Tagarchief: Modernisme

Het liefdeslied van J. Alfred Prufrock – T.S. Eliot

T. S. Eliot (1888-1965) was een Amerikaans-Engelse dichter die in Nederland het meest bekend is geworden door het gedicht The Waste Land, met de bekende openingszinnen:

April is the cruellest month, breeding
Lilacs out of the dead land, mixing
Memory and desire, stirring
Dull roots with spring rain.
Winter kept us warm, covering
Earth in forgetful snow, feeding
A little life with dried tubers.

Daarnaast zijn ook de Four Quartets heel bekend geworden.

De dichter Martinus Nijhoff (1894-1953) is in sommige opzichten – modernisme, ingehouden ironie, lange toppenverzen met memorable regels, band met het christendom – aan hem verwant.

In 1917 publiceerde Eliot de bundel Prufrock and Other Observations. Hierin was ook het hier vertaalde gedicht The Love Song of J. Alfred Prufrock opgenomen.

Eliot schreef het gedicht als jonge man, een twintiger nog. Het is een lange monologue interieur van een angstige, egotistische, sociaal-schuwe man die niet weet hoe hij contact kan maken met de dame op het feestje, die allerlei bedenksels heeft waarom hij zus zou doen, of zo, maar die het niet doet.

In het gedicht zijn verschillende toespelingen op de bijbel en op Shakespeare, enzovoort.

Het motto van het gedicht is ontleend aan De Goddelijke Komedie van Dante, een episch dichtwerk uit de veertiende eeuw in drie delen: De Hel, Het Vagevuur en Het Paradijs. Het betreft zes versregels uit de zevenentwintigste zang van De Hel. De regels vormen het begin van een antwoord dat Dante kreeg van Guido da Montefeltro die zich in de achtste hellekring bevond. Montefeltro durfde te antwoorden zonder bang te hoeven zijn om voor gek te worden versleten, omdat hij gehoord heeft dat er uit deze hellekring nooit iemand terugkeert naar het land van de levenden.

De suggestie die uitgaat van dit motto is uiteraard dat dit gedicht uit de ‘buitenste duisternis’ tevoorschijn komt (‘buitenste duisternis’ is bijbelse beeldspraak voor wat in de christelijke traditie ‘de hel’ wordt genoemd), en uiteraard nooit openbaar zou zijn geworden als de boodschap ons daadwerkelijk zou kunnen bereiken. Een zeer theatraal motief dus, en zeer ironisch bovendien: wat u leest, behoort u niet te kunnen lezen, maar u leest het nu wel.

Ik heb de strofen genummerd. Deze nummering is niet eigen aan het origineel, en het is ook niet gebruikelijk in de overweldigende hoeveelheid literatuur over dit gedicht, maar het is wel behulpzaam bij het strofegewijze commentaar dat ik zo dadelijk zal geven.

Er zijn al veel gerenommeerde dichters en schrijvers die zich aan een vertaling hebben gewaagd, onder anderen: Martinus Nijhoff, Pé Hawinkels en Elly de Waard (de hyperlinks verwijzen naar de online beschikbare vertalingen).

Het gedicht is vrij van vorm, maar kent wel behoorlijk veel rijm: eindrijm, assonanties, alliteraties.

Een beknopte tekst die een aardige eerste introductie geeft tot het gedicht, vindt u hier (in het Engels).

Dan nu een beknopt commentaar per strofe:

Motto: De vurige tong is beeldspraak ontleend aan de vlammen van de hel, maar deze hellevlam staat hier natuurlijk ook voor de tong van degene die antwoord moet geven. Een flakkerende tong is een ratelende, een bewegende, een sprekende tong; een stilstaande tong zwijgt.

Strofe 1: De jij en ik gaan naar een feestje, maar de ik-figuur ziet er als een berg tegenop. De strofe zinspeelt op allerlei erotische avonturen die je op zo’n wezenloze avond, als je in de betreffende ietwat verlopen stadswijk rondloopt, kunt vermoeden. Het erotische element keert herhaaldelijk terug.

