Categorie archief: Poëzievertaling

Burnt Norton – (Gedicht I van Vier Kwartetten) – T.S. Eliot

T. S. Eliot (1888-1965) was een Amerikaans-Engelse dichter die in Nederland het meest bekend is geworden door het desolate gedicht The Waste Land, met de bekende openingszinnen:

April is the cruellest month, breeding
Lilacs out of the dead land, mixing
Memory and desire, stirring
Dull roots with spring rain.
Winter kept us warm, covering
Earth in forgetful snow, feeding
A little life with dried tubers.

Het gedicht The Waste Land weerspiegelde zowel zijn sombere kijk op de stand van de beschaving als zijn sombere kijk op de stand van zijn toenmalige huwelijk (1936).

Eliot was een ‘conservatieve modernist’, om een woord te gebruiken dat de historicus, schrijver en journalist Rob Hartmans heeft opgenomen in de ondertitel van zijn zeer interessante Eliot-boek: T.S. Eliot. De vele gezichten van een conservatieve modernist, Amsterdam: Spectrum 2022. Aan het boek van Hartmans heb ik een aantal van de hierna genoemde feiten ontleend.

Eliot heeft zijn hele volwassen leven in het Verenigd Koninkrijk gewoond en gewerkt, eerst bij een bank, later bij Faber & Faber, een uitgever die zich ontwikkelde tot de voornaamste uitgever van poëzie in de engelstalige wereld.

Op latere leeftijd bekeerde hij zich tot de Anglo-Katholieke tak van The Church of England – de Anglicaanse Kerk. Uit die tijd dateren ook Four Quartets – Vier Kwartetten – die ook heel bekend geworden zijn. T.S. Eliot ontving in 1948 de Nobelprijs voor Literatuur.

In 1936 heeft Eliot het gedicht Burnt Norton gepubliceerd. Het waren herschreven passages uit een vroege versie van het drama in verzen Murder in the Cathedral. Het was geïnspireerd door het vijftiende strijkkwartet van Beethoven (opus 132). Het gedicht telt 175 regels en is genoemd naar een landgoed dat Eliot twee jaar eerder met een vriendin – Emily Hale – had bezocht. Het gedicht bestaat uit vijf delen die onderling enigszins verschillen in stijl en tempo.

In 1939 besloot Eliot nog drie gedichten met een vergelijkbare vorm aan Burnt Norton toe te voegen. In 1940 publiceerde hij East Coker, in 1941 The Dry Salvages, in 1942 Little Gidding. In 1943 verschenen deze gedichten bij Faber and Faber als de bundel Four Quartets.

Het centrale thema van de kwartettencuclus is de tijd – Eliot contrasteerde vergankelijke tijd en eeuwige tijd. Alle kwartetten verwezen naar een concrete plaats. En in ieder kwartet staat een bepaald seizoen centraal alsmede één van de vier elementen lucht, aarde, water en vuur. In Burnt Norton zijn het achtereenvolgens het landgoed uit de titel, de zomer en het element lucht.

Het gedicht is op veel plaatsen abstract, maar verwijst toch zeker ook naar concrete realiteiten: de tuin van Burnt Norton, een rit met een koets, het lichamelijke, een rit met de metro, het uitspansel, opnieuw de tuin. Het beeld van de rozentuin wordt vaak gebruikt in een erotische context.

Het gedicht verwijst naar tal van bekende werken uit de wereldliteratuur, onder andere naar de bijbel, de Veda’s, naar Dante (die in de slotregel van de Divina Kommedia gewag maakt van de liefde die het al beweegt), en naar Johannes van het Kruis, auteur van Donkere nacht van de ziel, in de passage over de trapopgangen.

Het Engelse woord ‘smokefall’ komt volgens de OED alleen in dit gedicht van Eliot voor. Ik heb het met ‘mistflarden’ vertaald, maar misschien weet iemand iets beters of beschikt hij/zij mogelijk over informatie waarover ik niet de beschikking had.

Het begrip tijd komt voortdurend voor. Begrippen als ‘de tijd van nu’, ‘de verleden tijd’ en ‘de toekomstige tijd’ worden voortdurend gebruikt, maar ze zijn in deze vorm voor mij als vertaler niet altijd goed bruikbaar – de retorische kracht van het gedicht is een heel belangrijk kenmerk. Ik heb een paar oplossingen verzonnen waarvan ik hoop dat ze voor de lezer van de vertaling werken.

Ik heb – tegen mijn gewoonte in – niet van het gehele gedicht één enkele audio-opname toegevoegd, maar ik heb van de verschillende delen afzonderlijke audio-opnames gemaakt.

Dit was geen gemakkelijke klus. Mocht u echte vertaalfouten tegenkomen, dan word ik daar graag op geattendeerd via e-mail – zie de pagina Over de vertaler/auteur, of via de reactiemogelijkheid.

Een vertaling van de hand van Peter van Huizen ter vergelijking, vindt u hier (Liter, Jrg 5, 2002 – via dbnl).

Hier vindt u een versie van het originele gedicht.



