R.S. Thomas in tweevoud (afbeelding komt voor op de omslag van de bundel Uncollected Poems)
Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilder Mildred Eldridge (1909-1991).
[Deze intro kunt u verder overslaan, als u al eerder mijn vertalingen van R.S. Thomas onder ogen hebt gehad. Het nieuwe deel begint met de woorden: Het door mij vertaalde gedicht …]
R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).
Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.
In een treffend filmpje uit 1996 dat Bloodaxe Books beschikbaar heeft gemaakt – hier raadpleegbaar – zegt Thomas (vanaf 4’18”):
“Mocht er sowieso later nog aan mij gedacht worden, dan zal dat wel zijn om de intensiteit van een paar gedichten die ik heb geschreven. Maar, los van de gedichten, als mens hoop ik dat m’n voorbeeld van iemand die ervan hield buiten te zijn, die hield van de aardse dingen, en die het talent had meegekregen om ze niet alleen te horen maar ook te zien, voor anderen een zeker nut heeft gehad.”
Het door mij vertaalde gedicht beschrijft een aantal eeuwen, de vijftiende tot en met de twintigste. Elke eeuw wordt kort gekarakteriseerd, waarbij ik me wel een paar vrijheden heb veroorloofd bij de vertaling: ‘een woordenschat stropen uit de lach van de koning’, leek me in het Nederlands minder geslaagd.
Het gedicht mondt uit in de twintigste eeuw, een eeuw die weinig begrenzingen kende: zowel in positieve zin – wetenschap en techniek ontwikkelden zich op een duizelingwekkende manier – als in negatieve zin: de moordpartijen tartten eveneens elke verbeelding. R.S. Thomas legt in het afsluitende distichon impliciet een verband tussen beide vormen van grenzeloosheid.
Het gedicht is te vinden in de Collected Poems 1945-1990, Londen: Phoenix 2000, p.416. Eerder uitgegeven door J.M. Dent in 1993.
Geluidsopname
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling
Eeuwen
De vijftiende komt langs met trommel en kuras; de monnik slaat het gade door het rooster van de geest.
De zestiende zet zijn pet op, verheft luide zijn stem om zinnigheid te ontfutselen aan de lach van de koning.
De zeventiende draagt om zijn nek een kanten kraag, vlees dat zich afwendt van de vlam van de geest.
De achttiende heeft hoge koorts en suizend bloed, Maar reinigt zijn neusgat met een snuifje puntigheid.
De negentiende komt uit die oude grotten tevoorschijn Zijn ogen uitwrijvend bij een uitzicht van glas.
De twintigste is waarnaar hij zo uitkeek Zijn vleugels stukslaand tegen een raam dat ontbreekt.
Origineel
Centuries
The fifteenth passes with drums and in armour; the monk watches it through the mind’s grating.
The sixteenth puts on his cap and bells to poach vocabulary from a king’s laughter.
The seventeenth wears a collar of lace at its neck, the flesh running from thought’s candle.
The eighteenth has a high fever and hot blood, but clears it nostrils with the snuff of wit.
The nineteenth emerges from history’s cave rubbing its eyes at the glass prospect.
The twentieth is what it looked forward to beating its wings at windows that are not there.
Walt Whitman (1819-1892) was een bijzondere Amerikaanse dichter die leefde in de negentiende eeuw. Hij wordt wel beschouwd als de aartsvader van het vrije vers, en de voornaamste dichtbundel waaraan hij zijn hele leven is blijven schaven is Leaves of Grass.
De titel Leaves of Grass bevat een inside joke, een grapje voor ingewijden. De titel zelf betekent ‘gras-sprietjes’ en dat geeft een bescheiden, liefelijke sfeer. Elk sprietje is anders, maar een weide is een eenheid. Maar ‘grass’ was ook in 19e-eeuwse uitgeverskringen een negatieve term om waardeloze rommel mee aan te duiden. En ‘leaves’ zijn uiteraard ook bladzijden. Overigens is ‘Blades of Grass’ veel gebruikelijker dan ‘Leaves of Grass’.
Whitman kwam uit een Quaker-gezin. Zijn vader was van Engelse afkomst zijn moeder van Nederlandse afkomst. Zijn vorming was grotendeels autodidact.
Ik kreeg de bundel Leaves of Grass van mijn stiefdochter op mijn 60e verjaardag – onlangs dus. Het is een mooie editie met goud op snee. Ik kende Whitman nog niet goed, en dat maakt het cadeau extra waardevol.
Whitman was in veel opzichten een geestdriftige, en hij bezong het democratische Amerika vaak met hartstocht. Ik ben nog wel benieuwd of het volgende gedicht, nu Amerika zich zo ondemocratisch, isolationistisch en bigot lijkt op te stellen, in onze dagen nog vaak wordt geciteerd:
America
Centre of equal daughters, equal sons, All, all alike endear’d, grown, ungrown, young or old, Strong, ample, fair, enduring, capable, rich, Perennial with the Earth, with Freedom, Law and Love, A grand, sane, towering, seated Mother, Chair’d in the adamant of Time.
Enfin, het vertaalde gedicht Miracles heeft weinig toelichting nodig. Het is één grote opsomming – de meest elementaire en pure vorm van poëzie – om duidelijk te maken dat al wat bestaat een wonder is, een wonderbaarlijke zaak.
De opsomming zelf heeft iets extatisch, maar de taal is betrekkelijk eenvoudig – wat een merkwaardig effect heeft op een versgevoelig oor.
Het betreft duidelijk een ongebonden vers, al zijn de veelvuldige herhalingen natuurlijk wel een teken van enige vormvastheid.
Miracles is te vinden op p. 385/86 van mijn editie vanWhitmans gedichtenbundel:
Walt Whitman, Leaves of Grass (introd. Kern Mondschein, PhD), San Diego: Canterbury Classics 2018.
Geluidsopname
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling
Wonderen
Wie maakt zich druk om wonderen, en waarom? Wat mij betreft zijn er alleen maar wonderen, Of ik nu loop door de straten van Manhattan, Of mijn blik werp naar de lucht boven de daken van huizen, Of met blote voeten op het strand waad vlak achter de vloedlijn, Of sta onder de bomen in het bos, Of overdag praat met een van hen die ik liefheb, of ’s nachts in bed lig met een van hen die ik liefheb, Of zit aan een tafel met de anderen, Of kijk naar vreemdelingen in tegemoetkomende auto’s, Of honingbijen gadesla die op een zomerse voormiddag druk zijn om de korf, Of dieren die voedsel zoeken in het veld, Of de vogels, of de pracht van insecten in de lucht, Of de pracht van de zonsondergang, of van de sterren die zo stil en helder schijnen, Of het schitterende en verfijnde boogje van een beginnende maan in het voorjaar; Deze en andere dingen, elk en allemaal – het zijn wonderen voor mij, Elk afzonderlijk en op zijn plaats, maar verwijzend naar het geheel.
Voor mij is elk licht, elk donker uur een wonder, Elke kubieke centimeter van de ruimte is een wonder, Elke vierkante meter van het aardoppervlak is ermee bedekt, Elke halve meter van wat daaronder zit wemelt ervan.
Voor mij is de zee een onafgebroken wonder, De vissen die zwemmen – de rotsen – de beweging van golven – de schepen met mensen erin. Zijn er ergens nog gekkere wonderen?
Origineel
Miracles
Why, who makes much of a miracle? As to me I know of nothing else but miracles, Whether I walk the streets of Manhattan, Or dart my sight over the roofs of houses toward the sky, Or wade with naked feet along the beach just in the edge of the water, Or stand under trees in the woods, Or talk by day with any one I love, or sleep in the bed at night with any one I love, Or sit at table at dinner with the rest, Or look at strangers opposite me riding in the car, Or watch honey-bees busy around the hive of a summer forenoon, Or animals feeding in the fields, Or birds, or the wonderfulness of insects in the air, Or the wonderfulness of the sundown, or of stars shining so quiet and bright, Or the exquisite delicate thin curve of the new moon in spring; These with the rest, one and all, are to me miracles, The whole referring, yet each distinct and in its place.
To me every hour of the light and dark is a miracle, Every cubic inch of space is a miracle, Every square yard of the surface of the earth is spread with the same, Every foot of the interior swarms with the same.
To me the sea is a continual miracle, The fishes that swim—the rocks—the motion of the waves—the ships with men in them, What stranger miracles are there?
Konstantínos Kafávis (1863-1933) wordt beschouwd als de grootste moderne dichter van Griekenland. Hij werd in Alexandrië geboren als negende kind van een welgesteld koopmansgezin. Hij heeft een tijdlang in Engeland gewoond, maar keerde weer terug naar Griekenland. Hij was homoseksueel en had goede, maar weinig opvallende banen.
Zijn thema is het contrast tussen intense artistieke en lichamelijke genietingen en de voorbijgaande aard van alles wat zo groots en meeslepend lijkt, maar in wezen zo vergankelijk is. Hij gebruikt daartoe scènes uit de oudheid, maar hij slaagt er altijd in door zijn onopgesmukte stijl en zijn waarachtigheid dit thema heel dichtbij de lezer te brengen. Ithaka en Alexandrië zijn voor hem metaforen voor het leven zelf. Dat in dit gedicht Ithaka een metafoor is, houdt Kafávis aanvankelijk impliciet, al maakt hij het aan het eind wel duidelijk. Het lijkt een verhaaltje, maar wie enigszins versgevoelig is, voelt de enorme intensiteit van zo’n gedicht.
Hij gebruikte oudgrieks en moderngrieks door elkaar in zijn poëzie, een eigenschap die de vertaler in de moderne Europese talen niet kan nabootsen. In zijn vroege gedichten kwam soms nog onregelmatig rijm voor, later liet hij dat steeds meer los. De versregels hebben soms een jambisch metrum, maar heel vaak houdt hij zich ook daar niet strak aan.
Ithaka is misschien wel het beroemdste gedicht van Kafávis. Het centrale motief van het gedicht is ontleend aan de Odyssee van Homerus (ca. 800 v. Chr.). Ithaka is het eiland waarvan Odysseus koning was. Na de Trojaanse oorlog kostte het hem tien jaar om weer terug te keren naar Ithaka, terwijl hij daar zo snel mogelijk naar terug wilde. Allerhande tegenslag maakte dat onmogelijk. Kafávis gebruikt het Odyssee-motief, maar geeft er een geheel eigen draai aan. Het gehele gedicht is een advies om geen haast te maken, om de rijkdom te ervaren in de reis en niet in het reisdoel.