Strofe 2: Ze zijn gearriveerd. Opgedirkte dames met een pretentieuze conversatie lopen af en aan.

Strofe 3: De ietwat vervuilde avondatmosfeer wordt opgeroepen met het beeld van een kat. De kat is in deze strofe van begin tot eind aanwezig. En de kat is natuurlijk ook een egocentrisch en autonoom dier, net als de ik-figuur.

Strofe 4: “Er is een tijd om te omhelzen en een tijd om zich van omhelzingen te onthouden“, zegt de bijbelse Prediker. De retoriek van “Er is een tijd …” wordt een aantal strofen volgehouden. De tobberigheid, de eindeloze reflectie van de hoofdpersoon op wat hij zal doen of zal nalaten, treedt duidelijk aan het licht. De Werken en Dagen zijn een toespeling op een werk van Hesiodos.

Strofe 5: De ik-figuur wordt weer in zijn tobberijen gestoord door de dames van strofe 2.

Strofe 6: Opnieuw getob, vooral over het eigen uiterlijk: is de hoofdpersoon wel aantrekkelijk genoeg voor de vrouwen die hij stilletjes veracht? Er wordt gezinspeeld op iets wat hij zou kunnen zeggen om de rampzalige toestand definitief aan het wankelen te brengen.

Strofe 7: Het blijken allemaal bekenden te zijn, of althans mensen die geen geheimen bezitten. De slotvraag lijkt terug te slaan op de vraag of hij het aandurft het heelal uit zijn evenwicht te brengen, misschien een vooruitgrijpen op de crisis die zo dadelijk ter sprake komt, maar misschien ook op de wanhoop die wordt opgeroepen door de onmogelijkheid om contact te maken.

Strofe 8: De ik-figuur wil niet in een hokje gestopt worden, maar dat lot lijkt onontkoombaar. Wat hem vervult is onvrede met zichzelf, en het meepraten over Michelangelo zal ongetwijfeld niet gaan lukken.

Strofe 9: Blote armen, vrouwengeuren die de ik-figuur obsederen. Deze strofe geeft de indruk dat erotische verlangens – die de wanhoop van contactarmoede schrijnend maken – bepaald niet afwezig zijn.

Strofe10: Zal de ik-figuur dan maar vertellen wat hij gezien heeft? Het betreft een weinig flatteuze scène: pijprokende mannen in hemdsmouwen die uit ramen hangen. Er is een impliciet gehouden beeldrijm met het eigen ongeloof in sociale (en erotische) vermogens.

Strofe 11: Een geweldig beeld: krabbenpoten die hun wanhoop klauwen over de bodem van de oceanen.

Strofe 12: Moet de ik-figuur – terwijl alles er zo vredig en gemanicuurd uitziet – nochtans zijn persoonlijke crisis op het gezelschap uitleven? En terwijl hij overbewust is – hij heeft zijn hoofd zien binnendragen op een schaal, toch is hij bepaald geen profeet die weet hoe het verder moet. Dit impliceert ook een afwijzing van de profetenmantel waarmee dichters soms behangen worden, of waarmee ze zichzelf behangen. Het beeld van het hoofd op een schaal is ontleend aan het vreselijke einde van Johannes de Doper die op instigatie van Herodias onthoofd werd als beloning voor de dans van Salomé voor Herodes Antipas en zijn gasten.

Strofe 13: En stel nu eens dat de ik-figuur toch iets van wat hem beroert te berde zou brengen, zou dat de ellende die dat met zich meebrengt misschien kunnen rechtvaardigen? Lazarus is iemand die in het bijbelse Nieuwe Testament door Jezus wordt opgewekt uit de doden. Dat Lazarus aankondigt te zullen vertellen wat hem in de dood is overkomen – iets wat door bekoorlijke hoofdjes duidelijk van de hand wordt gewezen – werd reeds prachtig aangereikt door het motto van Dante.

