Tagarchief: Arie Storm

Over Calamitas van Menno Wigman

Inleiding

Menno Wigman. Copyright: Mark Kohn / de Beeldunie

Ik doe dat wel vaker, iets schrijven over een gedicht, maar tot nu toe alleen als ik een gedicht had vertaald. Dan vertel ik een paar dingen over de dichter, en over wat ik tijdens het vertalen heb ontdekt. Ik hoop dan maar dat de lezer er iets aan heeft.

Een gedicht – ook een vertaald gedicht – moet liefst voor zichzelf spreken. Net als bij een grap, bederft uitleg al gauw het effect. Misschien dat het nut van het schrijven over poëzie erin bestaat dat je jouw geestdrift enigszins weet over te brengen, dat je een paar obstakels die je bij het lezen tegenkomt, kunt wegnemen.

Jelle van Baardewijk, filosoof en ethicus, daagde mij op Twitter uit om iets over Calamitas van Menno Wigman (1966-2018) te zeggen. En hij gaf zelf het goede voorbeeld. Zie dit Twitterdraadje met een paar aardige observaties.

Afbeelding

Goede gedichten zijn intens. Meerlagigheid is een vorm van intensiteit. Calamitas van Menno Wigman is een intens gedicht. Dat ligt niet alleen aan het onderwerp – dat op zichzelf al intens genoeg is – maar aan de manier waarop Wigman zijn onderwerp behandelt. Ik zal daarom wat aandacht besteden aan de contrasten die Wigman aanbrengt om zijn onderwerp tot leven te brengen. Ook maak ik een paar opmerkingen over de vormkenmerken van het gedicht.

Het is wel aardig om te weten dat het begrip ‘Schoonheidsdrift’ dat in dit gedicht voorkomt, en dat gebruikt wordt om de dichter John Keats (1795-1821) te karakteriseren, door de romanschrijver Arie Storm als titel is gebruikt voor zijn laatste roman, een roman waarin ook het personage Keats een rol speelt.

Hier vindt u wat informatie over de titel, Calamitas: loss, injury, damage, mischief, harm. Een passende Latijnse titel voor een gedicht over een man die door Rome dwaalt terwijl de gebeurtenissen in de wereld een dramatische wending nemen.

Contrasten

Het onderwerp van Calamitas is de reactie van een man op de verschrikkelijke gebeurtenissen die plaats vonden op 11 september 2001 in New York. Die man doolt rond in Rome, eerst op zoek naar “een nachtblauw overhemd”, en vervolgens probeert hij dichter bij een bewonderde voorganger, John Keats, te komen, die daar op vijfentwintigjarige leeftijd overleed aan tbs na een aantal onsterfelijke gedichten te hebben geschreven. Keats was een romanticus, net als Wigman.

Dit is het eerste contrast: de spectaculaire en massale dood in New York, en de onopvallende eenzaamheid van de man in Rome, op zoek naar zijn nachtblauwe overhemd, zijn “shirt”, een kledingstuk dat – net als het gedicht – “van strenge snit” is, een kledingstuk ook dat zijn naaktheid kan bedekken, dat hem enigszins beschermen kan tegen een werkelijkheid die niet veel mededogen kent met de kwetsbare mens – een effect trouwens dat ook een gedicht kan hebben als je daarvoor gevoelig bent.

Het tweede contrast is natuurlijk de brute aanslag versus de gevoelige kunst van Keats. “Daar lag hij met zijn grote ogen dood te gaan” – de vriend van Keats, Joseph Severn, die 58 jaar na Keats’ dood met hem verenigd werd in een graf op de Cimetero acattolico in Rome, heeft hem een paar keer bij leven uitgebeeld, inderdaad met opvallend grote ogen. En hij heeft hem ook op zijn sterfbed geportretteerd, toen met zijn ogen gesloten. En grote ogen zet je natuurlijk ook op als je je verbaast of verwondert.

De beroemdste zin van Keats is inderdaad prachtig: “A thing of beauty is a joy forever.” Die koortsachtige drang om iets heel moois te maken. Schoonheidsdrift. De koortsachtigheid van zijn ontijdige dood. Hij was vijfentwintig jaar oud toen hij stierf.

