Tagarchief: T.S. Eliot

Burnt Norton – (Gedicht I van Vier Kwartetten) – T.S. Eliot

T. S. Eliot (1888-1965) was een Amerikaans-Engelse dichter die in Nederland het meest bekend is geworden door het desolate gedicht The Waste Land, met de bekende openingszinnen:

April is the cruellest month, breeding
Lilacs out of the dead land, mixing
Memory and desire, stirring
Dull roots with spring rain.
Winter kept us warm, covering
Earth in forgetful snow, feeding
A little life with dried tubers.

Het gedicht The Waste Land weerspiegelde zowel zijn sombere kijk op de stand van de beschaving als zijn sombere kijk op de stand van zijn toenmalige huwelijk (1936).

Eliot was een ‘conservatieve modernist’, om een woord te gebruiken dat de historicus, schrijver en journalist Rob Hartmans heeft opgenomen in de ondertitel van zijn zeer interessante Eliot-boek: T.S. Eliot. De vele gezichten van een conservatieve modernist, Amsterdam: Spectrum 2022. Aan het boek van Hartmans heb ik een aantal van de hierna genoemde feiten ontleend.

Eliot heeft zijn hele volwassen leven in het Verenigd Koninkrijk gewoond en gewerkt, eerst bij een bank, later bij Faber & Faber, een uitgever die zich ontwikkelde tot de voornaamste uitgever van poëzie in de engelstalige wereld.

Op latere leeftijd bekeerde hij zich tot de Anglo-Katholieke tak van The Church of England – de Anglicaanse Kerk. Uit die tijd dateren ook Four Quartets – Vier Kwartetten – die ook heel bekend geworden zijn. T.S. Eliot ontving in 1948 de Nobelprijs voor Literatuur.

In 1936 heeft Eliot het gedicht Burnt Norton gepubliceerd. Het waren herschreven passages uit een vroege versie van het drama in verzen Murder in the Cathedral. Het was geïnspireerd door het vijftiende strijkkwartet van Beethoven (opus 132). Het gedicht telt 175 regels en is genoemd naar een landgoed dat Eliot twee jaar eerder met een vriendin – Emily Hale – had bezocht. Het gedicht bestaat uit vijf delen die onderling enigszins verschillen in stijl en tempo.

In 1939 besloot Eliot nog drie gedichten met een vergelijkbare vorm aan Burnt Norton toe te voegen. In 1940 publiceerde hij East Coker, in 1941 The Dry Salvages, in 1942 Little Gidding. In 1943 verschenen deze gedichten bij Faber and Faber als de bundel Four Quartets.

Het centrale thema van de kwartettencuclus is de tijd – Eliot contrasteerde vergankelijke tijd en eeuwige tijd. Alle kwartetten verwezen naar een concrete plaats. En in ieder kwartet staat een bepaald seizoen centraal alsmede één van de vier elementen lucht, aarde, water en vuur. In Burnt Norton zijn het achtereenvolgens het landgoed uit de titel, de zomer en het element lucht.

Het gedicht is op veel plaatsen abstract, maar verwijst toch zeker ook naar concrete realiteiten: de tuin van Burnt Norton, een rit met een koets, het lichamelijke, een rit met de metro, het uitspansel, opnieuw de tuin. Het beeld van de rozentuin wordt vaak gebruikt in een erotische context.

Het gedicht verwijst naar tal van bekende werken uit de wereldliteratuur, onder andere naar de bijbel, de Veda’s, naar Dante (die in de slotregel van de Divina Kommedia gewag maakt van de liefde die het al beweegt), en naar Johannes van het Kruis, auteur van Donkere nacht van de ziel, in de passage over de trapopgangen.

Het Engelse woord ‘smokefall’ komt volgens de OED alleen in dit gedicht van Eliot voor. Ik heb het met ‘mistflarden’ vertaald, maar misschien weet iemand iets beters of beschikt hij/zij mogelijk over informatie waarover ik niet de beschikking had.

Het begrip tijd komt voortdurend voor. Begrippen als ‘de tijd van nu’, ‘de verleden tijd’ en ‘de toekomstige tijd’ worden voortdurend gebruikt, maar ze zijn in deze vorm voor mij als vertaler niet altijd goed bruikbaar – de retorische kracht van het gedicht is een heel belangrijk kenmerk. Ik heb een paar oplossingen verzonnen waarvan ik hoop dat ze voor de lezer van de vertaling werken.

Ik heb – tegen mijn gewoonte in – niet van het gehele gedicht één enkele audio-opname toegevoegd, maar ik heb van de verschillende delen afzonderlijke audio-opnames gemaakt.

Dit was geen gemakkelijke klus. Mocht u echte vertaalfouten tegenkomen, dan word ik daar graag op geattendeerd via e-mail – zie de pagina Over de vertaler/auteur, of via de reactiemogelijkheid.

Een vertaling van de hand van Peter van Huizen ter vergelijking, vindt u hier (Liter, Jrg 5, 2002 – via dbnl).

Hier vindt u een versie van het originele gedicht.



Vertaling

Burnt Norton
Nr. 1 van Vier Kwartetten

Geluidsopname vertaling Burnt Norton – deel 1 – Arie Sonneveld

– I –
Tijd van nu en tijd van toen
Zijn wellicht tegenwoordig in de tijd van straks,
En tijd van straks ligt steeds gevat in tijd van toen.
Als alle tijd voor eeuwig tegenwoordig is
Is alle tijd volkomen reddeloos.
Wat had kunnen zijn is een abstractie,
Blijft voor altijd mogelijkheid
Maar slechts in een denkbeeldige wereld.
Wat had kunnen zijn, wat is geweest
Wijzen naar één verte, die altijd daar is.
Voetstappen echoën in het geheugen
Langs een pad dat we niet namen
Naar de toegang tot de rozentuin
Die we nooit openden. Zo echoën mijn woorden
In jouw geest.
                             Maar waartoe ik
Het stof zou verstoren op een schaal met rozenblaadjes
Weet ik niet.
                             Andere echo’s
Wonen in de tuin. Zullen we er achteraan?
Vlug, zei de vogel, zoek ze, zoek ze
Om de hoek. Zullen we gaan door dat hek,
Naar onze eerste wereld. Zullen we erachter aan,
De lokroep van de lijster. Naar onze eerste wereld.
Daar waren ze, waardig, onzichtbaar,
Zorgeloos bewegend, over dorre blaadjes,
In de hitte van de herfst, door de trillende lucht,
En de vogel riep, in antwoord op
Ongehoorde muziek in struikgewas verborgen,
En een ongeziene gekruiste blik, want de rozen
Leken op bloemen die wisten bekeken te worden.
Ze waren er als onze gasten, ze mochten er zijn, ze wilden er zijn.
Zo gingen wij, ook zij, in formele schikking,
Langs de verlaten laan, naar de ronde ruimte,
Om neer te kijken in de verdroogde poel.
Droog was de poel, droog het beton, bruingerand,
En de poel werd gevuld met water uit zonlicht,
En de lotus steeg op, zachtjes, zachtjes,
Het oppervlak schitterde uit een lichtend hart,
En ze waren achter ons, weerspiegeld in de poel.
Toen schoof een wolk langs, en de poel was leeg.
Ga nu, zei de vogel, want het gebladerte zat vol kinderen,
Verstopt in spanning, hun lachen inhoudend.
Ga, ga, ga nu, zei de vogel: de mensheid
Kan weinig werkelijkheid verdragen.
Tijd van toen en tijd van straks
Wat had kunnen zijn, wat is geweest
Wijzen naar één verte, die altijd daar is.

Geluidsopname vertaling Burnt Norton – deel 2 – Arie Sonneveld

– II –
Saffier en knoflook in het slijk
Remmen de wentelende as.
Trillende snaren in ons bloed
Zingen onder tekenen van wonden
Die in oude oorlogen ontstonden.
De dans doorheen ons bloedsysteem,
De rondgang van ons lymfevocht
Wordt aan de hemelen geschikt
Stijgt op als zomer in ‘t geboomte,
En wij zijn boven dat geboomte
In het lichtspel op het loof
En horen over natte gronden
Onder ons, de zwijnen en de honden
Die volgen trouw hun oud patroon
Maar met de hemelen verbonden.

Bij de roerloze kern van een rusteloze wereld. Geen vlees geen vleesloosheid;
Niet heen- en niet teruggaand; bij die roerloze kern, daar is de dans,
Maar zonder gaan en zonder staan. En noem het geen starheid,
Waar heden en verleden bijeen zijn. Geen terugkomst, geen heengaan,
Geen opgang, geen neergang. Zonder die kern, die roerloze kern,
Kon geen dans ooit bestaan, en slechts daar is de dans.
Ik kan alleen zeggen, daar waren we: maar ik kan niet zeggen waar.
En ik kan niet zeggen hoe lang, want dat plaatst het in de tijd.
Bevrijding van praktische verlangens,
Vrijheid van handeling en leed, losmaking van innerlijke
En uiterlijke dwang, terwijl je omringd bent
Door een rijkdom aan zin, een wit licht dat je omgeeft,
Erhebung zonder beweging, concentratie
Zonder uitsluiting, zowel een nieuwe wereld
Als de oude die scherp wordt uitgedrukt, begrepen
In de voltooiing van zijn onvolkomen extase,
De losmaking uit zijn onvolkomen gruwel.
Toch zal de ketening aan toen en straks,
Geweven in de zwakte van het vergankelijke lichaam,
De mensheid beschermen tegen hemel en doem
Zo onverdraaglijk voor het vlees.
Tijd van toen en tijd van straks
Staan maar weinig bewustzijn toe.
Bewust te zijn is buiten de tijd te staan
Maar slechts in tijd kan het moment in de rozentuin,
Het moment in het prieel als de regen tokkelt,
Het moment in de tochtige kerk tussen de mistflarden
Worden herinnerd – betrokken op toen en straks.
Tijd wordt slechts door tijd overwonnen.

Geluidsopname vertaling Burnt Norton – deel 3 – Arie Sonneveld

– III –
Dit is een plaats van ongemak
Tijd ervoor en tijd erna
In schemertoestand: geen daglicht
Die de gestalte ongereptheid verleend
Die schaduwen vluchtige schoonheid geeft
Door trage wisseling die bestendigheid suggereert
Geen duisternis die de ziel zuivert
Die het zinnelijke ledigt door onthouding
Die genegenheid reinigt van het tijdelijke.
Geen volheid geen leegte. Slechts een schijnsel
Op gespannen gezichten getekend door de tijd
Door afleiding afgeleid van elke afleiding
Gevuld met inbeelding en gespeend van zin
Apathie die zich breed maakt zonder concentratie
Mensen en snippers, rondtollend in koude wind
Die waait voor en na de tijd,
wind die ongezonde longen in gaat en uit
De tijd ervoor en de tijd erna.
Oprispingen van zieke zielen
In armelijke lucht, loomheid
Die wegdrijft op de wind die strijkt over de sombere heuvels van Londen,
Hampstead en Clerkenwell, Capden en Putney
Highgate, Primrose en Ludgate. Niet hier
Niet hier de duisternis, in deze kwetterende wereld.

