In 1964 ben ik geboren in Berkel en Rodenrijs. In Wageningen studeerde ik tussen 1982 en 1989 Moleculaire Wetenschappen. Van 1994 tot 2000 werkte ik als leidinggevende bij academische boekhandels in Utrecht en Leiden en van 2000 tot 2008 als afdelingshoofd bij de Leidse universiteitsbibliotheek. Sindsdien werk ik als zelfstandig redacteur en vertaler. In 2014 was ik actief als Wikipedian-in-Residence voor zes speciale en wetenschappelijke bibliotheken.
Van 2008 tot en met 2014 ben ik in mijn vrije tijd werkzaam geweest als Wikipedia-redacteur onder het van Kurt Tucholsky geleende pseudoniem Theobald Tiger.
Ik lees graag gedichten, aforismen en essays.
Mary Oliver (1935-2019) is een Amerikaanse dichter, en ze werd geboren in een landelijk plaatsje, vlakbij Cleveland in Ohio. Daar ontwikkelde ze een grote voorliefde voor de natuur. Ze woonde een groot deel van haar leven in Provincetown, Massachusetts, een kustplaats waar de kust niet erg steil is.
Mary Oliver – Getty Images
Ze begon betrekkelijk vroeg met dichten. Ze schrijft verzen met een fraai ritme en een gevoelige toon, waarin vaak rijm ontbreekt, waarin een dichterlijke stroom en tegenstroom nooit ontbreken, verzen die ons gevoelig maken en verrijken – zoals elk goed gedicht – voor de gruwelen en de schoonheden en de geheimenissen van het bestaan – “We are nourished by the mystery” (The Fish).
Ze was bevriend met de zus van Edna St. Vincent Millay, en heeft met haar de nagelaten papieren van de dichteres geordend.
Het gedicht heeft weinig toelichting nodig. De grootsheid van de natuur is het antwoord op het gevoel van ellendigheid – een gevoel dat natuurlijk vaak maar moeilijk door ons, arme mensen, gerelativeerd kan worden – dat de ik-figuur haar vraag aan de zee deed stellen.
Een necrologie, geschreven door Lynn Neary, ‘Beloved Poet Mary Oliver, Who Believed Poetry ‘Mustn’t Be Fancy,’ Dies At 83‘ op de website van New Hampshire Public Radio (17 januari 2019), vindt u hier.
De slotregel van dat stuk is een ontroerend en ook veelzeggend citaat uit een gedicht (When Death Comes) dat Mary Oliver’s houding tegenover de naderende dood beschrijft:
“When it’s over, I want to say: all my life / I was a bride married to amazement.”
Vertaling:
Ik daal af naar de kust
Ik daal af naar de kust als het licht wordt, en, gebonden aan het uur, zie ik golven die aanrollen of zich verwijderen, en ik zeg: O, ik voel me ellendig, wat zal – wat moet ik doen? En de zee zegt met zijn lieflijke stem: Het spijt me, ik heb het nu te druk.
Origineel:
I Go Down To The Shore
I go down to the shore in the morning and depending on the hour the waves are rolling in or moving out, and I say, oh, I am miserable, what shall– what should I do? And the sea says in its lovely voice: Excuse me, I have work to do.
Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilderes Mildred Eldridge (1909-1991).
Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Met Seamus Heaney was hij bevriend.
Ik verwijs verder naar mijn vorige blogbericht dat een vertaling van ‘Via Negativa’ betrof. Een aantal opmerkingen die ik bij dat gedicht ter toelichting maakte, zijn ook van toepassing op dit gedicht.
Een klein stukje van het gedicht wordt hier voorgedragen door R.S. Thomas op een Amazon-website die de gelijknamige CD met door de auteur zelf voorgedragen gedichten verkoopt.
Het gedicht is te vinden in No Truce With the Furies, Bloodaxe: 1995, p. 45 en in Collected Later Poems, Bloodaxe: 2004, p.249.
In het gedicht dat ik vertaald heb ontbreekt de afsluitende zwevende komma die zou moeten volgen op de zwevende komma waarmee ‘I have lived with nothingness … opent. Ik heb inmiddels navraag gedaan, maar voorlopig heb ik de afsluitende komma aan het eind van het gedicht geplaatst.
Vertaling:
Getreiter
“O”, zei hij, “Ik leef al met het ‘niets’ sinds het begrip zijn betekenis verloor. Ik heb even vaak ‘ja’ gezegd tegen de kosmos Als de keren dat de echo’s alsmaar sterker terugkeerden als ‘nee’. Mijn negatieven van het goddelijke heb ik ontwikkeld en hun kleuropnames bewaard in een album met luchtspiegelingen. Ik weet dat de verbeelding slechts kan toeven in een geoxydeerde wereld. De waarheid is minder adembenemend dan het vacuüm waarin ze zich terugtrekt. Maar desalniettemin heb ik het lam toch even zien dartelen, alsof het leven iets moois was. Dit, zei ik toen, is Gods schurkenstreek, diens geknoei met de balans, waarbij de ene schaal eerst wordt volgestapeld met kwaad om hem dan opeens omhoog te laten schieten, met in de ander een traan die drupte uit het meest afstandelijke oog.”
Origineel:
Mischief
‘Oh,’ he said, ‘I have lived with nothingness so long it has lost its meaning. I have said “yes” to the universe so many times its echoes have returned increasingly as “no”. I have developed my negatives of the divine and preserved their technicolour in a make-belief album. I realise the imagination is alive only in an oxygenated world. The truth is less breath-taking than the vacuum into which it withdraws. But against all this I have seen the lamb gambolling for a moment, as though life were a good thing. This, I have said, is God’s roguery, juggling with the scales, weighting the one pan down with evil piled upon evil then sending it suddenly sky-high with in the other a tear fallen from the hardest of eyes.’
Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de subtiele schilderes Mildred Eldridge (1909-1991).
Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Met Seamus Heaney was hij bevriend.
Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.
In de samenvattende woorden van Christopher Morgan (p.172):
The shift one encounters between the God of the mythic poems and that of the via negativa poems is a shift primarily from the deistic paradigm of an anthropomorphised creator-God which is ‘out there’ to a ground of being, a ‘majestic intellect’, an eternal reality which is interior but unlimited, which is intimately personal, but which, as a ubiquitous source, simultaneously spills the boundaries of ‘personality’ or ‘being’.
