u ten slotte een artikel vinden over het onderwerp via negativa van J.D. Vicary, ‘Via Negativa, absence and presence in the recent poetry of R.S. Thomas’, Critical Quarterly, Volume 27, Issue 3 (sept. 1985).
Vertaling:
Via Negativa
Maar nee! Nooit anders gedacht dan
dat God voor ons de rol speelt van
grote afwezige, de vacante stilte
diep van binnen, de plaats waar we gaan
zoeken, zonder hoop thuis te komen
of wat te vinden. Hij bewaakt de loze kieren
in onze kennis, de duisternis
tussen de sterren. Van hem zijn de echo’s
die we volgen, de voetafdrukken die hij
zojuist verliet. We steken onze hand in
zijn zijde, hopend er warmte
te voelen. We kijken naar mensen
en plaatsen alsof ook hij ernaar had
gekeken; alleen de afspiegeling ontbreekt.
Origineel:
Via Negativa
Why no! I never thought other than
That God is that great absence
In our lives, the empty silence
Within, the place where we go
Seeking, not in hope to
Arrive or find. He keeps the interstices
In our knowledge, the darkness
Between stars. His are the echoes
We follow, the footprints he has just
Left. We put our hands in
His side hoping to find
It warm. We look at people
And places as though he had looked
At them, too; but miss the reflection.
Over de betekenis van de via negativa, Christopher Morgan (p. 173):
Via negativa, meaning literally ‘by way of what is not’, is an idea associated largely with mystical theology. Thomas himself uses the term as a poem title in H’m. Perhaps the earliest and most comprehensive discussion of via negativa occurs in ‘The Mystic Theology’, the work of the sixth-century Syrian mystic Dionysus the Areopagite, although the idea is perhaps best known in the West through the anonymous English classic of medieval mysticism The Cloud of Unknowing. Regardless of particular sources, the idea of via negativa is common to eastern mystical traditions predating Christianity, as well as to Christian monastic traditions in the West, both as an approach to and as an experience of divinity. As a technique of approach via negativa signifies a deliberate mortification not only of the sensual appetites but of the whole desire of the ego for its own realisation and dominance, as well as of the distraction seen to be posed by the physical world. It insists upon an emptying of the self, a silencing of the individual will, and a patient waiting and watching in these privations for God’s approach.
Herstellen doen wij niks; wij halen neer.
Toen schiepen wij de vorm van Gods genade.
Wat mij belaagt, is dat wat ik begeer.
De liefde bleek ludiek geslachtsverkeer.
Vaak hebben wij elkaar voorgoed verraden.
Herstellen doen wij niks; wij halen neer.
Hoe goedertieren Hij ook was als Heer,
Zijn lijk stond op uit een betwiste wade.
Wat mij belaagt, is dat wat ik begeer.
De dood bleef ons ontglippen, telkens weer.
Er blijft emplooi voor de verroeste spade.
Herstellen doen wij niks; wij halen neer.
Wat Hij gezegd had, stolde tot een leer.
Wij maken nieuw, betreden verse paden.
Wat mij belaagt, is dat wat ik begeer.
Hij kwam van ver en daalde tweemaal neer.
Wij staan te staren op een koude kade.
Herstellen doen wij niks; wij halen neer.
Wat mij belaagt, is dat wat ik begeer.
De Engelse dichter Elizabeth Barrett Browning (1806-1861) is een merkwaardige figuur. Ze stamde uit een aanzienlijke familie met ‘oud geld’, mocht niet trouwen van haar vader, was religieus van aanleg en houding, tobde met haar gezondheid, leefde tot haar huwelijk een vrij teruggetrokken leven, trouwde uiteindelijk met de zes jaar jongere dichter Robert Browning (1812-1889) (die anders dan zijzelf in zekere zin een society-figuur was), werd als gevolg van dat huwelijk onterfd, bestreed de slavernij (waar haar familie veel aan te danken had), was in sommige opzichten feministisch (maar in andere niet), woonde na haar huwelijk bijna voortdurend in Florence, schreef een beroemde sonnettenreeks onder de misleidende titel ‘Sonnets from the Portuguese’ (want suggererend dat het hier een vertaling betrof – quod non), leed zeer onder de onfortuinlijke dood van haar geliefde broer (ze had meer broers), en schreef poëzie die nog steeds met plezier wordt gelezen.
Ze werd bewonderd door Edgar Allan Poe, Emily Dickinson en anderen. Ze correspondeerde met bekende cultuurdragers, onder wie Alfred Tennyson, William Makepeace Thackeray, Harriet Hosmer, Isa Blagden, George Sand, Charles Kingsley en John Ruskin. Met sommigen van hen raakte ze ook bevriend.
