Auteursarchief: Arie Sonneveld

Onbekend's avatar

Over Arie Sonneveld

In 1964 ben ik geboren in Berkel en Rodenrijs. In Wageningen studeerde ik tussen 1982 en 1989 Moleculaire Wetenschappen. Van 1994 tot 2000 werkte ik als leidinggevende bij academische boekhandels in Utrecht en Leiden en van 2000 tot 2008 als afdelingshoofd bij de Leidse universiteitsbibliotheek. Sindsdien werk ik als zelfstandig redacteur en vertaler. In 2014 was ik actief als Wikipedian-in-Residence voor zes speciale en wetenschappelijke bibliotheken. Van 2008 tot en met 2014 ben ik in mijn vrije tijd werkzaam geweest als Wikipedia-redacteur onder het van Kurt Tucholsky geleende pseudoniem Theobald Tiger. Ik lees graag gedichten, aforismen en essays.

De stad – Konstantínos Kafávis

Konstantínos Kafávis (1863-1933) wordt beschouwd als de grootste moderne dichter van Griekenland. Hij werd in Alexandrië geboren als negende kind van een welgesteld koopmansgezin. Hij heeft een tijdlang in Engeland gewoond, maar keerde weer terug naar Griekenland. Hij was homoseksueel en had goede, maar weinig opvallende banen.

Zijn thema is het contrast tussen intense artistieke en lichamelijke genietingen en de voorbijgaande aard van alles wat zo groots en meeslepend lijkt, maar in wezen zo vergankelijk is. Hij gebruikt daartoe soms scènes uit de oudheid, maar hij slaagt er altijd in door zijn onopgesmukte stijl en zijn waarachtigheid dit thema heel dichtbij de lezer te brengen.

Hij gebruikte oudgrieks en moderngrieks door elkaar in zijn poëzie, een eigenschap die de vertaler in de moderne Europese talen niet kan nabootsen. In zijn vroege gedichten kwam soms nog onregelmatig rijm voor, later liet hij dat steeds meer los. De versregels hebben soms een jambisch metrum, maar heel vaak houdt hij zich ook daar niet strak aan.

Ithaka is misschien wel het beroemdste gedicht van Kafávis. Het centrale motief van het gedicht is ontleend aan de Odyssee van Homerus (ca. 800 v. Chr.). Ik heb het eerder vertaald.

Het gedicht De stad is niet moeilijk te begrijpen. Je zou het kunnen opvatten als een dichterlijke vorm van wat eerder al door de filosoof Schopenhauer was uitgedrukt. Iemand zegt tegen zichzelf:

”Het is nu zes uur ’s avonds, het werk voor vandaag zit erop. Ik kan nu een wandeling gaan maken, ik kan naar de club gaan, ik kan ook de toren beklimmen om de zon te zien ondergaan of bijvoorbeeld naar het theater gaan of deze of gene vriend opzoeken. Ik kan er zelfs vandoor gaan, de wijde wereld in en nooit meer terugkomen. Het hangt allemaal louter van mijzelf af: ik ben helemaal vrij om het allemaal te doen. Maar toch doe ik niets van dat al en ga in plaats daarvan eveneens uit Vrije Wil terug naar mijn huis, naar mijn vrouw.”

En dan vervolgt Schopenhauer met zijn raillerende water-beeldspraak:

Dat is net zoiets als wanneer het water zou beweren: ik kan mijn golven hoog laten opstaan (ja zeker, bij de storm op zee namelijk), ik kan onstuimig voortstromen (ja, in de bedding van een rivier), ik kan schuimend en spattend omlaag storten (ja, als waterval), ik kan vrij de lucht inspuiten (ja, als fontein) en ten slotte kan ik ook nog helemaal opkoken en verdwijnen (ja, bij een temperatuur van 100 graden). Maar vandaag doe ik niets van dat al, in plaats daarvan blijf ik uit Vrije Wil kalm en helder in mijn spiegelende vijver staan.

Ik beheers geen Grieks, en ik heb dus eigenlijk gedaan wat niet mag. Aan de hand van een drietal vertalingen, twee Nederlandse (G.H. Blanken en M. Blijstra) en een Engelse (Edmund Keeley and Philip Sherrard), heb ik een eigen vertaling gemaakt. Mijn enige verontschuldiging is dat ook vertalers van naam en faam soms gebruik maken van de vertalingen van anderen die de taal wel beheersen. De gebruikte Engelse vertaling behoort overigens tot de hoogst gewaardeerde vertalingen in het Engelse taalgebied.

In Frankrijk heeft Marguerite Yourcenar de gedichten vertaald, met hulp van iemand die het Grieks goed beheerste – zo ziet u maar.

Ik heb in dit geval een vertaalpoging gewaagd omdat ik hoopte nog iets te kunnen toevoegen: ik wilde het gedicht nog wat natuurlijker in het Nederlands laten klinken zonder de nuances uit het oog te verliezen. Maar vertalen is natuurlijk ook altijd de intiemste manier om een gedicht nabij te komen.


Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

De stad

Je zei: “Ik wil weg, ik wil een ander land, een andere kust,
Ik wil een andere stad die beter is dan deze.
Wat ik ook doe – het lijkt gedoemd of gaat verkeerd,
En mijn hart ligt in het graf als was het een dode.
Hoe lang nog zal ik mijn geest hier laten ontbinden?
Waar ik ook ga, waar ik ook kijk,
Ik zie de geblakerde ruïnes van mijn leven, juist daar
Waar ik al die jaren doorbracht, ze vermorste, ze totaal verwoestte.”

Je zult geen nieuw land vinden, geen andere kust.
Deze stad zal je blijven achtervolgen.
Je zult door deze straten blijven lopen, in deze buurten
Oud worden, je zult grijs worden in dezelfde huizen.
Deze stad zal je eindpunt zijn. Hoop niet op elders:
Geen schip ligt voor je klaar, er zijn geen wegen.
Nu je je leven hier hebt vermorst, in deze kleine uithoek,
Heb je het verwoest waar ook ter wereld.


Engelse vertaling (Edmund Keeley and Philip Sherrard)

The City

You said: “I’ll go to another country, go to another shore,
find another city better than this one.
Whatever I try to do is fated to turn out wrong
and my heart lies buried like something dead.
How long can I let my mind moulder in this place?
Wherever I turn, wherever I look,
I see the black ruins of my life, here,
where I’ve spent so many years, wasted them, destroyed them totally.”

You won’t find a new country, won’t find another shore.
This city will always pursue you.
You’ll walk the same streets, grow old
in the same neighborhoods, turn gray in these same houses.
You’ll always end up in this city. Don’t hope for things elsewhere:
there’s no ship for you, there’s no road.
Now that you’ve wasted your life here, in this small corner,
you’ve destroyed it everywhere in the world.


Origineel

Η πόλις

Είπες· «Θα πάγω σ’ άλλη γη, θα πάγω σ’ άλλη θάλασσα.
Μια πόλις άλλη θα βρεθεί καλλίτερη από αυτή.
Κάθε προσπάθεια μου μια καταδίκη είναι γραφτή·
κ’ είν’ η καρδιά μου — σαν νεκρός — θαμένη.
Ο νους μου ως πότε μες στον μαρασμόν αυτόν θα μένει.
Όπου το μάτι μου γυρίσω, όπου κι αν δω
ερείπια μαύρα της ζωής μου βλέπω εδώ,
που τόσα χρόνια πέρασα και ρήμαξα και χάλασα.»

Καινούριους τόπους δεν θα βρεις, δεν θάβρεις άλλες θάλασσες.
Η πόλις θα σε ακολουθεί. Στους δρόμους θα γυρνάς
τους ίδιους. Και στες γειτονιές τες ίδιες θα γερνάς·
και μες στα ίδια σπίτια αυτά θ’ ασπρίζεις.
Πάντα στην πόλι αυτή θα φθάνεις. Για τα αλλού — μη ελπίζεις—
δεν έχει πλοίο για σε, δεν έχει οδό.
Έτσι που τη ζωή σου ρήμαξες εδώ
στην κώχη τούτη την μικρή, σ’ όλην την γη την χάλασες.


Voor wie het interesseert: dit is de vertaling van Hans Warren en Mario Molegraaf, K.P. Kavafis, Gedichten, Amsterdam: Bert Bakker 1986, p.9. Deze vertaling is heel aardig, maar die heb ik niet gebruikt bij mijn eigen vertaling. Met dank aan de vraag hieronder van Ghurabalbayn.

En hier vindt u nog een oudere versie van het gedicht.

Wegzwemmen – Mary Oliver

Mary Oliver (1935-2019) is een Amerikaanse dichter, en ze werd geboren in een landelijk plaatsje, Maple Heights, vlakbij Cleveland in Ohio. Daar ontwikkelde ze een grote voorliefde voor de natuur. Ze woonde een groot deel van haar leven in Provincetown, Massachusetts.

Ze begon betrekkelijk vroeg met dichten. Ze schrijft verzen met een fraai ritme en een gevoelige toon, waarin vaak rijm ontbreekt, waarin een dichterlijke stroom en tegenstroom nooit ontbreken, verzen die ons gevoelig maken en verrijken – zoals elk goed gedicht – voor de gruwelen en de schoonheden en de geheimenissen van het bestaan – “We are nourished by the mystery” (The Fish).

Ze was bevriend met de zus van Edna St. Vincent Millay, en heeft met haar de nagelaten papieren van de dichteres geordend.

Een necrologie, geschreven door Lynn Neary, ‘Beloved Poet Mary Oliver, Who Believed Poetry ‘Mustn’t Be Fancy,’ Dies At 83‘ op de website van New Hampshire Public Radio (17 januari 2019), vindt u hier.

De slotregel van dat stuk is een voor mij zeer ontroerend en ook veelzeggend citaat uit het gedicht When Death Comes dat ik al eerder heb vertaald.

“When it’s over, I want to say: all my life / I was a bride married to amazement.”

Na haar dood in 2019 verscheen in Forward een mooi stukje van Talya Zax. Deze joodse schrijver/journalist schreef ware woorden:

The Pulitzer Prize-winning poet [Mary Oliver dus], who passed away on January 17 [2019] at age 83, was a voice of clarity in American letters. Her work, spare and full of silence, was often out of style. She was dismissed, by some who claimed authority, as a common kind of poet, not especially interesting, radical in neither subject nor form.

But when it came to the dimensions that most matter, those of language and soul, Oliver was unique. She could show you the world just as it was, and in doing so make it seem entirely new.

En ook citeerde ze de woorden van Mary Oliver:

 “The Real Prayers Are Not the Words, But the Attention that Comes First,”

Het gedicht zelf is niet heel moeilijk te begrijpen. Het is een aandachtige natuurwaarneming, fraai verwoord, met een ontroerend, universeel geldig slot.

Alle strofen bestaan uit één zin die verdeeld is via enjambementen over meerdere versregels, behalve de voorlaatste tweeregelige strofe: die bestaat uit twee korte verzen. Merk op hoe effectief dat is.

Voor mij werkt dit gedicht veel sterker dan de voorbeelden van de haiku die ik ken (de haiku streeft ook aandachtige natuurwaarneming na met een onopvallend aangebrachte universele strekking), al bewonder ik het streven naar beknoptheid dat in de haiku wordt getoond. Ongetwijfeld zijn dat culturele beperkingen waaraan ik mij niet gemakkelijk kan onttrekken, al heb ik dat wel geprobeerd.


Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

Wegzwemmen

Wie kan zeggen
of daar een zilverreiger staat
of een witte bloem
aan de oever
van de weelderige plas
vol waterlelies en kikkers?