R.S. Thomas (Bron: Wikimedia Commons)
Thomas vond daarbij aansluiting bij een traditie die ook door de mystici werd gevolgd en vormgegeven, Meister Eckhart bijvoorbeeld, en die ook door existentialistische denkers als Paul Tillich en Søren Kierkegaard werd beschreven en verdiept. Thomas heeft ten slotte ook gedichten geschreven die eerder van een ‘aanwezigheid’ getuigen – gedichten die dus een uitdrukking zijn van de via affirmativa (weg van de aanvaarding).
Het gedicht Via Negativa verscheen in de bundel H’m (1972), de bundel waarin Thomas’ toewending tot de gelijknamige spirituele houding het duidelijkst aan het licht trad.
Helemaal onderaan dit blogstukje geef ik een wat uitgebreider citaat uit het boek van Morgan over de betekenis van de via negativa.
Hier kunt u ten slotte een artikel vinden over het onderwerp via negativa van J.D. Vicary, ‘Via Negativa, absence and presence in the recent poetry of R.S. Thomas’, Critical Quarterly, Volume 27, Issue 3 (sept. 1985).
Vertaling:
Via Negativa
Maar nee! Nooit anders gedacht dan
dat God voor ons de rol speelt van
grote afwezige, de vacante stilte
diep van binnen, de plaats waar we gaan
zoeken, zonder hoop thuis te komen
of wat te vinden. Hij bewaakt de loze kieren
in onze kennis, de duisternis
tussen de sterren. Van hem zijn de echo’s
die we volgen, de voetafdrukken die hij
zojuist verliet. We steken onze hand in
zijn zijde, hopend er warmte
te voelen. We kijken naar mensen
en plaatsen alsof ook hij ernaar had
gekeken; alleen de afspiegeling ontbreekt.
Origineel:
Via Negativa
Why no! I never thought other than
That God is that great absence
In our lives, the empty silence
Within, the place where we go
Seeking, not in hope to
Arrive or find. He keeps the interstices
In our knowledge, the darkness
Between stars. His are the echoes
We follow, the footprints he has just
Left. We put our hands in
His side hoping to find
It warm. We look at people
And places as though he had looked
At them, too; but miss the reflection.
Over de betekenis van de via negativa, Christopher Morgan (p. 173):
Via negativa, meaning literally ‘by way of what is not’, is an idea associated largely with mystical theology. Thomas himself uses the term as a poem title in H’m. Perhaps the earliest and most comprehensive discussion of via negativa occurs in ‘The Mystic Theology’, the work of the sixth-century Syrian mystic Dionysus the Areopagite, although the idea is perhaps best known in the West through the anonymous English classic of medieval mysticism The Cloud of Unknowing. Regardless of particular sources, the idea of via negativa is common to eastern mystical traditions predating Christianity, as well as to Christian monastic traditions in the West, both as an approach to and as an experience of divinity. As a technique of approach via negativa signifies a deliberate mortification not only of the sensual appetites but of the whole desire of the ego for its own realisation and dominance, as well as of the distraction seen to be posed by the physical world. It insists upon an emptying of the self, a silencing of the individual will, and a patient waiting and watching in these privations for God’s approach.
Herstellen doen wij niks; wij halen neer.
Toen schiepen wij de vorm van Gods genade.
Wat mij belaagt, is dat wat ik begeer.
De liefde bleek ludiek geslachtsverkeer.
Vaak hebben wij elkaar voorgoed verraden.
Herstellen doen wij niks; wij halen neer.
Hoe goedertieren Hij ook was als Heer,
Zijn lijk stond op uit een betwiste wade.
Wat mij belaagt, is dat wat ik begeer.
De dood bleef ons ontglippen, telkens weer.
Er blijft emplooi voor de verroeste spade.
Herstellen doen wij niks; wij halen neer.
Wat Hij gezegd had, stolde tot een leer.
Wij maken nieuw, betreden verse paden.
Wat mij belaagt, is dat wat ik begeer.
Hij kwam van ver en daalde tweemaal neer.
Wij staan te staren op een koude kade.
Herstellen doen wij niks; wij halen neer.
Wat mij belaagt, is dat wat ik begeer.
De Engelse dichter Elizabeth Barrett Browning (1806-1861) is een merkwaardige figuur. Ze stamde uit een aanzienlijke familie met ‘oud geld’, mocht niet trouwen van haar vader, was religieus van aanleg en houding, tobde met haar gezondheid, leefde tot haar huwelijk een vrij teruggetrokken leven, trouwde uiteindelijk met de zes jaar jongere dichter Robert Browning (1812-1889) (die anders dan zijzelf in zekere zin een society-figuur was), werd als gevolg van dat huwelijk onterfd, bestreed de slavernij (waar haar familie veel aan te danken had), was in sommige opzichten feministisch (maar in andere niet), woonde na haar huwelijk bijna voortdurend in Florence, schreef een beroemde sonnettenreeks onder de misleidende titel ‘Sonnets from the Portuguese’ (want suggererend dat het hier een vertaling betrof – quod non), leed zeer onder de onfortuinlijke dood van haar geliefde broer (ze had meer broers), en schreef poëzie die nog steeds met plezier wordt gelezen.
Ze werd bewonderd door Edgar Allan Poe, Emily Dickinson en anderen. Ze correspondeerde met bekende cultuurdragers, onder wie Alfred Tennyson, William Makepeace Thackeray, Harriet Hosmer, Isa Blagden, George Sand, Charles Kingsley en John Ruskin. Met sommigen van hen raakte ze ook bevriend.
In de slaapkamer van de beroemde Amerikaanse dichteres Emily Dickinson (1830-1886) hing een portret van Elizabeth Barrett Browning.
In de cyclus Sonnets from the Portuguese staat haar liefde voor Robert Browning centraal. De cyclus omvat 44 sonnetten, waarin Sonnet 43 – How do I love thee? – het gedicht dus dat ik hier vertaald heb – het bekendst is geworden. De cyclus werd geschreven in 1845/46, maar werd voor het eerst, op aandringen van Robert Browning, gepubliceerd in 1850.