Het derde contrast wordt gevormd door de eenzame man die massaal vliegen ziet sterven op de vliegenstrip tijdens het ontbijt in Rome, zoals ook de mensen massaal stierven in New York: “Als vliegen stierf men op tv.” Iedereen herinnert zich nog de kleine zwarte figuurtjes die naar beneden sprongen. De onafwendbaarheid ook van zo’n kleefstrip voor de onwetende vlieg. De kwetsbaarheid van al wat adem heeft.

En dan nog een vierde contrast. “Hoe komt het toch dat tbc iets roerends heeft?” Ik denk omdat doodgaan iets is wat je altijd alleen doet. Het vormt een contrast met de massaliteit van de dood, de vliegenstrip met al die dode vliegen, die hem zo van slag bracht.

Ten slotte het vijfde, voor mijn gevoel meest spectaculaire contrast: de dolende Rome-ganger ziet een Keats-manuscript in een vitrine, en hij schrijft dan de mooiste zin van het gedicht: “Een gedicht, zo teer / en strak dat het geluidloos door het glas heen brak.” Als eerbetoon staan die regels op hetzelfde niveau als de prachtige regels van Ida Gerhardt: “… wat ontsprong aan hun verwondering / en stralend de millennia doorscheen …”.

De geciteerde regel van Wigman kan helemaal op zichzelf staan, en dan is het een schitterende regel. Maar die regel staat natuurlijk niet alleen op zichzelf. Werkelijk geweldig is het contrast dat Wigman aanbrengt tussen de vliegtuigen die als een projectiel door het glas van de Twin Towers naar binnen vlogen, en het gedicht van Keats dat geluidloos door het vitrineglas naar buiten brak, en vervolgens uiteraard binnen kwam bij de aandachtige toeschouwer.

Vorm

De brandende torens van het WTC vlak na de aanslag en voorafgaand aan hun ineenstorting (Plaatje overgenomen van Andere Tijden)

De openingsregel is heel sterk: “Waar was je toen het WTC?” Het slotwerkwoord ontbreekt natuurlijk, maar je merkt het niet eens. Pal staat de vraag voor je neus. Het is echt een klaroenstoot. En dan dat geweldige binnenrijm van WTC en tbc (met het hierboven geschetste contrast), en iets zwakker ook het verderop gebruikte tv.

Het gedicht kent drie strofen van vijf regels. Het gedicht is heel strak geschreven in jambische zesvoeten (zes keer: pom póm, pom póm …).

Het gedicht kent geen eindrijm, maar het wemelt van de anderssoortige rijmen. Alle rijmen zijn natuurlijk klankverwantschappen. Wigman gebruikt halfrijmen, binnenrijmen, assonanties, alliteraties: snit & strip & shirt & drift & schrift, vuile vliegenstrip, verziekt & niet & Keats, strenge snit, schoonheidsdrift & handschrift, teer & strak, trap & steden, strak & brak, gedicht & geluidloos, wtc & tbc & tv, ondenkbaar & elkaar & daar.

Het gedicht is eenvoudig van taal, wat de betrekkelijk langgerekte woorden na het Engelse citaat “Vijfentwintig. Schoonheidsdrift” heel sterk maakt.

Van Baardewijk gebruikt in zijn draadje het begrip ‘drumstijl’. Dat begrip heeft hij voor de gelegenheid gemunt, denk ik, want ik heb het nog niet eerder gehoord, maar misschien heb ik niet goed opgelet. Je hebt tegenwoordig ook Poetry Slam-festivals. Wigman drumde graag, was zeer op een perfecte vorm gericht, en inderdaad heeft zijn tekst iets strengs, iets scanderends, zonder dat je nu kunt zeggen dat het gedicht stijf of deftig of onnatuurlijk is. Dat is heel knap.

Slotopmerkingen

Ik heb geen studie gedaan naar bestaande commentaren op dit gedicht. Ik heb het gedicht gelezen, herlezen en overdacht. En ik las een aardig stuk van Mirjam van Hengel (die onder andere een biografie van Remco Campert heeft geschreven, alsmede een dubbelportret van Leo Vroman en Tineke Sanders) dat verscheen op 18 september 2019 in De Groene Amsterdammer, enige tijd na Wigmans vrij plotselinge dood: ‘En ik die keffend in mijn canto’s woon’. Menno Wigmans gestileerde anarchie. Wie alvast een idee wil krijgen van de dichter Menno Wigman en van zijn dichterschap, verwijs ik graag naar dat artikel.

De romanschrijver, dichter en essayist Rob van Essen schrijft momenteel een biografie van Wigman. Ik ben daar benieuwd naar.