Uren geleden opende de oranje zon
de knoppen van de waterlelies,
en de luipaardkikkers,
begonnen toen
hun lange spieren te strekken,
met hun schoolslag
als kleine groene dwergen
onder het dak van het rijke,
roestkleurige water.

Nu beginnen,
in hun omhulling van dril,
de tere eitjes van de salamander
zich te roeren.

Ze hebben genoeg geslapen.
Ze hebben een nieuw idee.

Ze willen wegzwemmen,
de wereld in.


Origineel

Swim Away

Who can say,
is it a snowy egret
or a white flower
standing
at the glossy edge
of the lily and frog-filled pond?

Hours ago the orange sun
opened the cups of the lilies
and the leopard frogs
began kicking
their long muscles,
breast-stroking
like little green dwarves
under the roof of the rich,
iron-colored water.

Now the soft
eggs of the salamander
in their wrappings of jelly
begin to shiver.

They’re tired of sleep.
They have a new idea.

They want to swim away
into the world.

Niemand mag het weten

Niemand mag het weten
dat ik veel raarder ben
dan dat ik lijk.

Want als ze dat te weten komen
dan wordt mijn raarheid
– het enige wat ik ten slotte heb –
straks ook nog
van me afgenomen.

[Eigen werk]

Wilde ganzen – Mary Oliver

Mary Oliver (1935-2019) is een Amerikaanse dichter, en ze werd geboren in een landelijk plaatsje, vlakbij Cleveland in Ohio. Daar ontwikkelde ze een grote voorliefde voor de natuur. Ze woonde een groot deel van haar leven in Provincetown, Massachusetts, een kustplaats waar de kust niet erg steil is.

Ze begon betrekkelijk vroeg met dichten. Ze schrijft verzen met een fraai ritme en een gevoelige toon, waarin vaak rijm ontbreekt, waarin een dichterlijke stroom en tegenstroom nooit ontbreken, verzen die ons gevoelig maken en verrijken – zoals elk goed gedicht – voor de gruwelen en de schoonheden en de geheimenissen van het bestaan – “We are nourished by the mystery” (The Fish).

Ze was bevriend met de zus van  Edna St. Vincent Millay, en heeft met haar de nagelaten papieren van de dichteres geordend.

Een necrologie, geschreven door Lynn Neary, ‘Beloved Poet Mary Oliver, Who Believed Poetry ‘Mustn’t Be Fancy,’ Dies At 83‘ op de website van New Hampshire Public Radio (17 januari 2019), vindt u hier.

De slotregel van dat stuk is een voor mij zeer ontroerend en ook veelzeggend citaat uit het gedicht When Death Comes dat ik al eerder heb vertaald.

“When it’s over, I want to say: all my life / I was a bride married to amazement.”

Ik heb het gedicht Wild Geese – Wilde ganzen – vertaald nadat mijn oudste dochter me vertelde dat ze een bijzondere voorliefde had voor dat gedicht.


Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

Wilde ganzen

Je hoeft niet goed te zijn.
Je hoeft niet honderd kilometer op je knieën
door de woestijn te kruipen, als boetedoening.
Het enige wat je hoeft is het zachte dier van je lichaam
Laten liefhebben wat het liefheeft.
Vertel me over wanhoop, de jouwe, en ik vertel je de mijne.
Ondertussen gaat de wereld door.
Ondertussen bewegen zon en heldere regendruppels
Langzaam over landschappen,
Over de prairies en de verre bossen,
De bergen en de rivieren.
Ondertussen keren de ganzen, hoog in de helderblauwe lucht,
Weer naar hun thuis terug.
Wie je ook bent, hoe eenzaam misschien,
De wereld schenkt zich aan jouw verbeelding,
Roept naar jou als de wilde ganzen, luid en opwindend –
En keer op keer wijzen ze jou de plaats
In de familie van alle dingen.


Origineel

Wild geese

You do not have to be good.
You do not have to walk on your knees
For a hundred miles through the desert, repenting.
You only have to let the soft animal of your body
love what it loves.
Tell me about despair, yours, and I will tell you mine.
Meanwhile the world goes on.
Meanwhile the sun and the clear pebbles of the rain
are moving across the landscapes,
over the prairies and the deep trees,
the mountains and the rivers.
Meanwhile the wild geese, high in the clean blue air,
are heading home again.
Whoever you are, no matter how lonely,
the world offers itself to your imagination,
calls to you like the wild geese, harsh and exciting —
over and over announcing your place
in the family of things.

Als de dood komt – Mary Oliver

Mary Oliver (1935-2019) is een Amerikaanse dichter, en ze werd geboren in een landelijk plaatsje, vlakbij Cleveland in Ohio. Daar ontwikkelde ze een grote voorliefde voor de natuur. Ze woonde een groot deel van haar leven in Provincetown, Massachusetts, een kustplaats waar de kust niet erg steil is.

Mary Oliver - Kevork Djansezian
Mary Oliver – Getty Images

Ze begon betrekkelijk vroeg met dichten. Ze schrijft verzen met een fraai ritme en een gevoelige toon, waarin vaak rijm ontbreekt, waarin een dichterlijke stroom en tegenstroom nooit ontbreken, verzen die ons gevoelig maken en verrijken – zoals elk goed gedicht – voor de gruwelen en de schoonheden en de geheimenissen van het bestaan – “We are nourished by the mystery” (The Fish).

Ze was bevriend met de zus van  Edna St. Vincent Millay, en heeft met haar de nagelaten papieren van de dichteres geordend.

Een necrologie, geschreven door Lynn Neary, ‘Beloved Poet Mary Oliver, Who Believed Poetry ‘Mustn’t Be Fancy,’ Dies At 83‘ op de website van New Hampshire Public Radio (17 januari 2019), vindt u hier.

De slotregel van dat stuk is een voor mij zeer ontroerend en ook veelzeggend citaat uit het gedicht – When Death Comes – dat ik hier heb vertaald.

“When it’s over, I want to say: all my life / I was a bride married to amazement.”

Mijn vorige poëzie-vertaling dateert al weer van een poosje geleden.

Ik heb dit gedicht vertaald nadat mijn oudste dochter me vertelde dat ze een bijzondere voorliefde had voor het gedicht Wild Geese van Mary Oliver, een gedicht dat ik ook inmiddels heb vertaald.

Toen herinnerde ik me het gedicht When Death Comes, een gedicht dat altijd al dicht bij me heeft gestaan, maar dat me nog meer nabij kwam nadat onlangs mijn jongere broer is overleden.


Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

Als de dood komt

Als de dood komt
zoals de hongerige beer in de herfst;
als de dood komt met al dat glimmende geld in zijn beurs

Om mij te kopen, en als hij zijn beurs dichtklapt;
als de dood komt
zoals de mazelpok komt;

Als de dood komt
Zoals een ijsberg tussen de schouderbladen,

Dan wil ik nieuwsgierig de deur binnengaan, me afvragend:
hoe is het daar eigenlijk, in dat donkere huisje?

En daarom kijk ik naar alles
als naar een gemeenschap van broers en zussen,
en ik bezie de tijd slechts als een gedachte,
en ik beschouw de eeuwigheid als ook nog een mogelijkheid,

En ik denk over elk leven als een bloem, net zo gewoon
als een madelief in de wei, en net zo bijzonder,

En aan elke naam als een aangename muzikale klank,
neigend, zoals alle muziek, naar stilte,

En ik denk over elk lichaam als een dappere leeuw, als iets
dat waarde heeft voor de aarde.

Als het voorbij is, wil ik zeggen: heel mijn leven
was ik een bruid getrouwd met verwondering.
Ik was een bruidegom die de wereld in zijn armen nam.

Als het voorbij is, wil ik me niet afvragen
of ik iets bijzonders van mijn leven heb gemaakt, iets echts.
Ik wil niet iemand zijn die op het einde zucht of bang is,
of die blijft tegensputteren.

Ik wil niet eindigen als iemand die de wereld maar een bezoekje bracht.


Origineel

When Death Comes

When death comes
like the hungry bear in autumn;
when death comes and takes all the bright coins from his purse

to buy me, and snaps the purse shut;
when death comes
like the measle-pox;

when death comes
like an iceberg between the shoulder blades,

I want to step through the door full of curiosity, wondering:
what is it going to be like, that cottage of darkness?

And therefore I look upon everything
as a brotherhood and a sisterhood,
and I look upon time as no more than an idea,
and I consider eternity as another possibility,

and I think of each life as a flower, as common
as a field daisy, and as singular,

and each name a comfortable music in the mouth,
tending, as all music does, toward silence,

and each body a lion of courage, and something
precious to the earth.

When it’s over, I want to say: all my life
I was a bride married to amazement.
I was the bridegroom, taking the world into my arms.

When it’s over, I don’t want to wonder
if I have made of my life something particular, and real.
I don’t want to find myself sighing and frightened,
or full of argument.

I don’t want to end up simply having visited this world.

Komt er een man met een hogedrukcilinder op zijn rug – Mircea Dinescu

Dit is een kleine herinnering aan een gedicht dat in het NRC in de jaren ’80 verscheen. Het is geschreven door Mircea Dinescu, een Roemeense dichter, journalist en redacteur. Hij was een dissident, een satirische geest, een dichter, iemand die vrijheid liefhad.

Het gedicht is uiteraard een evocatie van de gruwelijke tijd onder het schrikbewind van Nicolae Ceaușescu.

Ik ben nooit het zonnetje in huis geweest, en daarom onthoud ik zulke gedichtjes.

Annie M.G. Schmidt zei ooit in een interview (ik citeer uit het hoofd): “Ik vind dat ik best een interessant leven heb gehad; ik heb de Eerste Wereldoorlog meegemaakt, ook de Tweede, en als ze een beetje opschieten straks nog een Derde.” Dat is een grimmig soort grappigheid die ik zeer kan waarderen.

Zijn boek De dood leest de krant (Moartea citește ziarul) werd in 1988 door de communistische autoriteiten verboden, en werd vervolgens gepubliceerd in Amsterdam.

Ik citeer (de vertaling van) het gedicht uit het hoofd.


Hogedrukcilinder

Komt er een man
met een hogedrukcilinder op zijn rug:
“Waar zijn die kleintjes
die zich achter het meubilair verbergen?”


“Mijn vader en mijn moeder
die de Eerste Wereldoorlog hebben overleefd,
en ook de Tweede,
maar nu gaan ze het heel moeilijk krijgen.”

Het artikel ‘intervieuwen’ in Woordenschat van Taco H. de Beer en Eliza Laurillard

Vanaf 1891 verscheen in afleveringen het lexicografische naslagwerk Woordenschat, verklaring van woorden en uitdrukkingen, met medewerking van vele mannen van wetenschap, dat samengesteld werd door Taco H. de Beer en Eliza Laurillard. Het werd voltooid in 1899. Het wordt wel ‘het leukste woordenboek van de negentiende eeuw’ genoemd.

Hier treft u een informatief artikel van Ewoud Sanders aan bij de fotomechanische herdruk uit 1993.

Hier treft u een informatief artikel aan van dezelfde schrijver toen het woordenboek in 2010 integraal beschikbaar kwam op de website van de dbnl.

Citaat van Ewoud Sanders uit het NRC-artikel in 2010 (toen het woordenboek online beschikbaar kwam bij de dbnl):

Dat De Beer en Laurillard duidelijk minder preuts waren dan hun collega-woordenboekenmakers is al met één voorbeeld duidelijk te maken. In 1898 gaf de Grote Van Dale bij het woord sadisme de volgende raadselachtige toelichting: ‘Onnatuurlijke geslachtsliefde voor de vrouw’.