In de slaapkamer van de beroemde Amerikaanse dichteres Emily Dickinson (1830-1886) hing een portret van Elizabeth Barrett Browning.
In de cyclus Sonnets from the Portuguese staat haar liefde voor Robert Browning centraal. De cyclus omvat 44 sonnetten, waarin Sonnet 43 – How do I love thee? – het gedicht dus dat ik hier vertaald heb – het bekendst is geworden. De cyclus werd geschreven in 1845/46, maar werd voor het eerst, op aandringen van Robert Browning, gepubliceerd in 1850.
Mijn vertaling van het gedicht How do I love thee? heeft de eerste prijs gekregen bij de poëzievertaalwedstrijd die georganiseerd werd door De Bibliotheek Huizen-Laren-Blaricum, i.s.m. Stichting Kunst en Cultuur Huizen en het Kunst- en Cultuurcafé Huizen.
Informatie over de wedstrijd, de bekendmaking van de uitslag, de vertalingen die een prijs hebben ontvangen, en het juryrapport vindt u hier. Er waren 32 vertalers die een vertaling hadden ingezonden. Er waren drie prijzen en een aanmoedigingsprijs voor een aantal jonge studenten uit Boekarest die gezamenlijk een vertaling hadden ingezonden.
De jury bestond uit Henk Aertsen, oud-hoogleraar Engelse Taal- en Letterkunde van de Middeleeuwen en oud-docent Literair Vertalen aan de VU, Joni Zwart, vertaalster, literair redacteur en docente (die een prachtige inleiding hield), en Petra Kos, docent Engels Erfgooiers College Huizen (die het gedicht heel mooi voordroeg).
De zinnen in het juryrapport die betrekking hebben op mijn vertaling luiden:
De eerste prijs gaat naar de inzender met nummer 22. Haar of zijn vertaling leest prima, ook hier weer mooie, korte regels in overeenstemming met het metrum van het origineel, waardoor zij of hij erin geslaagd is de beknoptheid van het origineel te handhaven, er staat geen woord teveel in, en de vertaling geeft de inhoud en strekking van het origineel goed weer. En deze inzender heeft het slot van het eerste terzet en het begin van het tweede, I love thee with a love I seemed to lose / with my lost saints, heel sterk vertaald met “ik heb je lief met vuur – passion – dat bijna doofde in rouw / omdat mijn engel ging” – dat beantwoordt precies aan de strekking van het sextet: na de gevoelens die spreken in het octaaf , de eerste acht regels, volgt in het sextet een conclusie, hier met een religieuze boventoon. Gefeliciteerd.
Ikzelf sta hier helemaal links, naast Henk Aertsen, Odette Jonkers, Dini Hauptmeijer, Frits Spits, Petra Kos en Joni Zwart
Een kort filmpje waarop de prijsuitreiking in beeld wordt gebracht is geplaatst op YouTube. Hierop ziet u de voordracht door Petra Kos van het oorspronkelijke gedicht – How Do I Love Thee? – de bekendmaking van de prijs door Frits Spits, een korte gedachtewisseling met ondergetekende, Maartje van Weegen die als een duveltje uit een doosje verschijnt, en de voordracht van de vertaling door mijzelf.
Tijdens de culturele avond in De Boerderij in Huizen waarin de bekendmaking plaatsvond, werd ook de Kunst- en Cultuurprijs van Huizen uitgereikt aan Cees Kranenburg, een van de grootste (jazz-)drummers die Nederland ooit heeft voortgebracht.
Een verslag van die avond vindt u hier. Ik lees onder de hierbij getoonde foto dat ik “geëmotioneerd” zou zijn geweest. Nu vind ik het geen schande om ‘geëmotioneerd’ te zijn, maar het viel volgens mij die avond nog wel een beetje mee.
En er was een fantastisch optreden met muziek van Mendelssohn en Grieg van het piepjonge strijkkwartet dat ook al eens heeft opgetreden bij Podium Witteman: Viride.
Het gedicht is een sonnet. Ik las ergens dat het gedicht een ‘Italiaans sonnet’ werd genoemd. Voor mijn gevoel is het een vorm die ergens tussen het Italiaanse sonnet en het Shakespeare-sonnet in ligt. Het heeft geen duidelijk afsluitend distichon (twee goed gemarkeerde slotregels), maar de wending tussen de eerste acht regels en het afsluitende sextet is ook niet al te duidelijk.
