Auteursarchief: Arie Sonneveld

Onbekend's avatar

Over Arie Sonneveld

In 1964 ben ik geboren in Berkel en Rodenrijs. In Wageningen studeerde ik tussen 1982 en 1989 Moleculaire Wetenschappen. Van 1994 tot 2000 werkte ik als leidinggevende bij academische boekhandels in Utrecht en Leiden en van 2000 tot 2008 als afdelingshoofd bij de Leidse universiteitsbibliotheek. Sindsdien werk ik als zelfstandig redacteur en vertaler. In 2014 was ik actief als Wikipedian-in-Residence voor zes speciale en wetenschappelijke bibliotheken. Van 2008 tot en met 2014 ben ik in mijn vrije tijd werkzaam geweest als Wikipedia-redacteur onder het van Kurt Tucholsky geleende pseudoniem Theobald Tiger. Ik lees graag gedichten, aforismen en essays.

Orwell van nabij – Simon Leys

De uitgebreide bespreking van de dagboeken en brieven van George Orwell door de Belgische sinoloog en intellectueel Simon Leys (pseudoniem van Pierre Ryckmans), waarvan hierna de vertaling volgt, verscheen voor het eerst in de New York Review of Books van 26 mei 2011.

Het stuk The Intimate Orwell werd met aanvullingen opgenomen in Leys’ essaybundel The Hall of Uselessness. Collected Essays, New York: The New York Review of Books 2011, p. 174-187. De vertaling betreft de versie met de aanvullingen.

Voor een introductie van Simon Leys verwijs ik naar de gelinkte pagina elders op deze website.

George Orwell (1903-1950) behoeft hier geen nadere introductie.

Het is wel aardig om te noemen dat Leys en Orwell – allebei pseudoniemen – een aantal opvallende trekken gemeen hebben: ze waren heel goede schrijvers, ze schreven tegen het totalitarisme, ze schreven beiden fictie en nonfictie, en ze hielden beiden een zekere afstand tot literaire coterieën.

Dan nu de vertaling:

Pierre Ryckmans (door: Mathew Lynn)

Orwell van nabij

Simon Leys
New York Review of Books
26 mei 2011

Orwell van nabij? Voor een artikel over een uitgave van zijn dagboeken en een selectie van zijn brieven – Diaries, Londen: Harvill Secker 2009; A Life in Letters, Londen: Harvill Secker 2010 – leek zo’n titel op het eerste gezicht toepasselijk, maar deze kan ook misleidend zijn als er een kunstmatig onderscheid of zelfs een tegenstelling mee wordt gesuggereerd tussen de privépersoon Eric Blair en de bekende schrijver George Orwell. Eerstgenoemde was inderdaad van nature een gereserveerd, afstandelijk, zelfs wat onhandig persoon, terwijl Orwell – met pen (of pistool) in de hand – een dappere strijder was. Feit is, en dit wordt eens te meer duidelijk na het lezen van deze twee delen, weerspiegelden Blairs persoonlijke leven en Orwells publieke activiteiten één en dezelfde sterke, vastberaden persoonlijkheid. Blair-Orwell was een man uit één stuk: een terugkerend thema in de getuigenissen van iedereen die hem van nabij kende was zijn “ontstellende eenvoud”. Hij had de “onschuld van een wilde”.

In tegenstelling tot wat sommige critici vroeger veronderstelden (onder wie ikzelf), was de keuze voor een pseudoniem louter toeval en heeft het nooit een bijzondere betekenis voor hem gehad. Ten tijde van de publicatie van zijn eerste boek, Down and Out in Paris and London (1933), wilde hij eenvoudigweg zijn ouders niet in verlegenheid brengen: de oude heer en mevrouw Blair behoorden tot de ‘lower-upper-middle class’ (d.w.z. de hogere middenklasse die krap bij kas zit) en waren zeer bezorgd om hun sociale respectabiliteit. Ze zouden het vreselijk hebben gevonden als bekend zou worden dat hun enige zoon het leven leidde van een werkloze zwerver en berooide vagebond. Zijn schuilnaam had hij dus willekeurig gekozen, als een bijkomstigheid, vlak voor publicatie. Maar daarna bleef hij het gebruiken voor al zijn publicaties – journalistiek, essays, romans – en raakte hij er toch enigszins aan verknocht. In zijn privécorrespondentie ondertekende hij tot aan het eind van zijn leven nu eens met Eric Blair (of Eric), dan weer met George Orwell (of George), waarbij hij gewoon aansloot bij de manier waarop hij door de verschillende correspondenten – dat waren ofwel kennissen van vroeger, ofwel collega’s en vrienden uit een latere periode – werd aangesproken. Zijn eerste vrouw, Eileen (ze overleed vroegtijdig in 1945) en hun geadopteerde zoon, Richard, kozen beiden de achternaam Blair; zijn tweede vrouw, Sonia (met wie hij trouwde toen hij al haast op zijn sterfbed lag), koos de naam Orwell. Kort voor het einde van zijn leven legde hij de kwestie zelf duidelijk uit aan zijn oude docent van Eton College (die hem kende onder de naam Blair):

“Wat mijn naam betreft: ik heb minstens twaalf jaar geleden de naam Orwell gekozen als schrijversnaam, en de meeste mensen noemen me George, maar ik heb mijn naam nooit formeel veranderd; sommige mensen noemen me nog steeds Blair. Het is soms zo vervelend dat ik steeds van plan ben om het per akte te veranderen, maar dan moet je naar een advocaat toe enz., en dat schrikt me af.”

Alle dagboeken van Orwell die bewaard zijn gebleven (sommige zijn verloren gegaan, en één is er gestolen in Barcelona tijdens de Spaanse Burgeroorlog door de stalinistische geheime politie – misschien ligt die nu nog ergens in een Moskous archief) zijn voor het eerst gepubliceerd in 1998 door Peter Davison en opgenomen in diens monumentale uitgave The Complete Works of George Orwell (twintig delen; negenduizend pagina’s). Ze zijn nu handig gegroepeerd in één deel, uitstekend bezorgd en geannoteerd door Davison. De dagboeken bieden een schat aan informatie over Orwells dagelijkse activiteiten, zorgen en interesses; ze hebben een aanzienlijke documentaire waarde voor wetenschappers, maar ze maken niet helemaal waar wat de bezorger erover zegt: “Deze dagboeken bieden bijna een autobiografie, en ze beslaan een groot deel van zijn leven en denken.” Dit oordeel zou veel beter passen bij het uiterst fascinerende begeleidende deel (ook geredigeerd door Peter Davison), George Orwell: A Life in Letters.

Orwells dagboeken zijn geen bekentenissen: hij noteert hierin zelden zijn emoties, indrukken, stemmingen of gevoelens, en bijna nooit zijn ideeën, oordelen en meningen. Hij beperkt zich strikt tot de droge feiten – gebeurtenissen in de buitenwereld of die in zijn eigen moestuintje: de lichte diarree van zijn geit Muriel is misschien veroorzaakt door het eten van nat gras; Churchill keert terug in het kabinet; er worden gevechten gemeld in Mantsjoekwo [Japanse benaming voor het huidige Mantsjoerije, AS]; de rabarber groeit goed; Béla Kun [Hongaars politicus, 1886-1938, AS] is neergeschoten in Moskou; de viooltjes en de rode steenbreek staan in bloei; De rattenpopulatie in Groot-Brittannië wordt geschat op 4-5 miljoen; in de straattaal van de East-Enders is het woordje ‘tart’ [slet of sloerie, AS] volstrekt uitwisselbaar met ‘girl’ zonder de bijbetekenis van prostituee – mensen spreken over hun eigen dochter of zus als een ‘tart’; onder de hop-plukkers is rijmend jargon niet uitgestorven, dus bijvoorbeeld ‘a dig in the grave’ [graven in het graf] betekent een ‘shave’ [scheerbeurt]; en aan het eind van juli 1940, als de dreiging van een Duitse invasie heel reëel wordt, “betrap ik mezelf er voortdurend op als ik door de straat loop, dat ik omhoog kijk naar de ramen om te zien welk raam als goede mitrailleurpost kan dienen.” De toestand van het weer wordt dagelijks genoteerd, net als het aantal eieren dat zijn kippen legden of de hoeveelheid melk die zijn geit opleverde. De dagboeken zouden in veel opzichten Orwells treffende woorden uit het essay Why I Write uit 1946 als opschrift kunnen dragen:

“Ik ben niet in staat om het wereldbeeld dat ik in mijn kindertijd heb verworven volledig los te laten, en ik wil dat ook niet. Zolang ik leef en gezond ben, zal ik … van al wat op aarde is blijven houden en plezier beleven aan concrete voorwerpen en flarden nutteloze informatie.”

Heel zelden formuleert de dagboekschrijver een sociaal-psychologische observatie, maar die is dan steeds opvallend origineel en scherpzinnig. Bijvoorbeeld over het seksuele leven van zwervers:

“Ze praten op een weerzinwekkende manier over seksuele onderwerpen. Zwervers gedragen zich afschuwelijk met betrekking tot dit onderwerp, omdat hun armoede hen weerhoudt van de omgang met vrouwen en ze worden daardoor overmand door obscene gedachten. Louter wellustige mensen gaan nog wel, maar mensen die wellustig zouden willen zijn maar de kans niet krijgen, worden er vreselijk door vernederd. Ze doen me denken aan de honden die jaloers rondhangen terwijl andere honden copuleren.”

In zijn onderzoek naar de arbeiders in Noord-Engeland tijdens de Depression [crisis in de jaren dertig, AS] geeft hij blijk van groot inlevingsvermogen en is het opmerkenswaardig dat hij aandacht heeft voor andermans hachelijke situatie, zoals bijvoorbeeld blijkt uit deze subtiele opmerking over een bepaald ongemak in het leven van de handarbeider: wachten.

“Als je een vast salaris ontvangt, wordt het op je bank gestort en neem je het op wanneer je wilt. Als je een onregelmatig uurloon of stukloon ontvangt, moet je het speciaal gaan halen op een tijdstip waarop iemand anders voor je klaar moet staan, vervolgens laat die je waarschijnlijk wachten en dien je je waarschijnlijk te gedragen alsof het uitbetalen van je loon een gunst is.”

En dan beschrijft hij het lange wachten in de kou, het gedoe en de kosten van het heen en weer reizen met de tram naar het betaalkantoor:

“Het resultaat van een lange gewenning aan dit soort dingen is dat de gegoede burger, binnen bepaalde grenzen, door het leven gaat in de verwachting te krijgen wat hij wil, terwijl de arbeider zich altijd de slaaf voelt van een min of meer geheimzinnige autoriteit. Ik was onder de indruk van het feit dat toen ik naar het stadhuis van Sheffield ging om bepaalde statistieken op te vragen, zowel Brown als Searle [twee lokale mijnwerkers met wie hij bevriend was, SL] – allebei mensen met een veel sterker karakter dan ikzelf – nerveus waren, niet met me mee het kantoor in wilden, en ervan uitgingen dat de gemeenteambtenaar de gevraagde informatie zou weigeren. Ze zeiden: “Hij zou het misschien aan jou geven, maar niet aan ons”. In de praktijk deed de gemeenteambtenaar uit de hoogte en kreeg ik niet alle informatie waar ik om vroeg. Maar het punt was dat ik ervan uitging dat mijn vraag beantwoord zou worden en de andere twee het tegendeel veronderstelden.”

Vervolgens ontwikkelen deze observaties zich tot bredere en gedurfdere overwegingen:

“Het is om deze reden dat in landen waar een klassenhiërarchie bestaat, mensen uit de hogere klasse altijd eerder de neiging hebben om naar voren te treden als het spannend wordt, hoewel ze daartoe niet werkelijk beter in staat zijn dan de anderen. Dat ze dat doen wordt altijd en overal min of meer als vanzelfsprekend beschouwd. Let op de passage in Lissagaray’s ‘History of the Commune’ [geschiedenis van de Commune van Parijs, AS] die de schietpartijen beschrijft nadat de [Parijse] Commune werd onderdrukt. Ze schoten de aanvoerders neer zonder vorm van proces, en omdat ze niet wisten wie de aanvoerders waren, pikten ze hen eruit op basis van het principe dat degenen die de hogere klasse vertegenwoordigden de aanvoerders zouden zijn. Eén man werd neergeschoten omdat hij een horloge droeg, een ander omdat hij ‘een intelligent gezicht’ had.”

De dagboeken zijn in een bondige, afstandelijke en onpersoonlijke stijl geschreven. Ik wil één voorbeeld er uitlichten – het is typerend zowel voor de drastische beperkingen van de vorm die de dagboekschrijver koos, als ook voor enkele opmerkelijke kenmerken van diens persoonlijkheid. Het is de aantekening van 19 augustus 1947 over het ongeluk in de draaikolk van Corryvreckan. De hele episode wordt afgehandeld in acht regels – de stijl is net zo zakelijk en emotieloos als die van een politierapport. Het zou voor de ongeïnformeerde lezer maar al te gemakkelijk zijn om het hele incident over het hoofd te zien, of in ieder geval de dramatische en bijna dodelijke aard ervan niet te onderkennen. Op die dag ontsnapten Orwell, zijn driejarige zoon en zijn neef en nicht (respectievelijk twintig en zestien) allemaal aan een bijna zekere verdrinkingsdood onder de meest angstaanjagende omstandigheden. Maar om de ernst van de gebeurtenis (die destijds in een krant in Glasgow stond) te kunnen inschatten, moet je het volledige verslag van Orwells neef lezen (in: Orwell Remembered, red. A. Coppard en B. Crick, London: BBC Books 1984, en uitgebreid geciteerd door B. Crick in: George Orwell: A Life, Londen: Secker and Warburg 1980).

Op Jura – een eiland behorend tot de Schotse Hebriden – was een afgelegen, spartaans ingerichte kluizenaarswoning waar Orwell in de laatste jaren van zijn leven met plezier de meeste tijd doorbracht – ten minste als hij niet in het ziekenhuis lag, want door zijn verslechterende gezondheid was hij al half invalide geworden. Daar bezat hij een kleine roeiboot met buitenboordmotor die hij gebruikte om te vissen (zijn grote passie) en voor korte kustexcursies. Toen hij terugkeerde van een van die excursies met zijn zoontje, zijn neef en zijn nicht, moest hij de beruchte Corryvreckan-draaikolk oversteken – een van de gevaarlijkste draaikolken in de Britse wateren. Normaal gesproken kan die oversteek maar heel kort veilig worden gemaakt, bij dood tij. Orwell misrekende zich – of hij las de getijdenkaart verkeerd of hij vergat die te raadplegen – en de kleine boot bereikte de gevaarlijke plek precies op het slechtste moment, toen er een kolkende ebstroom stond.

Orwell realiseerde zich zijn vergissing te laat; hij had al geen controle meer over de boot, en die werd heen en weer geslingerd door golven en wervelstromen; de buitenboordmotor, die niet goed was vastgemaakt, werd van de achtersteven losgerukt en door de zee opgeslokt. En nadat hij de boot met roeispanen in evenwicht had weten te houden en twee keer door de draaikolk was gevaren, voer Orwell naar een klein rotsachtig eilandje in de buurt. De boot kantelde net toen die door zijn neef aan land werd getrokken, waardoor de overige inzittenden en al hun spullen in de golven terechtkwamen. Orwell slaagde erin om zijn zoontje, die onder de boot klem zat, te bevrijden, en daarna konden hij en zijn zoontje en nicht veilig naar land zwemmen. Gelukkig was het zonnig weer. Orwell ging meteen aan de slag om zijn aansteker te drogen en wat brandstof te verzamelen – gras en turf – en al snel slaagde hij erin om een vuur te maken waarmee de schipbreukelingen zich enigermate wisten te drogen en te verwarmen. Toen Orwell het eilandje ging inspecteren, ontdekte hij een zoetwaterpoel die volgens hem gevoed werd door een zoetwaterbron, en daarnaast een grote hoeveelheid nestelende vogels. Onder zijn onverstoorbare en weldoordachte leiding verbleef de kleine groep daar zonder enige paniek. Enkele uren later – en dat was een buitengewoon toeval in zulke verlaten wateren – merkte een voorbijvarende kreeftenvisser hun aanwezigheid op en werden ze gered.

Vrijwel niets van deze dramatische opeenvolging van gebeurtenissen wordt overgebracht in Orwells onderkoelde notitie: de helft van de dagboekaantekening is gewijd aan natuurwaarnemingen: het gaat over de holen van de papegaaiduikers op het eilandje en over jonge aalscholvers die leren vliegen. Om een volledig beeld te krijgen, zoals ik al zei, moet je het verhaal van de neef lezen. Daarin word je ten eerste getroffen door Orwells gebrek aan praktische zeevaartkennis of gewoon zijn gebrek aan gezond verstand – en ten tweede door zijn kalmte, moed en volmaakte zelfbeheersing, waardoor het kleine gezelschap niet in paniek raakte. En toch maakte hij zich op dat moment geen illusies over hun overlevingskansen. Zoals hij zijn neef achteraf ronduit zei: “Ik dacht dat we er geweest waren.” En de neef gaf als commentaar: “Hij leek er bijna van te genieten.”

Conclusie: als je in een klein bootje de zee op moest, zou je Orwell niet als schipper kiezen. Maar bij schipbreuk, rampen of andere catastrofes kun je je geen beter gezelschap wensen.

                                                                          ________________

Orwell liet expliciete instructies achter dat er geen biografie over hem geschreven mocht worden en hij ontmoedigde zelfs actief een vroege poging. Hij vond dat “elk leven van binnenuit bekeken een reeks nederlagen zou zijn die te vernederend en te schandelijk zijn om over na te denken”. En toch is de postume behandeling die hij kreeg van zijn biografen en tekstbezorgers werkelijk bewonderenswaardig – denk in het bijzonder aan het werk van Bernard Crick en Peter Davison, wier boeken toonbeelden zijn van kritische intelligentie en geleerdheid.

John Henry Newman zei: “Het is altijd een lievelingsgedachte van me geweest (tenzij het, eerder dan een lievelingsgedachte, een waarheid is als een koe,) dat het leven van een man is te vinden in zijn brieven.” Deze selectie van Orwells correspondentie bevestigt Newmans observatie geheel en al – een observatie die overigens soms ook niet geldig is voor andere briefschrijvers, en vooral niet voor ‘letterkundigen’ die de neiging hebben om hun toon aan te passen aan de oren van degenen tot wie ze zich richten. Maar Orwell is altijd zichzelf en spreekt slechts met één stem: afstandelijk, zelfs tegenover oude vrienden; genereus tegenover volslagen vreemden; en hij behandelt iedereen met dezelfde oprechtheid. Het is zoals de directeur van de Indiase BBC-dienst (waarvoor Orwell tijdens de Tweede Wereldoorlog uitzendingen verzorgde) schreef: “Hij is open en eerlijk, niet in staat tot uitvluchten, en hij zou in vroeger tijden heilig zijn verklaard of op de brandstapel zijn beland! Beide lotgevallen zou hij met stoïcijnse moed hebben doorstaan.”

De brieven illustreren zijn voornaamste bekommernissen, interesses en hartstochten; ze belichten ook enkele opvallende aspecten van zijn persoonlijkheid.

Politiek

Orwells oude schoolvriend Cyril Connolly schreef ooit iets over Orwell dat heel beroemd is geworden: “Orwell was een politiek dier. Hij reduceerde alles tot politiek… Hij kon zijn neus niet snuiten zonder te gaan moraliseren over de toestanden in de zakdoek-industrie.” Deze opmerking is niet geheel onzinnig, maar kan ook heel misleidend zijn. Eileen, zijn vrouw – waarschijnlijk de enige persoon die hem ooit echt diepgaand heeft gekend, omdat ze er zowel in slaagde van hem te houden als met hem samen te leven (terwijl ze zelf absoluut niet iemand was om mee te sollen), had een veel scherpere kijk op de zaak. Ze zei dat Orwell gelukkig zou zijn geweest als hij op het platteland had gewoond (hij had een hekel aan het moderne stadsleven en verafschuwde Londen), zijn moestuin had mogen onderhouden en romans had kunnen schrijven. Orwell zelf zei herhaaldelijk bijna hetzelfde – en hij bewees het tijdens de laatste jaren van zijn leven toen hij zich vestigde op zijn geliefde eiland Jura (dat heel ontoegankelijk was). Hij had het al eerder verwoord in een vroeg gedicht (1935) – Orwells gedichten zijn misschien niet geweldig, maar ze brengen wel steeds zijn diepste gevoelens tot uitdrukking:

‘k Had een blije predikant kunnen zijn,
Tweehonderd jaar geleden,
Om te preken over ‘t hellevuur,
Terwijl mijn walnoot groeit;
Maar ach, geboren in een boze tijd
Heb ik dat toevluchtsoord gemist…

Orwell noemde zichzelf ooit half schertsend – maar slechts half – een ‘Tory Anarchist’ [conservatieve anarchist, AS]. En inderdaad, na zijn eerste ervaringen als jongeman bij de koloniale politie in Birma [het tegenwoordige Myanmar, AS], was de enige overtuiging die hij eraan overhield dat hij een hekel had aan imperialisme en alle vormen van politieke onderdrukking; elke autoriteit leek hem verdacht, en zelfs schreef hij: “reeds succes leek mij een vorm van intimidatie”. Nadat hij zich verdiept had in de omstandigheden van arbeiders in de industriegebieden van Noord-Engeland tijdens de crisis in de jaren dertig, ontwikkelde hij een brede, niet-partijgebonden toewijding aan het ‘socialisme’: “socialisme betekent rechtvaardigheid en vrijheid als de onzin ervan af wordt gehaald.” Het beslissende keerpunt in zijn politieke bewustwording vond plaats in Spanje, waar hij zich vrijwillig had aangemeld voor de strijd tegen het fascisme. Eerst werd hij bijna gedood door een fascistische kogel en daarna ontsnapte hij er ternauwernood aan te worden vermoord door de stalinistische geheime politie:

“Wat ik in Spanje zag, en wat ik sindsdien heb gezien van de manier waarop linkse politieke partijen intern functioneren, heeft afschuw van het politieke bedrijf in mij opgewekt… Ik ben absoluut ‘links’, maar ik geloof dat een schrijver alleen eerlijk kan blijven als hij zich verre houdt van enige partij-binding.” [Nadruk SL]

Vanaf dat moment was hij van mening dat het de voornaamste plicht was van een socialist om het totalitarisme te bestrijden, wat in de praktijk betekende: “de afbraak van de sovjetmythe, want er is niet veel verschil tussen fascisme en stalinisme.” Voor zover ze over politiek gaan, richten Orwells brieven zich op de strijd tegen het totalitaire streven. Hierbij zijn de drie meest opvallende kenmerken van Orwells houding zijn intuïtieve begrip van de concrete werkelijkheid, zijn ondogmatische benadering van politiek (samengaand met een diep wantrouwen jegens linkse intellectuelen) en zijn besef dat menselijkheid altijd op de eerste plaats komt. Hij meende zelf dat dit de bron was van zijn vasthoudendheid:

“Als ik meen dat mensen zoals wij de situatie beter begrijpen dan zogenaamde experts, ligt dat niet in ons vermogen om bepaalde gebeurtenissen juist te voorspellen, maar in het vermogen om te begrijpen in wat voor wereld we eigenlijk leven.”