De makers van Woordenschat zijn er een jaar later, in 1899, blijkbaar even voor gaan zitten: „Sadisme, ziekelijke, aan krankzinnigheid grenzende en in woedenden waanzin eindigende geslachtsdrift, die uit overbevrediging ontstaat, wellust vindt in martelingen, met vingers, nagels, tanden, en niet tot bedaren komt voordat er bloed gevloeid heeft.”

Ik kocht de fotomechanische herdruk in 1993 en ik heb er vele uren mee doorgebracht. Ik gebruikte het soms om er artikelen uit voor te lezen om mijn bezoek te vermaken.

Het woordenboek is heel interessant omdat het dingen benoemt die in die tijd zelden in woordenboeken werden gezegd. Maar het is tevens heel normatief, bedilzuchtig en tijdgebonden.

Hierbij citeer ik het artikel ‘Intervieuwen’ dat ongelooflijk negatief is over het verschijnsel ‘interview’ en dat tevens blijk geeft van antisemitisme.


[Intervieuwen]
Intervieuwen, uithooren, ondervragen, van eng. to interview, eigenl. de gewoonte bij vele groote dagbladen om door een meestal indringend en zelfs brutaal man van personen, die in een of andere belangwekkende zaak betrokken zijn, op de meest onbescheiden wijze, uitvoerige en particuliere berichten te krijgen. Deze wijze van dagbladvulling is vooral algemeen geworden sedert Heinrich Oppert (geb. in 1825), te Parijs correspondent van de Times, (sedert 1871) dit middel gebruikte om opzienbarende (en vaak onbetrouwbare) berichten in de krant te krijgen. Oppert is een Boheemsch Israëliet, die als Franschman genaturaliseerd werd en de vrijheid nam zich een schijnbaar adellijken naam te geven door zich naar zijn geboorteplaats von Blowitz of de Blowitz te noemen.

Reizen – R.S. Rhomas

Inleiding
Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilder Mildred Eldridge (1909-1991).

[Deze intro kunt u verder overslaan, als u al eerder mijn vertalingen van R.S. Thomas onder ogen hebt gehad. Het nieuwe deel begint onder het hoofdje Gedicht met de woorden: Het door mij vertaalde gedicht …]

R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).

Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.

In een treffend filmpje uit 1996 dat Bloodaxe Books beschikbaar heeft gemaakt – hier raadpleegbaar – zegt Thomas (vanaf 4’18”):

“Mocht er sowieso later nog aan mij gedacht worden, dan zal dat wel zijn om de intensiteit van een paar gedichten die ik heb geschreven. Maar, los van de gedichten, als mens hoop ik dat m’n voorbeeld van iemand die ervan hield buiten te zijn, die hield van de aardse dingen, en die het talent had meegekregen om ze niet alleen te horen maar ook te zien, voor anderen een zeker nut heeft gehad.”

Het gedicht

Het door mij vertaalde gedicht – Travels – is een karakteristiek Thomas-gedicht. Ik vermoed dat het ontstaan is op een van de wandelingen in onherbergzaam Welsh gebied aan de kust.

Het gedicht wijst erop dat alles wat ertoe doet voortkomt uit aandacht en contemplatie, en dat al ons gepraat, onze kennis en onze voorstellingen niet erg behulpzaam zijn om onze bestemming te bereiken.

Verbeelding en stilte zijn essentieel. Ook de god die op een afwezige manier aanwezig is – het lijkt of hij in zichzelf verdiept is, en wij kunnen hem niet bereiken; we kunnen alleen voelen dat hij er is – is heel karakteristiek voor Thomas.

Het gedicht is opgenomen in de bundel Frequencies (1978), uitgegeven door Macmillan.

Enfin, ik hoop dat de vertaling gelukt is.


Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

Reizen

Ik ging op reis, ontdekte trucs
voor misleiding, lachte zonder te
fronsen, hield mijn lippen soepel
met leugens; leerde kwaadaardigheid
verteren, wetend dat het een kroon
was op mijn succes. Is de wereld
uitgestrekt? Zijn er streken waar de
verbeelding niet bij kan? Verloochen nooit
de kennis die je er opdeed. Hier kwam ik,
de rivier stroomopwaarts volgend
naar zijn bronnen in de Welshe
heuvels, klaar om zijn rijkdom
te ontleden; ‘k staarde naar de gladde pupil
van water die naar mij terugstaarde
op een afwezige manier zoals een god
die zich bezon op zijn eigen
navel; ‘k voelde de kilte van
onmetelijke diepten die ik hier eigenlijk
had moeten peilen; ‘k aanschouwde het
wegstromen van bronwater
voor de vorming van verre
zeeën waarop de mens moet leren navigeren
om thuis te kunnen komen.


Origineel

Travels

I travelled, learned new ways
to deceive, smiling not
frowning; kept my lips supple
with lies; learned to digest
malice, knowing it tribute
to my success. Is the world
large? Are there areas uncharted
by the imagination? Never betray
your knowledge of them. Came here,
followed the river upward
to its beginning in the Welsh
moorland, prepared to analyse
its contents; stared at the smooth pupil
of water that stared at me
back as absent-mindedly as a god
in contemplation of his own
navel; felt the coldness
of unplumbed depths I should have
stayed here to fathom; watched the running
away of the resources
of water to form those far
seas that men must endeavour
to navigate on their voyage home.

Over ‘De grote leugen’ in Mein Kampf

Ik heb afgelopen week drie boeken van de Nederlandse historicus, schrijver en musicus Ewoud Kieft (1977-) gelezen:

  • Oorlogsenthousiasme, Willem Frederik Hermans en de Tweede Wereldoorlog (Amsterdam: De Bezige Bij 2012);
  • Het verboden boek, Mein Kampf en de aantrekkingskracht van het nazisme (Amsterdam: Atlas Contact 2017);
  • Vechten voor democratie (Amsterdam: De Bezige Bij 2022).

Kieft heeft een goede pen, hij schrijft over heel interessante onderwerpen, en ik beveel de lectuur van al deze boeken van harte in uw aandacht aan.

Mijn voornaamste reserve heb ik bij het laatstgenoemde boek – Vechten voor democratie. De reden van mijn reserve is dat het boek in mijn ogen zowel te veel als te weinig aandacht besteed aan de zogeheten ‘afgehaakten’ – mensen die de democratie voor gezien houden omdat hun belangen toch niet meer worden gediend. Deze reserve verdient een aparte tekst die ik later hoop te schrijven.

Ik heb Kieft ooit (2014) ontmoet in de tijd dat ik Wikipedian-in-Residence was en voor enige weken werkte op het NIOD. Destijds zat ik een uurtje naast hem en vertelde ik hem een paar dingen over de manier waarop Wikipedia werkt. Kieft maakt ook muziek en heeft in 2020 zijn eerste roman gepubliceerd. Ik acht hem hoog.

Dit stuk gaat over een interessante passage in Mein Kampf, het boek dat Hitler schreef in de gevangenis na de mislukte Bierkellerputsch op 8/9 november 1923.

Mein Kampf is een vermoeiend boek, maar het is ook een interessant boek omdat een antisemitische absolute dictator in spe onomwonden uitlegt hoe hij te werk gaat en waarop zijn moorddadigheid is gebaseerd. En hij is heel goed in massapsychologie.

Ik geef een klein voorbeeld:

De grote meerderheid van een volk bestaat niet uit hoogleraren en evenmin uit diplomaten. Over abstracte kennis beschikt het volk nauwelijks, wat maakt dat de gevoelssfeer belangrijker is voor het gemoed dan de rede. Daarop berust ook de houding die het volk aanneemt – positief of negatief. De mensen zijn slechts ontvankelijk voor krachtige uitingen in één van beide uitersten en nooit voor iets halfslachtigs dat er tussenin zweeft. Deze gevoelshouding bepaalt tevens de buitengewone standvastigheid ervan. Het geloof breng je moeilijker aan het wankelen dan het weten, liefde is minder wisselvallig dan eerbied, haat is robuuster dan weerzin, en de drijvende kracht achter de machtigste omwentelingen op deze aarde is nooit een wetenschappelijk inzicht geweest dat de massa in zijn greep hield, maar eerder fanatisme dat haar bezielde en soms zelfs hysterie die haar voortjoeg.

Het oorspronkelijke citaat luidt (Mein Kampf, p.357-358):

Die breite Masse eines Volkes besteht weder aus Professoren noch aus Diplomaten. Das geringe abstrakte Wissen, das sie besitzt, weist ihre Empfindungen mehr in die Welt des Gefühls. Dort ruht ihre entweder positive oder negative Einstellung. Sie ist nur empfänglich für eine Kraftäußerung in einer dieser beiden Richtungen und niemals für eine zwischen beiden schwebende Halbheit. Ihre gefühlsmäßige Einstellung aber bedingt zugleich ihre außerordentliche Stabilität. Der Glaube ist schwerer zu erschüttern als das Wissen, Liebe unterliegt weniger dem Wechsel als Achtung, Haß ist dauerhafter als Abneigung, und die Triebkraft zu den gewaltigsten Umwälzungen auf dieser Erde lag zu allen Zeiten weniger in einer die Masse beherrschenden wissenschaftlichen Erkenntnis als in einem sie beseelenden Fanatismus und manchmal in einer sie vorwärtsjagenden Hysterie.

Maar nu het onderwerp zelf.

De Grote Leugen

Wie tegenwoordig over ‘The Big Lie’ leest, leest meestal een tekst over Donald Trump die net doet of de Amerikaanse verkiezingsuitslag van 2020 hem ontstolen is.

Soms wordt naar Joseph Goebbels verwezen om ‘De Grote Leugen’ te funderen. Deze bron lijkt vals. Het enige citaat dat in de buurt komt, luidt: “Die Engländer gehen nach dem Prinzip vor, wenn du lügst, dann lüge gründlich [when one lies, one should lie big], und vor allem bleibe bei dem, was du gelogen hast!”

(Aus Churchills Lügenfabrik, – Die Zeit ohne Beispiel, München: Zentralverlag der NSDAP, 1941, p. 364-369).

In Mein Kampf zelf komt het begrip wel degelijk voor, maar op een merkwaardige manier: Hitler geeft een haarscherpe analyse waarom Grote Leugens altijd werkzaam zijn, maar hij verwijt ze tegelijkertijd aan zijn doodsvijanden, de joden. Het Nederlandse Wikipedia-artikel attendeerde mij daarop. Ewoud Kieft gaat er zonder meer van uit dat dit een Hitleriaanse gedachte is.

Kieft heeft volgens mij geen ongelijk: Hitler beschrijft bijna passim niet alleen wat hij vindt, maar ook hoe je dat doel bereiken kunt. Hij is daar heel schaamteloos in: er is geen truc die hij onbenoemd laat. En dat gebeurt ook hier.

Dan nu de passage waar het om gaat: Institut für Zeitgeschichte München–Berlin, Hitler, Mein Kampf. Eine kritische Edition, Band I, Kapitel 10, p.243-244.

De tekst is hier terug te vinden: https://www.mein-kampf-edition.de/?page=band1%2Fp243.html

“(…)

Hieruit blijkt duidelijk de leugenachtigheid van de bewering dat de oorlogsnederlaag [nederlaag in WO-I] oorzaak was van Duitslands teloorgang. Nee, het militaire fiasco was op zichzelf reeds het gevolg van een hele reeks aan ziektesymptomen en hun verwekkers die het Duitse volk al in vredestijd teisterden. Dit fiasco was het eerste voor iedereen zichtbare catastrofale gevolg van een zedelijke en morele vergiftiging, een afname van het instinct tot zelfbehoud en de voorwaarden daartoe, die al jarenlang bezig waren het fundament van het volk en het rijk te ondermijnen.

