[Aan deze vertaling wordt de komende dagen nog gewerkt.]
Dit is een vers waarin Walcott twijfelt aan zichzelf, een soort midlifecrisis. “It’s menopausal almost,” zei hij er later zelf van. Het is wel een vers dat karakteristiek is voor zijn werkwijze: een slechts door komma’s of puntkomma’s gepunctueerde, ononderbroken gedachtestroom, met een fraaie ontwikkeling erin en ook een soort pointe.
Eerst het Engels:
Nearing Forty
[for John Figueroa]
The irregular combination of fanciful invention may delight awhile by that novelty of which the common satiety of life sends us all in quest. But the pleasures of sudden wonder are soon exhausted and the mind can only repose on the stability of truth…
––SAMUEL JOHNSON
Insomniac since four, hearing this narrow,
rigidly metred, early-rising rain
recounting, as its coolness numbs the marrow,
that I am nearing forty, nearer the weak
vision thickening to a frosted pane,
nearer the day when I may judge my work
by the bleak modesty of middle age
as a false dawn, fireless and average,
which would be just, because your life bled for
the household truth, the style past metaphor
that finds its parallel however wretched
in simple, shining lines, in pages stretched
plain as a bleaching bedsheet under a guttering
rainspout; glad for the sputter
of occasional insight, you who foresaw
ambition as a searing meteor
will fumble a damp match and, smiling, settle
for the dry wheezing of a dented kettle,
for vision narrower than a louvre’s gap,
then, watching your leaves thin, recall how deep
prodigious cynicism plants its seed,
gauges our seasons by this year’s end rain
which, as greenhorns at school, we’d
call conventional for convectional;
or you will rise and set your lines to work
with sadder joy but steadier elation,
until the night when you can really sleep,
measuring how imagination
ebbs, conventional as any water clerk
who weighs the force of lightly falling rain,
which, as the new moon moves it, does its work
even when it seems to weep.
Dan de vertaling:
Bijna veertig
[Voor John Figueroa]
De grillige combinatie van vergezochte hersenspinsels kan ons een poos in verrukking brengen door de nieuwigheid waarnaar wij op zoek zijn als gevolg van onze oververzadiging met alledaagsheid. Maar het genoegen van de verbluftheid duurt niet lang en de geest kan slechts rust vinden in de bestendigheid van de waarheid…
––SAMUEL JOHNSON
Slapeloos sinds vieren, luisterend naar de dichte,
strikt-metrische, vroege-ochtendregen,
die aftelt, het merg verstijvend met zijn kilte,
dat ik bijna veertig ben, al dicht bij het slechte
zicht dat steeds diffuser wordt als matglas,
dichter bij de dag waarop ik mijn werk mag keuren
met de schrale kiesheid van een middelbare man,
als nooit ingeloste belofte, zonder pit en middelmatig,
wat wel kan kloppen, want je had je leven veil voor
de tegeltjeswijsheid, de stijl boven beeldspraak
die hoe dan ook een armzalige parallel vond
in simpele, oplichtende regels, op pagina’s
platgestreken als een gebleekt beddelaken onder een
neergutsende regenstraal; blij met het gespetter
van gelegenheidsvondstjes, was jij het die al bevroedde
dat ambitie als een verschroeide meteoor
zou prutsen met een natte lucifer, om, lachend, genoegen te nemen
met de piepende ademhaling van een gedeukte ketel,
met uitzicht smaller dan een louvre-luik,
om dan, jouw arme lommer ziende, te beseffen hoe diep
buitensporig cynisme zijn zaad plant,
het jaargetij toetsend aan deze eindejaarsregens,
die we, als groentjes op school, eerder
met conventie dan convectie zouden verbinden;
of je zult opstaan en zorgen dat je versregels hun werk doen
met droeviger vreugde maar gelijkmatiger vervoering,
totdat de nacht komt wanneer je echt niet slapen kan,
om vast te stellen hoe de verbeeldingskracht
wegebt, conventioneel als een doorsnee waterbeambte
die de kracht van de zachtjes neerdalende regen meet,
welke, door de nieuwe maan in gang gezet, haar werk doet
zelfs wanneer zij schijnt te huilen.
Aberdaron Church, de kerk waar Thomas van 1967-1978 dominee was (Wikimedia Commons)
Enkele jaren geleden kwam ik voor het eerst de naam Ronald Stuart Thomas tegen toen ik een bespreking van Thomas’ biografie las. De openingszin van dat stuk luidt: “I am not notably frivolous, but whenever I read R. S. Thomas’s poetry, or his biography, I cannot help but reflect that, like the majority of mankind, I have spent most of my life chasing false gods.“
De boekbespreking draagt als titel A Man Out of Time (City Journal, 6 nov 2006), en was geschreven door Theodore Dalrymple, een essayist die ik graag lees. Het gedicht No Time wordt erin geciteerd, evenals het gedicht A Marriage, dat ik al eerder vertaalde.
Ze liet me alleen. Van wie was die stem, kouder dan grafwind, die sprak “Het is voorbij”? Ongrijpbaar, onzichtbaar, komt ze nog bij me, zoals ze vaak deed, terwijl ik wat lees. Er is een beving van licht, als van een vogel die de zonnebaan kruist, en ik kijk op in herkenning van een afwezige aanwezigheid. Geen woord, geen geluid als ze haar gang gaat, maar een geur die blijft hangen, geur van de tijd die zichzelf offert in liefdesvuur.
Origineel:
No Time Uit: No Truce with the Furies (1995)
She left me. What voice colder than the wind out of the grave said: “It is over?” Impalpable, invisible, she comes to me still, as she would do, and I at my reading. There is a tremor of light, as of a bird crossing the sun’s path, and I look up in recognition of a presence in absence. Not a word, not a sound, as she goes her way, but a scent lingering which is that of time immolating itself in love’s fire.
De Amerikaanse dichter Robert Frost (1874-1963) behoeft eigenlijk geen introductie. Hij is veelvuldig gelauwerd, hij slaagt erin een snaar te raken bij iedere versgevoelige die hem leest, hij hanteert een eenvoudig idioom, hij is erg goed in spreektaal, hij is niet eenvoudig te plaatsen in levensbeschouwelijke of godsdienstige coördinatensystemen, maar hij heeft een duidelijke, zij het weinig orthodoxe, religieuze inslag.
De vorm van dit gedicht is vier terzines met een afsluitend distichon. Het metrum is een jambische vijfvoet, en het rijmschema volgt grotendeels de Danteske vorm van de terza rima.
Het gedicht behoeft weinig toelichting: het gaat om een eenzame nachtelijke wandelaar die niet alleen vertelt, maar bovendien ook levendig oproept dat de nacht en hij goede bekenden van elkaar zijn.
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling:
Vertrouwd met de nacht
Ik was met de nacht steeds innig vertrouwd. Ik was soms doorweekt, liep terug door de regen. Ik liep in het donker de stad uit, ‘t was koud.
Ik liep door duizend droeve stegen. Ik zag een stadswacht die z’n ronde deed, liep om, dan kwam ik hem niet tegen.
Ik hield mijn voetstap in, besefte ‘t leed van een gesmoorde kreet die hoorbaar klonk vanuit een straat welks naam ik steeds vergeet,
maar geen die groette of aandacht aan me schonk. Hoog boven mij werd ik nog overschouwd door een verlichte klok die als van gene zijde klonk,
die uitriep dat de tijd niet goed was en niet fout. Ik was met de nacht steeds innig vertrouwd.
Origineel:
Acquainted with the Night
I have been one acquainted with the night. I have walked out in rain—and back in rain. I have outwalked the furthest city light.
