Tagarchief: Barbarber

De Schone Zakdoek

[Dit artikel heb ik in november 2012 geschreven op de Nederlandstalige Wikipedia onder het pseudoniem Theobald Tiger. Hier kunt u het destijds door mij gepubliceerde artikel nalezen. Het is sindsdien vrijwel onveranderd gebleven, maar omdat iedereen op Wikipedia kan wijzigen, aanvullen, inkorten als dat hem/haar belieft, hecht ik eraan om het door mij geschreven artikel in de vorm waarin ik het toen geschreven heb te herpubliceren op mijn eigen website.]

De Schone Zakdoek was een Nederlands literair maandblad dat gedurende de oorlogsjaren 1941-1944 werd gemaakt – ‘uitgegeven’ is een te groot woord – in een oplage van één exemplaar. Het tijdschrift vormde het literaire hoogtepunt van de surrealistische beweging in Nederland, schonk veel aandacht aan beeldende kunst, was het enige surrealistische tijdschrift dat in Nederland heeft bestaan, en werd opgericht in Utrecht door de dichter, beeldend kunstenaar en latere godsdiensthistoricus Theo van Baaren en zijn levensgezellin, de dichteres, vertaalster en beeldend kunstenares Gertrude Pape. Het blad was tevens het eerste, langstlopende en meest avantgardistische ondergrondse literaire tijdschrift in Nederland tijdens de oorlogsjaren.

Surrealistische oriëntatie

De medewerkers aan De Schone Zakdoek, over het algemeen jongeren van in de twintig, hadden grote belangstelling voor surrealismedadaïsme en literaire experimenten. Hun bijdragen getuigden daarvan. Het surrealisme was een culturele beweging die in de twintiger jaren van de twintigste eeuw ontstond in Parijs. De beweging wilde het onbewuste, het droomkarakter van de werkelijkheid verkennen en benutten om met fantastische en absurdistische middelen en door middel van vrije associatie nieuwe ervaringen op te roepen. De surrealisten hadden veel belangstelling voor Freud en ze gebruikten nieuwe technieken en speelse vormen van samenwerking om hun doel te bereiken: écriture automatiquecadavre exquisdecalcomaniefrottagecollageobjet trouvé (readymade) enzovoort. Naast het surrealisme was de baldadigheid van het Dadaïsme een inspiratiebron. Overigens kan niet elke bijdrage aan De Schone Zakdoek als surrealistisch worden gekwalificeerd.

Gertrude Pape bracht haar toekomstige echtgenoot Theo van Baaren in aanraking met het surrealisme, een invloed die blijvend zou zijn. Het tijdschrift was als gevolg van deze surrealistische oriëntatie tekstueel en visueel zeer gevarieerd en bevatte gedichten, vertalingen, essays, collages, cadavres-exquis, foto’s, decalcomanieën, objecten, nonsensverzen, gefingeerde (soms macabere) advertenties en (kinder)tekeningen.

In september 1941 werd een dubbelnummer van De Schone Zakdoek samengesteld dat speciaal aan het Surrealisme was gewijd.

Omdat tezelfdertijd ook de vooraanstaande surrealistische schilders J.H. Moesman en Willem Wagenaar in Utrecht woonden en werkten, alsmede de met het surrealisme verwante magisch realist Pyke Koch, wordt Utrecht wel ‘De stad van het surrealisme’ genoemd.