Maar pas door de bodemloze leugenachtigheid van het Jodendom met zijn marxistische machinaties werd de schuld voor de teloorgang uitgerekend bij de man gelegd die met bovenmenselijke wilskracht en daadkracht als enige geprobeerd had de catastrofe die hij had zien aankomen tegen te houden met als doel om de natie een tijd van afgrijselijke vernedering en schande te besparen. Door Ludendorff als schuldige voor het verlies van de Wereldoorlog te brandmerken, werd aan de enige die gevaarlijk genoeg was om de verraders van het vaderland effectief aan te klagen, de wapens van recht en rechtvaardigheid uit handen geslagen. Men ging daarbij uit van het onbetwistbare principe dat de grootte van de leugen altijd een zekere mate van geloofwaardigheid met zich meebrengt, om reden dat de meeste mensen in hun diepste innerlijk eerder enigszins verdorven zijn dan bewust en met voorbedachten rade slecht. Door hun geestelijke primitiviteit vallen zulke mensen daarom eerder ten prooi aan een grote leugen dan aan een kleine. Ze liegen immers ook zelf soms over kleine dingen, maar ze zouden zich voor een grote leugen al te zeer schamen. Een dergelijke grove onwaarheid zou nooit in hun hoofd opkomen en ze kunnen zich dan ook nauwelijks voorstellen dat de ongehoorde brutaliteit van zo’n laaghartige misleiding mogelijk is; ja, zelfs al worden ze erover ingelicht, dan zullen ze toch nog blijven twijfelen en aarzelen waarbij ten minste een deel van de onderliggende aannames aanvaard wordt; dit is precies waarom er altijd iets overblijft van de meest schaamteloze leugen, een feit dat alle handige donders en schijnorganisaties die zich in de leugen specialiseren maar al te goed weten, reden waarom ze zulke leugens op een verachtelijke manier misbruiken.

Maar degenen die het beste weten hoe je deze juiste visie op het nut van grove onwaarheid en smaad kunt toepassen zijn altijd de joden geweest; hun hele bestaan ​​is gebaseerd op één grote leugen, namelijk dat ze een religieuze gemeenschap zijn, terwijl ze een ras zijn – en wat voor ras! Maar een van de grootste geesten van de mensheid heeft hen voor altijd vastgelegd in een zin met eeuwigheidswaarde: hij noemde hen ‘de grootmeesters van de leugen’. Wie dit niet wil aanvaarden of geloven, zal nooit of te nimmer de waarheid in deze wereld kunnen laten zegevieren.

(…)”

De genoemde grote geest was Arthur Schopenhauer: “große Meister im Lügen“, Parerga und Paralipomena (1851).

De kei in het bos

Midden in het bos, een open plek in het bos,
lag een kei, een grote, grillig gevormde kei.

Geen boom wist wat het was; een boom blijft kalm.
Een zwijn kwam soms langs, wroetend als een zwijn.

De kei bleef onberoerd, zoals het een kei betaamt.
Er was geen route – routes ontbraken geheel.

Er waren drie spreuken, spreuken die niemand wist,
die niemand, niemand ooit had gehoord.

Als je de eerste spreuk wist, als je de spreuk uitsprak,
gaf de kei water, water voor wie dorst had.

Als je de tweede spreuk wist, als je de spreuk uitsprak,
ging de kei stralen, stralen met een groot en helder licht.

De derde spreuk moest je fluisteren, een spreuk met een vraag.
De vraag mocht niet hardop – hardop was verboden.

Slechts één keer sloeg iemand de kei met een stok, een harde stok.
Toen kwam er water, maar dat water kwam maar één keer.

De kei is eenzaam – is met de eenzame verwant.
Een wandelaar komt langs, op een dag komt hij langs.

Hij zit neer bij de kei, de kei geeft wat steun.
En zie: de kei wordt warm. Warm wordt de kei!

Samen zwijgen ze. Ze zwijgen terwijl de vogels zingen.
Dan gaat de wandelaar – hij gaat waar niemand durft komen.

Hij vertelt zijn verhaal – een wandelverhaal.
Het gaat oor in, oor uit – zoals dat met verhalen gaat.

Roerloos ligt de kei in het bos – roerloos, denkt men, als de dood.
Tot in de eeuwen der eeuwen.

[Eigen werk]


Geluidsopname

Geluidsopname – Arie Sonneveld

Vroomheid en ‘Patafysica

Matthijs van Boxsel (herkomst)

Ten geleide
Dit causerietje heb ik vandaag – 6 april 2025 – gehouden op een borrel van de Nederlandse Academie voor ‘Patafysica (Bâtafysica) ter gelegenheid van de presentatie van De Centrifuge, het tijdschriftje dat ze uitgeven. Het was vandaag de datum waarop de door de Franse romanschrijver Alfred Jarry bedachte ‘Patafysica het licht zag – de wetenschap die zich bezighoudt met de uitzonderingen.

Voor een korte introductie van het Collège de Pataphysique, zie hier.

Vroomheid en ‘Patafysica

Toen Matthijs van Boxsel (1957) mij uitnodigde voor deze bijeenkomst – ik ben de vertaler van ‘Onder academici: een fabel, het stuk van Simon Leys (1935-2014) dat is opgenomen in de editie van De Centrifuge die vandaag gepresenteerd wordt –  schreef ik hem terug dat ik zou komen, en dat ik dat bovendien extra leuk vond omdat ik in wezen “een vroom kereltje” ben.

Daar zat iets sarrends in, maar het was sarrend op een halfbewuste manier. Op de een of andere manier leek mij dat passend in een patafysische atmosfeer, zonder dat ik op het moment van schrijven precies wist waarom. Of het ook zo is, moet natuurlijk nog blijken. Misschien dat u na afloop van dit causerietje mijn ogen uitsteekt, mijn oren afsnijdt, ook mijn andere ledematen vilt, waarna u mijn bloedige restanten onder luid gejoel afvoert naar een mortuarium.

De uitnodiging om hier te zijn, beschouw ik overigens als zeer eervol.

De Centrifuge, nr. 18 (met mijn bijdrage)

Het is misschien wel aardig om meteen te noemen dat mijn ietwat overmoedige aankondiging van dit causerietje gebaseerd was op een misverstand.

Mijn kennismaking met de ‘Patafysica verliep via mijn lectuur: ik heb vrij diep uit de bekers van Rudy Kousbroek (1929-2010) en Willem Frederik Hermans (1921-1995) gedronken. En mijn bibliotheek bevat ook werken van André Breton (1896-1966) en Alfred Jarry (1873-1907).

Bijna alle mensen die aardigheid aan de ‘Patafysica hebben – althans dat was mijn vooroordeel – zijn militante atheïsten die – en dat is dan weer het merkwaardige – een gierende belangstelling hebben voor kunstzinnigheid, voor artistieke experimenten, voor readymades die meer zeggen dan ze zeggen – ik zou bijna zeggen voor Het Wonder.

En wat die patafysici ook doen: ze organiseren zich, ze komen bijeen, ze hebben een eigen kalender, ze ontwikkelen talige rituelen, bijzondere aanspreekvormen, ze vergaderen in een setting die je met enige overdrijving – maar ook met enige nadruk – ‘vroom’ of ‘religieus’ kunt noemen.

Pierre Ryckmans, alias Simon Leys, in Canberra, Australia. (WILLIAM WEST/AFP/Getty Images)

Ik meende dus een conflict te zien tussen de vroomheid en het militante atheïsme. Dat zag ik niet goed, want ook de vrome katholiek Simon Leys was een heuse patafysicus. Hij was zelfs iemand die een van de oppersatrapen van het atheïsme – Christopher Hitchens (1949-2011) – op zijn nummer heeft gezet n.a.v. diens boek over Moeder Teresa (1910-1997)The Missionary Position, wat je in het Nederlands heel mooi kunt vertalen met De Missionarishouding.

Simon Leys is het pseudoniem van de grote sinoloog en essayist Pierre Ryckmans. Hij was oomzegger en naamgenoot van een andere Pierre Ryckmans (1891-1959) die “de beste gouverneur-generaal [was] die Belgisch Congo ooit heeft gekend”, zoals David Van Reybrouck (1971) schreef in het boek Congo. Ik beschouw Simon Leys als een van de grootste schrijvers van de afgelopen eeuw. Hij heeft bijna eigenhandig een eind gemaakt aan de mode onder intellectuelen om het maoïsme te omhelzen, gewoon door zich af te wenden van de leugen. Hij wist waarover hij sprak, hij had fantasie en was ten diepste ernstig, hij kon ironisch zijn en sarkastisch, hij had gevoel voor verhoudingen, hij was een estheet, hij ademde integriteit, hij heeft nooit een onleesbare regel geschreven – hij diende de waarheid.

Foto gemaakt voorafgaand aan de bijeenkomst (eigen werk)

Sinds kort weet ik dus dat ook Simon Leys satraap was van het Collège de ‘Pataphysique, iets wat mij tot dan toe was ontgaan. Het verbaast me overigens niet, want Leys was een heel onafhankelijke figuur met oog voor absurditeit – maar voor absurditeit krijg je al snel oog als je in de werkelijkheid bent geïnteresseerd.

In vrijwel alles wat ik onderneem ben ik autodidact – ik heb mijn studie Moleculaire Wetenschappen in Wageningen nooit afgemaakt, ik ben weliswaar manager geweest van een vrij grote groep academici, maar zelf ben ik eigenlijk geen academicus, ik redigeer en vertaal, maar ik heb er nooit een opleiding in genoten, laat staan dat ik beëdigd zou zijn. Ik ben dus wel enigszins eerzuchtig, maar ik ben een eerzuchtige zonder diploma’s.

De catalogus van menselijke krankzinnigheid is groter dan enige bibliotheek kan bevatten. Dat hoef ik – neem ik aan – in een gezelschap dat bekend is met de bewonderenswaardige, maar uiteraard tot mislukken gedoemde poging om die catalogus op te stellen – de Encyclopedie van de domheid (Matthijs van Boxsel) – eigenlijk niet te vertellen.

De vraag die mij kwelde is: schuilt er in die patafysische vroomheid, die gevoeligheid voor het wonder misschien toch niet iets van de krankzinnigheid die in genoemde Encyclopedie beschreven wordt, een encyclopedie die ik overigens nog nooit onder ogen heb gehad, al heb ik in mijn studententijd wel een Van Boxsel-knipsel opgenomen in mijn door papier-slurpende zilvervisjes aangetaste knipselverzameling.

Toespraak Dirk van Weelden bij dezelfde gelegenheid

Misschien heeft dit onderwerp wel een eigen lemma in de Encyclopedie van de domheid, want ook zelfironie is de patafysici – heb ik de indruk – niet geheel vreemd. En dan druk ik me gedempt uit.

Mijn knipselverzameling – die dateert van voor het digitale tijdperk – betreft zes dikke ordners waarin ik af en toe nog blader, soms met weemoed, soms met geestdrift. Want het is niet alleen À la recherche du temps perdu (Marcel Proust). Het is ook het nagaan wat me steeds heeft bewogen, de poging om het vizier scherp te houden om waar het me werkelijk om gaat. Het gaat om ernst.

Ernst – niemand in dit zaaltje zal denken dat ik werkelijk heb gedacht dat u mij in mootjes gesneden zou willen afvoeren naar een mortuarium. En toch ben ik een bange man. Ik vrees uw toorn, uw minachting, uw desinteresse – maar ik probeer die angst te trotseren. Mijn ernst ligt in mijn pogingen om iets aan te raken wat er werkelijk toe doet. Mijn angst is dat die aanraking niet wordt gezien.

Ernst, aandacht, betovering – het zijn de dingen die onze levensprogramma’s bezielen. Ten minste als we ons niet terugtrekken in de bastions van overlevering, bureaucratie en fatsoen.