I have looked down the saddest city lane. I have passed by the watchman on his beat And dropped my eyes, unwilling to explain.
I have stood still and stopped the sound of feet When far away an interrupted cry Came over houses from another street
But not to call me back or say good-bye; And further still at an unearthly height One luminary clock against the sky
Proclaimed the time was neither wrong nor right. I have been one acquainted with the night.
Dit gedicht van W.H. Auden roept in korte beeldende strofen een beeld van verval en ondergang op. De rendieren in de slotstrofe werken daarom bijna als een deus ex machina.
Het gedicht is geschreven in 1947 – kort na de oorlog dus – en staat in de Collected Poems, p. 332-333.
Hier kunt u Auden beluisteren die het gedicht voordraagt.
Het gedicht werd gepubliceerd in 1947, en is te vinden in de Collected Poems op de pagina’s 332-333.
Vertaling:
DE ONDERGANG VAN ROME (Voor Cyril Connolly)
De pier voelt golven schuimend bonken; Regenval op braak terrein Geselt een verlaten trein; Schorem vult de bergspelonken.
Welig tiert de gala-kleding; Elke fiscus jaagt met zin Op fraudeurs die vluchten in Riolen van provincie-steden.
Riten vol privé-magie Wiegen zacht de tempelhoer; Elke literaat ontvoert Vriendjes in zijn fantasie.
Cato prijst cerebrotoon De Aloude Disciplines, Maar gespierde mariniers Muiten weer om drank en loon.
Caesars bijslaap heeft plezier, Als een laagbetaalde klerk Schrijft: IK HOUD NIET VAN MIJN WERK Op een rôze formulier.
Zonder welvaart en compassie, Broeden roodgepote sijsjes Teder op hun spikkeleitjes, Uitziend op een koortsig stadje.
Maar wat, ondanks alles, telt: Kudden rendierherten trekken Voort in goudbemoste verten, Rustig en verbazend snel.
Origineel:
THE FALL OF ROME (For Cyril Connolly)
The piers are pummelled by the waves; In a lonely field the rain Lashes an abandoned train; Outlaws fill the mountain caves.
Fantastic grow the evening gowns; Agents of the Fisc pursue Absconding tax-defaulters through The sewers of provincial towns.
Private rites of magic send The temple prostitutes to sleep; All the literati keep An imaginary friend.
Cerebrotonic Cato may Extol the Ancient Disciplines, But the muscle-bound Marines Mutiny for food and pay.
Caesar’s double-bed is warm As an unimportant clerk Writes I DO NOT LIKE MY WORK On a pink official form.
Unendowed with wealth or pity, Little birds with scarlet legs, Sitting on their speckled eggs, Eye each flu-infected city.
Altogether elsewhere, vast Herds of reindeer move across Miles and miles of golden moss, Silently and very fast.
Polen, parade voor Adolf Hitler (1939), overgenomen van Wikimedia Commons
Het gedicht September 1, 1939 werd door Auden geschreven bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. De titel is de datum waarop Hitlers Duitsland Polen binnen viel. Auden bevond zich toen, net als de ik-figuur in het gedicht, in New York. Het gedicht werd al snel erg populair. Ook na de aanslagen op de Twin Towers in 2001 werd het gedicht veel geciteerd. De symboliek van wolkenkrabbers, waarvoor kennelijk ook de zelfmoordterroristen gevoelig waren, is een van de motieven in dit gedicht.
Maar de weerklank die het vindt, betekent nog niet dat het een “politiek gedicht” is, zoals vaak is betoogd. Ik zou niet weten wat dat is, een ‘politiek gedicht’.
De beroemdste zinnen – “We must love one another or die” – waren voor Auden in een later stadium van zijn dichterschap aanleiding om het gedicht als onwaarachtig te verwerpen. We moeten immers sowieso sterven. In het algemeen vond Auden dat de retoriek met hem aan de haal was gegaan, in plaats van andersom, reden waarom hij herdrukken ervan tegen hield. Veel critici vinden dit moeilijk te verteren, maar helemaal onbegrijpelijk is het niet: de slotzinnen van diverse strofen klinken bijzonder sonoor, maar ze ronken toch ook wel een beetje. Ook is voor mijn gevoel de in het gedicht geconstrueerde tegenstelling tussen een alomvattende liefde, die goed is, en een exclusieve liefde, die verkeerd is, wel heel erg idealistisch als de eraan gehechte waardeoordelen zonder meer worden toegepast op de gehele mensheid. Het is een paulinisch idealisme waarop ook het katholieke priestercelibaat is gebaseerd. De apostel Paulus zegt in 1 Kor. 7:7 : “Ik zou wel willen, dat alle mensen waren, zoals ikzelf [dat wil zeggen: ongehuwd, AS].” Enfin, ik heb erg mijn best gedaan om ook de welluidende retoriek netjes te vertalen.
De slotstrofe van het gedicht is geïnspireerd door E.M. Forster die in zijn essay uit 1938, What I Believe, schreef (hij benadrukte het belang van persoonlijke relaties boven de grote ideologische en nationale doeleinden):
And one can, at all events, show one’s own little light here, one’s own poor little trembling flame, with the knowledge that it is not the only light that is shining in the darkness, and not the only one which the darkness does not comprehend.
En even verderop:
It is a humiliating outlook – though the greater the darkness, the brighter shine the little lights, reassuring one another, signalling: “Well, at all events, I ‘m still here. I don’ t like it very much, but how are you ?” Unquenchable lights of my aristocracy! Signals of the invincible army ! “Come along – anyway, let’s have a good time while we can. “I think they signal that too.
Forster en Auden kenden elkaar, en Forster bewonderde Auden ook in sommige opzichten: “Because he once wrote ‘We must love one another or die’ he can command me to follow him.“
Joseph Brodsky wijdde een 53 pagina’s tellende beschouwing aan dit gedicht, dat gepubliceerd werd in zijn essaybundel Less than One (1985), vertaald als Tussen iemand en niemand (vertaling: Frans Kellendonk en Kees Verheul, 1987).
Het gedicht voldoet aan een door de jonge Auden geciteerde definitie van poëzie: “Memorable Speech”. Ik ken het gedicht al sinds mijn studietijd – jaren tachtig van de 20e eeuw – uit mijn hoofd.
52d Street was de Jazz-straat van de wereld. De bijgaande foto is uit 1948 en de fotograaf is William P. Gottlieb.
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling:
1 september 1939
Ik zit in één van de bars Van Fifty-second Street, Onzeker en ook bang, Nu de vernuftige hoop vervliegt Van een laag en vals decennium: Golven van woede en angst Gaan rond over de verlichte En verduisterde streken der aarde, En houden ons in hun ban; Het onzegbare bouquet van de dood Schendt de septembernacht.
Trefzekere geleerdheid kan Het hele misdrijf opdelven, Dat een cultuur al sinds Luther In waanzin heeft gestort, Nagaan wat er voorviel in Linz, Welk kolossaal imago Een geesteszieke god schiep: U en ik, wij weten – Elk kind leert dat al vlug – Wie kwaad moet ondergaan, Betaalt met kwaad terug.
Verbannen Thucidides wist Wat een toespraak zeggen kon Over Democratie, En wat dictators doen, Hun oudemannengezever, Gericht tot een apathisch graf, Ontleedde het in zijn boek: De verdreven Verlichting, De verslavende pijn, Wanbeleid en verdriet: Het overstelpt ons nu opnieuw.