Mijn vertaling van het gedicht How do I love thee? heeft de eerste prijs gekregen bij de poëzievertaalwedstrijd die georganiseerd werd door De Bibliotheek Huizen-Laren-Blaricum, i.s.m. Stichting Kunst en Cultuur Huizen en het Kunst- en Cultuurcafé Huizen.
Informatie over de wedstrijd, de bekendmaking van de uitslag, de vertalingen die een prijs hebben ontvangen, en het juryrapport vindt u hier. Er waren 32 vertalers die een vertaling hadden ingezonden. Er waren drie prijzen en een aanmoedigingsprijs voor een aantal jonge studenten uit Boekarest die gezamenlijk een vertaling hadden ingezonden.
De jury bestond uit Henk Aertsen, oud-hoogleraar Engelse Taal- en Letterkunde van de Middeleeuwen en oud-docent Literair Vertalen aan de VU, Joni Zwart, vertaalster, literair redacteur en docente (die een prachtige inleiding hield), en Petra Kos, docent Engels Erfgooiers College Huizen (die het gedicht heel mooi voordroeg).
De zinnen in het juryrapport die betrekking hebben op mijn vertaling luiden:
De eerste prijs gaat naar de inzender met nummer 22. Haar of zijn vertaling leest prima, ook hier weer mooie, korte regels in overeenstemming met het metrum van het origineel, waardoor zij of hij erin geslaagd is de beknoptheid van het origineel te handhaven, er staat geen woord teveel in, en de vertaling geeft de inhoud en strekking van het origineel goed weer. En deze inzender heeft het slot van het eerste terzet en het begin van het tweede, I love thee with a love I seemed to lose / with my lost saints, heel sterk vertaald met “ik heb je lief met vuur – passion – dat bijna doofde in rouw / omdat mijn engel ging” – dat beantwoordt precies aan de strekking van het sextet: na de gevoelens die spreken in het octaaf , de eerste acht regels, volgt in het sextet een conclusie, hier met een religieuze boventoon. Gefeliciteerd.
Ikzelf sta hier helemaal links, naast Henk Aertsen, Odette Jonkers, Dini Hauptmeijer, Frits Spits, Petra Kos en Joni Zwart
Een kort filmpje waarop de prijsuitreiking in beeld wordt gebracht is geplaatst op YouTube. Hierop ziet u de voordracht door Petra Kos van het oorspronkelijke gedicht – How Do I Love Thee? – de bekendmaking van de prijs door Frits Spits, een korte gedachtewisseling met ondergetekende, Maartje van Weegen die als een duveltje uit een doosje verschijnt, en de voordracht van de vertaling door mijzelf.
Tijdens de culturele avond in De Boerderij in Huizen waarin de bekendmaking plaatsvond, werd ook de Kunst- en Cultuurprijs van Huizen uitgereikt aan Cees Kranenburg, een van de grootste (jazz-)drummers die Nederland ooit heeft voortgebracht.
Een verslag van die avond vindt u hier. Ik lees onder de hierbij getoonde foto dat ik “geëmotioneerd” zou zijn geweest. Nu vind ik het geen schande om ‘geëmotioneerd’ te zijn, maar het viel volgens mij die avond nog wel een beetje mee.
En er was een fantastisch optreden met muziek van Mendelssohn en Grieg van het piepjonge strijkkwartet dat ook al eens heeft opgetreden bij Podium Witteman: Viride.
Het gedicht is een sonnet. Ik las ergens dat het gedicht een ‘Italiaans sonnet’ werd genoemd. Voor mijn gevoel is het een vorm die ergens tussen het Italiaanse sonnet en het Shakespeare-sonnet in ligt. Het heeft geen duidelijk afsluitend distichon (twee goed gemarkeerde slotregels), maar de wending tussen de eerste acht regels en het afsluitende sextet is ook niet al te duidelijk.
Door Cornelis W. Schoneveld is een vertaling gepubliceerd van alle 44 sonnetten onder de titel Liefdesbiecht in klinkdicht (uitg. Liverse, Dordrecht, 2014). Zijn vertaling van onder andere het onderhavige gedicht, vindt u hier. Ritmisch en inhoudelijk vind ik Schonevelds vertaling, hoewel bekwaam uitgevoerd, een beetje rommelig.
De voorzitter van de jury, Henk Aertsen, tussen Odette Jonkers en ondergetekende
Hoe ik je liefheb? Laat me ‘t eens nagaan. Ik heb je lief zo diep en hoog en wijd als mijn ziel reikt, die onbespied een tijd in dienst van Zijn en zaligheid mag staan.
Bij elk klein ongerief van het bestaan, heb ik je lief, bij zon, in schemertijd. Ik heb je lief om niet, als uit gerechtigheid. Ik heb je zuiver lief, al wijkt de lof voor blaam.
Ik heb je lief met kinderlijke trouw, met gloed die ooit aan bitterheid ontsproot. Ik heb je lief met vuur dat bijna doofde in rouw
omdat mijn engel ging. Ik heb je lief als deelgenoot in vreugde en verdriet, en als ‘k op God vertrouw, verdiept mijn liefde zich nog na de dood.
Origineel:
How Do I Love Thee? (Sonnet 43)
How do I love thee? Let me count the ways. I love thee to the depth and breadth and height My soul can reach, when feeling out of sight For the ends of being and ideal grace.
I love thee to the level of every day’s Most quiet need, by sun and candle-light. I love thee freely, as men strive for right. I love thee purely, as they turn from praise.
I love thee with the passion put to use In my old griefs, and with my childhood’s faith. I love thee with a love I seemed to lose
With my lost saints. I love thee with the breath, Smiles, tears, of all my life; and, if God choose, I shall but love thee better after death.
De kikkers kwaken in de zwarte beek.
Een stille schaduw nadert hoog en snel.
De hemel is de voorhof van de hel.
Het goede nieuws is vrijwel altijd fake.
Maar weinig is wat het zojuist nog leek.
Een kikker kwaakt luidkeels ‘Immanuel’,
want driemaal heilig is het liefdesspel:
“En zeg tot wie geen tong heeft: ‘spreek’!”