Daal verder af, daal af om te komen
In de wereld van niet aflatende eenzaamheid,
Wereld geen wereld, al wat geen wereld is,
Innerlijke duisternis, teloorgang
En aftakeling van alle bezit,
Verdorring van de wereld der zinnen,
Ontruiming van de wereld der verbeelding,
Werkeloosheid van de wereld van de geest;
Dit is de ene richting, en de ander
Is hetzelfde, niet in gaan
Maar in afzien van gaan; terwijl de wereld voortgaat
Met gretigheid, op zijn metalen sporen
Van de verleden tijd en de toekomende.

Geluidsopname vertaling Burnt Norton – deel 4 – Arie Sonneveld

– IV –
Tijd en klokgelui droegen de dag ten grave,
De zwarte wolk doet de zon uitgeleide.
Zal de zonnebloem naar ons neigen, zal de clematis
Zich zoekend tot ons wenden, rank en twijg
Die zich vastklampen?
                                         Sluiten
Kille vingers van de taxusboom
Zich om ons heen? Sinds het kleed van de ijsvogel
Licht heeft beantwoord met licht, roerloos werd, was het licht nog
Bij de roerloze kern van een rusteloze wereld.

Geluidsopname vertaling Burnt Norton – deel 5 – Arie Sonneveld

– V –
Woorden bewegen, muziek beweegt
Alleen in de tijd; maar dat wat slechts leeft
Kan slechts sterven. Woorden, voorbij taal, reiken
Naar de stilte. Slechts door de vorm, het patroon
Kunnen woord of muziek reiken
Naar roerloze stilte, zoals een Chinese vaas
Voortdurend stil beweegt in zijn roerloze stilte.
Niet de stilte van de viool, terwijl de noot naklinkt,
Niet dat alleen, maar het samen bestaan,
Of zeg dat het eind voorafgaat aan het begin,
En het eind en het begin waren er steeds
Voor het begin en na het eind,
En alles is nu altijd. Woorden krampen,
Kraken, en breken soms onder de last,
Onder de spanning, ze glippen, glijden, kwijnen weg,
Sterven in slordigheid, blijven niet waar ze horen,
Blijven niet stil. Schrille stemmen
Die schelden, spotten of alleen maar kletsen
Vergezellen hen altijd. Het Woord in de woestijn
Wordt het meest bedreigd door stemmen der verleiding,
De luidruchtige schaduw in de begrafenisdans,
De luide klacht van de troosteloze chimaera.

Het detail van het patroon is beweging
Zoals in het beeld van de tien trapopgangen.
De begeerte zelf is beweging,
Op zichzelf niet begerenswaardig;
De liefde zelf is onbeweeglijk,
Slechts doel en oorzaak van beweging,
Tijdloos, en niets begerend
Behalve in het aspect van tijd
Dat zich laat kennen als beperking
Tussen zijn en niet-zijn.
Opeens in een baan van zonlicht
Zelfs als het stof beweegt
Verheft zich het verborgen lachen
Van kinderen in het groen
Snel nu, hier, nu, altijd –
Lachwekkend hoe vermorste droeve tijd
zich uitstrekt voor en na.



Origineel

BURNT NORTON
(No. 1 of Four Quartets)

– I –
Time present and time past
Are both perhaps present in time future,
And time future contained in time past.
If all time is eternally present
All time is unredeemable.
What might have been is an abstraction
Remaining a perpetual possibility
Only in a world of speculation.
What might have been and what has been
Point to one end, which is always present.
Footfalls echo in the memory
Down the passage which we did not take
Towards the door we never opened
Into the rose-garden. My words echo
Thus, in your mind.
                           But to what purpose
Disturbing the dust on a bowl of rose-leaves
I do not know.
                           Other echoes
Inhabit the garden. Shall we follow?
Quick, said the bird, find them, find them,
Round the corner. Through the first gate,
Into our first world, shall we follow
The deception of the thrush? Into our first world.
There they were, dignified, invisible,
Moving without pressure, over the dead leaves,
In the autumn heat, through the vibrant air,
And the bird called, in response to
The unheard music hidden in the shrubbery,
And the unseen eyebeam crossed, for the roses
Had the look of flowers that are looked at.
There they were as our guests, accepted and accepting.
So we moved, and they, in a formal pattern,
Along the empty alley, into the box circle,
To look down into the drained pool.
Dry the pool, dry concrete, brown edged,
And the pool was filled with water out of sunlight,
And the lotos rose, quietly, quietly,
The surface glittered out of heart of light,
And they were behind us, reflected in the pool.
Then a cloud passed, and the pool was empty.
Go, said the bird, for the leaves were full of children,
Hidden excitedly, containing laughter.
Go, go, go, said the bird: human kind
Cannot bear very much reality.
Time past and time future
What might have been and what has been
Point to one end, which is always present.

– II –
Garlic and sapphires in the mud
Clot the bedded axle-tree.
The trilling wire in the blood
Sings below inveterate scars
Appeasing long forgotten wars.
The dance along the artery
The circulation of the lymph
Are figured in the drift of stars
Ascend to summer in the tree
We move above the moving tree
In light upon the figured leaf
And hear upon the sodden floor
Below, the boarhound and the boar
Pursue their pattern as before
But reconciled among the stars.

At the still point of the turning world. Neither flesh nor fleshless;
Neither from nor towards; at the still point, there the dance is,
But neither arrest nor movement. And do not call it fixity,
Where past and future are gathered. Neither movement from nor towards,
Neither ascent nor decline. Except for the point, the still point,
There would be no dance, and there is only the dance.
I can only say, there we have been: but I cannot say where.
And I cannot say, how long, for that is to place it in time.
The inner freedom from the practical desire,
The release from action and suffering, release from the inner
And the outer compulsion, yet surrounded
By a grace of sense, a white light still and moving,
Erhebung without motion, concentration
Without elimination, both a new world
And the old made explicit, understood
In the completion of its partial ecstasy,
The resolution of its partial horror.
Yet the enchainment of past and future
Woven in the weakness of the changing body,
Protects mankind from heaven and damnation
Which flesh cannot endure.
Time past and time future
Allow but a little consciousness.
To be conscious is not to be in time
But only in time can the moment in the rose-garden,
The moment in the arbour where the rain beat,
The moment in the draughty church at smokefall
Be remembered; involved with past and future.
Only through time time is conquered.

– III –
Here is a place of disaffection
Time before and time after
In a dim light: neither daylight
Investing form with lucid stillness
Turning shadow into transient beauty
With slow rotation suggesting permanence
Nor darkness to purify the soul
Emptying the sensual with deprivation
Cleansing affection from the temporal.
Neither plenitude nor vacancy. Only a flicker
Over the strained time-ridden faces
Distracted from distraction by distraction
Filled with fancies and empty of meaning
Tumid apathy with no concentration
Men and bits of paper, whirled by the cold wind
That blows before and after time,
Wind in and out of unwholesome lungs
Time before and time after.
Eructation of unhealthy souls
Into the faded air, the torpid
Driven on the wind that sweeps the gloomy hills of London,
Hampstead and Clerkenwell, Campden and Putney,
Highgate, Primrose and Ludgate. Not here
Not here the darkness, in this twittering world.

Descend lower, descend only
Into the world of perpetual solitude,
World not world, but that which is not world,
Internal darkness, deprivation
And destitution of all property,
Desiccation of the world of sense,
Evacuation of the world of fancy,
Inoperancy of the world of spirit;
This is the one way, and the other
Is the same, not in movement
But abstention from movement; while the world moves
In appetency, on its metalled ways
Of time past and time future.

– IV –
Time and the bell have buried the day,
The black cloud carries the sun away.
Will the sunflower turn to us, will the clematis
Stray down, bend to us; tendril and spray
Clutch and cling?
                               Chill
Fingers of yew be curled
Down on us? After the kingfisher’s wing
Has answered light to light, and is silent, the light is still
At the still point of the turning world.

– V –
Words move, music moves
Only in time; but that which is only living
Can only die. Words, after speech, reach
Into the silence. Only by the form, the pattern,
Can words or music reach
The stillness, as a Chinese jar still
Moves perpetually in its stillness.
Not the stillness of the violin, while the note lasts,
Not that only, but the co-existence,
Or say that the end precedes the beginning,
And the end and the beginning were always there
Before the beginning and after the end.
And all is always now. Words strain,
Crack and sometimes break, under the burden,
Under the tension, slip, slide, perish,
Decay with imprecision, will not stay in place,
Will not stay still. Shrieking voices
Scolding, mocking, or merely chattering,
Always assail them. The Word in the desert
Is most attacked by voices of temptation,
The crying shadow in the funeral dance,
The loud lament of the disconsolate chimera.

The detail of the pattern is movement,
As in the figure of the ten stairs.
Desire itself is movement
Not in itself desirable;
Love is itself unmoving,
Only the cause and end of movement,
Timeless, and undesiring
Except in the aspect of time
Caught in the form of limitation
Between un-being and being.
Sudden in a shaft of sunlight
Even while the dust moves
There rises the hidden laughter
Of children in the foliage
Quick now, here, now, always—
Ridiculous the waste sad time
Stretching before and after.

Traditie en persoonlijk dichterschap – T.S. Eliot

Ten geleide
T. S. Eliot (1888-1965) was een Amerikaans-Engelse dichter die in Nederland het meest bekend is geworden door het desolate gedicht The Waste Land, met de bekende openingszinnen:

April is the cruellest month, breeding
Lilacs out of the dead land, mixing
Memory and desire, stirring
Dull roots with spring rain.
Winter kept us warm, covering
Earth in forgetful snow, feeding
A little life with dried tubers.

Het gedicht The Waste Land weerspiegelde zowel zijn sombere kijk op de stand van de beschaving als zijn sombere kijk op de stand van zijn toenmalige huwelijk (1936).

Eliot heeft zijn hele volwassen leven in het Verenigd Koninkrijk gewoond en gewerkt, eerst bij een bank, later bij Faber & Faber, een uitgever die zich ontwikkelde tot de voornaamste uitgever van poëzie in de engelstalige wereld.

Op latere leeftijd bekeerde hij zich tot de Anglo-Katholieke tak van The Church of England – de Anglicaanse Kerk. Uit die tijd dateren ook Four Quartets – Vier Kwartetten – die ook heel bekend geworden zijn. T.S. Eliot ontving in 1948 de Nobelprijs voor Literatuur.