Ik ben een bewonderaar van Victor Kal, een ex-gereformeerde filosoof die joods is geworden. Ook zelf ben ik van gereformeerde afkomst, om preciezer te zijn: ik was vrijgemaakt-gereformeerd. Maar ik ben geen lid meer van die gemeenschap. Wel heb ik geprobeerd om mijn religiositeit uit de failliete boedel van het gereformeerdendom te redden.

Kal definieert de kern van onze moderniteit met de termen die ik hiervoor al gebruikte: ernst, aandacht, betovering – dingen die tot een levensprogramma leiden, die leiden tot verantwoordelijkheid. Viktor Kal heeft trouwens ook een boek geschreven waarin hij een andere oppersatraap van het atheïsme aan mootjes heeft gesneden – Benedictus de Spinoza (1632-1677).

Victor Kal – foto: Dick Vos

De God van mijn overleden vader hield niet van grapjes. Ik heb eerlijk gezegd nooit in die God kunnen geloven, toen niet en nu niet. Rudy Kousbroek verdedigde soms de radicaal omgekeerde opvatting – hij geloofde in de God van de humor, een God die hij frontaal plaatste tegenover de God van de plaatijzeren ernst.

Ik denk eigenlijk dat zowel wijlen mijn vader als wijlen Rudy Kousbroek dwaalde: humor en ernst zijn geen gescheiden werelden. Maar dat hoef ik jullie – doorgewinterde patafysici – misschien niet te vertellen.

De fabel van Leys die ik vertaald heb, kun je ten slotte gebruiken voor een belangrijke literatuurles. Het is niet moeilijk om de strekking van die fabel in één zin te vangen. Maar iedereen die van lezen houdt, weet dat de strekking van het verhaal iets heel anders is dan het verhaal. Ik zal niet zeggen dat ze niks met elkaar te maken hebben, maar het zijn meer twee figuren die samen wandelen en met elkaar in gesprek zijn.

Wie zwaar op de hand is, dient luchtig te eindigen: de kern van ons bestaan is voorlopigheid, en zonder het besef daarvan zou ‘Patafysica misschien niet bestaan. Laten dus ook wij maar samen met elkaar wat wandelen en in gesprek blijven over dingen die ons ontroeren, ontstellen en aan het lachen maken.

Dank voor uw aandacht.

Arie Sonneveld

Nietzsches ogenblik – Victor Kal – deel 1

Victor Kal – foto: Dick Vos

Ten geleide
Dit is een beschouwing over het onlangs verschenen boek van Victor Kal: Nietzsches ogenblik, Amsterdam: Prometheus 2025.

Net als Victor Kal en Maarten ’t Hart ben ik van gereformeerde afkomst. En net als Kal en ’t Hart heb ik met die afkomst geworsteld. Dat is allemaal niet erg bijzonder – binnen de Nederlandse letteren wemelt het immers van de geloofsafvalligen die van hun geloofsafval – meestal in een bittere toonsoort en borrelend van de verwijten – verslag hebben gedaan.

Ik ben nooit een geloofsafvallige geweest. Mijn particuliere levensproject was om mijn religiositeit te redden uit wat ik beschouwde als de failliete boedel van het gereformeerdendom. Veel van mijn vrijgemaakt-gereformeerde studiegenoten hebben het geloof verlaten, en ze zijn het oude geloof gaan haten met een diepe haat. Ik heb wel pogingen gedaan om diezelfde weg te bewandelen, maar het is me niet gelukt.

Maarten ’t Hart is welbekend als een militante atheïst, iemand die grimmig en definitief afscheid heeft genomen van het gereformeerdendom. En ik begrijp ook wel dat hij dat heeft gedaan – de wereld waarin hij geacht werd te aarden was om veel redenen, niet in de laatste plaats ook artistieke redenen, volstrekt onaanvaardbaar.

Toch is het bijna onmogelijk om ‘t Hart niet ook als een religieus persoon te zien: hij was een man van diepe verliefdheden, iemand die de grootste euforie beleeft als hij in een koude kerk op een kerkorgel Bachs Passacaglia speelt (ik weet niet of hij dat stuk ooit gespeeld heeft, maar u begrijpt wat ik bedoel), die prachtig over zijn natuurontroeringen en menselijke verlangens schrijft.

Uiteraard bedoel ik met deze opmerkingen niet om hem via een omweg te kerstenen. In een interview noemde zijn vrouw hem ooit “een monument van verstarring”, en dat is – als het waar is (wat ik aanneem) – in ieder geval in strijd met wat Kal onder religiositeit verstaat. Laat hem maar zijn wie hij is.

Kal is na een zoektocht joods geworden.

Het aantal dichters aan wie ik moet denken als ik aan Nietzsches ogenblik denk, is bijna niet te tellen, maar er zijn – naast Maarten ’t Hart – twee romanschrijvers aan wie ik moet denken als ik aan Kals boek denk: Hella Haasse en Knut Hamsun.

Hella Haasse schreef het boekenweekgeschenk In transit – over een jong meisje dat zoekt naar een toekomst, die niet wilde worden bepaald door haar afkomst, die droomde van bijzondere dingen, die dapper haar eigen weg ging, ook al kreeg ze niet van alles en iedereen onmiddellijk applaus.

Knut Hamsun schreef Mysteriën – de beschrijving van een geheimzinnige en geïnspireerde man, een man die onvoorspelbaar was en zeer bijzondere dingen deed, die vrijwel uitsluitend onbegrip ontmoette, zich daardoor nooit uit het veld liet slaan, al eindigt het boek in een orgie van wanhoop.

Haasse was een verstandige vrouw met een bezonken oordeel, Hamsun heeft Hitler in de lucht gestoken, maar beide boeken gaan over betovering – het hoofdonderwerp van het boek van Victor Kal: Nietzsches ogenblik.

Mijn particuliere levensproject heeft enige gelijkenis met wat Nietzsche al zo veel eerder en zo veel beter heeft gedaan.

Over het werk van Victor Kal
Victor Kal, de auteur van het boek, is emeritus docent filosofie van de Universiteit van Amsterdam. Ter introductie van Kal, verwijs ik naar een stukje dat ik al eerder op deze website schreef (nog voor zijn pensioen).

In 2020 verscheen van Victor Kal De list van Spinoza – een poging om Spinoza te redden uit de handen van zijn seculier-devote bewonderaars. Het boek laat zien dat Spinoza in wezen vijandig stond tegen de moderne vrijheidsgedachte. Kal schreef in een artikel in De Vrijdagavond, online joods magazine (2023):

“[Spinoza’s Theologisch-politiek traktaat] levert een scherpe analyse van een fenomeen dat heden overal in de wereld aan de orde van de dag is. Dat fenomeen is de politieke entrepreneur die de religie inzet met het oog op een politiek doel.”

Toen De list van Spinoza verscheen, heb ik een tiental beschouwingen over Kals werk – link naar het eerste deel – op mijn website gepubliceerd. Ik heb bovendien een recensie gepubliceerd in Sophie, het tijdschrift voor reformatorische wijsbegeerte, zie hier.

In 2023 publiceerde Victor Kal Poetins filosoof, een beschouwing over het denken van de Russische denker en activist Alexander Doegin. Een beknopte beschouwing over Kals Doegin-boek kunt u ook op mijn website vinden.

In de lijst met geraadpleegde literatuur, vindt u daarnaast nog een paar interessante artikelen over deelonderwerpen.

Polemiek
Nietzsches ogenblik is polemisch in een paar opzichten: allereerst geeft het een interpretatie van Nietzsches denken die niet algemeen is, een interpretatie die je zelden of nooit aantreft bij Nietzsche-geleerden: het is een poging om Nietzsches denken te duiden als de filosofische kern van onze moderniteit: het belang van betovering, ernst en aandacht die echte creativiteit en vernieuwing mogelijk maakt. En ten tweede is het een polemiek met een seculiere cultuur die religie op grote schaal en meestal grondig misverstaat. Kal beschouwt Nietzsche als ten diepste religieus.

Dat het boek polemisch is, betekent overigens niet dat de toon schril is, of dat Kal met de hamer filosofeert. Hij schuwt de provocatie niet, maar hij doet het beheerst. Hij blijft kalm, en hij lijkt een groot vertrouwen te hebben dat uiteindelijk een rustige en scherpe uiteenzetting het pleit zal winnen. In het Nederlands Dagblad vertelde Kal onlangs dat hij geen bevrediging vond in het ‘rationalisme’ binnen zijn filosofie-studie. Dat zal waar zijn, maar aan zijn redelijkheid en beschaving hoeft niemand te twijfelen.

Wijdverbreid is de gedachte dat Nietzsche antireligieus, destructief en reactionair is. Kal verdedigt de stelling dat Nietzsche religieus, constructief en emancipatoir is. (Kal, p.9)

Kal wil de religie – die vaak wordt ingezet voor patriarchale en autoritaire doeleinden – redden uit de handen van de fundamentalisten en de volksmenners.

“Onder verwijzing naar Nietzsche kun je niet alleen laten zien dat de religie emancipatoir moet zijn, maar ook dat je haar nodig hebt om op een niet-regressieve manier uit het nihilisme te komen – dat nihilisme waar de burgerlijke samenleving al zo’n tweehonderd jaar van beticht wordt. Ziedaar misschien de essentie van mijn verhaal.” (p.9, nadruk Kal)

Met nihilisme bedoelt Kal dan een houding waarin de mens zich verschuilt achter een façade van correctheid, een houding waarin geen droom, geen durf, geen verlangen schuilt, geen mogelijkheid om af te wijken, geen energie om ooit iets nieuws te proberen.

Over Nietzsche zijn twee dingen algemeen bekend. ‘God is dood’, en ‘Aan goed en kwaad zijn we voorbij’.

Onder verwijzing naar Nietzsche verdedigt Kal twee contraire stellingen: ‘God heeft zijn beste tijd nog voor de boeg’, en ‘Wat goed en kwaad betreft staat de mensheid nog maar aan het begin’. (Kal, p.7)

Nietzsche schreef natuurlijk aforistisch, lyrisch, fragmentarisch. Toch is hij – volgens Kal – nooit in de war. Hij acht het daarom mogelijk om zijn denken samenhangend te presenteren.

Een paar kernbegrippen
Ik maak een paar opmerkingen over een aantal kernbegrippen van Victor Kal die behulpzaam kunnen zijn voor de beoordeling van de gedachtegang van Nietzsches ogenblik.

Voor Kal is het moderne vrijheidsbegrip belangrijk: geestelijk vrij zijn, geen slaaf zijn van een massabeweging, ondermaans bestel, materiële zaak of enige vorm van dwang.

Het gevoel of het besef van die vrijheid noemt Kal charme, betovering of openbaring, een geesteshouding die als kenmerken ook verwondering en verlangen heeft. Kal beschouwt deze geesteshouding als essentieel voor de moderniteit. Niet afkomst, traditie, patriarchaal bestel of ideologische dwang bepalen wat we belangrijk vinden en wat we doen – maar een aandachtige en ernstige openheid voor levensmogelijkheden die nog verborgen zijn. De betovering die van die ernstige aandacht het gevolg is, roept ook op tot verantwoordelijkheid.

Van belang is te beseffen dat deze vrijheid altijd het ‘nihilisme’ als open mogelijkheid heeft. Dit nihilisme zal er altijd zijn, het is onuitroeibaar wanneer je het vrijheidsbegrip introduceert.