De schaduw is een vorm van blasfemie.
Verlustigend en zwijgend ziet hij toe:
gekonkel, brouille, seks of sodomie,
het alsmaar kijken wordt hij nimmer moe.
De dood is domein van historici.
Vergankelijk vlees is eeuwig taboe.
De dichter Georg Trakl (1887-1914) was een Oostenrijks dichter die overrompelende verzen schreef met een expressionistische vorm en toon. (Ik laat de hyperlink wijzen naar het Duitse Wikipedia-artikel, want het Nederlandse artikel is bar slecht en klinkt bovendien te vertaald.)
Voor een klein overzichtje van wat het ‘expressionisme’ betekende voor de lyrische dichtkunst, verwijs ik eveneens naar een Duits Wikipedia-artikel: Expressionismus (Literatur), onder het subkopje Lyrik.
Trakl groeide betrekkelijk gelukkig op in een groot gemengd luthers/katholiek gezin, maar bezat een zwaarmoedige aard. De beroemde filosoof van taal en logica Ludwig Wittgenstein heeft hem een tijdlang ondersteund met een financiële toelage. Hij was enigszins religieus in christelijke zin, zij het volstrekt onorthodox, maar zijn oog voor schuld en zonde was aanmerkelijk groter dan zijn besef van verlossing: hij is op 27-jarige leeftijd aan een overdosis cocaïne overleden.
In de titel van dit gedicht komen de begrippen ‘herfst’ en ‘ziel’ samen, twee begrippen die vaak voorkwamen in Trakls gedichten: het najaar resoneerde het best met zijn geestelijke toestand, en de ziel met zijn pijnigingen was een van zijn hoofdthema’s.
Het gedicht heeft vier strofen met regels die zeven (staand of mannelijk rijm) of acht (slepend of vrouwelijk rijm) lettergrepen kennen. Het metrum is trochaeïsch, dat wil zeggen dat het een afwisseling van beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen heeft en begint met een beklemtoonde lettergreep. (De meeste Nederlandse gedichten zijn jambisch en beginnen dus met een onbeklemtoonde lettergreep.)
Het rijm van elke strofe is abba – waarbij de a-rijmen staand zijn en de b-rijmen slepend. Ik heb soms een halfrijm toegepast waar in het origineel een volrijm werd gebruikt.
Dit gedicht is geschreven in augustus 1913, nadat hij een tijd vaak wel gelukkig, maar soms ook angstig had doorgebracht met vrienden als Karl Kraus, Adolf Loos und Bessie Bruce in Venetië.
In elke strofe staat een kleur centraal: bruin (herfstig), zwart (somber), blauw (afgezonderd), rood (pijnlijk).
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
——————————————————————————————————————————-
Vertaling:
Herfstziel (2e versie)
Jachtgeroep, geblaf om bloed; achter kruis en bruine heuvel schittert zacht de waterspiegel, schreeuwt de havik schel en luid.
Boven stoppelveld en pad siddert reeds een inktzwart zwijgen; pure hemel tussen twijgen; slechts de beek vloeit stadig af.
Dra ontglipt ons vis en wild. Blauwe ziel, dit duister dwalen, maakte ons eenzaam, telkenmale. Avond wisselt zin en beeld.
Eenvoud, goedheid – brood en wijn, God in uw clemente handen legt de mens het duister einde, alle schuld en rode pijn.
Origineel:
Herbstseele (2. Fassung)
Jägerruf und Blutgebell; Hinter Kreuz und braunem Hügel Blindet sacht der Weiherspiegel, Schreit der Habicht hart und hell.
Über Stoppelfeld und Pfad Banget schon ein schwarzes Schweigen; Reiner Himmel in den Zweigen; Nur der Bach rinnt still und stad.
Bald entgleitet Fisch und Wild. Blaue Seele, dunkles Wandern Schied uns bald von Lieben, Andern. Abend wechselt Sinn und Bild.
Rechten Lebens Brot und Wein, Gott in deine milden Hände Legt der Mensch das dunkle Ende, Alle Schuld und rote Pein.
De dichter Paul Celan (1920-1970) was een duitstalige jood die in Tsjernivtsi – toenmalig Roemenië, tegenwoordig Oekraïne – werd geboren. Hij wordt beschouwd als een van de grootste lyrische dichters van het Duitse taalgebied. Zijn ouders werden door de nazi’s vermoord. Zelf maakte hij in Parijs in 1970 een einde aan zijn leven.
Het gedicht Todesfuge is een van de beroemdste gedichten uit zijn oeuvre. Het is overduidelijk een Holocaust-gedicht met een bezwerende toon, en het maakt gebruik van een obsessieve herhaling van zinsneden. Een fuga is een muziekvorm waarin ook bepaalde muzikale frasen op wisselende toonhoogten herhaald worden.
In het gedicht wordt zwarte melk gedronken, op alle tijden van de dag, en het is niet overdreven om te vermoeden dat het de bedoeling is dat je als lezer of toehoorder het gevoel krijgt dat er hier wordt gekokhalsd.
In het gedicht wordt een kampcommandant opgevoerd die kennelijk diepe gevoelens heeft voor een hoogblonde germaanse dame die luistert naar de naam Margarete, terwijl tezelfdertijd een joodse dame met de naam Sulamith wordt ontmenselijkt en vermoord.
Anselm Kiefer, Dein aschenes Haar Sulamith, 1981 (copyright Kröller Müller Museum)
De donkerte, de zwarte lucht die schemert naar Duitsland, is een beeld voor de rook die de schoorsteen van het moordcrematorium verlaat. De scène die wordt opgeroepen is een beeld van joodse gevangenen die een graf graven terwijl andere gevangenen daarbij geestdriftig dienen te musiceren terwijl de bruut zelf hen met zijn honden opjaagt en hoont.
Hier is een geluidsfragment waarin Paul Celan zijn gedicht zelf (heel mooi) voordraagt.
Er zijn geen leestekens, maar ik denk niet dat iemand daarover hoeft te struikelen. Het geeft een effect van grote wanhopige koortsachtigheid, met twee wegstervende slotzinnen.