De oorlogsjaren

Het idee voor het maandblad – het eerste nummer had op de omslag nog de oude spelling De Schoone Zakdoek – ontstond toen Van Baaren en Pape in de Utrechtse Pieterskerk zaten te wachten op een proefpreek van een vriend van Jan Wit, de blinde dichter, theologiestudent en latere hymnoloog, die ook bijdragen zou leveren aan De Schone Zakdoek. Van Baaren bedacht de titel, die mede was geïnspireerd op het gedicht Palmström van de Duitse dichter Christian Morgenstern.[1]

Het eerste nummer verscheen in april 1941 – jrg.1, afl.1 – en het bevatte geen beginselverklaring, maar een ‘beginselverduistering’ in de vorm van een zwart vierkant. Dat het blad in een oplage van slechts één exemplaar verscheen had een aantal voordelen: het was in oorlogstijd moeilijk om aan papier en druk- of stencilmachines te komen, het bleef clandestien en daarmee zonder censuur, één exemplaar was gemakkelijker aan het oog te onttrekken dan een grotere oplage en er waren geen ingewikkelde druktechnieken nodig om foto’s en collages in het tijdschrift op te nemen. Daarbij bood het de medewerkers de gelegenheid om te publiceren, zonder dat ze gebruik hoefden te maken van de met censuur bedreigde officiële literaire tijdschriften, waarin je alleen mocht publiceren als je lid was geworden van de Kultuurkamer.

Het blad werd samengesteld op vriendenbijeenkomsten, meestal op de maandagavond ten huize van Gertrude Pape, boven een winkel aan de Utrechtse straat Bemuurde Weerd. De bijdragen werden soms ter plaatse gemaakt en vaak voorgelezen, omdat Jan Wit blind was. Tijdens de bijeenkomsten werd er ook regelmatig ‘gekruist’. Dit hield in dat er met behulp van een houten kruis seances werden gehouden waarbij geesten werden opgeroepen. Theologische onderwerpen – op een onorthodoxe manier behandeld – werden veelvuldig besproken.

Aan het blad werkten onder anderen mee: Theo van Baaren, Gertrude Pape, Emiel van Moerkerken (pseud. Eric Terduyn), Louis Th. LehmannJan WitAd den BestenChris van GeelKo Rooduyn (later Hans Rooduyn), Max de JongA.G. KloppersJacob Evenhuis, Cornelia (Cok) Brinkman, Henk Schellevis (pseud.: Perdok; Schellevis was de begeleider van Jan Wit), Leo VromanJaap RomijnWillem Hussem en Cees Buddingh’. Er waren ook kindertekeningen van bijvoorbeeld Gerdi Wagenaar, de dochter van de surrealistische schilder Willy Wagenaar.

Sommige bijdragen aan het maandblad zijn later beroemd geworden, zoals de gorgelverzen (“Ik ben de blauwbilgorgel…”) van Cees Buddingh en de foto’s die Emiel van Moerkerken maakte van Menno ter BraakSimon Vestdijk en E. du Perron. De teksten van het blad werden, voor een groot deel door Gertrude Pape, getypt.

Vanaf de tweede jaargang verscheen het blad eens in de twee maanden in meestal dubbeldikke dubbelnummers. Het laatste dubbelnummer – jrg.3, afl.35-36 – verscheen in februari/maart 1944. De door de Duitsers ingestelde vervroeging van de avondklok (Sperr) maakte de geregelde bijeenkomsten op maandagavond onmogelijk. In totaal zijn 36 afleveringen verschenen in 23 afzonderlijke nummers.

Na de oorlog

Er hebben ongeveer veertig literatoren en kunstenaars bijdragen geleverd aan De Schone Zakdoek. Veel van hen hebben na de oorlog een (soms voorname) rol gespeeld in het culturele leven van Nederland: als uitgever, cultureel ondernemer, schilder, beeldend kunstenaar, filmer, schrijver of dichter. De Vijftigers met hun aandacht voor het irrationele element in de poëzie, kunnen als erfgenamen van De Schone Zakdoek worden beschouwd. Enkele medewerkers aan het blad hebben later veel gepubliceerd in het tijdschrift Barbarber, dat in een aantal opzichten (humor, readymades, baldadigheid) verwant was aan De Schone Zakdoek.