In deze neutrale lucht, Waar wolkenkrabbers blind De kracht van het Collectief In volle omvang proclameren, Schenkt elke taal om strijd Zijn scheut met loze praat: Maar wie houdt het lang vol In een euforische droom; Uit de spiegel staren ze ons aan: Het imperialistische gelaat, En de internationale doem.
Koppen aan de bar Hangen aan hun doorsneedag: Licht mag niet uitgaan, Muziek moet blijven spelen; Alle mores spannen samen Om dit fort te laten lijken Op het meubilair van thuis. We zouden eens zien waar we zijn, Verdwaald in een behekst woud, Kinderen, bang in het donker, Nooit gelukkig geweest, of goed.
De holste militante wartaal Die prominenten uitslaan, Verbleekt bij onze aandriften: Wat de gestoorde Nijinsky Schreef over Djagilev, Geldt voor ieder mensenhart, Want de weeffout in het wezen Van elke man en vrouw Doet knielen voor een valse god: Geen liefde die het al omvat, Maar liefde alleen voor jou.
Uit het conservatieve donker Trekken de drommen forenzen Het ethische domein binnen, Hun ochtendgelofte prevelend: “Trouw zal ik zijn aan mijn vrouw, Mijn best ga ik doen op mijn werk.” Hulpeloze bestuurders staan op En vervolgen obligaat hun spel: Wie kan hen nu bevrijden, Wie bereikt nog de doven, Wie spreekt voor sprakelozen?
Ik heb alleen een stem Om de leugenstrik te ontwarren, De romantische leugen in de geest Van de zinnelijke Gewone Man, En de leugen van het Gezag Wiens gebouwen de hemel kerven: Iets als de Staat bestaat niet, En niemand leeft alleen; Honger laat geen keus Aan burger of agent; We moeten liefhebben, of sterven.
Weerloos in de zwarte nacht Ligt onze wereld uitgeteld; Toch pinken overal Ironische lichtpuntjes Die doven als de Oprechten Van gedachten wisselen. Misschien mag ik, die net als zij Gevormd is uit Eros en stof, Die net zo belaagd wordt Door ontkenning en wanhoop, Een beamende vlam tonen.
Origineel:
September 1, 1939
I sit in one of the dives On Fifty-second Street Uncertain and afraid As the clever hopes expire Of a low dishonest decade: Waves of anger and fear Circulate over the bright And darkened lands of the earth, Obsessing our private lives; The unmentionable odour of death Offends the September night.
Accurate scholarship can Unearth the whole offence From Luther until now That has driven a culture mad, Find what occurred at Linz, What huge imago made A psychopathic god: I and the public know What all schoolchildren learn, Those to whom evil is done Do evil in return.
Exiled Thucydides knew All that a speech can say About Democracy, And what dictators do, The elderly rubbish they talk To an apathetic grave; Analysed all in his book, The enlightenment driven away, The habit-forming pain, Mismanagement and grief: We must suffer them all again.
Into this neutral air Where blind skyscrapers use Their full height to proclaim The strength of Collective Man, Each language pours its vain Competitive excuse: But who can live for long In an euphoric dream; Out of the mirror they stare, Imperialism’s face And the international wrong.
Faces along the bar Cling to their average day: The lights must never go out, The music must always play, All the conventions conspire To make this fort assume The furniture of home; Lest we should see where we are, Lost in a haunted wood, Children afraid of the night Who have never been happy or good.
The windiest militant trash Important Persons shout Is not so crude as our wish: What mad Nijinsky wrote About Diaghilev Is true of the normal heart; For the error bred in the bone Of each woman and each man Craves what it cannot have, Not universal love But to be loved alone.
From the conservative dark Into the ethical life The dense commuters come, Repeating their morning vow; “I will be true to the wife, I’ll concentrate more on my work,” And helpless governors wake To resume their compulsory game: Who can release them now, Who can reach the deaf, Who can speak for the dumb?
All I have is a voice To undo the folded lie, The romantic lie in the brain Of the sensual man-in-the-street And the lie of Authority Whose buildings grope the sky: There is no such thing as the State And no one exists alone; Hunger allows no choice To the citizen or the police; We must love one another or die.
Defenceless under the night Our world in stupor lies; Yet, dotted everywhere, Ironic points of light Flash out wherever the Just Exchange their messages: May I, composed like them Of Eros and of dust, Beleaguered by the same Negation and despair, Show an affirming flame.
De dichter Wystan Hugh Auden (1907-1973) is een van de grootste twintigste-eeuwse dichters in het Engelse taalgebied. Hij stamde uit een anglicaans middle class milieu (Church of England), studeerde in Oxford, was openlijk homoseksueel, werd al snel de centrale figuur van een groep dichters in de jaren dertig – Louis MacNeice, Stephen Spender, Christopher Isherwood, John Betjeman – was zich al vroeg bewust van zijn dichterlijke roeping, gebruikte Freud in zijn beginjaren, Marx in de jaren die erop volgden, en keerde op middelbare leeftijd terug naar de christelijke levensovertuiging waarmee hij was opgegroeid.
Het gedicht Funeral Blues is misschien wel het beroemdste gedicht van W.H. Auden. Het dankt zijn bekendheid bij het grote publiek aan de centrale plaats die het had in de film Four Weddings and a Funeral, een Britse romantische tragikomedie uit 1994 onder regie van Mike Newell.
Het gedicht werd voor het eerst gepubliceerd in 1936 in een vorm die sterk afweek van de vorm waaronder het bekend is geworden. Het maakte aanvankelijk deel uit van The Ascent of F6 (De beklimming van de F6), een toneelstuk in verzen van Auden en Christopher Isherwood. Het gedicht in de ons meest bekende vorm is voor het eerst gepubliceerd in Denys Kilham Roberts & Geoffrey Grigson (red.), The Year’s Poetry,1938 (Londen: John Lane at the Bodley Head, 1938), en later opgenomen in Audens bundel Another Time (1940). Benjamin Britten heeft het vers op muziek gezet, als één van de Cabaret Songs; het ishier te beluisteren.
Funeral Blues is opgetrokken uit hyperbolen (overdrijvingen) en is hier en daar grotesk, kenmerken die het gedicht effectief benut om groot verdriet op te roepen. Misschien is elke geslaagde evocatie van sterke emotie wel een beetje cabaretesk.
Mij persoonlijk ontroert dit gedicht niet heel erg – het is me iets te theatraal – maar het is wel prachtig uitgevoerd natuurlijk.
Het is al vaak vertaald, bijvoorbeeld mooi door Willem Wilmink.
De slotstrofe luidt bij Wilmink:
Laat in de sterren kortsluiting ontstaan, maak ook de zon onklaar. Begraaf de maan Giet leeg die oceaan en kap het woud: niets deugt meer, nu hij niet meer van me houdt.
De laatste regel van Wilminks vertaling doet voor mijn gevoel afbreuk aan de strekking – natuurlijk is ook doodgaan een vorm van verlaten, maar de zinsnede ‘nu hij niet meer van me houdt’ geeft toch een averechts effect.
Sterren zijn overbodig, doof ze stuk voor stuk; Pak de maan in, blus de zon van ons geluk; Maai weg het woud, leg droog de oceaan. Want niets meer komt er ooit nog goed voortaan.
In Schulte Nordholts slotstrofe treft mij de zin “blus de zon van ons geluk” als minder gelukkig. Het doel is niet dat ‘de zon van ons geluk’ wordt geblust, maar de zon zelf.
Enfin, Funeral Blues wordt zo vaak geciteerd dat je er soms een beetje misselijk van wordt, net als van Mozarts Eine kleine Nachtmusik. Maar ik ben geen snob.