Margarete is een verwijzing naar de blonde Gretchen in Goethes Faust. Sulamith is een joodse naam en zij komt voor in Hooglied 6:13 (SV): “Keer weder, keer weder, o Sulammith! Keer weder, keer weder, dat wij u mogen aanzien. Wat ziet gijlieden de Sulammith aan? Zij is als een rei van twee heiren.”
Het gedicht heeft Anselm Kiefer geïnspireerd tot verschillende kunstwerken, waarvan er één hierboven is afgebeeld.
Een collega-twitteraar die zich op dat forum Maarten Devant noemt, heeft me onlangs uitgedaagd om dit gedicht te vertalen. Dank – die uitdaging heb ik aangenomen.
Het oorspronkelijke Duitse gedicht verscheen in 1948, in Celans eerste gedichtenbundel Der Sand aus den Urnen. Het is niet precies bekend wanneer Celan het schreef, waarschijnlijk ergens in 1945.
Hier is de vertaling van Ton Naaijkens na te lezen, op de website van mijn leraar Nederlands op de middelbare school: Gert Slings.
Geluidsopname
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling:
Doodsfuga
Zwarte melk van de vroegte wij drinken die ‘s avonds wij drinken die ’s middags en ’s morgens wij drinken die ‘s nachts wij drinken en drinken wij delven een graf in de luchten daar lig je wat minder benauwd In het huis woont een man die speelt met de slangen die schrijft die schrijft als het duistert naar Duitsland jouw goudblonde haar Margarete
Hij schrijft het en opent de deur en er fonkelen sterren hij fluit dan zijn honden nabij hij fluit dan zijn joden tevoorschijn laat delven een graf in de aarde hij beveelt ons zweep je nu op tot de dans
Zwarte melk van de vroegte wij drinken die ‘s nachts wij drinken die ’s middags en ’s morgens wij drinken die ‘s avonds wij drinken en drinken In het huis woont een man die speelt met de slangen die schrijft die schrijft als het duistert naar Duitsland jouw goudblonde haar Margarete jouw asgrauwe haar Sulamith
wij delven een graf in de luchten daar lig je wat minder benauwd
Hij roept steek dieper de grond in ja jullie en jullie anderen zing maar en speel hij grijpt in zijn koppel naar ijzer en zwaait het zijn ogen zijn blauw steek dieper die spaden ja jullie en jullie anderen zweep weer op tot de dans
Zwarte melk van de vroegte wij drinken die ‘s nachts wij drinken die ’s-middags en ’s morgens wij drinken die ‘s avonds wij drinken en drinken in het huis woont een man jouw goudblonde haar Margarete jouw asgrauwe haar Sulamith hij speelt met de slangen
Hij roept speel de dood lekker lokkend de dood is een meester uit Duitsland hij roept strijk donkerder nog die violen dan stijg je als rook in de lucht dan heb je een graf in de wolken daar lig je wat minder benauwd
Zwarte melk van de vroegte wij drinken die ‘s nachts wij drinken die ’s middags de dood is een meester uit Duitsland wij drinken die ’s avonds en ’s morgens wij drinken en drinken de dood is een meester uit Duitsland zijn oog schittert blauw hij treft je met kogels van lood hij raakt je dan rauw in het huis woont een man jouw goudblonde haar Margarete hij stuurt dan zijn honden recht op ons af hij schenkt ons een graf in de lucht hij speelt met de slangen en droomt de dood is een meester uit Duitsland
jouw goudblonde haar Margarete jouw asgrauwe haar Sulamith
Origineel:
Todesfuge
Schwarze Milch der Frühe wir trinken sie abends wir trinken sie mittags und morgens wir trinken sie nachts wir trinken und trinken wir schaufeln ein Grab in den Lüften da liegt man nicht eng Ein Mann wohnt im Haus der spielt mit den Schlangen der schreibt der schreibt wenn es dunkelt nach Deutschland dein goldenes Haar Margarete
er schreibt es und tritt vor das Haus und es blitzen die Sterne er pfeift seine Rüden herbei er pfeift seine Juden hervor läßt schaufeln ein Grab in der Erde er befiehlt uns spielt auf nun zum Tanz
Schwarze Milch der Frühe wir trinken dich nachts wir trinken dich morgens und mittags wir trinken dich abends wir trinken und trinken Ein Mann wohnt im Haus der spielt mit den Schlangen der schreibt der schreibt wenn es dunkelt nach Deutschland dein goldenes Haar Margarete Dein aschenes Haar Sulamith
wir schaufeln ein Grab in den Lüften da liegt man nicht eng
Er ruft stecht tiefer ins Erdreich ihr einen ihr andern singet und spielt er greift nach dem Eisen im Gurt er schwingts seine Augen sind blau stecht tiefer die Spaten ihr einen ihr anderen spielt weiter zum Tanz auf
Schwarze Milch der Frühe wir trinken dich nachts wir trinken dich mittags und morgens wir trinken dich abends wir trinken und trinken ein Mann wohnt im Haus dein goldenes Haar Margarete dein aschenes Haar Sulamith er spielt mit den Schlangen
Er ruft spielt süßer den Tod der Tod ist ein Meister aus Deutschland er ruft streicht dunkler die Geigen dann steigt ihr als Rauch in die Luft dann habt ihr ein Grab in den Wolken da liegt man nicht eng
Schwarze Milch der Frühe wir trinken dich nachts wir trinken dich mittags der Tod ist ein Meister aus Deutschland wir trinken dich abends und morgens wir trinken und trinken der Tod ist ein Meister aus Deutschland sein Auge ist blau er trifft dich mit bleierner Kugel er trifft dich genau ein Mann wohnt im Haus dein goldenes Haar Margarete er hetzt seine Rüden auf uns er schenkt uns ein Grab in der Luft er spielt mit den Schlangen und träumet der Tod ist ein Meister aus Deutschland
dein goldenes Haar Margarete dein aschenes Haar Sulamith
Misschien ben je een huismus of een heks,
Een hinde die in herfstigheden kan verdwijnen,
Een Netflix-kijkster die van plan is te gaan lijnen,
Frigide soms, beschimmeld, dol op seks.