Strofe 14: Net als in de vorige strofe preludeert de ik-figuur op een afwijzing voor het geval hij werkelijk voor de dag zou komen met wat hem werkelijk bezig houdt.

Strofe 15: Een strofe die uiteraard verwijst naar Hamlet, het toneelstuk van Shakespeare. Hamlet wordt opgevoerd als contrast. De ik-figuur is veel miezeriger dan Hamlet. De monoloog waarin ‘To be or not to be’ uit het toneelstuk is heel bekend. Ook dit gedicht is bijna een monoloog. Het eindigt met de Dwaas, een bekende Shakespeareaanse figuur – en dat is niet zo vreemd, want Shakespeare is heel goed, en dwazen komen ook in de werkelijkheid vrij vaak voor.

Strofe 16: Hij ziet het al voor zich: zo’n gênante grijsaard met opgerolde broekspijpen.

Strofe 17: Durft hij het? Een perzik eten is moeilijk, een ander kapsel kiezen ook. Hij gaat wel in zijn eentje wandelen, maar wat hoort hij? Verleidelijke sirenen, maar ze verleiden niet hem – ze zingen slechts voor elkaar.

Strofe 18: Niet voor de ik-figuur.

Strofe 19: De slotconclusie: de grijzende haren worden uiteindelijk gekamd, maar toch niet het kalende hoofd van de ik-figuur, maar de door de wind van de onrust tevoorschijn geroepen witte lokken van de zee. Dan verschuift het perspectief opeens naar een ‘wij’, waarmee de conclusie in poëtische zin algemeen geldig worden gemaakt. Diep onder de oppervlakte van de zee – een mooi beeld voor de isolatie waarin de ik-figuur zich bevond – bevinden ‘wij’ ons kennelijk allemaal, net als de krabben die stilzwijgend schrapen over de bodem. En ‘wij’, die aanwezig blijken te zijn op de bodem in de aldaar aanwezige zalen, werden er bijna ingekapseld, dat wil in dit geval zeggen met zeewier omkransd, maar zodra mensenstemmen tot ‘ons’ bewustzijn doordrongen, gingen ‘wij’ ten onder, verloren wij onze eigenheid, onze wanhoop, onze individualiteit.

Een opgewekte, mensvriendelijke conclusie is het misschien toch niet.

Ik heb ten slotte een poging gedaan om mijn vertaling voor te dragen.

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling:

Het liefdeslied van J. Alfred Prufrock


S’io credesse che mia risposta fosse
A persona che mai tornasse al mondo,
Questa fiamma staria senza piu scosse.
Ma percioche giammai di questo fondo
Non torno vivo alcun, s’i’odo il vero,
Senza tema d’infamia ti rispondo.

(Als ik zou geloven dat mijn antwoord was gericht
Aan iemand die ooit zou terugkeren op aarde,
Dan zou deze vurige tong niet langer flakkeren maar stilstaan;
Maar sinds niemand – als ik het wel heb –
uit deze diepten ooit wederkeert,
zal ik zonder angst voor schande antwoorden.
)

1.
Kom, laat ons gaan dan, jij en ik,
nu de avond aan de hemel wordt geschikt
als een patiënt verdoofd met ether op een tafel;
laat ons gaan, door van die desolate straten,
dat stiekeme de straat verlaten
voor een wilde nacht in van die derderangs hotels
en bars met zaagselvloeren, oesterschelpen:
straten die lopen als een taaie twist
waarin je nooit de kwade opzet mist,
die leiden naar een overheersende vraag …
Oh, zeg nu niet: “Hoe luidt die dan?”
Laat ons nu op visite gaan.