Net als bij het vorige gedicht dat ik op deze website plaatste, is er dus een centrale metafoor: in het gedicht Toen God Antonius verliet was het Alexandrië, hier is het Ithaka. Het eiland symboliseert het einddoel van onze levensreis, en de reis maakt ons rijk, niet het einddoel waarop ons leven is gericht.
Ik beheers geen Grieks, en ik heb dus eigenlijk gedaan wat niet mag. Aan de hand van een drietal vertalingen, twee Nederlandse en een Engelse, heb ik een eigen vertaling gemaakt. Mijn enige verontschuldiging is dat ook vertalers van naam en faam soms gebruik maken van de vertalingen van anderen die de taal wel beheersen. De gebruikte Engelse vertaling behoort overigens tot de hoogst gewaardeerde vertalingen in het Engelse taalgebied.
In Frankrijk heeft Marguerite Yourcenar de gedichten vertaald, met hulp van iemand die het Grieks goed beheerste – zo ziet u maar.
Ik heb in dit geval een vertaalpoging gewaagd omdat ik hoopte nog iets te kunnen toevoegen: ik wilde het gedicht nog wat natuurlijker in het Nederlands laten klinken zonder de nuances uit het oog te verliezen. Maar vertalen is natuurlijk ook altijd de intiemste manier om een gedicht nabij te komen.
Ik heb de volgende publicaties en websites geraadpleegd:
Website Rozemarijn van Leeuwen met origineel Grieks gedicht en een aantal vertalingen van Ithaka. Ik heb gebruik gemaakt van de volgende vertalingen: (1) Hans Warren en Mario Molegraaf; (2) G.H. Blanken; (3) Edmund Keeley en Philip Sherrard
Geluidsopname
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling
Ithaka
Als je op weg gaat naar Ithaka, wens dat de tocht lang zal zijn, rijk aan avontuur, rijk aan ervaring. Laistrygonen, Cyclopen, de boze Poseidon – wees niet bang voor ze: je komt op je pad zulke wezens nooit tegen, mits je denken voornaam blijft, mits een verfijnd gemoed je geest en je lichaam bezielt. Laistrygonen, Cyclopen de woeste Poseidon – je komt ze niet tegen tenzij je hen meevoert in je ziel, tenzij jouw ziel ze helder voor ogen stelt.
Wens dat de tocht lang zal zijn, en dat er veel zomerochtenden zullen komen, waarbij je – hoe voldaan, hoe uitgelaten – havens binnen vaart die je voor het eerst ziet; en dat je Phoenicische handelsposten zult aandoen om delicate waren te kopen, hoedster van parel en koraal, amber en ebbenhout, een rijkdom aan zinnestrelende parfums – zo veel sensuele parfums als je aankunt; en dat je veel Egyptische steden mag bezoeken om te leren, te blijven leren van de wijzen.
Houd Ithaka altijd in gedachten. Daar aankomen is jouw ware bestemming. Maar haast je nooit tijdens de reis. Beter dat het jaren duurt, en dat je oud bent wanneer je op het eiland aankomt, overvloedig bedeeld met wat je onderweg verwierf, zonder bijgedachte dat Ithaka je rijk zou maken.
Ithaka schonk jou de prachtige reis. Zonder haar zou je nooit zijn vertrokken. Niets is er dat ze je nu nog bieden kan.
En mocht je haar armoedig vinden, Ithaka bedroog je niet. Met de wijsheid die je opdeed, met jouw rijke ervaring, zul je op dat moment weten wat deze Ithaka’s waard zijn.
Konstantínos Kafávis (1863-1933) wordt beschouwd als de grootste moderne dichter van Griekenland. Hij werd in Alexandrië geboren als negende kind van een welgesteld koopmansgezin. Hij heeft een tijdlang in Engeland gewoond, maar keerde weer terug naar Griekenland. Hij was homoseksueel en had goede, maar weinig opvallende banen.
Zijn thema is het contrast tussen intense artistieke en lichamelijke genietingen en de voorbijgaande aard van alles wat zo groots en meeslepend lijkt, maar in wezen zo vergankelijk is. Hij gebruikt daartoe scènes uit de oudheid, maar hij slaagt er altijd in door zijn onopgesmukte stijl en zijn waarachtigheid dit thema heel dichtbij de lezer te brengen. Alexandrië is voor hem de centrale metafoor voor het leven zelf, en de stad keert terug in veel gedichten, ook in het gedicht waar dit stuk de inleiding toe vormt. Dat het een metafoor is, houdt Kafávis heel impliciet. Het lijkt een verhaaltje, maar wie enigszins versgevoelig is, voelt de enorme intensiteit van die gedichten.
Hij gebruikte oudgrieks en moderngrieks door elkaar in zijn poëzie, een eigenschap die de vertaler in de moderne Europese talen niet kan nabootsen. In zijn vroege gedichten kwam soms nog onregelmatig rijm voor, later liet hij dat steeds meer los. De versregels hebben vaak een jambisch metrum.
Het centrale motief van het gedicht is ontleend aan een beroemde passage uit Plutarchus, Parallelle levens. Marcus Antonius die zich samen met Cleopatra in Alexandrië bevindt, hoort, voorafgaand aan de laatste veldslag met Augustus, opeens muziek en geroep. Een geheimzinnige groep muzikanten (die Bacchus lijken te zijn toegewijd), verlaat de stad, op weg naar de vijand. En de levensgenieter Marcus Antonius beseft opeens dat zijn lot bezegeld is, de goden zijn niet meer op zijn hand: hij gaat de slag verliezen. (Deze alinea is ontleend aan: Gedicht van de week: C. P. Cavafy – The god forsakes Anthony.)
Ik beheers geen Grieks, en ik heb dus eigenlijk gedaan wat niet mag. Aan de hand van een viertal vertalingen, twee Nederlandse en twee Engelse, heb ik een eigen vertaling gemaakt. Mijn enige verontschuldiging is dat ook vertalers van naam en faam soms gebruik maken van de vertalingen van anderen die de taal wel beheersen. De gebruikte Engelse vertalingen behoren overigens tot de hoogst gewaardeerde in het Engelse taalgebied.
In Frankrijk heeft Marguerite Yourcenar de gedichten vertaald, met hulp van iemand die het Grieks goed beheerste – zo ziet u maar.
Ik heb in dit geval een vertaalpoging gewaagd omdat ik hoopte nog iets te kunnen toevoegen: ik wilde het gedicht nog wat natuurlijker in het Nederlands laten klinken zonder de nuances uit het oog te verliezen. Maar vertalen is natuurlijk ook altijd de intiemste manier om een gedicht nabij te komen.
Ik heb de volgende publicaties en websites geraadpleegd:
Dertig gedichten Konstantinos P. Kaváfis (Vertaling Hans Warren en Mario Molengraaf), De Tweede Ronde, jrg. 4 (1983) – deze door dbnl gedigitaliseerde publicatie bevat ook het Griekse origineel
The complete poems of Cavafy, vert. Rae Dalven, inl. W. H. Auden, 1961 (de inleiding van Auden is dezelfde tekst die ik hierboven ook al noemde bij de titel Forewords and Afterwords).
De Nederlandse vertalingen die ik gebruikt heb, zijn allereerst die van G.H. Blanken:
Vert. G.H. Blanken – K.P. Kafávis, Verzamelde gedichten, Amsterdam: Polak & Van Gennip 1977, dl.1, p. 71. De foto is uit een column van Tamar (Renate Rubinstein) in Vrij Nederland, 1 feb. 1986. Met dank aan Frans Linmans.
Als je opeens, om middernacht, een onzichtbare stoet hoort langskomen met verfijnde muziek, met luide stemmen – mors dan geen klacht over jouw wrede lot, jouw mislukte werken, jouw levensplannen die stuk voor stuk illusies bleken. Alsof je het allang wist, alsof je de moed bezat, zeg vaarwel tegen het Alexandrië dat jou verlaat. Wees vooral geen dwaas, zeg niet tegen jezelf het was slechts een droom, mijn oor bedroog mij; val niet ten prooi aan zulke ijdele hoop. Alsof je het allang wist, alsof je de moed bezat, sta op als de man die zo’n stad waardig is; treedt toe tot het venster met ferme pas, en luister, zonder de smeekbeden en het geklaag van de lafhartige, met ontroering en een laatste diepe vreugde naar de klanken, de verfijnde instrumenten van de geheimzinnige stoet, en zeg haar vaarwel, het Alexandrië dat je nu kwijt raakt.
Anne Applebaum is een Joods-Amerikaanse journalist en historicus. Ze bezit tevens de Poolse nationaliteit. Ze is een productieve schrijver en schreef onder andere boeken over de geschiedenis van het communisme, de ontwikkeling van burgermaatschappijen in de voormalige Oostblok-landen, de Goelag en de Holodomor – de doelbewuste uitmoording van de Oekraïense bevolking door Stalin in de jaren 1932-1933 (een geregisseerde hongersnood met miljoenen doden tot gevolg).
Applebaum ontving in 2004 de Pulitzer Price in de categorie ‘General Non-Fiction’ voor haar boek Gulag: A History (2003).
In 2020 publiceerde ze Twilight of Democracy: The Seductive Lure of Authoritarianism, een boek over democratisch verval en de opkomst van partijen met autocratische neigingen in Polen, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten, en enigszins apart daarvan ook Hongarije. Haar laatste boek is Autocracy, Inc. (2024).
Ze is getrouwd met de huidige Poolse minister van buitenlandse zaken, Radosław Sikorski. Samen hebben ze twee kinderen.
Ik zal in het vervolg een paar opmerkingen over het boek maken. Het blijft beknopt en het is geen recensie.
Vladimir Poetin staat niet alleen. Zoals Applebaum laat zien maakt hij deel uit van een informeel netwerk van autocraten waartoe ook China, Iran, Venezuela en vele andere landen behoren. In dit elegant geschreven boek beargumenteert de Amerikaanse journalist dat de nieuwe autocraten vaak gedreven worden door een hartstocht voor macht en geld, en niet zozeer door ideologie. Ze laat zien hoe de deelmnemers aan Autocratie B.V. elkaar actief en op vele manieren ondersteunen, onder meer door sanctieontduiking en het voeren van informatieoorlogen.