Dit griezelige vermogen kreeg zijn meest welsprekende bevestiging toen sovjetdissidenten die Animal Farm in het Russisch wilden vertalen (voor clandestiene verspreiding achter het IJzeren Gordijn) hem om toestemming voor die vertaling vroegen: ze schreven in het Russisch in de veronderstelling dat een schrijver die zo’n verfijnd en grondig begrip had van de sovjetrealiteit – in scherpe tegenstelling tot de treurige onwetendheid van de meeste westerse intellectuelen – natuurlijk vloeiend Russisch moest spreken!

Ondogmatische benadering: in een brief aan een oude schoolvriendin (1 januari 1938) schreef Eileen dat ze hun hondje ‘Marx’ hadden genoemd “om ons eraan te herinneren dat we Marx nooit hadden gelezen, en nu we af en toe wat van hem hebben gelezen, hebben we zo’n hekel aan de man gekregen dat we de hond niet aan kunnen kijken als we met hem praten”.

Orwells afkeer van al die “onwelriekende orthodoxietjes die strijden om onze ziel” verklaart ook zijn wantrouwen en minachting jegens intellectuelen. Deze houding had hij al heel lang, zoals hij in een brief van oktober 1938 memoreert:

“Wat me mateloos irriteert aan linkse mensen, vooral de intellectuelen, is hun volslagen onwetendheid over de manier waarop dingen in de praktijk gebeuren. Dit viel me altijd al op toen ik in Birma was en anti-imperialistische teksten las.”

De koloniale ervaring leerde Orwell het imperialisme te haten, maar zorgde er ook voor dat hij (net als de hoofdpersoon in een Kipling-verhaal) respect kreeg voor “mannen die dingen doen”. “Intellectuelen deprimeren me vreselijk” is een ander thema dat vaak voorkomt in de Life of Letters. “Intellectuelen zijn vaker totalitair”; “… het gevaar is dat bepaalde inheemse vormen van totalitarisme hier ontwikkeld zullen worden, en mensen als Laski, Pratt, Zilliacus, The News Chronicle en al die anderen lijken me daartoe slechts voorbereidingen te treffen.” Was de situatie in Londen al deprimerend, in Parijs (dat hij in 1945 bezocht) was het ronduit somber: “Sartre is een grote windbuil”; “Franse uitgevers krijgen nu van Aragon [beroemd schrijver en vooraanstaand lid van de Communistische Partij, SL] en anderen commando’s om geen ongewenste boeken uit te geven.” Zijn eigen Animal Farm werd in negen talen vertaald, maar “het moeilijkst te regelen was die in het Frans. Eén uitgever tekende een contract en zei vervolgens dat het toch ‘niet mogelijk was om politieke redenen’.” “In Frankrijk kreeg ik de indruk dat bijna niemand meer iets geeft om persvrijheid, enz. De bezetting leek me een vreselijk neerdrukkend effect op de mensen te hebben gehad of misschien was er al jaren voor de oorlog een soort intellectuele decadentie ingetreden.” (Maar hij voegde eraan toe: “Het vreemde is dat er bij al dit morele verval in de afgelopen tien jaar of zo, zich veel meer literair talent in Frankrijk heeft voorgedaan dan in Engeland, of waar dan ook, moet ik misschien zeggen.”) Helaas heeft hij toen Camus niet ontmoet, wat hij betreurde. Deze twee mannen zouden zeker een gemeenschappelijke taal hebben kunnen vinden. In een brief van mei 1948 lanceerde hij een welgemikte aanval op Emmanuel Mounier en diens schare christelijke fellow-travellers: “Het is grappig dat toen ik Mounier in 1945 een minuut of tien sprak, ik bij mezelf dacht: deze man is een fellow-traveller; ik kan ze ruiken.” (En – als ik hier mag inbreken met een persoonlijke ervaring – wat ken ik ze zelf ook goed! Al mijn in duisternis verzonken medegelovigen, randdebiele geestelijken en andere maoïstische verdwaasden die twintig jaar later het evangelie van de Chinese ‘Culturele Revolutie’ zouden verkondigen…)

Nog één opmerking over Orwells politieke opvattingen: uiteindelijk lijkt Orwell in wezen te zijn teruggekeerd naar zijn oorspronkelijke positie van ‘Tory Anarchist’. In een brief aan Malcolm Muggeridge (4 december 1948 – de brief kwam pas heel laat boven water, en die staat helaas niet in Davison’s editie van de Collected Works, en evenmin in de Life in Letters; de brief werd afgedrukt in de Times Literary Supplement toen de Collected Works verschenen) staat een uitspraak die mij van fundamenteel belang lijkt: “De echte scheidslijn ligt niet tussen conservatieven en revolutionairen, maar tussen autoritairen en libertariërs [hier op te vatten als enigszins naar het anarchisme neigende vrijheidslievenden, AS].”

De menselijke factor

Zelfs in het heetst van de strijd, en juist omdat hij ideologie wantrouwde – ideologie doodt – bleef Orwell zich er altijd scherp van bewust dat de individuele mens zonder meer belangrijker is dan al die ‘onwelriekende orthodoxietjes’. Zijn briefwisseling (en daaropvolgende vriendschap) met Stephen Spender is hier een prachtig voorbeeld van. Orwell had Spender eerder belachelijk gemaakt (“parlour bolshevik” [babbelbolsjewiek, AS], “pansy poet” [viooltjesdichter, AS]); vervolgens kwamen ze elkaar tegen: de ontmoeting was eigenlijk heel prettig, wat Spender verbaasde, die Orwell hierover aansprak. Orwell, die daarna met Spender bevriend raakte, antwoordde:

“Je vraagt hoe het komt dat ik je aanviel zonder je ontmoet te hebben, & vervolgens weer van gedachten veranderde na je ontmoet te hebben…. [Daaraan voorafgaand, SL] was ik bereid jou te gebruiken als symbool van de ‘babbelbolsjewiek’, omdat a. jouw verzen … mij niet zo veel deden, b. ik jou zag als het modieuze geslaagde type, tevens een communist of communistische sympathisant, & ik erg vijandig sta tegenover de C.P. [communistische partij, AS] sinds ongeveer 1935, en c. juist omdat ik je niet ontmoet had, ik je kon zien als een type en zelfs als een abstractie. Ook als ik je, toen ik je eenmaal ontmoette, niet aardig had gevonden, had ik mijn houding moeten veranderen, want als je iemand in levenden lijve ontmoet, besef je onmiddellijk dat hij een mens is en niet een soort karikatuur die bepaalde ideeën belichaamt. Het is deels om deze reden dat ik niet veel in literaire kringen verkeer, omdat ik uit ervaring weet dat als ik eenmaal iemand heb ontmoet en met hem heb gesproken, ik nooit meer in staat zal zijn om enig intellectueel geweld jegens hem te gebruiken, zelfs als ik het gevoel heb dat ik dat zou moeten doen, zoals jegens die Labour M.P.s [linkse parlementsleden, AS] die een schouderklopje krijgen van de hertog, en voor altijd verloren zijn.”

Wat onmiddellijk doet denken aan een opmerkelijke passage uit Hommage to Catalonia: Orwell beschreef daarin hoe hij, vechtend aan het front tijdens de Spaanse burgeroorlog, een man uit een vijandelijke loopgraaf zag springen, half ontkleed en met beide handen zijn broek vasthoudend terwijl hij wegrende:

“Ik schoot toen niet, mede door die omhoog gehouden broek. Ik was hier gekomen om op ‘fascisten’ te schieten; maar een man die zijn broek omhoog houdt is geen ‘fascist’, hij is zichtbaar een medemens, vergelijkbaar met jezelf, en je kunt het daarom niet opbrengen om op hem te schieten.”

Literatuur

In een overigens stimulerend essay schreef Irving Howe: “Het laatste waar Orwell om gaf toen hij Nineteen Eighty-Four schreef, het laatste waar hij om had moeten geven, was literatuur.” Deze opvatting zit er totaal naast. Wat het schrijven van Nineteen Eighty-Four tot zo’n slopende worsteling maakte (waarvan de Life of Letters overvloedig bewijs leveren) was juist het probleem om een politieke visie om te zetten in “een kunstwerk”. (Denk aan Why I Write: “Ik zou het werk van het schrijven van een boek of zelfs een lang tijdschriftartikel niet kunnen doen als het niet ook een esthetische ervaring was.”) Als Nineteen Eighty-Four uiteindelijk niet volledig kon voldoen aan Orwells veeleisende literaire normen, dan was dat alleen maar omdat hij onder onmogelijke omstandigheden moest werken: hij stond onder tijdsdruk en was door een dodelijke ziekte invalide geworden. Dat hij in deze toestand uiteindelijk zo’n ambitieus werk kon voltooien, was op zichzelf al een verbazingwekkende prestatie.

Vanaf het allereerste begin was literatuur altijd Orwells eerste zorg. Dit is voortdurend zichtbaar in zijn correspondentie: sinds zijn vroege jeugd “wist ik altijd al dat ik wilde schrijven”. Deze uitspraak wordt in verschillende vormen herhaald, door de jaren heen, tot aan het einde. Maar het kostte hem veel tijd (en ongelooflijk hard werken) om te ontdekken wat hij moest schrijven en hoe hij het moest schrijven. (Zijn eerste literaire poging was een lang gedicht dat uiteindelijk werd weggegooid.) Het schrijven van romans werd zijn hartstochtelijke streven – en een ellendige beproeving: “Het schrijven van een roman is een kwelling.” Uiteindelijk concludeerde hij (volgens sommigen terecht): “Ik ben geen echte romanschrijver.” En toch zei hij nog kort voor zijn dood opgewonden tegen zijn vriend en uitgever Fredric Warburg: “Ik heb een prachtig idee voor een heel korte roman.”

Zoals uit Life in Letters blijkt, kwam hij tot een loepzuivere beoordeling van zijn eigen werk. Onder zijn vier ‘conventionele’ romans behield hij een zekere voorliefde voor Burmese Days, dat in zijn ogen trouw bleef aan zijn Birmese herinneringen. Hij voelde zich “beschaamd” over Keep the Aspidistra Flying en, nog erger, over A Clergyman’s Daughter en wilde niet toestaan dat ze werden herdrukt: “Ze zijn geschreven … voor geld … Op dat moment had ik simpelweg geen boek in me, maar ik was half uitgehongerd.” Hij was terecht blij met Coming Up for Air, met relatief gemak in één ruk geschreven, en het is inderdaad een zeer opmerkelijk boek – over een verkoper van verzekeringen die ontdekt dat de plaatsen die hij als jongen kende, zijn kapot gemaakt – en het is heel vooruitziend, in het licht van de huidige zorg om het milieu. Onder de boeken die het waard zijn om herdrukt te worden noemde hij (in 1946 – Nineteen Eighty-Four was nog niet geschreven) als de voornaamste, en in volgorde van belangrijkheid: Hommage to Catalonia; Animal Farm; Critical Essays; Down and Out in Paris and London; Burmese Days; Coming Up for Air.

De gewone man

De buitengewoon grote moeite die Orwell deed bij zijn vergeefse pogingen om van zichzelf een gewone man te maken, wordt goed geïllustreerd door de episode van de kruidenierszaak in Wallington, waarover Life in Letters kleurrijke informatie verschaft. In april 1936 begon Orwell met het huren en drijven van een dorpskruidenierswinkeltje dat gevestigd was in een oud, donker en sjofel optrekje – ongezond en verstoken van alle basisvoorzieningen (geen binnen-toilet, geen kookgelegenheid, geen elektriciteit – alleen olielampen als verlichting). Op regenachtige dagen stond de keukenvloer onder water; verstopte afvoeren maakten van de hele plek een stinkende beerput. Davison concludeert: “Je kunt zonder spot zeggen dat het Orwell op het lijf geschreven was.” En het paste vooral bij Eileen, zijn fantastische Orwelliaanse vrouw. Ze kwam bij hem inwonen op de dag van hun huwelijk, in 1936, en de manier waarop ze dit onwaarschijnlijke huis beheerde getuigt zowel van haar onverschrokkenheid als van haar excentrieke gevoel voor humor. De inkomsten uit de winkel dekten bijna nooit de huur van het huisje. De belangrijkste klanten waren kleine kinderen uit de buurt die na schooltijd voor een paar centen lolly’s kochten. Aan het eind van het jaar ging de kruidenierswinkel failliet, maar op dat moment had het zijn ware bestemming al bereikt: Orwell was toen in Barcelona als vrijwilliger om te vechten tegen het fascisme, en toen hij zich aanmeldde bij de anarchistische militie, kon hij trots tekenen met: “Eric Blair, kruidenier”.

Eerlijkheid

Orwells gevoel voor eerlijkheid was zo zuiver dat het zelfs Stalin betrof. Toen Animal Farm op het punt stond gedrukt te worden, stuurde Orwell op het allerlaatste moment nog een correctie die net op tijd werd uitgevoerd. (Zoals alle lezers zich zullen herinneren, is “Napoleon” de naam van het zwijn dat de baas is, en dat in Orwells fabel Stalin voorstelt).

“In hoofdstuk VIII, als de windmolen wordt opgeblazen, schreef ik: ‘alle dieren inclusief Napoleon stortten zich met hun gezicht ter aarde.’ Ik zou het willen veranderen in ‘alle dieren behalve Napoleon.’ Ik bedacht zojuist dat deze aanpassing recht zou doen aan Stalin omdat hij in Moskou bleef tijdens de opmars van de Duitsers.”

Armoede en slechte gezondheid

Orwell was verregaand stoïcijns en klaagde nooit over materiële en fysieke omstandigheden, hoe schrijnend die vaak ook waren. Maar uit de informatie in de brieven wordt duidelijk dat zijn materiële onzekerheid (die soms de vorm van extreme armoede aannam) pas drie jaar voor zijn dood ophield, toen hij zijn eerste royalty’s voor Animal Farm ontving, en dat terwijl zijn gezondheid vrijwel vanaf zijn terugkeer uit Birma op vijfentwintigjarige leeftijd, een ernstig en blijvend probleem werd (ongediagnosticeerde tuberculose). In latere jaren had hij frequente, langdurige en vaak pijnlijke behandelingen nodig in verschillende ziekenhuizen. De laatste twaalf jaar van zijn korte leven (hij stierf op zesenveertigjarige leeftijd in 1950) was hij in feite invalide, maar hij stond er toch op om het grootste deel van de tijd door te gaan met zijn normale activiteiten.

Zijn hele schrijverscarrière duurde maar zestien jaar. De hoeveelheid en de kwaliteit van het werk dat hij in deze relatief korte tijdspanne produceerde zou zelfs voor een gezonde man met vrije tijd opmerkelijk zijn; dat hij het voor elkaar kreeg in de afschuwelijke toestand van permanente slechte gezondheid en armoede is gewoonweg verbijsterend.

Vrouwen

In zijn relaties met vrouwen lijkt Orwell over het algemeen onhandig en onbeholpen te zijn geweest. Hij werd gemakkelijk door hen aangetrokken, terwijl zij hem zelden aantrekkelijk vonden. Toch vond hij door een wonderbaarlijk geluk in Eileen O’Shaughnessy een vrouw die niet alleen in staat was om hem heel goed te begrijpen, maar ook om echt van hem te houden en zijn buitenissigheden te verdragen, zonder ook maar iets van haar eigen originaliteit op te geven – een originaliteit die nog steeds in al haar brieven doorschemert. Als Orwell aan een kant een mislukte dichter was, dan was Eileen van haar kant pure poëzie.

Na haar vroegtijdige dood in 1945 was Orwell lange tijd uit het veld geslagen en ellendig. Een jaar later benaderde hij abrupt een getalenteerde jonge vrouw die hij nauwelijks kende (ze woonden in hetzelfde gebouw). En met een zelfmedelijden dat totaal niet paste bij zo’n trotse man, en ook  overigens pijnlijk uit de toon viel, schreef hij haar hoe ziek hij was en bood hij haar aan om “de weduwe van een literator te worden”.

“Ik besef heel goed dat ik niet geschikt ben voor iemand als jij, die jong en knap is…. Het is alleen dat ik me zo wanhopig alleen voel… Ik heb … geen vrouw die interesse in me heeft en me kan aanmoedigen… Natuurlijk is het absurd dat iemand zoals ik wil vrijen met iemand van jouw leeftijd. Ik zou het wel willen, maar … ik zou niet beledigd of zelfs gekwetst zijn als je gewoon nee zegt …”

De vrouw was verbijsterd en ontmoedigde hem beleefd.

Enkele jaren daarvoor maakte hij ook al een ongelukkige en ongewenste toenadering tot een andere vrouw; deze episode wordt door de tekstbezorger met beschamende precisie gedocumenteerd – waarbij lezers zich misschien Orwells afkeer van het concept ‘biografie’ zouden kunnen herinneren. Hebben biografen, hoe serieus en nauwgezet ook, echt het recht of de noodzaak om zulke intieme details te onderzoeken en openbaar te maken? Toch lezen we ze. Is het juist dat we dat doen? Deze vragen zijn niet retorisch bedoeld. Ik weet het antwoord eerlijk gezegd niet.

Vaste objecten en stukjes nutteloze informatie – bomen, vissen, vlinders en padden

Orwell schreef in Why I Write “plezier te beleven aan vaste objecten en flarden nutteloze informatie”. In zijn beroemde stuk Some Thoughts on the Common Toad voegde hij daar aan toe:

“Als een mens niet kan genieten van de terugkeer van de lente, waarom zou hij dan gelukkig worden in een vrijetijds-utopia? Ik denk dat je een vreedzame en fatsoenlijke toekomst een beetje waarschijnlijker maakt door je jeugdliefde voor dingen als bomen, vissen, vlinders en – om tot mijn eerste voorbeeld terug te keren – padden te behouden.”

Zijn sympathieke en eigenzinnige smaak, zijn onuitputtelijke en liefdevolle aandacht voor alle aspecten van de wereld van de natuur, duiken voortdurend op in zijn correspondentie. De brieven staan ​​vol met ontwapenende non sequiturs [het één volgt niet uit het ander, AS]: hij onderbreekt bijvoorbeeld enkele overpeinzingen over de Spaanse Inquisitie om te wijzen op het dagelijkse bezoek van een egel aan zijn badkamer. Terwijl hij in 1939 buitenshuis is, schrijft hij een brief aan de vriend die voor zijn huis zorgt: zijn zorgen over de dreigende oorlog maken zonder overgang plaats voor interesse in zijn groentetuin en de bevruchting van zijn geit:

“Ik hoop dat het dekken van Muriel is doorgegaan. Het is trouwens een weinig verheffend schouwspel, mocht je het toevallig hebben gezien. Ik ben benieuwd: is mijn rabarber opgekomen? Ik had er heel veel van, maar vorig jaar heeft de vorst het verpest.”

Aan een anarchistische vriend (die hoogleraar Engels is geworden aan een Canadese universiteit) schrijft hij vanuit zijn Schotse toevluchtsoord een hele pagina, waarin hij tot in detail alle aspecten van het leven en werk van de plaatselijke pachters beschrijft. Opnieuw blijkt hieruit de permanente en onuitputtelijke belangstelling voor ‘mensen die dingen doen’ in de echte wereld.

Het einde

Terwijl hij al in het ziekenhuis lag, trouwde hij drie maanden voor zijn dood met Sonia Brownell. Destijds koesterde hij nog de illusie dat hij een paar jaar te leven had en hij nam zich voor het jaar daarop een boek met essays te schrijven, waarin ook een lang essay over Joseph Conrad zou staan ​​(mocht het ooit geschreven zijn, dan is het nu verloren gegaan). Hij zei ook dat hij nog twee boeken in gedachten had, naast een “verbluffend idee voor een heel kort verhaal”.

Hij begon plannen te maken om een ​​varken, beter gezegd een zeug, te houden in zijn Schotse kluizenaarswoning op de Hebriden. Zoals hij zijn zus, die er toezicht op hield, schreef:

“Het enige probleem is om haar eenmaal per jaar bij een beer [mannetjesvarken, AS] in de buurt te krijgen. Ik neem aan dat je in de herfst een drachtige zeug kunt kopen om die rond maart te laten werpen, maar je moet er wel heel zeker van zijn dat ze echt de eerste keer zwanger is.”

Toen hij stierf, stond in zijn ziekenhuiskamer, vlak voor hem tegen de muur, een prachtige nieuwe hengel, een luxe die hij zichzelf had toegestaan toen hij de eerste royalty’s van Nineteen Eighty-Four ontving. Hij heeft nooit de kans gehad om er gebruik van te maken.

Zijn allereerste liefde die terugging tot zijn adolescentie en jeugd – ze was nu een vrouw van middelbare leeftijd – schreef hem onverwachts in het ziekenhuis, na een verwijdering en een stilzwijgen van ongeveer zevenentwintig jaar. Hij was verrast en dolblij, en hij hervatte de correspondentie. In zijn laatste brief aan haar trok hij de conclusie dat hij, hoewel hij slechts in staat was maar heel vaagjes te geloven in een soort hiernamaals, hij één zekerheid had: “Niets zal ooit sterven.”

Chesterton: de dichter die danst met wel honderd benen – Simon Leys

Ten geleide
In 1997 hield de Belgische sinoloog en intellectueel Pierre Ryckmans (1935-2014) die beroemd is geworden onder het pseudoniem Simon Leys, een voordracht voor de Chesterton Society of Western Australia in Perth. Het onderwerp was de Engelse schrijver en journalist Gilbert Keith Chesterton (1874-1936), en de vertaling van die voordracht volgt na deze korte inleiding.

Een paar woorden over de de man die de voordracht hield. Het bekendste werk van Simon Leys zijn essays die een démasqué van het Chinese communisme behelzen: Les habits neufs du président Mao (De nieuwe kleren van Voorzitter Mao), in 1971, en Ombres Chinoises (Chinese schimmen), in 1974.

Leys gaf met zijn boek Chinese schimmen een krachtige impuls aan wat bekend staat als ‘Het China-debat’, een debat over de waarde van de maoïstische revolutie voor China en de wereld, waaraan in Nederland onder anderen W.F. WertheimRudy KousbroekRenate RubinsteinAnja Meulenbelt en Martin van Amerongen meededen. Hij schreef zijn enige roman La mort de Napoléon (De dood van Napoleon) in 1986. Hij publiceerde de door hem vertaalde Analects of Confucius (Uitspraken van Confucius) in 1997. Zijn mooiste en veelzijdigste essaybundel is misschien wel zijn laatste: The Hall of Uselessness, uit 2011. Hij was een bewonderaar van G.K. ChestertonEmile CioranC.S. Lewis en George Orwell. Hij ontving belangrijke prijzen in het Franse en Engelse taalgebied.