Straks kus je nog Tyrannosaurus Rex –
Er volgt een Nacht der Girondijnen,
De angst, Me Too, en helse pijnen.
Je wou een maatje, en je wordt zijn ex.
Je wou iets anders, en je wou iets geks.
Je hing als kat te krijsen in gordijnen,
Er bleef iets dromerigs uit groene ogen schijnen,
Geluk is raar en moeilijk en complex.
Daar staat hij dan, de man met duizend zielen,
Hij velt een Goliath, zijn geest omspant de eeuw,
Een Simson die kan vechten met een leeuw,
Die sterker is dan duurbetaalde imbecielen.
Hij is een man die seculier kan knielen,
Snel als een zwaluw, wendbaar als een meeuw,
Met mooier nest dan mus of spreeuw,
Bij wie de rest afsteekt als dode zielen.
Vergeet onmiddellijk die andere fossielen,
De Himalaya ligt bevroren in de sneeuw,
Beklim de top en slaak een luide schreeuw:
Hij weet de dooie dood nog te bezielen.
(Eigen werk. Dit is een gelegenheidsgedicht, op verzoek gemaakt.)
Rainer Maria Rilke (1875-1926) is een van de grootste lyrische dichters van het Duitse taalgebied. Het gedicht Herbst oogt eenvoudig en is een beroemd gedicht in zijn oeuvre.
Een kleine excursie vooraf: ooit heb ik het verzameld proza van Martinus Nijhoff (1894-1953) gelezen, uiteraard nadat ik een bewonderaar van Nijhoffs gedichten was geworden. Nijhoff besprak veel boeken, en op zeker moment werd hij geacht Uren met Dirk Coster van E. du Perron (1899-1940) te bespreken (Du Perron was iemand met wie hij op zeker moment letterlijk op de vuist zou gaan). Dirk Coster was een man van gezag in zijn tijd, over wie Henriëtte de Beaufort (1890-1982) in haar levensbericht voor de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde schreef:
Nooit is hij afgeweken van zijn beginsel, dat ook de literaire schoonheid verworteld is met religieuze moraal, die hij soms liefde, een andermaal goedheid noemt. Wordt de schoonheid van deze groeibodem afgesplitst, dan kan zij geen levenskracht blijven en is gedoemd uiteen te vallen.
Dat kon natuurlijk niet verder afstaan van de beginselen van Forum, het tijdschrift waarin Ter Braak en Du Perron schreven. En Du Perron ondernam dan ook een poging om Coster te verpletteren, een poging die grotendeels geslaagd moet worden genoemd. Niemand weet meer wie Dirk Coster is.
Nijhoff kon destijds Du Perrons totale afwijzing van Dirk Coster niet bespreken; hij vond het boek te polemisch, te vernietigend, te negatief. En precies dat schreef hij toen ook op, in een heel kort stukje in plaats van de gevraagde bespreking.
Er zijn duidelijke overeenkomsten tussen Nijhoff en Rilke: beiden zijn het ‘witte magiërs’ – de term is van de dichter Hendrik de Vries (1896-1989) – dat wil zeggen sensitieve dichters die probeerden alles wat ze voelden en beseften, en ook alle dromen, gruwelen, verwachtingen, angsten, hoge gedachtevluchten, een plaats te geven in hun poëzie, vaak door aan realistische scènes een symbolische kracht te verlenen, in een eenvoudige, overrompelende taal. Felle pennentwisten, onverzoenlijke meningenstrijd konden ze daar eigenlijk niet bij gebruiken.
Het onderhavige gedicht lijkt op het eerste gezicht een relatief eenvoudig gedicht over de herfst, een vers dat het lot van vallende blaadjes thematiseert, algemeen maakt, zodat het ook over onszelf, onze dood, onze existentiële angsten, onze mislukkingen gaat. En dat is het ook.
Maar er is nog wel iets meer over te zeggen: verreweg de beste tekst die ik over dit gedicht ken, is van de hand van Coen Wessel, een PKN-predikant uit Hoofddorp.[1] Hij heeft heel aannemelijk gemaakt dat de beeldtaal van de beroemde beeldhouwer Auguste Rodin (Rilke heeft een poosje – 1905/1906 – als zijn assistent gewerkt, en schreef ook over zijn werk) belangrijk is om dit gedicht goed te begrijpen. Wessels verbazing (ook de mijne) betrof de introductie van de ‘handen’ – wat niet zo voor de hand ligt als het over vallende blaadjes gaat. Wessel maakt aannemelijk dat Rilkes metafoor ontleend is aan de beeldtaal van Rodin. Het artikel van Wessel vindt u hier. (Een link naar de uitgebreidere Duitse tekst die verschenen is in een liber amicorum van Andreas Pangritz vindt u onderaan het artikel.)
Wessel heeft in dit artikel ook een vertaling van eigen hand opgenomen die ik mooi vind. Diens slotregels vind ik metrisch niet helemaal goed lopen, en hij mist het rijm fält/hält. Maar ook mijn rijm is geen volrijm. Het halfrijm gaarden/gebaren had ik onafhankelijk van hem gevonden, maar hij was er eerder mee.
Een vertaling van de gelauwerde vertaler Peter Verstegen vindt u hier. Deze vertaling ligt, vrees ik, ver beneden het peil dat Verstegen met andere vertalingen wist te bereiken.
[1] Coen Wessel is sinds 1 april 2024 algemeen secretaris van de Raad van Kerken.
Geluidsopname
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling:
Herfst
De bladeren vallen – als uit oneindigheid, als dorden er verre hemelse gaarden; ze vallen met afwerende gebaren.
En ’s nachts, dan valt de zware aarde, weg van de sterren, in de eenzaamheid.
Wij allen vallen. Het geldt ook deze hand. En zie nu toch de anderen: het is in allen.
Toch is er Iemand die dit algemene vallen oneindig teder met zijn hand omvat.
Origineel:
Herbst
Die Blätter fallen, fallen wie von weit, als welkten in den Himmeln ferne Gärten; sie fallen mit verneinender Gebärde.
Und in den Nächten fällt die schwere Erde aus allen Sternen in die Einsamkeit.
Wir alle fallen. Diese Hand da fällt. Und sieh dir andre an: es ist in allen.