Autocracy, Inc. werd in 2024 gepubliceerd door uitgeverij Doubleday in New York. De ondertitel luidt: The Dictators Who Want to Run the World. Het boek is al in het Nederlands vertaald en uitgegeven onder de titel Autocratie B.V.
Het gebruik van ‘Inc.’/’BV’ in de titel is enigszins vergelijkbaar met de Nederlandse uitdrukking ‘de BV Nederland’. Het betreft dus niet letterlijk een BV, maar het onderwerp wordt voorgesteld als een entiteit die zich gedraagt als een conglomeraat van bedrijfsmatige activiteiten.
In de inleiding schrijft Applebaum dat we allemaal wel een cartoonesk beeld hebben van een autocratische staat met een schurk aan het hoofd die de beschikking heeft over een loyaal leger en een dociele politiemacht die de wind er goed onder hebben bij de bevolking. Er zijn slechte collaborateurs en soms zelfs dappere dissidenten. Maar zegt Applebaum dan, dat beeld heeft weinig meer met onze werkelijkheid te maken.
“Tegenwoordig worden autocratieën niet bestuurd door één slechterik maar door ingewikkelde netwerken die steunen op kleptocratische financiële structuren, een complex geheel van veiligheidsdiensten – militair, paramilitair en politioneel – en technische deskundigen die zorgen voor surveillance, propaganda en desinformatie. De leden van deze netwerken zijn niet alleen binnen een bepaalde autocratie met elkaar verbonden maar ook met de netwerken in andere autocratische landen, en soms ook met netwerken in democratische landen. Corrupte, door de staat gecontroleerde bedrijven in de ene dictatuur doen zaken met corrupte, door de staat gecontroleerde bedrijven in een andere. De politie in het ene land kan de politie in een ander land bewapenen, van uitrustingen voorzien en trainen. De propagandisten delen de benodigde bronnen en middelen met elkaar, de trollenfabrieken en medianetwerken die de propaganda van de ene dictator over het voetlicht brengen kunnen ook worden gebruikt om die van een andere dictator te dienen. En hetzelfde geldt voor de thema’s die ze aanroeren: het verval van de democratie, de stabiliteit van de autocratie, het kwaad dat Amerika heet.”
Dit betekent overigens niet dat ze een gedeelde ideologie hebben. Dat hoeft helemaaal niet. Je treft onder de huidige autocraten communisten, monarchisten, nationalisten en theocraten aan. De historische wortels zijn verschillend, de doelen zijn niet hetzelfde, en ze houden er allemaal hun eigen esthetiek op na.
“Anders dan militaire en politieke allianties in andere plaatsen en tijden, opereert deze groep van moderne autocraten niet als een blok, maar eerder als een conglomeraat van bedrijven die niet bijeen wordt gehouden door een ideologie, maar door een meedogenloze, koppige vastberadenheid om eigen macht en welvaart te behouden.”
Dit noemt Applebaum vervolgens: Autocracy, Inc.
Er is daarbij dus geen sprake van ‘ideals’, maar van ‘deals’. De autocraten zijn uiterst pragmatisch, ze helpen elkaar om rijkdom te vergaren en sancties te ontlopen, ze haten transparantie, ze wensen geen verantwoording af te leggen, ze voelen zich bedreigd door een ‘rule based order‘, ze kennen geen scrupules, ze erkennen niet het internationaal recht, en ze zijn ook onderling verbonden door een gemeenschappelijke haat jegens het Westen.
Opmerkelijk hierbij is dat er weliswaar vaak sprake is van ‘antiglobalisme’ en ‘nationalisme’, maar dat het toch een voluit globaal verschijnsel is.
In een aantal hoofdstukken beschrijft Applebaum waardoor deze netwerken gedreven worden en hoe ze te werk gaan. Ze geeft van elk deelonderwerp gedetailleerde voorbeelden, uit alle continenten ter wereld, waarbij ze soms zelf de personen heeft gesproken die in de tekst figureren.
De hoofdstukindeling van het boekje van 180 pagina’s (daarna volgen nog vele pagina’s eindnoten) is als volgt:
Introduction: Autocracy, Inc. 1. The Greed That Binds – Verbindende hebzucht 2. Kleptocracy Metastasizes – Kleptocratie vermenigvuldigt en verspreidt zich (als kankercellen) 3. Controlling the Narrative – Ervoor zorgen dat jij bepaalt waar het over gaat 4. Changing the Operating System – Zorgen dat de internationale rechtsorde wordt ondermijnd 5. Smearing the Democrats – Democraten is een bedenkelijk daglicht stellen Epiloog: Democraten verenigt u
Het boek bevat een heel somber feitenrelaas, maar de auteur heeft het uiteraard geschreven om onze ogen te openen voor de ernst en omvang van het verschijnsel dat alles wat veel mensen in het Westen belangrijk vinden bedreigt: recht, vrijheid, openheid, transparantie, waarheid, eerbied voor het leven, solidariteit.
In de epiloog formuleert ze een aantal dingen die we kunnen doen om onze situatie te verbeteren: ondoorzichtige financiële constructies voorkomen, grensoverschrijdende kapitaalstromen beter in toom houden, strengere eisen stellen aan de manier waarop financiële diensten functioneren, regelgeving invoeren om nepnieuws op sociale media tegen te gaan, betere nieuwsvoorziening, exorbitante rijkdom die door het aandeelhouderskapitalisme mogelijk wordt gemaakt aan banden leggen.
[De komende weken zal ik zo nu en dan een bijdrage posten op mijn website waarin ik een beschouwing geeft over het boek On Freedom van de Amerikaanse historicus Timothy Snyder. Het totale aantal bijdragen zal waarschijnlijk negen zijn. Iedere keer als er een nieuwe bijdrage verschijnt, kunt u daar naartoe navigeren via de hyperlink die is aangebracht achter het betreffende deel onder ‘(link)’. Als die hyperlink nog niet bestaat, is het betreffende deel nog niet geplaatst. Het overzichtje zal aan elke bijdrage toegevoegd worden zodat de geïnteresseerde lezer gemakkelijk heen en terug kan navigeren.]
Overzicht bijdragen
Deel 1 – Over de auteur en inleiding Deel 2 – Soevereiniteit (link) Deel 3 – Onvoorspelbaarheid (link) Deel 4 – Mobiliteit (link) Deel 5 – Trouw aan de feiten (link) Deel 6 – Solidariteit (link) Deel 7 – Overheid (link) Deel 8 – Nabeschouwing (link) Deel 9 – Bronopgave (link)
Boek: Timothy Snyder, On Freedom, New York: Crown 2024
Over de auteur
Timothy Snyder is hoogleraar geschiedenis aan Yale-universiteit. Zijn specialismen zijn: de geschiedenis van Centraal- en Oost-Europa, de Sovjetunie en de Holocaust. Hij bekleedt de Richard C. Levin-leerstoel in Geschiedenis aan Yale, en hij is een permanent lid van het Instituut voor Geesteswetenschappen in Wenen.
Hij groeide op in Dayton, een stad in de Amerikaanse stad Ohio, in een milieu van Quakers. Hij is getrouwd met de Joods-Amerikaanse hoogleraar intellectuele geschiedenis Marci Shore en samen hebben ze twee kinderen.
Hij leest en spreekt een groot aantal talen, en hij heeft zich ontwikkeld van een vakhistoricus tot iemand die in de engelstalige wereld een ‘public intelectual’ wordt genoemd.
Inleiding
Timothy Snyder heeft veel onderzoek gedaan naar de Holocaust. Hij benadrukt dat veel meer oost- en mideneuropese joden zijn vermoord dan westeuropese, een feit dat enigszins aan het zicht wordt onttrokken doordat Auschwitz is uitgegroeid tot symbool van de systematische moord op de joden. In Treblinka, Bełzec (na Auschwitz en Treblinka het ergste vernietigingskamp; bijna niemand kent die naam) en Sobibór werden 1,5 miljoen oost-europese joden vermoord, en er zijn uit die kampen maar een paar dozijn overlevenden teruggekeerd; er zijn bovendien misschien wel meer Poolse en sovjetjoden doodgeschoten in oost-Polen en de Sovjetunie dan er in totaal tijdens de Holocaust in gaskamers zijn vermoord.[1] Snyder schreef daarover een aantal boeken die onvermijdelijk vol staan met de ergste gruwelen: terneerdrukkende geschiedenis.
On Freedom is een poging om een positief boek te schrijven, niet om de teloorgang van de beschaving te documenteren, maar om een beschavingsideaal te formuleren, om te laten zien dat ook het nastreven van iets goeds een open mogelijkheid is voor wie de vrijheid echt is toegedaan, en dus niet alleen in naam.
‘En niet alleen in naam’ – die laatste claus is niet onbelangrijk. Vrijheid is altijd goed, iedereen beroept zich erop, het is een catchword waarvan zowel autocratische en tot een totalitair bewind geneigde geesten zich bedienen, als mensen die een democratische rechtsorde zijn toegedaan, levensbeschouwelijk liberaal denken (het gaat niet om economie), en bescherming van minderheden belangrijk vinden.
Dit boek probeert het kaf van het koren te scheiden en duidelijk te maken wat een zinvolle invulling van het vrijheidsbegrip zou kunnen zijn.
Timothy Snyder opent zijn boek On Freedom (ik las het boek in het Engels) met een bezoek aan een Oekraïense dame van 58 die alles verloren heeft tijdens de Russische bombardementen op het dorp Posad-Pokrovske , iets ten noordwesten van Cherson. Ze heeft hulp gehad van vrijwilligers en instanties en ze heeft nu een klein tijdelijk onderkomen van metaal waarin ze weer gastvrijheid en huiselijkheid heeft weten te scheppen. “Is deze vrouw vrij?” vraagt Snyder zich dan af.
De Russen zijn inmiddels weer uit Posad-Pokrovske verdreven, maar een einde maken aan de bezetting lijkt toch nog iets anders dan werkelijke bevrijding. “Een einde maken aan de bezetting, de eliminatie van ellende, is alleen een noodzakelijk voorwaarde voor vrijheid, niet de zaak zelf” zegt Snyder. Hij eindigt de passage met een zin die als samenvatting van het boek kan dienen:
“Vrijheid is niet alleen een afwezigheid van kwaad, maar een aanwezigheid van wat goed is.”