Door Cornelis W. Schoneveld is een vertaling gepubliceerd van alle 44 sonnetten onder de titel Liefdesbiecht in klinkdicht (uitg. Liverse, Dordrecht, 2014). Zijn vertaling van onder andere het onderhavige gedicht, vindt u hier. Ritmisch en inhoudelijk vind ik Schonevelds vertaling, hoewel bekwaam uitgevoerd, een beetje rommelig.
De voorzitter van de jury, Henk Aertsen, tussen Odette Jonkers en ondergetekende
Hoe ik je liefheb? Laat me ‘t eens nagaan. Ik heb je lief zo diep en hoog en wijd als mijn ziel reikt, die onbespied een tijd in dienst van Zijn en zaligheid mag staan.
Bij elk klein ongerief van het bestaan, heb ik je lief, bij zon, in schemertijd. Ik heb je lief om niet, als uit gerechtigheid. Ik heb je zuiver lief, al wijkt de lof voor blaam.
Ik heb je lief met kinderlijke trouw, met gloed die ooit aan bitterheid ontsproot. Ik heb je lief met vuur dat bijna doofde in rouw
omdat mijn engel ging. Ik heb je lief als deelgenoot in vreugde en verdriet, en als ‘k op God vertrouw, verdiept mijn liefde zich nog na de dood.
Origineel:
How Do I Love Thee? (Sonnet 43)
How do I love thee? Let me count the ways. I love thee to the depth and breadth and height My soul can reach, when feeling out of sight For the ends of being and ideal grace.
I love thee to the level of every day’s Most quiet need, by sun and candle-light. I love thee freely, as men strive for right. I love thee purely, as they turn from praise.
I love thee with the passion put to use In my old griefs, and with my childhood’s faith. I love thee with a love I seemed to lose
With my lost saints. I love thee with the breath, Smiles, tears, of all my life; and, if God choose, I shall but love thee better after death.
De kikkers kwaken in de zwarte beek.
Een stille schaduw nadert hoog en snel.
De hemel is de voorhof van de hel.
Het goede nieuws is vrijwel altijd fake.
Maar weinig is wat het zojuist nog leek.
Een kikker kwaakt luidkeels ‘Immanuel’,
want driemaal heilig is het liefdesspel:
“En zeg tot wie geen tong heeft: ‘spreek’!”
De schaduw is een vorm van blasfemie.
Verlustigend en zwijgend ziet hij toe:
gekonkel, brouille, seks of sodomie,
het alsmaar kijken wordt hij nimmer moe.
De dood is domein van historici.
Vergankelijk vlees is eeuwig taboe.
De dichter Georg Trakl (1887-1914) was een Oostenrijks dichter die overrompelende verzen schreef met een expressionistische vorm en toon. (Ik laat de hyperlink wijzen naar het Duitse Wikipedia-artikel, want het Nederlandse artikel is bar slecht en klinkt bovendien te vertaald.)
Voor een klein overzichtje van wat het ‘expressionisme’ betekende voor de lyrische dichtkunst, verwijs ik eveneens naar een Duits Wikipedia-artikel: Expressionismus (Literatur), onder het subkopje Lyrik.
Trakl groeide betrekkelijk gelukkig op in een groot gemengd luthers/katholiek gezin, maar bezat een zwaarmoedige aard. De beroemde filosoof van taal en logica Ludwig Wittgenstein heeft hem een tijdlang ondersteund met een financiële toelage. Hij was enigszins religieus in christelijke zin, zij het volstrekt onorthodox, maar zijn oog voor schuld en zonde was aanmerkelijk groter dan zijn besef van verlossing: hij is op 27-jarige leeftijd aan een overdosis cocaïne overleden.
In de titel van dit gedicht komen de begrippen ‘herfst’ en ‘ziel’ samen, twee begrippen die vaak voorkwamen in Trakls gedichten: het najaar resoneerde het best met zijn geestelijke toestand, en de ziel met zijn pijnigingen was een van zijn hoofdthema’s.
Het gedicht heeft vier strofen met regels die zeven (staand of mannelijk rijm) of acht (slepend of vrouwelijk rijm) lettergrepen kennen. Het metrum is trochaeïsch, dat wil zeggen dat het een afwisseling van beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen heeft en begint met een beklemtoonde lettergreep. (De meeste Nederlandse gedichten zijn jambisch en beginnen dus met een onbeklemtoonde lettergreep.)