Pierre Ryckmans I (door: Mathew Lynn)

Simon Leys was een geleerde, een essayist, een humoristisch schrijver, een romanschrijver, een kalligraaf, een vertaler, een literair criticus, een illustrator, een cartoonist. Hij was katholiek, maar geen kwezel. Hij had een Taiwanese vrouw en was vader van vier kinderen. Hij woonde en werkte van 1970 tot zijn dood in Australië.

Hij was oomzegger en naamgenoot van Pierre Ryckmans (1891-1959) die “de beste gouverneur-generaal [was] die Belgisch Congo ooit heeft gekend”, zoals David Van Reybrouck schreef in het boek Congo.

De voordracht
Het onderwerp van de voordracht was een schrijver die Simon Leys bewonderde: Gilbert Keith Chesterton (1874-1936). De beste introductie tot dit onderwerp is de voordracht zelf.

Aardig om te vermelden is nog dat er in 2024 bij KokBoekencentrum Uitgevers een bundel met de beste essays van Chesterton is uitgegeven – De kracht van verwondering – waarvoor ik een paar poëziefragmenten heb vertaald. Ook het boek Orthodoxie is niet lang geleden opnieuw door KokBoekencentrum uitgebracht in vertaling. Het bekendste boek van Chesterton uit 1908 is The Man who was Thursday – De man die Donderdag was.

De oorspronkelijke Engelse tekst van de voordracht – Chesterton, The Poet Who Dances with a Hundred Legs – is te vinden in Simon Leys, The Hall of Uselessness: Collected Essays, New York: The New York Review of Books 2011, p.100-113.

En hier kunt u desgewenst de tekst online in het Engels lezen.

Dan nu de voordracht waar het om gaat.

Chesterton: de dichter die danst met wel honderd benen

Idealiter zou de titel van een openbare lezing of een boek een definitie of aanduiding moeten zijn van de zaak die behandeld wordt. Laat me daarom eerst kort de keuze van deze bijzondere titel toelichten.

Allereerst Chesterton de dichter: Chesterton zei ooit dat hij Bernard Shaw ervan verdacht de enige man te zijn die nog nooit een gedicht had geschreven. We zouden Chesterton er heel goed van kunnen verdenken dat hij nooit iets anders heeft geschreven.

Maar wat is poëzie? Poëzie is niet alleen een literaire vorm die bestaat uit ritmische en rijmende regels – hoewel Chesterton die ook veel schreef (en wel zo dat ze je bijblijven). Poëzie is iets veel wezenlijkers. Poëzie is de manier om je de werkelijkheid toe te eigenen – het inventariseren van de zichtbare wereld – het geven van namen aan alle wezens – het benoemen van wat is. Zo stond voor Chesterton een van de grootste gedichten die ooit zijn geschreven in Robinson Crusoe – het was simpelweg de lijst van dingen die Robinson uit het wrak van zijn schip wist te redden: twee geweren, een bijl, drie kapmessen, een zaag, drie Nederlandse kazen, vijf stukken gedroogd geitenvlees… De dichtkunst is onze levende verbinding met de buitenwereld – de reddingslijn waarvan onze overleving afhangt – en daarom kan in sommige omstandigheden poëzie ook de laatste toevlucht zijn voor onze geestelijke gezondheid.

Een van de vele storende misverstanden over Chesterton is de voorstelling die we van hem hebben als een grote, goedaardige, vrolijke kerel, iemand die altijd onbekommerd lacht, een man die leefde zonder weet te hebben van de nachtzijde van het menselijk bestaan, een man die veilig en sereen vastgeklonken zat aan zonnige zekerheden, een man die al onze benauwenissen en twijfels en angsten bespaard is gebleven; een man uit een heel andere tijd misschien, iemand die nauwelijks enig besef had van de verschrikkingen en gruwelen die de onze kenmerken. Aan het eind van deze afschuwelijke twintigste eeuw – misschien wel de meest wrede en onmenselijke periode in de hele geschiedenis – kunnen we ons afvragen: is Chesterton met zijn eeuwige en onverstoorbare opgewektheid niet een soort monument uit een ander tijdperk, zo niet uit een andere beschaving? Moet hij bij de moderne lezer niet de indruk wekken van een vertederend maar irrelevant anachronisme? Want wij zijn per slot van rekening de nazaten van Kafka: hoe zou Chesterton dan van betekenis kunnen zijn voor onze angsten?

Feit is echter dat Kafka zelf in Chesterton een spiegel vond voor zijn eigen angsten. Uit het getuigenis van zijn jonge vriend en bewonderaar Gustav Janouch, weten we dat hij vooral bewondering had voor The Man who was Thursday (wat inderdaad Chestertons meest geslaagde en tot de verbeelding sprekende werk is). Over dit boek moet nog worden opgemerkt dat Chesterton zelf betreurde dat de meeste lezers de volledige titel nooit konden onthouden: The Man who was Thursday: A NIGHTMARE. Maar dit laatste woord ontsnapte zeker niet aan de aandacht van Kafka.

Toen Chesterton nog een luie en dromerige jongeman was die een halfslachtige keus had gemaakt voor de kunstacademie, werd hij overweldigd door een enorme crisis. Hij doorleefde een angstaanjagende confrontatie met het kwaad – het kwaad, niet als dreiging van buitenaf, maar als een aanwezigheid in de geest, een spirituele werkelijkheid die uit zijn eigen innerlijk voortkwam. Op dat moment daagde intuïtief het besef van de centrale paradox die hem zijn leven lang zou bezig houden en die hij uiteindelijk tegen het einde van zijn carrière zou samenvatten in zijn meesterlijke boek over Thomas van Aquino: het oude platonische geloof dat materie slecht is en immateriële geesten goed, werd door het christendom omgekeerd. In feite is het tegenovergestelde waar: toen God de wereld had geschapen, bekeek hij alle dingen en zag dat ze goed waren:

“Er zijn geen slechte dingen; er is alleen een slecht gebruik van dingen. Er zijn geen slechte dingen, maar alleen – zo u wilt – slechte gedachten en vooral slechte bedoelingen. Maar het is mogelijk om slechte bedoelingen te hebben met betrekking tot goede dingen; en goede dingen, zoals de wereld en de lichamelijkheid, worden misvormd door de slechte bedoeling die duivel wordt genoemd. Maar de duivel kan de dingen niet slecht maken: ze blijven zoals ze waren op de eerste scheppingsdag. Het werk van de hemel is louter materieel – de totstandkoming van een materiële wereld. Het werk van de hel is volledig spiritueel.”

Als jongeman vreesde Chesterton een poos dat hij opgesloten zou kunnen raken in de spirituele hel van zijn eigen hyperactieve geest – en behoorlijk lang balanceerde hij letterlijk op de rand van de waanzin.

In deze situatie was het ten slotte de poëzie die hem geestelijk op de been hield. Want de gave van de dichter (en dat is ook de gave van het kind) is het vermogen om contact te maken met de echte wereld – om met verrukte aandacht naar de dingen te kijken. Zowel de dichter als het kind zijn gezegend met wat Chesterton “het mystieke minimum” noemde: het besef dat dingen zijn – punt. “Als een ding niet iets anders is, is dat goed; het is – en dat is goed.”

Het is trouwens interessant om te noteren dat aan de andere kant van de wereld, duizend jaar geleden, de grote mystici van China en Japan (die Chesterton nooit gekend heeft) tot precies hetzelfde inzicht waren gekomen. Ik heb het hier over de meesters van het Zenboeddhisme, die slechts onderwijs gaven met behulp van gedichten, schilderijen, paradoxen, grappen en raadsels. In een klassieke anekdote vraagt een jonge leerling bijvoorbeeld aan een oude monnik: “Wat is de Boeddha?” De meester antwoordt: “De Boeddha is een kool van twee pond op de groentemarkt in Chaozhou”. De les is: houd vast aan de werkelijkheid; als je slechts één fragment van de werkelijkheid, hoe nederig ook, volledig kunt bevatten in z’n onherleidbare concreetheid en bijzonderheid, raak je de bodem van de waarheid en kun je van daaruit verlossing bereiken. Houd je vast aan de werkelijkheid – net zoals Robinson Crusoe om te overleven vasthield aan de dingen die hij uit het wrak van zijn schip had gered. “Twee geweren, een bijl, drie kapmessen, een zaag, drie Hollandse kazen…”.

Ten tweede: ik zei dat Chesterton niet alleen dichter is – ik zei dat hij “een dichter is die danst met wel honderd benen”. De uitdrukking is in feite geleend van Chesterton zelf: hij gebruikte het in een interview om het meest bijzondere personage te beschrijven dat hij ooit had gecreëerd: Sunday, de raadselachtige reus met twee gezichten – enorm groot, uitbundig, ongrijpbaar, de man die aan alle touwtjes trekt in de sublieme metafysische fabel The Man who was Thursday. Hij schreef het boek toen hij amper dertig was, maar vreemd genoeg ging hij twintig jaar later zelf fysiek op Sunday lijken – zoals verschillende vrienden en bezoekers opmerkten. Zie bijvoorbeeld een brief van Valéry Larbaud aan Paul Claudel waarin hij verslag deed van een bezoek aan Beaconsfield – of de liefkozende beschrijving die Bernard Shaw van zijn oude gesprekspartner en vriend gaf: “Een berg-van-een-man, niet alleen zo reusachtig van lichaam en geest dat het alle perken te buiten gaat, maar iemand die nog alsmaar groter lijkt te worden als je naar hem kijkt”.

Maar het praktische probleem voor ons is het volgende: hoe schets je het portret van een man die met wel honderd benen danst? Hoe houd je zijn beeld scherp? Dit is een onmogelijke taak – en neem het me daarom niet kwalijk als u vindt dat mijn praatje hopeloos wijdlopig is. Maar uiteindelijk maakt dat misschien niet zoveel uit, want ik zal veel citaten uit Chestertons geschriften gebruiken, en deze citaten alleen al zouden je voldoende moeten stimuleren om zijn werk weer op te zoeken – wat kan ik nog meer wensen?

Ik moet bekennen dat toen ik hier werd uitgenodigd ik aanvankelijk terugschrok voor het idee om een Chesterton Society toe te spreken over het onderwerp Chesterton. Ik bezit geen bijzondere expertise over dit onderwerp. De grote uitgave van Chesterton’s Collected Works die nu in de Verenigde Staten wordt gepubliceerd, zal zo’n vijftig delen tellen: de helft daarvan is al verschenen, en van deze helft heb ik persoonlijk hooguit een vijfde gelezen (hoewel ik er met eindeloos plezier nog steeds in bezig ben). Zoals u ziet ben ik een hopeloze amateur. Maar vanuit Chestertoniaans oogpunt zou juist dit gebrek aan kwalificaties de allerbeste kwalificatie zijn. Chesterton heeft altijd speciale waarde gehecht aan het idee van de amateur, de persoon die nu juist geen professional is. In zijn Autobiography schetste hij een liefdevol portret van zijn vader die in onroerend goed handelde (het ouderlijke bedrijf is tegenwoordig nog steeds actief en als je in de straten van London of Sydney of Perth loopt, kun je nog steeds de naam Chesterton zien op huizen die te koop staan), maar thuis, voor het plezier van zijn kinderen, cultiveerde hij een breed scala aan talenten en hobby’s: tekenen, schilderen. fotografie, toverlantaarns, glas in lood:

Toen hij jong was, was er sprake van dat hij kunstenaar van beroep zou worden, maar het familiebedrijf bood duidelijk een veiliger bestaan, en zijn leven volgde de lijnen van een zekere voldaanheid, een niet al te hoog gegrepen behoedzaamheid. Hij droomde er nooit van om zijn beeldende talenten voor een commercieel doel in te zetten of om die ooit voor iets anders te gebruiken dan voor zijn eigen plezier en dat van ons. De ouderwetse Engelsman, zoals mijn vader was, verkocht huizen voor de kost maar hij vulde zijn eigen huis met het leven zelf. Voor ons (kinderen) leek hij inderdaad De Man met de Gouden Sleutel, de tovenaar die de poorten van elfenkastelen opende … maar al die tijd stond hij in de buitenwereld, en zelfs bij de buren, bekend als een heel betrouwbare en bekwame, zij het weinig ambitieuze zakenman. Het was een heel goede les in wat ook de uiteindelijke les in het leven is: bij alles wat er toe doet, is altijd de binnenkant veel groter dan de buitenkant. Over het geheel genomen ben ik blij dat hij nooit kunstenaar van beroep is geweest. Het had hem in de weg kunnen staan om amateur te worden. Het had zijn carrière kunnen bederven – zijn thuiscarrière. Hij had nooit een platvloers maatschappelijk succes kunnen boeken met al die duizenden dingen die hij zo succesvol deed.

De superioriteit van de amateur boven de professional is een belangrijk idee dat vaak tegenspraak oproept – vooral omdat het niet breed wordt gedragen in de westerse cultuur, waarin een gangbare opvatting luidt dat alleen de professional ernstig kan worden genomen, terwijl het perspectief van de amateur onmiskenbaar de geur heeft van frivoliteit (we zullen nog zien wat Chesterton te vertellen heeft over het onderwerp ernst versus frivoliteit). Voor mij heeft Chestertons standpunt in deze kwestie een bijzondere aantrekkingskracht, omdat deze precies samenvalt met een uitgangspunt van de klassieke Chinese esthetiek – een gebied dat mij al jaren interesseert. Dit uitgangspunt zou eigenlijk een diepe en universele weerklank moeten hebben; denk je maar eens in: je moet en je zal een heuse professional zijn als je toevallig makelaar bent of advocaat, doodgraver, accountant, tandarts enz. – maar je kunt jezelf bijvoorbeeld maar moeilijk een professioneel dichter noemen. Als je op een paspoort- of immigratieformulier bij de rubriek ‘Beroep’ zou invullen ‘Mens’ of ‘Levend wezen’ zou de onbeduidende bureaucraat achter zijn balie zich waarschijnlijk afvragen of je wel goed bij je hoofd bent.

Geen enkele activiteit die er echt toe doet kan louter beroepsmatig worden uitgeoefend; de opkomst van de beroepspoliticus betekent bijvoorbeeld het verval van de democratie – want in een echte democratie zou politiek het voorrecht en de plicht van elke burger moeten zijn. Als liefde professioneel wordt, is het prostitutie. Zelfs voor een bescheiden baan als straatveger of hondenvanger moet je een aantoonbare beroepsopleiding hebben, maar niemand zet een vraagteken bij je bekwaamheid als je echtgenoot of echtgenote, vader of moeder wilt worden – en toch zijn dit veeleisende beroepen van het hoogste belang die talenten vereisen die je bijna alleen bij genieën aantreft.

Buiten de beschrijving van zijn vader deed Chesterton nog veel meer uitspraken om de amateur te prijzen. Deze zijn terecht beroemd geworden, en sommige zelfs bijna spreekwoorden – bijvoorbeeld: ‘Als iets de moeite waard is om te doen, is het de moeite waard om het slecht te doen’. Of ook: ‘Zoals een slechte man toch een man is, zo is een slechte dichter toch een dichter’.

Hij bouwde de tegenstelling tussen de amateur en de professional verder uit tot een vergelijking tussen de universalist en de specialist, en hij paste het resulterende inzicht toe op een kwestie die hem altijd erg bezighield: de positie van de vrouw. Zo maakte hij duidelijk dat de man tot op zekere hoogte een specialist moet zijn – noodgedwongen beperkt hij zich tot eenzijdige beroepsuitoefening, omdat hij één ding goed genoeg moet doen om de kost te verdienen – terwijl de vrouw de ware universalist is: zij moet honderd dingen doen om haar huis in stand te houden en te beheren. De moderne mode om de bekrompenheid van huiselijkheid aan de kaak te stellen, wekte Chestertons ergernis op:

“Wanneer huiselijkheid ‘zich afsloven’ wordt genoemd, komt alle moeilijkheid voort uit een dubbele betekenis van het woord. Als ‘zich afsloven’ slechts akelig hard werken betekent, dan geef ik toe dat de vrouw zich thuis afslooft, zoals een man zich afslooft bij het bouwen van de kathedraal van Amiens, of zich afslooft achter een kanon bij Trafalgar.”

En dan gaat Chesterton verder met een overzicht van de verschillende taken binnen het huishouden die beurtelings, of tegelijkertijd, de talenten en het initiatief vereisen van een staatsman, een diplomaat, een econoom, een pedagoog, een filosoof – en hij concludeert:

“Ik kan begrijpen hoe dit alles de geest kan uitputten, maar ik kan me niet voorstellen hoe het de geest kan vernauwen. De functie van een vrouw die het huis bestiert is zwaar, maar alleen omdat die functie zo veelomvattend is, niet omdat die beperkt en onbeduidend zou zijn. Ik zou medelijden hebben met mevrouw Jones vanwege de omvang van haar taak, ik zou nooit medelijden met haar hebben omdat die taak zo gering zou zijn.”

Een eerste paradox waarvoor Chesterton ons vandaag stelt is het feit dat hij zowel in brede kring populair is als toch ook relatief miskend; op het hedendaagse intellectuele en literaire toneel lijkt hij tegelijkertijd aanwezig en afwezig.

Zijn aanwezigheid manifesteert zich op vele manieren. Allereerst op een oppervlakkig niveau – denk maar eens aan het grote aantal kwinkslagen die als spreekwoord zijn opgenomen in het alledaagse spraakgebruik – we treffen ze voortdurend aan als citaat in kranten en tijdschriften, we gebruiken ze voortdurend; soms zijn we ons er niet eens van bewust dat ze oorspronkelijk door hem zijn bedacht.

Zijn treffende beelden konden op hun beurt drogredenen ontkrachten en complexe principes levendig overbrengen. Zijn grappen waren onweerstaanbaar; hij kon razendsnel verrassende sluiproutes bedenken om de waarheid te bereiken. Zo antwoordde hij bijvoorbeeld op degenen die zeiden: ‘Goed of fout – mijn land’ met “Dronken of nuchter – mijn moeder”. Of opnieuw over democratie: “Democratie is als je neus snuiten: je doet het misschien niet goed, maar je moet het toch zelf doen.”

Op het moeilijke probleem van de erfzonde en de mens die zijn staat van onschuld verliest, wierp een van zijn opmerkingen een ongewoon, maar verhelderend licht:

“Als je een man ervan zou willen weerhouden zijn tiende whisky te drinken, zou je hem op de rug slaan en zeggen: ‘Wees een man’. Niemand die een krokodil ervan zou willen weerhouden zijn tiende ontdekkingsreiziger op te eten zou hem op de rug slaan en zeggen: ‘Wees een krokodil’.”

De barokke excentriciteit van dergelijke beelden leidde ertoe dat oppervlakkige critici de diepte en ernst van zijn denken over het hoofd zagen en dat hij er voortdurend van beschuldigd werd frivool te zijn. Maar wat is frivoliteit, wat is ernst? Chesterton legt het uit:

“Een man die zich alleen bezighoudt met wat welvoeglijk is, die alleen sterren koppelt aan engelen, of lammeren aan lentebloemen, zo iemand zou inderdaad frivool genoemd kunnen worden, want zijn gemoed volstaat met één voorstelling per keer en hij vergeet misschien zo’n voorstelling al weer gauw. Maar iemand die het waagt om een engel met een octopus te combineren, zal vast een veel serieuzere kijk hebben op het universum. Hoe meer de onderwerpen die ter sprake komen uit elkaar lopen, hoe serieuzer en universeler zal de filosofie zijn die zich daarmee bezig houdt. Het kenmerk van de lichtzinnige en gedachteloze schrijver is de welvoeglijkheid van zijn onderwerpen. Het kenmerk van de nadenkende schrijver is de onverwachte diversiteit die aan het licht treedt.”

Als je Chesterton vandaag de dag leest, ben je voortdurend verbaasd over de griezelige nauwkeurigheid van veel van zijn analyses, over de profetische kwaliteit van veel van zijn waarschuwingen – sommige werden al aan het begin van onze eeuw opgeschreven. Er is een actualiteit, een directheid, een urgentie in zijn geschriften die geen van zijn beroemde tijdgenoten kan evenaren (hoeveel maatschappijkritische opmerkingen van Bernard Shaw of H.G. Wells kunnen tegenwoordig nog serieus worden genomen?).

Ik wil graag nu een paar willekeurige voorbeelden geven, waaruit het brede bereik en het actuele belang spreken die zo veel van Chestertons observaties bezitten.

Over politiek, (uit een portret dat hij maakte van een belangrijk staatsman in zijn tijd):

“De grondbeginselen van politiek en ethiek hadden bij hem die merkwaardige vaagheid, die je zo vaak aantreft bij mannen die een grote verantwoordelijkheid dragen. Publieke figuren lijken zich allemaal vager uit te drukken naarmate ze hogerop komen… Ik denk dat ik met enig recht kan zeggen dat politici een politiek zonder richting bedrijven.”

De waarheid van dit treffende inzicht wordt ons elke dag bevestigd: laatst las ik toevallig de pas verschenen memoires van Jean-François Revel: Le voleur dans la maison vide [De dief in het lege huis, AS]. Revel, die een tijdlang Minister van Cultuur was in het schaduwkabinet van François Mitterrand (toen deze nog oppositieleider was in Frankrijk) schildert een portret van deze uiterst behendige politieke acrobaat dat akelig dicht bij de waarheid lijkt te komen en in zijn paradoxale conclusie de juistheid van Chestertons observatie bevestigt.

Revel schreef: “Het probleem met Mitterrand was dat hij geen interesse had in politiek” – Mitterrand werd de hele tijd zo volkomen in beslag genomen door sluwe politieke manoeuvres en manipulaties, hij was zo bezeten van een obsessie voor politieke middelen, dat hij zich niet langer bekommerde om politieke doelen. Zijn aandacht was uitsluitend gericht op de vraag hoe politieke macht te verkrijgen, hoe deze te behouden – maar hij dacht nooit na over de vraag: politieke macht voor welk doel? (Paul Hasluck’s The Chance of Politics is een ander recent boek dat een nadere illustratie biedt van ditzelfde fenomeen).

Over de Kerk, in haar relatie tot de wereld en haar tijd:

“Alleen de Kerk is in staat een mens te laten ontsnappen uit het vernederende slavenbestaan dat erin bestaat kind te zijn van zijn eigen tijd. Wij willen geen Kerk die met de wereld meebeweegt. Wij willen een Kerk die de wereld in beweging brengt.”