Het boek zelf is een mengeling van autobiografische bespiegeling, filosofische doordenking van het begrip ‘vrijheid’, en een manifest om ons aan te sporen te streven naar positieve vrijheid, en ons niet te beperken tot het wegwerken van alles waarvan we menen dat het onze vrijheid in de weg staat.
Het onderscheid tussen positieve en negatieve vrijheid stamt van Isaiah Berlin, een van de leermeesters van Timothy Snyder. Snyder geeft er een iets andere draai aan. Negatieve vrijheid is ‘vrijheid van’: eliminatie, wegwerking van ellende, obstakels, beperkingen. Positieve vrijheid – vrijheid tot’ – is positief in drie opzichten: het is ten eerste aanwezig in een persoon of groep mensen en dus niet de afwezigheid van iets, het is vervolgens positief in de zin dat het een aanvaarding, een bevestiging, een realisering is van waarden, en het is ten slotte positief omdat het vraagt om doordacht politiek handelen. In sommige opzichten is negatieve vrijheid – de opheffing van beperkingen, obstakels – wel een voorwaarde voor de positieve vrijheid.
Snyder wijst er vaak op dat het nemen van risico een kernelement is van de uitoefening van vrijheid. Vrije wil is karakter. Misschien heeft hij dat ontleend aan de Poolse dichter Wisława Szymborska. Hij haalt haar aan in een artikel in The New York Times van 18 augustus 2017, The Test of Nazism That Trump Failed. Donald Trump liep te snoeven over zijn voortreffelijkheid. Uit Snyders onderzoek naar overlevenden van de Holocaust en hun redders had Snyder de indruk opgedaan dat echte redders daar later nooit over opschepten.
Ik moest ook denken aan een andere Poolse dichter die de Nobelprijs had gewonnen, Wisława Szymborska. Ze geeft een treffende beschrijving van een schijnbaar normale vrouw die druk was met haar dagelijkse bezigheden, maar die, toen het moment zich aandiende, regelrecht een brandend huis in rende om kinderen te redden die niet van haar waren.
“We kennen onszelf,” schreef Szymborska toen, “slechts in de mate waarin we zijn getest.”
Voorafgaand aan de test heeft het geen zin om over onze goedheid op te scheppen; naderhand is het overbodig.
Een ander voorbeeld is de Oekraïense president – inmiddels ruim duizend dagen oorlogspresident – Volodymyr Zelensky. Vrijwel iedereen dacht, inclusief de Amerikaanse regering en veel vertegenwoordigers van Europese landen, dat Zelensky het land schielijk zou verlaten toen de Russen in 2022 Oekraïne binnenvielen vanuit Rusland en Belarus. Maar niets was minder waar: Zelensky postte een filmpje in Kyiv met een aantal van zijn ministers en adviseurs, en hij zei: “Uw president is hier.” Hij ging niet weg, maar gaf leiding aan de verdediging van zijn land, en hij nam daarmee een enorm risico. Er waren Russen in Kyiv die erop uit waren een aanslag op hem te plegen. Zelensky stond daar terwijl de Russen vlakbij de buitenwijken van Kyiv waren, hij kon gewoon niet anders; dit was wat hij meende te moeten doen – en ook al lijkt dat oppervlakkig beschouwd ‘onvrij’, toch is het de hoogste vorm van vrijheid: soeverein joeg hij de hoogste waarden na die hij kende, nam hij zijn verantwoordelijkheid, deed hij iets wat veel mensen nooit zouden hebben gedaan, en stelde hij zijn lot in de waagschaal om Oekraïne vrij te maken, zijn volk te verbinden en zijn leger in zichzelf te laten geloven.
Uit het voorwoord citeer ik ten slotte een korte passage waarin hij de opbouw van zijn boek uiteenzet (voorwoord, p. XVIII):
Dit boek volgt een filosofische gedachtegang en de gang van een leven, een wijsgerige logica en een biografische. De eerste drie vormen van vrijheid hebben betrekking op de verschillende levensfasen: soevereiniteit hoort bij de kindertijd, onvoorspelbaarheid bij het opgroeien, en mobiliteit bij de jongvolwassenen. Feitelijkheid – trouw aan de feiten – en solidariteit zijn de volwassen vormen van vrijheid die de eerstgenoemde mogelijk maken. Elke vorm heeft een eigen hoofdstuk.
Het boek gaat over de Verenigde Staten, maar Snyder kiest voorbeelden uit West-Europa, Oost-Europa, de Sovjet-Unie en Nazi-Duitsland.
Vijf denkers komen in dit boek uitgebreid aan de orde: Frantz Fanon (Frans-Martinikaanse psychiater, schrijver, Pan-Afrikaans filosoof, vrijheidsstrijder), Václav Havel (Tsjechische toneelschrijver, dissident, denker en politicus), Leszek Kołakowski (Poolse filosoof), Edith Stein (katholieke Joods-Duitse filosoof) en Simone Weil (Joods-Franse denker en politiek activist).
Het boek is conservatief in de zin dat het veel ontleend aan onze tradities, maar het heeft ook een radicale kant omdat het een paar dingen anders voorstelt dan gebruikelijk. Sommige dingen schreef Snyder toen zijn leven aan een zijden draad hing: een verkeerd gediagnosticeerde appendicitis veroorzaakte complicaties waaraan hij bijna was overleden. Een groot deel van het boek is geschreven tijdens zijn reizen in oorlogstijd (en soms in oorlogsgebied) door Oekraïne.
Snyder heeft in 2022 ook een periode les gegeven in een gevangenis over ‘Vrijheid’. In die gevangenis zaten vooral zwarte mensen. In zijn boek wijdt hij een aantal interessante en treffende passages aan deze lessen.
Het boek is levendig, onderhoudend, en soms ronduit ontroerend, al bevat het uiteraard wel filosofische bespiegelingen.
Er ligt ten slotte een wolk van ongerustheid over dit boek. De geestelijke en politieke ontwikkelingen van Amerika baren de auteur duidelijk zorgen. Hij streeft naar iets zeer lovenswaardigs, maar ook misschien wel iets onmogelijks: hij probeert de fascistische koers van Amerika af te wenden, want vrijheid en fascisme gaan niet samen. Maar hij heeft gehandeld in de geest van dit boek door soeverein, onvoorspelbaar, mobiel, waarheidslievend en solidair te zijn. Dat is iets heel moois.
[1] Timothy Snyder, Holocaust: The Ignored Reality: The very reasons that we know something about Auschwitz warp our understanding of the Holocaust, The New York Review, 16 juli 2009. Timothy Snyder, Bloodlands: Europe Between Hitler and Stalin, New York: Basic Books, 2010 (passim).
Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilder Mildred Eldridge (1909-1991).
[Deze intro kunt u verder overslaan, als u al eerder mijn vertalingen van R.S. Thomas onder ogen hebt gehad. Het nieuwe deel begint met de woorden: Het door mij vertaalde gedicht …]
R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).
Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.
In een treffend filmpje uit 1996 dat Bloodaxe Books beschikbaar heeft gemaakt – hier raadpleegbaar – zegt Thomas (vanaf 4’18”):
“Mocht er sowieso later nog aan mij gedacht worden, dan zal dat wel zijn om de intensiteit van een paar gedichten die ik heb geschreven. Maar, los van de gedichten, als mens hoop ik dat m’n voorbeeld van iemand die ervan hield buiten te zijn, die hield van de aardse dingen, en die het talent had meegekregen om ze niet alleen te horen maar ook te zien, voor anderen een zeker nut heeft gehad.”
Het door mij vertaalde gedicht – Cynddylan op een tractor – is een al wat ouder gedicht in het oeuvre van R.S. Thomas. Het beschrijft op een spottende manier de trots van een Welshe boer die een mooie nieuwe tractor heeft. Cynddylan – een Welshe naam die je uitspreekt als ‘kíndillən’, waarbij ‘ə‘ als een stomme ‘e’ wordt uitgesproken en alleen de eerste lettergreep beklemtoond is – is een nieuwe mens met zenuwen van staal en een hydraulische bloedsomloop. De gedomesticeerde dieren worden verstrooid en de wilde dieren verdreven door deze gehelmde ridder. Kijk hem daar eens rijden.
Het gedicht vertoont her en der wat eindrijm. De slotregels rijmen zelfs opzichtig, wat de spot benadrukt.
Thomas vreesde dat de jacht naar weelde, technische vooruitgang, gemak, gadgets en genot de mensen zouden vervreemden van de schepping en van zichzelf. Hij was een liefhebber van landschap en natuurobservatie – aandacht daarvoor was voor hem een spirituele oefening. Thomas is in zijn argwaan jegens de modernisering en de gevolgen van welvaartstoename verwant aan T.S. Eliot en Simone Weil. Zie daarvoor: Grahame Davies, Resident Aliens: R. S. Thomas and the Anti-Modern Movement, Welsh Writing in English: A Yearbook of Critical Essays, Volume 7 (2001-02): 50-77.
Ik heb het gedicht vertaald omdat het voorkomt als illustratie in een fraaie recensie van de biografie van R.S. Thomas: Byron Rogers, The Man Who Went into the West: The Life of R.S.Thomas. De schrijver van die beschouwing is Theodore Dalrymple, en het stuk heet A Man Out of Time. Deze recensie is elders op deze website in vertaling beschikbaar onder de titel: Een stem die klinkt als van gene zijde.
Het gedicht werd gepubliceerd in 1952 in de bundel An Acre of Land.
Hier kunt u meer informatie over het gedicht vinden waaronder een toelichting die per versregel gegeven wordt.
Geluidsopname:
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling:
Cynddylan op een tractor
Ah, je moest Cynddylan eens zien op een tractor. Weg is het oude beeld dat hem aan de aarde bond; Een nieuwe mens is hij nu, deel van de machine, De zenuwen van staal, het hart pompt olie rond. De koppeling raast, de versnelling gehoorzaamt Zijn kleinste bevel, en kijk, hij rijdt weg, Van het erf, de kippen verstrooiend. Rijdend naar zijn werk, zoals het een groot man betaamt, Is hij de gehelmde ridder die de rust van het veld, Spiegel van stilte, doorbreekt, hij die ‘t bos ontdoet Van vossen en eekhoorns en felle gaaien. Boven de hoge bomen rijst nu zonnegloed, Die hagen laat oplichten, maar niet voor hem Die zijn motor laat lopen op geheel andere brandstof. En alle vogels zingen, vergeefs hun snavels wijd, Als Cynddylan trots het weggetje oprijdt.