Hierna volgt de vertaling van Tradition and the Individual Talent, een beroemd essay van T.S. Eliot (188-1965). Het essay werd gepubliceerd in The Egoist (1919) en later in Eliot’s eerste bundel met literaire kritieken, The Sacred Wood (1920). Het essay is ook opgenomen in Eliot’s Selected Prose and Selected Essays.

Er zijn bij de vertaling van dit essay vele vertaalmoeilijkheden die overwonnen moeten worden, maar één ervan licht ik eruit. Eliot maakt onderscheid tussen ‘emoties’ die je ondergaat in het echte leven – liefde, rouw om een overleden familielid, woede om een onheuse bejegening enz. – en ‘gevoelens’, zaken die gehecht kunnen zijn aan woorden, beelden, voorstellingen – lieflijk, hard, sereen, warm, kil. Om dat onderscheid wat te verhelderen, gebruik ik soms ‘gevoelens’ en ‘gevoelswaarden’ waar Eliot ‘feelings’ schrijft. ‘Emotions’ vertaal ik steeds met ‘emoties’. Artistieke effecten zijn weliswaar enkelvoudig, maar ze komen tot stand door artistieke bewerkingen van ‘emoties’ waaraan door de keuze van bepaalde woorden en beelden ‘gevoelens’ worden toegevoegd. Het artistiek proces wordt met ‘hogedruk’ vergeleken, en de resulterende versmelting van elementen brengt de bijzondere kunst-emotie teweeg die we scherp moeten onderscheiden van de emoties die de dichter mogelijk in het echte leven heeft gehad (maar mogelijk ook niet).

Het essay is belangrijk om Eliots literaire positie te begrijpen. Het laat zien hoe hij het poëtisch ambacht opvatte, en het verheldert zijn standpuntbepaling als literair criticus. Hij was een ‘conservatieve modernist’, om een woord te gebruiken dat de historicus, schrijver en journalist Rob Hartmans heeft opgenomen in de ondertitel van zijn zeer interessante Eliot-boek: T.S. Eliot. De vele gezichten van een conservatieve modernist, Amsterdam: Spectrum 2022.

Ik heb de titel enigszins vrij vertaald.

Een eerdere vertaling van dit essay van de hand van Arend Smilde is gepubliceerd in het literaire tijdschrift Liter, jrg. 5, 2002.

En hier treft u de oorspronkelijke tekst aan – website Poetry Foundation.

Dan nu de vertaling.

Traditie en persoonlijk dichterschap

— I —

Engelse schrijvers hebben het maar zelden over traditie, hoewel de term soms gebruikt wordt om te laten merken dat traditiebesef ontbreekt. Over ‘de traditie’ of over ‘een traditie’ spreken, lukt haast niet; hoogstens wordt het gebruikt als bijvoeglijk naamwoord om te zeggen dat de poëzie van deze of gene dichter ‘traditioneel’ of ‘al te traditioneel’ is. Het woord komt misschien bijna alleen voor in afkeurende zin. Als het anders gebruikt wordt, betreft het vaak een halfslachtig compliment dat impliceert dat de prestatie in kwestie een geslaagde archeologische reconstructie is. Je kunt het woord nauwelijks gunstig laten klinken in Engelse oren zonder deze bemoedigende verwijzing naar de wetenschap der archeologie.

Weinig kans dus dat dit woord gebruikt zal worden om waardering voor levende of dode schrijvers uit te drukken. Ieder land, ieder volk heeft een eigen manier van denken, wat zowel geldt voor scheppende als voor kritische bezigheden; en mensen zijn zich zo mogelijk nog minder bewust van de tekortkomingen en beperkingen van hun kritische gewoonten dan van hun scheppingskracht. Uit de grote hoeveelheid letterkundige kritiek die in het Frans is verschenen weten we – menen we althans te weten – wat de kritische methoden of gewoonten van de Fransen zijn; we concluderen daaruit (we zijn nu eenmaal slaapwandelaars) dat de Fransen veel ‘kritischer’ zijn dan wij, en soms pronken we daar een beetje mee, alsof de Fransen een stuk minder spontaan zouden zijn. Misschien zijn ze dat ook wel; maar we moeten bedenken dat kritiek net zo onmisbaar is als ademhalen, en dat we er niet minder van worden als we onder woorden brengen wat er in ons omgaat als we een boek lezen, een boek waar we gevoelens bij hebben, en als we onszelf bekritiseren door de Franse kritiek tot ons te nemen. Een van de feiten die zodoende aan het licht zou kunnen komen, is onze neiging om bij het prijzen van een dichter juist die aspecten van zijn werk te benadrukken waarin hij het minst op andere dichters lijkt. In deze aspecten van zijn werk, in deze passages menen we dan het persoonlijke aan te treffen, de unieke kern van de schrijver. We zijn zeer in onze nopjes met het verschil tussen de dichter en zijn voorgangers, met name zijn directe voorgangers; en we streven ernaar iets te vinden dat los van die voorgangers kan worden genoten. Maar als we een dichter onbevooroordeeld tegemoet zouden treden, zullen we haast altijd merken dat niet alleen het beste, maar ook het meest persoonlijke van zijn werk juist die passages zijn waarin dode voorgangers hun onsterfelijkheid het duidelijkst tonen. En dan heb ik het niet over de adolescente staat van verhoogde ontvankelijkheid, maar over de dichterlijke staat waarin gerijpt werk tot stand komt.

Toch is het wel zo dat als de enige vorm van traditie – van overlevering – zou bestaan ​​uit het blindelings of nederig navolgen van de successen van vorige generaties, dan zou ‘traditie’ actief ontmoedigd moeten worden. We hebben veel van zulke imitatie-strominkjes al gauw zien verzanden, en iets nieuws is beter dan herhaling. Maar traditie heeft een veel ruimere betekenis. Ze kan niet worden geërfd, en als je erover beschikken wilt, moet je haar eigen maken door hard te werken. Ze omvat in de eerste plaats het historisch besef, een besef dat feitelijk onmisbaar is voor ieder die na zijn vijfentwintigste nog dichter wil zijn; en historisch besef omvat niet slechts het besef van wat voorbij ging, maar ook van wat nog tegenwoordig is; het historisch besef dwingt een mens om niet alleen te schrijven met de hartstocht van zijn eigen generatie, maar met de erkenning dat de gehele Europese literatuur vanaf Homerus, en daarbinnen de gehele literatuur van het eigen land, tezelfdertijd bestaat en een bepaalde ordening kent. Dit historisch besef, dat zowel een besef is van het tijdloze als van het tijdelijke, en van het tijdloze en het tijdelijke in één verband, is wat een schrijver traditioneel maakt. En het is tegelijkertijd wat een schrijver in staat stelt zijn bijzondere plaats in de tijd te beseffen, zijn eigen eigentijdsheid.

Geen enkele dichter, geen enkele kunstenaar, welke kunstvorm hij ook kiest, bepaalt zelf volledig wie hij is en wat hij voorstelt. Zijn betekenis, zijn waarde, ligt in de waarde die hij heeft met betrekking tot de dichters en kunstenaars uit het verleden. Je kunt geen waarde aan zijn dichterschap toekennen door alleen naar hemzelf te kijken; Voor contrast en vergelijking moet je hem tussen de doden plaatsen. Ik bedoel dit niet alleen als historisch, maar ook als esthetisch uitgangspunt voor de kritiek. De noodzaak om zich te verhouden tot en in dialoog te treden met voorgangers, is niet eenzijdig; het bijzondere dat plaats vindt als een nieuw kunstwerk wordt geschapen, vindt tegelijkertijd plaats met alle kunstwerken die eraan voorafgingen. Reeds bestaande vormen van kunst kennen een samenhang en een ordening die wordt gewijzigd door de introductie van het nieuwe (het werkelijk nieuwe) kunstwerk. Voordat er een nieuw kunstwerk is, is er een bestaande, complete ordening. Maar opdat er ook na de komst van het nieuwe kunstwerk een complete ordening zal blijven bestaan, moet de gehele bestaande ordening, al is het maar een klein beetje, worden gewijzigd; en zo worden de verhoudingen, proporties en waarden van elk kunstwerk ten opzichte van het geheel opnieuw afgestemd: dit schept een nieuwe samenhang tussen het oude en het nieuwe. Wie dit idee van een samenhangende ordening die bestaat binnen de Europese, binnen de Engelse literatuur, eenmaal heeft begrepen, zal het niet absurd vinden dat het verleden door het heden wordt gewijzigd, zoals ook het heden mede door het verleden wordt gevormd. En de dichter die zich hiervan bewust is, zal zich bewust zijn van grote uitdagingen en verantwoordelijkheden.

In een bijzondere zin zal de dichter beseffen dat hij noodzakelijkerwijs beoordeeld zal worden aan de hand van maatstaven die vroeger golden. Ik zeg beoordeeld, niet verminkt; het oordeel is niet dat een dichter even goed, slechter of beter is dan de doden; en het oordeel wordt zeker niet ontleend aan de normen van dode critici. Het is een oordeel waarbij twee dingen onderling met elkaar worden vergeleken. Een rimpelloze inpassing in het bestaande zou betekenen dat het nieuwe feitelijk helemaal niet past; het zou namelijk niet nieuw zijn, en dus geen kunstwerk. We zeggen daarmee niet dat het nieuwe alleen waarde krijgt omdat het wel als nieuw ingepast kan worden; maar het feit dat het ingepast kan worden, is een trefzekere manier om de waarde ervan te toetsen – zij het dat het een toetssteen betreft die slechts met aandacht en voorzichtigheid mag worden gebruikt, want niemand van ons is in staat om feilloos te beoordelen of de bedoelde inpassing is geslaagd. We zeggen: het lijkt inpasbaar, en misschien is het persoonlijk, of het lijkt persoonlijk, en mogelijk is het inpasbaar; maar de kans is klein dat we onomstotelijk zullen kunnen vaststellen dat het A is en niet B.