Deze uitspraak doet me denken aan een opmerkelijke dialoog tussen Louis Massignon en Paus Pius XII. Massignon was een groot oriëntalist (gespecialiseerd in de studie van oude islamitische mystiek) en hij was ook een persoonlijke vriend van de paus. Toen de eerste oorlog tussen Israël en de Arabieren uitbrak [Israëlische Onafhankelijkheidsoorlog, 1948, AS], drong hij er bij de paus op aan een plechtige verklaring te schrijven dat de heilige plaatsen in Jeruzalem beschermd moesten worden. De paus aarzelde: noch de Joden noch de Arabieren zouden waarschijnlijk aandacht schenken aan zijn woorden, en hij wierp tegen: “Wie zou er luisteren?” Waarop Massignon dit prachtige antwoord gaf: “Jij bent de paus: je schrijft niet om gelezen te worden – je schrijft om de waarheid te zeggen.” (Massignon stierf in 1962; het is jammer dat hij het pontificaat van Johannes Paulus II niet heeft mogen meemaken).

Over de samenleving:

“We laten het aan de hipste modernisten over om een erotische religie te proclameren die tegelijkertijd de wellust verheerlijkt en de vruchtbaarheid verbiedt … de volgende grote ketterij zal vast een aanval zijn op de moraal; met name op de seksuele moraal. En het zijn niet de socialisten … De waanzin van morgen vind je niet in Moskou, maar veeleer in Manhattan” (Hij schreef dit in 1926).

En dan dit – een passage die op een onheilspellende manier van toepassing is op onze huidige situatie (want ik geloof bijvoorbeeld niet dat het puur toeval is dat een beweging die euthanasie steunt en een beweging die het homohuwelijk voorstaat, zich gelijktijdig aan ons voordoen):

“Er zijn destructieve krachten in onze samenleving die louter destructief zijn, niet omdat ze iets proberen te veranderen, maar omdat ze iets willen vernietigen, waarbij ze zich baseren op een geestelijke anarchie die alleen bij revolutionairen aangetroffen wordt: een ontkenning van alle morele onderscheidingen. De gevaarlijkste crimineel is tegenwoordig de volstrekt wetteloze moderne filosoof. De vijand komt niet uit het volk, maar uit de hoogopgeleide en welgestelde kringen bij wie intellectualisme en onwetendheid samenkomen en die hun gang kunnen gaan omdat wij zo weinig geven om intellectuele scherpte en moed. Meer in het bijzonder staat het vast dat binnen het wetenschappelijke en artistieke domein geruisloos een kruistocht wordt gevoerd tegen het gezin en de staat.”

In het begin van de jaren dertig schreef T. E. Lawrence in een brief aan een vriend: “Ik heb Chesterton nooit ontmoet, maar Bernard Shaw vertelt me altijd dat hij onbetwistbaar een genie is.” Dit kleine voorbeeld, willekeurig gekozen, is kenmerkend voor het prestige dat Chesterton genoot onder de grootste geesten van zijn tijd.

Het is daarom verbazingwekkend dat hij tegenwoordig bijna onzichtbaar is geworden aan onze intellectuele horizon. Ga maar eens in een willekeurige boekwinkel op zoek naar zijn werken: de meeste zijn niet verkrijgbaar en al vele jaren niet meer herdrukt. En toen er een paar maanden geleden een nieuwe bloemlezing van zijn diepe inzichten uitkwam in Engeland, waren de weinige recensies die in de pers verschenen typisch neerbuigend, waarbij Chesterton werd behandeld als een soort kleurrijke dinosaurus – wel enigszins amusant, maar toch volstrekt onbelangrijk. Het is een feit: modegevoelige intellectuelen in de Engelssprekende wereld negeren hem nu grotendeels. (Het is opvallend dat de situatie bij de Fransen en in de andere romaanse taalgebieden heel anders is; de twee subtielste literaire geesten van onze tijd, Paulhan en Borges, aanbaden hem bijna – maar dat is een ander verhaal.)

Het is misschien interessant om even stil te staan bij de verschillende factoren die mede hebben geleid tot deze vreemde miskenning (die soms zelfs gekleurd is met minachting en vijandigheid). Eén factor zou wel eens zijn katholicisme kunnen zijn. Ten minste: in zekere zin. Het katholicisme heeft met Chestertons reputatie gedaan wat het Britse Rijk met die van Kipling heeft gedaan: in de ogen van een oppervlakkig en onwetend publiek werd het een hinderpaal – een gelegenheid voor zowel aanhangers als tegenstanders om zich uit te leven in schematiseringen en verdraaiingen, dingen die een sektarisch voorwendsel vormden voor steun of afwijzing. In dit reductionistische perspectief verhulde Chestertons katholicisme uiteindelijk zijn katholiciteit. Ik noemde zojuist een onlangs gepubliceerde bloemlezing van zijn geschriften: de ongelukkige titel van dit boek, Prophet of Orthodoxy, illustreert precies het soort simplificatie waartoe zijn bewonderaars soms maar al te gemakkelijk lijken te vervallen. In een profeet veranderen was precies het lot waarvoor Chesterton het meest op zijn hoede was. Hijzelf zag het als een verleiding die absoluut weerstaan moest worden. Hij realiseerde zich dat het een status was die hij gemakkelijk had kunnen bereiken, als hij bereid was geweest de daarvoor geldende prijs te betalen – namelijk door slechts één kant van de waarheid te benoemen en te benadrukken: dit is altijd een gemakkelijk recept om populariteit te verwerven en een hoop navolgers te krijgen. Maar om zo’n demagogisch succes te kunnen boeken, moet je een complexe werkelijkheid verminken.

Een tweede factor die de relatieve miskenning kan verklaren, werd scherpzinnig vastgesteld door Evelyn Waugh in een nogal ambivalente kritiek:

“Chesterton was een beminnelijk en geliefd man, ruim bedeeld met de gaven van liefdadigheid en nederigheid. Maar nederigheid is niet een deugd die gunstig is voor de kunstenaar. Het zijn vaak trots, wedijver, gierigheid, kwaadaardigheid – allemaal akelige eigenschappen die iemand ertoe aanzetten om zijn werk te voltooien, uit te werken, te verfijnen, te vernietigen, te vernieuwen, totdat hij iets heeft gemaakt dat zijn trots, jaloersheid en hebzucht bevredigt. En door dit te doen, verrijkt hij de wereld vaak meer dan gulle en goede mensen, hoewel hij wel zijn eigen ziel kan verliezen tijdens het proces. Dat is de paradox van de artistieke prestatie.”

Chesterton hechtte inderdaad nooit veel waarde aan zijn eigen geschriften. In dit opzicht was hij de tegenpool van de doorsnee ‘letterkundige’ – en dit is een van de meest innemende en bewonderenswaardige aspecten van zijn persoonlijkheid. Meestal zijn literaire mensen erg egocentrisch en ijdel – over het algemeen is het een niet zo aantrekkelijk type – maar Chesterton behoorde daar niet toe. Ondanks zijn formidabele gevatheid had hij geen drang om te schitteren: vergeleken met andere briljante gesprekspartners was hij de vreemde uitzondering: een man die er echt van genoot om naar anderen te luisteren. Hij kon naar waarheid zeggen: “Ik heb mijn boeken nooit serieus genomen, maar ik neem mijn meningen zeer serieus.” Dit is een heel belangrijk onderscheid: zijn broer, die hem goed kende, begreep dat uitstekend: “Hij is slechts een man die zijn mening uit omdat hij er plezier in heeft. Maar hij zou ze net zo makkelijk en net zo goed zeggen tegen een man die hij tegenkwam in de bus.”

In tegenstelling tot de meeste literaire mensen heeft hij zich nooit ingespannen om zijn ideeën en intellectuele bronnen zorgvuldig te beheren, of om zijn carrière te behartigen, of om zijn toekomst te plannen en uitgeefstrategieën te ontwerpen. Het kon hem gewoon niets schelen.

Hij schreef met de onbekommerde vrijgevigheid van een genie. Mozart, die een soortgelijke aanleg had (of eraan leed?) en in een vergelijkbare moeiteloze flow componeerde, zei ooit: “Ik schrijf muziek zoals een koe pist.”

Chestertons productiviteit was wonderbaarlijk. Zijn secretaresse beschreef eens hoe hij bij sommige gelegenheden twee artikelen tegelijk produceerde: hij dicteerde het ene, terwijl hij tegelijkertijd het andere schreef.

Schreef hij te veel? Het zou al te gemakkelijk zijn om de bulk van zijn journalistieke output lichtzinnig terzijde te schuiven, want het probleem is dat hij, opnieuw, met kwistige zorgeloosheid overal juweeltjes afleverde, en veel daarvan zijn te vinden tussen soms onbeduidende en grillige stukjes.

Hij had zijn jaren op de middelbare school voornamelijk slapend en dromend doorgebracht – tot verbijstering en wanhoop van zijn leraren. Hij is nooit naar een universiteit gegaan, maar heeft slechts ietwat ongedisciplineerd een kunstacademie bezocht. Maar hij wist een immense culturele bagage te verwerven – literair, historisch en filosofisch – uitsluitend door zelf heel veel te lezen (opnieuw: de benadering van de amateur).

Eens vertelde een vrouw hem met naïeve bewondering dat hij toch wel ontzettend veel wist. Hij antwoordde: “Mevrouw, ik weet niets: ik ben journalist.”

Zijn hele leven claimde Chesterton geen andere titel voor zichzelf dan die van journalist. Hij genoot ervan journalist te zijn, hij genoot van de sfeer en romantiek van Fleet Street [overgezet naar de Nederlandse situatie: Café Scheltema, de plek waar (vroeger) veel journalisten elkaar ontmoetten, AS]. Zoals een scherpzinnige criticus opmerkte: “Hij was journalist omdat hij democraat was. Kranten waren wat de gewone man (de man in de bus!) graag las. Er kon daarom geen groter voorrecht zijn dan voor kranten te schrijven — wat hij verder ook van hun eigenaren mocht denken.”

En hij had alle kwaliteiten van een geweldige journalist: intelligentie, helderheid, levendigheid, snelheid, beknoptheid en humor. Maar dit zijn precies de kwaliteiten die een schrijver altijd degraderen in de ogen van pretentieuze critici en pompeuze halftalenten. Om indruk te maken op idioten, moet je duister zijn. (“Wat ik meteen begrijp, lijkt me nooit waar” bekende een vrouwelijke bewonderaar aan een moderne Franse romanschrijver.) En voor zulke mensen is het ondenkbaar dat iets dat met verbeelding en humor wordt uitgedrukt ook een serieus doel zou kunnen dienen. Hoe kun je nu iets belangrijks zeggen als je niet zelfingenomen bent? Chesterton vocht voortdurend tegen dit vooroordeel. Hier is zijn toelichting:

“Mijn critici denken dat ik niet serieus ben, maar alleen grappig, omdat ze denken dat ‘grappig’ het tegenovergestelde is van ‘serieus’. Maar ‘grappig’ is het tegenovergestelde van ‘niet grappig’ en van niets anders. Als een man staat voor de keus om de waarheid te vertellen met een  lang betoog of met een snelle grap is dat een probleem dat vergelijkbaar is met de vraag of hij de waarheid zal vertellen in het Frans of het Duits. De twee kwaliteiten van plezier en ernst staan helemaal los van elkaar… Als je zegt dat twee schapen plus twee schapen vier schapen zijn, zal je publiek dat gedwee accepteren – als schapen. Maar als je het zegt over twee apen, of twee kangoeroes, of twee zeegroene griffioenen, zullen mensen weigeren te geloven dat twee plus twee vier is. Ze menen dan dat je ook de rekensom moet hebben bedacht, net zoals je de illustratie van de rekensom hebt bedacht. Ze kunnen niet geloven dat iets dat met een toevallige grap aan de man wordt gebracht, redelijk kan zijn. Misschien verklaart dat waarom zo veel succesvolle mannen zo saai zijn – of waarom zo veel saaie mannen zo succesvol zijn.”

Ik heb al veel te lang gepraat, en toch heb ik nog maar nauwelijks de oppervlakte van dit enorme onderwerp aangestipt. Maar ik besef nu dat ik deze voordracht een andere titel had kunnen geven: ‘Chesterton, de man die verliefd was op daglicht’. Hij zei ooit:

“Als er één ding is waar ik al sinds mijn jeugd zeker van ben en waar ik steeds zekerder van ben naarmate ik ouder word, dan is het wel dat als gewoon daglicht niet poëtisch is, helemaal niets poëtisch is, en dat geen enkel monster ons zou moeten verbazen, als de gewone man ons niet verbaast.”

De meeste mensen denken dat Chesterton een ‘katholieke schrijver’ is, maar ze lijken zich niet te realiseren dat zijn bekering vrij laat in zijn leven plaatsvond (in 1922 – slechts veertien jaar voor zijn dood; sommige van zijn belangrijkste werken werden geschreven lang voordat hij zich daadwerkelijk bij de kerk aansloot). Maar toen hij uiteindelijk die stap zette, zei hij dat hij katholiek was geworden om zijn zonden kwijt te raken.

Maar er was, denk ik, nog een andere reden – even krachtig: dankbaarheid. Hij zei ooit dat als hij na zijn dood naar de hel zou gaan, hij God nog steeds zou danken voor dit leven op aarde. Vanaf het begin was het de aandrang om zijn Schepper te danken die hem ertoe bracht om te schrijven.

In Chestertons ervaring is het simpele feit van het bestaan ​​op zichzelf al zo wonderbaarlijk dat geen enkel ongeluk dat je overkomt een mens ooit zou kunnen ontslaan van de plicht tot een soort kosmische dankbaarheid. Ik wil hier eindigen met een kort prozagedicht dat hij in een notitieboekje schreef in zijn agnostische jeugd; het laat zien dat dit overweldigende gevoel van verwondering en dankbaarheid in feite vele jaren ouder is dan zijn religieuze bekering:

Avond

Nu sterft er weer een dag
waarin ik ogen had, oren, handen,
en de grote wereld om mij heen,
en morgen begint er weer een dag.
Waarom krijg ik er wel twee?

Winkelvoorraad – Konstantínos Kafávis

Inleiding
Konstantínos Kafávis (1863-1933) wordt beschouwd als de grootste moderne dichter van Griekenland. Hij werd in Alexandrië geboren als negende kind van een welgesteld koopmansgezin. Hij heeft een tijdlang in Engeland gewoond, maar keerde weer terug naar Griekenland. Hij was homoseksueel en had goede, maar weinig opvallende banen.

Zijn thema is het contrast tussen intense artistieke en lichamelijke genietingen en de voorbijgaande aard van alles wat zo groots en meeslepend lijkt, maar in wezen zo vergankelijk is. Hij gebruikt daartoe scènes uit de oudheid, maar hij slaagt er altijd in door zijn onopgesmukte stijl en zijn waarachtigheid dit thema heel dichtbij de lezer te brengen. Ithaka en Alexandrië zijn voor hem metaforen voor het leven zelf. Dat in dit gedicht Ithaka een metafoor is, houdt Kafávis aanvankelijk impliciet, al maakt hij het aan het eind wel duidelijk. Het lijkt een verhaaltje, maar wie enigszins versgevoelig is, voelt de enorme intensiteit van zo’n gedicht.

Hij gebruikte oudgrieks en moderngrieks door elkaar in zijn poëzie, een eigenschap die de vertaler in de moderne Europese talen niet kan nabootsen. In zijn vroege gedichten kwam soms nog onregelmatig rijm voor, later liet hij dat steeds meer los. De versregels hebben soms een jambisch metrum, maar heel vaak houdt hij zich ook daar niet strak aan.

Het gedicht
Het gedicht beschrijft hoe een juwelier annex edelsmid zijn mooiste creaties apart houdt voor zichzelf omdat ze het beste vertegenwoordigen wat hij in huis heeft, het meest gedurfde is wat hij kon maken, het diepste vertegenwoordigen wat hij kent. Aan klanten verkoopt hij zeker wel prachtige dingen maar het kostbaarste wat hij bezit verkoopt hij niet.

Zoals bijna altijd bij Kafávis wordt met een centrale metafoor in vrij gewone woorden beschreven wat de kern is van zijn – en vaak ook onze – menselijkheid. Het mooiste wat wij hebben is verborgen, blijft in een kluis liggen, is niet te koop. Hij maakt de intensiteit van onze kern voelbaar zoals maar weinig andere dichters dat kunnen.

Ik beheers geen Grieks, en ik heb dus eigenlijk gedaan wat niet mag. Aan de hand van een drietal vertalingen, twee Nederlandse en een Engelse, heb ik een eigen vertaling gemaakt. Mijn enige verontschuldiging is dat ook vertalers van naam en faam soms gebruik maken van de vertalingen van anderen die de taal wel beheersen. De gebruikte Engelse vertaling behoort overigens tot de hoogst gewaardeerde vertalingen in het Engelse taalgebied.

In Frankrijk heeft Marguerite Yourcenar de gedichten vertaald, met hulp van iemand die het Grieks goed beheerste – zo ziet u maar.

Ik heb in dit geval een vertaalpoging gewaagd omdat ik hoopte nog iets te kunnen toevoegen: ik wilde het gedicht nog wat natuurlijker in het Nederlands laten klinken zonder de nuances uit het oog te verliezen. Maar vertalen is natuurlijk ook altijd de intiemste manier om een gedicht nabij te komen.

Ik heb gebruik gemaakt van de volgende vertalingen: (1) Vertaling Hans Warren en Mario Molegraaf; (2) Vertaling G.H. Blanken (zie bron [1]); (3) Vertaling Edmund Keeley en Philip Sherrard.

Bronnen: ik heb de volgende publicaties en websites geraadpleegd:

  1. K.P. Kafávis, Verzamelde gedichten (vert. G.H. Blanken), Amsterdam: Polak & Van Gennip 1977, dl.1, p.85
  2. Dertig gedichten Konstantinos P. Kaváfis (Vertaling Hans Warren en Mario Molengraaf), De Tweede Ronde, jrg. 4 (1983) – deze door dbnl gedigitaliseerde publicatie bevat ook het Griekse origineel
  3. Wim Hottentot Niet helemaal gespeend van Grieks’Maatstaf, Jrg. 32 (1984)
  4. W.H. Auden, Forewords and Afterwords, New York: Vintage Books 1974, p.333-444
  5. Joseph Brodsky, Less than One, New York: Farrar Strauss Giroux 1986, p.53-68
  6. Website Onassis: For the Shop – Vertaling Edmund Keeley en Philip Sherrard

Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

Winkelvoorraad

Hij wikkelde ze keurig en met zorg
in kostbare groene zijde.
Rozen van robijn, lelies in parelschikking,
violen van amethyst: ze vormen zijn beeld van schoonheid,
zijn verlangen – niet zoals hij ze zag in de natuur,
niet als in boeken. Hij zal ze in de kluis laten
als blijk van zijn durf, zijn kunstvaardigheid.
En telkens als er een klant in de winkel komt,
haalt hij andere dingen tevoorschijn – de mooiste sieraden:
armbanden, halssnoeren, kettinkjes, ringen.

Origineel

Bron: Dertig gedichten Konstantinos P. Kaváfis (Vertaling Hans Warren en Mario Molengraaf)

De gebruikte vertalingen zijn (1) Vertaling Hans Warren en Mario Molegraaf; (2) Vertaling G.H. Blanken (Verzamelde gedichten, dl.1, p.85); (3) Vertaling Edmund Keeley en Philip Sherrard.

Nacht

Waar ben je lief … – ik word al oud.
Ik ken de grijnslach van de eeuw.
Er valt een ster… – er ligt wat sneeuw.
De ganzen gakken – het Is koud.

De route die ik koos is fout.
Diep in het bos weerklinkt een schreeuw.
Ik zie een zuil, een stenen leeuw
die om zijn dode partner rouwt.

Rivierklei, zware uiterwaarden,
een duister vuur dat mij doortrekt
dat smoren wil in natte aarde.

En elders wordt een kind verwekt,
een man, een jongen, een bejaarde –
geen lief heeft hem ooit toegedekt.

[Viervoetig sonnet. Eigen werk, gemaakt tijdens een nachtelijke wandeling door bos en uiterwaarden in een slapeloze nacht.]


Geluidsopname

Geluidsopname – Arie Sonneveld

De Nieuwe Zeeman – R.S. Thomas

Inleiding
Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilder Mildred Eldridge (1909-1991).

[Deze intro kunt u verder overslaan, als u al eerder mijn vertalingen van R.S. Thomas onder ogen hebt gehad. Het nieuwe deel begint onder het hoofdje Gedicht met de woorden: Het door mij vertaalde gedicht …]

R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).

Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.

In een treffend filmpje uit 1996 dat Bloodaxe Books beschikbaar heeft gemaakt – hier raadpleegbaar – zegt Thomas (vanaf 4’18”):

“Mocht er sowieso later nog aan mij gedacht worden, dan zal dat wel zijn om de intensiteit van een paar gedichten die ik heb geschreven. Maar, los van de gedichten, als mens hoop ik dat m’n voorbeeld van iemand die ervan hield buiten te zijn, die hield van de aardse dingen, en die het talent had meegekregen om ze niet alleen te horen maar ook te zien, voor anderen een zeker nut heeft gehad.”

Het gedicht
Het door mij vertaalde gedicht – The New Mariner – is een karakteristiek Thomas-gedicht. Thomas’ religieuze preoccupaties zijn aanwezig, en tevens de moeilijkheden die dat met zich meebrengt.

De titel bevat een verwijzing naar een bekend gedicht van Samuel Taylor Coleridge (1772-1834), The Rime of the Ancient Mariner – De Ballade van de Oude Zeeman – dat werd gepubliceerd in 1798 in een poëziebundel met als titel The Lyrical Ballads, een bundel die Coleridge schreef samen met William Wordsworth (1770-1850). The Lyrical Ballads wordt vaak beschouwd als het begin van de romantiek in de Engelse letteren.

De Ballade van de Oude Zeeman vertelt in detail over de ervaringen van een zeeman die terugkeert van een lange zeereis. De zeeman houdt een man staande die op weg is naar een huwelijkssluiting en begint zijn verhaal te vertellen. De reactie van de huwelijksgenodigde gaat van geamuseerdheid naar ongeduld naar angst naar fascinatie als het verhaal verder gaat, wat ook blijkt uit de stijl en het taalgebruik in het gedicht (overgenomen van Wikipedia).

De Nieuwe Zeeman van het gedicht bevindt zich het liefst in de stilte. Die stilte is voor hem rijk is aan interactie met de natuur, met het goddelijke in de natuur. En daarover vertelt hij anderen met woorden.

Maar het gepraat over die stilte wordt al gauw zinloos en verliest de betekenis die de zeeman erin ervaart. Het blijkt meestal een rationeel verhaal te zijn waarin feit gekoppeld wordt aan feit, en waarin de kern verloren gaat.