Origineel:
Cynddylan on a Tractor
Ah, you should see Cynddylan on a tractor. Gone the old look that yoked him to the soil; He is a new man now, part of the machine, His nerves of metal, and his blood oil. The clutch curses, but the gears obey His least bidding, and lo, he’s away Out of the farmyard, scattering hens. Riding to work now as a great man should, He is the knight at arms breaking the fields’ Mirror of silence, emptying the wood Of foxes and squirrels and bright jays. The sun comes over the tall trees Kindling all the hedges, but not for him Who runs his engine on a different fuel. And all the birds are singing, bills wide in vain, As Cynddylan passes proudly up the lane.
Ten geleide Dit is de vertaling van een artikel in City Journal, een Amerikaans tijdschrift dat als webpublicatie verschijnt, geschreven door Theodore Dalrymple (pseud. van Anthony Daniels):‘A Man Out of Time‘, 6 november 2006
Dalrymple’s stuk is een beschouwing/recensie naar aanleiding van: Byron Rogers, The Man Who Went into the West: The Life of R.S.Thomas, Londen: Aurum Press, 2006.
Ik heb de afgelopen jaren een kleine vijftig gedichten van de Welshe dichter Ronald Stuart Thomas (1913-2000) vertaald. De eerste persoon die mij op diens werk attendeerde was de conservatieve publicist Theodore Dalrymple (1949-). Ik heb dat stuk vertaald omdat het me nog steeds ontroert als ik het lees.
Thomas heeft de naam een grimmige figuur te zijn, maar u zult zien dat dit stuk een paar heel tedere gedichten bevat.
Ik ben het niet helemaal eens met Dalrymple’s positieve beoordeling van de biografie zoals u ook kunt nalezen in de recensie die ik zelf van die biografie heb geschreven: Over een biografie van R.S. Thomas – The Man Who Went Into the West. Maar ik vind de karakterisering die Dalrymple geeft van Ronald Stuart Thomas en de manier waarop hij die karakterisering aannemelijk maakt en illustreert met gedichten wel bijzonder geslaagd.
Ik ben niet bijzonder frivool, maar zodra ik de poëzie van R.S. Thomas lees, of zijn biografie, kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat ik, net als de meeste mensen, het grootste deel van mijn leven valse goden heb nagejaagd. Thomas had een soortgelijk effect op anderen: John Betjeman zei in zijn inleiding op de eerste gedichtenbundel van R.S. Thomas die door een grote uitgever werd uitgegeven (in 1955) dat Thomas nog zou voortleven lang nadat hij, Betjeman, vergeten was. En een jaar later zei Kingsley Amis over het werk van Thomas dat het “de meeste moderne poëzie reduceert tot triviale gekkigheid.” Deze loftuitingen doen denken aan de woorden die Joseph Haydn, na ontvangst van de zes strijkkwartetten die Mozart aan hem opdroeg, aan diens vader schreef: “Ik zweer voor God, en als een eerlijk man, dat uw zoon de grootste componist is die ik ken, persoonlijk of van naam.”
R.S. Thomas
Ronald Stuart Thomas was een van de uitzonderlijkste literaire figuren van de twintigste eeuw. Hij werd geboren in 1913 en stierf in 2000. Zijn hele werkzame leven was hij anglicaans priester in afgelegen parochies in Wales. Hij schreef in het Engels en sprak met het accent van een Engelsman uit de hogere klasse (wat hij van geboorte niet was). Ondanks het feit dat Engelse adellijke titels indruk op hem maakten, was hij een felle, zelfs fanatieke Welshe nationalist die op zijn dertigste Welsh leerde en soms net deed alsof hij geen Engels sprak. Hoewel hij een christen was, was hij lang niet altijd menslievend. Hij stond bekend om zijn sociale onhandigheid en zwijgzaamheid; de meeste foto’s tonen hem als angstaanjagend, slechtgehumeurd en zichtbaar humorloos.
Mildred Eldridge. Dance of Life 3 Copyright: Gwydion Thomas; Supplied by The Public Catalogue Foundation
Hij huwde een kunstenares met wie zijn relatie, bezien uit het perspectief van gewone stervelingen, heel merkwaardig was. Ze spraken nauwelijks met elkaar; niemand zag ooit dat ze elkaar aanraakten; hun levens liepen meestal parallel maar ze kruisten elkaar af en toe. Ze leefden van een klein inkomen, zonder modern comfort. Bijna de enige huishoudelijke gemaksvoorziening die Thomas ooit bezat was een koelkast, waar hij al snel weer afstand van deed omdat het ding te veel lawaai maakte. Toen hij als priester met emeritaat ging, verhuisden ze naar een piepklein, onverwarmd huisje in een van de mooiste delen van Wales, waarin de temperatuur echter soms onder het vriespunt zakte.
Thomas was zeer productief en schreef meer dan 1500 gedichten. Hoewel zijn gedichten modernistisch van vorm zijn en zich bezighouden met de diepste lagen van het menselijk bestaan, raken ze onmiddellijk het gevoel. Hun taal is eenvoudig, hun weerklank diep. Aan het eind van zijn leven werden er van zijn nieuwe bundels 20.000 exemplaren verkocht in Groot-Brittannië – een enorm aantal voor iemand wiens eerste boek op eigen kosten werd gedrukt door een klein drukkerijtje boven een viswinkel in Carmathen, en een bevestiging dat niet alleen het clichématige of triviale goed verkoopt. Ook al was zijn uiterlijke leven niet veelbewogen en is er geen aanleiding om er een van die gigantische literaire biografieën aan te wijden die tegenwoordig in de mode zijn (als er al een leven is dat zoiets rechtvaardigt), een man als Thomas is van groot belang en betekenis.
Deze biografie – geschreven door iemand die Welsh als moedertaal heeft en die in 1960 als student Thomas voor het eerst ontmoette toen de dichter nog maar net bekend was geworden – is precies van de juiste lengte: de lezer hoeft niet een al te groot deel van zijn eigen leven opzij te zetten of alle andere bezigheden op te geven om het te lezen. De auteur heeft in het oog gehouden dat het doel van een dichtersbiografie is om het werk te belichten, en dit boek slaagt daar goed in. Omdat het onderwerp zowel onalledaags als briljant is, is het boek zeer onderhoudend.
Is er één thema dat aan Thomas’ leven en werk ten grondslag ligt en dat al diens tegenstrijdigheden met elkaar verzoent? Ik denk dat we het kunnen vinden in een essay dat hij in 1946 schreef voor een klein nationalistisch tijdschrift in Wales. “Zijn niet driekwart van onze moderne kwalen,” vroeg hij, ”te wijten aan het feit dat we vergeten zijn hoe we moeten leven …?” En we zijn vergeten hoe we moeten leven omdat we weelde en lichamelijke gemakken hebben aanbeden en God de rug hebben toegekeerd. Thomas’ politieke antwoord op deze moderne zielloosheid en op de moderne vernietiging van het Welshe platteland door wegen, bouwprojecten en vakantiegangers, was het Welshe nationalisme dat een sterke preoccupatie met het verleden heeft. Voor hem vertegenwoordigde Engeland de moderniteit en dus alles wat zielloos, oppervlakkig, mechanisch, materialistisch, vulgair en ijdel is. Het observeren van de schoonheid van de natuur, vooral het landschap en de vogels, was voor hem een spirituele oefening, een herinnering dat God ons alles heeft gegeven wat we nodig hebben voor een vervuld leven, als we er maar aandacht voor hebben. Niemand kon zeggen dat hij niet probeerde te leven naar zijn credo.
Thomas voerde zijn haat tegen de moderne wereld tot schijnbaar absurde hoogten op. De biograaf interviewde zijn enige zoon, die duidelijk niet veel om zijn vader gaf (hij woont nu in Thailand met zijn Thaise vrouw, zeker niet het lot dat een nationalist uit Wales hem zou toewensen). Zijn zoon zei: “Als zoon van een predikant moest ik verplicht naar de kerk om naar hem te luisteren terwijl hij maar doordramde over het kwaad van koelkasten.” “Koelkasten?” vroeg de biograaf ongelovig. “Dat zal toch wel niet.”
The Ogre of Wales
“Oh ja, dat deed hij wel, het was de Machine, weet je,” antwoordde de zoon. “En wasmachines. En televisies. En dit tegen een gemeente die geen van deze dingen bezat en ernaar verlangde.”
Het is gemakkelijk om hier om te lachen (en de dichter Philip Larkin verwees in zijn brieven naar R. S. Thomas als stomvervelende zeurpiet [Arsewipe Thomas]). Maar in feite stelde Thomas een diepe vraag waar geen antwoord op kwam: Waar dient het leven voor? Is het alleen maar om meer te consumeren en onszelf te verdoven met steeds meer vertier en gadgets? Wat doet dit met onze ziel? In een vroeg gedicht beschrijft Thomas een boer uit Wales, apetrots op zijn nieuwe tractor:
Ah, je moest Cynddylan eens zien op een tractor. Weg is het oude beeld dat hem aan de aarde bond; Een nieuwe mens is hij nu, deel van de machine, De zenuwen van staal, het hart pompt olie rond. De koppeling raast, de versnelling gehoorzaamt Zijn kleinste bevel, en kijk, hij rijdt weg, Van het erf, de kippen verstrooiend. Rijdend naar zijn werk, zoals het een groot man betaamt, Is hij de gehelmde ridder die de rust van het veld, Spiegel van stilte, doorbreekt, hij die ‘t bos ontdoet Van vossen en eekhoorns en felle gaaien. Boven de hoge bomen rijst nu zonnegloed, Die hagen laat oplichten, maar niet voor hem Die zijn motor laat lopen op geheel andere brandstof. En alle vogels zingen, vergeefs hun snavels wijd, Als Cynddylan trots het weggetje oprijdt.
[Origineel:]
Cynddylan on a Tractor
Ah, you should see Cynddylan on a tractor. Gone the old look that yoked him to the soil; He is a new man now, part of the machine, His nerves of metal, and his blood oil. The clutch curses, but the gears obey His least bidding, and lo, he’s away Out of the farmyard, scattering hens. Riding to work now as a great man should, He is the knight at arms breaking the fields’ Mirror of silence, emptying the wood Of foxes and squirrels and bright jays. The sun comes over the tall trees Kindling all the hedges, but not for him Who runs his engine on a different fuel. And all the birds are singing, bills wide in vain, As Cynddylan passes proudly up the lane.