2.
In de salon stelen de dames de show
al pratend over Michelangelo.

3.
De gele mist die traag zijn rug schuurt aan het raam,
de gele rook die traag zijn snoet wrijft tegen ’t raam,
steekt gretig met zijn tong in elke avondhoek,
hangt rond bij ’t water dat in goten stil blijft staan,
vangt op haar rug het roet dat uit de schoorsteen komt,
gleed soepel van ‘t terras, en heeft een sprong gemaakt,
en ziende dat het een zachte oktobernacht betrof,
vlijde ze zich in een keer om het huis, en viel in slaap.

4.
En ja, er is een tijd
voor de gele rook die langs de straten gaat,
zijn rug traag schurend tegen ‘t raam;
er is een tijd, er is een tijd
om je gezicht zo te plooien dat je ziet wie jou straks gadeslaat;
er is een tijd voor moord, en voor een scheppingsdaad,
en tijd voor alle werken en dagen van een hand
die zich opheft en een vraag op jouw bordje plaatst;
voor jou een tijd, voor mij een tijd,
een tijd voor nog een honderd aarzelingen
voor honderd inbeeldingen en aanpassingen,
eer straks de gong weerklinkt voor het ontbijt.

5.
In de salon stelen de dames de show
al pratend over Michelangelo.

6.
En ja, er is een tijd
om zich af te vragen: ‘Durf ik het aan?’ en, ‘Durf ik het aan?’
Een tijd om de rug toe te keren en de trap af te dalen,
met een kale plek die schemert door m’n haren –
(ze zullen wel zeggen: “Wat wordt zijn haar al dun!”)
mijn jacquet, mijn boord omhoog gestoken tot mijn kin,
mijn nette das die met een kleine speld zich op mijn buik bevindt –
(Ze zullen wel zeggen: “O, wat zijn z’n armen en z’n benen dun!”)
Durf ik het aan
het heelal te laten beven?
Zo meteen is er een tijd
Voor beschikkingen en herroepingen die meteen weer worden prijsgegeven.

7.
Want heus, ik kende ze allemaal al, echt allemaal:
heb ochtenden, middagen, avonden uitgezeten,
ik heb met koffielepeltjes mijn leven uitgemeten;
ik ken van elke wegstervende stem het stervend geluid
achter de muziek van tussen die gangen door.
Dus hoe stel ik me dat dan voor?

8.
En al die ogen kende ik al, echt allemaal –
de ogen die jou blijvend aan een formule vastmaken,
en als je in woorden bent gevat, vervolgens vastpinnen,
en als je bent vastgepind en spartelt aan de muur,
wat kun je dan beginnen
om al die stompe eindjes van mijn dagen en gedragen uit te braken?
En hoe stel ik me dat dan voor?

9.
En al die armen kende ik al, echt allemaal –
met pofmouwtjes, armen die wit zijn en bloot
(maar beschenen door lamplicht, overdekt met lichtbruin haar!)
Is het die geur, dat zalige bouquet
dat mij zo aan het denken zet?
Armen die op tafel rusten, soms omwonden door een sjaal.
En hoe stel ik me dat dan voor?
En wat kun je dan beginnen?

10.
Zal ik ze vertellen: ik liep in de schemering door smalle straten
en keek naar de rook die opsteeg uit de pijpen
van eenzame halfblote mannen, hangend uit hun ramen? …

11.
O, was ik maar een paar ruige klauwen
die schrapen over de bodem van stille zeeën.

12.
En de middag, de avond – ze liggen er zo vredig bij!
met elegante vingers die masseren,
slapend … vermoeid … of kwalen simuleren,
uitgestrekt op de vloer, hier tussen jou en mij.
Moet ik, meteen na thee en cake en feestdis,
moed verzamelen voor de ultieme crisis?
Al heb ik geweend en gevast, geweend en gebeden,
al heb ik mijn hoofd (lichtelijk kalend) zien binnendragen op een schaal
een profeet ben ik niet – maar da’s een ander verhaal;
heel even zag ik mijn roem opflakkeren,
en ik zag de eeuwige Hein mijn jas aanpakken, en ginnegappen,
ik was, om kort te gaan, bang.