De enige ruimte die de ik-figuur nog overblijft is de God-ruimte, een term die (vermoed ik) ontleend is aan de theoloog Paul Tillich die net als Thomas veel heeft nagedacht over afwezigheid en aanwezigheid van God in de moderne wereld.

Aan deze ruimte wordt dan de beeldspraak van de astronaut ontleend, een figuur die – net als De Nieuwe Zeeman – al gauw verstrikt raakt in door de rede gedicteerd zinledig gepraat, druk als hij zich maakt om passerende genodigden die op weg zijn naar het huwelijk van het ene kale feit met het andere.

Het gedicht staat op p.388 van The Collected Poems 1945-1990. Het stond oorspronkelijk in de bundel Between Here and Now (1981).

Theodore Dalrymple verwijst naar dit gedicht in zijn interessante beschouwing over leven en werk van R.S. Thomas, een stuk dat ook in vertaling beschikbaar is op deze website: Een stem die klinkt als van gene zijde.


Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

De Nieuwe Zeeman

In de stilte die
het medium is waarin hij
bij voorkeur communiceert en
waarover hij anderen vertelt
met woorden. Kun je eraan
ontkomen een speelbal te zijn
van de rede? Voor mij is er nu
alleen nog de God-ruimte
waarin ik mijn sondes
uitzend. Ik had uitgekeken
naar de oude dag als een tijd
van rust, een tijd om m’n horizonnen
om me heen te trekken,
herinneringen te zien rijpen
in het zonlicht van een ommuurde tuin.
Maar er is een leegte
boven mijn hoofd, er zijn de diepten
binnen in mij waaruit onvermoeibaar
signalen komen. Als astronaut
die onmogelijke reizen aflegt
naar de verste uithoeken van het ik,
keer ik terug met boodschappen
die ik niet kan ontcijferen, ben er
babbelziek over, maak me druk over de
passerende auto die driftig op weg is
naar het huwelijk van kaal feit
        met kaal feit.

Origineel

The New Mariner

In the silence
that is his chosen medium
of communication and telling
others about it
in words. Is there no way
not to be the sport
of reason? For me now
there is only the God-space
into which I send out
my probes. I had looked forward
to old age as a time
of quietness, a time to draw
my horizons about me,
to watch memories ripening
in the sunlight of a walled garden.
But there is the void
over my head and the distance
within that the tireless signals
come from. And astronaut
on impossible journeys
to the far side of the self
I return with messages
I cannot decipher, garrulous
about them, worrying the car
of the passer-by, hot on his way
to the marriage of plain fact
        with plain fact.

De predikant wendt zich tot theologiestudenten – Christian Wiman

Inleiding

Christian Wiman (1966- ) is een Amerikaanse dichter en vertaler. Hij werd geboren in Texas, is getrouwd, en werkt aan Yale University als Professor of the Practice of Religion and Literature. Hij geeft college aan Yale Divinity School en Yale Institute of Sacred Music. Hij is religieus in christelijke zin.

[Deze intro kunt u verder overslaan, als u al eerder mijn vertalingen van Christian Wiman onder ogen hebt gehad. Het nieuwe deel begint met de woorden: Het door mij vertaalde gedicht …]

Wiman lijdt aan een traag voortschrijdende, ongeneeslijke ziekte. Het gedicht From one Time – elders op deze website in vertaling (Tijdsovergang) beschikbaar bevat de uitdrukking die de titel leverde van het door Willem Jan Otten vertaalde boek My Bright Abyss: Mijn heldere afgrond. De ondertitel van dat boek luidt: Meditation of a Modern BelieverOverpeinzingen van een moderne gelovige.

Stevo Akkerman schreef in het dagblad Trouw een sympathieke column (met interview-elementen) over dit boek. Willem Jan Otten schreef een verhelderend essay in Trouw.

Uit Akkermans column citeer ik de volgende passage – degene die aan het woord is, is uiteraard Wiman zelf:

“Het geloof gidst me in de richting van een leven waarin ik tekortschiet, niet in een leven waarin alles me toevalt. Ik geloof dat je jezelf geen christen moet noemen, net zomin als dichter – het is iets dat je nastreeft, niet iets dat je bent. Het kan je gegeven zijn op momenten in je leven, maar in de tussentijd ben je er geen eigenaar van. Zoals ik zeg in het boek: ik heb de pijn van het ongeloof nooit gevoeld voordat ik begon te geloven. God is vaak pijn voor me, geen balsem.”

En nog een treffend citaat uit dat stuk, dit keer over het Amerikaanse geloof in jezelf dat het christelijke geloof corrumpeert:

Het Amerikaanse succesevangelie, met God als de leverancier van voorspoed, geluk en gezondheid, noemt Wiman onzinnig. “Het idee dat God je beloont als je geloof maar groot genoeg is, is in feite kwaadaardig. Ik moet zeggen dat het me erg verwart dat mijn leven enerzijds zo naar God en het christendom toe beweegt, terwijl ik anderzijds zo vervreemd ben van de manier waarop die religie in dit land wordt vormgegeven.”

En ten slotte nog een veelzeggend citaat uit He Held Radical Light (2018):

“Poetry itself—like life, like love, like any spiritual hunger—thrives on longings that can never be fulfilled, and dies when the poet thinks they have been. And what is true for the poem is true for the poet: “No layoff from this condensery,” as Lorine Niedecker says, no respite from the calling that comes in the form of a question, no ultimate arrival at an answer that every arrangement of words is trying to be. Perhaps only bad poets become poets. The good ones, though they may wax vatic and oracular in public, and though they may even have full-fledged masterpieces behind them, know full well that they can never quite claim the name.”

Een interessante lezing (ongeveer een half uur) over het onderwerp Geloof en Literatuur vindt u hier.

Het gedicht

Het door mij vertaalde gedicht – The Preacher Addresses the Seminarians – is een dramatische monoloog, een tirade eigenlijk, tegen een gemakzuchtig geloof dat maar al te vaak wordt aangemoedigd door gemakzuchtige preken. Het eindigt met een verrassende wending waarbij een bok de rol lijkt te vervullen die Christus in het evangelie heeft, een plaatsvervangende rol waarvan we de betekenis vaak niet lijken te beseffen, zozeer hebben we het met onszelf te doen. Ook speelt een weddenschap à la Blaise Pascal een rol.

In een interview met Wiman geeft hij enige toelichting bij de totstandkoming van dit gedicht:

Image Journal: ‘The Preacher Addresses the Seminarians’ is a dramatic monologue that combines humor and a certain astringent realism about human nature. (…) The poem starts out as a butt-kicking handed out by the preacher to presumably naïve seminary students but by the conclusion the speaker utters a poignant confession. In the end, it seems to be about the need for preachers, as well as laypeople, to “help untold souls back into their bodies.” If that’s true, what does that phrase mean?

CW: I wrote this poem long before coming to Yale. I’ve just sat on it for a few years, as I usually do with my poems.

I suppose the poem is on one level about the body/spirit distinction, the fallacy of that. So many of us float—in our minds, our beliefs, our loves, our art—above the “No” that our actions express. The No to existence, I mean, to reality. Karl Barth has a great quote somewhere about the duty of every Christian to say “Yes” to existence, whatever it may bring you.

The traditional Christian distinction between heaven and earth is not helpful to me. I wrote somewhere or other that to love one’s life is to assent to its terms, the severest of which is death. (That’s the lesson the preacher learns in the incident with the goat, which is of course the same lesson that Jesus taught.) I think it’s the duty of preachers to ease people back into their bodies, back into the reality they must not only deal with but even come to love—and again, the hardest part of this is death. “Untold” has two meanings in the poem. It means innumerable, of course, but it also means quite literally “those who have not been told” the good news, which is also bad news (“costing not less than everything,” as Eliot put it). So that’s what the preacher is trying to teach the seminarians.

Het gedicht is heel rijk van taal, en het bevat bovendien een aantal neologismen: gluefutured, churchcurdled, unthunder die ook met neologismen vertaald zijn.

Aurora Borealis is het Noorderlicht. Ik heb gekozen voor theologiestudenten en niet voor seminaristen, omdat dat laatste woord in het Nederlands – anders dan in het Engels – vrij exclusief voor katholoieke priesteropleidingen wordt gebruikt.

Hominy, hominy is maïspap, maïspap in het Engels, iets licht verteerbaars dus, en het klinkt een beetje naar ‘homiletiek’ – preekkunde. Ik heb er ‘preekpulp, paaspap’ van gemaakt.

Het gedicht is opgenomen in de bundel Once in the West, New York: Farrar, Straus and Giroux 2014.


Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

De predikant wendt zich tot theologiestudenten

Laat ik zeggen het is soms een klote-bestaan op zondag
en ‘t is verkeerd om te doen alsof je niet hoeft te doen alsof,

alsof je niet die toekomstkleffe zeikerds Hoop en Hulp hoeft aan te spannen
om de ellendige strijdwagen van jezelf vooruit te geselen

naar wat voor hel dan ook die jouw hemel is op zulke dagen.
Er is honger voor nodig, zeg ik je, die geen hemel kan stillen

om zo verwrongen te letten op het pedaalspel van die lieve organist,
zo sissend alert te zijn op de vormeloosheid van haar koorkleed.

Dan nu, broeders en zusters, de schuldbelijdenis,
preekpulp, paaspap, zuurzoete zegengroet, weer een koket kerkslaperig lied

dat we niet zingen, maar afraffelen: doodse alten, raspende tenoren,
twee die het doen, tien die licht in verwarring hun lippen meebewegen.

En nu jij, dominee. Laat de donderdans stoppen. Even een pislauw aanrakinkje
met de realiteit. Een stukje evangelie dat je eruit perst.

Ik zeg soms tegen jullie dat genade niks anders is
als bevrijding uit dit homiletisch hologram, een klein vleespasje

opzij, om zo te zeggen, we zetten hartstocht op autopilot (alsof het dat niet al is!)
om vredig te staren naar jullie van onvree borrelende parochianen:

drankneuzen en faceliften, slechte hypotheken, taaie huwelijken,
een metselwerk van koppen, tegelijk eender en anders,

en hier en daar die extatische hongerige blik die overspringt
van de een op de ander, jaar in, jaar uit, als een heilige griep.

Al deze kleine kiertjes waarin je gekropen bent
als een dikke stukadoor met nutteloos gereedschap:

Hier, een gedichtje voor als je vrouw doodgaat.
Hier, laat maar lekker doodgaan, jouw levensellende.

Ik zeg je dat op sommige zondagen zelfs het kinderpreekje –
misschien dat wel speciaal – een aanslag is op je maag

als een bek vergif waaraan een bier-slurpende
bok, dronken of per abuis, gretig de voorkeur geeft.

Ik weet wat je denkt. Het draait hier om Christus.
Hij komt er wel, die ouwe streber, want hoe dan ook, ergens

is er het wondervlees, het aurora borealis-bloed,
waarvan elk atoom wordt ingepast in een graf

en nu juist wat elk mens verliezen moet om gered te worden.
Goed, vrienden, vandaag ga ik jullie twee dingen zeggen.

Allereerst, al is dit voor mij niet een van die zwartgallig-schrijnende dagen,
al sta ik in feite vóór jullie met een zinderend geloof

en heb ik goede hoop dat jullie allemaal zullen helpen
bij de terugkeer van die vele onwetende zielen in hun lichaam,

bij het beredderen van het verwoestende Nee waarop ze drijven,
de waarheid is dat onze enige redder mislukking is.

En dat brengt me bij het tweede ding: die bok.
Die was echt. Het is, als zo vaak, het afschuiven van verantwoordelijkheid

dat de leugen is. Het was lang geleden, Mexico, ‘k werd geplaagd door demonen:
‘t was een weddenschap waarvan ik niet zag wat er op het spel stond.

Hij wankelde. Hij schuimbekte. Hij wrong tijd uit tot een geladen stilte,
en schopte af en toe, en lag daar te stuiptrekken, kijkend hoe ik stierf.

Origineel

The Preacher Addresses the Seminarians

I tell you it’s a bitch existence some Sundays
and it’s no good pretending you don’t have to pretend,

don’t have to hitch up those gluefutured nags Hope and Help
and whip the sorry chariot of yourself

toward whatever hell your heaven is on days like these.
I tell you it takes some hunger heaven itself won’t slake

to be so twitchingly intent on the pretty organist’s pedaling,
so lizardly alert to the curvelessness of her choir robe.

Here it comes, brothers and sisters, the confession of sins,
hominy hominy, dipstick doxology, one more churchcurdled hymn

we don’t so much sing as haunt: grounded altos, gear-grinding tenors,
two score and ten gently bewildered men lip-synching along.

You’re up, Pastor. Bring on the unthunder. Some trickle-piss tangent
to reality. Some bit of the Gospel grueling out of you.

I tell you sometimes mercy means nothing
but release from this homiletic hologram, a little fleshstep

sideways, as it were, setting passion on autopilot (as if it weren’t!)
to gaze out in peace at your peaceless parishioners:

boozeglazes and facelifts, bad mortgages, bored marriages,
a masonry of faces at once specific and generic,

and here and there that rapt famished look that leaps
from person to person, year to year, like a holy flu.

All these little crevices into which you’ve crawled
like a chubby plumber with useless tools:

Here, have a verse for your wife’s death.
Here, have a death for your life’s curse.

I tell you some Sundays even the children’s sermon
— maybe especially this — sharks your gut

like a bite of tin some beer-guzzling goat
either drunkenly or mistakenly decides to sample.

I know what you’re thinking. Christ’s in this.
He’ll get to it, the old cunner, somewhere somehow

there’s the miracle meat, the aurora borealis blood,
every last atom compacted to a grave

and the one thing that every man must lose to save.
Well, friends, I’m here to tell you two things today.

First, though this is not, for me, one of those bilious abrading days,
though in fact I stand before you in a rage of faith

and have all good hope that you will all go help
untold souls back into their bodies,

ease the annihilating No above which they float,
the truth is our only savior is failure.

Which brings me to the second thing: that goat.
It was real. It is, as is usually the case, the displacement of agency

that is the lie. It was long ago, Mexico, my demon days:
It was a wager whose stakes I failed to appreciate.

He tottered. He flowered. He writhed time to a fraught quiet,
and kicked occasionally, and lay there twitching, watching me die.

Eeuwen – R.S. Thomas

R.S. Thomas in tweevoud (afbeelding komt voor op de omslag van de bundel Uncollected Poems)

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilder Mildred Eldridge (1909-1991).

[Deze intro kunt u verder overslaan, als u al eerder mijn vertalingen van R.S. Thomas onder ogen hebt gehad. Het nieuwe deel begint met de woorden: Het door mij vertaalde gedicht …]

R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).

Een aardig artikel over Thomas’ leven en werk is van de hand van Theodore DalrympleA Man Out of Time.

Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.

In een treffend filmpje uit 1996 dat Bloodaxe Books beschikbaar heeft gemaakt – hier raadpleegbaar – zegt Thomas (vanaf 4’18”):

“Mocht er sowieso later nog aan mij gedacht worden, dan zal dat wel zijn om de intensiteit van een paar gedichten die ik heb geschreven. Maar, los van de gedichten, als mens hoop ik dat m’n voorbeeld van iemand die ervan hield buiten te zijn, die hield van de aardse dingen, en die het talent had meegekregen om ze niet alleen te horen maar ook te zien, voor anderen een zeker nut heeft gehad.”

Het door mij vertaalde gedicht beschrijft een aantal eeuwen, de vijftiende tot en met de twintigste. Elke eeuw wordt kort gekarakteriseerd, waarbij ik me wel een paar vrijheden heb veroorloofd bij de vertaling: ‘een woordenschat stropen uit de lach van de koning’, leek me in het Nederlands minder geslaagd.

Het gedicht mondt uit in de twintigste eeuw, een eeuw die weinig begrenzingen kende: zowel in positieve zin – wetenschap en techniek ontwikkelden zich op een duizelingwekkende manier – als in negatieve zin: de moordpartijen tartten eveneens elke verbeelding. R.S. Thomas legt in het afsluitende distichon impliciet een verband tussen beide vormen van grenzeloosheid.

Het gedicht is te vinden in de Collected Poems 1945-1990, Londen: Phoenix 2000, p.416. Eerder uitgegeven door J.M. Dent in 1993.


Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

Eeuwen

De vijftiende komt langs met trommel en kuras;
de monnik slaat het gade door het rooster van de geest.

De zestiende zet zijn pet op, verheft luide zijn stem
om zinnigheid te ontfutselen aan de lach van de koning.

De zeventiende draagt om zijn nek een kanten kraag,
vlees dat zich afwendt van de vlam van de geest.

De achttiende heeft hoge koorts en suizend bloed,
Maar reinigt zijn neusgat met een snuifje puntigheid.

De negentiende komt uit die oude grotten tevoorschijn
Zijn ogen uitwrijvend bij een uitzicht van glas.

De twintigste is waarnaar hij zo uitkeek
Zijn vleugels stukslaand tegen een raam dat ontbreekt.

Origineel

Centuries

The fifteenth passes with drums and in armour;
the monk watches it through the mind’s grating.

The sixteenth puts on his cap and bells
to poach vocabulary from a king’s laughter.

The seventeenth wears a collar of lace
at its neck, the flesh running from thought’s candle.

The eighteenth has a high fever and hot blood,
but clears it nostrils with the snuff of wit.

The nineteenth emerges from history’s cave
rubbing its eyes at the glass prospect.

The twentieth is what it looked forward to
beating its wings at windows that are not there.

Wonderen – Walt Whitman

Walt Whitman (1819-1892) was een bijzondere Amerikaanse dichter die leefde in de negentiende eeuw. Hij wordt wel beschouwd als de aartsvader van het vrije vers, en de voornaamste dichtbundel waaraan hij zijn hele leven is blijven schaven is Leaves of Grass.

De titel Leaves of Grass bevat een inside joke, een grapje voor ingewijden. De titel zelf betekent ‘gras-sprietjes’ en dat geeft een bescheiden, liefelijke sfeer. Elk sprietje is anders, maar een weide is een eenheid. Maar ‘grass’ was ook in 19e-eeuwse uitgeverskringen een negatieve term om waardeloze rommel mee aan te duiden. En ‘leaves’ zijn uiteraard ook bladzijden. Overigens is ‘Blades of Grass’ veel gebruikelijker dan ‘Leaves of Grass’.

Een aardig stuk in het Nederlands over Walt Whitman is van de schrijver en vertaler Thomas Heij: Sprietjes en velden – De woorden van Walt Whitman.

Whitman kwam uit een Quaker-gezin. Zijn vader was van Engelse afkomst zijn moeder van Nederlandse afkomst. Zijn vorming was grotendeels autodidact.

Ik kreeg de bundel Leaves of Grass van mijn stiefdochter op mijn 60e verjaardag – onlangs dus. Het is een mooie editie met goud op snee. Ik kende Whitman nog niet goed, en dat maakt het cadeau extra waardevol.

Whitman was in veel opzichten een geestdriftige, en hij bezong het democratische Amerika vaak met hartstocht. Ik ben nog wel benieuwd of het volgende gedicht, nu Amerika zich zo ondemocratisch, isolationistisch en bigot lijkt op te stellen, in onze dagen nog vaak wordt geciteerd:

America

Centre of equal daughters, equal sons,
All, all alike endear’d, grown, ungrown, young or old,
Strong, ample, fair, enduring, capable, rich,
Perennial with the Earth, with Freedom, Law and Love,
A grand, sane, towering, seated Mother,
Chair’d in the adamant of Time.

Enfin, het vertaalde gedicht Miracles heeft weinig toelichting nodig. Het is één grote opsomming – de meest elementaire en pure vorm van poëzie – om duidelijk te maken dat al wat bestaat een wonder is, een wonderbaarlijke zaak.

De opsomming zelf heeft iets extatisch, maar de taal is betrekkelijk eenvoudig – wat een merkwaardig effect heeft op een versgevoelig oor.

Het betreft duidelijk een ongebonden vers, al zijn de veelvuldige herhalingen natuurlijk wel een teken van enige vormvastheid.

Miracles is te vinden op p. 385/86 van mijn editie van Whitmans gedichtenbundel:

Walt Whitman, Leaves of Grass (introd. Kern Mondschein, PhD), San Diego: Canterbury Classics 2018.


Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

Wonderen

Wie maakt zich druk om wonderen, en waarom?
Wat mij betreft zijn er alleen maar wonderen,
Of ik nu loop door de straten van Manhattan,
Of mijn blik werp naar de lucht boven de daken van huizen,
Of met blote voeten op het strand waad vlak achter de vloedlijn,
Of sta onder de bomen in het bos,
Of overdag praat met een van hen die ik liefheb, of ’s nachts in bed lig met een van hen
     die ik liefheb,
Of zit aan een tafel met de anderen,
Of kijk naar vreemdelingen in tegemoetkomende auto’s,
Of honingbijen gadesla die op een zomerse voormiddag druk zijn om de korf,
Of dieren die voedsel zoeken in het veld,
Of de vogels, of de pracht van insecten in de lucht,
Of de pracht van de zonsondergang, of van de sterren die zo stil en helder schijnen,
Of het schitterende en verfijnde boogje van een beginnende maan in het voorjaar;
Deze en andere dingen, elk en allemaal – het zijn wonderen voor mij,
Elk afzonderlijk en op zijn plaats, maar verwijzend naar het geheel.

Voor mij is elk licht, elk donker uur een wonder,
Elke kubieke centimeter van de ruimte is een wonder,
Elke vierkante meter van het aardoppervlak is ermee bedekt,
Elke halve meter van wat daaronder zit wemelt ervan.

Voor mij is de zee een onafgebroken wonder,
De vissen die zwemmen – de rotsen – de beweging van golven – de schepen met
     mensen erin.
Zijn er ergens nog gekkere wonderen?

Origineel

Miracles

Why, who makes much of a miracle?
As to me I know of nothing else but miracles,
Whether I walk the streets of Manhattan,
Or dart my sight over the roofs of houses toward the sky,
Or wade with naked feet along the beach just in the edge of the water,
Or stand under trees in the woods,
Or talk by day with any one I love, or sleep in the bed at night with any one I love,
Or sit at table at dinner with the rest,
Or look at strangers opposite me riding in the car,
Or watch honey-bees busy around the hive of a summer forenoon,
Or animals feeding in the fields,
Or birds, or the wonderfulness of insects in the air,
Or the wonderfulness of the sundown, or of stars shining so quiet and bright,
Or the exquisite delicate thin curve of the new moon in spring;
These with the rest, one and all, are to me miracles,
The whole referring, yet each distinct and in its place.

To me every hour of the light and dark is a miracle,
Every cubic inch of space is a miracle,
Every square yard of the surface of the earth is spread with the same,
Every foot of the interior swarms with the same.

To me the sea is a continual miracle,
The fishes that swim—the rocks—the motion of the waves—the ships with men in
     them,
What stranger miracles are there?