Om dit vrijheidsbesef mogelijk te maken is een liberale democratie essentieel, omdat daarbinnen constitutioneel is vastgelegd dat er een vrije publieke ruimte moet zijn waarin deze betovering kan plaatsvinden – zonder overheidsinmenging – en waarin die betovering kan doorwerken in de levens van mensen. Ook kan die betovering daarin meegedeeld en uitgewerkt worden, of eventueel gecorrigeerd.

Deze oriëntatie op iets verborgens dat buiten ons ligt, acht Kal religieus. En godsdienstige riten zijn een voorbereidend handelen om die openheid, die ernst, die aandacht op te brengen teneinde die betovering te kunnen ondergaan.

Belangrijk is wel om te beseffen dat die betovering niet is voorbehouden aan mensen die zich met zoveel woorden godsdienstig of religieus noemen. Ook mensen die zichzelf agnostisch, niet-religieus of atheïstisch noemen kennen die betovering en kennen die vrijheid.

Deze vrijheid en betovering vormen – als gezegd – de kern van onze moderniteit, en ze zijn de (meestal onuitgesproken) vooronderstelling van onze liberale democratische rechtsstaten. Dat die constitutioneel geordende en gegarandeerde vrijheid momenteel wereldwijd onder grote druk staat behoeft voor Kal geen betoog, al wijdt hij er terloops wel woorden aan.

Hier vindt u de door mij geraadpleegde literatuur.

[Wordt vervolgd]

Nietzsches ogenblik – literatuuropgave – slot

Geraadpleegde literatuur

Woke – een hersenschim

Het begrip Woke komt je vaak tegen – je krijgt bijna de indruk dat het werkelijk iets betekent. Niemand weet precies wat, maar menigeen bekruipt het gevoel dat het iets heel, heel akeligs is.

Ik doe een tentatieve poging tot begripsbepaling. Woke is een min of meer samenhangende ideologie die anti-racistisch is, die klimaatpolitiek voorstaat, die beheerst wordt door ‘gender’, die vertrouwen heeft in een wetenschappelijk gefundeerde vaccinatiepolitiek, die streeft naar diversiteit, die internationale samenwerking wil bevorderen, die ontwikkelingshulp voorstaat, die een democratische rechtsstaat heel belangrijk vindt, die kosmopolitisch is georënteerd, die inclusiviteit een goede zaak vindt.

Het zwaarste verwijt dat woke-aanhangers gemaakt wordt, is dat ze ‘politiek-correct’ zijn, dat ze ‘een cancel-cultuur’ in het leven hebben geroepen, dat hun ‘liberale gezindheid’ twijfelachtig is.

Dat is een lange rij onderwerpen, en hun samenhang wordt bepaald door de gedachte dat het allemaal ‘linkse hobbies’ zijn. Quod – overigens – grotendeels non.

Zware verwijten

‘Politiek-correct’ – ‘Je bent het op schandalige wijze met mij oneens’. Dat hoeven we niet serieus te nemen. We concentreren ons op de zaak zelf.

‘Cancel-cultuur’ – zolang de overheid zich nergens mee bemoeit, is er weinig aan de hand. Als er misdrijven worden gepleegd kun je aangifte doen.

‘Liberale gezindheid’ – mij zijn geen ‘woke’-aanhangers bekend die actief autocratische, dictatoriale of totalitaire dingen nastreven. Ik ben nog nooit door een woke-aanhanger bedreigd, en niemand heeft me ooit met een koekenpan op de kop geslagen. Ze beïnvloeden evenmin verkiezingen in buitenlanden.

Overige verwijten

‘Contra racisme’ – het wil me maar niet te binnen schieten wat er voor racisme zou kunnen pleiten, en evenmin waarom we niet ruimhartig zouden willen erkennen dat onze bijdrage aan de slavenhandel een treurige dwaling was.

‘Pro klimaatpolitiek’ – vrijwel iedereen maakt zich zorgen over de opwarming van de aarde. Dat is al lang geen links of woke thema meer. Het is mogelijk dat de criteria in Nederland voor stikstofdepositie wat strenger zijn dan elders – so what, zou je zeggen.

‘Gender’ – dat lijkt me nog het sterkste argument tegen dat vermeende woke, al is het op geen stukken na voldoende om hier een tirannie te willen vestigen. ‘Geslacht’ vervangen door ‘gender’ in allerlei bureaucratische contexten, lijkt mij een bespottelijk idee. En geslachtsverandering is iets wat je alleen bij uitzondering zou moeten willen toestaan. Lui die de ene dag ‘hij’ genoemd willen worden, en de andere dag ‘zij’, of die ons willen dwingen om allerhande ongrammaticale dingen te gaan zeggen en schrijven, zou ik het liefste spitsroeden laten lopen. Bij wijze van spreken dan – niet in het echt.

‘Vaccinatiepolitiek’ – alsof er een serieus argument tegen vaccineren zou bestaan, alsof de gevoerde covid-politiek niet heel veel doden zou hebben voorkomen.

‘Diversiteit’ – natuurlijk gaan er dingen mis als je fouten uit het verleden wilt corrigeren, vanzelfsprekend zijn er tirannieke rotwijven, zoals er ook altijd miljoenen tirannieke klootzakkerige alfa-mannen geweest zijn. Die laatsten zijn er trouwens nog steeds in overvloed.

‘Internationale samenwerking’ – Het is een totale dwaling, op elk niveau van reflectie, om te doen alsof je alleen bent. Amerika was ooit de leidende partij in de Pax Americana, maar de huidige politiek om elke bondgenoot te schofferen, gaat niemand verder helpen, zeker ook Amerika niet. Een sterke Europese Unie is van cruciaal belang voor onze toekomst, wat je ook kunt zien aan de eendrachtige pogingen van Amerika, Rusland en China om Europa kapot te maken.

‘Ontwikkelingshulp’ – dat is een van de oudste ‘rechtse’ thema’s. Bolkestein vond het ook maar niks, en een van onze huidige ministers vond het zeer onlangs nodig om te zeggen dat er hulp wordt geboden, maar alleen als we er echt zelf belang bij hebben. Ik ben nog niet dood, maar anders zou ik me hebben omgedraaid in mijn graf.

‘Democratische rechtsstaat’ – het was oorspronkelijke een links thema, maar tegenwoordig wil autocratisch rechts referenda – het Oekraïne-referendum is een huiveringwekkend voorbeeld. Ze hebben geen idee waarover ze het hebben; ze weten niet wat een liberale democratische rechtsstaat inhoudt. Het is de manier om een tirannie te kunnen vestigen. De meeste mensen die voor woke worden uitgescholden zijn voorstander van een staat die gebonden is aan het recht, aan een stelsel waarin de rechten van minderheden zijn gegarandeerd.

Kosmopolitische gezindheid
Ik denk dat al die woke-haters het liefst zouden willen worden opgesloten met gelijkgezinde bleekgezichten in hun dorp.

‘Inclusiviteit’
Zoals ik graag zelf een plekje heb onder de zon, zo geldt dat ook voor ieder ander. Het is uiteraard waar dat op Amerikaanse universiteiten soms ernstige misstanden voorkomen. Een wereld zonder misstanden bestaat niet: je kunt er tegen strijden, je kunt ze proberen te corrigeren. Het belangrijkste is dat de overheid deze misstanden niet afdwingt.

Sorry voor het intrappen van al deze open deuren.

Boven en Beneden

Ten geleide
Dit stukje is ontstaan in mijn hoofd als een polemiek met Wim Berkelaar, een ex-gereformeerde historicus die veel heeft betekend voor de geschiedschrijving van de gereformeerden. Berkelaar heeft een afkeer van het stellige gereformeerde geloof, maar hij heeft wel vaak grote waardering voor de gereformeerde levensinstelling.

Hij heeft decennialang gewerkt bij HDC/VU, en ging onlangs met vervroegd pensioen. Hij treedt regelmatig op als recensent en commentator op radio en tv. Hij schrijft voor diverse landelijke dagbladen. Hij heeft ten slotte een eigen website waarin hij zijn artikelen over geschiedenis en literatuur publiceert.

Berkelaar heeft een grote hekel aan de waarheidsaanspraken van de godsdienst, en hij geselt daarom regelmatig het christendom. Hij geselt in nog heviger mate de islam. Hij maakt altijd – het zij tot zijn eer gezegd – een scherp onderscheid tussen de opvattingen die de mensen erop na houden en de mensen zelf.

Een uitspraak die Berkelaar soms aanhaalt is de uitspraak van Harry Kuitert die de aanleiding is van dit stuk: ‘Alle spreken over Boven komt van beneden’. Berkelaar beschouwt zichzelf als een epistemologisch nihilist. Hij haalt graag de volgende definitie van ‘Nihilisme’ aan (M.J. Koenen en J. Endepols, 1968): ‘Nihilisme: leer die de mogelijkheid om tot grondwaarheden inzake godsdienst, moraal, politiek enzovoorts te komen ontkent’.

Boven en Beneden

De kern van de godsdienst is dat er een Beneden is en een Boven, een aardse werkelijkheid en een goddelijke, en dat die twee iets met elkaar te maken hebben, dat er enige vorm van interactie is. Beneden looft, bidt, offert, dankt en viert; Boven openbaart zich, bestiert, toont zich in glorie en harmonie, roept ons, vermaant ons, verlost ons, wijst ons op onze verheven plicht.

Beneden en Boven mag je natuurlijk wel, maar hoef je niet letterlijk te nemen.

Ik schrijf beide woorden met een hoofdletter om duidelijk te maken dat het om geloofsvoorstellingen gaat. Spreken over een Beneden heeft alleen zin als je aanneemt dat er ook een Boven is. Zonder Boven geen Beneden.

Ik ben me er van bewust dat sommige denkers over religie God als immanent zien – God is een manier waarop Beneden aan ons verschijnt, of waarop we naar Beneden kunnen kijken. Er is ook veel gespot door astronauten en anderen over domme lieden die God op een Wolk zien zitten of die God in de Ruimte tegenkomen.

Maar voor het gemak van dit stukje – en ook omdat het beter bij mij past – ga ik uit van een transcendente God die zetelt in een Boven, die de schepper is van een Beneden, en dat er een goddelijke werkelijkheid is die verschilt van onze alledaagsheid. Maar deze goddelijke werkelijkheid staat wel met onze alledaagsheid in een ondoorgrondelijke betrekking.

Het drama van Nietzsche was de teloorgang van het Boven – en hij besefte als een van de eersten dat daarmee ons hele idee van Beneden grondig zou moeten worden herzien.

Poëzie is de kunst die in het Beneden glimpen opvangt van Boven, al bestaat er uiteraard ook een dichtkunst die geen Boven kent. Een dichtkunst die geen Boven kent, wordt gauw steriel: woordspelletjes, intelligente bedenksels, surrealistische decalcomanieën, gedoe met palindromen, egotistisch gedram.

Van de grote dichters van de afgelopen eeuw zijn er vrij veel religieus, zij het nooit orthodox – de lijst is lang: W.H. Auden, Czeslaw Milosz, Christian Wiman, Joseph Brodsky, Adam Zagajewski, T.S. Eliot, Martinus Nijhoff, R.S. Thomas, Geoffrey Hill, William Butler Yeats, Wallace Stevens, enz. Ze hadden allemaal een beeld van Boven en Beneden, al kon dat beeld uiteraard onderling sterk verschillen.

Het is niet verwonderlijk dat militante atheïsten zoals Rudy Kousbroek (1929-2010) een hekel aan poëzie hadden. Natuurlijk probeerden ze voor Ersatz te zorgen, en daarom schreven ze soms kindergedichtjes op de achterpagina van het NRC, maar ze hadden een gruwelijke hekel aan alle poëzie. Daar is ook speciaal het surrealisme voor uitgevonden. Bij Kousbroek zou je nog ressentiment kunnen vermoeden: hij kon het gewoon niet zo goed, en daarom kon hij niet meekomen met de Braak-dichters. Ook E. du Perron (1899-1940) was eigenlijk geen dichter, maar een rijmelaar.