Om de relatie die de dichter heeft tot het verleden nog wat begrijpelijker te maken: de dichter kan het verleden niet als een samengeraapt geheel, als een vormeloze bult, beschouwen, en hij kan zich evenmin volledig richten op één of twee bewonderde voorbeelden, noch ook op één favoriete kunstperiode. De eerste benadering is ontoelaatbaar, de tweede is een belangrijke jeugdervaring en de derde is een aangename en zeker wenselijke bijkomstigheid. De dichter moet zich zeer bewust blijven van de hoofdstroom, een stroom die niet altijd via de meest beroemde namen vloeit. Hij moet helder voor ogen houden – het ligt voor de hand – dat kunst geen vooruitgang kent, maar dat het materiaal van de kunst evenmin helemaal hetzelfde blijft. Hij moet ook helder voor ogen hebben dat de geest van Europa – de geest van zijn eigen land – een geest die hij na verloop van tijd veel belangrijker leert te vinden dan zijn eigen persoonlijkheid – een geest is die verandert, en dat dit een ontwikkeling is waarbij en route niets wordt weggegooid: noch Shakespeare, noch Homerus, noch de grottekeningen van Altamira zullen daarbij verouderen. En dat deze ontwikkeling – die wellicht een verfijning is, en die zaken zeker ook ingewikkelder maakt – bezien vanuit het gezichtspunt van de kunstenaar niks te maken heeft met beter of minder. Het is misschien zelfs niet eens vooruitgang vanuit het gezichtspunt van de psycholoog, althans niet zoals we ons die vooruitgang meestal voorstellen; misschien is genoemde ontwikkeling uiteindelijk slechts gebaseerd op economische of technische vernieuwingen. Maar het verschil tussen het heden en het verleden is dat het bewust beleefde heden het verleden kent op een manier en in een mate die voor het verleden zelf onbereikbaar is.

Iemand zei ooit: “Dode schrijvers staan ver van ons af omdat wij zo veel meer weten dan zij.” Heel juist, en zij zijn datgene wat wij weten.

Ik hoor vaak het volgende bezwaar tegen iets dat zeker deel uitmaakt van mijn programma voor dichterlijk vakmanschap. Het bezwaar luidt dat de stelling een bespottelijke hoeveelheid eruditie (pedanterie) vereist, en met die eis wordt de dichter overvraagd zoals blijkt uit de dichtersbiografieën in ieder willekeurig pantheon. Men zal zelfs beweren dat veel geleerdheid de poëtische gevoeligheid afstompt of aantast. Hoewel ik blijf vasthouden aan de gedachte dat een dichter toch zo veel mogelijk moet weten binnen de grenzen van zijn onmiskenbare ontvankelijkheid en onmiskenbare luiheid, is het uiteraard wel onwenselijk om kennis te beperken tot datgene wat geschikt is voor examinering, literaire salons of nog gewichtigere vormen van publieke aandacht. Sommigen zuigen kennis op als een spons, tragen van geest moeten ervoor zwoegen. Shakespeare haalde meer elementaire historische kennis uit Plutarchus dan de meesten van ons uit het hele British Museum. De nadruk moet alleen wel blijven liggen op de verwerving en ontwikkeling van historisch besef, en de dichter moet dit besef blijven cultiveren gedurende zijn gehele carrière.

Het gevolg is steeds een voortdurende overgave van zichzelf aan iets dat een hogere waarde vertegenwoordigt. Artistieke ontwikkeling is een voortdurende zelfopoffering, een voortdurende uitwissing van de persoonlijkheid.

Rest ons nog om dit proces van depersonalisatie en de relatie ervan tot het traditiebesef te definiëren. Het is in deze depersonalisatie dat de kunst, zo zou je kunnen zeggen, nadert tot de wetenschap. Met een suggestieve vergelijking nodig ik u daarom uit om na te denken over wat er gebeurt als een platinaschilfer in een ruimte met zuurstof en zwaveldioxide wordt gebracht.

— II —

Faire kritiek en hoogschatting van fijngevoeligheid zijn niet gericht op de dichter, maar op de gedichten. Als we luisteren naar de onsamenhangende kreten van recensenten en naar de susurrus, de alomtegenwoordige ruis van herhaling die daarop volgt, zullen we talloze namen van dichters horen; maar als we niet uit zijn op literatuurtheoretische kennis, maar op de genoegens van ware dichtkunst, en we vragen om een ​​gedicht, dan zullen we dat zelden tegenkomen. Ik heb geprobeerd het belang aan te tonen van de samenhang tussen een bepaald gedicht en andere gedichten van andere auteurs, en heb het idee geopperd dat de poëzie een levend geheel is van alle ooit geschreven gedichten. Het andere aspect van deze theorie van een Dichtkunst zonder Persoonlijkheid is de betrekking tussen gedicht en auteur. En ik heb, door middel van een vergelijking, gesuggereerd dat de geest van de gerijpte dichter niet zozeer verschilt van die van de onvolwassen dichter wat betreft de waarde die wordt toegekend aan de ‘persoonlijkheid’, want die is niet per se interessanter, die heeft ook niet ‘meer te zeggen’, maar eerder dat zo’n gerijpte geest een verfijnder medium is waarin uitzonderlijke of veelzijdige gevoelens vrij zijn om nieuwe verbindingen met elkaar aan te gaan.

De vergelijking was die met een katalysator. Wanneer de twee hiervoor genoemde gassen in aanwezigheid van een platinaschilfer worden gemengd, vormen ze zwavelzuur. Deze verbinding komt alleen tot stand als het platina aanwezig is, maar toch bevat het nieuwgevormde zuur geen spoor van platina; het platina zelf blijft kennelijk onaangetast: het is inert, neutraal en onveranderd gebleven. De geest van de dichter is zo’n stukje platina. Deze geest kan zich voor een deel of uitsluitend bezighouden met de ervaring van de mens zelf; maar hoe volmaakter de kunstenaar, des te vollediger zal de scheiding in hem zijn tussen de lijdende mens en de scheppende geest, en des te volmaakter zal de geest de gemoedsbewegingen die zijn materiaal vormen verwerken en transformeren.

De ervaring, de elementen die bij de transformerende katalysator in de buurt komen, zijn, zoals u merkt, van tweeërlei aard: emoties enerzijds en gevoelens of gevoelswaarden anderzijds. Het effect van een kunstwerk op de persoon die ervan geniet, is een ervaring die wezenlijk verschilt van elke ervaring die niet door kunst wordt teweeggebracht. Het effect kan voortkomen uit één enkele emotie, of misschien een samenstel van meerdere emoties, en vervolgens kunnen verschillende gevoelswaarden die voor de schrijver aan bepaalde woorden, zinsdelen of beelden gebonden zijn, worden toegevoegd om het uiteindelijke resultaat te vormen. Grote poëzie kan trouwens ook worden gemaakt zonder rechtstreeks gebruik te maken van enige emotie: deze kan ook worden samengesteld uit gevoelens of gevoelswaarden. Canto XV van de Inferno (Brunetto Latini) [1] is een uitwerking van de emotie die in de gegeven situatie vanzelf spreekt; maar het effect, hoewel enkelvoudig zoals dat van elk kunstwerk, wordt bereikt door een groot aantal ingewikkelde details. Het laatste kwatrijn geeft een beeld, een gevoelswaarde die zich hecht aan een beeld, iets dat ‘zich aandiende’, dat zich niet simpelweg ontwikkelde uit wat eraan voorafging, maar dat waarschijnlijk in de geest van de dichter sluimerde totdat het passend leek om het aan het geheel toe te voegen. De geest van de dichter is in feite een reservoir voor het vastleggen en opslaan van talloze gevoelens en gevoelswaarden, zinnen en beelden, en ze blijven daarin opgeslagen totdat alle onderdelen die nodig zijn voor een nieuw geschakeerd geheel, aanwezig zijn.

Als je een aantal geschikte passages uit de grootste poëzie onderling vergelijkt, zie je hoe groot de verscheidenheid aan combinatiemogelijkheden is, en ook hoe volkomen elk semi-ethisch criterium van ‘verhevenheid’ de plank misslaat. Want het is niet de ‘grootsheid’, de intensiteit van de emoties, van de componenten dus, maar de intensiteit van het artistieke proces, de hogedruk, om zo te zeggen, waaronder de versmelting plaatsvindt, die telt. De episode van Paolo en Francesca [2] maakt gebruik van een bepaalde emotie, maar de intensiteit van de poëzie is iets heel anders dan de intensiteit van de onderliggende ervaring. Deze episode is bovendien niet intenser dan Canto XXVI, de reis van Odysseus [3], die niet direct afhangt van enige emotie. Grote variatie is mogelijk in het omvormingsproces van emoties: de moord op Agamemnon [4] of de doodsstrijd van Othello [5] geeft een artistiek effect dat duidelijk dichter ligt bij een mogelijk origineel dan de scènes uit Dante. In Agamemnon benadert de artistieke emotie de emotie van een daadwerkelijke toeschouwer, in Othello wordt de emotie van de protagonist zelf benaderd. Maar het verschil tussen kunst en gebeurtenis is altijd absoluut; het geschakeerde geheel dat de moord op Agamemnon vormt, is waarschijnlijk even complex als de reis van Odysseus. In beide gevallen is er sprake van een samensmelting van elementen. De ode van Keats [6] bevat een aantal gevoelens die weinig met de nachtegaal te maken hebben, maar die door de nachtegaal wel samengebracht zijn, wellicht deels vanwege zijn aantrekkelijke naam en deels vanwege zijn reputatie.

Het standpunt dat ik met kracht van argumenten probeer te weerleggen, houdt wellicht verband met de metafysische theorie van de wezenlijke eenheid van de ziel: wat ik bedoel is namelijk dat de dichter niet zozeer over een ‘persoonlijkheid’ beschikt om uit te drukken, maar over een bijzonder medium, dat dan ook uitsluitend medium is en geen persoonlijkheid, waarin indrukken en ervaringen zich op bijzondere en onverwachte manieren met elkaar verbinden. Indrukken en ervaringen die belangrijk zijn voor de mens, krijgen mogelijk geen plaats in het gedicht, en die welke belangrijk zijn in het gedicht, spelen mogelijk een verwaarloosbare rol in de mens, in zijn persoonlijkheid.

Ik citeer een passage die voor mij onbekend genoeg is om in het licht – of de duisternis – van deze observaties met hernieuwde aandacht te worden bekeken:

[Toelichting van de vertaler: We horen in dit tragediefragment de held van het verhaal Vindice (‘wreker’) een monoloog houden. Vindice is op het toneel met een exquis aangekleed en kosmetisch verfraaid skelet van zijn minnares. Deze minnares is door de Hertog gedood, omdat ze niet met hem naar bed wilde. Vindice is in afwachting van de Hertog (die straks zelf zal sterven nadat hij het vergiftigde skelet heeft gekust), en houdt dan deze monoloog. Het is gekozen uit een allegorische tragedie – The Revenger’s Tragedy (De tragedie van de wreker) uit 1606 – waarin veel seks en moord voorkomt. De auteur van het stuk staat niet met absolute zekerheid vast: het is waarschijnlijk Thomas Middleton of Cyril Tourneur.]