Ithaka – Konstantínos Kafávis

Konstantínos Kafávis (1863-1933) wordt beschouwd als de grootste moderne dichter van Griekenland. Hij werd in Alexandrië geboren als negende kind van een welgesteld koopmansgezin. Hij heeft een tijdlang in Engeland gewoond, maar keerde weer terug naar Griekenland. Hij was homoseksueel en had goede, maar weinig opvallende banen.

Zijn thema is het contrast tussen intense artistieke en lichamelijke genietingen en de voorbijgaande aard van alles wat zo groots en meeslepend lijkt, maar in wezen zo vergankelijk is. Hij gebruikt daartoe scènes uit de oudheid, maar hij slaagt er altijd in door zijn onopgesmukte stijl en zijn waarachtigheid dit thema heel dichtbij de lezer te brengen. Ithaka en Alexandrië zijn voor hem metaforen voor het leven zelf. Dat in dit gedicht Ithaka een metafoor is, houdt Kafávis aanvankelijk impliciet, al maakt hij het aan het eind wel duidelijk. Het lijkt een verhaaltje, maar wie enigszins versgevoelig is, voelt de enorme intensiteit van zo’n gedicht.

Hij gebruikte oudgrieks en moderngrieks door elkaar in zijn poëzie, een eigenschap die de vertaler in de moderne Europese talen niet kan nabootsen. In zijn vroege gedichten kwam soms nog onregelmatig rijm voor, later liet hij dat steeds meer los. De versregels hebben soms een jambisch metrum, maar heel vaak houdt hij zich ook daar niet strak aan.

Ithaka is misschien wel het beroemdste gedicht van Kafávis. Het centrale motief van het gedicht is ontleend aan de Odyssee van Homerus (ca. 800 v. Chr.). Ithaka is het eiland waarvan Odysseus koning was. Na de Trojaanse oorlog kostte het hem tien jaar om weer terug te keren naar Ithaka, terwijl hij daar zo snel mogelijk naar terug wilde. Allerhande tegenslag maakte dat onmogelijk. Kafávis gebruikt het Odyssee-motief, maar geeft er een geheel eigen draai aan. Het gehele gedicht is een advies om geen haast te maken, om de rijkdom te ervaren in de reis en niet in het reisdoel.

Net als bij het vorige gedicht dat ik op deze website plaatste, is er dus een centrale metafoor: in het gedicht Toen God Antonius verliet was het Alexandrië, hier is het Ithaka. Het eiland symboliseert het einddoel van onze levensreis, en de reis maakt ons rijk, niet het einddoel waarop ons leven is gericht.

Laistrygonen, Cyclopen en Poseidon zijn figuren in de Griekse mythologie.

Ik beheers geen Grieks, en ik heb dus eigenlijk gedaan wat niet mag. Aan de hand van een drietal vertalingen, twee Nederlandse en een Engelse, heb ik een eigen vertaling gemaakt. Mijn enige verontschuldiging is dat ook vertalers van naam en faam soms gebruik maken van de vertalingen van anderen die de taal wel beheersen. De gebruikte Engelse vertaling behoort overigens tot de hoogst gewaardeerde vertalingen in het Engelse taalgebied.

In Frankrijk heeft Marguerite Yourcenar de gedichten vertaald, met hulp van iemand die het Grieks goed beheerste – zo ziet u maar.

Ik heb in dit geval een vertaalpoging gewaagd omdat ik hoopte nog iets te kunnen toevoegen: ik wilde het gedicht nog wat natuurlijker in het Nederlands laten klinken zonder de nuances uit het oog te verliezen. Maar vertalen is natuurlijk ook altijd de intiemste manier om een gedicht nabij te komen.

Ik heb de volgende publicaties en websites geraadpleegd:

  1. K.P. Kafávis, Verzamelde gedichten, Amsterdam: Polak & Van Gennip 1977, dl.1, p.74/5
  2. Wim Hottentot Niet helemaal gespeend van Grieks’Maatstaf, Jrg. 32 (1984)
  3. W.H. Auden, Forewords and Afterwords, New York: Vintage Books 1974, p.333-444
  4. Joseph Brodsky, Less than One, New York: Farrar Strauss Giroux 1986, p.53-68
  5. Rozemarijn van Leeuwen, Versanalyse en interpretatie. Bespreking van het gedicht ‘Ithaka’ van Kavafis (2011)
  6. Website Rozemarijn van Leeuwen met origineel Grieks gedicht en een aantal vertalingen van Ithaka. Ik heb gebruik gemaakt van de volgende vertalingen: (1) Hans Warren en Mario Molegraaf; (2) G.H. Blanken; (3) Edmund Keeley en Philip Sherrard

Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

Ithaka

Als je op weg gaat naar Ithaka,
wens dat de tocht lang zal zijn,
rijk aan avontuur, rijk aan ervaring.
Laistrygonen, Cyclopen,
de boze Poseidon – wees niet bang voor ze:
je komt op je pad zulke wezens nooit tegen,
mits je denken voornaam blijft,
mits een verfijnd gemoed
je geest en je lichaam bezielt.
Laistrygonen, Cyclopen
de woeste Poseidon – je komt ze niet tegen
tenzij je hen meevoert in je ziel,
tenzij jouw ziel ze helder voor ogen stelt.

Wens dat de tocht lang zal zijn,
en dat er veel zomerochtenden zullen komen,
waarbij je – hoe voldaan, hoe uitgelaten –
havens binnen vaart die je voor het eerst ziet;
en dat je Phoenicische handelsposten zult aandoen
om delicate waren te kopen,
hoedster van parel en koraal, amber en ebbenhout,
een rijkdom aan zinnestrelende parfums –
zo veel sensuele parfums als je aankunt;
en dat je veel Egyptische steden mag bezoeken
om te leren, te blijven leren van de wijzen.

Houd Ithaka altijd in gedachten.
Daar aankomen is jouw ware bestemming.
Maar haast je nooit tijdens de reis.
Beter dat het jaren duurt,
en dat je oud bent wanneer je op het eiland aankomt,
overvloedig bedeeld met wat je onderweg verwierf,
zonder bijgedachte dat Ithaka je rijk zou maken.

Ithaka schonk jou de prachtige reis.
Zonder haar zou je nooit zijn vertrokken.
Niets is er dat ze je nu nog bieden kan.

En mocht je haar armoedig vinden, Ithaka bedroog je niet.
Met de wijsheid die je opdeed, met jouw rijke ervaring,
zul je op dat moment weten wat deze Ithaka’s waard zijn.

Origineel

Bron: http://www.kavafis.gr

Toen God Antonius verliet – Konstantínos Kafávis

Konstantínos Kafávis (1863-1933) wordt beschouwd als de grootste moderne dichter van Griekenland. Hij werd in Alexandrië geboren als negende kind van een welgesteld koopmansgezin. Hij heeft een tijdlang in Engeland gewoond, maar keerde weer terug naar Griekenland. Hij was homoseksueel en had goede, maar weinig opvallende banen.

Zijn thema is het contrast tussen intense artistieke en lichamelijke genietingen en de voorbijgaande aard van alles wat zo groots en meeslepend lijkt, maar in wezen zo vergankelijk is. Hij gebruikt daartoe scènes uit de oudheid, maar hij slaagt er altijd in door zijn onopgesmukte stijl en zijn waarachtigheid dit thema heel dichtbij de lezer te brengen. Alexandrië is voor hem de centrale metafoor voor het leven zelf, en de stad keert terug in veel gedichten, ook in het gedicht waar dit stuk de inleiding toe vormt. Dat het een metafoor is, houdt Kafávis heel impliciet. Het lijkt een verhaaltje, maar wie enigszins versgevoelig is, voelt de enorme intensiteit van die gedichten.

Hij gebruikte oudgrieks en moderngrieks door elkaar in zijn poëzie, een eigenschap die de vertaler in de moderne Europese talen niet kan nabootsen. In zijn vroege gedichten kwam soms nog onregelmatig rijm voor, later liet hij dat steeds meer los. De versregels hebben vaak een jambisch metrum.

Het centrale motief van het gedicht is ontleend aan een beroemde passage uit Plutarchus, Parallelle levens. Marcus Antonius die zich samen met Cleopatra in Alexandrië bevindt, hoort, voorafgaand aan de laatste veldslag met Augustus, opeens muziek en geroep. Een geheimzinnige groep muzikanten (die Bacchus lijken te zijn toegewijd), verlaat de stad, op weg naar de vijand. En de levensgenieter Marcus Antonius beseft opeens dat zijn lot bezegeld is, de goden zijn niet meer op zijn hand: hij gaat de slag verliezen. (Deze alinea is ontleend aan: Gedicht van de week: C. P. Cavafy – The god forsakes Anthony.)

Ik beheers geen Grieks, en ik heb dus eigenlijk gedaan wat niet mag. Aan de hand van een viertal vertalingen, twee Nederlandse en twee Engelse, heb ik een eigen vertaling gemaakt. Mijn enige verontschuldiging is dat ook vertalers van naam en faam soms gebruik maken van de vertalingen van anderen die de taal wel beheersen. De gebruikte Engelse vertalingen behoren overigens tot de hoogst gewaardeerde in het Engelse taalgebied.

In Frankrijk heeft Marguerite Yourcenar de gedichten vertaald, met hulp van iemand die het Grieks goed beheerste – zo ziet u maar.

Ik heb in dit geval een vertaalpoging gewaagd omdat ik hoopte nog iets te kunnen toevoegen: ik wilde het gedicht nog wat natuurlijker in het Nederlands laten klinken zonder de nuances uit het oog te verliezen. Maar vertalen is natuurlijk ook altijd de intiemste manier om een gedicht nabij te komen.

Ik heb de volgende publicaties en websites geraadpleegd:

  1. K.P. Kafávis, Verzamelde gedichten, Amsterdam: Polak & Van Gennip 1977, dl.1, p.71
  2. Wim Hottentot Niet helemaal gespeend van Grieks’, Maatstaf, Jrg. 32 (1984)
  3. W.H. Auden, Forewords and Afterwords, New York: Vintage Books 1974, p.333-444
  4. Joseph Brodsky, Less than One, New York: Farrar Strauss Giroux 1986, p.53-68
  5. Website Waarom is het goed?, ‘Gedicht van de week: C. P. Cavafy – The god forsakes Anthony
  6. Dertig gedichten Konstantinos P. Kaváfis (Vertaling Hans Warren en Mario Molengraaf), De Tweede Ronde, jrg. 4 (1983) – deze door dbnl gedigitaliseerde publicatie bevat ook het Griekse origineel
  7. The complete poems of Cavafy, vert. Rae Dalven, inl. W. H. Auden, 1961 (de inleiding van Auden is dezelfde tekst die ik hierboven ook al noemde bij de titel Forewords and Afterwords).

De Nederlandse vertalingen die ik gebruikt heb, zijn allereerst die van G.H. Blanken:

Vert. G.H. Blanken – K.P. Kafávis, Verzamelde gedichten, Amsterdam: Polak & Van Gennip 1977, dl.1, p. 71. De foto is uit een column van Tamar (Renate Rubinstein) in Vrij Nederland, 1 feb. 1986. Met dank aan Frans Linmans.

Vervolgens de vertaling van Hans Warren en Mario Molegraaf:

Vertaling Hans Warren en Mario Molegraaf (link dbnl)

De Engelse vertalingen die ik gebruikt heb zijn allereerst die van Edmund Keeley en Philip Sherrard:

Vertaling Edmund Keeley en Philip Sherrard (link)

En vervolgens de vertaling van Rae Dalven:

Vertaling Rae Dalven (link)

————————————————————————————————————————–

Geluidsopname:

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

————————————————————————————————————————-

Vertaling:

Toen God Antonius verliet

Als je opeens, om middernacht,
een onzichtbare stoet hoort langskomen
met verfijnde muziek, met luide stemmen –
mors dan geen klacht over jouw wrede lot,
jouw mislukte werken, jouw levensplannen
die stuk voor stuk illusies bleken.
Alsof je het allang wist, alsof je de moed bezat,
zeg vaarwel tegen het Alexandrië dat jou verlaat.
Wees vooral geen dwaas, zeg niet tegen jezelf
het was slechts een droom, mijn oor bedroog mij;
val niet ten prooi aan zulke ijdele hoop.
Alsof je het allang wist, alsof je de moed bezat,
sta op als de man die zo’n stad waardig is;
treedt toe tot het venster met ferme pas,
en luister, zonder de smeekbeden en het geklaag
van de lafhartige, met ontroering
en een laatste diepe vreugde naar de klanken,
de verfijnde instrumenten van de geheimzinnige stoet,
en zeg haar vaarwel, het Alexandrië dat je nu kwijt raakt.

Origineel:

Απολειπειν ο θεοσ Αντωνιον

Σἀν ἐξαφνα, ῶρα μεσἁνυχτ᾽, ἀκουσθεῖ
ἀὁρατος θίασος νἀ περνᾶ
μὲ μουσικἐς ὲξαίσιες, μὲ φωνἐς –
τὴν τύχη σου ποὺ ἐνδίδει πιά, τὰ ἔργα σου
ποὺ ἀπέτυχαν, τὰ σχἑδια τῆς ζωῆς σου
ποὐ βγῆκαν δλα πλἁνες, μὴ ἀνοφέλετα θρηνήσεις.
Σἀν ἔτοιμος ἀπὀ καιρὁ, σἀ θαρραλέος,
ἀποχαιρέτα την, τὴν Ἀλεξάνδρεια ποὺ φεύγει.
Πρὸ πάντων νὰ μὴ γελασθεῖς, μὴν πεῖς πὡς ἡταν
ἕνα ὄνειρο, πὼς ἀπατήθηκεν ἡ ἀκοή σου·
μάταιες ἐλπἱδες τἑτοιες μἠν καταδεχθεῖς.
Σἀν ἕτοιμος ἀπὀ καιρὀ, σἀ θαρραλἑος,
σἀν ποὐ ταιριάζει σε ποὐ ἀξιὡθηκες μιἀ τἑτοια πὁλι,
πλησίασε σταθερἀ πρὀς τὀ παρἁθυρο,
κι ἄκουσε μἐ συγκίνησιν, ἀλλ᾽ ὄχι
μὲ τῶν δειλῶν τὰ παρακἁλια καἰ παρἁπονα,
ὡς τελευταία ἀπὁλαυσι τοὐς ἤχους,
τὰ ἐξαἱσια ὄργανα τοῦ μυστικοῦ θιἁσου,
κι ἀποχαιρέτα την, τὴν Ἀλεξάνδρεια ποὺ χάνεις.

De heilige graal

Om de graal
na veel getob
ten langen leste
te bereiken,
moet je liegen.

Om te winnen
moet je altijd
arme dieren,
kleine boompjes
warme kinderen
die met zachte
hese stemmen,
lieve ogen
touwtje springen,
dood maken.

Kloosters horen
ruïnes te zijn;
nonnen laat je
liever niet
in leven
als ze bidden;
tederheid
is taboe.

De vrouwen
van je vijand
moet je ten slotte,
samen met je maten,
één voor één
en successievelijk
op het vuile aanrecht
neuken,
want er is stress.

En daarna?
Hup, in de kuil.
‘Decadentie is erger’,
zeg ik altijd.

Wij, omstanders
en toeschouwers
zijn vol stille
bewondering,
al gaat er soms
een rilling
door ons heen.

Een enkeling
verstijft,
maar ook hij of zij
doet niks –
gelukkig maar.

We blijven
ongerept,
zonder pijn,
zonder benul,
zonder schuld.

Soms willen we
ook zelf die kant op.

Het gaat
om de graal!

Kijk,
oorlog is oorlog,
en de droom van
vrede en recht
kan daar nooit
tegenop.

Spreek dat maar
eens tegen.

[Eigen werk]

Geluidsopname

Geluidsopname – Arie Sonneveld

Een paar opmerkingen over Autocracy, Inc. – Anne Applebaum

Anne Applebaum is een Joods-Amerikaanse journalist en historicus. Ze bezit tevens de Poolse nationaliteit. Ze is een productieve schrijver en schreef onder andere boeken over de geschiedenis van het communisme, de ontwikkeling van burgermaatschappijen in de voormalige Oostblok-landen, de Goelag en de Holodomor – de doelbewuste uitmoording van de Oekraïense bevolking door Stalin in de jaren 1932-1933 (een geregisseerde hongersnood met miljoenen doden tot gevolg).

Applebaum ontving in 2004 de Pulitzer Price in de categorie ‘General Non-Fiction’ voor haar boek Gulag: A History (2003).

In 2020 publiceerde ze Twilight of Democracy: The Seductive Lure of Authoritarianism, een boek over democratisch verval en de opkomst van partijen met autocratische neigingen in Polen, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten, en enigszins apart daarvan ook Hongarije. Haar laatste boek is Autocracy, Inc. (2024).

Ze is getrouwd met de huidige Poolse minister van buitenlandse zaken, Radosław Sikorski. Samen hebben ze twee kinderen.

Ik zal in het vervolg een paar opmerkingen over het boek maken. Het blijft beknopt en het is geen recensie.

Autocracy, Inc.

Ik open met de karakterisering van het boek door Gideon Rachman op 22 november 2024 in de Financial Times:

Vladimir Poetin staat niet alleen. Zoals Applebaum laat zien maakt hij deel uit van een informeel netwerk van autocraten waartoe ook China, Iran, Venezuela en vele andere landen behoren. In dit elegant geschreven boek beargumenteert de Amerikaanse journalist dat de nieuwe autocraten vaak gedreven worden door een hartstocht voor macht en geld, en niet zozeer door ideologie. Ze laat zien hoe de deelmnemers aan Autocratie B.V. elkaar actief en op vele manieren ondersteunen, onder meer door sanctieontduiking en het voeren van informatieoorlogen.

Autocracy, Inc. werd in 2024 gepubliceerd door uitgeverij Doubleday in New York. De ondertitel luidt: The Dictators Who Want to Run the World. Het boek is al in het Nederlands vertaald en uitgegeven onder de titel Autocratie B.V.

Het gebruik van ‘Inc.’/’BV’ in de titel is enigszins vergelijkbaar met de Nederlandse uitdrukking ‘de BV Nederland’. Het betreft dus niet letterlijk een BV, maar het onderwerp wordt voorgesteld als een entiteit die zich gedraagt als een conglomeraat van bedrijfsmatige activiteiten.

In de inleiding schrijft Applebaum dat we allemaal wel een cartoonesk beeld hebben van een autocratische staat met een schurk aan het hoofd die de beschikking heeft over een loyaal leger en een dociele politiemacht die de wind er goed onder hebben bij de bevolking. Er zijn slechte collaborateurs en soms zelfs dappere dissidenten. Maar zegt Applebaum dan, dat beeld heeft weinig meer met onze werkelijkheid te maken.

“Tegenwoordig worden autocratieën niet bestuurd door één slechterik maar door ingewikkelde netwerken die steunen op kleptocratische financiële structuren, een complex geheel van veiligheidsdiensten – militair, paramilitair en politioneel – en technische deskundigen die zorgen voor surveillance, propaganda en desinformatie. De leden van deze netwerken zijn niet alleen binnen een bepaalde autocratie met elkaar verbonden maar ook met de netwerken in andere autocratische landen, en soms ook met netwerken in democratische landen. Corrupte, door de staat gecontroleerde bedrijven in de ene dictatuur doen zaken met corrupte, door de staat gecontroleerde bedrijven in een andere. De politie in het ene land kan de politie in een ander land bewapenen, van uitrustingen voorzien en trainen. De propagandisten delen de benodigde bronnen en middelen met elkaar, de trollenfabrieken en medianetwerken die de propaganda van de ene dictator over het voetlicht brengen kunnen ook worden gebruikt om die van een andere dictator te dienen. En hetzelfde geldt voor de thema’s die ze aanroeren: het verval van de democratie, de stabiliteit van de autocratie, het kwaad dat Amerika heet.”

Dit betekent overigens niet dat ze een gedeelde ideologie hebben. Dat hoeft helemaaal niet. Je treft onder de huidige autocraten communisten, monarchisten, nationalisten en theocraten aan. De historische wortels zijn verschillend, de doelen zijn niet hetzelfde, en ze houden er allemaal hun eigen esthetiek op na.

“Anders dan militaire en politieke allianties in andere plaatsen en tijden, opereert deze groep van moderne autocraten niet als een blok, maar eerder als een conglomeraat van bedrijven die niet bijeen wordt gehouden door een ideologie, maar door een meedogenloze, koppige vastberadenheid om eigen macht en welvaart te behouden.”

Dit noemt Applebaum vervolgens: Autocracy, Inc.

Er is daarbij dus geen sprake van ‘ideals’, maar van ‘deals’. De autocraten zijn uiterst pragmatisch, ze helpen elkaar om rijkdom te vergaren en sancties te ontlopen, ze haten transparantie, ze wensen geen verantwoording af te leggen, ze voelen zich bedreigd door een ‘rule based order‘, ze kennen geen scrupules, ze erkennen niet het internationaal recht, en ze zijn ook onderling verbonden door een gemeenschappelijke haat jegens het Westen.

Opmerkelijk hierbij is dat er weliswaar vaak sprake is van ‘antiglobalisme’ en ‘nationalisme’, maar dat het toch een voluit globaal verschijnsel is.

In een aantal hoofdstukken beschrijft Applebaum waardoor deze netwerken gedreven worden en hoe ze te werk gaan. Ze geeft van elk deelonderwerp gedetailleerde voorbeelden, uit alle continenten ter wereld, waarbij ze soms zelf de personen heeft gesproken die in de tekst figureren.

De hoofdstukindeling van het boekje van 180 pagina’s (daarna volgen nog vele pagina’s eindnoten) is als volgt:

Introduction: Autocracy, Inc.
1. The Greed That Binds – Verbindende hebzucht
2. Kleptocracy Metastasizes – Kleptocratie vermenigvuldigt en verspreidt zich (als kankercellen)
3. Controlling the Narrative – Ervoor zorgen dat jij bepaalt waar het over gaat
4. Changing the Operating System – Zorgen dat de internationale rechtsorde wordt ondermijnd
5. Smearing the Democrats – Democraten is een bedenkelijk daglicht stellen
Epiloog: Democraten verenigt u

Het boek bevat een heel somber feitenrelaas, maar de auteur heeft het uiteraard geschreven om onze ogen te openen voor de ernst en omvang van het verschijnsel dat alles wat veel mensen in het Westen belangrijk vinden bedreigt: recht, vrijheid, openheid, transparantie, waarheid, eerbied voor het leven, solidariteit.

In de epiloog formuleert ze een aantal dingen die we kunnen doen om onze situatie te verbeteren: ondoorzichtige financiële constructies voorkomen, grensoverschrijdende kapitaalstromen beter in toom houden, strengere eisen stellen aan de manier waarop financiële diensten functioneren, regelgeving invoeren om nepnieuws op sociale media tegen te gaan, betere nieuwsvoorziening, exorbitante rijkdom die door het aandeelhouderskapitalisme mogelijk wordt gemaakt aan banden leggen.