——————————————————————————————————————————-
Geluidsopname:
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Hier kunt u de voordracht van het oorspronkelijke gedicht in het Engels beluisteren (vier verschillende stemmen), met een fraai filmpje waarbij je Auden ziet lopen rondom zijn huisje in het Oostenrijkse Kirchstetten met een tas in zijn hand op weg naar de Volkswagen Kever waarmee hij uiteindelijk wegrijdt. Ik denk dat de tweede strofe wordt voorgedragen door Auden zelf.
——————————————————————————————————————————-
Vertaling:
Begrafenisblues
Weg met die klokken, gooi dat toestel kapot, breng de hond tot zwijgen met een smakelijk bot, demp de piano’s, begeleid met doffe trom de treurenden, zeg tot de kist slechts: Kom!
Huur zeurende vliegtuigjes boven ons hoofd, die aan de hemel schrijven: Hij is dood. Geef aan de duif een kraag van crêpepapier, een zwarte pet aan dienders in ‘t verkeer.
Hij was mijn Noord, mijn Zuid, mijn Oost en West, mijn werkweek, weekend en mijn warme nest, mijn dag, mijn nacht, mijn kletspraat en betekenis; ik dacht dat liefde eeuwig was – ik had het mis.
Sterren verdwijn, doof ze zonder pardon, vaag weg die maan, ontmantel de zon, giet zeeën maar leeg, stamp ’t oerwoud fijn. Want nooit kan iets nog mooi of zinrijk zijn.
Origineel:
Funeral Blues
Stop all the clocks, cut off the telephone, Prevent the dog from barking with a juicy bone, Silence the pianos and with muffled drum Bring out the coffin, let the mourners come.
Let aeroplanes circle moaning overhead Scribbling on the sky the message He Is Dead, Put crêpe bows round the white necks of the public doves, Let the traffic policemen wear black cotton gloves.
He was my North, my South, my East and West, My working week and my Sunday rest, My noon, my midnight, my talk, my song; I thought that love would last for ever: I was wrong.
The stars are not wanted now: put out every one; Pack up the moon and dismantle the sun; Pour away the ocean and sweep up the wood. For nothing now can ever come to any good.
De dichter Wystan Hugh Auden (1907-1973) groeide op in Engeland, ging vlak voor de Tweede Wereldoorlog naar Amerika, ontving zijn opvoeding in een Anglicaans gezin, hield aanvankelijk van Freud, een tijdje halfhartig van Marx, keerde gerijpt terug naar het geloof van zijn jeugd, schreef gedichten, libretti en toneelteksten, en wordt veelal beschouwd als een van de grootste Engelse dichters in de twintigste eeuw.
Wie meer wil weten over Auden kan elders op mijn website terecht. Ik houd veel van zijn werk en heb al aardig wat vertalingen van zijn gedichten gemaakt. Peter Verstegen – een gelauwerd vertaler – heeft in De Tweede Ronde (jrg. 3, 1982) een informatief Ten Geleide bij een aantal Auden-vertalingen gepubliceerd. Het stuk bevat in een notendop Audens intellectuele en dichterlijke ontwikkeling.
De slotzin van het onderhavige gedicht is een omkering van een vrij bekende zin die de Amerikaanse historicus John Lothrop Motley schreef in zijn boek The Rise of the Dutch Republic (1856): “As long as he lived, he was the guiding-star of a whole brave nation, and when he died the little children cried in the streets.” Deze zin heeft betrekking op Willem van Oranje. Zie: Elizabeth Knowles, What They Didn’t Say: A Book of Misquotations (2006, onder: When he died the little children cried in the streets).
De omkering van Motley’s enigszins kwezelachtige, hagiografische zin, heeft een heel sterk effect: opeens besef je waar al die nog redelijk gewoon klinkende constateringen over de tiran toe kunnen leiden.
Hier is een geluidsopname van W.H. Auden die dit gedicht voordraagt.
En hier is mijn voordracht van de vertaling:
Arie Sonneveld – geluidsopname van de vertaling
Vertaling:
Grafschrift voor een tiran
Een soort van volmaaktheid, was wat hij najoeg, En de verzen die hij bedacht waren eenvoudig genoeg; Hij kende onze dwaasheid als de zak van zijn broek, En was hogelijk geïnteresseerd in vloten en soldaten; Als hij lachte, brulden achtenswaardige senatoren van de lach, En als hij huilde, stierven de jonge kinderen in de straten.
Origineel:
Epitaph on a Tyrant
Perfection, of a kind, was what he was after, And the poetry he invented was easy to understand; He knew human folly like the back of his hand, And was greatly interested in armies and fleets; When he laughed, respectable senators burst with laughter, And when he cried the little children died in the streets.
Nu ik, door lot en medemens veracht,
Mijn uitgestotenheid beween in eenzaamheid,
Een dove hemel hinder met mijn loze klacht,
Mijn lot vervloek, bedroefd door zelfverwijt
Verlang te zijn als wie nog toekomst heeft,
Als één die door zijn vrienden wordt geprezen
Om zijn talent en het gemak waarmee hij leeft,
Met wat hij ’t meest bemint het allerminst tevreden,
Toch stijgt, als ik soms denk aan uw beminde lach,
Mijn door gekweld getob bezwaard gemoed,
Als de leeuwerik omhoog, die bij het krieken van de dag
uit norse sluimering, jubelend de hemel groet.
Uw liefde zingt in zulke zoete jubeltonen
Dat ik mijn staat niet ruilen wil met die van godenzonen.
Origineel:
When, in disgrace with Fortune and men’s eyes,
I all alone beweep my outcast state,
And trouble deaf heaven with my bootless cries,
And look upon myself and curse my fate,
Wishing me like to one more rich in hope,
Featured like him, like him with friends possessed,
Desiring this man’s art and that man’s scope,
With what I most enjoy contented least:
Yet in these thoughts myself almost despising,
Haply I think on thee, and then my state,
Like to the lark at break of day arising
From sullen earth, sings hymns at heaven’s gate;
For thy sweet love remembered such wealth brings
That then I scorn to change my state with kings’.
In 1946 – vlak na de oorlog dus – was Wystan Hugh Auden de Phi Beta Kappa-dichter aan de Harvard-universiteit. Hij droeg er het gedicht Under Which Lyre voor, met als ondertitel A Reactionary Tract For The Times. Een korte bespreking van de ontstaansgeschiedenis is te vinden in Adam Kirsch, A Poet’s Warning, Harvard Magazine, nov-dec 2007.
Het is een spits en geestig gedicht waarin Apollinische pompeusheid, humorloosheid en cynisch najagen van eigenbelang wordt gecontrasteerd met gebrek aan discipline, vroegrijpheid en bohemien-gedrag, zoals belichaamd door Hermes. Het gedicht eindigt met een grappige Hermetische dekaloog (Tien geboden).
Kiest u zelf bij welke lier de muziek u het beste bevalt.
Hier hoort u de stem van W.H. Auden zelf die zijn gedicht met verve voordraagt.
Geluidsopname van de vertaling
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling:
BIJ WELKE LIER Een reactionaire tijdrede (Phi Beta Kappa-gedicht, Harvard, 1946)
Ares staakt eindelijk de strijd; Van struiken druipt nog lange tijd Vergoten bloed, En de in puin geschoten steden Herrijzen weer en baden vredig In zomergloed.
Op ieder campusplein verschenen Ruige veteranen die weer trainen Als corps-novieten; Instructeurs met wrange spot Geven groentjes toegang tot De vakgebieden.