Het rijm van elke strofe is abba – waarbij de a-rijmen staand zijn en de b-rijmen slepend. Ik heb soms een halfrijm toegepast waar in het origineel een volrijm werd gebruikt.
Dit gedicht is geschreven in augustus 1913, nadat hij een tijd vaak wel gelukkig, maar soms ook angstig had doorgebracht met vrienden als Karl Kraus, Adolf Loos und Bessie Bruce in Venetië.
In elke strofe staat een kleur centraal: bruin (herfstig), zwart (somber), blauw (afgezonderd), rood (pijnlijk).
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
——————————————————————————————————————————-
Vertaling:
Herfstziel (2e versie)
Jachtgeroep, geblaf om bloed; achter kruis en bruine heuvel schittert zacht de waterspiegel, schreeuwt de havik schel en luid.
Boven stoppelveld en pad siddert reeds een inktzwart zwijgen; pure hemel tussen twijgen; slechts de beek vloeit stadig af.
Dra ontglipt ons vis en wild. Blauwe ziel, dit duister dwalen, maakte ons eenzaam, telkenmale. Avond wisselt zin en beeld.
Eenvoud, goedheid – brood en wijn, God in uw clemente handen legt de mens het duister einde, alle schuld en rode pijn.
Origineel:
Herbstseele (2. Fassung)
Jägerruf und Blutgebell; Hinter Kreuz und braunem Hügel Blindet sacht der Weiherspiegel, Schreit der Habicht hart und hell.
Über Stoppelfeld und Pfad Banget schon ein schwarzes Schweigen; Reiner Himmel in den Zweigen; Nur der Bach rinnt still und stad.
Bald entgleitet Fisch und Wild. Blaue Seele, dunkles Wandern Schied uns bald von Lieben, Andern. Abend wechselt Sinn und Bild.
Rechten Lebens Brot und Wein, Gott in deine milden Hände Legt der Mensch das dunkle Ende, Alle Schuld und rote Pein.
De dichter Paul Celan (1920-1970) was een duitstalige jood die in Tsjernivtsi – toenmalig Roemenië, tegenwoordig Oekraïne – werd geboren. Hij wordt beschouwd als een van de grootste lyrische dichters van het Duitse taalgebied. Zijn ouders werden door de nazi’s vermoord. Zelf maakte hij in Parijs in 1970 een einde aan zijn leven.
Het gedicht Todesfuge is een van de beroemdste gedichten uit zijn oeuvre. Het is overduidelijk een Holocaust-gedicht met een bezwerende toon, en het maakt gebruik van een obsessieve herhaling van zinsneden. Een fuga is een muziekvorm waarin ook bepaalde muzikale frasen op wisselende toonhoogten herhaald worden.
In het gedicht wordt zwarte melk gedronken, op alle tijden van de dag, en het is niet overdreven om te vermoeden dat het de bedoeling is dat je als lezer of toehoorder het gevoel krijgt dat er hier wordt gekokhalsd.
In het gedicht wordt een kampcommandant opgevoerd die kennelijk diepe gevoelens heeft voor een hoogblonde germaanse dame die luistert naar de naam Margarete, terwijl tezelfdertijd een joodse dame met de naam Sulamith wordt ontmenselijkt en vermoord.
Anselm Kiefer, Dein aschenes Haar Sulamith, 1981 (copyright Kröller Müller Museum)
De donkerte, de zwarte lucht die schemert naar Duitsland, is een beeld voor de rook die de schoorsteen van het moordcrematorium verlaat. De scène die wordt opgeroepen is een beeld van joodse gevangenen die een graf graven terwijl andere gevangenen daarbij geestdriftig dienen te musiceren terwijl de bruut zelf hen met zijn honden opjaagt en hoont.
Hier is een geluidsfragment waarin Paul Celan zijn gedicht zelf (heel mooi) voordraagt.
Er zijn geen leestekens, maar ik denk niet dat iemand daarover hoeft te struikelen. Het geeft een effect van grote wanhopige koortsachtigheid, met twee wegstervende slotzinnen.
Margarete is een verwijzing naar de blonde Gretchen in Goethes Faust. Sulamith is een joodse naam en zij komt voor in Hooglied 6:13 (SV): “Keer weder, keer weder, o Sulammith! Keer weder, keer weder, dat wij u mogen aanzien. Wat ziet gijlieden de Sulammith aan? Zij is als een rei van twee heiren.”
Het gedicht heeft Anselm Kiefer geïnspireerd tot verschillende kunstwerken, waarvan er één hierboven is afgebeeld.