De contacten tussen de medewerkers aan De Schone Zakdoek bleven voor een deel na de opheffing van het blad bestaan. In 1953 werd er een tentoonstelling gehouden in kunstzaal Le Canard. Deze kunstzaal was opgericht door Hans Rooduyn en had zich ontwikkeld tot het trefpunt van de Beweging van Vijftig. Er werden foto’s en collages tentoongesteld van Van Baaren, Lehmann, Van Moerkerken, Willem Frederik HermansAd Pieters en Maurits Dekkers. Deze tentoonstelling werd door de surrealismekenner Laurens van Krevelen een “nagekomen nummer” van De Schone Zakdoek genoemd.

De drie complete jaargangen van De Schone Zakdoek bevinden zich in het archief van het Nederlands Letterkundig Museum in Den Haag. Alle afleveringen zijn ook op microfilm gezet om de raadpleegbaarheid duurzaam te kunnen garanderen. In 1981 verscheen bij Meulenhoff een bloemlezing met zwart-witafbeeldingen. De selectie was gedaan door Van Baaren, Pape en Buddingh.

Theo van Baaren publiceerde tussen 1986 en 1989 kleine gelegenheidsuitgaven, door hem ephemeriden genoemd, bij de door hem opgerichte huisuitgeverij die naar De Schone Zakdoek was vernoemd: Clean Kerchief Incorporated. De meeste ephemeriden bevatten werk van hemzelf, maar hij gaf ook werk van anderen uit: Jan G. ElburgPiet van KlaverenL.Th. LehmannRik Lina, Gertrude Pape, Perdok, Hans van StratenLaurens Vancrevel en Dolf Verspoor. De bekendste van de 71 Clean Kerchief Inc.-uitgaven was een bundel met 25 geïllustreerde gorgelrijmen die in 1987 werd uitgebracht na de dood van Buddingh: Hommage à Kees Buddingh, met teksten van Van Baaren en illustraties van Pape.

Uitgaven

  • Theo van Baaren, Gertrude Pape en Cees Buddingh’ (selectie), De Schone Zakdoek. Onafhankelijk tijdschrift onder red. van Theo van Baaren en Gertrude Pape. 1941-1944. Verhalen, gedichten, cadavres-exquis, collages, tekeningen, foto’s, objecten, Amsterdam: Meulenhoff 1981.

Externe links

Bronnen
– Hans Renders, Verijdelde dromen. Een surrealistisch avontuur tussen De Stijl en Cobra, Haarlem: Enschedé 1989
– Piet Calis, Het ondergronds verwachten. Schrijvers en tijdschriften tussen 1941 en 1945, Amsterdam: Meulenhoff 1989, ‘Hfdst. 1 – De Schone Zakdoek: spel zonder grenzen’ & Slot
– Marieke Winkler, ‘Authenticiteit of creatieve recycling? Over een heruitgave van het ondergrondse tijdschrift De Schone Zakdoek (1941-1944)’, in: Eenheid in verscheidenheid. Liber amicorum Prof.em.dr. A.M. Musschoot, Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, Verslagen en mededelingen 2009, p.217 e.v.
– Laurens van Krevelen, ‘Theodorus Petrus van Baaren. Utrecht 13 mei 1912 – Groningen 4 mei 1989’, levensbericht in het Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1994, p.90-101
– Lisette Lewin, Het clandestiene boek 1940-1945, Amsterdam: Van Gennep 1983, p.274-276
– Marieke Winkler, De metamorfoses van Laocoön: Woord&Beeld interactie in De Schone Zakdoek (1941-43) en Barbarber (1958-71) (doctoraalscriptie), Universiteit van Utrecht 2007

Voetnoot
1) Het vers is hier raadpleegbaar (Galgenlieder, Berlijn: Bruno Cassirer 1917, p.48). In het gedicht opent Palmström een zakdoek met daarop een fraaie afbeelding om daarin zijn neus te snuiten. Uit eerbied voor de schoonheid van de afbeelding vouwt hij echter met ongesnoten neus de ‘schone’ zakdoek weer dicht, wat – volgens het gedicht – iedereen met enig gevoel zal kunnen billijken.