Vertaling

Burnt Norton
Nr. 1 van Vier Kwartetten

Geluidsopname vertaling Burnt Norton – deel 1 – Arie Sonneveld

– I –
Tijd van nu en tijd van toen
Zijn wellicht tegenwoordig in de tijd van straks,
En tijd van straks ligt steeds gevat in tijd van toen.
Als alle tijd voor eeuwig tegenwoordig is
Is alle tijd volkomen reddeloos.
Wat had kunnen zijn is een abstractie,
Blijft voor altijd mogelijkheid
Maar slechts in een denkbeeldige wereld.
Wat had kunnen zijn, wat is geweest
Wijzen naar één verte, die altijd daar is.
Voetstappen echoën in het geheugen
Langs een pad dat we niet namen
Naar de toegang tot de rozentuin
Die we nooit openden. Zo echoën mijn woorden
In jouw geest.
                             Maar waartoe ik
Het stof zou verstoren op een schaal met rozenblaadjes
Weet ik niet.
                             Andere echo’s
Wonen in de tuin. Zullen we er achteraan?
Vlug, zei de vogel, zoek ze, zoek ze
Om de hoek. Zullen we gaan door dat hek,
Naar onze eerste wereld. Zullen we erachter aan,
De lokroep van de lijster. Naar onze eerste wereld.
Daar waren ze, waardig, onzichtbaar,
Zorgeloos bewegend, over dorre blaadjes,
In de hitte van de herfst, door de trillende lucht,
En de vogel riep, in antwoord op
Ongehoorde muziek in struikgewas verborgen,
En een ongeziene gekruiste blik, want de rozen
Leken op bloemen die wisten bekeken te worden.
Ze waren er als onze gasten, ze mochten er zijn, ze wilden er zijn.
Zo gingen wij, ook zij, in formele schikking,
Langs de verlaten laan, naar de ronde ruimte,
Om neer te kijken in de verdroogde poel.
Droog was de poel, droog het beton, bruingerand,
En de poel werd gevuld met water uit zonlicht,
En de lotus steeg op, zachtjes, zachtjes,
Het oppervlak schitterde uit een lichtend hart,
En ze waren achter ons, weerspiegeld in de poel.
Toen schoof een wolk langs, en de poel was leeg.
Ga nu, zei de vogel, want het gebladerte zat vol kinderen,
Verstopt in spanning, hun lachen inhoudend.
Ga, ga, ga nu, zei de vogel: de mensheid
Kan weinig werkelijkheid verdragen.
Tijd van toen en tijd van straks
Wat had kunnen zijn, wat is geweest
Wijzen naar één verte, die altijd daar is.

Geluidsopname vertaling Burnt Norton – deel 2 – Arie Sonneveld

– II –
Saffier en knoflook in het slijk
Remmen de wentelende as.
Trillende snaren in ons bloed
Zingen onder tekenen van wonden
Die in oude oorlogen ontstonden.
De dans doorheen ons bloedsysteem,
De rondgang van ons lymfevocht
Wordt aan de hemelen geschikt
Stijgt op als zomer in ‘t geboomte,
En wij zijn boven dat geboomte
In het lichtspel op het loof
En horen over natte gronden
Onder ons, de zwijnen en de honden
Die volgen trouw hun oud patroon
Maar met de hemelen verbonden.

Bij de roerloze kern van een rusteloze wereld. Geen vlees geen vleesloosheid;
Niet heen- en niet teruggaand; bij die roerloze kern, daar is de dans,
Maar zonder gaan en zonder staan. En noem het geen starheid,
Waar heden en verleden bijeen zijn. Geen terugkomst, geen heengaan,
Geen opgang, geen neergang. Zonder die kern, die roerloze kern,
Kon geen dans ooit bestaan, en slechts daar is de dans.
Ik kan alleen zeggen, daar waren we: maar ik kan niet zeggen waar.
En ik kan niet zeggen hoe lang, want dat plaatst het in de tijd.
Bevrijding van praktische verlangens,
Vrijheid van handeling en leed, losmaking van innerlijke
En uiterlijke dwang, terwijl je omringd bent
Door een rijkdom aan zin, een wit licht dat je omgeeft,
Erhebung zonder beweging, concentratie
Zonder uitsluiting, zowel een nieuwe wereld
Als de oude die scherp wordt uitgedrukt, begrepen
In de voltooiing van zijn onvolkomen extase,
De losmaking uit zijn onvolkomen gruwel.
Toch zal de ketening aan toen en straks,
Geweven in de zwakte van het vergankelijke lichaam,
De mensheid beschermen tegen hemel en doem
Zo onverdraaglijk voor het vlees.
Tijd van toen en tijd van straks
Staan maar weinig bewustzijn toe.
Bewust te zijn is buiten de tijd te staan
Maar slechts in tijd kan het moment in de rozentuin,
Het moment in het prieel als de regen tokkelt,
Het moment in de tochtige kerk tussen de mistflarden
Worden herinnerd – betrokken op toen en straks.
Tijd wordt slechts door tijd overwonnen.

Geluidsopname vertaling Burnt Norton – deel 3 – Arie Sonneveld

– III –
Dit is een plaats van ongemak
Tijd ervoor en tijd erna
In schemertoestand: geen daglicht
Die de gestalte ongereptheid verleend
Die schaduwen vluchtige schoonheid geeft
Door trage wisseling die bestendigheid suggereert
Geen duisternis die de ziel zuivert
Die het zinnelijke ledigt door onthouding
Die genegenheid reinigt van het tijdelijke.
Geen volheid geen leegte. Slechts een schijnsel
Op gespannen gezichten getekend door de tijd
Door afleiding afgeleid van elke afleiding
Gevuld met inbeelding en gespeend van zin
Apathie die zich breed maakt zonder concentratie
Mensen en snippers, rondtollend in koude wind
Die waait voor en na de tijd,
wind die ongezonde longen in gaat en uit
De tijd ervoor en de tijd erna.
Oprispingen van zieke zielen
In armelijke lucht, loomheid
Die wegdrijft op de wind die strijkt over de sombere heuvels van Londen,
Hampstead en Clerkenwell, Capden en Putney
Highgate, Primrose en Ludgate. Niet hier
Niet hier de duisternis, in deze kwetterende wereld.

Daal verder af, daal af om te komen
In de wereld van niet aflatende eenzaamheid,
Wereld geen wereld, al wat geen wereld is,
Innerlijke duisternis, teloorgang
En aftakeling van alle bezit,
Verdorring van de wereld der zinnen,
Ontruiming van de wereld der verbeelding,
Werkeloosheid van de wereld van de geest;
Dit is de ene richting, en de ander
Is hetzelfde, niet in gaan
Maar in afzien van gaan; terwijl de wereld voortgaat
Met gretigheid, op zijn metalen sporen
Van de verleden tijd en de toekomende.

Geluidsopname vertaling Burnt Norton – deel 4 – Arie Sonneveld

– IV –
Tijd en klokgelui droegen de dag ten grave,
De zwarte wolk doet de zon uitgeleide.
Zal de zonnebloem naar ons neigen, zal de clematis
Zich zoekend tot ons wenden, rank en twijg
Die zich vastklampen?
                                         Sluiten
Kille vingers van de taxusboom
Zich om ons heen? Sinds het kleed van de ijsvogel
Licht heeft beantwoord met licht, roerloos werd, was het licht nog
Bij de roerloze kern van een rusteloze wereld.