Een collega-twitteraar die zich op dat forum Maarten Devant noemt, heeft me onlangs uitgedaagd om dit gedicht te vertalen. Dank – die uitdaging heb ik aangenomen.
Het oorspronkelijke Duitse gedicht verscheen in 1948, in Celans eerste gedichtenbundel Der Sand aus den Urnen. Het is niet precies bekend wanneer Celan het schreef, waarschijnlijk ergens in 1945.
Hier is de vertaling van Ton Naaijkens na te lezen, op de website van mijn leraar Nederlands op de middelbare school: Gert Slings.
Geluidsopname
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling:
Doodsfuga
Zwarte melk van de vroegte wij drinken die ‘s avonds wij drinken die ’s middags en ’s morgens wij drinken die ‘s nachts wij drinken en drinken wij delven een graf in de luchten daar lig je wat minder benauwd In het huis woont een man die speelt met de slangen die schrijft die schrijft als het duistert naar Duitsland jouw goudblonde haar Margarete
Hij schrijft het en opent de deur en er fonkelen sterren hij fluit dan zijn honden nabij hij fluit dan zijn joden tevoorschijn laat delven een graf in de aarde hij beveelt ons zweep je nu op tot de dans
Zwarte melk van de vroegte wij drinken die ‘s nachts wij drinken die ’s middags en ’s morgens wij drinken die ‘s avonds wij drinken en drinken In het huis woont een man die speelt met de slangen die schrijft die schrijft als het duistert naar Duitsland jouw goudblonde haar Margarete jouw asgrauwe haar Sulamith
wij delven een graf in de luchten daar lig je wat minder benauwd
Hij roept steek dieper de grond in ja jullie en jullie anderen zing maar en speel hij grijpt in zijn koppel naar ijzer en zwaait het zijn ogen zijn blauw steek dieper die spaden ja jullie en jullie anderen zweep weer op tot de dans
Zwarte melk van de vroegte wij drinken die ‘s nachts wij drinken die ’s-middags en ’s morgens wij drinken die ‘s avonds wij drinken en drinken in het huis woont een man jouw goudblonde haar Margarete jouw asgrauwe haar Sulamith hij speelt met de slangen
Hij roept speel de dood lekker lokkend de dood is een meester uit Duitsland hij roept strijk donkerder nog die violen dan stijg je als rook in de lucht dan heb je een graf in de wolken daar lig je wat minder benauwd
Zwarte melk van de vroegte wij drinken die ‘s nachts wij drinken die ’s middags de dood is een meester uit Duitsland wij drinken die ’s avonds en ’s morgens wij drinken en drinken de dood is een meester uit Duitsland zijn oog schittert blauw hij treft je met kogels van lood hij raakt je dan rauw in het huis woont een man jouw goudblonde haar Margarete hij stuurt dan zijn honden recht op ons af hij schenkt ons een graf in de lucht hij speelt met de slangen en droomt de dood is een meester uit Duitsland
jouw goudblonde haar Margarete jouw asgrauwe haar Sulamith
Origineel:
Todesfuge
Schwarze Milch der Frühe wir trinken sie abends wir trinken sie mittags und morgens wir trinken sie nachts wir trinken und trinken wir schaufeln ein Grab in den Lüften da liegt man nicht eng Ein Mann wohnt im Haus der spielt mit den Schlangen der schreibt der schreibt wenn es dunkelt nach Deutschland dein goldenes Haar Margarete
er schreibt es und tritt vor das Haus und es blitzen die Sterne er pfeift seine Rüden herbei er pfeift seine Juden hervor läßt schaufeln ein Grab in der Erde er befiehlt uns spielt auf nun zum Tanz
Schwarze Milch der Frühe wir trinken dich nachts wir trinken dich morgens und mittags wir trinken dich abends wir trinken und trinken Ein Mann wohnt im Haus der spielt mit den Schlangen der schreibt der schreibt wenn es dunkelt nach Deutschland dein goldenes Haar Margarete Dein aschenes Haar Sulamith
wir schaufeln ein Grab in den Lüften da liegt man nicht eng
Er ruft stecht tiefer ins Erdreich ihr einen ihr andern singet und spielt er greift nach dem Eisen im Gurt er schwingts seine Augen sind blau stecht tiefer die Spaten ihr einen ihr anderen spielt weiter zum Tanz auf
Schwarze Milch der Frühe wir trinken dich nachts wir trinken dich mittags und morgens wir trinken dich abends wir trinken und trinken ein Mann wohnt im Haus dein goldenes Haar Margarete dein aschenes Haar Sulamith er spielt mit den Schlangen
Er ruft spielt süßer den Tod der Tod ist ein Meister aus Deutschland er ruft streicht dunkler die Geigen dann steigt ihr als Rauch in die Luft dann habt ihr ein Grab in den Wolken da liegt man nicht eng
Schwarze Milch der Frühe wir trinken dich nachts wir trinken dich mittags der Tod ist ein Meister aus Deutschland wir trinken dich abends und morgens wir trinken und trinken der Tod ist ein Meister aus Deutschland sein Auge ist blau er trifft dich mit bleierner Kugel er trifft dich genau ein Mann wohnt im Haus dein goldenes Haar Margarete er hetzt seine Rüden auf uns er schenkt uns ein Grab in der Luft er spielt mit den Schlangen und träumet der Tod ist ein Meister aus Deutschland
dein goldenes Haar Margarete dein aschenes Haar Sulamith
Misschien ben je een huismus of een heks,
Een hinde die in herfstigheden kan verdwijnen,
Een Netflix-kijkster die van plan is te gaan lijnen,
Frigide soms, beschimmeld, dol op seks.