Ze bestormen de kronkeltrappen Van kunsten en van wetenschappen, Of hangen er rond, En zenuwen, gestaald tot moorden, Worden kapotgeschoten door de Verzen van Donne.
Beroofd van oorlogsprivileges Geeft de professor weer college, Maar soms met spijt; Zijn dictafoon beviel hem goed, Hij heeft beroemdheden ontmoet En wil dat kwijt.
Maar onnavolgbaar als zovaak Zendt Zeus de wil-tot-tegenspraak Als pandemie; Hij dwingt de vaudeville tot preken En wie een feestwoord uit moet spreken Tot polemiek.
Laat Ares soezen, deze slag Gaat altijd door, want elke dag Geeft ons te zien De danser naar Apollo’s pijpen En hem die Hermes, de vroegrijpe, Probleemloos dient.
Onsterfelijken zaaiden gaarne Verderf en dood op Midden-aarde; Hun nooit verjaard Besef van haat krijgt elk geslacht, Elk mensentype in zijn macht: De tweedejaars
Die lacht om al wat somber is Of doet alsof hij Cortez is (De prairie-heerser), En zij die, net als ik, verbleken, Als ze een keel opzetten tegen Hun jaren veertig.
Door een Olympisch Vuur verhit, Hoewel men samen lacht en bidt, Maar on-klassieker, Voltrekken burgergoden even Gemeen hun dialectisch streven, Maar fanatieker.
De Hermes-zonen spelen graag, Doen slechts hun best als men hen vraagt Kalmaan te doen; Apollo’s nakroost zwoegt met vlijt En is tot slavendienst bereid Om het fatsoen.
Een vredesmissie is in deze Verbondenheid door antithese Gedoemd tot flop; Respect misschien maar vriendschap nooit: Falstaff de dwaas strijdt meer dan ooit Met Hal de snob.
Liet hij zijn Ik nu maar alleen, Apollo kreeg de troon meteen, Fasces en valken; Hij zit daar graag, is het gewend; ’t Zou hier met Hermes als regent Zijn als de Balkan.
Jaloers op onze god der dromen Tracht hij met list omhoog te komen In onze gunst; Onthand met lier en partituur, Schept hij met imitatievuur Subsidiekunst.
Als hij de baas is op de faculteit, Wordt Waarheid snel Doelmatigheid; PR en Sport Vult menig kern-curriculum; Hij zorgt dat ieder practicum Commercie wordt.
Atletisch, extravert en ruw Geeft hij wie eenzaam is en schuw Geen schijn van kans; Het doel: een dichtbevolkt Nirwana; Zijn schild draagt dit devies: Mens Sana Qui mal y pense.
Zijn vaandels zijn van goudbrokaat; Triomfen viert hij inderdaad, Van Links tot Rechts, Van Yale tot Princeton, en het nieuws Van Broadway tot de Book Reviews Geeft niets dan slechts.
Zijn radio galmt homerisch voort, Niet door besef van maat gestoord (Pastiche van Whitman); Vol adjectieven is zijn taal Om doughnut of om Jan Modaal Flink te aanbidden.
Van hem is ook de huislyriek Op huwelijk, hond of hosmuziek, Op zweet of zwoerd, Verzonnen door een hoofse bard Wiens ellenlange rijm verward Obstructie voert.
Zo gaan naar hem de feest-oraties En series fuga-variaties Op volksballaden; Dieet-experts plengen een glas Met pruimensap of kalebas Met snoepsalade.
Hij is als sensatie-zuchtige Verzot op seks en vluchtige Godsdienstigheid; Een stortbui van romans belooft (Neerplenzend op ons weerloos hoofd) Een griezeltijd.
Voorts tracht hij in het Hermes-kamp Met vals tuniek en hoefgestamp Een wig te drijven; Het gonst van existentialisten Die ieder elke hoop betwisten, Maar blijven schrijven.
Geeft niks, want winnen zal hij niet; Wij krijgen steun van Aphrodite! Maar wat gedaan Als zijn regiem verhardt? Wij zullen, Bij Zeus, als politieke nullen, Hem toch verslaan.
Geleerden, schietend uit de muren Van tijdschriften met veel allure, Staan voor de feiten; Ons keurkorps intellectuelen Bestormt de magazine-burelen Om trends te grijpen.
’s Nachts smoest de zelfkant-avantgarde Op feestjes over ons verstarde Establishment; Des ochtends stort een groot notabele Terneer, geveld door een capabele Verbale stunt.
Moreel herstel vormt onze kracht, Opdat ons straks het schouwspel wacht Van ’s vijands vlucht: Apollo’s heir raakt in paniek. De dekaloog der Hermetiek Wordt nu Uw tucht:──
Gij zult professors nimmer vleien, Noch in uw proefschrift-schrijverijen Opvoedend praten; Gij zult projecten niet aanbidden, Noch onderdanig zijn temidden Der bureaucraten.
Tegen enquêtes zegt gij nee; Aan quizzen doet gij nimmer mee; Niet uit gemak Zult gij een test doen; vormt geen span Met statistici; hebt afschuw van Elk socio-vak.
Gij zult u niet vertonen samen Met snelle jongens in reclame, Noch blij verrast De bijbel lezen om zijn spraak, Noch vrijen met wie zich te vaak en grondig wast.
Uw grenzen houden u niet tegen; Versmaadt vlak water, kalme wegen; Als het mag zijn, Kiest wat u hoon oplevert, spot; Leest The New Yorker; hoopt op God; En hou het klein.
Origineel:
UNDER WHICH LYRE A Reactionary Tract for the Times (Phi Beta Kappa Poem, Harvard, 1946, Collected Poems, pag. 335-339)
Ares at last has quit the field, The bloodstains on the bushes yield To seeping showers, And in their convalescent state The fractured towns associate With summer flowers.
Encamped upon the college plain Raw veterans already train As freshman forces; Instructors with sarcastic tongue Shepherd the battle-weary young Through basic courses.
Among bewildering appliances For mastering the arts and sciences They stroll or run, And nerves that steeled themselves to slaughter Are shot to pieces by the shorter Poems of Donne.
Professors back from secret missions Resume their proper eruditions, Though some regret it; They liked their dictophones a lot, They met some big wheels, and do not Let you forget it.
But Zeus’ inscrutable decree Permits the will-to-disagree To be pandemic, Ordains that vaudeville shall preach And every commencement speech Be a polemic.
Let Ares doze, that other war Is instantly declared once more ‘Twixt those who follow Precocious Hermes all the way And those who without qualms obey Pompous Apollo.
What high immortals do in mirth Is life and death in Middle-Earth; Their a-historic Antipathy forever gripes All ages and somatic types, The sophomoric
Who face the future’s darkest hints With giggles or with prairie squints As stout as Cortez, And those who like myself turn pale As we approach with ragged sail The fattening forties.
Brutal like all Olympic games, Though fought with smiles and Christian names And less dramatic, This dialectic strife between The civil gods is just as mean, And more fanatic.
The sons of Hermes love to play, And only do their best when they Are told they oughtn’t; Apollo’s children never shrink From boring jobs but have to think Their work important.
Related by antithesis A compromise between us is Impossible; Respect perhaps but friendship never: Falstaff the fool confronts forever The prig Prince Hal.
If he would leave the self alone, Apollo’s welcome to the throne, Fasces and falcons; He loves to rule, has always done it; The earth would soon, did Hermes run it, Be like the Balkans.
But jealous of our god of dreams, His common sense in secret schemes To rule the heart; Unable to invent the lyre, Creates with simulated fire Official art.
And when he occupies a college, Truth is replaced by Useful Knowledge; He pays particular Attention to Commercial Thought, Public Relations, Hygiene, Sport, In his curricula.