Geluidsopname vertaling Burnt Norton – deel 5 – Arie Sonneveld

– V –
Woorden bewegen, muziek beweegt
Alleen in de tijd; maar dat wat slechts leeft
Kan slechts sterven. Woorden, voorbij taal, reiken
Naar de stilte. Slechts door de vorm, het patroon
Kunnen woord of muziek reiken
Naar roerloze stilte, zoals een Chinese vaas
Voortdurend stil beweegt in zijn roerloze stilte.
Niet de stilte van de viool, terwijl de noot naklinkt,
Niet dat alleen, maar het samen bestaan,
Of zeg dat het eind voorafgaat aan het begin,
En het eind en het begin waren er steeds
Voor het begin en na het eind,
En alles is nu altijd. Woorden krampen,
Kraken, en breken soms onder de last,
Onder de spanning, ze glippen, glijden, kwijnen weg,
Sterven in slordigheid, blijven niet waar ze horen,
Blijven niet stil. Schrille stemmen
Die schelden, spotten of alleen maar kletsen
Vergezellen hen altijd. Het Woord in de woestijn
Wordt het meest bedreigd door stemmen der verleiding,
De luidruchtige schaduw in de begrafenisdans,
De luide klacht van de troosteloze chimaera.

Het detail van het patroon is beweging
Zoals in het beeld van de tien trapopgangen.
De begeerte zelf is beweging,
Op zichzelf niet begerenswaardig;
De liefde zelf is onbeweeglijk,
Slechts doel en oorzaak van beweging,
Tijdloos, en niets begerend
Behalve in het aspect van tijd
Dat zich laat kennen als beperking
Tussen zijn en niet-zijn.
Opeens in een baan van zonlicht
Zelfs als het stof beweegt
Verheft zich het verborgen lachen
Van kinderen in het groen
Snel nu, hier, nu, altijd –
Lachwekkend hoe vermorste droeve tijd
zich uitstrekt voor en na.



Origineel

BURNT NORTON
(No. 1 of Four Quartets)

– I –
Time present and time past
Are both perhaps present in time future,
And time future contained in time past.
If all time is eternally present
All time is unredeemable.
What might have been is an abstraction
Remaining a perpetual possibility
Only in a world of speculation.
What might have been and what has been
Point to one end, which is always present.
Footfalls echo in the memory
Down the passage which we did not take
Towards the door we never opened
Into the rose-garden. My words echo
Thus, in your mind.
                           But to what purpose
Disturbing the dust on a bowl of rose-leaves
I do not know.
                           Other echoes
Inhabit the garden. Shall we follow?
Quick, said the bird, find them, find them,
Round the corner. Through the first gate,
Into our first world, shall we follow
The deception of the thrush? Into our first world.
There they were, dignified, invisible,
Moving without pressure, over the dead leaves,
In the autumn heat, through the vibrant air,
And the bird called, in response to
The unheard music hidden in the shrubbery,
And the unseen eyebeam crossed, for the roses
Had the look of flowers that are looked at.
There they were as our guests, accepted and accepting.
So we moved, and they, in a formal pattern,
Along the empty alley, into the box circle,
To look down into the drained pool.
Dry the pool, dry concrete, brown edged,
And the pool was filled with water out of sunlight,
And the lotos rose, quietly, quietly,
The surface glittered out of heart of light,
And they were behind us, reflected in the pool.
Then a cloud passed, and the pool was empty.
Go, said the bird, for the leaves were full of children,
Hidden excitedly, containing laughter.
Go, go, go, said the bird: human kind
Cannot bear very much reality.
Time past and time future
What might have been and what has been
Point to one end, which is always present.

– II –
Garlic and sapphires in the mud
Clot the bedded axle-tree.
The trilling wire in the blood
Sings below inveterate scars
Appeasing long forgotten wars.
The dance along the artery
The circulation of the lymph
Are figured in the drift of stars
Ascend to summer in the tree
We move above the moving tree
In light upon the figured leaf
And hear upon the sodden floor
Below, the boarhound and the boar
Pursue their pattern as before
But reconciled among the stars.

At the still point of the turning world. Neither flesh nor fleshless;
Neither from nor towards; at the still point, there the dance is,
But neither arrest nor movement. And do not call it fixity,
Where past and future are gathered. Neither movement from nor towards,
Neither ascent nor decline. Except for the point, the still point,
There would be no dance, and there is only the dance.
I can only say, there we have been: but I cannot say where.
And I cannot say, how long, for that is to place it in time.
The inner freedom from the practical desire,
The release from action and suffering, release from the inner
And the outer compulsion, yet surrounded
By a grace of sense, a white light still and moving,
Erhebung without motion, concentration
Without elimination, both a new world
And the old made explicit, understood
In the completion of its partial ecstasy,
The resolution of its partial horror.
Yet the enchainment of past and future
Woven in the weakness of the changing body,
Protects mankind from heaven and damnation
Which flesh cannot endure.
Time past and time future
Allow but a little consciousness.
To be conscious is not to be in time
But only in time can the moment in the rose-garden,
The moment in the arbour where the rain beat,
The moment in the draughty church at smokefall
Be remembered; involved with past and future.
Only through time time is conquered.

– III –
Here is a place of disaffection
Time before and time after
In a dim light: neither daylight
Investing form with lucid stillness
Turning shadow into transient beauty
With slow rotation suggesting permanence
Nor darkness to purify the soul
Emptying the sensual with deprivation
Cleansing affection from the temporal.
Neither plenitude nor vacancy. Only a flicker
Over the strained time-ridden faces
Distracted from distraction by distraction
Filled with fancies and empty of meaning
Tumid apathy with no concentration
Men and bits of paper, whirled by the cold wind
That blows before and after time,
Wind in and out of unwholesome lungs
Time before and time after.
Eructation of unhealthy souls
Into the faded air, the torpid
Driven on the wind that sweeps the gloomy hills of London,
Hampstead and Clerkenwell, Campden and Putney,
Highgate, Primrose and Ludgate. Not here
Not here the darkness, in this twittering world.