Ik kan het boek zeker in uw aandacht aanbevelen.

Over Timothy Snyders boek On Freedom

Boek: Timothy Snyder, On Freedom, New York: Crown 2024

Over de auteur

Timothy Snyder was hoogleraar geschiedenis aan Yale-universiteit. Zijn specialismen zijn: de geschiedenis van Centraal- en Oost-Europa, de Sovjetunie en de Holocaust. Hij bekleedde de Richard C. Levin-leerstoel in Geschiedenis aan Yale, en hij is een permanent lid van het Instituut voor Geesteswetenschappen in Wenen. Mede als gevolg van de naargeestige politiek van Donald Trump is hij in 2025 naar Canada verhuisd (Toronto) waar hij hoogleraar is aan de Munk School of Global Affairs and Public Policy: Chair in Modern European History, Supported by the Temerty Endowment for Ukrainian Studies, and Director, Public History Lab.

Hij groeide op in Dayton, een stad in de Amerikaanse staat Ohio, in een milieu van Quakers. Hij is getrouwd met de Joods-Amerikaanse hoogleraar intellectuele geschiedenis Marci Shore en samen hebben ze twee kinderen.

Hij schreef een aantal bekende boeken, zoals: Bloodlands: Europe Between Hitler and Stalin, Black Earth: The Holocaust as History and Warning, Thinking the Twentieth Century, On Tyranny: Twenty Lessons from the Twentieth CenturyThe Road to Unfreedom, and Our Malady. Zijn laatste boek is On Freedom. Verschillende boeken zijn ook in het Nederlands vertaald.

Hij leest en spreekt een groot aantal talen, en hij heeft zich ontwikkeld van een vakhistoricus tot iemand die in de engelstalige wereld een ‘public intelectual’ wordt genoemd.

Timothy Snyder heeft veel onderzoek gedaan naar de Holocaust. Hij benadrukt dat veel meer oost- en mideneuropese joden zijn vermoord dan westeuropese, een feit dat enigszins aan het zicht wordt onttrokken doordat Auschwitz is uitgegroeid tot symbool van de systematische moord op de joden. In Treblinka, Bełzec (na Auschwitz en Treblinka het ergste vernietigingskamp; bijna niemand kent die naam) en Sobibór werden 1,5 miljoen oost-europese joden vermoord, en er zijn uit die kampen maar een paar dozijn overlevenden teruggekeerd; er zijn bovendien misschien wel meer Poolse en sovjetjoden doodgeschoten in oost-Polen en de Sovjetunie dan er in totaal tijdens de Holocaust in gaskamers zijn vermoord.[1] Snyder schreef daarover een aantal boeken die onvermijdelijk vol staan met de ergste gruwelen: terneerdrukkende geschiedenis.

Een paar woorden over het boek

On Freedom is een poging om een positief boek te schrijven, niet om de teloorgang van de beschaving te documenteren, maar om een beschavingsideaal te formuleren, om te laten zien dat ook het nastreven van iets goeds een open mogelijkheid is voor wie de vrijheid echt is toegedaan, en dus niet alleen in naam.

‘En niet alleen in naam’ – die laatste claus is niet onbelangrijk. Vrijheid is altijd goed, iedereen beroept zich erop, het is een catchword waarvan zowel autocratische en tot een totalitair bewind geneigde geesten zich bedienen, als mensen die een democratische rechtsorde zijn toegedaan, levensbeschouwelijk liberaal denken (het gaat niet om economie), en bescherming van minderheden belangrijk vinden.

Dit boek probeert het kaf van het koren te scheiden en duidelijk te maken wat een zinvolle invulling van het vrijheidsbegrip zou kunnen zijn.

Timothy Snyder opent zijn boek On Freedom (ik las het boek in het Engels) met een bezoek aan een Oekraïense dame van 58 die alles verloren heeft tijdens de Russische bombardementen op het dorp Posad-Pokrovske , iets ten noordwesten van Cherson. Ze heeft hulp gehad van vrijwilligers en instanties en ze heeft nu een klein tijdelijk onderkomen van metaal waarin ze weer gastvrijheid en huiselijkheid heeft weten te scheppen. “Is deze vrouw vrij?” vraagt Snyder zich dan af.

De Russen zijn inmiddels weer uit Posad-Pokrovske verdreven, maar een einde maken aan de bezetting lijkt toch nog iets anders dan werkelijke bevrijding. “Een einde maken aan de bezetting, de eliminatie van ellende, is alleen een noodzakelijk voorwaarde voor vrijheid, niet de zaak zelf” zegt Snyder. Hij eindigt de passage met een zin die als samenvatting van het boek kan dienen:

“Vrijheid is niet alleen een afwezigheid van kwaad, maar een aanwezigheid van wat goed is.”

Het boek zelf is een mengeling van autobiografische bespiegeling, filosofische doordenking van het begrip ‘vrijheid’, en een manifest om ons aan te sporen te streven naar positieve vrijheid, en ons niet te beperken tot het wegwerken van alles waarvan we menen dat het onze vrijheid in de weg staat.

Het onderscheid tussen positieve en negatieve vrijheid stamt van Isaiah Berlin, een van de leermeesters van Timothy Snyder. Snyder geeft er een iets andere draai aan. Negatieve vrijheid is ‘vrijheid van’: eliminatie, wegwerking van ellende, obstakels, beperkingen. Positieve vrijheid – vrijheid tot’ – is positief in drie opzichten: het is ten eerste aanwezig in een persoon of groep mensen en dus niet de afwezigheid van iets, het is vervolgens positief in de zin dat het een aanvaarding, een bevestiging, een realisering is van waarden, en het is ten slotte positief omdat het vraagt om doordacht politiek handelen. In sommige opzichten is negatieve vrijheid – de opheffing van beperkingen, obstakels – wel een voorwaarde voor de positieve vrijheid.

Snyder wijst er vaak op dat het nemen van risico een kernelement is van de uitoefening van vrijheid. Vrije wil is karakter. Misschien heeft hij dat ontleend aan de Poolse dichter Wisława Szymborska. Hij haalt haar aan in een artikel in The New York Times van 18 augustus 2017, The Test of Nazism That Trump Failed. Donald Trump liep te snoeven over zijn voortreffelijkheid. Uit Snyders onderzoek naar overlevenden van de Holocaust en hun redders had Snyder de indruk opgedaan dat echte redders daar later nooit over opschepten.

Ik moest ook denken aan een andere Poolse dichter die de Nobelprijs had gewonnen, Wisława Szymborska. Ze geeft een treffende beschrijving van een schijnbaar normale vrouw die druk was met haar dagelijkse bezigheden, maar die, toen het moment zich aandiende, regelrecht een brandend huis in rende om kinderen te redden die niet van haar waren.

“We kennen onszelf,” schreef Szymborska toen, “slechts in de mate waarin we zijn getest.”

Voorafgaand aan de test heeft het geen zin om over onze goedheid op te scheppen; naderhand is het overbodig.

Een ander voorbeeld is de Oekraïense president – inmiddels ruim duizend dagen oorlogspresident – Volodymyr Zelensky. Vrijwel iedereen dacht, inclusief de Amerikaanse regering en veel vertegenwoordigers van Europese landen, dat Zelensky het land schielijk zou verlaten toen de Russen in 2022 Oekraïne binnenvielen vanuit Rusland en Belarus. Maar niets was minder waar: Zelensky postte een filmpje in Kyiv met een aantal van zijn ministers en adviseurs, en hij zei: “Uw president is hier.” Hij ging niet weg, maar gaf leiding aan de verdediging van zijn land, en hij nam daarmee een enorm risico. Er waren Russen in Kyiv die erop uit waren een aanslag op hem te plegen. Zelensky stond daar terwijl de Russen vlakbij de buitenwijken van Kyiv waren, hij kon gewoon niet anders; dit was wat hij meende te moeten doen – en ook al lijkt dat oppervlakkig beschouwd ‘onvrij’, toch is het de hoogste vorm van vrijheid: soeverein joeg hij de hoogste waarden na die hij kende, nam hij zijn verantwoordelijkheid, deed hij iets wat veel mensen nooit zouden hebben gedaan, en stelde hij zijn lot in de waagschaal om Oekraïne vrij te maken, zijn volk te verbinden en zijn leger in zichzelf te laten geloven.

Uit het voorwoord citeer ik ten slotte een korte passage waarin Snyder de opbouw van zijn boek uiteenzet (voorwoord, p. XVIII):

Dit boek volgt een filosofische gedachtegang en de gang van een leven, een wijsgerige logica en een biografische. De eerste drie vormen van vrijheid hebben betrekking op de verschillende levensfasen: soevereiniteit hoort bij de kindertijd, onvoorspelbaarheid bij het opgroeien, en mobiliteit bij de jongvolwassenen. Feitelijkheid – trouw aan de feiten – en solidariteit zijn de volwassen vormen van vrijheid die de eerstgenoemde mogelijk maken. Elke vorm heeft een eigen hoofdstuk.

Het boek gaat over de Verenigde Staten, maar Snyder kiest voorbeelden uit West-Europa, Oost-Europa, de Sovjet-Unie en Nazi-Duitsland.

Vijf denkers komen in dit boek uitgebreid aan de orde: Frantz Fanon (Frans-Martinikaanse psychiater, schrijver, Pan-Afrikaans filosoof, vrijheidsstrijder), Václav Havel (Tsjechische toneelschrijver, dissident, denker en politicus), Leszek Kołakowski (Poolse filosoof), Edith Stein (katholieke Joods-Duitse filosoof) en Simone Weil (Joods-Franse denker en politiek activist).

Het boek is conservatief in de zin dat het veel ontleend aan onze tradities, maar het heeft ook een radicale kant omdat het een paar dingen anders voorstelt dan gebruikelijk. Sommige dingen schreef Snyder toen zijn leven aan een zijden draad hing: een verkeerd gediagnosticeerde appendicitis veroorzaakte complicaties waaraan hij bijna was overleden. Een groot deel van het boek is geschreven tijdens zijn reizen in oorlogstijd (en soms in oorlogsgebied) door Oekraïne.

Snyder heeft in 2022 ook een periode les gegeven in een gevangenis over ‘Vrijheid’. In die gevangenis zaten vooral zwarte mensen. In zijn boek wijdt hij een aantal interessante en treffende passages aan deze lessen.

Het boek is levendig, onderhoudend, en soms ronduit ontroerend, al bevat het uiteraard wel filosofische bespiegelingen. De kerngedachte van het boek is helder, maar het is wel een mixtum compositum, wat het niet eenvoudig maakt het ordelijk samen te vatten. Ik had me aanvankelijk voorgenomen er een aantal delen op mijn website aan te wijden, maar ik houd het bij deze korte inleiding.

Er ligt ten slotte een wolk van ongerustheid over dit boek. De geestelijke en politieke ontwikkelingen van Amerika baren de auteur duidelijk zorgen. Hij streeft naar iets zeer lovenswaardigs, maar ook misschien wel iets onmogelijks: hij probeert de fascistische koers van Amerika af te wenden, want vrijheid en fascisme gaan niet samen. Maar hij heeft gehandeld in de geest van dit boek door soeverein, onvoorspelbaar, mobiel, waarheidslievend en solidair te zijn. Dat is iets heel moois.

[1] Timothy Snyder, Holocaust: The Ignored Reality: The very reasons that we know something about Auschwitz warp our understanding of the Holocaust, The New York Review, 16 juli 2009. Timothy Snyder, Bloodlands: Europe Between Hitler and Stalin, New York: Basic Books, 2010 (passim).

Cynddylan op een tractor – R.S. Thomas

R.S. Thomas

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilder Mildred Eldridge (1909-1991).

[Deze intro kunt u verder overslaan, als u al eerder mijn vertalingen van R.S. Thomas onder ogen hebt gehad. Het nieuwe deel begint met de woorden: Het door mij vertaalde gedicht …]

R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).

Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.

In een treffend filmpje uit 1996 dat Bloodaxe Books beschikbaar heeft gemaakt – hier raadpleegbaar – zegt Thomas (vanaf 4’18”):

“Mocht er sowieso later nog aan mij gedacht worden, dan zal dat wel zijn om de intensiteit van een paar gedichten die ik heb geschreven. Maar, los van de gedichten, als mens hoop ik dat m’n voorbeeld van iemand die ervan hield buiten te zijn, die hield van de aardse dingen, en die het talent had meegekregen om ze niet alleen te horen maar ook te zien, voor anderen een zeker nut heeft gehad.”

Het door mij vertaalde gedicht – Cynddylan op een tractor – is een al wat ouder gedicht in het oeuvre van R.S. Thomas. Het beschrijft op een spottende manier de trots van een Welshe boer die een mooie nieuwe tractor heeft. Cynddylan – een Welshe naam die je uitspreekt als ‘kíndillən’, waarbij ‘ə‘ als een stomme ‘e’ wordt uitgesproken en alleen de eerste lettergreep beklemtoond is – is een nieuwe mens met zenuwen van staal en een hydraulische bloedsomloop. De gedomesticeerde dieren worden verstrooid en de wilde dieren verdreven door deze gehelmde ridder. Kijk hem daar eens rijden.

Het gedicht vertoont her en der wat eindrijm. De slotregels rijmen zelfs opzichtig, wat de spot benadrukt.

Thomas vreesde dat de jacht naar weelde, technische vooruitgang, gemak, gadgets en genot de mensen zouden vervreemden van de schepping en van zichzelf. Hij was een liefhebber van landschap en natuurobservatie – aandacht daarvoor was voor hem een spirituele oefening. Thomas is in zijn argwaan jegens de modernisering en de gevolgen van welvaartstoename verwant aan T.S. Eliot en Simone Weil. Zie daarvoor: Grahame Davies, Resident Aliens: R. S. Thomas and the Anti-Modern Movement, Welsh Writing in English: A Yearbook of Critical Essays, Volume 7 (2001-02): 50-77.

Ik heb het gedicht vertaald omdat het voorkomt als illustratie in een fraaie recensie van de biografie van R.S. Thomas: Byron RogersThe Man Who Went into the West: The Life of R.S.Thomas. De schrijver van die beschouwing is Theodore Dalrymple, en het stuk heet A Man Out of Time. Deze recensie is elders op deze website in vertaling beschikbaar onder de titel: Een stem die klinkt als van gene zijde.

Het gedicht werd gepubliceerd in 1952 in de bundel An Acre of Land.

Hier kunt u meer informatie over het gedicht vinden waaronder een toelichting die per versregel gegeven wordt.

Geluidsopname:

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling:

Cynddylan op een tractor

Ah, je moest Cynddylan eens zien op een tractor.
Weg is het oude beeld dat hem aan de aarde bond;
Een nieuwe mens is hij nu, deel van de machine,
De zenuwen van staal, het hart pompt olie rond.
De koppeling raast, de versnelling gehoorzaamt
Zijn kleinste bevel, en kijk, hij rijdt weg,
Van het erf,
 de kippen verstrooiend.
Rijdend naar zijn werk, zoals het een groot man betaamt,
Is hij de gehelmde ridder die de rust van het veld,
Spiegel van stilte, doorbreekt, hij die ‘t bos ontdoet
Van vossen en eekhoorns en felle gaaien.
Boven de hoge bomen rijst nu zonnegloed,
Die hagen laat oplichten, maar niet voor hem
Die zijn motor laat lopen op geheel andere brandstof.
En alle vogels zingen, vergeefs hun snavels wijd,
Als Cynddylan trots het weggetje oprijdt.

Origineel:

Cynddylan on a Tractor

Ah, you should see Cynddylan on a tractor.
Gone the old look that yoked him to the soil;
He is a new man now, part of the machine,           
His nerves of metal, and his blood oil.
The clutch curses, but the gears obey                      
His least bidding, and lo, he’s away
Out of the farmyard, scattering hens.
Riding to work now as a great man should,
He is the knight at arms breaking the fields’
Mirror of silence, emptying the wood
Of foxes and squirrels and bright jays.
The sun comes over the tall trees
Kindling all the hedges, but not for him
Who runs his engine on a different fuel.
And all the birds are singing, bills wide in vain,
As Cynddylan passes proudly up the lane.

.

Een stem die klinkt als van gene zijde – Theodore Dalrymple

Ten geleide
Dit is de vertaling van een artikel in City Journal, een Amerikaans tijdschrift dat als webpublicatie verschijnt, geschreven door Theodore Dalrymple (pseud. van Anthony Daniels): A Man Out of Time, 6 november 2006

Dalrymple’s stuk is een beschouwing/recensie naar aanleiding van: Byron Rogers, The Man Who Went into the West: The Life of R.S.Thomas, Londen: Aurum Press, 2006.

Ik heb de afgelopen jaren een kleine vijftig gedichten van de Welshe dichter Ronald Stuart Thomas (1913-2000) vertaald. De eerste persoon die mij op diens werk attendeerde was de conservatieve publicist Theodore Dalrymple (1949-). Ik heb dat stuk vertaald omdat het me nog steeds ontroert als ik het lees.

Thomas heeft de naam een grimmige figuur te zijn, maar u zult zien dat dit stuk een paar heel tedere gedichten bevat.

Ik ben het niet helemaal eens met Dalrymple’s positieve beoordeling van de biografie zoals u ook kunt nalezen in de recensie die ik zelf van die biografie heb geschreven: Over een biografie van R.S. Thomas – The Man Who Went Into the West. Maar ik vind de karakterisering die Dalrymple geeft van Ronald Stuart Thomas en de manier waarop hij die karakterisering aannemelijk maakt en illustreert met gedichten wel bijzonder geslaagd.

Een stem die klinkt als van gene zijde

Ik ben niet bijzonder frivool, maar zodra ik de poëzie van R.S. Thomas lees, of zijn biografie, kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat ik, net als de meeste mensen, het grootste deel van mijn leven valse goden heb nagejaagd. Thomas had een soortgelijk effect op anderen: John Betjeman zei in zijn inleiding op de eerste gedichtenbundel van R.S. Thomas die door een grote uitgever werd uitgegeven (in 1955) dat Thomas nog zou voortleven lang nadat hij, Betjeman, vergeten was. En een jaar later zei Kingsley Amis over het werk van Thomas dat het “de meeste moderne poëzie reduceert tot triviale gekkigheid.” Deze loftuitingen doen denken aan de woorden die Joseph Haydn, na ontvangst van de zes strijkkwartetten die Mozart aan hem opdroeg, aan diens vader schreef: “Ik zweer voor God, en als een eerlijk man, dat uw zoon de grootste componist is die ik ken, persoonlijk of van naam.”

R.S. Thomas

Ronald Stuart Thomas was een van de uitzonderlijkste literaire figuren van de twintigste eeuw. Hij werd geboren in 1913 en stierf in 2000. Zijn hele werkzame leven was hij anglicaans priester in afgelegen parochies in Wales. Hij schreef in het Engels en sprak met het accent van een Engelsman uit de hogere klasse (wat hij van geboorte niet was). Ondanks het feit dat Engelse adellijke titels indruk op hem maakten, was hij een felle, zelfs fanatieke Welshe nationalist die op zijn dertigste Welsh leerde en soms net deed alsof hij geen Engels sprak. Hoewel hij een christen was, was hij lang niet altijd menslievend. Hij stond bekend om zijn sociale onhandigheid en zwijgzaamheid; de meeste foto’s tonen hem als angstaanjagend, slechtgehumeurd en zichtbaar humorloos.

Mildred Eldridge. Dance of Life 3 Copyright: Gwydion Thomas; Supplied by The Public Catalogue Foundation

Hij huwde een kunstenares met wie zijn relatie, bezien uit het perspectief van gewone stervelingen, heel merkwaardig was. Ze spraken nauwelijks met elkaar; niemand zag ooit dat ze elkaar aanraakten; hun levens liepen meestal parallel maar ze kruisten elkaar af en toe. Ze leefden van een klein inkomen, zonder modern comfort. Bijna de enige huishoudelijke gemaksvoorziening die Thomas ooit bezat was een koelkast, waar hij al snel weer afstand van deed omdat het ding te veel lawaai maakte. Toen hij als priester met emeritaat ging, verhuisden ze naar een piepklein, onverwarmd huisje in een van de mooiste delen van Wales, waarin de temperatuur echter soms onder het vriespunt zakte.

Thomas was zeer productief en schreef meer dan 1500 gedichten. Hoewel zijn gedichten modernistisch van vorm zijn en zich bezighouden met de diepste lagen van het menselijk bestaan, raken ze onmiddellijk het gevoel. Hun taal is eenvoudig, hun weerklank diep. Aan het eind van zijn leven werden er van zijn nieuwe bundels 20.000 exemplaren verkocht in Groot-Brittannië – een enorm aantal voor iemand wiens eerste boek op eigen kosten werd gedrukt door een klein drukkerijtje boven een viswinkel in Carmathen, en een bevestiging dat niet alleen het clichématige of triviale goed verkoopt. Ook al was zijn uiterlijke leven niet veelbewogen en is er geen aanleiding om er een van die gigantische literaire biografieën aan te wijden die tegenwoordig in de mode zijn (als er al een leven is dat zoiets rechtvaardigt), een man als Thomas is van groot belang en betekenis.

Deze biografie – geschreven door iemand die Welsh als moedertaal heeft en die in 1960 als student Thomas voor het eerst ontmoette toen de dichter nog maar net bekend was geworden – is precies van de juiste lengte: de lezer hoeft niet een al te groot deel van zijn eigen leven opzij te zetten of alle andere bezigheden op te geven om het te lezen. De auteur heeft in het oog gehouden dat het doel van een dichtersbiografie is om het werk te belichten, en dit boek slaagt daar goed in. Omdat het onderwerp zowel onalledaags als briljant is, is het boek zeer onderhoudend.

R.S. Thomas – The Hermit of the Rocks (Filmpje Bloodaxe Books)

Is er één thema dat aan Thomas’ leven en werk ten grondslag ligt en dat al diens tegenstrijdigheden met elkaar verzoent? Ik denk dat we het kunnen vinden in een essay dat hij in 1946 schreef voor een klein nationalistisch tijdschrift in Wales. “Zijn niet driekwart van onze moderne kwalen,” vroeg hij, ”te wijten aan het feit dat we vergeten zijn hoe we moeten leven …?” En we zijn vergeten hoe we moeten leven omdat we weelde en lichamelijke gemakken hebben aanbeden en God de rug hebben toegekeerd. Thomas’ politieke antwoord op deze moderne zielloosheid en op de moderne vernietiging van het Welshe platteland door wegen, bouwprojecten en vakantiegangers, was het Welshe nationalisme dat een sterke preoccupatie met het verleden heeft. Voor hem vertegenwoordigde Engeland de moderniteit en dus alles wat zielloos, oppervlakkig, mechanisch, materialistisch, vulgair en ijdel is. Het observeren van de schoonheid van de natuur, vooral het landschap en de vogels, was voor hem een spirituele oefening, een herinnering dat God ons alles heeft gegeven wat we nodig hebben voor een vervuld leven, als we er maar aandacht voor hebben. Niemand kon zeggen dat hij niet probeerde te leven naar zijn credo.