Und doch ist Einer welcher dieses Fallen unendlich sanft in seinen Händen hält.
Dit sonnet van William Shakespeare – sonnet 130, een van de 154 sonnetten die Shakespeare geschreven heeft in een heel beroemde sonnetenreeks – is gericht aan The Dark Lady, de zwarte dame. Het is geen moeilijk en zelfs een heel toegankelijk gedicht, maar je moet wel even begrijpen dat Shakespeare hier de draak steekt met de petrarkistische conventies (de door Petrarca en geestverwanten in het leven geroepen dichterlijke gewoonten) om de geliefde met fraaie beeldspraak te overladen: lippen zijn koraalrood, de geliefde beweegt zich voort als een godin, de haren zijn gouden draden en de ogen stralen zeker zo intens als de zon.
Al deze dingen zijn op Shakespeare’s geliefde niet van toepassing, en dan komt de pointe: nochtans houdt hij zielsveel van haar.
Het oorspronkelijke gedicht is geschreven in jambische vijfvoeten (het metrum van elke versregel is dus als volgt: pom-póm, pom-póm, pom-póm, pom-póm, pom-póm). Ik heb de meeste (12 van de 14) regels vertaald met een jambische zesvoet (één keertje extra pom-póm).
Het Shakespeare-sonnet wijkt af van het Italiaanse sonnet. De wending of volta komt niet na de achtste regel, maar na de twaalfde. De laatste twee regels geven de pointe.
Ik heb de eerste twaalf regels weergegeven in kwatrijnvorm omwille van de leesbaarheid – wat in de oorspronkelijke Shakespeare-uitgaven vaak niet gebeurde.
De ogen van mijn lief zijn geenszins hemelsblauw; Haar lippen steken bleekjes af bij bloedkoraal; En als sneeuw wit is, waarom zijn haar borsten grauw? En zijden lokken, ho maar – ’t stugste zwart van allemaal.
Ik zag soms rozen, damascener-rood en -wit, Maar zulke blossen tonen toch haar wangen niet; Waar menig parfum een verfijnd bouquet bezit, Blijkt dat haar adem naar iets anders riekt.
Ik luister graag naar haar, maar weet heel goed Dat het nou niet bepaald muziek der sferen is; Godinnen komen je soms zwierig tegemoet, Terwijl mijn lief weer aan het klossen is.
Maar toch – mijn God – kan zij mij meer bekoren dan wie getooid wordt met die valse metaforen.
Origineel:
Sonnet 130
My mistress’ eyes are nothing like the sun; Coral is far more red than her lips’ red; If snow be white, why then her breasts are dun; If hairs be wires, black wires grow on her head;
I have seen roses damasked, red and white, But no such roses see I in her cheeks; And in some perfumes is there more delight Than in the breath that from my mistress reeks.
I love to hear her speak, yet well I know That music hath a far more pleasing sound; I grant I never saw a goddess go; My mistress when she walks treads on the ground.
And yet, by heaven, I think my love as rare As any she belied with false compare.
Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die ook zijn leven lang in Wales woonde en werkte als een Anglicaans priester. Hij was een groot natuurliefhebber, had een vrij vergaande afkeer van moderne zaken die hij vond afleiden waar het in het leven echt om ging, en hij schreef in het Engels.
Een aardige bespreking door Theodore Dalrymple van zijn biografie – Byron Rogers, The Man Who Went into the West: The Life of R. S. Thomas, Aurum Press – vindt u hier.
Hij was een merkwaardige, eenzelvige figuur die prachtige gedichten schreef, getrouwd was met de schilder Mildred (Elsi)Eldridge (aan wie hij een paar zeer fraaie gedichten heeft gewijd – zie elders op dit blog). Kingsley Amis – zeker geen geestverwant – schreef dat zijn poëzie “reduces most other modern verse to footling whimsy” (=triviale gekkigheid). Hij is in Nederland niet zeer bekend.
Dit gedicht is wel geheimzinnig, maar niet heel moeilijk.
Het gaat over het bidden tot een God wiens aanwezigheid bijna net zo reëel is als zijn maar al te reële afwezigheid.
Ik ben opgegroeid in een gereformeerd-vrijgemaakt milieu, een GPV-milieu, waarin dit gedicht zonder twijfel met onbegrip en afwijzing ontvangen zou zijn, althans in mijn vormende jaren (jaren ’70-’80).
In SGP-kringen – een milieu van bevindelijke christenen – heb ik soms wel begrip gevonden voor de in dit gedicht uitgedrukte gevoelens van godsvrucht die gewoon kunnen samengaan met gevoelens van godverlatenheid.
Je kunt het gedicht misschien als lakmoesproef gebruiken om refo’s van grefo’s (orthodox-gereformeerden van bevindelijk-gereformeerden) te onderscheiden.
De slotregel verwijst naar de Horror Vacui – angst voor de leegte – een begrip uit de oudheid dat natuurkundige en filosofische betekenissen draagt.
Vertaling:
De afwezigheid
Het is deze immense afwezigheid,
bijna een aanwezigheid, die me ertoe
noopt iets te zeggen zonder hoop
op antwoord. Een kamer die ik binnenga
waaruit net iemand is verdwenen,
een vestibule in afwachting
van iemand die nog niet is gekomen.
Ik probeer mijn anachronistische taal
te moderniseren, maar evengoed
blijft hij weg. Genen, moleculen
hebben net zo min kracht hem op te roepen
als de wierook der Hebreeën
aan het altaar. Mijn vergelijkingen deugen niet,
net als mijn woorden. Welk middel heb ik,
behalve de goddeloze leegheid van mijn wezen,
een vacuüm waarvoor hij misschien niet terugdeinst?
Origineel:
The Absence
It is this great absence
that is like a presence, that compels
me to address it without hope
of a reply. It is a room I enter
from which someone has just
gone, the vestibule for the arrival
of one who has not yet come.
I modernise the anachronism
of my language, but he is no more here
than before. Genes and molecules
have no more power to call
him up than the incense of the Hebrews
at their altars. My equations fail
as my words do. What resources have I
other than the emptiness without him of my whole
being, a vacuum he may not abhor?