Descend lower, descend only
Into the world of perpetual solitude,
World not world, but that which is not world,
Internal darkness, deprivation
And destitution of all property,
Desiccation of the world of sense,
Evacuation of the world of fancy,
Inoperancy of the world of spirit;
This is the one way, and the other
Is the same, not in movement
But abstention from movement; while the world moves
In appetency, on its metalled ways
Of time past and time future.

– IV –
Time and the bell have buried the day,
The black cloud carries the sun away.
Will the sunflower turn to us, will the clematis
Stray down, bend to us; tendril and spray
Clutch and cling?
                               Chill
Fingers of yew be curled
Down on us? After the kingfisher’s wing
Has answered light to light, and is silent, the light is still
At the still point of the turning world.

– V –
Words move, music moves
Only in time; but that which is only living
Can only die. Words, after speech, reach
Into the silence. Only by the form, the pattern,
Can words or music reach
The stillness, as a Chinese jar still
Moves perpetually in its stillness.
Not the stillness of the violin, while the note lasts,
Not that only, but the co-existence,
Or say that the end precedes the beginning,
And the end and the beginning were always there
Before the beginning and after the end.
And all is always now. Words strain,
Crack and sometimes break, under the burden,
Under the tension, slip, slide, perish,
Decay with imprecision, will not stay in place,
Will not stay still. Shrieking voices
Scolding, mocking, or merely chattering,
Always assail them. The Word in the desert
Is most attacked by voices of temptation,
The crying shadow in the funeral dance,
The loud lament of the disconsolate chimera.

The detail of the pattern is movement,
As in the figure of the ten stairs.
Desire itself is movement
Not in itself desirable;
Love is itself unmoving,
Only the cause and end of movement,
Timeless, and undesiring
Except in the aspect of time
Caught in the form of limitation
Between un-being and being.
Sudden in a shaft of sunlight
Even while the dust moves
There rises the hidden laughter
Of children in the foliage
Quick now, here, now, always—
Ridiculous the waste sad time
Stretching before and after.

De leugen – Mary O’Malley

Mary O’Malley (1954-) is een regelmatig bekroonde Ierse dichter en vertaler die werkt aan de Nationale Universiteit van Ierland in Galway. Ze heeft acht jaar in Lissabon gewerkt, heeft tien dichtbundels gepubliceerd, ontving verschillende prijzen in diverse landen.

Onder deze link vindt u een interessant interview met Mary O’Malley. Het werd gepubliceerd in 2024, in de september-editie van The Honest Ulsterman. Interviewer is Esther Cullen.

De hierbij afgebeelde foto is ontleend aan datzelfde interview. Omdat de copyright-informatie niet wordt vermeld, kan ik die hier tot mijn spijt ook niet reproduceren.

Het gedicht is aan de actualiteit ontleend, maar het hoofdeffect heeft niet veel met de actualiteit te maken. Schutters van de door Donald Trump opgetuigde paramilitaire organisatie ICE – misleidend een douane- en immigratiedienst genoemd (Immigration and Customs Enforcement) – hebben twee onschuldige burgers in koelen bloede vermoord in Minneapolis.

Verrassend effect: een gedicht is geen geweer zegt het gedicht in de openingsstrofe, en in de slotstrofe blijkt het opeens een bom.

Het gedicht bestaat uit vier niet-rijmende kwatrijnen. Ik ben iets kwistiger geweest met lettergrepen dan O’Malley, maar in dit geval is het vrij belangrijk dat de betekenis van het gedicht goed wordt gevolgd.

Het gedicht werd gepubliceerd op 31 januari 2026 in The Irish Times.

Veel leesplezier.


Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

De leugen

De leugen dat de neergeschoten demonstrant
In Minneapolis een terrorist was, de leugen
Dat ICE-moordenaars die tekeergaan in hun eigen steden
Slachtoffers zijn, de leugen dat een gedicht een geweer is.

Een gedicht is geen geweer, al is het zo dat gedichten
Geschreven door Achmatova of Neruda
Of Mandelstam – geen van hen heeft bij mijn weten
Ooit een schot gelost – misschien

Bij zekere formaties van het gesternte
Toevlucht vinden in het hart en verder gaan
Over bergen en landsgrenzen, ook taalgrenzen,
En ze steken zeeën over en jij

Kunt ze niet neerschieten, of ze opsluiten
Of de pixels veranderen. Ze worden afgespeeld
Op het riet van holle, dode beenderen.
Zo’n gedicht is een bom.


Origineel

The Lie

The lie that a protester shot dead by ICE
in Minneapolis was a terrorist, the lie
that killers set loose on their own cities
are victims, the lie that a poem is a gun.

A poem is not a gun, though a poem
from the pen of Akhmatova or Neruda
or Mandelstam, not one of whom ever
to my knowledge fired a shot, might

in certain conjugations of the stars
lodge in the heart and spread out
across mountains and borders
across languages and the sea and you

can’t shoot it down, or lock it up
or alter its pixels. It is played
on the hollowed reeds of dead bones.
A poem like that is a bomb.

Geen mens is een eiland – John Donne

John Donne (1572-1631) is de bekendste dichter van de groep dichters die door Samuel Johnson (1709-1784) de Metaphysical Poets is gedoopt. Hij was een geleerde en werd later een geestelijke in The Church of England.

Een informatieve Nederlandse website over John Donne, waarop ook veel vertalingen van zijn werk, vindt u hier.

De Metaphysical Poets gebruikten zogeheten Metaphysical Conceits in hun gedichten. Dat zijn uitgebreide vergelijkingen die weinig voor de hand lijken te liggen, die onwaarschijnlijk zijn, waarvan de elementen zeer ver uit elkaar liggen, maar die toch op een dichterlijke manier treffend zijn. 