Er zijn ook kunstenaars die glimpen menen op te vangen van Boven, maar die valse, weliswaar emotionerende, maar uiteindelijk steriele voorstellingen geven. Voorbeelden: Adriaan Roland Holst (1888-1976) en Arnold Böcklin (1827-1901).

Het hele idee van ‘vals’ en ‘waar’ (of waarachtig) vooronderstelt het idee van een Boven en Beneden. Als er een ‘echt’ bestaat, dan moet er ook een ‘niet-echt’ zijn, en iets wat ‘echt’ is moet duidelijk maken dat het ‘echt’ is, d.w.z. een merkteken van ‘echtheid’ hebben, kortom het moet een klein beetje lijken op iets van Boven. Authentiek en niet-authentiek, vals en waar, echt en niet-echt, goed en kwaad – ze komen voort uit, ze worden in spanning gehouden door een wereldbeeld dat een Boven en een Beneden kent.

Het denkbeeld dat de moraal geen godsdienstige oorsprong hoeft te hebben wordt door veel moderne denkers gedeeld. We leerden van Frans de Waal (1948-2024) dat ook Bonobo’s lief, zorgzaam en empathisch konden zijn. Erg overtuigen doet dat me niet. De natuur levert legio voorbeelden van wreedheid en bloeddorst, en zorgzaamheid voor de clanleden vind ik niet getuigen van een volwassen moraal. Je kunt heel goed betogen dat de christelijke moraal een afscheid betekent van het loyaliteitsdenken – de moraal werd universeel.

Je hebt inspiratie en transpiratie. Inspiratie komt van Boven, transpiratie hoort bij Beneden. Iedereen die schrijft weet dat transpiratie onvermijdelijk is. Maar ook inspiratie is geen verzinsel.

‘Alle spreken over Boven komt van beneden, ook de uitspraak dat iets van Boven komt’, schreef Harry Kuitert (1924-2017). Hij schreef dat in 1974 in Zonder geloof vaart niemand wel, een boek dat een bestseller werd.

Kuitert was in zijn tijd een bekende, zelfs beroemde gereformeerde theoloog die in de loop van zijn leven langzaam maar zeker zijn geloof verloor. Hij deed daarvan verslag in theologische publieksboeken waarin hij het christelijke geloof ten grave droeg. Tegelijkertijd probeerde hij om de ernst, de aandacht, de gerichtheid op het eeuwige – de houding die aan dat geloof ten grondslag lag – nog enigszins te behouden.

Een bekende uitspraak over vrijzinnigheid – het soort vrijzinnigheid dat Kuitert belichaamde maar ook mede vorm gaf – is dat die geen volgende generaties kent. De genoemde ernst, aandacht en gerichtheid blijven op deze manier niet in stand.

Daarin schuilt iets heel merkwaardigs: de geloofshouding wordt weliswaar door veel atheïsten mooi gevonden, maar het geloof zelf blijkt zonder uitzondering iets belachelijks te wezen (het Theologisch-politieke tractaat van Spinoza is er speciaal voor geschreven) – wat overigens integraal deel uitmaakt van het belachelijke geloof zelf: “Want het woord des kruises is wel voor hen, die verloren gaan, een dwaasheid, maar voor ons, die behouden worden, is het een kracht Gods.” (1 Korinthiërs 1:18).

Wat Kuitert deed is daarom vooral het Boven elimineren. Als er geen interactie is, geen handeling van Boven, geen openbaring – en dat impliceert zijn uitspraak – dan is er geen Boven meer. Hij verzette zich terecht tegen lieden die menen dat ze altijd gelijk hebben omdat hun woorden rechtstreeks van Boven – Senkrecht von Oben – zouden komen. Een dergelijk beroep op Boven is gemakzuchtig en vals. Maar het idee dat Boven zich niet meer kan openbaren aan Beneden, omdat alle openbaring kletspraat is van Beneden, vind ik een grote verarming, een verlies, een nodeloze verschraling.

In het Ten Geleide hierboven, haalde ik de door Wim Berkelaar graag gehanteerde Koenen/Endepols-definitie van Nihilisme aan: ‘Nihilisme: leer die de mogelijkheid om tot grondwaarheden inzake godsdienst, moraal, politiek enzovoorts te komen ontkent’.

Het merkwaardige is dat die definitie niet strijdig is met enig ‘geloof’, met enig Boven. Ook aanhangers van een Boven weten heel goed dat ze niet tot wetenschappelijke, empirisch verifieerbare zekerheden met betrekking tot hun moraal, overtuiging en politieke voorkeur kunnen komen. En misschien kun je het nog wel sterker uitdrukken: religie zou überhaupt niet kunnen bestaan als die grondwaarheden onomstotelijk konden worden vastgesteld.

Orthodoxie is geen begrip dat voor aanhangers van Boven geldt. Ik heb – met enige overdrijving gezegd – nog nooit een orthodoxe gelovige ontmoet. Dat begrip geldt alleen voor instituties. De verbetenheid waarmee de afgelopen eeuwen is gestreden tegen Boven, berust mede op het misverstand dat onze authenticiteit wordt belemmerd door institutionele beperkingen van Beneden. Maar een orthodoxie van het gemoed is uiteindelijk niet het doel van institutionele orthodoxieën (al zijn er wel kerkgenootschappen die op dit punt grote en ontoelaatbare dwang uitoefenen op hun leden) – kerkleer, religieuze dogmatiek is meer een kwestie van praktische politiek waaraan geen instituut ooit ontkomt. Alleen een radicaal anarchisme ontkomt eraan – maar die houding kent weer andere problemen.

De eliminatie van Boven is een geheimzinnig verschijnsel. Het prestige van de wetenschap wordt er vaak bij aangeroepen. Maar wetenschap heeft daar weinig mee te maken. De middeleeuwers wisten ook heel goed dat de verrijzenis geen alledaagse gebeurtenis is, dat over het water lopen helemaal niet kan, dat ezels niet kunnen praten, dat water maar hoogst zelden verandert in wijn.

De uitspraak van Kuitert gaat ten slotte over ‘spreken’. Boven heeft alleen weinig te maken met spreken, met wat we zeggen. Sterker nog: we weten zelden of nooit waarover we spreken – we lullen maar wat. Geloven gaat helemaal niet over proposities. Dat is meer iets voor theologen.

Boven kan uiteraard niet experimenteel worden aangetoond. En ook sociale wetenschappen zullen nooit onomstotelijk kunnen vaststellen dat Beneden verschraalt als Boven verdwijnt.

Het verdwijnen van een Boven kan de meesten van ons bovendien niks schelen. Een meerderheid juicht die verdwijning zelfs toe. Een stukje als dit wordt alleen nog door Neanderthalers geschreven. En misschien is dat ook wel goed: God troont op onze lofzangen, en als we ophouden met zingen verliest Hij zijn troon – het is nooit anders geweest. Wie zingen kan, die zinge.

Grachtenhuis – J.L. Heldring

Deze afbeelding van Heldring werd vele jaren afgedrukt bij de column ‘Dezer Dagen’

De in zijn tijd bekende journalist Jérôme Louis Heldring (1917-2013) was onder veel meer hoofdredacteur NRC Handelsblad, politiek commentator, schrijver van het bekende stuk Lof van het Conservatisme, en vooral de schrijver van de NRC-column Dezer Dagen (1960 tot 2012).

Hij was in zijn jonge jaren een romantische ziel met ook religieuze aanvechtingen en een korte rechtse bevlieging. Hij is altijd een groot bewonderaar van Carry van Bruggen gebleven – vooral haar Prometheus – maar hij was ook overigens in kunst en literatuur geïnteresseerd. In zijn studententijd schreef hij gedichten. Ik heb er één van hem in huis omdat ik toevallig de (vrij zeldzame) bron een keer had gekocht bij een Kringloop.

Bron: Leidsche Lier, Keur uit de lyrische en verhalende bijdragen verschenen in de jaren 1935-1945 in Virtus Concordia Fides en den Almanak van het Leidsche Studenten Corps, Leiden: H.E. Stenfert Kroese 1946, p.55.

Het gedicht is vlak voor of net in de oorlogsjaren geschreven. Het betreft een rijmend sonnet, grotendeels geschreven in een jambische vijfvoet, maar met wel zo nu en dan metrische afwijkingen. De taal is voor ons gevoel wat ouderwets, nog een beetje gemodelleerd naar de Tachtigers.

Het is een moedergedicht. De wending is na het octet (de eerste acht regels). Voor en na de wending gaat het over de moeder, maar na de wending gaat het vooral over de dood.

Het is wel een wrang gedicht als je beseft dat Heldrings moeder overleed toen hij nog maar zeven jaar oud was – in Rome. Heldring stamde uit een patriciërsgezin – zijn vader Ernst Heldring werd wel ‘De onderkoning van Amsterdam’ genoemd; zijn grootvader was Balthazar Heldring, een zakenman, bankier en publicist; J.L. Heldrings overgrootvader was Ottho Gerhard Heldring, predikant en voorman van Het Réveil. In zijn jeugd heeft hij lange tijd in een grachtenhuis gewoond.

De opmaak van het sonnet wijkt enigszins af van het gewone sonnet-patroon, de slotterzine is opgedeeld in een distichon en een slotregel. De wending wordt niet zichtbaar gemaakt met een witregel.

Het is naar mijn smaak een heel competent en geslaagd gedicht, zeker voor een student.


Grachtenhuis

Achter de huizen stond de blauwe regen,
Maar wij speelden tegen de steenen muur.
Slechts moeder nam tegen het avonduur
Ons in den tuin. Haar stem was ons een zegen
Na de zon van den dag, waarin we deden.
Dan zag ik naar haar op – heur zwarte haar
Tegen de ijle lucht, alsof een schaar
Uit zwart papier dien vorm had uitgesneden.
Soms kwam in mij het denken aan haar dood,
Dan kneep mijn hand nog vaster in de hare,
Omdat ik wilde, dat zij weerstand bood.


’t Gebeurde ’s avonds meest in ’t teere, klare
Licht, dat in hooge grachtentuinen zwerft.

Ik dacht: als zij maar overdag niet sterft.

——————————————————————————————————————————-

Onder academici: een fabel – Simon Leys

Kamer in het huis van Simon Leys met een portret van Leys door Matthew Lynn.

Ten Geleide
A Fable From Academe – Dit is de vertaling van een fabel, een jeux d’esprit, in dit geval een hilarisch verhaal met een serieuze ondertoon, van de Belgische sinoloog en intellectueel Simon Leys (pseudoniem van Pierre Ryckmans). Het verscheen voor het eerst – voor zover ik weet – in: Simon Leys, The Hall of Uselessness: Collected Essays, New York: New York Review of Books 2011, p.465-468.

Voor een introductie van Simon Leys verwijs ik naar de gelinkte pagina elders op deze website.

Ik heb de namen van het land en van de genoemde geleerden en hoogwaardigheidsbekleders licht aangepast om ook in het Nederlands een vergelijkbaar absurd effect te krijgen.

‘Patafysica is een begrip dat werd gemunt door de Franse dichter en toneelschrijver Alfred Jarry (1873-1907) die invloed heeft gehad op de ontwikkeling van dadaïsme en surrealisme.

Deze vertaling is gepubliceerd in De Centrifuge (april 2025), het officiële orgaan van stichting De Nederlandse Academie voor ‘Patafysica, dat alleen onder de leden wordt verspreid in een oplage van 250 exemplaren.