We kunnen natuurlijk twisten over de vraag of er ooit wel zo’n spirituele harmonie heeft bestaan, waarbij de mens volledig één was met alle taken die uitgevoerd moesten worden om zijn zware bestaan aan de aarde te ontrukken. Maar het gedicht wijst er in ieder geval op dat vooruitgang zoals uitgebeeld door de tractor ook verlies met zich meebrengt, in dit geval een ernstig verlies, en dat een opeenstapeling van steeds meer tractorachtige apparaten (koelkasten, wasmachines, televisies, enzovoort) niet het goede leven vormt. Want als we al deze dingen uiteindelijk hebben, rijzen nog steeds de vragen: “Wat nu?” en “Hoe moeten we leven?” en “Waarom zouden we tevreden moeten zijn met meer van hetzelfde?” Aan alle gedichten van Thomas ligt een onderzoek naar de existentiële behoeften van de mens ten grondslag, en het bange vermoeden dat de mens deze volkomen verkeerd begrepen heeft, waardoor diens hele persoonlijkheid misvormd wordt. Daarom lijkt Thomas altijd zo intens individueel, altijd een minderheid van één, zelfs in zijn huwelijk. Hij heeft de intensiteit van een profeet en het meesterschap van een dichter – opmerkelijke eigenschappen in de tweede helft van de twintigste eeuw.
Byron Rogers – foto van Facebook
De auteur van de biografie is grappig zonder respectloos te zijn. Hij laat zien dat Thomas over een droge humor beschikte en hij brengt ook de diepte van zijn karakter goed over. Hij begrijpt dat Thomas, ondanks zijn uiterlijke froideur [kilheid] (hij leek vaak de voorkeur te geven aan vogels kijken boven menselijk gezelschap), een man was met een diepgaand gevoelsleven, iets wat onze tijd van uitbundige zelfexpressie misschien moeilijk kan begrijpen of zelfs maar geloven.
Het verslag van de dood van zijn vrouw in 1991 is buitengewoon ontroerend. Ze was al lange tijd ziek. Haar slaapkamer in hun kleine huisje – dat geen voorzieningen had, naast een uitzicht dat zo mooi was dat mijn hart een keer overslaat als ik eraan denk – was bereikbaar via een ladder. Hij bracht haar thuis uit het ziekenhuis toen duidelijk werd dat ze niet meer beter kon worden, en hij droeg haar “zelf de ladder op zoals hij een bruid zou dragen,” en dat terwijl hij net een hernia-operatie had ondergaan (hij was toen 78, zij 82). Ze stierf vier dagen later.
Na haar dood schreef hij liefdesgedichten die buitengewoon teder zijn:
[Hier vindt u nog wat toelichting bij de vertaling.]
Ze liet me alleen. Van wie was die stem, kouder dan grafwind, die sprak “Het is voorbij”? Ongrijpbaar, onzichtbaar, komt ze nog bij me, zoals ze vaak deed, terwijl ik wat lees. Er is een beving van licht, als van een vogel die de zonnebaan kruist, en ik kijk op in herkenning van een afwezige aanwezigheid. Geen woord, geen geluid als ze haar gang gaat, maar een geur die blijft hangen, geur van de tijd die zichzelf offert in liefdesvuur.
[Origineel:]
No Time
She left me. What voice colder than the wind out of the grave said: “It is over?” Impalpable, invisible, she comes to me still, as she would do, and I at my reading. There is a tremor of light, as of a bird crossing the sun’s path, and I look up in recognition of a presence in absence. Not a word, not a sound, as she goes her way, but a scent lingering which is that of time immolating itself in love’s fire.
En, zelfs met nog meer tederheid:
[Hier vind u nog wat toelichting bij de vertaling.]
Een Huwelijk Wij troffen elkaar onder een stortbui van vogelklanken. Vijftig jaar verliepen, moment van Liefde in een wereld onderhorig aan de tijd. Ze was jong; ik kuste haar met mijn ogen dicht en toen ik ze opsloeg zag ik haar rimpels. “Kom” zei de dood, haar uitverkiezend als zijn partner voor de laatste dans. En zij, die bij leven alles deed met de gratie van een vogel, opende nu haar snavel voor het slaken van een zucht, niet zwaarder dan een veertje.
[Origineel:]
A Marriage
We met under a shower of bird-notes. Fifty years passed, love’s moment in a world in servitude to time. She was young; I kissed her with my eyes closed and opened them on her wrinkles. “Come” said death, choosing her as his partner for the last dance. And she, who in life had done everything with a bird’s grace, opened her bill now for the shedding of one sigh no heavier than a feather.
Dit is des te opmerkelijker omdat, volgens de gedichten die Thomas in de loop der jaren schreef, hun huwelijk bepaald geen sprookje was. Sterker nog, hij en zijn vrouw hadden het huwelijk bijna koeltjes gesloten, zonder verwachtingen van romantische gelukzaligheid:
[Vertaling:]
Ik zag haar – we waren jong – en spreidde instinctief de weelde van mijn vedertooi om aandacht. Ze werd niet misleid, maar ze aanvaardde mij – zoals een meisje dat onder een zuinig maantje soms doet zonder veel liefde – als iemand met wie je een thuis kunt maken voor het kind waar ze vandroomde.
[Origineel:]
I saw her, when young, and spread the panoply of my feathers instinctively to engage her. She was not deceived, but accepted me as a girl will under a thin moon, in love’s absence as someone she could build a home with for her imagined child.
Vijftig jaar nadat ze getrouwd waren, schreef hij:
[Vertaling:]
Samenzijn van koude handen, de ogen afgewend als geloften worden afgelegd zonder dat een woord klinkt. Geleidelijk aan na vijftig lange jaren met ingehouden adem is het hart warm geworden.
[Origineel:]
Cold hands meeting, the eyes aside as vows are contracted in the tongue’s absence. Gradually over fifty long years of held breath the heart has become warm.
Ik betwijfel of er een huwelijk is dat voor de moderne ontvankelijkheid afstotelijker is dan dit huwelijk: een simpele calculatie bij de één die uitgroeit tot een onopvallende, maar diepe emotie. Juist omdat zulke relaties zo ver van ons afstaan of onalledaags zijn, is het de moeite waard om erover na te denken.
Thomas was een man van grote ernst – ernstig, niet zwaar op de hand of alleen maar eerlijk. Hij worstelde tot het einde van zijn leven om God te vinden, niet in de zin van halleluja-roepende born again-christenen, maar in de vorm van een heuse zoektocht naar de zin van het bestaan:
[Het betreft het gedicht The New Mariner. Het complete gedicht met vertaling en wat toelichting treft u hier aan.]
[Vertaling:]
Voor mij is er nu alleen nog de God-ruimte waarin ik mijn sondes uitzend. Ik had uitgekeken naar de oude dag als een tijd van rust, een tijd om m’n horizonnen om me heen te trekken, herinneringen te zien rijpen in het zonlicht van een ommuurde tuin. Maar er is een leegte boven mijn hoofd, er zijn de diepten binnen in mij waaruit onvermoeibaar signalen komen. Als astronaut die onmogelijke reizen aflegt naar de verste uithoeken van het ik, keer ik terug met boodschappen die ik niet kan ontcijferen …
…
[Origineel:]
For me now there is only the God-space into which I send out my probes. I had looked forward to old age as a time of quietness, a time to draw my horizons about me, to watch memories ripening in the sunlight of a walled garden. But there is the void over my head and the distance within that the tireless signals come from. And astronaut on impossible journeys to the far side of the self I return with messages I cannot decipher …
Weinig mensen leefden intenser dan Thomas, hoewel hij de windstreken van het kleine Noord-Wales zelden verliet. Al zijn relaties waren intens, zonder aandacht te trekken. Hij voelde een bittere haat jegens zijn moeder – de reden is niet helemaal duidelijk (maar ik vermoed omdat ze zo alledaags was). Toch mocht ze aan het eind van haar leven bij hem en zijn vrouw in komen wonen.
[Vertaling:]
We zorgden dat ze door kon leven, niet zozeer uit liefde voor haar, maar uit afkeer van de dood.
[Origineel:]
We made her live on, not out of our affection for her, but from a dislike of death.
Deze eerlijkheid wekt bijna de indruk dat er een huid wordt afgestroopt, maar verzoening komt aan het einde:
[Vertaling:]
De ambulance kwam om ons te verlossen van de besognes van haar lichaam; ze werd overgedragen van de onkunde die ons geweten teisterde naar de zoveel zuiverder ziekenhuiszorg. Daar nam ik toen nog haar hand en maakte een strak koordje van onze vingers om de misvormde gevoelens daarmee wat steun te geven.
[Origineel:]
The ambulance came to rescue us from the issues of her body; she was delivered from the incompetence of our conscience into the hospital’s cleaner care. Yet I took her hand there and made a tight-rope of our fingers for the misshapen feelings to keep their balance upon.
Er zijn maar weinig levens, zeker van hedendaagse figuren, die ons zo hevig naar binnen doen kijken als het leven van Thomas. Deze korte biografie is de best denkbare introductie tot zijn werk.
Marko Martin tijdens zijn toespraak, Foto: Metodi Popow/picture alliance
Ter gelegenheid van de feestelijke herdenking in 2024 van de Val van de Muur die vijfendertig jaar geleden plaats vond, hield de Duitse schrijver Marko Martin een opmerkelijke rede (video-registratie onder de hyperlink) waarin hij bepaald niet terughoudend was met kritiek op Bondspresident Steinmeier, een man die eerder in zijn carrière de Duitse Minister van Buitenlandse Zaken was geweest. Ook oefende hij kritiek op de halfhartige houding van Duitsland jegens Oekraïne, de lafhartige houding jegens het imperiale Rusland en het gebrekkige strategische oordeelsvermogen dat voortkomt uit het streven naar voordeeltjes op de korte termijn.
De rede deed veel stof opwaaien en werd gehouden in Schloss Bellevue, de ambtswoning van de Bondspresident, in aanwezigheid van hooggeplaatste genodigden, onder wie ook een Poolse delegatie.