Dit gedicht bevat heel beroemde slotregels. Ze zijn in iets andere vorm bekend: “Don’t ask for whom the bell tolls; it tolls for thee”. Zo luidt ook de gelijknamige roman van Ernest Hemingway uit 1940. Het betekent dat bij ieders uitvaart ook een stukje van onszelf uitgeleide wordt gedaan.

Het gedicht bereidt deze conclusie helemaal voor door te benadrukken dat we allemaal horen bij de mensheid. De mensheid wordt dan met het continent, met Europa vergeleken en het gedicht maakt duidelijk dat we armer worden als er iemand verdwijnt, zoals het continent armer wordt als er een stukje vanaf wordt gehaald. De ironie is dat Donne een eilandbewoner was uiteraard.

Het gedicht komt voor in Devotions Upon Emergent Occasions, and severall steps in my Sicknes uit 1624. Het boek bestaat vooral uit proza, reden waarom dit gedicht soms ook een prozagedicht wordt genoemd. De spelling die ik hier heb overgenomen is enigszins gemoderniseerd.


Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

Geen mens is een eiland

Geen mens is een eiland,
Valt samen met zichzelf;
Ieder mens is een stukje continent,
Deel van de kern.

Als een kluit wordt weggespoeld door de zee
Wordt Europa armer,
Net als wanneer een kaap zou verdwijnen:
Net als wanneer het een landgoed van je vriend
Betrof, of dat van jezelf.

De dood van ieder mens neemt iets van me weg,
Omdat de mensheid mij aangaat,
En vraag dan ook nooit voor wie de klok luidt;
Die luidt voor jou.


Origineel

No Man is an Island

No man is an island,
Entire of itself;
Every man is a piece of the continent,
A part of the main.

If a clod be washed away by the sea,
Europe is the less,
As well as if a promontory were:
As well as if a manor of thy friend’s
Or of thine own were.

Any man’s death diminishes me,
Because I am involved in mankind.
And therefore never send to know for whom the bell tolls;
It tolls for thee.

De stad – Konstantínos Kafávis

Konstantínos Kafávis (1863-1933) wordt beschouwd als de grootste moderne dichter van Griekenland. Hij werd in Alexandrië geboren als negende kind van een welgesteld koopmansgezin. Hij heeft een tijdlang in Engeland gewoond, maar keerde weer terug naar Griekenland. Hij was homoseksueel en had goede, maar weinig opvallende banen.

Zijn thema is het contrast tussen intense artistieke en lichamelijke genietingen en de voorbijgaande aard van alles wat zo groots en meeslepend lijkt, maar in wezen zo vergankelijk is. Hij gebruikt daartoe soms scènes uit de oudheid, maar hij slaagt er altijd in door zijn onopgesmukte stijl en zijn waarachtigheid dit thema heel dichtbij de lezer te brengen.

Hij gebruikte oudgrieks en moderngrieks door elkaar in zijn poëzie, een eigenschap die de vertaler in de moderne Europese talen niet kan nabootsen. In zijn vroege gedichten kwam soms nog onregelmatig rijm voor, later liet hij dat steeds meer los. De versregels hebben soms een jambisch metrum, maar heel vaak houdt hij zich ook daar niet strak aan.

Ithaka is misschien wel het beroemdste gedicht van Kafávis. Het centrale motief van het gedicht is ontleend aan de Odyssee van Homerus (ca. 800 v. Chr.). Ik heb het eerder vertaald.

Het gedicht De stad is niet moeilijk te begrijpen. Je zou het kunnen opvatten als een dichterlijke vorm van wat eerder al door de filosoof Schopenhauer was uitgedrukt. Iemand zegt tegen zichzelf:

”Het is nu zes uur ’s avonds, het werk voor vandaag zit erop. Ik kan nu een wandeling gaan maken, ik kan naar de club gaan, ik kan ook de toren beklimmen om de zon te zien ondergaan of bijvoorbeeld naar het theater gaan of deze of gene vriend opzoeken. Ik kan er zelfs vandoor gaan, de wijde wereld in en nooit meer terugkomen. Het hangt allemaal louter van mijzelf af: ik ben helemaal vrij om het allemaal te doen. Maar toch doe ik niets van dat al en ga in plaats daarvan eveneens uit Vrije Wil terug naar mijn huis, naar mijn vrouw.”

En dan vervolgt Schopenhauer met zijn raillerende water-beeldspraak:

Dat is net zoiets als wanneer het water zou beweren: ik kan mijn golven hoog laten opstaan (ja zeker, bij de storm op zee namelijk), ik kan onstuimig voortstromen (ja, in de bedding van een rivier), ik kan schuimend en spattend omlaag storten (ja, als waterval), ik kan vrij de lucht inspuiten (ja, als fontein) en ten slotte kan ik ook nog helemaal opkoken en verdwijnen (ja, bij een temperatuur van 100 graden). Maar vandaag doe ik niets van dat al, in plaats daarvan blijf ik uit Vrije Wil kalm en helder in mijn spiegelende vijver staan.

Ik beheers geen Grieks, en ik heb dus eigenlijk gedaan wat niet mag. Aan de hand van een drietal vertalingen, twee Nederlandse (G.H. Blanken en M. Blijstra) en een Engelse (Edmund Keeley and Philip Sherrard), heb ik een eigen vertaling gemaakt. Mijn enige verontschuldiging is dat ook vertalers van naam en faam soms gebruik maken van de vertalingen van anderen die de taal wel beheersen. De gebruikte Engelse vertaling behoort overigens tot de hoogst gewaardeerde vertalingen in het Engelse taalgebied.

In Frankrijk heeft Marguerite Yourcenar de gedichten vertaald, met hulp van iemand die het Grieks goed beheerste – zo ziet u maar.

Ik heb in dit geval een vertaalpoging gewaagd omdat ik hoopte nog iets te kunnen toevoegen: ik wilde het gedicht nog wat natuurlijker in het Nederlands laten klinken zonder de nuances uit het oog te verliezen. Maar vertalen is natuurlijk ook altijd de intiemste manier om een gedicht nabij te komen.


Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

De stad

Je zei: “Ik wil weg, ik wil een ander land, een andere kust,
Ik wil een andere stad die beter is dan deze.
Wat ik ook doe – het lijkt gedoemd of gaat verkeerd,
En mijn hart ligt in het graf als was het een dode.
Hoe lang nog zal ik mijn geest hier laten ontbinden?
Waar ik ook ga, waar ik ook kijk,
Ik zie de geblakerde ruïnes van mijn leven, juist daar
Waar ik al die jaren doorbracht, ze vermorste, ze totaal verwoestte.”

Je zult geen nieuw land vinden, geen andere kust.
Deze stad zal je blijven achtervolgen.
Je zult door deze straten blijven lopen, in deze buurten
Oud worden, je zult grijs worden in dezelfde huizen.
Deze stad zal je eindpunt zijn. Hoop niet op elders:
Geen schip ligt voor je klaar, er zijn geen wegen.
Nu je je leven hier hebt vermorst, in deze kleine uithoek,
Heb je het verwoest waar ook ter wereld.


Engelse vertaling (Edmund Keeley and Philip Sherrard)

The City

You said: “I’ll go to another country, go to another shore,
find another city better than this one.
Whatever I try to do is fated to turn out wrong
and my heart lies buried like something dead.
How long can I let my mind moulder in this place?
Wherever I turn, wherever I look,
I see the black ruins of my life, here,
where I’ve spent so many years, wasted them, destroyed them totally.”

You won’t find a new country, won’t find another shore.
This city will always pursue you.
You’ll walk the same streets, grow old
in the same neighborhoods, turn gray in these same houses.
You’ll always end up in this city. Don’t hope for things elsewhere:
there’s no ship for you, there’s no road.
Now that you’ve wasted your life here, in this small corner,
you’ve destroyed it everywhere in the world.


Origineel

Η πόλις

Είπες· «Θα πάγω σ’ άλλη γη, θα πάγω σ’ άλλη θάλασσα.
Μια πόλις άλλη θα βρεθεί καλλίτερη από αυτή.
Κάθε προσπάθεια μου μια καταδίκη είναι γραφτή·
κ’ είν’ η καρδιά μου — σαν νεκρός — θαμένη.
Ο νους μου ως πότε μες στον μαρασμόν αυτόν θα μένει.
Όπου το μάτι μου γυρίσω, όπου κι αν δω
ερείπια μαύρα της ζωής μου βλέπω εδώ,
που τόσα χρόνια πέρασα και ρήμαξα και χάλασα.»

Καινούριους τόπους δεν θα βρεις, δεν θάβρεις άλλες θάλασσες.
Η πόλις θα σε ακολουθεί. Στους δρόμους θα γυρνάς
τους ίδιους. Και στες γειτονιές τες ίδιες θα γερνάς·
και μες στα ίδια σπίτια αυτά θ’ ασπρίζεις.
Πάντα στην πόλι αυτή θα φθάνεις. Για τα αλλού — μη ελπίζεις—
δεν έχει πλοίο για σε, δεν έχει οδό.
Έτσι που τη ζωή σου ρήμαξες εδώ
στην κώχη τούτη την μικρή, σ’ όλην την γη την χάλασες.


Voor wie het interesseert: dit is de vertaling van Hans Warren en Mario Molegraaf, K.P. Kavafis, Gedichten, Amsterdam: Bert Bakker 1986, p.9. Deze vertaling is heel aardig, maar die heb ik niet gebruikt bij mijn eigen vertaling. Met dank aan de vraag hieronder van Ghurabalbayn.

En hier vindt u nog een oudere versie van het gedicht.

Wegzwemmen – Mary Oliver

Mary Oliver (1935-2019) is een Amerikaanse dichter, en ze werd geboren in een landelijk plaatsje, Maple Heights, vlakbij Cleveland in Ohio. Daar ontwikkelde ze een grote voorliefde voor de natuur. Ze woonde een groot deel van haar leven in Provincetown, Massachusetts.

Ze begon betrekkelijk vroeg met dichten. Ze schrijft verzen met een fraai ritme en een gevoelige toon, waarin vaak rijm ontbreekt, waarin een dichterlijke stroom en tegenstroom nooit ontbreken, verzen die ons gevoelig maken en verrijken – zoals elk goed gedicht – voor de gruwelen en de schoonheden en de geheimenissen van het bestaan – “We are nourished by the mystery” (The Fish).

Ze was bevriend met de zus van Edna St. Vincent Millay, en heeft met haar de nagelaten papieren van de dichteres geordend.

Een necrologie, geschreven door Lynn Neary, ‘Beloved Poet Mary Oliver, Who Believed Poetry ‘Mustn’t Be Fancy,’ Dies At 83‘ op de website van New Hampshire Public Radio (17 januari 2019), vindt u hier.

De slotregel van dat stuk is een voor mij zeer ontroerend en ook veelzeggend citaat uit het gedicht When Death Comes dat ik al eerder heb vertaald.

“When it’s over, I want to say: all my life / I was a bride married to amazement.”

Na haar dood in 2019 verscheen in Forward een mooi stukje van Talya Zax. Deze joodse schrijver/journalist schreef ware woorden:

The Pulitzer Prize-winning poet [Mary Oliver dus], who passed away on January 17 [2019] at age 83, was a voice of clarity in American letters. Her work, spare and full of silence, was often out of style. She was dismissed, by some who claimed authority, as a common kind of poet, not especially interesting, radical in neither subject nor form.

But when it came to the dimensions that most matter, those of language and soul, Oliver was unique. She could show you the world just as it was, and in doing so make it seem entirely new.

En ook citeerde ze de woorden van Mary Oliver:

 “The Real Prayers Are Not the Words, But the Attention that Comes First,”

Het gedicht zelf is niet heel moeilijk te begrijpen. Het is een aandachtige natuurwaarneming, fraai verwoord, met een ontroerend, universeel geldig slot.

Alle strofen bestaan uit één zin die verdeeld is via enjambementen over meerdere versregels, behalve de voorlaatste tweeregelige strofe: die bestaat uit twee korte verzen. Merk op hoe effectief dat is.