Straks kus je nog Tyrannosaurus Rex –
Er volgt een Nacht der Girondijnen,
De angst, Me Too, en helse pijnen.
Je wou een maatje, en je wordt zijn ex.
Je wou iets anders, en je wou iets geks.
Je hing als kat te krijsen in gordijnen,
Er bleef iets dromerigs uit groene ogen schijnen,
Geluk is raar en moeilijk en complex.
Daar staat hij dan, de man met duizend zielen,
Hij velt een Goliath, zijn geest omspant de eeuw,
Een Simson die kan vechten met een leeuw,
Die sterker is dan duurbetaalde imbecielen.
Hij is een man die seculier kan knielen,
Snel als een zwaluw, wendbaar als een meeuw,
Met mooier nest dan mus of spreeuw,
Bij wie de rest afsteekt als dode zielen.
Vergeet onmiddellijk die andere fossielen,
De Himalaya ligt bevroren in de sneeuw,
Beklim de top en slaak een luide schreeuw:
Hij weet de dooie dood nog te bezielen.
(Eigen werk. Dit is een gelegenheidsgedicht, op verzoek gemaakt.)
Rainer Maria Rilke (1875-1926) is een van de grootste lyrische dichters van het Duitse taalgebied. Het gedicht Herbst oogt eenvoudig en is een beroemd gedicht in zijn oeuvre.
Een kleine excursie vooraf: ooit heb ik het verzameld proza van Martinus Nijhoff (1894-1953) gelezen, uiteraard nadat ik een bewonderaar van Nijhoffs gedichten was geworden. Nijhoff besprak veel boeken, en op zeker moment werd hij geacht Uren met Dirk Coster van E. du Perron (1899-1940) te bespreken (Du Perron was iemand met wie hij op zeker moment letterlijk op de vuist zou gaan). Dirk Coster was een man van gezag in zijn tijd, over wie Henriëtte de Beaufort (1890-1982) in haar levensbericht voor de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde schreef:
Nooit is hij afgeweken van zijn beginsel, dat ook de literaire schoonheid verworteld is met religieuze moraal, die hij soms liefde, een andermaal goedheid noemt. Wordt de schoonheid van deze groeibodem afgesplitst, dan kan zij geen levenskracht blijven en is gedoemd uiteen te vallen.
Dat kon natuurlijk niet verder afstaan van de beginselen van Forum, het tijdschrift waarin Ter Braak en Du Perron schreven. En Du Perron ondernam dan ook een poging om Coster te verpletteren, een poging die grotendeels geslaagd moet worden genoemd. Niemand weet meer wie Dirk Coster is.
Nijhoff kon destijds Du Perrons totale afwijzing van Dirk Coster niet bespreken; hij vond het boek te polemisch, te vernietigend, te negatief. En precies dat schreef hij toen ook op, in een heel kort stukje in plaats van de gevraagde bespreking.
Er zijn duidelijke overeenkomsten tussen Nijhoff en Rilke: beiden zijn het ‘witte magiërs’ – de term is van de dichter Hendrik de Vries (1896-1989) – dat wil zeggen sensitieve dichters die probeerden alles wat ze voelden en beseften, en ook alle dromen, gruwelen, verwachtingen, angsten, hoge gedachtevluchten, een plaats te geven in hun poëzie, vaak door aan realistische scènes een symbolische kracht te verlenen, in een eenvoudige, overrompelende taal. Felle pennentwisten, onverzoenlijke meningenstrijd konden ze daar eigenlijk niet bij gebruiken.