Frank-Walter Steinmeier op 7 November in Schloss Bellevue Foto: Sebastian Christoph Gollnow/dpa
Na afloop stormde Steinmeier ‘wutentbrannt’ – in woede ontstoken – op de spreker af, en vervolgens beschuldigde het staatshoofd Marko Martin van ‘laster’. De omstanders moesten Steinmeier kalmeren. In een interview vertelt Martin daarover heel kalm en rustig (tekst interview onder de hyperlink).
De rede is een prachtig voorbeeld van de taak van schrijvers, journalisten en iedereen die meedoet aan het publieke debat: ‘Speaking Truth to Power’ – onwelgevallige waarheden voorhouden aan de macht. Het bekwam de macht slecht.
Enigszins verbazingwekkend is het – gegeven de woede die hij bij Steinmeier opwekte – dat Marko Martin werd uitgenodigd voor de feestrede. Ze hadden kunnen weten dat deze man niet bang is en geneigd om de macht te confronteren met zijn misstappen. Zie bijvoorbeeld deze recensie van Martins boek Dissidentisches Denken. Reisen zu den Zeugen eines Zeitalters in de Jüdische Allgemeine van 26 februari 2020: ‘Seid achtsam vor den Mächtigen’.
Ik heb deze dappere tekst tijdens een slapeloze nacht vertaald. Mijn vertaling is vandaag gepubliceerd op RAAM op Rusland, Oekraïne, Belarus.
Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilder Mildred Eldridge (1909-1991).
[Deze intro kunt u verder overslaan, als u al eerder mijn vertalingen van R.S. Thomas onder ogen hebt gehad. Het nieuwe deel begint met de woorden: Het door mij vertaalde gedicht …]
R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).
Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.
In een treffend filmpje uit 1996 dat Bloodaxe Books beschikbaar heeft gemaakt – hier raadpleegbaar – zegt Thomas (vanaf 4’18”):
“Mocht er sowieso later nog aan mij gedacht worden, dan zal dat wel zijn om de intensiteit van een paar gedichten die ik heb geschreven. Maar, los van de gedichten, als mens hoop ik dat m’n voorbeeld van iemand die ervan hield buiten te zijn, die hield van de aardse dingen, en die het talent had meegekregen om ze niet alleen te horen maar ook te zien, voor anderen een zeker nut heeft gehad.”
Het door mij vertaalde gedicht is niet moeilijk te begrijpen. Er staat een bijna zestigjarige voor de spiegel, en hij bestudeert zijn blik, zijn gelaat, zichzelf. Hij trekt een paar hardhandige conclusies, en eindigt met een verlangen. De gebruikte werkwoorden ‘outdistanced‘ en ‘overtake‘, die enigszins tegenstrijdig zijn – de blijdschap die hem moet inhalen is hem voorbijgevlogen – maken duidelijk dat hier geen vanzelfsprekendheden aan de orde zijn.
Het gedicht is vrij van vorm, zonder noemenswaardig eindrijm. Het is bovendien opgetrokken uit enjambementen – zinnen die doorlopen over de versregels. Die enjambementen zijn bepaald niet willekeurig gekozen. Het zinselement dat op de volgende versregel terechtkomt verleent er een zekere nadruk en ernst aan, en is soms ook verrassend. Alledrie zijn belangrijk voor het effect dat het gedicht heeft.
Eigenlijk had ik dit gedicht een paar maanden geleden moeten vertalen, want toen was ik zelf nog 59, maar het gedicht had toen nog niet mijn aandacht getrokken.
Self Portrait werd gepubliceerd in de bundel: R.S. Thomas, Laboratories of the Spirit, London: Macmillan 1975.
Geluidsopname
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling
Zelfportret
Die lijdzame blik! Hier ben ik dan, Zegt-ie; negenenvijftig, kalend, de uitdaging ontlopend van de jonge meisjes. De tijd raakt gauw op, en de ziel is niet af. En het hart beseft dit is niet het portret waarvoor het poseerde. Houd de lippen strak; te veel teleurstellingen hebben de mondhoeken omlaag gehaald. Geen chirurgie die iets aan deze lijnen kan doen; wreed is het licht dat ze betast en de geest huivert. Al die bedrevenheid, leven, in het snijden van zo’n gebogen neusvleugel en voor geen ander doel dan walging. De schichtige ogen staan even stil, wachtend tot een blijdschap die uit het zicht verdween, hen in zal halen.
Origineel
Self-Portrait
That resigned look! Here I am, it says; fifty-nine, balding, shirking the challenge of the young girls. Time running out now, and the soul unfinished. And the heart knows this is not the portrait it posed for. Keep the lips firm; too many disappointments have turned the mouth down at the corners. There is no surgery can mend those lines; cruelly the light fingers them and the mind winces. All that skill, life, on the carving of the curved nostril and to no end but disgust. The hurrying eyes pause, waiting for an outdistanced gladness to overtake them.
Walt Whitman (1819-1892) was een bijzondere Amerikaanse dichter die leefde in de negentiende eeuw. Hij wordt wel beschouwd als de aartsvader van het vrije vers, en de voornaamste dichtbundel waaraan hij zijn hele leven is blijven schaven is Leaves of Grass.
De titel Leaves of Grass bevat een inside joke, een grapje voor ingewijden. De titel zelf betekent ‘gras-sprietjes’ en dat geeft een bescheiden, liefelijke sfeer. Maar ‘grass’ was ook in 19e-eeuwse uitgeverskringen een negatieve term om waardeloze rommel mee aan te duiden. En ‘leaves’ zijn uiteraard ook bladzijden.
Whitman kwam uit een Quaker-gezin. Zijn vader was van Engelse afkomst zijn moeder van Nederlandse afkomst. Zijn vorming was grotendeels autodidact.
Ik kreeg de bundel Leaves of Grass van mijn stiefdochter op mijn 60e verjaardag. Het is een mooie editie met goud op snee. Ik kende Whitman nog niet goed, en dat maakt het cadeau extra waardevol.
Het gedicht dat ik vertaald heb is niet moeilijk om te begrijpen. Het contrasteert geleerdheid en kennis met de beleving van het verschijnsel waar die kennis over gaat,
Geluidsopname:
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling:
Toen ik luisterde naar de geleerde astronoom
Toen ik luisterde naar de geleerde astronoom, Toen de bewijzen, grafieken, tabellen voor mijn neus verschenen, Toen hij me z’n kaarten, diagrammen toonde om ze te plussen, te minnen en te waarderen, Toen ik daar zat te luisteren naar de astronoom terwijl hij onder veel applaus sprak achter zijn spreekgestoelte, Werd ik al snel zo ellendig, moe en afwezig, Dat ik ten slotte afgemat opstond en wegliep In de mystieke, klamme nacht, en zo nu en dan Opkeek in volmaakte stilte naar de sterren.
Origineel:
When I Heard the Learn’d Astronomer
When I heard the learn’d astronomer, When the proofs, the figures, were ranged in columns before me, When I was shown the charts and diagrams, to add, divide, and measure them, When I sitting heard the astronomer where he lectured with much applause in the lecture-room, How soon unaccountable I became tired and sick, Till rising and gliding out I wander’d off by myself, In the mystical moist night-air, and from time to time, Look’d up in perfect silence at the stars.
Opdat het niet wordt vergeten: ik herinner me n.a.v. een korte tweetwisseling met Rik Wassenaar opeens een kleine vierstemmige canon die wij op de lagere school leerden:
’t Is weer regen / falderaldera / hiep hiep hoera / het re-egent.
Ik kan het nergens op het internet vinden, en toch zong ik het soms uit volle borst als ik in de regen op de fiets naar huis ging, samen met mijn medescholieren.
Voor het geval u ook de melodie wilt horen, heb ik het – gebrekkig uiteraard – voor u ingezongen.
Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilder Mildred Eldridge (1909-1991).
[Deze intro kunt u verder overslaan, als u al eerder mijn vertalingen van R.S. Thomas onder ogen hebt gehad. Het nieuwe deel begint met de woorden: Het door mij vertaalde gedicht …]
R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).
Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.
In een treffend filmpje uit 1996 dat Bloodaxe Books beschikbaar heeft gemaakt – hier raadpleegbaar – zegt Thomas (vanaf 4’18”):
“Mocht er sowieso later nog aan mij gedacht worden, dan zal dat wel zijn om de intensiteit van een paar gedichten die ik heb geschreven. Maar, los van de gedichten, als mens hoop ik dat m’n voorbeeld van iemand die ervan hield buiten te zijn, die hield van de aardse dingen, en die het talent had meegekregen om ze niet alleen te horen maar ook te zien, voor anderen een zeker nut heeft gehad.”
Het door mij vertaalde gedicht is niet moeilijk te begrijpen. In de eerste strofe wordt een onbeduidend Welsh kerkje beschreven dat enigszins in verval is en geen toeristen trekt. In de tweede strofe wordt beeldend beschreven hoe ooit in een ver verleden een dominee in staat was eenvoudige mensen te bezielen met zijn woorden.
Daarmee is het zonder twijfel ook een nostalgisch gedicht.
Maar er is misschien nog wel iets meer over te zeggen. Thomas heeft vrij veel gedichten gemaakt over eenzame bezoeken aan eenzame kerkjes. Dit gedicht is – denk ik – ook een poging om voor zichzelf te definiëren wat zijn roeping was, de roeping van een onalledaagse anglicaanse priester in een tijd waarin de kerk massaal werd verlaten.
Hij wilde de mensen bezielen zodat ze gevoelig zouden worden voor de schoonheid van de schepping en het mysterie van het leven.
En je moet bij de slotregels ook even denken aan Life at the Bottom – het boek waarin de Britse schrijver-psychiater Theodore Dalrymple (pseud. van Anthony Daniels) beschrijft hoe de Britse onderklasse is afgedaald in treurnis, armoe en ‘self-inflicted misery’, waarin duidelijk wordt hoezeer de Britse ‘kleyne luyden’ door de intellectuelen worden geminacht, maar vooral hoe deze luyden zichzelf hebben verwaarloosd.
Geluidsopname
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling
Het kerkje
Op enige afstand van de hoofdweg, Tot rust gekomen in de grauwheid van z’n eeuw, ligt daar het kerkje – lelijk – zonder de toerist te verleiden z’n auto stil te zetten om even te kijken. Het verkeer komt er langs, en de rivier komt er langs, en ook de vluchtige schaduw van wolken, en dan nestelt het kerkje zich weer wat dieper in het gras.