And now methinks I could e’en chide myself
For doating on her beauty, though her death
Shall be revenged after no common action.
Does the silkworm expend her yellow labours
For thee? For thee does she undo herself?
Are lordships sold to maintain ladyships
For the poor benefit of a bewildering minute?
Why does yon fellow falsify highways,
And put his life between the judge’s lips,
To refine such a thing—keeps horse and men
To beat their valours for her? . . .
[7]

[Ik denk dat ik mijzelf de schuld moet geven
omdat ik dol was op haar schoonheid, al kan haar dood
slechts door een ongewone daad gewroken worden.
Verricht de zijderups haar gele werkzaamheid
voor jou? Put ze zich uit – vergeefs – voor jou?
Wordt de heerlijkheid verkwanseld voor hoerenheerlijkheid,
voor schrale winst van een betoverend ogenblik?
Waarom toch dwaalt de minnaar-losbol af van rechte paden,
riskeert hij zijn lot in de mond van de rechter,
om dit ding uit te dossen – laat hij man en paard
hun moed en geld vertrappen, juist voor haar? …] [8]

In deze passage (zoals duidelijk is binnen de gegeven context) lezen we een samenstel van positieve en negatieve emoties: een intense en sterke aantrekkingskracht tot schoonheid en een even intense fascinatie voor de lelijkheid die ermee contrasteert en die de schoonheid vernietigt. Deze balans van contrasterende emoties is aanwezig in de dramatische situatie waarop de toespraak betrekking heeft, maar die situatie is op zichzelf onvoldoende. Dit samenstel is, om zo te zeggen, de structurele emotie die door het drama wordt geleverd. Maar het algehele effect, de overheersende toon, is te danken aan het feit dat een aantal daarvan losstaande gevoelens of gevoelswaarden die weliswaar een verwantschap met deze emotie hebben, een verwantschap die op het eerste gezicht geenszins vanzelf spreekt, zich ermee hebben vermengd om zo een nieuwe kunst-emotie te scheppen.

Het is niet vanwege zijn persoonlijke emoties – de emoties die door bepaalde gebeurtenissen in zijn leven worden opgeroepen – dat de dichter op enigerlei wijze opmerkelijk of interessant is. Zijn emoties zijn eenvoudig misschien, grof soms of ook wel vlak. De emotie in zijn poëzie kan misschien buitengewoon complex zijn, maar toch niet zo complex als de emoties van mensen die heel complexe of uitzonderlijke dingen in het leven meemaken. Een veelgemaakte fout als je iets bijzonders in poëzie wilt bereiken, is de wil om volstrekt nieuwe menselijke emoties uit te drukken; en in deze dwalende zoektocht naar vernieuwing, ontdekt men dan perversiteit. De taak van de dichter is niet om nieuwe emoties te ontdekken, maar om gewone emoties te gebruiken, en, door ze in poëzie te verwerken, gevoelens uit te drukken die in werkelijkheid helemaal niet in emoties besloten liggen. En emoties die hij nooit heeft doorleefd, kunnen hem even goed van pas komen als emoties die hem vertrouwd zijn. Bijgevolg moeten we concluderen dat een formule als emotion recollected in tranquility [9] – emotie die wordt herinnerd in een toestand van rust – onnauwkeurig is. Want het gaat niet om emotie, evenmin om herinnering, en ook niet om rust (als je dat woord in de gangbare betekenis gebruikt). Het is iets geheel nieuws dat een product is van concentratie, een concentratie van heel veel ervaringen die voor de praktische en levendige mens helemaal geen ervaringen lijken te zijn; het is een concentratie die niet bewust of weloverwogen plaats vindt. Deze ervaringen worden niet ‘herinnerd’ en verenigen zich uiteindelijk in een atmosfeer die alleen ‘rustig’ is in de zin dat het passieve aandacht voor de gebeurtenis veronderstelt. Natuurlijk is dit niet het hele verhaal. Er is veel bij het schrijven van poëzie dat bewust en weloverwogen moet gebeuren. Sterker nog, de slechte dichter is meestal onbewust waar hij bewust zou moeten zijn, en bewust waar hij onbewust zou moeten zijn. Beide fouten hebben de neiging hem ‘persoonlijk’ te maken. Poëzie is geen uitlaadklep van emotie, maar een ontsnapping aan emotie; het is niet de uitdrukking van persoonlijkheid, maar een ontsnapping aan persoonlijkheid. Maar natuurlijk weten alleen zij die persoonlijkheid en emoties hebben wat het betekent om aan deze dingen te willen ontsnappen.

— III —

δ δε νους ισως Θειοτερον τι και απαθες εστιν [10]

(Misschien is de geest wel goddelijker dan de onbeweeglijke stof.)

Dit essay wil de grens van metafysica of mystiek niet overschrijden, maar probeert zich te beperken tot praktische conclusies die bruikbaar zijn voor serieuze lezers met belangstelling voor poëzie. De aandacht verleggen van dichter naar poëzie is daarom altijd lofwaardig: het draagt bij aan een betere beoordeling van echte poëzie, zowel goede als slechte. Veel mensen waarderen de uiting van oprechte emotie in verzen, en een kleiner aantal mensen kan uitmuntende techniek waarderen. Maar slechts weinigen weten wanneer er sprake is van betekenisvolle emotie, emotie die haar oorsprong vindt in het gedicht zelf en niet in de biografie van de dichter. De emotie in de kunst is onpersoonlijk. En de dichter kan deze onpersoonlijkheid niet bereiken zonder zich volledig over te geven aan het werk dat verricht moet worden. Wat hij moet doen, zal hij pas beseffen als hij niet alleen leeft in het heden, maar ook in het verleden dat zich in het heden manifesteert, wat betekent dat hij zich bewust is, niet van wat dood is, maar van wat steeds in hem leeft.

Eindnoten

(Alle noten zijn van de vertaler, AS)

[1] Dante Alighieri, Divina Commedia, Inferno, Canto XV. Brunetto Latini was Dante’s leermeester die wordt opgevoerd als iemand die brandt in de hel.

[2] Dante Alighieri, Divina Commedia, Inferno, Canto V. Overspelige relatie tussen Paolo en Francesca.

[3] Dante Alighieri, Divina Commedia, Inferno, Canto XXVI. Reis van Odysseus.

[4] Aischylos, Agamemnon. Attische tragedie, ca. 458 v.Chr.

[5] William Shakespeare, Othello. Tragedie uit 1603/4.

[6] John Keats, Ode to a Nightingale. Ode uit 1819.

[7] Thomas Middleton of Cyril Tourneur, The Revenger’s Tragedy (1606), III.5.

Eliot gebruikt de versregel “For the poor benefit of a bewildering minute?”. Volgens Frank Kermode, ‘Getting Even’, New York Review of Books, 28 november, 1996 Issue, is het oorspronkelijke adjectief ‘bewitching’, en is ‘bewildering’ een ‘inauthentic nineteenth-century variant’.

[8] Dit is een vrije, niet al te dichterlijke vertaling die rekening houdt met de gedachtegang en emotionele sequentie van het geheel. Er klinken een paar interpretaties door in de vertaling om de tekst wat te verduidelijken. Bij toelichting en vertaling heb ik gebruik gemaakt van Peter Womack, English Renaissance Drama, Oxford: Blackwell Publishing 2006, p.179-184.

[9] Wordsworth, Lyrical Ballads, voorwoord bij de tweede editie (1802): ‘Poetry is the spontaneous overflow of powerful feelings; it takes its origin from emotion recollected in tranquillity.’

[10] Aristoteles, De Anima I.4.

Het liefdeslied van J. Alfred Prufrock – T.S. Eliot

T. S. Eliot (1888-1965) was een Amerikaans-Engelse dichter die in Nederland het meest bekend is geworden door het gedicht The Waste Land, met de bekende openingszinnen:

April is the cruellest month, breeding
Lilacs out of the dead land, mixing
Memory and desire, stirring
Dull roots with spring rain.
Winter kept us warm, covering
Earth in forgetful snow, feeding
A little life with dried tubers.

Daarnaast zijn ook de Four Quartets heel bekend geworden.

De dichter Martinus Nijhoff (1894-1953) is in sommige opzichten – modernisme, ingehouden ironie, lange toppenverzen met memorable regels, band met het christendom – aan hem verwant.

In 1917 publiceerde Eliot de bundel Prufrock and Other Observations. Hierin was ook het hier vertaalde gedicht The Love Song of J. Alfred Prufrock opgenomen.

Eliot schreef het gedicht als jonge man, een twintiger nog. Het is een lange monologue interieur van een angstige, egotistische, sociaal-schuwe man die niet weet hoe hij contact kan maken met de dame op het feestje, een man die allerlei bedenksels heeft waarom hij zus zou doen, of zo, maar die het niet doet.

In het gedicht komen vele toespelingen voor op de bijbel, Dante, Hesiodos, Shakespeare, enzovoort.

Het motto van het gedicht is ontleend aan De Goddelijke Komedie van Dante, een episch dichtwerk uit de veertiende eeuw in drie delen: De Hel, Het Vagevuur en Het Paradijs. Het betreft zes versregels uit de zevenentwintigste zang van De Hel. De regels vormen het begin van een antwoord dat Dante kreeg van Guido da Montefeltro die zich in de achtste hellekring bevond. Montefeltro durfde te antwoorden zonder bang te hoeven zijn om voor gek te worden versleten, omdat hij gehoord heeft dat er uit deze hellekring nooit iemand terugkeert naar het land van de levenden.

De suggestie die uitgaat van dit motto is uiteraard dat dit gedicht uit de ‘buitenste duisternis’ tevoorschijn komt (‘buitenste duisternis’ is bijbelse beeldspraak voor wat in de christelijke traditie ‘de hel’ wordt genoemd), en uiteraard nooit openbaar zou zijn geworden als de boodschap ons daadwerkelijk zou kunnen bereiken. Een zeer theatraal motief dus, en zeer ironisch bovendien: wat u leest, behoort u niet te kunnen lezen, maar u leest het nu wel.

Ik heb de strofen genummerd. Deze nummering is niet eigen aan het origineel, en het is ook niet gebruikelijk in de overweldigende hoeveelheid literatuur over dit gedicht, maar het is wel behulpzaam bij het strofegewijze commentaar dat ik zo dadelijk zal geven.

Er zijn al veel gerenommeerde dichters en schrijvers die zich aan een vertaling hebben gewaagd, onder anderen: Martinus Nijhoff, Pé Hawinkels en Elly de Waard (de hyperlinks verwijzen naar de online beschikbare vertalingen).

Het gedicht is vrij van vorm, maar kent wel behoorlijk veel rijm: eindrijm, assonanties, alliteraties.

Een beknopte tekst die een aardige eerste introductie geeft tot het gedicht, vindt u hier (in het Engels).