13.
En was het dat allemaal waard, uiteindelijk,
na alle drankjes, de thee, de toast met pastei,
te midden van het porselein, bij ‘t gepraat van jou en mij,
had het de moeite geloond als ik
de zaak met een glimlach had weggeslikt,
het universum had laten krimpen tot een balletje
om die te rollen naar een overheersende vraag,
om dan te zeggen, “Ik ben Lazarus, opgestaan uit de doden,
teruggekomen om je alles te vertellen, ik vertel je echt alles” –
terwijl iemand, haar hoofdje schikkend in een kussen
zou zeggen: “Dat is echt niet wat ik wilde;
dat is het niet, echt niet.”

14.
En was het dat allemaal waard, uiteindelijk
heeft het de moeite geloond
al die schemeringen, de binnenplaatsjes, de bespatte straten,
de intriges, de theekopjes, de slepende rokken –
en dit, en zoveel meer? –
onmogelijk kan ik zeggen wat ik precies bedoel!
Maar als een toverlantaarn zenuwen zou projecteren op een scherm:
zou het de moeite waard zijn geweest
terwijl iemand, een kussen schikkend of een das losgooiend,
en wegdraaiend naar het raam, zou zeggen:
“Dat is het niet, echt niet.
“Dat is echt niet wat ik wilde.”

15.
Nee! Ik ben Prins Hamlet niet, en zou hem ook niet kunnen zijn;
‘k ben een gedienstig mannetje, een die je er
goed bij kunt hebben, die wel een zaakje regelen kan,
die de prins een advies verstrekt; vast een nuttig instrument,
gedwee, blij dat hij zich bruikbaar maken kan,
behendig, voorzichtig en nauwgezet;
heel gewichtig, maar wel een beetje kleurloos;
soms – toegegeven – bijna lachwekkend –
bijna, soms, een regelrechte Dwaas.

16.
Ik word oud … ik word oud …
straks loop ik met opgerolde broekspijpen rond.

17.
Durf ik een perzik eten? Zal ik mijn scheiding veranderen.
Ik zal een broek aandoen van wit flanel, en langs het strand wandelen.
Ik heb de sirenen horen zingen, vooral naar elkander.

18.
Ze zingen, denk ik, vast niet voor mij.

19.
Ik heb ze naar zee zien glijden over de golven;
ze kammen van de golven de witte lokken
als de wind over het zwarte water jaagt met witte vlokken.
We hebben vertoefd in de zalen van de zee,
waar zeenimfen ons met bruin en rood wier omringden
totdat mensenstemmen ons wekken, en wij verdrinken.

Origineel:

The Love Song of J. Alfred Prufrock


S’io credesse che mia risposta fosse
A persona che mai tornasse al mondo,
Questa fiamma staria senza piu scosse.
Ma percioche giammai di questo fondo
Non torno vivo alcun, s’i’odo il vero,
Senza tema d’infamia ti rispondo.

Let us go then, you and I,
When the evening is spread out against the sky
Like a patient etherized upon a table;
Let us go, through certain half-deserted streets,
The muttering retreats
Of restless nights in one-night cheap hotels
And sawdust restaurants with oyster-shells:
Streets that follow like a tedious argument
Of insidious intent
To lead you to an overwhelming question …
Oh, do not ask, “What is it?”
Let us go and make our visit.

In the room the women come and go
Talking of Michelangelo.

The yellow fog that rubs its back upon the window-panes,
The yellow smoke that rubs its muzzle on the window-panes,
Licked its tongue into the corners of the evening,
Lingered upon the pools that stand in drains,
Let fall upon its back the soot that falls from chimneys,
Slipped by the terrace, made a sudden leap,
And seeing that it was a soft October night,
Curled once about the house, and fell asleep.

And indeed there will be time
For the yellow smoke that slides along the street,
Rubbing its back upon the window-panes;
There will be time, there will be time
To prepare a face to meet the faces that you meet;
There will be time to murder and create,
And time for all the works and days of hands
That lift and drop a question on your plate;
Time for you and time for me,
And time yet for a hundred indecisions,
And for a hundred visions and revisions,
Before the taking of a toast and tea.