Toch was het ooit hier, op net zo’n avond, in de duisternis die de toehoorders omgaf, dat een predikant in vuur ontstak en aanhoudend voor hun ogen vlamde met een vreemd licht, zodat zij de pracht van de kale bergen om hen heen zagen en zij vurig hun herhaalde ‘amen’ zongen, klein maar bevrijd zoals mensen nu niet meer zijn.
Origineel
The Chapel
A little aside from the main road, becalmed in a last-century greyness, there is the chapel, ugly, without the appeal to the tourist to stop his car and visit it. The traffic goes by, and the river goes by, and quick shadows of clouds, too, and the chapel settles a little deeper into the grass.
But here once on an evening like this, in the darkness that was about his hearers, a preacher caught fire and burned steadily before them with a strange light, so that they saw the splendour of the barren mountains about them and sang their amens fiercely, narrow but saved in a way that men are not now.
Ik heb afgelopen zaterdag (14-9-2024) in Velp een workshop bijgewoond over het maken van haiku’s die gegeven werd door Helma Sneeloper in de tuin van boekhandel Jansen & De Feyter. Het was een heel aardige bijeenkomst, en de deelnemers – een stuk of acht – maakten haiku’s dat het een aard had.
Ik ben nog altijd een beetje sceptisch over de haiku – het lijkt me dat deze van oorsprong Japanse versvorm niet gemakkelijk kan worden overgeplant naar onze literatuur.
Het doel van de haiku – een scherpomlijnde natuurbeschrijving, waarin het besef van tijdelijkheid of vergankelijkheid doorklinkt, zonder dat dichterlijke gevoelens expliciet benoemd worden, waarmee bovendien een bijna spiritueel effect wordt beoogd – doet me enigszins denken aan de Japanse prentkunst. Bij Japanse prenten met hun bijzondere kleurstelling en belijning en contrasten voel ik het soms wel, bij de haiku maar zelden.
Een van de beroemdste haiku’s aller tijden is van de Japanse dichter Basso (1644-1694). Deze luidt in vertaling:
aloude vijver een kikker springt van de kant geluid van water
Het lukt mij – eerlijk gezegd – niet om te ontdekken waarom deze haiku beter is dan de vijftig andere die ik heb gelezen of heb horen voordragen.
Het is misschien nog wel aardig om te vertellen dat een van de meest ingrijpende dingen die ik heb meegemaakt tot een haiku van eigen hand heeft geleid – ik liep in de uiterwaarden langs de Wageningse Rijn in een zwaarmoedige geestestoestand, en opeens zag ik een ongelooflijk krachtige rode braamscheut opschieten uit een stukje droge aarde. Hier is de link. Ik schreef toen (de Rijn is verschrompeld tot een beekje):
Verschroeide aarde Aan de beekbedding ontspringt Een rode braamscheut
Ilja Leonard Pfeijffer heeft ooit een schertshaiku gemaakt:
vlinder in de trein mijn god dacht ik als daar maar geen haiku van komt
Enfin, ik heb mijn best gedaan. Een haiku bestaat uit drie regels en zeventien lettergrepen. De eerste en de derde regel hebben vijf lettergrepen; de tweede zeven.
(Overbodig te vermelden dat je van dit schema desgewenst mag afwijken, zoals van alle schema’s.)
olie in zaaddoos de laatste teunisbloem maakt zich klaar voor vertrek
Poëzie is spelen met ernst, jongleren met loden ballen, net doen of je lacht om de dood.
Soms is het zo dat je niks kunt zien, tenzij je er naast kijkt. Zo is het ook met de dichtkunst.
Alle dichters zijn zwaar op de hand, maar wat ze onderscheidt van andere tobbers is dat ze een spel spelen met de onderwerpen die ze belangrijk vinden.
Ik was dit stuk begonnen als essay, maar het is wel even genoeg.
R.S. Thomas (afbeelding afkomstig van Poetry Foundation)
Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilder Mildred Eldridge (1909-1991).
[Deze intro kunt u verder overslaan, als u al eerder mijn vertalingen van R.S. Thomas onder ogen hebt gehad. Het nieuwe deel begint met de woorden: Het door mij vertaalde gedicht …]
R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).
Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.
In een treffend filmpje uit 1996 dat Bloodaxe Books beschikbaar heeft gemaakt – hier raadpleegbaar – zegt Thomas (vanaf 4’18”):
“Mocht er sowieso later nog aan mij gedacht worden, dan zal dat wel zijn om de intensiteit van een paar gedichten die ik heb geschreven. Maar, los van de gedichten, als mens hoop ik dat m’n voorbeeld van iemand die ervan hield buiten te zijn, die hield van de aardse dingen, en die het talent had meegekregen om ze niet alleen te horen maar ook te zien, voor anderen een zeker nut heeft gehad.”
Het door mij vertaalde gedicht is vrij dramatisch. Friedrich Nietzsche maakte een drama van de dood van God, maar R.S. Thomas kon er ook wat van.
Het gedicht heet Poste Restante. Dat betekent dat het poststuk op het postkantoor blijft liggen tot iemand het komt ophalen. De dichter richt zich tot een toekomstige lezer, iemand die niet weet in welke toestand de schrijver zich bevindt.
De schets is niet bijster rooskleurig. Maar ik denk dat Thomas hier vrij nauwkeurig beschrijft hoe hij zijn domineesroeping heeft ervaren.
Hier kunt u de geluidsopname van de vertaling beluisteren:
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling:
Poste Restante
Ik wil dat je weet hoe het ging, ongeacht of het Kruis tot stof wordt vermalen door de raderen van de mens of juist helder straalt als teken van een nieuwe tijd.
Er was een kerkje en één man die daar diende, en er waren maar weinig kerkgangers in het felle winterlicht op de heuvel, scharrelend tussen het steen dat om hen heen was gevallen als restant van een beschaving die ze – zwak als ze waren – niet konden vervangen, te arm om iets anders te doen dan wachten op het einde van een leven waarom ze niet hadden gevraagd.
Dan kwam de priester die het schorre klokje luidde dat niemand hoorde, en hij trad binnen in die duisternis, ranzig geworden door de schimmel van de jaren. En de spin liet zich zakken van de kelk, en de wijn stond daar een tijdje koud, zonder dat iemand er naar taalde behalve hijzelf, terwijl de kaarsen flakkerden als de wind aan het dak schudde. En boven dat karige maal zag hij dan zijn gelaat dat hem aanstaarde door het gebarsten glas van het raam met lippen die bewogen als van iemand die thuis was aan gene zijde.
En dan weer terug naar de klamme sacristie met het boek waarin hij zijn naam en de datum krabbelde die hij nauwelijks nog wist, zondag na zondag, terwijl het kerkje steeds dieper neerknielde en de aarde zich wentelde van seizoen tot seizoen als het rad van een reusachtige gieterij die ook jou, goede vriend, heeft gegoten, jij die nu weet wat nadien is gebeurd.
Origineel:
Poste Restante
I want you to know how it was, whether the Cross grinds into dust under men’s wheels or shines brightly as a monument to a new era.
There was a church and one man served it, and few worshipped there in the raw light on the hill in winter, moving among the stones fallen about them like the ruins of a culture they were too weak to replace, too poor themselves to do anything but wait for the ending of a life they had not asked for.
The priest would come and pull on the hoarse bell nobody heard, and enter that place of darkness, sour with the mould of the years. And the spider would run from the chalice, and the wine lie there for a time, cold and unwanted by all but he, while the candles guttered as the wind picked at the roof. And he would see over that bare meal his face staring at him from the cracked glass of the window, with the lips moving like those of an inhabitant of a world beyond this.
And so back to the damp vestry to the book where he would scratch his name and the date he could hardly remember, Sunday by Sunday, while the place sank to its knees and the earth turned from season to season like the wheel of a great foundry to produce you, friend, who will know what happened.
Thomas Hardy (1840-1928) was een Engels romanschrijver en dichter wiens reputatie opmerkelijk goed is gebleven, ondanks de rurale setting van zijn romans en gedichten. Zijn romans en poëzie hebben een weemoedige, romantische inslag.
In de vijfde klas van het vwo schreef ik mijn eerste stuk over een Engelse literaire schrijver, en dat was Thomas Hardy. De titel van mijn scriptie was Thomas Hardy as a Novelist. Ik ben hem altijd – zo nu en dan – blijven lezen.
Veel dichters – onder wie W.H. Auden – hebben zich schatplichtig aan Hardy betoond.
De vorm is vier kwatrijnen, met enigszins onregelmatig rijm. Metrisch opent het gedicht vooral met dactyli.
Het gedicht is een intense herinnering aan Emma, zijn vrouw, die in 1912 was gestorven. Om die reden heb ik nog even overwogen om de openingswoorden van het gedicht te vertalen met ‘Betreurde vrouw’.
Het mogelijke rijmpaar ‘lusteloos’ / ‘bewusteloos’ in de derde strofe heb ik na enig nadenken toch verworpen.
Geluidsopname van de vertaling:
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling:
De stem
Vrouw die ik mis, wat roep je, roep je naar mij – Zeggend dat je niet bent als toen, toen je afstand nam Van haar die alles was voor mij, Dat je bent als voorheen, in onze gouden tijd.
Hoor ik jou echt? Mag ik je dan ook zien, Zoals je daar stond terwijl het stadje haast komen zou, Daar waar je op me wachtte, ja, zoals ik je kende als toen, Met die enige echte jurk, luchtigjes blauw!
Of is het slechts de wind, die vol lauw verdriet Op me af komt, hier over het natte veld, Terwijl geen stem in jouw asgrauw verschiet Ooit nog ergens over jou heeft verteld?
Zo ben ik, zo strompel ik voort, Bladeren vallen, luchten zijn grauw, Wind uit het noorden suist ijl door de doorns, En de roep van de vrouw.
Origineel:
The Voice
Woman much missed, how you call to me, call to me, Saying that now you are not as you were When you had changed from the one who was all to me, But as at first, when our day was fair.
Can it be you that I hear? Let me view you, then, Standing as when I drew near to the town Where you would wait for me: yes, as I knew you then, Even to the original air-blue gown!
Or is it only the breeze, in its listlessness Travelling across the wet mead to me here, You being ever dissolved to wan wistlessness, Heard no more again far or near?
Thus I; faltering forward, Leaves around me falling, Wind oozing thin through the thorn from norward, And the woman calling.