Thomas voerde zijn haat tegen de moderne wereld tot schijnbaar absurde hoogten op. De biograaf interviewde zijn enige zoon, die duidelijk niet veel om zijn vader gaf (hij woont nu in Thailand met zijn Thaise vrouw, zeker niet het lot dat een nationalist uit Wales hem zou toewensen). Zijn zoon zei: “Als zoon van een predikant moest ik verplicht naar de kerk om naar hem te luisteren terwijl hij maar doordramde over het kwaad van koelkasten.” “Koelkasten?” vroeg de biograaf ongelovig. “Dat zal toch wel niet.”

The Ogre of Wales

“Oh ja, dat deed hij wel, het was de Machine, weet je,” antwoordde de zoon. “En wasmachines. En televisies. En dit tegen een gemeente die geen van deze dingen bezat en ernaar verlangde.”

Het is gemakkelijk om hier om te lachen (en de dichter Philip Larkin verwees in zijn brieven naar R. S. Thomas als stomvervelende zeurpiet [Arsewipe Thomas]). Maar in feite stelde Thomas een diepe vraag waar geen antwoord op kwam: Waar dient het leven voor? Is het alleen maar om meer te consumeren en onszelf te verdoven met steeds meer vertier en gadgets? Wat doet dit met onze ziel? In een vroeg gedicht beschrijft Thomas een boer uit Wales, apetrots op zijn nieuwe tractor:

[Vertaling:]

Cynddylan op een tractor

Ah, je moest Cynddylan eens zien op een tractor.
Weg is het oude beeld dat hem aan de aarde bond;
Een nieuwe mens is hij nu, deel van de machine,
De zenuwen van staal, het hart pompt olie rond.
De koppeling raast, de versnelling gehoorzaamt
Zijn kleinste bevel, en kijk, hij rijdt weg,
Van het erf,
de kippen verstrooiend.
Rijdend naar zijn werk, zoals het een groot man betaamt,
Is hij de gehelmde ridder die de rust van het veld,
Spiegel van stilte, doorbreekt, hij die ‘t bos ontdoet
Van vossen en eekhoorns en felle gaaien.
Boven de hoge bomen rijst nu zonnegloed,
Die hagen laat oplichten, maar niet voor hem
Die zijn motor laat lopen op geheel andere brandstof.
En alle vogels zingen, vergeefs hun snavels wijd,
Als Cynddylan trots het weggetje oprijdt.

[Origineel:]

Cynddylan on a Tractor

Ah, you should see Cynddylan on a tractor.
Gone the old look that yoked him to the soil;
He is a new man now, part of the machine,           
His nerves of metal, and his blood oil.
The clutch curses, but the gears obey                      
His least bidding, and lo, he’s away
Out of the farmyard, scattering hens.
Riding to work now as a great man should,
He is the knight at arms breaking the fields’
Mirror of silence, emptying the wood
Of foxes and squirrels and bright jays.
The sun comes over the tall trees
Kindling all the hedges, but not for him
Who runs his engine on a different fuel.
And all the birds are singing, bills wide in vain,
As Cynddylan passes proudly up the lane.

We kunnen natuurlijk twisten over de vraag of er ooit wel zo’n spirituele harmonie heeft bestaan, waarbij de mens volledig één was met alle taken die uitgevoerd moesten worden om zijn zware bestaan aan de aarde te ontrukken. Maar het gedicht wijst er in ieder geval op dat vooruitgang zoals uitgebeeld door de tractor ook verlies met zich meebrengt, in dit geval een ernstig verlies, en dat een opeenstapeling van steeds meer tractorachtige apparaten (koelkasten, wasmachines, televisies, enzovoort) niet het goede leven vormt. Want als we al deze dingen uiteindelijk hebben, rijzen nog steeds de vragen: “Wat nu?” en “Hoe moeten we leven?” en “Waarom zouden we tevreden moeten zijn met meer van hetzelfde?” Aan alle gedichten van Thomas ligt een onderzoek naar de existentiële behoeften van de mens ten grondslag, en het bange vermoeden dat de mens deze volkomen verkeerd begrepen heeft, waardoor diens hele persoonlijkheid misvormd wordt. Daarom lijkt Thomas altijd zo intens individueel, altijd een minderheid van één, zelfs in zijn huwelijk. Hij heeft de intensiteit van een profeet en het meesterschap van een dichter – opmerkelijke eigenschappen in de tweede helft van de twintigste eeuw.

Byron Rogers – foto van Facebook

De auteur van de biografie is grappig zonder respectloos te zijn. Hij laat zien dat Thomas over een droge humor beschikte en hij brengt ook de diepte van zijn karakter goed over. Hij begrijpt dat Thomas, ondanks zijn uiterlijke froideur [kilheid] (hij leek vaak de voorkeur te geven aan vogels kijken boven menselijk gezelschap), een man was met een diepgaand gevoelsleven, iets wat onze tijd van uitbundige zelfexpressie misschien moeilijk kan begrijpen of zelfs maar geloven.

Het verslag van de dood van zijn vrouw in 1991 is buitengewoon ontroerend. Ze was al lange tijd ziek. Haar slaapkamer in hun kleine huisje – dat geen voorzieningen had, naast een uitzicht dat zo mooi was dat mijn hart een keer overslaat als ik eraan denk – was bereikbaar via een ladder. Hij bracht haar thuis uit het ziekenhuis toen duidelijk werd dat ze niet meer beter kon worden, en hij droeg haar “zelf de ladder op zoals hij een bruid zou dragen,” en dat terwijl hij net een hernia-operatie had ondergaan (hij was toen 78, zij 82). Ze stierf vier dagen later.

Na haar dood schreef hij liefdesgedichten die buitengewoon teder zijn:

[Hier vindt u nog wat toelichting bij de vertaling.]

[Vertaling:]

Mildred Eldridge (Wales Online)

Tijdloos

Ze liet me alleen. Van wie
was die stem, kouder
dan grafwind, die sprak
“Het is voorbij”? Ongrijpbaar,
onzichtbaar, komt ze nog
bij me, zoals ze vaak
deed, terwijl ik wat lees.
Er is een beving
van licht, als van een vogel die
de zonnebaan kruist, en ik kijk
op in herkenning
van een afwezige aanwezigheid.
Geen woord, geen geluid
als ze haar gang gaat,
maar een geur die blijft hangen,
geur van de tijd die zichzelf offert
in liefdesvuur.

[Origineel:]

No Time

She left me. What voice
colder than the wind
out of the grave said:
“It is over?” Impalpable,
invisible, she comes
to me still, as she would
do, and I at my reading.
There is a tremor
of light, as of a bird crossing
the sun’s path, and I look
up in recognition
of a presence in absence.
Not a word, not a sound,
as she goes her way,
but a scent lingering
which is that of time immolating
itself in love’s fire.

En, zelfs met nog meer tederheid:

[Hier vind u nog wat toelichting bij de vertaling.]

[Vertaling:]

Een Huwelijk

Wij troffen elkaar
onder een stortbui
van vogelklanken.
Vijftig jaar verliepen,
moment van Liefde
in een wereld
onderhorig aan de tijd.
Ze was jong;
ik kuste haar met mijn ogen
dicht en toen ik ze opsloeg
zag ik haar rimpels.
“Kom” zei de dood,
haar uitverkiezend
als zijn partner voor
de laatste dans. En zij,
die bij leven
alles deed met de gratie
van een vogel,
opende nu haar snavel
voor het slaken
van een zucht, niet
zwaarder dan een veertje.

[Origineel:]

A Marriage

We met
under a shower
of bird-notes.
Fifty years passed,
love’s moment
in a world in
servitude to time.
She was young;
I kissed her with my eyes
closed and opened
them on her wrinkles.
“Come” said death,
choosing her as his
partner for
the last dance. And she,
who in life
had done everything
with a bird’s grace,
opened her bill now
for the shedding
of one sigh no
heavier than a feather.

Dit is des te opmerkelijker omdat, volgens de gedichten die Thomas in de loop der jaren schreef, hun huwelijk bepaald geen sprookje was. Sterker nog, hij en zijn vrouw hadden het huwelijk bijna koeltjes gesloten, zonder verwachtingen van romantische gelukzaligheid:

[Vertaling:]

Ik zag haar –
we waren jong – en spreidde instinctief
de weelde van mijn vedertooi
om aandacht. Ze werd niet misleid,
maar ze aanvaardde mij – zoals een meisje
dat onder een zuinig maantje soms doet

zonder veel liefde – als iemand
met wie je een thuis kunt maken
voor het kind waar ze van
droomde.

[Origineel:]

I saw her,
when young, and spread the panoply
of my feathers instinctively
to engage her. She was not deceived,
but accepted me as a girl
will under a thin moon,
in love’s absence as someone
she could build a home with
for her imagined child.

Vijftig jaar nadat ze getrouwd waren, schreef hij:

[Vertaling:]

Samenzijn van koude handen,
de ogen afgewend
als geloften worden afgelegd
zonder dat een woord klinkt.
Geleidelijk aan
na vijftig lange jaren
met ingehouden adem
is het hart warm geworden.

[Origineel:]

Cold hands meeting,
the eyes aside
as vows are contracted
in the tongue’s absence.
Gradually
over fifty long years
of held breath
the heart has become warm.

Ik betwijfel of er een huwelijk is dat voor de moderne ontvankelijkheid afstotelijker is dan dit huwelijk: een simpele calculatie bij de één die uitgroeit tot een onopvallende, maar diepe emotie. Juist omdat zulke relaties zo ver van ons afstaan of onalledaags zijn, is het de moeite waard om erover na te denken.

Thomas was een man van grote ernst – ernstig, niet zwaar op de hand of alleen maar eerlijk. Hij worstelde tot het einde van zijn leven om God te vinden, niet in de zin van halleluja-roepende born again-christenen, maar in de vorm van een heuse zoektocht naar de zin van het bestaan:

[Het betreft het gedicht The New Mariner. Het complete gedicht met vertaling en wat toelichting treft u hier aan.]

[Vertaling:]

Voor mij is er nu
alleen nog de God-ruimte
waarin ik mijn sondes
uitzend. Ik had uitgekeken
naar de oude dag als een tijd
van rust, een tijd om m’n horizonnen
om me heen te trekken,
herinneringen te zien rijpen
in het zonlicht van een ommuurde tuin.
Maar er is een leegte
boven mijn hoofd, er zijn de diepten
binnen in mij waaruit onvermoeibaar
signalen komen. Als astronaut
die onmogelijke reizen aflegt
naar de verste uithoeken van het ik,
keer ik terug met boodschappen
die ik niet kan ontcijferen …

[Origineel:]

For me now
there is only the God-space
into which I send out
my probes. I had looked forward
to old age as a time
of quietness, a time to draw
my horizons about me,
to watch memories ripening
in the sunlight of a walled garden.
But there is the void
over my head and the distance
within that the tireless signals
come from. And astronaut
on impossible journeys
to the far side of the self
I return with messages
I cannot decipher …

Weinig mensen leefden intenser dan Thomas, hoewel hij de windstreken van het kleine Noord-Wales zelden verliet. Al zijn relaties waren intens, zonder aandacht te trekken. Hij voelde een bittere haat jegens zijn moeder – de reden is niet helemaal duidelijk (maar ik vermoed omdat ze zo alledaags was). Toch mocht ze aan het eind van haar leven bij hem en zijn vrouw in komen wonen.

[Vertaling:]

We zorgden dat ze door
kon leven, niet zozeer uit liefde
voor haar, maar uit afkeer van de dood.

[Origineel:]

We made her live
on, not out of our affection
for her, but from a dislike of death.

Deze eerlijkheid wekt bijna de indruk dat er een huid wordt afgestroopt, maar verzoening komt aan het einde:

[Vertaling:]

De ambulance kwam
om ons te verlossen van de besognes
van haar lichaam; ze werd overgedragen
van de onkunde die ons geweten
teisterde naar de zoveel zuiverder
ziekenhuiszorg. Daar nam ik toen nog
haar hand en maakte een strak koordje
van onze vingers om de misvormde
gevoelens daarmee wat steun te geven.

[Origineel:]

The ambulance came
to rescue us from the issues
of her body; she was delivered
from the incompetence of
our conscience into the hospital’s
cleaner care. Yet I took her hand
there and made a tight-rope
of our fingers for the misshapen
feelings to keep their balance upon.

Er zijn maar weinig levens, zeker van hedendaagse figuren, die ons zo hevig naar binnen doen kijken als het leven van Thomas. Deze korte biografie is de best denkbare introductie tot zijn werk.

Marko Martin: ‘Ostpolitik van SPD en CDU heeft geleid tot pervers vredesbegrip’

Marko Martin tijdens zijn toespraak, Foto: Metodi Popow/picture alliance

Ter gelegenheid van de feestelijke herdenking in 2024 van de Val van de Muur die vijfendertig jaar geleden plaats vond, hield de Duitse schrijver Marko Martin een opmerkelijke rede (video-registratie onder de hyperlink) waarin hij bepaald niet terughoudend was met kritiek op Bondspresident Steinmeier, een man die eerder in zijn carrière de Duitse Minister van Buitenlandse Zaken was geweest. Ook oefende hij kritiek op de halfhartige houding van Duitsland jegens Oekraïne, de lafhartige houding jegens het imperiale Rusland en het gebrekkige strategische oordeelsvermogen dat voortkomt uit het streven naar voordeeltjes op de korte termijn.

De rede deed veel stof opwaaien en werd gehouden in Schloss Bellevue, de ambtswoning van de Bondspresident, in aanwezigheid van hooggeplaatste genodigden, onder wie ook een Poolse delegatie.

Marko Martin lijkt zich – doelbewust, naar ik aanneem – gekleed te hebben in de kleuren van de Oekraïense vlag (de historicus en publicist J.D. Snel attendeerde me daarop).

WELT drukte deze rede op 8 november 2024 af in de rubriek Wortlaut (uitgeschreven tekst onder de hyperlink).

Frank-Walter Steinmeier op 7 November in Schloss Bellevue Foto: Sebastian Christoph Gollnow/dpa

Na afloop stormde Steinmeier ‘wutentbrannt’ – in woede ontstoken – op de spreker af, en vervolgens beschuldigde het staatshoofd Marko Martin van ‘laster’. De omstanders moesten Steinmeier kalmeren. In een interview vertelt Martin daarover heel kalm en rustig (tekst interview onder de hyperlink).

De rede is een prachtig voorbeeld van de taak van schrijvers, journalisten en iedereen die meedoet aan het publieke debat: ‘Speaking Truth to Power’ – onwelgevallige waarheden voorhouden aan de macht. Het bekwam de macht slecht.

Enigszins verbazingwekkend is het – gegeven de woede die hij bij Steinmeier opwekte – dat Marko Martin werd uitgenodigd voor de feestrede. Ze hadden kunnen weten dat deze man niet bang is en geneigd om de macht te confronteren met zijn misstappen. Zie bijvoorbeeld deze recensie van Martins boek Dissidentisches Denken. Reisen zu den Zeugen eines Zeitalters in de Jüdische Allgemeine van 26 februari 2020: ‘Seid achtsam vor den Mächtigen’.

Ik heb deze dappere tekst tijdens een slapeloze nacht vertaald. Mijn vertaling is vandaag gepubliceerd op RAAM op Rusland, Oekraïne, Belarus.

Via de hyperlink onder deze slotzin kunt u de rede van Marko Martin in het Nederlands lezen op RAAM.

Zelfportret – R.S. Thomas

R.S. Thomas met zijn vrouw Elsi Eldridge – potlood en aquarel, door Elsi Eldridge. © Rev. R.S. Thomas

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilder Mildred Eldridge (1909-1991).

[Deze intro kunt u verder overslaan, als u al eerder mijn vertalingen van R.S. Thomas onder ogen hebt gehad. Het nieuwe deel begint met de woorden: Het door mij vertaalde gedicht …]

R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).

Een aardig artikel over Thomas’ leven en werk is van de hand van Theodore DalrympleA Man Out of Time.

Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.

In een treffend filmpje uit 1996 dat Bloodaxe Books beschikbaar heeft gemaakt – hier raadpleegbaar – zegt Thomas (vanaf 4’18”):

“Mocht er sowieso later nog aan mij gedacht worden, dan zal dat wel zijn om de intensiteit van een paar gedichten die ik heb geschreven. Maar, los van de gedichten, als mens hoop ik dat m’n voorbeeld van iemand die ervan hield buiten te zijn, die hield van de aardse dingen, en die het talent had meegekregen om ze niet alleen te horen maar ook te zien, voor anderen een zeker nut heeft gehad.”

Het door mij vertaalde gedicht is niet moeilijk te begrijpen. Er staat een bijna zestigjarige voor de spiegel, en hij bestudeert zijn blik, zijn gelaat, zichzelf. Hij trekt een paar hardhandige conclusies, en eindigt met een verlangen. De gebruikte werkwoorden ‘outdistanced‘ en ‘overtake‘, die enigszins tegenstrijdig zijn – de blijdschap die hem moet inhalen is hem voorbijgevlogen – maken duidelijk dat hier geen vanzelfsprekendheden aan de orde zijn.

Het gedicht is vrij van vorm, zonder noemenswaardig eindrijm. Het is bovendien opgetrokken uit enjambementen – zinnen die doorlopen over de versregels. Die enjambementen zijn bepaald niet willekeurig gekozen. Het zinselement dat op de volgende versregel terechtkomt verleent er een zekere nadruk en ernst aan, en is soms ook verrassend. Alledrie zijn belangrijk voor het effect dat het gedicht heeft.

Eigenlijk had ik dit gedicht een paar maanden geleden moeten vertalen, want toen was ik zelf nog 59, maar het gedicht had toen nog niet mijn aandacht getrokken.

Self Portrait werd gepubliceerd in de bundel: R.S. Thomas, Laboratories of the Spirit, London: Macmillan 1975.

Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

Zelfportret

Die lijdzame blik! Hier ben ik dan,
Zegt-ie; negenenvijftig,
kalend, de uitdaging ontlopend
van de jonge meisjes. De tijd
raakt gauw op, en de ziel is
niet af. En het hart beseft
dit is niet het portret
waarvoor het poseerde. Houd de lippen
strak; te veel teleurstellingen
hebben de mondhoeken
omlaag gehaald. Geen chirurgie
die iets aan deze lijnen kan doen; wreed
is het licht dat ze betast en de geest
huivert. Al die bedrevenheid,
leven, in het snijden van zo’n gebogen
neusvleugel en voor geen ander doel
dan walging. De schichtige ogen
staan even stil, wachtend tot een blijdschap
die uit het zicht verdween, hen in zal halen.

Origineel

Self-Portrait

That resigned look! Here I am,
it says; fifty-nine,
balding, shirking the challenge
of the young girls. Time running out
now, and the soul
unfinished. And the heart knows
this is not the portrait
it posed for. Keep the lips
firm; too many disappointments
have turned the mouth down
at the corners. There is no surgery
can mend those lines; cruelly
the light fingers them and the mind
winces. All that skill,
life, on the carving
of the curved nostril and to no end
but disgust. The hurrying eyes
pause, waiting for an outdistanced
gladness to overtake them.

Toen ik luisterde naar de geleerde astronoom – Walt Whitman

Walt Whitman (1819-1892) was een bijzondere Amerikaanse dichter die leefde in de negentiende eeuw. Hij wordt wel beschouwd als de aartsvader van het vrije vers, en de voornaamste dichtbundel waaraan hij zijn hele leven is blijven schaven is Leaves of Grass.

De titel Leaves of Grass bevat een inside joke, een grapje voor ingewijden. De titel zelf betekent ‘gras-sprietjes’ en dat geeft een bescheiden, liefelijke sfeer. Maar ‘grass’ was ook in 19e-eeuwse uitgeverskringen een negatieve term om waardeloze rommel mee aan te duiden. En ‘leaves’ zijn uiteraard ook bladzijden.

Whitman kwam uit een Quaker-gezin. Zijn vader was van Engelse afkomst zijn moeder van Nederlandse afkomst. Zijn vorming was grotendeels autodidact.

Ik kreeg de bundel Leaves of Grass van mijn stiefdochter op mijn 60e verjaardag. Het is een mooie editie met goud op snee. Ik kende Whitman nog niet goed, en dat maakt het cadeau extra waardevol.

Het gedicht dat ik vertaald heb is niet moeilijk om te begrijpen. Het contrasteert geleerdheid en kennis met de beleving van het verschijnsel waar die kennis over gaat,

Geluidsopname:

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling:

Toen ik luisterde naar de geleerde astronoom

Toen ik luisterde naar de geleerde astronoom,
Toen de bewijzen, grafieken, tabellen voor mijn neus verschenen,
Toen hij me z’n kaarten, diagrammen toonde om ze te plussen, te minnen en te waarderen,
Toen ik daar zat te luisteren naar de astronoom terwijl hij onder veel applaus sprak achter zijn spreekgestoelte,
Werd ik al snel zo ellendig, moe en afwezig,
Dat ik ten slotte afgemat opstond en wegliep
In de mystieke, klamme nacht, en zo nu en dan
Opkeek in volmaakte stilte naar de sterren.

Origineel:

When I Heard the Learn’d Astronomer

When I heard the learn’d astronomer,
When the proofs, the figures, were ranged in columns before me,
When I was shown the charts and diagrams, to add, divide, and measure them,
When I sitting heard the astronomer where he lectured with much applause in the lecture-room,
How soon unaccountable I became tired and sick,
Till rising and gliding out I wander’d off by myself,
In the mystical moist night-air, and from time to time,
Look’d up in perfect silence at the stars.

Hiep hiep hoera, het re-egent

Opdat het niet wordt vergeten: ik herinner me n.a.v. een korte tweetwisseling met Rik Wassenaar opeens een kleine vierstemmige canon die wij op de lagere school leerden:

’t Is weer regen / falderaldera / hiep hiep hoera / het re-egent.

Ik kan het nergens op het internet vinden, en toch zong ik het soms uit volle borst als ik in de regen op de fiets naar huis ging, samen met mijn medescholieren.

Voor het geval u ook de melodie wilt horen, heb ik het – gebrekkig uiteraard – voor u ingezongen.

Geluidsopname van het lied – Arie Sonneveld

Het grote voordeel van ijsberen

Het grote voordeel van ijsberen
Is dat ze niet liegen.

Ze rijten je aan stukken,
Ze veranderen je in een
Bloederig stuk ellende,
Maar liegen doen ze niet.

De leugen hoort bij
De mens.

Je kunt maar beter
IJsberen hebben.

[Eigen werk]