Het onderhavige gedicht lijkt op het eerste gezicht een relatief eenvoudig gedicht over de herfst, een vers dat het lot van vallende blaadjes thematiseert, algemeen maakt, zodat het ook over onszelf, onze dood, onze existentiële angsten, onze mislukkingen gaat. En dat is het ook.
Maar er is nog wel iets meer over te zeggen: verreweg de beste tekst die ik over dit gedicht ken, is van de hand van Coen Wessel, een PKN-predikant uit Hoofddorp.[1] Hij heeft heel aannemelijk gemaakt dat de beeldtaal van de beroemde beeldhouwer Auguste Rodin (Rilke heeft een poosje – 1905/1906 – als zijn assistent gewerkt, en schreef ook over zijn werk) belangrijk is om dit gedicht goed te begrijpen. Wessels verbazing (ook de mijne) betrof de introductie van de ‘handen’ – wat niet zo voor de hand ligt als het over vallende blaadjes gaat. Wessel maakt aannemelijk dat Rilkes metafoor ontleend is aan de beeldtaal van Rodin. Het artikel van Wessel vindt u hier. (Een link naar de uitgebreidere Duitse tekst die verschenen is in een liber amicorum van Andreas Pangritz vindt u onderaan het artikel.)
Wessel heeft in dit artikel ook een vertaling van eigen hand opgenomen die ik mooi vind. Diens slotregels vind ik metrisch niet helemaal goed lopen, en hij mist het rijm fält/hält. Maar ook mijn rijm is geen volrijm. Het halfrijm gaarden/gebaren had ik onafhankelijk van hem gevonden, maar hij was er eerder mee.
Een vertaling van de gelauwerde vertaler Peter Verstegen vindt u hier. Deze vertaling ligt, vrees ik, ver beneden het peil dat Verstegen met andere vertalingen wist te bereiken.
[1] Coen Wessel is sinds 1 april 2024 algemeen secretaris van de Raad van Kerken.
Geluidsopname
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling:
Herfst
De bladeren vallen – als uit oneindigheid, als dorden er verre hemelse gaarden; ze vallen met afwerende gebaren.
En ’s nachts, dan valt de zware aarde, weg van de sterren, in de eenzaamheid.
Wij allen vallen. Het geldt ook deze hand. En zie nu toch de anderen: het is in allen.
Toch is er Iemand die dit algemene vallen oneindig teder met zijn hand omvat.
Origineel:
Herbst
Die Blätter fallen, fallen wie von weit, als welkten in den Himmeln ferne Gärten; sie fallen mit verneinender Gebärde.
Und in den Nächten fällt die schwere Erde aus allen Sternen in die Einsamkeit.
Wir alle fallen. Diese Hand da fällt. Und sieh dir andre an: es ist in allen.
Und doch ist Einer welcher dieses Fallen unendlich sanft in seinen Händen hält.
Dit sonnet van William Shakespeare – sonnet 130, een van de 154 sonnetten die Shakespeare geschreven heeft in een heel beroemde sonnetenreeks – is gericht aan The Dark Lady, de zwarte dame. Het is geen moeilijk en zelfs een heel toegankelijk gedicht, maar je moet wel even begrijpen dat Shakespeare hier de draak steekt met de petrarkistische conventies (de door Petrarca en geestverwanten in het leven geroepen dichterlijke gewoonten) om de geliefde met fraaie beeldspraak te overladen: lippen zijn koraalrood, de geliefde beweegt zich voort als een godin, de haren zijn gouden draden en de ogen stralen zeker zo intens als de zon.
Al deze dingen zijn op Shakespeare’s geliefde niet van toepassing, en dan komt de pointe: nochtans houdt hij zielsveel van haar.
Het oorspronkelijke gedicht is geschreven in jambische vijfvoeten (het metrum van elke versregel is dus als volgt: pom-póm, pom-póm, pom-póm, pom-póm, pom-póm). Ik heb de meeste (12 van de 14) regels vertaald met een jambische zesvoet (één keertje extra pom-póm).
Het Shakespeare-sonnet wijkt af van het Italiaanse sonnet. De wending of volta komt niet na de achtste regel, maar na de twaalfde. De laatste twee regels geven de pointe.
Ik heb de eerste twaalf regels weergegeven in kwatrijnvorm omwille van de leesbaarheid – wat in de oorspronkelijke Shakespeare-uitgaven vaak niet gebeurde.