Voor mij werkt dit gedicht veel sterker dan de voorbeelden van de haiku die ik ken (de haiku streeft ook aandachtige natuurwaarneming na met een onopvallend aangebrachte universele strekking), al bewonder ik het streven naar beknoptheid dat in de haiku wordt getoond. Ongetwijfeld zijn dat culturele beperkingen waaraan ik mij niet gemakkelijk kan onttrekken, al heb ik dat wel geprobeerd.


Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

Wegzwemmen

Wie kan zeggen
of daar een zilverreiger staat
of een witte bloem
aan de oever
van de weelderige plas
vol waterlelies en kikkers?

Uren geleden opende de oranje zon
de knoppen van de waterlelies,
en de luipaardkikkers,
begonnen toen
hun lange spieren te strekken,
met hun schoolslag
als kleine groene dwergen
onder het dak van het rijke,
roestkleurige water.

Nu beginnen,
in hun omhulling van dril,
de tere eitjes van de salamander
zich te roeren.

Ze hebben genoeg geslapen.
Ze hebben een nieuw idee.

Ze willen wegzwemmen,
de wereld in.


Origineel

Swim Away

Who can say,
is it a snowy egret
or a white flower
standing
at the glossy edge
of the lily and frog-filled pond?

Hours ago the orange sun
opened the cups of the lilies
and the leopard frogs
began kicking
their long muscles,
breast-stroking
like little green dwarves
under the roof of the rich,
iron-colored water.

Now the soft
eggs of the salamander
in their wrappings of jelly
begin to shiver.

They’re tired of sleep.
They have a new idea.

They want to swim away
into the world.

Wilde ganzen – Mary Oliver

Mary Oliver (1935-2019) is een Amerikaanse dichter, en ze werd geboren in een landelijk plaatsje, vlakbij Cleveland in Ohio. Daar ontwikkelde ze een grote voorliefde voor de natuur. Ze woonde een groot deel van haar leven in Provincetown, Massachusetts, een kustplaats waar de kust niet erg steil is.

Ze begon betrekkelijk vroeg met dichten. Ze schrijft verzen met een fraai ritme en een gevoelige toon, waarin vaak rijm ontbreekt, waarin een dichterlijke stroom en tegenstroom nooit ontbreken, verzen die ons gevoelig maken en verrijken – zoals elk goed gedicht – voor de gruwelen en de schoonheden en de geheimenissen van het bestaan – “We are nourished by the mystery” (The Fish).

Ze was bevriend met de zus van  Edna St. Vincent Millay, en heeft met haar de nagelaten papieren van de dichteres geordend.

Een necrologie, geschreven door Lynn Neary, ‘Beloved Poet Mary Oliver, Who Believed Poetry ‘Mustn’t Be Fancy,’ Dies At 83‘ op de website van New Hampshire Public Radio (17 januari 2019), vindt u hier.

De slotregel van dat stuk is een voor mij zeer ontroerend en ook veelzeggend citaat uit het gedicht When Death Comes dat ik al eerder heb vertaald.

“When it’s over, I want to say: all my life / I was a bride married to amazement.”

Ik heb het gedicht Wild Geese – Wilde ganzen – vertaald nadat mijn oudste dochter me vertelde dat ze een bijzondere voorliefde had voor dat gedicht.


Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

Wilde ganzen

Je hoeft niet goed te zijn.
Je hoeft niet honderd kilometer op je knieën
door de woestijn te kruipen, als boetedoening.
Het enige wat je hoeft is het zachte dier van je lichaam
Laten liefhebben wat het liefheeft.
Vertel me over wanhoop, de jouwe, en ik vertel je de mijne.
Ondertussen gaat de wereld door.
Ondertussen bewegen zon en heldere regendruppels
Langzaam over landschappen,
Over de prairies en de verre bossen,
De bergen en de rivieren.
Ondertussen keren de ganzen, hoog in de helderblauwe lucht,
Weer naar hun thuis terug.
Wie je ook bent, hoe eenzaam misschien,
De wereld schenkt zich aan jouw verbeelding,
Roept naar jou als de wilde ganzen, luid en opwindend –
En keer op keer wijzen ze jou de plaats
In de familie van alle dingen.


Origineel

Wild geese

You do not have to be good.
You do not have to walk on your knees
For a hundred miles through the desert, repenting.
You only have to let the soft animal of your body
love what it loves.
Tell me about despair, yours, and I will tell you mine.
Meanwhile the world goes on.
Meanwhile the sun and the clear pebbles of the rain
are moving across the landscapes,
over the prairies and the deep trees,
the mountains and the rivers.
Meanwhile the wild geese, high in the clean blue air,
are heading home again.
Whoever you are, no matter how lonely,
the world offers itself to your imagination,
calls to you like the wild geese, harsh and exciting —
over and over announcing your place
in the family of things.

Als de dood komt – Mary Oliver

Mary Oliver (1935-2019) is een Amerikaanse dichter, en ze werd geboren in een landelijk plaatsje, vlakbij Cleveland in Ohio. Daar ontwikkelde ze een grote voorliefde voor de natuur. Ze woonde een groot deel van haar leven in Provincetown, Massachusetts, een kustplaats waar de kust niet erg steil is.

Mary Oliver - Kevork Djansezian
Mary Oliver – Getty Images

Ze begon betrekkelijk vroeg met dichten. Ze schrijft verzen met een fraai ritme en een gevoelige toon, waarin vaak rijm ontbreekt, waarin een dichterlijke stroom en tegenstroom nooit ontbreken, verzen die ons gevoelig maken en verrijken – zoals elk goed gedicht – voor de gruwelen en de schoonheden en de geheimenissen van het bestaan – “We are nourished by the mystery” (The Fish).

Ze was bevriend met de zus van  Edna St. Vincent Millay, en heeft met haar de nagelaten papieren van de dichteres geordend.

Een necrologie, geschreven door Lynn Neary, ‘Beloved Poet Mary Oliver, Who Believed Poetry ‘Mustn’t Be Fancy,’ Dies At 83‘ op de website van New Hampshire Public Radio (17 januari 2019), vindt u hier.