Athletic, extravert and crude, For him to work in solitude Is the offence, The goal a populous Nirvana: His shield bears this device: Mens Sana Qui mal y pense.
Today his arms we must confess From Right to Left have met success, His banners wave From Yale to Princeton, and the news From Broadway to the Book Reviews Is very grave.
His radio homers all day long In over-Whitmanated song That does not scan, With adjectives laid end to end, Extol the doughnut and commend The Comman Man.
His, too, each homely lyric thing On sport or spousal love or spring Or dogs or dusters, Invented by some courthouse bard For recitation by the yard In filibusters.
To him ascend the prize orations And sets of fugal variations On some folk ballad, While dietitians sacrifice A glass of prune-juice or a nice Marsh-mallow salad.
Charged with his compound of sensational Sex plus some undenominational Religious matter, Enormous novels by co-eds Rain down on our defenceless heads Till our teeth chatter.
In fake Hermetic uniforms Behind our battle lines, in swarms That keep alighting, His existentialists declare That they are in complete despair, Yet go on writing.
No matter; He shall be defied; White Aphrodite is on our side: What though his threat To organize us grow more critical? Zeus willing, we, the unpolitical, Shall beat him yet.
Lone scholars, sniping from the walls Of learned periodicals, Our facts defend, Our intellectual marines, Landing in little magazines Capture a trend.
By night our student Underground At cocktail parties whisper round From ear to ear; Fat figures in the public eye Collapse next morning, ambushed by Some witty sneer.
In our morale must lie our strength: So that we may behold at length Routed Apollo’s Batallions melt away like fog, Keep well the Hermetic Decalogue, Which runs as follows:──
Thou shalt not do as the dean pleases, Thou shalt not write thy doctor’s thesis On education, Thou shalt not worship projects nor Shalt thou or thine bow down before Administration.
Thou shalt not answer questionnaires Or quizzes upon World-Affairs, Nor with compliance Take any test. Thou shalt not sit With statisticians nor commit A social science.
Thou shalt not be on friendly terms With guys in advertising firms, Nor speak with such As read the Bible for its prose, Nor, above all, make love to those Who wash too much.
Thou shalt not live within thy means Nor on plain water or raw greens. If thou must choose Between the chances, choose the odd: Read The New Yorker, trust in God; And take short views.
Eertijds gold zwart niet als mooi of voornaam,
En als het zo was, werd het niet zo genoemd.
Maar nu is zwart toch schoonheids erfgenaam,
En wordt goudblonde schoonheid als bastaard verdoemd.
Want sinds de mens de natuur heeft gebreideld,
Wanstaltigheid schiep, namaak die doorgaat voor echt,
Wordt de schoonheid ontwijd, haar streven verijdeld,
Haar lustoord onteerd, haar bestaansrecht ontzegd.
De ogen van mijn lief zijn zwart, godlof!
Haar zwarte wenkbrauwen tonen haar pijn
Om al wat niet mooi is, maar toch doet alsof,
De schepping schofferend met valsheid en schijn.
Maar ieder zal zeggen, hoezeer ze ook klagen,
Wat schoonheid is, hoef je nooit meer te vragen.
Origineel:
Sonnet 127
In the old age black was not counted fair,
Or if it were, it bore not beauty’s name;
But now is black beauty’s successive heir,
And beauty slandered with a bastard shame:
For since each hand hath put on nature’s power,
Fairing the foul with art’s false borrowed face,
Sweet beauty hath no name, no holy bower,
But is profaned, if not lives in disgrace.
Therefore my mistress’ eyes are raven-black,
Her brow so suited, and they mourners seem
At such who, not born fair, no beauty lack,
Sland’ring creation with a false esteem.
Yet so they mourn, becoming of their woe,
That every tongue says beauty should look so.
Op Wikipedia heb ik (onder het pseudoniem Theobald Tiger) op 27 februari 2014 een vertaling van ‘Sonnet 18′, het beroemdste sonnet van Shakespeare, gepubliceerd.
Lijk jij soms op een mooie dag in mei?
Je bent bekoorlijker en hebt meer tederheid.
Een rukwind schudt wat uitbot ruw opzij,
Kort duurt des zomers toegemeten tijd.
Het hemeloog verzengt het groene loof.
Zijn gulden gloed is van beperkte duur.
Zijn schittering wordt kortelings gedoofd,
Ontregeld door een speling der natuur.
Jouw zomers aureool blijft eeuwig reisgenoot;
Jouw schoonheid heeft een duurzaam coloriet;
Jij dwaalt niet in de schaduw van een fiere dood,
Wanneer jij blijvend voortleeft in een lied.
Zolang het mensdom oog en adem heeft,
Zolang zorgt dit gedicht dat jij nog leeft.
Origineel:
Sonnet 18
Shall I compare thee to a summer’s day?
Thou art more lovely and more temperate.
Rough winds do shake the darling buds of May,
And summer’s lease hath all too short a date.
Sometime too hot the eye of heaven shines,
And often is his gold complexion dimmed,
And every fair from fair sometime declines,
By chance or nature’s changing course untrimmed;
But thy eternal summer shall not fade
Nor lose possession of that fair thou ow’st,
Nor shall death brag thou wander’st in his shade
When in eternal lines to time thou grow’st.
So long as men can breathe or eyes can see,
So long lives this, and this gives life to thee.
Op Wikipedia heb ik (onder het pseudoniem Theobald Tiger) op 13 december 2010 een vertaling van Shakespeare’s ‘Sonnet 116’ gepubliceerd.
Het gedicht is een sonnet in de Engelse – mede door Shakespeare – gevormde traditie, en het heeft dus twee slotregels die samen een rijmende pointe vormen. Er is geen volta of wending na de twee openingskwatrijnen.
Toelichting bij dit gedicht is overbodig – dat geldt overigens voor bijna alles wat Shakespeare schreef.
(Het gepraat van letterkundigen over diepzinnigheid en gelaagdheid en politieke implicaties en andersoortige complexe betekenis is vaak – maar niet altijd – een teken dat deze deskundigen het gedicht niet begrijpen, dat ze het niet ‘en vogue’ achten, dat ze het niet mooi vinden, of dat ze het gedicht – bijna nog erger – uit plichtsbesef becommentariëren.)
Laat mij niet tussen innig echtverbonden geesten
Een wig drijven. Liefde is liefde niet
Als zij zich temperen laat door de tempeesten,
Of gaat zodra men haar tot gaan gebiedt.
O nee, zij is een baken van bestendigheid
Dat in de storm onschokbaar op de baren ziet,
De ster die ’t dolend schip naar zijn bestemming leidt;
Haar hoogte is meetbaar, maar haar waarde niet.
Liefde is niet de Nar van de Tijd, wiens zeis
Eerlang uit vurige lippen de gloed zal verdringen;
Van maand noch jaar raakt zij ooit van de wijs,
Ze is standvastig tot het einde aller dingen.
En wie dit woord in volle ernst doet sneven,
Verwerpt mijn werk en heeft de liefde afgeschreven.
Origineel:
Sonnet 116
Let me not to the marriage of true minds
Admit impediments. Love is not love
Which alters when it alteration finds,
Or bends with the remover to remove.
O no, it is an ever fixèd mark
That looks on tempests and is never shaken;
It is the star to every wand’ring barque,
Whose worth’s unknown although his height be taken.
Love’s not time’s fool, though rosy lips and cheeks
Within his bending sickle’s compass come;
Love alters not with his brief hours and weeks,
But bears it out even to the edge of doom.