De ogen van mijn lief zijn geenszins hemelsblauw; Haar lippen steken bleekjes af bij bloedkoraal; En als sneeuw wit is, waarom zijn haar borsten grauw? En zijden lokken, ho maar – ’t stugste zwart van allemaal.
Ik zag soms rozen, damascener-rood en -wit, Maar zulke blossen tonen toch haar wangen niet; Waar menig parfum een verfijnd bouquet bezit, Blijkt dat haar adem naar iets anders riekt.
Ik luister graag naar haar, maar weet heel goed Dat het nou niet bepaald muziek der sferen is; Godinnen komen je soms zwierig tegemoet, Terwijl mijn lief weer aan het klossen is.
Maar toch – mijn God – kan zij mij meer bekoren dan wie getooid wordt met die valse metaforen.
Origineel:
Sonnet 130
My mistress’ eyes are nothing like the sun; Coral is far more red than her lips’ red; If snow be white, why then her breasts are dun; If hairs be wires, black wires grow on her head;
I have seen roses damasked, red and white, But no such roses see I in her cheeks; And in some perfumes is there more delight Than in the breath that from my mistress reeks.
I love to hear her speak, yet well I know That music hath a far more pleasing sound; I grant I never saw a goddess go; My mistress when she walks treads on the ground.
And yet, by heaven, I think my love as rare As any she belied with false compare.
Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die ook zijn leven lang in Wales woonde en werkte als een Anglicaans priester. Hij was een groot natuurliefhebber, had een vrij vergaande afkeer van moderne zaken die hij vond afleiden waar het in het leven echt om ging, en hij schreef in het Engels.
Een aardige bespreking door Theodore Dalrymple van zijn biografie – Byron Rogers, The Man Who Went into the West: The Life of R. S. Thomas, Aurum Press – vindt u hier.
Hij was een merkwaardige, eenzelvige figuur die prachtige gedichten schreef, getrouwd was met de schilder Mildred (Elsi)Eldridge (aan wie hij een paar zeer fraaie gedichten heeft gewijd – zie elders op dit blog). Kingsley Amis – zeker geen geestverwant – schreef dat zijn poëzie “reduces most other modern verse to footling whimsy” (=triviale gekkigheid). Hij is in Nederland niet zeer bekend.
Dit gedicht is wel geheimzinnig, maar niet heel moeilijk.
Het gaat over het bidden tot een God wiens aanwezigheid bijna net zo reëel is als zijn maar al te reële afwezigheid.
Ik ben opgegroeid in een gereformeerd-vrijgemaakt milieu, een GPV-milieu, waarin dit gedicht zonder twijfel met onbegrip en afwijzing ontvangen zou zijn, althans in mijn vormende jaren (jaren ’70-’80).
In SGP-kringen – een milieu van bevindelijke christenen – heb ik soms wel begrip gevonden voor de in dit gedicht uitgedrukte gevoelens van godsvrucht die gewoon kunnen samengaan met gevoelens van godverlatenheid.
Je kunt het gedicht misschien als lakmoesproef gebruiken om refo’s van grefo’s (orthodox-gereformeerden van bevindelijk-gereformeerden) te onderscheiden.
De slotregel verwijst naar de Horror Vacui – angst voor de leegte – een begrip uit de oudheid dat natuurkundige en filosofische betekenissen draagt.
Vertaling:
De afwezigheid
Het is deze immense afwezigheid,
bijna een aanwezigheid, die me ertoe
noopt iets te zeggen zonder hoop
op antwoord. Een kamer die ik binnenga
waaruit net iemand is verdwenen,
een vestibule in afwachting
van iemand die nog niet is gekomen.
Ik probeer mijn anachronistische taal
te moderniseren, maar evengoed
blijft hij weg. Genen, moleculen
hebben net zo min kracht hem op te roepen
als de wierook der Hebreeën
aan het altaar. Mijn vergelijkingen deugen niet,
net als mijn woorden. Welk middel heb ik,
behalve de goddeloze leegheid van mijn wezen,
een vacuüm waarvoor hij misschien niet terugdeinst?
Origineel:
The Absence
It is this great absence
that is like a presence, that compels
me to address it without hope
of a reply. It is a room I enter
from which someone has just
gone, the vestibule for the arrival
of one who has not yet come.
I modernise the anachronism
of my language, but he is no more here
than before. Genes and molecules
have no more power to call
him up than the incense of the Hebrews
at their altars. My equations fail
as my words do. What resources have I
other than the emptiness without him of my whole
being, a vacuum he may not abhor?