Ter gelegenheid van de publicatie van het Centrifuge-nummer heb ik een causerietje gehouden: Vroomheid en ‘Patafysica.

Matthijs van Boxsel – regent van de Nederlandse afdeling van het Collège de ‘Pataphysique – wees mij er onlangs op (17 maart 2025) dat Simon Leys de rang van satraap bekleedde binnen deze ludieke organisatie. Uit de Duitse wikipedia-pagina over dit College leer ik dat er ook een leerstoel Krokodilologie bestaat. Dat wist ik niet toen ik dit stuk vertaalde. Ik acht het dus mogelijk dat de naam van Professor Crocodil moet worden veranderd in Professor Krokodil – zoals hij ook in de Engelse tekst genoemd wordt.

Onder academici – een fabel

Dit stuk dat bijna een halve eeuw geleden werd geschreven, is nooit gepubliceerd, maar het circuleerde onofficieel onder vrienden, en onder vrienden van vrienden. Als gevolg daarvan ontving ik ten slotte aardig wat brieven van academici uit verre oorden – volslagen onbekenden – die me verzekerden dat ze persoonlijk getuige waren geweest van wat nu juist in mijn kleine fabel werd uitgebeeld en opgeroepen: ze herkenden zelfs de hoofdrolspelers! Dit was voor mij de bevestiging van wat ik altijd al vermoedde: werkelijkheid imiteert fictie.

Er was in Timboectoo een geweldige universiteit die de culturele trots was van het hele land. Een heel oude geleerde, genaamd Hoetoedan, doceerde aan de Faculteit Toegepaste Patafysica van die universiteit. Patafysica is (zoals u ongetwijfeld weet) de wetenschap die in de ochtend de bewegingen van koeiestaarten observeert om te kunnen voorspellen of het in de middag zal gaan regenen. Het is een zeer vernuftige discipline die een uitzonderlijk scherp gezichtsvermogen vereist, en wel omdat de kleinste rukjes van de staarten afzonderlijk moeten worden geregistreerd en geïnterpreteerd. Hoetoedan was gezegend met goede ogen en hoewel hij in veel andere opzichten niet al te snugger was, had zijn unieke patafysische expertise hem grote internationale faam opgeleverd; hij werd door vele beroepsgroepen vanuit de hele wereld benaderd en geraadpleegd, en het postkantoor had elke dag twee kamelen nodig om hem al zijn inkomende post te bezorgen. Leerlingen stroomden toe. Hij had een druk en gelukkig leven.

Op de Faculteit Toegepaste Patafysica was nog een andere geleerde die Galosj heette. Niemand kon zich precies herinneren wanneer, hoe of waarom Galosj aangenomen was op de faculteit. De arme man was blind geboren en door zijn gebrek kon hij natuurlijk niet deelnemen aan het reguliere patafysische werk. Maar ten slotte kwam men er achter dat Galosj over een paar talents de société beschikte. Zo kon hij jongleren met drie telefoons tegelijk en daarbij ook nog typen met zijn tenen. Daarom werden hem enkele secretariële taken toevertrouwd, waardoor hij zich nuttig voelde ondanks zijn lichamelijke handicap. Dit verhoogde zijn moreel enorm. Zijn drie telefoons rinkelden constant, zijn typemachine ratelde en pingelde. Hij had een druk en gelukkig leven.

Jammer genoeg begon Galosj, na jarenlang zo geleefd te hebben, zich te vervelen met zijn telefoons, en hij koesterde de droom om een vooraanstaand patafysicus te worden. Omdat de verschillende faculteitstaken allemaal op papier moesten komen, en omdat hij de enige was die kon typen, kwam hij op een briljant idee: hij zou andere blinden uitnodigen om de leerlingen van Hoetoedan te komen opleiden; Hoetoedan zelf en alle collega’s die konden zien, zouden uitsluitend worden ingezet voor het schoonmaken en netjes houden van de facultaire toiletten.

Zoals ik al zei, was Hoetoedan nogal traag van begrip in alles wat niet met patafysica te maken had. Deze keer duurde het echter niet lang voordat hij doorhad dat er iets vreemds aan de hand was. Dus op een dag puntte hij zijn snor, poetste zijn tanden, liet zijn schoenen glimmen, en klopte aan bij de rector magnificus, de wijze en bedachtzame professor Crocodil. Als ik zeg dat hij bij de rector magnificus aanklopte, is dat slechts bij wijze van spreken, want er was geen deur om aan te kloppen. Professor Crocodil had het vaste voornemen om het wereldrecord wijs en bedachtzaam academisch bestuur te breken: hij was er al dertig jaar in geslaagd de universiteit te leiden zonder ook maar één besluit of ook maar één initiatief genomen te hebben. Om deze vlekkeloze staat van dienst zuiver te houden, hield hij zich permanent schuil en transformeerde hij het universitaire hoofdgebouw in een vesting met een gracht eromheen; de enige toegang was over een ophaalbrug die bemand werd door een legertje dronken dwergen. Maar op die dag was professor Crocodil net toevallig aan het vissen in de gracht en zo kon Hoetoedan hem zijn verhaal vanaf de overkant van het water toeroepen, ondanks alle inspanningen van de dronken dwergen. Professor Crocodil luisterde aandachtig naar hem voordat hij terugriep: “Maakt u zich geen zorgen, meneer! Ik zal deze zaak onderzoeken. Ik neem snel contact met u op.”

Nadat hij het verhaal had aangehoord, ontstak de wijze en bedachtzame professor Crocodil in grote verontwaardiging: die Hoetoedan gedroeg zich werkelijk op een zeer onverantwoordelijke manier – zelfs als zijn klacht ongegrond was, zou het de reputatie van de universiteit kunnen schaden; maar als het zou blijken te kloppen, waren de gevolgen natuurlijk nog veel ernstiger. Dit kon vanzelfsprekend niet getolereerd worden. Hij gaf onmiddellijk zijn trouwste assistent, de faculteitsdecaan (wiens naam ik vergeten ben), de opdracht om een onderzoek in te stellen. De decaan was een zeer onbeduidende man; zo onbeduidend zelfs dat iedereen zijn naam voortdurend vergat – hij was daarom genoodzaakt zijn naam op een archiefkaartje te zetten dat met een knijpertje aan de revers van zijn jasje was vastgemaakt.

Zodra hij de opdracht had ontvangen, ging de decaan aan de slag. Eerst voerde hij een lang gesprek met de theejuffrouw van de faculteit, waarin het weer werd besproken. Hij legde deze meteorologische overwegingen nauwgezet vast. Daarna scheurde hij een twintigtal pagina’s uit een verouderd telefoonboek. Tot slot pakte hij een oude editie van De Timboectoo Telegraaf, bestemd om te gebruiken als inpakpapier in een nabijgelegen vis-winkel. Terug in zijn kantoor niette hij de notulen van zijn gesprek met de theejuffrouw, de uit het telefoonboek gescheurde pagina’s en de visverpakking aan elkaar. Hij stopte alles in een map en schreef met de kleurpotloden die hij van de Kerstman cadeau had gekregen op de kaft: RAPPORT AANGEBODEN AAN DE RECTOR MAGNIFICUS MET BETREKKING TOT HET ONDERWIJZEN VAN DE PATAFYSICA EN ANDERE GERELATEERDE EN ONGERELATEERDE ZAKEN.

De rector verslond het rapport van kaft tot kaft en voelde zich enorm opgelucht. Hij schreef onmiddellijk naar Hoetoedan: “Zoals beloofd heb ik met de decaan overlegd over de kwestie die u aan de orde stelde. U zult blij zijn te horen dat het rapport van de decaan geen enkel bewijs bevat voor de twijfels en angsten die u hebt geuit.” Toen hij dit las, was ook Hoetoedan erg opgelucht; hij ging met een opgeruimd gemoed verder met het schrobben van de faculteitstoiletten.

Van tijd tot tijd heeft Hoetoedan nog wel eens last van nostalgische gevoelens; hij mist de herfstochtenden in de weilanden met hun geur van mist en paddenstoelen, de momenten waarop hij enthousiaste jonge patafysici begeleidde bij hun eerste pogingen om koeien te observeren die met hun staart stonden te zwaaien – maar vervolgens brengt hij zich te binnen wat professor Crocodil hem had gezegd: een wereldberoemde patafysicus in dienst nemen om de toiletten schoon te maken is kiezen voor een “multidisciplinaire aanpak” – wat ze tegenwoordig op alle moderne universiteiten doen.

Galosj is nog steeds zo blind als een mol, maar dat maakt niet uit; hij ontving honoris causa een diploma voor helderziendheid en werd onlangs benoemd tot buitengewoon hoogleraar in de Patafysica. Het gerucht gaat dat er nog meer aan zit te komen – maar dat kan ik niet goed beoordelen, want ik woon niet in Timboectoo.

Reiziger – Adam Zagajewski

Adam Zagajewski (1945-2021) is een Poolse dichter, vertaler, essayist en romanschrijver. Hij werd geboren in Lviv, wat nu in Oekraïne ligt. In zijn tijd was het nog Polen.

Zagajewski behoort tot een uitzonderlijke generatie Poolse dichters waartoe ook Czesław MiłoszZbigniew Herbert (1924-1998), Wisława Szymborska (1923-2012), Tadeusz Różewicz (1921-2014) behoorden. Wat me treft bij Zagajewski is het besef dat gruwel en vreugde onlosmakelijk verbonden zijn, dat ze samen ons leven uitmaken.

Een heel mooi interview met Zagajewski verscheen in De Groene op 17 april 2019: Bezing het verminkte continent – een verwijzing – een citaat zelfs – naar zijn beroemdste gedicht. Interviewer is de schrijver Jan Postma.

Enfin, ik heb ook dit gedicht van Zagajewski (net als het vorige) vertaald zonder Pools te beheersen. Ik heb in dit geval de Engelse vertaling van Clare Cavanagh vertaald.

De vertaling van Clare Cavanagh staat in mijn eiditie van Mysticism for Beginners, New York: Farrar, Straus and Giroux 1997, op p.38.

Het gedicht contrasteert de dichterlijke gevoeligheid voor het unieke, het bijzondere, het nieuwe met onze hang naar het vertrouwde, en met onze pogingen om in dat vertrouwde het echte leven te zoeken – waarschijnlijk tevergeefs.


Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

Reiziger

Een zekere reiziger, die nergens in geloofde,
bevond zich die zomer in een uitheemse stad.
Linden bloeiden, de uitheemsheid bloeide innig en vroom.

Over de geurige boulevard wandelde een onbekende menigte,
met trage pas, vervuld van angst, misschien wel omdat
de dalende zon zwaarder was dan de horizon,

en het dieprode asfalt wellicht toch niet
de spot dreef met de schaduwen, en de guillotine
niet alleen maar luister verleent aan musea,

en de in koor luidende kerkklokken
nog wel eens iets meer konden betekenen dan anders.
Misschien was het daarom dat de reiziger zijn hand

steeds aan zijn borst drukte, om bezorgd na te gaan
of zijn retourticket er nog was, zijn entree
naar de eenvoud waarin we meestal leven.


Origineel

Traveler

A certain traveler, who believed in nothing,
found himself one summer in a foreign city.
Lindens were blossoming, and foreignness bloomed devoutly.

An unknown crowd walked down the fragrant boulevard,
slowly, full of fear, perhaps because
the setting sun weighed more than the horizon

and the asphalt’s scarlet might not
jest the shadows and the guillotine
might not grace museums alone

and church bells chiming in chorus
might mean more than they usually mean.
Perhaps that’s why the traveler kept

putting his hand to his chest, checking warily
to make sure he still had his return ticket
to the ordinary places where we live.