Dan nu een beknopt commentaar per strofe:

Motto: De vurige tong is beeldspraak ontleend aan de vlammen van de hel, maar deze hellevlam staat hier natuurlijk ook voor de tong van degene die antwoord moet geven. Een flakkerende tong is een ratelende, een bewegende, een sprekende tong; een stilstaande tong zwijgt.

Strofe 1: De jij en ik gaan naar een feestje, maar de ik-figuur ziet er als een berg tegenop. De strofe zinspeelt op allerlei erotische avonturen die je op zo’n wezenloze avond, als je in de betreffende ietwat verlopen stadswijk rondloopt, kunt vermoeden. Het erotische element keert herhaaldelijk terug.

Strofe 2: Ze zijn gearriveerd. Opgedirkte dames met een pretentieuze conversatie lopen af en aan.

Strofe 3: De ietwat vervuilde avondatmosfeer wordt opgeroepen met het beeld van een kat. De kat is in deze strofe van begin tot eind aanwezig. En de kat is natuurlijk ook een egocentrisch en autonoom wezen, net als de ik-figuur.

Strofe 4: “Er is een tijd om te omhelzen en een tijd om zich van omhelzingen te onthouden“, zegt de bijbelse Prediker. De retoriek van “Er is een tijd …” wordt een aantal strofen volgehouden. De tobberigheid, de eindeloze reflectie van de hoofdpersoon op wat hij zal doen of zal nalaten, treedt duidelijk aan het licht. De Werken en Dagen zijn een toespeling op een werk van Hesiodos.

Een moderne editie van het boek met een afbeelding van de jonge Eliot die een strakke scheiding in zijn haar heeft gekamd.

Strofe 5: De ik-figuur wordt weer in zijn tobberijen gestoord door de dames van strofe 2.

Strofe 6: Opnieuw getob, vooral over het eigen uiterlijk: is de hoofdpersoon wel aantrekkelijk genoeg voor de vrouwen die hij stilletjes veracht? Er wordt gezinspeeld op iets wat hij zou kunnen zeggen om de rampzalige toestand definitief aan het wankelen te brengen.

Strofe 7: Het blijken allemaal bekenden te zijn, of althans mensen die geen geheimen bezitten. De slotvraag lijkt terug te slaan op de vraag of hij het aandurft het heelal uit zijn evenwicht te brengen, misschien een vooruitgrijpen op de crisis die zo dadelijk ter sprake komt, maar misschien ook op de wanhoop die wordt opgeroepen door de onmogelijkheid om contact te maken.

Strofe 8: De ik-figuur wil niet in een hokje gestopt worden, maar dat lot lijkt onontkoombaar. Wat hem vervult is onvrede met zichzelf, en het meepraten over Michelangelo zal ongetwijfeld niet gaan lukken.

Strofe 9: Blote armen, vrouwengeuren die de ik-figuur obsederen. Deze strofe geeft de indruk dat erotische verlangens – die de wanhoop van contactarmoede schrijnend maken – bepaald niet afwezig zijn.

Strofe10: Zal de ik-figuur dan maar vertellen wat hij gezien heeft? Het betreft een weinig flatteuze scène: pijprokende mannen in hemdsmouwen die uit ramen hangen. Er is een impliciet gehouden beeldrijm met het eigen ongeloof in sociale (en erotische) vermogens.

Strofe 11: Een geweldig beeld: krabbenpoten die hun wanhoop klauwen over de bodem van de oceanen.

Strofe 12: Moet de ik-figuur – terwijl alles er zo vredig en gemanicuurd uitziet – nochtans zijn persoonlijke crisis op het gezelschap uitleven? En terwijl hij overbewust is – hij heeft zijn hoofd zien binnendragen op een schaal, toch is hij bepaald geen profeet die weet hoe het verder moet. Dit impliceert ook een afwijzing van de profetenmantel waarmee dichters soms behangen worden, of waarmee ze zichzelf behangen. Het beeld van het hoofd op een schaal is ontleend aan het vreselijke einde van de gevangen genomen Johannes de Doper die op verzoek van Herodias (de echtgenote van koning Herodes Antipas en de moeder van Salomé) onthoofd werd als beloning voor de erotische dans van Salomé voor Herodes Antipas en zijn gasten.

Strofe 13: En stel nu eens dat de ik-figuur toch iets van wat hem beroert te berde zou brengen, zou dat de ellende die dat met zich meebrengt misschien kunnen rechtvaardigen? Lazarus is iemand die in het bijbelse Nieuwe Testament door Jezus wordt opgewekt uit de doden. Dat Lazarus aankondigt te zullen vertellen wat hem in de dood is overkomen – iets wat door bekoorlijke hoofdjes duidelijk van de hand wordt gewezen – werd reeds prachtig aangereikt door het motto van Dante.

Strofe 14: Net als in de vorige strofe preludeert de ik-figuur op een afwijzing voor het geval hij werkelijk voor de dag zou komen met wat hem ten diepste bezig houdt.

Strofe 15: Een strofe die uiteraard verwijst naar Hamlet, het toneelstuk van Shakespeare. Hamlet wordt opgevoerd als contrast. De ik-figuur is veel miezeriger dan Hamlet. De monoloog in het toneelstuk waarin ‘To be or not to be’ voorkomt, is heel bekend. Ook dit gedicht is bijna een monoloog. Het eindigt met de Dwaas, een bekende Shakespeareaanse figuur – en dat is niet zo vreemd, want Shakespeare is heel goed, en dwazen komen ook in de werkelijkheid vrij vaak voor.

Strofe 16: Hij ziet het al voor zich: zo’n gênante grijsaard met opgerolde broekspijpen.

Strofe 17: Durft hij het? Een perzik eten is moeilijk, een ander kapsel kiezen ook. Hij gaat wel in zijn eentje wandelen, maar wat hoort hij? Verleidelijke sirenen, maar ze verleiden niet hem – ze zingen slechts voor elkaar.

Strofe 18: Niet voor hem.

Strofe 19: De slotconclusie: de grijzende haren worden uiteindelijk gekamd, maar toch niet het kalende hoofd van de ik-figuur, maar de door de wind van de onrust tevoorschijn geroepen witte lokken van de zee. Dan verschuift het perspectief opeens naar een ‘wij’, waarmee de conclusie in poëtische zin algemeen geldig worden gemaakt. Diep onder de oppervlakte van de zee – een mooi beeld voor de isolatie waarin de ik-figuur zich bevond – bevinden ‘wij’ ons kennelijk allemaal, net als de krabben die stilzwijgend schrapen over de bodem. En ‘wij’, die aanwezig blijken te zijn op de bodem in de aldaar aanwezige zalen, werden er bijna ingekapseld, dat wil in dit geval zeggen met zeewier omkransd, maar zodra mensenstemmen tot ‘ons’ bewustzijn doordrongen, gingen ‘wij’ ten onder, verloren wij onze eigenheid, dreven wij weg van ons meest authentieke bezit: onze wanhoop, onze individualiteit.

Een opgewekte, mensvriendelijke conclusie is het misschien toch niet.

Van het aan Dante ontleende motto, dat in het origineel onvertaald bleef, heb ik tussen haken een enigszins vrije, de poëtische kracht niet al te zeer aantastende prozavertaling gegeven.

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling:

Het liefdeslied van J. Alfred Prufrock


S’io credesse che mia risposta fosse
A persona che mai tornasse al mondo,
Questa fiamma staria senza piu scosse.
Ma percioche giammai di questo fondo
Non torno vivo alcun, s’i’odo il vero,
Senza tema d’infamia ti rispondo.

(Als ik zou geloven dat mijn antwoord was gericht
Aan iemand die ooit zou terugkeren op aarde,
Dan zou deze vurige tong niet langer flakkeren maar stilstaan;
Maar sinds niemand – als ik het wel heb –
uit deze diepten ooit wederkeert,
zal ik zonder angst voor schande antwoorden.
)

1.
Kom, laat ons gaan dan, jij en ik,
nu de avond aan de hemel wordt geschikt
als een patiënt verdoofd met ether op een tafel;
laat ons gaan, door van die desolate straten,
dat stiekeme de straat verlaten
voor een wilde nacht in van die derderangs hotels
en bars met zaagselvloeren, oesterschelpen:
straten die lopen als een taaie twist
waarin je nooit de kwade opzet mist,
die leiden naar een overheersende vraag …
Oh, zeg nu niet: “Hoe luidt die dan?”
Laat ons nu op visite gaan.

2.
In de salon stelen de dames de show
al pratend over Michelangelo.

3.
De gele mist die traag zijn rug schuurt aan het raam,
de gele rook die traag zijn snoet wrijft tegen ’t raam,
steekt gretig met zijn tong in elke avondhoek,
hangt rond bij ’t water dat in goten stil blijft staan,
vangt op haar rug het roet dat uit de schoorsteen komt,
gleed soepel van ‘t terras, en heeft een sprong gemaakt,
en ziende dat het een zachte oktobernacht betrof,
vlijde ze zich in een keer om het huis, en viel in slaap.

4.
En ja, er is een tijd
voor de gele rook die langs de straten gaat,
zijn rug traag schurend tegen ‘t raam;
er is een tijd, er is een tijd
om je gezicht zo te plooien dat je ziet wie jou straks gadeslaat;
er is een tijd voor moord, en voor een scheppingsdaad,
en tijd voor alle werken en dagen van een hand
die zich opheft en een vraag op jouw bordje plaatst;
voor jou een tijd, voor mij een tijd,
een tijd voor nog een honderd aarzelingen
voor honderd inbeeldingen en aanpassingen,
eer straks de gong weerklinkt voor het ontbijt.

5.
In de salon stelen de dames de show
al pratend over Michelangelo.

6.
En ja, er is een tijd
om zich af te vragen: ‘Durf ik het aan?’ en, ‘Durf ik het aan?’
Een tijd om de rug toe te keren en de trap af te dalen,
met een kale plek die schemert door m’n haren –
(ze zullen wel zeggen: “Wat wordt zijn haar al dun!”)
mijn jacquet, mijn boord omhoog gestoken tot mijn kin,
mijn nette das die met een kleine speld zich op mijn buik bevindt –
(Ze zullen wel zeggen: “O, wat zijn z’n armen en z’n benen dun!”)
Durf ik het aan
het heelal te laten beven?
Zo meteen is er een tijd
Voor beschikkingen en herroepingen die meteen weer worden prijsgegeven.

7.
Want heus, ik kende ze allemaal al, echt allemaal:
heb ochtenden, middagen, avonden uitgezeten,
ik heb met koffielepeltjes mijn leven uitgemeten;
ik ken van elke wegstervende stem het stervend geluid
achter de muziek van tussen die gangen door.
Dus hoe stel ik me dat dan voor?