If this be error and upon me proved,
I never writ, nor no man ever loved.
Joseph Brodsky attendeerde mij eind jaren tachtig op de dichter Derek Walcott in zijn essaybundel Less than One (1985), een bundel die vertaald werd door Kees Verheul en Frans Kellendonk onder de titel Tussen iemand en niemand.
Derek Walcott overleed vandaag, op 17 maart 2017.
In ‘The Walk’ wordt een gekwelde wandeling beschreven:
Vertaling:
De Wandeling
Na een hoosbui ververst de goot gestaag zijn kralen;
deze bomen lekken je onrust als rijkgetooide druipkaarsen,
drup na drup; als het telraam van een kind
rijgen zich parels koud zweet aan hoogspanningsdraden;
bid voor ons, bid voor dit huis, leen uws naasten
geloof, bid voor dit brein dat zich afmat,
en het geloof verliest in de meesterwerken die het leest;
na een ontvankelijke dag komen bebloede verzen,
regel na regel afgestroopt van het omzwachtelde vlees,
tevoorschijn, rondscharrelend onder een hemel
die doorweekt is als een vaatdoek,
terwijl de katten geeuwen achter hun raamkozijnen,
leeuwen in zelfverkozen kooi,
die toch niet verder reikt dan de beparelde poort
van een naaste buur. Hoe vreselijk is jouw eigen
trouw, o hart, o ijzeren roos!
Lijken je daden niet meest op keukenmeidenromans,
scènes uit drassige soapseries die het leven
nader komen dan het jouwe? Alleen de pijn,
de pijn is echt. Hier komt je leven op neer,
de gebalde vuist van een kluit bamboe
die de bloei laat ontglippen, een spoor
dat sissend door de verregende campusrimboe
voert: laat alles los, het werk,
de pijn van een kort leven. Ontsteld ga je weg;
jouw huis, een opdoemende leeuw, klauwt je terug.
Joseph Brodsky (Wikimedia Commons)
Origineel:
The Walk Collected Poems 1948-1984, p. 138-139
After hard rain the eaves repeat their beads,
those trees exhale your doubt like mantled tapers,
drop after drop, like a child’s abacus
beads of cold sweat file from high tension wires,
pray for us, pray for this house, borrow your neighbour’s
faith, pray for this brain that tires,
and loses faith in the great books it reads;
after a day spent prone, hemorrhaging poems,
each phrase peeled from the flesh in bandages,
arise, stroll on under a sky
sodden as kitchen laundry,
while the cats yawn behind their window frames,
lions in cages of their choice,
no further though, than your last neighbour’s gates
figured with pearl. How terrible is your own
fidelity, O heart, O rose of iron!
When was your work more like a housemaid’s novel,
some drenched soap-opera which gets
closer than yours to life? Only the pain,
the pain is real. Here’s your life’s end,
a clump of bamboos whose clenched
fist loosens its flowers, a track
that hisses through the rain-drenched
grove: abandon all, the work,
the pain of a short life. Startled, you move;
your house, a lion rising, paws you back.
Ronald Stuart Thomas (1913 – 2000) was een Anglicaans priester, Welsh nationalist en bovendien een groot dichter. Een van zijn bekendste gedichten is A Marriage, een gedicht gewijd aan zijn overleden vrouw Elsi, Mildred Eldridge (1909–1991), die zelf erkenning vond als schilder en illustrator. Het gedicht werd gepubliceerd in Mass for Hard Times (1992), p.74. Ook opgenomen in Collected Later Poems: 1988-2000 (2004).
A Marriage
We met
under a shower
of bird-notes.
Fifty years passed,
love’s moment
in a world in
servitude to time.
She was young;
I kissed her with my eyes
closed and opened
them on her wrinkles.
“Come” said death,
choosing her as his
partner for
the last dance. And she,
who in life
had done everything
with a bird’s grace,
opened her bill now
for the shedding
of one sigh no
heavier than a feather.
Mildred Eldridge. Dance of Life 3 Copyright: Gwydion Thomas; Supplied by The Public Catalogue Foundation
Een vertaalpoging:
Een Huwelijk
Wij troffen elkaar
onder een stortbui
van vogelklanken.
Vijftig jaar verliepen,
moment van Liefde
in een wereld
onderhorig aan de tijd.
Ze was jong;
ik kuste haar met mijn ogen
dicht en toen ik ze opsloeg
zag ik haar rimpels.
“Kom” zei de dood,
haar uitverkiezend
als zijn partner voor
de laatste dans. En zij,
die bij leven
alles deed met de gratie
van een vogel,
opende nu haar snavel
voor het slaken
van een zucht, niet
zwaarder dan een veertje.
Een interessant en informatief artikel over deze dichter is van de hand van Theodore Dalrymple (1949, pseud. van Anthony M. Daniels): ‘A Man Out of Time’ (City Journal, 6 november 2006).
Een uitstekende necrologie, geschreven door Byron Rogers, verscheen op 27 september 2000 in The Guardian.
W.H. Auden (1907-1973) is een van de grootste dichters van het Engelse taalgebied in de twintigste eeuw. Hij schreef in 1956 het gedicht ‘There Will Be No Peace’ (Collected Poems, p.617): een evocatie van een paranoïde geestestoestand.
Er wordt ook wel gesproken van een personificatie van schuldgevoelens: de schuldgevoelens zijn dan wezens, demonen, die het bepaald niet goed met jou voorhebben.
Auden noemde het een van de persoonlijkste gedichten die hij ooit had geschreven. In zekere zin zou je het gedicht tot de Confessional Poetry kunnen rekenen, een beweging in de Amerikaanse dichtkunst die vertegenwoordigd werd door Robert Lowell, Sylvia Plath, John Berryman, Anne Sexton, Allen Ginsberg en W. D. Snodgrass. Auden had overigens niet veel op met de Confessional Poets.
Het gedicht kent bewonderaars en verguizers, zoals zoveel gedichten, maar het heeft in ieder geval op mij een blijvende indruk gemaakt.
Er zijn niet veel formele vormkenmerken die het vertalen lastig maken. Vertalen betekent (ook) in dit geval: de emotionele sequentie van het gedicht in het Nederlands proberen na te bootsen. Dat is overigens lastig genoeg.
Hier draagt Auden het gedicht zelf voor (vanaf 12:55).
Ik heb ook een geluidsopname van de vertaling gemaakt.
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling:
Er zal geen vrede zijn
Ook nu kalm helder weer Het domein van jouw zelfrespect weer toelacht, En de kleur erin terugkeert, heeft de storm jou veranderd: Niet, nooit zul je vergeten De nacht die alle hoop wegvaagde, het geloei Dat voorbode was van jouw ondergang.
Met die wetenschap moet je leven. Ver weg, boven, buiten jou zijn anderen, In een maanloos verstek waarvan je nooit hebt gehoord, Die zeker wel gehoord hebben van jou, Wezens van onbekend geslacht en aantal: En zij zijn niet dol op jou.
Wat heb je hun misdaan? Niets? Niets kan geen antwoord zijn; Je zult gaan geloven – kun jij het helpen? – Dat je iets, dat je echt iets misdaan hebt; Je zult merken dat je hen aan het lachen wilt maken, Je zult naar hun vriendschap verlangen.
Er zal geen vrede zijn. Vecht dus terug, met alle moed die in je is En elke minne streek die je bedenken kunt; Laat een ding helder voor je zijn: Hun motief, als het er was, heeft elke zin voor hen verloren; Zij haten om te kunnen haten.