In the room the women come and go
Talking of Michelangelo.

And indeed there will be time
To wonder, “Do I dare?” and, “Do I dare?”
Time to turn back and descend the stair,
With a bald spot in the middle of my hair —
(They will say: “How his hair is growing thin!”)
My morning coat, my collar mounting firmly to the chin,
My necktie rich and modest, but asserted by a simple pin —
(They will say: “But how his arms and legs are thin!”)
Do I dare
Disturb the universe?
In a minute there is time
For decisions and revisions which a minute will reverse.

For I have known them all already, known them all:
Have known the evenings, mornings, afternoons,
I have measured out my life with coffee spoons;
I know the voices dying with a dying fall
Beneath the music from a farther room.
So how should I presume?

And I have known the eyes already, known them all—
The eyes that fix you in a formulated phrase,
And when I am formulated, sprawling on a pin,
When I am pinned and wriggling on the wall,
Then how should I begin
To spit out all the butt-ends of my days and ways?
And how should I presume?

And I have known the arms already, known them all—
Arms that are braceleted and white and bare
(But in the lamplight, downed with light brown hair!)
Is it perfume from a dress
That makes me so digress?
Arms that lie along a table, or wrap about a shawl.
And should I then presume?
And how should I begin?

Shall I say, I have gone at dusk through narrow streets
And watched the smoke that rises from the pipes
Of lonely men in shirt-sleeves, leaning out of windows? …

I should have been a pair of ragged claws
Scuttling across the floors of silent seas.

And the afternoon, the evening, sleeps so peacefully!
Smoothed by long fingers,
Asleep … tired … or it malingers,
Stretched on the floor, here beside you and me.
Should I, after tea and cakes and ices,
Have the strength to force the moment to its crisis?
But though I have wept and fasted, wept and prayed,
Though I have seen my head (grown slightly bald) brought in upon a platter,
I am no prophet — and here’s no great matter;
I have seen the moment of my greatness flicker,
And I have seen the eternal Footman hold my coat, and snicker,
And in short, I was afraid.

And would it have been worth it, after all,
After the cups, the marmalade, the tea,
Among the porcelain, among some talk of you and me,
Would it have been worth while,
To have bitten off the matter with a smile,
To have squeezed the universe into a ball
To roll it towards some overwhelming question,
To say: “I am Lazarus, come from the dead,
Come back to tell you all, I shall tell you all”—
If one, settling a pillow by her head
Should say: “That is not what I meant at all;
That is not it, at all.”

And would it have been worth it, after all,
Would it have been worth while,
After the sunsets and the dooryards and the sprinkled streets,
After the novels, after the teacups, after the skirts that trail along the floor—
And this, and so much more?—
It is impossible to say just what I mean!
But as if a magic lantern threw the nerves in patterns on a screen:
Would it have been worth while
If one, settling a pillow or throwing off a shawl,
And turning toward the window, should say:
“That is not it at all,
That is not what I meant, at all.”

No! I am not Prince Hamlet, nor was meant to be;
Am an attendant lord, one that will do
To swell a progress, start a scene or two,
Advise the prince; no doubt, an easy tool,
Deferential, glad to be of use,
Politic, cautious, and meticulous;
Full of high sentence, but a bit obtuse;
At times, indeed, almost ridiculous—
Almost, at times, the Fool.

I grow old … I grow old …
I shall wear the bottoms of my trousers rolled.

Shall I part my hair behind? Do I dare to eat a peach?
I shall wear white flannel trousers, and walk upon the beach.
I have heard the mermaids singing, each to each.

I do not think that they will sing to me.

I have seen them riding seaward on the waves
Combing the white hair of the waves blown back
When the wind blows the water white and black.
We have lingered in the chambers of the sea
By sea-girls wreathed with seaweed red and brown
Till human voices wake us, and we drown.