8.
En al die ogen kende ik al, echt allemaal –
de ogen die jou blijvend aan een formule vastmaken,
en als je in woorden bent gevat, vervolgens vastpinnen,
en als je bent vastgepind en spartelt aan de muur,
wat kun je dan beginnen
om al die stompe eindjes van mijn dagen en gedragen uit te braken?
En hoe stel ik me dat dan voor?

9.
En al die armen kende ik al, echt allemaal –
met pofmouwtjes, armen die wit zijn en bloot
(maar beschenen door lamplicht, overdekt met lichtbruin haar!)
Is het die geur, dat zalige bouquet
dat mij zo aan het denken zet?
Armen die op tafel rusten, soms omwonden door een sjaal.
En hoe stel ik me dat dan voor?
En wat kun je dan beginnen?

10.
Zal ik ze vertellen: ik liep in de schemering door smalle straten
en keek naar de rook die opsteeg uit de pijpen
van eenzame halfblote mannen, hangend uit hun ramen? …

11.
O, was ik maar een paar ruige klauwen
die schrapen over de bodem van stille zeeën.

12.
En de middag, de avond – ze liggen er zo vredig bij!
met elegante vingers die masseren,
slapend … vermoeid … of kwalen simuleren,
uitgestrekt op de vloer, hier tussen jou en mij.
Moet ik, meteen na thee en cake en feestdis,
moed verzamelen voor de ultieme crisis?
Al heb ik geweend en gevast, geweend en gebeden,
al heb ik mijn hoofd (lichtelijk kalend) zien binnendragen op een schaal
een profeet ben ik niet – maar da’s een ander verhaal;
heel even zag ik mijn roem opflakkeren,
en ik zag de eeuwige Hein mijn jas aanpakken, en ginnegappen,
ik was, om kort te gaan, bang.

13.
En was het dat allemaal waard, uiteindelijk,
na alle drankjes, de thee, de toast met pastei,
te midden van het porselein, bij ‘t gepraat van jou en mij,
had het de moeite geloond als ik
de zaak met een glimlach had weggeslikt,
het universum had laten krimpen tot een balletje
om die te rollen naar een overheersende vraag,
om dan te zeggen, “Ik ben Lazarus, opgestaan uit de doden,
teruggekomen om je alles te vertellen, ik vertel je echt alles” –
terwijl iemand, haar hoofdje schikkend in een kussen
zou zeggen: “Dat is echt niet wat ik wilde;
dat is het niet, echt niet.”

14.
En was het dat allemaal waard, uiteindelijk
heeft het de moeite geloond
al die schemeringen, de binnenplaatsjes, de bespatte straten,
de intriges, de theekopjes, de slepende rokken –
en dit, en zoveel meer? –
onmogelijk kan ik zeggen wat ik precies bedoel!
Maar als een toverlantaarn zenuwen zou projecteren op een scherm:
zou het de moeite waard zijn geweest
terwijl iemand, een kussen schikkend of een das losgooiend,
en wegdraaiend naar het raam, zou zeggen:
“Dat is het niet, echt niet.
“Dat is echt niet wat ik wilde.”

15.
Nee! Ik ben Prins Hamlet niet, en zou hem ook niet kunnen zijn;
‘k ben een gedienstig mannetje, een die je er
goed bij kunt hebben, die wel een zaakje regelen kan,
die de prins een advies verstrekt; vast een nuttig instrument,
gedwee, blij dat hij zich bruikbaar maken kan,
behendig, voorzichtig en nauwgezet;
heel gewichtig, maar wel een beetje kleurloos;
soms – toegegeven – bijna lachwekkend –
bijna, soms, een regelrechte Dwaas.

16.
Ik word oud … ik word oud …
straks loop ik met opgerolde broekspijpen rond.

17.
Durf ik een perzik eten? Zal ik mijn scheiding veranderen.
Ik zal een broek aandoen van wit flanel, en langs het strand wandelen.
Ik heb de sirenen horen zingen, vooral naar elkander.

18.
Ze zingen, denk ik, vast niet voor mij.

19.
Ik heb ze naar zee zien glijden over de golven;
ze kammen van de golven de witte lokken
als de wind over het zwarte water jaagt met witte vlokken.
We hebben vertoefd in de zalen van de zee,
waar zeenimfen ons met bruin en rood wier omringden
totdat mensenstemmen ons wekken, en wij verdrinken.

Origineel:

The Love Song of J. Alfred Prufrock


S’io credesse che mia risposta fosse
A persona che mai tornasse al mondo,
Questa fiamma staria senza piu scosse.
Ma percioche giammai di questo fondo
Non torno vivo alcun, s’i’odo il vero,
Senza tema d’infamia ti rispondo.

Let us go then, you and I,
When the evening is spread out against the sky
Like a patient etherized upon a table;
Let us go, through certain half-deserted streets,
The muttering retreats
Of restless nights in one-night cheap hotels
And sawdust restaurants with oyster-shells:
Streets that follow like a tedious argument
Of insidious intent
To lead you to an overwhelming question …
Oh, do not ask, “What is it?”
Let us go and make our visit.

In the room the women come and go
Talking of Michelangelo.

The yellow fog that rubs its back upon the window-panes,
The yellow smoke that rubs its muzzle on the window-panes,
Licked its tongue into the corners of the evening,
Lingered upon the pools that stand in drains,
Let fall upon its back the soot that falls from chimneys,
Slipped by the terrace, made a sudden leap,
And seeing that it was a soft October night,
Curled once about the house, and fell asleep.

And indeed there will be time
For the yellow smoke that slides along the street,
Rubbing its back upon the window-panes;
There will be time, there will be time
To prepare a face to meet the faces that you meet;
There will be time to murder and create,
And time for all the works and days of hands
That lift and drop a question on your plate;
Time for you and time for me,
And time yet for a hundred indecisions,
And for a hundred visions and revisions,
Before the taking of a toast and tea.

In the room the women come and go
Talking of Michelangelo.

And indeed there will be time
To wonder, “Do I dare?” and, “Do I dare?”
Time to turn back and descend the stair,
With a bald spot in the middle of my hair —
(They will say: “How his hair is growing thin!”)
My morning coat, my collar mounting firmly to the chin,
My necktie rich and modest, but asserted by a simple pin —
(They will say: “But how his arms and legs are thin!”)
Do I dare
Disturb the universe?
In a minute there is time
For decisions and revisions which a minute will reverse.

For I have known them all already, known them all:
Have known the evenings, mornings, afternoons,
I have measured out my life with coffee spoons;
I know the voices dying with a dying fall
Beneath the music from a farther room.
So how should I presume?

And I have known the eyes already, known them all—
The eyes that fix you in a formulated phrase,
And when I am formulated, sprawling on a pin,
When I am pinned and wriggling on the wall,
Then how should I begin
To spit out all the butt-ends of my days and ways?
And how should I presume?

And I have known the arms already, known them all—
Arms that are braceleted and white and bare
(But in the lamplight, downed with light brown hair!)
Is it perfume from a dress
That makes me so digress?
Arms that lie along a table, or wrap about a shawl.
And should I then presume?
And how should I begin?

Shall I say, I have gone at dusk through narrow streets
And watched the smoke that rises from the pipes
Of lonely men in shirt-sleeves, leaning out of windows? …

I should have been a pair of ragged claws
Scuttling across the floors of silent seas.

And the afternoon, the evening, sleeps so peacefully!
Smoothed by long fingers,
Asleep … tired … or it malingers,
Stretched on the floor, here beside you and me.
Should I, after tea and cakes and ices,
Have the strength to force the moment to its crisis?
But though I have wept and fasted, wept and prayed,
Though I have seen my head (grown slightly bald) brought in upon a platter,
I am no prophet — and here’s no great matter;
I have seen the moment of my greatness flicker,
And I have seen the eternal Footman hold my coat, and snicker,
And in short, I was afraid.

And would it have been worth it, after all,
After the cups, the marmalade, the tea,
Among the porcelain, among some talk of you and me,
Would it have been worth while,
To have bitten off the matter with a smile,
To have squeezed the universe into a ball
To roll it towards some overwhelming question,
To say: “I am Lazarus, come from the dead,
Come back to tell you all, I shall tell you all”—
If one, settling a pillow by her head
Should say: “That is not what I meant at all;
That is not it, at all.”

And would it have been worth it, after all,
Would it have been worth while,
After the sunsets and the dooryards and the sprinkled streets,
After the novels, after the teacups, after the skirts that trail along the floor—
And this, and so much more?—
It is impossible to say just what I mean!
But as if a magic lantern threw the nerves in patterns on a screen:
Would it have been worth while
If one, settling a pillow or throwing off a shawl,
And turning toward the window, should say:
“That is not it at all,
That is not what I meant, at all.”

No! I am not Prince Hamlet, nor was meant to be;
Am an attendant lord, one that will do
To swell a progress, start a scene or two,
Advise the prince; no doubt, an easy tool,
Deferential, glad to be of use,
Politic, cautious, and meticulous;
Full of high sentence, but a bit obtuse;
At times, indeed, almost ridiculous—
Almost, at times, the Fool.

I grow old … I grow old …
I shall wear the bottoms of my trousers rolled.

Shall I part my hair behind? Do I dare to eat a peach?
I shall wear white flannel trousers, and walk upon the beach.
I have heard the mermaids singing, each to each.

I do not think that they will sing to me.

I have seen them riding seaward on the waves
Combing the white hair of the waves blown back
When the wind blows the water white and black.
We have lingered in the chambers of the sea
By sea-girls wreathed with seaweed red and brown
Till human voices wake us, and we drown.

R.S. Thomas-herdenkingsrede – Seamus Heaney

Uitgesproken door Seamus Heaney in Westminster Abbey op 28 maart 2001

Titel: R.S. Thomas Memorial. Delivered at Westminster Abbey, March 28th, 2001
Bron: The Ireland Poetry Review, nr. 69, zomer 2001, p.11-14
Stabiele URL: https://www.jstor.org/stable/25579620

Herdenkingsrede R.S. Thomas

In een van zijn latere gedichten, getiteld A life, dat duidelijk bedoeld is als zelfportret, bestempelt R.S. Thomas zichzelf als “een van ‘s levens / gewetensbezwaarden”. De levensschets getuigt van een typerende eerlijkheid en een typerende strengheid, maar wat me er het meest aan bevalt is de enigszins atypische onbekommerdheid die eruit spreekt. Voor even is degene die ons uit dit portret aanstaart bereid om zichzelf van opzij te bekijken om te zien wat andere mensen wel eens zouden kunnen zien. Thomas wist heel goed dat hij in veler ogen een grimmige figuur was, en elders in het gedicht bekende hij, met opnieuw vermakelijk-ongemakkelijke gestrengheid, “waar twee / bijeen zijn, was hij de ongewenste / derde.” Maar Thomas wist ook, net als wij, dat hij niet samenviel met deze karikatuur: hij was weliswaar soms iemand die anderen bekritiseerde en kastijdde, hij was ook een zielzorger, iemand die op zijn knieën ging, iemand die bij voortduring klopte op de deur van de waarheid, en die geen toegang kreeg. Een visionair, maar, zoals het gedicht ook zegt, “slechts visionair / in het besef van een horizon / voorbij de horizon”.