De Welshe dichter Ronald Stuart Thomas (1913 – 2000) was een anglicaanse dominee die meest Engelse gedichten schreef. Kingsley Amis zei ooit dat Thomas’ poëzie de meeste moderne gedichten degradeert tot triviale gekkigheid.
Hij heeft met zijn religieuze houding, met zijn neiging om zich met de profetenmantel te behangen, en toch ook wel met de klap waarmee zijn versregels soms aankomen, wel enige overeenkomst met Ida Gerhardt.
Dit gedicht is niet heel moeilijk: wijze mensen worden niet gehoord in het tumult van de tijd, en de meeste mensen luisteren naar raadgevers die adviseren om je rust aanstonds te verkopen, met – uiteraard – tumult als gevolg.
De titel is dubbelzinnig: deze betekent ‘periode’, ‘tijdperk’, maar natuurlijk ook ‘punt’, ‘afsluiting’. Ik heb deze daarom vertaald met ‘Naar het einde’.
Het origineel is hier raadpleegbaar (R.S. Thomas, Collected Poems: 1945-1990).
Tijdsbeeld
’t Was een tijd waarin wijze mensen niet zwegen, maar werden verstikt door rumoer en geraas. Ze doken onder in boeken die niemand las.
Twee raadgevers wisten het publiek aan zich te binden. De een riep uitentreuren: ‘Koop’; de ander, nog overtuigender: ‘Verkoop hier uw rust’.
Origineel:
Period
It was a time when wise men Were not silent, but stifled By vast noise. They took refuge In books that were not read.
Two counsellors had the ear Of the public. One cried ‘Buy’ Day and Night, and the other, More plausibly, ‘Sell your repose’.
‘Ik ga Angelina, ga jij met me mee? – De kusten zijn woest en de luchten subliem.’ Ik stond op een rots en ik keek naar de zee.
Ze zei eerst geen ‘ja’, maar ze zei ook geen ‘nee’. Ze speelde haar spel – het spel was een mime. ‘Ik ga Angelina, ga jij met me mee?’
Ze ontvouwde zichzelf als een pracht-orchidee. Ze kuste mij vurig, langdurig, intiem. Ik stond op een rots en ik keek naar de zee.
We sliepen die nacht zonder breedbeeld-tv. Wie schikt zich niet gaarne in Amors regime? ‘Ik ga Angelina, ga jij met me mee?’
Ze lag onbeweeglijk en leek heel tevree. Er schuilt in de liefde een giftige kiem. Ik stond op een rots en ik keek naar de zee.
Gods goedheid, Gods almacht, de theodicee, Bracht niemand ter sprake – ik bleef anoniem. ‘Ik ga Angelina, ga jij met me mee?’ Ik stond op een rots en ik keek naar de zee.
De blijde wetenschap dat alles went
Geeft rust aan wie haar grondig kennen;
Je hoeft niet dood te vallen op een cent.
Misschien wil je wel worden wie je bent:
Het mooiste is om anderen te jennen;
Je weet dat ook de vroomste leugen went.
Had deze dame goesting in een vent?
Ze liet zich af en toe intiem verwennen;
Je hoeft niet dood te vallen op een cent.
Ik denk dat u het zuigende ‘appeal’ wel kent
Van tafelpoten en van jonge dennen,
Al klopt het wel dat ook hun aanblik went.
Dat geldt niet voor een lubberende krent,
Welks vadsigheden wij wat graag ontkennen:
Een liposuctie kost een lieve cent.
Roep niet te snel om straf of een agent;
Wie omziet, ziet de dood al rennen:
Hein weet heel goed dat doodgaan went,
Ook voor degeen die doodvalt op een cent.
De Engelse dichter, toneelschrijver en acteur William Shakespeare (1564-1616) wordt algemeen beschouwd als een van de grootste dichters die ooit heeft geleefd. Naast toneelwerk in verzen heeft hij ook 154 sonnetten geschreven die al vaker in het Nederlands vertaald zijn. Veel van die vertalingen zijn ook wel online te vinden.
In Sonnet 78 blijkt dat Shakespeare te maken heeft met geleerde concurrenten. Het betreft hier waarschijnlijk “een groep elizabethanen, bekend als de […] University Wits, (…)”, althans volgens Peter Verstegen, die een tweetalige editie van de sonnetten heeft gemaakt en ook een commentaar heeft geschreven bij elk sonnet (William Shakespeare, Sonnetten, Amsterdam: G.A. van Oorschot, 1993, p.268).
Shakespeare steekt de draak met de geleerdheid van zijn rivalen, en de aanbedene zorgt er in de slotregels voor dat Shakespeare zelfs nog als geleerde in de schaduw van zijn concurrenten kan staan. Veel toelichting heeft het gedicht verder niet nodig.
In veel gevallen worden de eerste twaalf regels als één blok geschreven. Ik heb ze als kwatrijnen genoteerd omwille van de leesbaarheid.
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling:
Sonnet 78
Heel dikwijls riep ik jou als muze aan, Wat al mijn verzen zeer te stade kwam; Door vreemde pennen werd het nagedaan, Zodat men nog wat van hun poëzie vernam.
Jouw ogen leerden zwijgers kwinkeleren, Verhieven logge domheid in de lucht, Geleerde wieken kregen heuse veren, Waar gratie was, nam die nog hoger vlucht.
Verhef je maar op wat ik nederschrijf, Jij bent de oorsprong, en jij bent het vuur. Kunst die zich warmt aan jou, beklijft, Bij broeders geeft het hooguit wat structuur.
Kern van mijn kunst ben jij, en zelfs bereid Jij nog geleerdheid uit mijn dommigheid.
Origineel:
Sonnet 78
So oft have I invoked thee for my muse, And found such fair assistance in my verse As every alien pen hath got my use, And under thee their poesy disperse.
Thine eyes, that taught the dumb on high to sing And heavy ignorance aloft to fly, Have added feathers to the learned’s wing And given grace a double majesty.
Yet be most proud of that which I compile, Whose influence is thine, and born of thee. In others’ works thou dost but mend the style, And arts with thy sweet graces gracèd be;
But thou art all my art, and dost advance As high as learning my rude ignorance.