Origineel:
There Will Be No Peace
Though mild clear weather Smile again on the shire of your esteem And its colors come back, the storm has changed you: You will not forget, ever, The darkness blotting out hope, the gale Prophesying your downfall.
You must live with your knowledge. Way back, beyond, outside of you are others, In moonless absences you never heard of, Who have certainly heard of you, Beings of unknown number and gender: And they do not like you.
What have you done to them? Nothing? Nothing is not an answer; You will come to believe – how can you help it? – That you did, you did do something; You will find yourself wishing you could make them laugh, You will long for their friendship.
There will be no peace. Fight back, then, with such courage as you have And every unchivalrous dodge you know of, Clear in your conscience on this: Their cause, if they had one, is nothing to them now; They hate for hate’s sake.
De naam van deze website – een blog is het eigenlijk niet – The Hidden Law, is het onderwerp van een gedicht van Wystan Hugh Auden (1907-1973). Het gedicht voldoet aan een door de jonge Auden geciteerde definitie van poëzie: ‘Memorable Speech’. Ik ken het al sinds mijn studietijd – vijfendertig jaar geleden – uit mijn hoofd.
The Hidden Law verscheen in 1941 zonder titel als afsluiting van een noot bij Auden’s gedicht ‘New Year Letter’ in The Double Man (p.113-114).[1] Het werd later, in 1945, ook als Aera sub Lege gepubliceerd in The Collected Poetry of W.H. Auden (p.117).
Er zijn ook versies van het gedicht die in regel 8 het woord ‘legal’ hebben in plaats van ‘verbal’. Ik heb gekozen voor de vorm die ik aantrof in mijn editie van de Collected Poems (Faber & Faber 1976) – d.w.z. de versie met het woord ‘verbal’.
Aera sub Lege – Het tijdperk onder de Wet – wordt meestal gecontrasteerd met Aera sub Gratia – het tijdperk onder de Genade – wat uiteraard het contrast is tussen het tijdvak van de Wet in de oude bedeling voor Christus (joodse godsdienst, tenach/OT) en het tijdvak van de Genade in de nieuwe bedeling na Christus (christelijke godsdienst, NT).[2]
Het lijkt erop dat Auden in dit gedicht een notie introduceert die ook voorkomt bij Pascal, de notie van een verborgen God – Deus Absconditus – ontleend aan Jesaja 45:15: “En: ‘Voorwaar, u bent een God die zich verborgen houdt, …”.[3]
Bij Auden blijft ook in het tijdvak van de Genade de Wet actief – reden waarom hij misschien tijdelijk voor de ironische titel Aera sub Lege koos – want anders dan de Codex Gentium (een soort natuurrecht) die gemakkelijk door de Waarheid wordt ontmaskert, blijft de Lex Abscondita (verborgen wet) ook onder de Genade werkzaam, hoezeer onze formuleringskunst, ontmaskeringsijver en vluchtgedrag ook proberen aan haar jurisdictie te ontkomen.
Ik citeer in dit verband de relevante passage uit het lange gedicht New Year Letter dat overigens Audens terugkeer naar het christendom markeert. Daaraan voorafgaand ging zijn aandacht meer uit naar Marx en Freud.
The Hidden Law is de afsluiting van één van de lange en complexe voetnoten bij dit gedicht, geplaatst bij regel 762 van New Year Letter. De complete NYR-voetnoot treft u hieronder aan in voetnoot 1.
Great sedentary Cæsars who Have pacified some dread tabu, Whose wits were able to withdraw The numen from some local law And with a single concept brought Some ancient rubbish heap of thought To rational diversity, You are betrayed unless we see No codex gentium we make Is difficult for Truth to break; The Lex Abscondita evades [REGEL 762] The vigilantes in the glades; Now here, now there, one leaps and cries ‘I’ve got her and I claim the prize,’ But when the rest catch up, he stands With just a torn blouse in his hands.
Ik heb een vertaling gemaakt van The Hidden Law die in 2000 gepubliceerd is in het lustrumnummer van De Tweede Ronde (zomer 2000, p.186).
Ik ben niet ontevreden over de kwaliteit van mijn vertaling, maar ik word af en toe gekweld door de gedachte dat de taal die ik in mijn vertaling heb gebruikt een beetje te ouderwets is, te veel doet denken aan een tijd die definitief voorbij is: ‘nimmer’, ‘bescheid geven’, ‘lankmoedigheid’, ‘kastijdt’.
Ik houd van dit gedicht. De Stille Wet is altijd en overal van kracht, ook zonder nageleefd te worden. De hachelijkheid van het bestaan, feilbaarheid, vluchtgedrag, zwelgen in slachtofferschap, zelfzucht, totalitair gedram zijn haar vanzelfsprekend bekend. Het is binnen haar universele jurisdictie al even misplaatst om een gesneden beeld van de Godheid te maken als om in iconoclasme te vervallen. Het is een ongeschreven wet, zonder wetshandhavers en bureaucratie.
Ik hoop op deze plaats met ingang van vandaag, 6 juli 2015, af en toe beschouwingen, gedichten en vertalingen te publiceren.
Veel leesplezier. Commentaar en kritiek is zeer welkom.
Arie Sonneveld
—————————————————————————————————————————-
Noten
[1] Hier volgt de voetnoot bij regel 762 van New Year Letter in zijn geheel:
The Lex Abscondita Natural law is not to be confused with human political law. The latter is a generalized will imposed by force upon particular wills. If it is broken it does not cease to be the law. Human law rests upon Force and Belief, i.e., belief in this rightness. In Natural law, on the other hand, there can be no opposition between the will of the whole and the separate wills of the parts. It is simply what happens in the field under consideration if there is no interference from outside. Our knowledge of Natural Law is derived from an observation of particulars. If we find a single exception, it means that our formulation of Natural Law has been incorrect. There is therefore no Natural Philosophy, only a Natural Way. The way rests upon Faith and Doubt: Faith that Natural Law exists and that we can have knowledge of it; Doubt that our knowledge can ever be perfect or unmixed with error. Our grounds for Faith: the unhappiness of Man Our grounds for doubt: the same. (Definition. I believe X=I believe the proposition X to be true. I have faith in X=The existence of X is, for me, an absolute presupposition. I doubt X=I admit the possibility that, at some future unspecified date, and for reasons also unspecified, I may come either to believe the proposition X to be false or to find that, for me, the presupposition that X exists in longer absolute but relative.) [Here the poem “The Hidden Law” followed]
[3] Bij Pascal is dit idee te vinden in de Pensées 335 en 591, cf. John Fuller, W.H. Auden: A Commentary, p.328.
——————————————————————————————————————————-
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
——————————————————————————————————————————-
Vertaling:
De Stille Wet
De Stille Wet voert nimmer strijd Met wetten van waarschijnlijkheid, Maar laat atoom en ster hun baan, Ziet mensen in hun wezen aan, Geeft onze leugens geen bescheid.
Zo komt het dat geen overheid Haar code in de vingers krijgt; Formules doen slechts afbreuk aan De Stille Wet.
Nooit maakte haar lankmoedigheid Aan wie de dood zoekt een verwijt: Wie haar per auto wil verslaan, Wie haar in drank zoekt te ontgaan, Wordt zo gewaar hoe zij kastijdt, De Stille Wet.
Origineel:
The Hidden Law
The Hidden Law does not deny Our laws of probability, But takes the atom and the star And human beings as they are, And answers nothing when we lie.
It is the only reason why No government can codify, And verbal definitions mar The Hidden Law.
Its utter patience will not try To stop us if we want to die; If we escape it in a car, If we forget It in a bar, These are the ways we’re punished by The Hidden Law.