Het is één van de aardige samenlopen van de literatuurgeschiedenis dat Thomas zijn zoektocht naar die horizon aanving juist toen de tochten van twee andere Wijzen afliepen; het is met andere woorden mogelijk om het streven van zijn Verzamelde gedichten te lezen als de vervulling van het streven van W.B. Yeats en T.S. Eliot, zijn grote voorgangers die geprobeerd hebben om religieuze poëzie te schrijven in een areligieuze tijd. Hij leek op een van Yeats’ “onbevredigde bleke types”, maar wel een wiens doorleefde onvrede rechtstreeks zou leiden tot wat in zijn werk bij uitstek bevredigend is.

Toen ik Thomas voor het eerst las, had ik waardering voor zijn trouw aan het armeluisleven van de boeren in het heuvelland wier predikant hij was. De mensen in zijn gedichten deden mij denken aan de keuterboeren en landarbeiders die ik zelf had gekend, en het waren onder andere zijn verzen die mij hielpen bij mijn eerste schrijfpogingen. Song at the Year’s Turning [Lied bij de jaarwisseling] was een bundel waar ik van hield. De stofomslag had een ontwerp dat was gebaseerd op een stapelmuur, en dat paste goed bij de ruwe, bergachtige sfeer van afzondering en overleving die de gedichten opriepen. De spaarzaamheid van Thomas’ taal resoneerde in mij. Er zat iets van zelfbeteugeling in dit schrijven, alsof de dichter een afkeer koesterde van zijn eigen lyrische talent – en dat beviel mij. Dat beviel mij vooral omdat het lyrische talent zo zuiver was en ernaar leek te verlangen om zalig uitgeoefend te worden. Al heel vroeg had hij zichzelf toegestaan om te doen wat de jonge Yeats had gedaan, afstand nemen van de rijmende versregel en het volksdeuntje. Maar kort daarop volgde hij het voorbeeld van een andere Ierse dichter, Austin Clarke; hij koos de taal van de torenklok en kreeg een voorkeur voor de muziek van de vastentijd, met als gevolg dat zijn gedichten gaandeweg net zo kaal en onverbiddelijk werden als de crotalus (houten klepper) in het heiligdom van Goede Vrijdag.

Als dichter dorstte R.S. Thomas naar religieuze waarheid, en het is omdat die dorst onverminderd groot bleef dat zijn werk de toekomstige generaties van de een-en-twintigste eeuw zal kunnen overtuigen. Voor hem geldt niet de gebedsverhoring die in vrees en beven wordt verwacht, zoals opgeroepen door George Herbert. Er weerklinkt geen gebeier achter het gesternte; er is geen vorm van hemels getokkel of getingel. Als dichter-dominee staat Thomas natuurlijk wel in dezelfde traditie als Herbert, maar het is de Herbert van de kale toonladders, van een harp die ‘ongestemd, ongespannen’ is, de Herbert van ‘Deniall’ [Afwijzing] en ‘The Collar’ [Het boordje], bij wie de cholerische neiging niet zozeer merkteken is van het kerkelijk ambt, maar eerder een kenmerk van een onmatige persoonlijkheid, leidend tot uitbarstingen van opstandige toorn.

Maar het werk van R.S. Thomas toont niettemin een fantastisch doorzettingsvermogen, een besef dat hij zich niet van zijn roeping zal laten afbrengen, en ook dat hij niet de dupe zal worden van zijn vroomheid, en het is deze pelgrimsvolharding die zijn poëzie een blijvende kracht verleent. Als we hier en nu deze dichter gedenken, dan is wat we eren juist deze ootmoedige standvastigheid. In onze voorstelling heeft hij een eenzelvig profiel gekregen, een beetje zoals de verzamelaar van bloedzuigers bij Wordsworth, maar droefgeestiger, veeleer geneigd om zijn staf te werpen naar degene die hij tegenkomt dan om erop te leunen bij het verstrekken van z’n kluizenaarswijsheden. Thomas bezat een ongeremde en onbeheerste kant, altijd klaar om elke plannenmakerij te ontregelen, een kant die tekeer ging tegen Engelse vakantiehuizen op het Welshe platteland. En toch schuilde er gedrevenheid en accuratesse in zijn culturele en nationalistische boosheid; zijn vervreemding van het steeds meer door rijke nieuwkomers volgebouwde landschap was een aspect van een algemenere, moderne ontworteling, een toestand die zowel betrokkenheid als ironische afstandelijkheid nodig heeft – een toestand die zeker zou zijn herkend door schrijvers als George Seferis en Patrick Kavanagh. Hoe onsympathieker zijn land zich voordeed, hoe dieper hij de noodzaak voelde zich ermee te verbinden.

Ik zal twee gedichten van hem voorlezen zonder veel commentaar, want ze hebben geen uitleg nodig. De eerste is getiteld The One Furrow, een heel eenvoudig gedicht, kennelijk nog een imitatie, en toch is het al een voorafschaduwing van de vorm die R.S. Thomas’ geestelijke en artistieke leven zou aannemen: het verantwoordelijkheidsbesef, de niet aflatende zoektocht, de vore die wordt geploegd naar de horizon voorbij de horizon.

[Het oorspronkelijke gedicht heeft eindrijm (aabab ccdcd eefef) dat in vertaling niet is gehandhaafd]

De ene vore

Toen ik jong was ging ik naar school
met lineaal en schrijfstift,
griffel en lei,
en ik zat op een hoog bankje
aan de poort van de kennis.

Toen ik ouder werd, zwaaide de poort open;
slim en oplettend als ik was
wurmde ik me erdoor,
maar vond in de trots van mijn geest
geen vrede, geen rust.

Toen leerde iemand me terug te gaan
naar vee en mesthoop;
veld en ploeg:
om zich te richten op die ene vore,
dezelfde die ik nog volg?

Het volgende gedicht is heel bekend, een van de ‘pastorale gedichten’ dat het bezoek van een priester aan een zieke parochiaan als onderwerp heeft. Voor mijn gevoel is dit gedicht in een tweegesprek verwikkeld met een ander gedicht van een andere dichter-priester over hetzelfde onderwerp, een gedicht dat op dezelfde manier begint als dat van Thomas, met het uitspreken van de naam van de parochiaan. “Felix Randal de hoefsmid, O is hij echt dood?” vraagt Gerard Manley Hopkins, en hij gaat verder met zich te herinneren hoe het uitdelen van het sacrament aan de hoefsmid verzachting en verlichting had geschonken, en op het eind had gezorgd voor leniging van nood en geestelijke verkwikking. Maar als R.S. Thomas zich zijn herderlijke zorg aan Evans herinnert, is de uitkomst heel anders:

Evans

Evans? Ja, heel wat keren
daalde ik af langs de kale
trap naar de knokige keuken
met het houtvuur, met krekelgezang
ter begeleiding van het huilende
zwarte keteltje, zo het koude donker in
om te smoren in het wassend tij
van de nacht, deinend langs de muren
van z’n schrale hoeve op de kam.

t Was niet het donker dat me tegenstond,
al vulde het oog en mond; zelfs niet de regen
die als bloed drupte van die ene door het weer
geteisterde boom. Het was het donker
dat de aderen dichtslibde van deze zieke man
die ik liet stranden op de uitgestrekte
en eenzame kust van zijn verlaten bed.

Hysterie – T.S. Eliot

T. S. Eliot (1888-1965) was een Amerikaans-Engelse dichter die in Nederland het meest bekend is geworden door het gedicht The Waste Land, met de bekende openingszinnen:

April is the cruellest month, breeding
Lilacs out of the dead land, mixing
Memory and desire, stirring
Dull roots with spring rain.
Winter kept us warm, covering
Earth in forgetful snow, feeding
A little life with dried tubers.

De dichter Martinus Nijhoff is in sommige opzichten – modernisme, ingehouden ironie, lange toppenverzen met memorable regels, band met het christendom – aan hem verwant.

In 1917 publiceerde Eliot de bundel Prufrock and Other Observations. Hierin was ook het hier vertaalde gedicht Hysteria opgenomen. Hysteria was het enige prozagedichtje in de bundel.

Het gedichtje vertoont de invloed van Jules Laforgue (1848-87), een pionier van het vrije vers, iemand ook die alledaagse taferelen, lichtelijk overdreven en met surrealistisch aandacht voor rare details, kon vertellen.

Het gaat om een hysterische lach, maar minstens ook om de infectueuze potentie van die lach. Je weet haast niet meer wie er nu eigenlijk hysterisch is, de hij of de zij.

Vertaling:

Hysterie

Toen ze lachte, merkte ik dat ik door haar lach werd meegesleept en er deel van ging uitmaken, totdat haar tanden hoogst toevallige sterren waren met het talent om een peloton te drillen. Korte zuchtjes, steeds geïnhaleerd na tijdelijk herstel, zogen mij mee, en ik verloor me uiteindelijk in de duistere spelonken van haar keel, die geblutst leek door de welving van onzichtbare spieren. Een bejaarde kelner was met trillende handen bezig een roze-en-wit-gestreept kleed te spreiden over een roestige, groene tafel van ijzer, zeggend: “Wellicht willen de dame en heer hun thee in de tuin gebruiken, wellicht willen de dame en heer hun thee in de tuin gebruiken …” Ik kwam tot de slotsom dat als er een eind gemaakt kon worden aan het deinen van haar borsten, er misschien nog een paar flarden van deze middag konden worden bewaard, en met het oog daarop concentreerde ik mijn aandacht met delicate nauwgezetheid.

Origineel:

Hysteria

As she laughed I was aware of becoming involved in her laughter and being part of it, until her teeth were only accidental stars with a talent for squad-drill. I was drawn in by short gasps, inhaled at each momentary recovery, lost finally in the dark caverns of her throat, bruised by the ripple of unseen muscles. An elderly waiter with trembling hands was hurriedly spreading a pink and white checked cloth over the rusty green iron table, saying: “If the lady and gentleman wish to take their tea in the garden, if the lady and gentleman wish to take their tea in the garden …” I decided that if the shaking of her breasts could be stopped, some of the fragments of the afternoon might be collected, and I concentrated my attention with careful subtlety to this end.