De slotregel van dat stuk is een voor mij zeer ontroerend en ook veelzeggend citaat uit het gedicht – When Death Comes – dat ik hier heb vertaald.

“When it’s over, I want to say: all my life / I was a bride married to amazement.”

Mijn vorige poëzie-vertaling dateert al weer van een poosje geleden.

Ik heb dit gedicht vertaald nadat mijn oudste dochter me vertelde dat ze een bijzondere voorliefde had voor het gedicht Wild Geese van Mary Oliver, een gedicht dat ik ook inmiddels heb vertaald.

Toen herinnerde ik me het gedicht When Death Comes, een gedicht dat altijd al dicht bij me heeft gestaan, maar dat me nog meer nabij kwam nadat onlangs mijn jongere broer is overleden.


Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

Als de dood komt

Als de dood komt
zoals de hongerige beer in de herfst;
als de dood komt met al dat glimmende geld in zijn beurs

Om mij te kopen, en als hij zijn beurs dichtklapt;
als de dood komt
zoals de mazelpok komt;

Als de dood komt
Zoals een ijsberg tussen de schouderbladen,

Dan wil ik nieuwsgierig de deur binnengaan, me afvragend:
hoe is het daar eigenlijk, in dat donkere huisje?

En daarom kijk ik naar alles
als naar een gemeenschap van broers en zussen,
en ik bezie de tijd slechts als een gedachte,
en ik beschouw de eeuwigheid als ook nog een mogelijkheid,

En ik denk over elk leven als een bloem, net zo gewoon
als een madelief in de wei, en net zo bijzonder,

En aan elke naam als een aangename muzikale klank,
neigend, zoals alle muziek, naar stilte,

En ik denk over elk lichaam als een dappere leeuw, als iets
dat waarde heeft voor de aarde.

Als het voorbij is, wil ik zeggen: heel mijn leven
was ik een bruid getrouwd met verwondering.
Ik was een bruidegom die de wereld in zijn armen nam.

Als het voorbij is, wil ik me niet afvragen
of ik iets bijzonders van mijn leven heb gemaakt, iets echts.
Ik wil niet iemand zijn die op het einde zucht of bang is,
of die blijft tegensputteren.

Ik wil niet eindigen als iemand die de wereld maar een bezoekje bracht.


Origineel

When Death Comes

When death comes
like the hungry bear in autumn;
when death comes and takes all the bright coins from his purse

to buy me, and snaps the purse shut;
when death comes
like the measle-pox;

when death comes
like an iceberg between the shoulder blades,

I want to step through the door full of curiosity, wondering:
what is it going to be like, that cottage of darkness?

And therefore I look upon everything
as a brotherhood and a sisterhood,
and I look upon time as no more than an idea,
and I consider eternity as another possibility,

and I think of each life as a flower, as common
as a field daisy, and as singular,

and each name a comfortable music in the mouth,
tending, as all music does, toward silence,

and each body a lion of courage, and something
precious to the earth.

When it’s over, I want to say: all my life
I was a bride married to amazement.
I was the bridegroom, taking the world into my arms.

When it’s over, I don’t want to wonder
if I have made of my life something particular, and real.
I don’t want to find myself sighing and frightened,
or full of argument.

I don’t want to end up simply having visited this world.

Reizen – R.S. Rhomas

Inleiding
Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilder Mildred Eldridge (1909-1991).

[Deze intro kunt u verder overslaan, als u al eerder mijn vertalingen van R.S. Thomas onder ogen hebt gehad. Het nieuwe deel begint onder het hoofdje Gedicht met de woorden: Het door mij vertaalde gedicht …]

R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).

Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.

In een treffend filmpje uit 1996 dat Bloodaxe Books beschikbaar heeft gemaakt – hier raadpleegbaar – zegt Thomas (vanaf 4’18”):

“Mocht er sowieso later nog aan mij gedacht worden, dan zal dat wel zijn om de intensiteit van een paar gedichten die ik heb geschreven. Maar, los van de gedichten, als mens hoop ik dat m’n voorbeeld van iemand die ervan hield buiten te zijn, die hield van de aardse dingen, en die het talent had meegekregen om ze niet alleen te horen maar ook te zien, voor anderen een zeker nut heeft gehad.”

Het gedicht

Het door mij vertaalde gedicht – Travels – is een karakteristiek Thomas-gedicht. Ik vermoed dat het ontstaan is op een van de wandelingen in onherbergzaam Welsh gebied aan de kust.

Het gedicht wijst erop dat alles wat ertoe doet voortkomt uit aandacht en contemplatie, en dat al ons gepraat, onze kennis en onze voorstellingen niet erg behulpzaam zijn om onze bestemming te bereiken.

Verbeelding en stilte zijn essentieel. Ook de god die op een afwezige manier aanwezig is – het lijkt of hij in zichzelf verdiept is, en wij kunnen hem niet bereiken; we kunnen alleen voelen dat hij er is – is heel karakteristiek voor Thomas.

Het gedicht is opgenomen in de bundel Frequencies (1978), uitgegeven door Macmillan.

Enfin, ik hoop dat de vertaling gelukt is.


Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

Reizen

Ik ging op reis, ontdekte trucs
voor misleiding, lachte zonder te
fronsen, hield mijn lippen soepel
met leugens; leerde kwaadaardigheid
verteren, wetend dat het een kroon
was op mijn succes. Is de wereld
uitgestrekt? Zijn er streken waar de
verbeelding niet bij kan? Verloochen nooit
de kennis die je er opdeed. Hier kwam ik,
de rivier stroomopwaarts volgend
naar zijn bronnen in de Welshe
heuvels, klaar om zijn rijkdom
te ontleden; ‘k staarde naar de gladde pupil
van water die naar mij terugstaarde
op een afwezige manier zoals een god
die zich bezon op zijn eigen
navel; ‘k voelde de kilte van
onmetelijke diepten die ik hier eigenlijk
had moeten peilen; ‘k aanschouwde het
wegstromen van bronwater
voor de vorming van verre
zeeën waarop de mens moet leren navigeren
om thuis te kunnen komen.


Origineel

Travels

I travelled, learned new ways
to deceive, smiling not
frowning; kept my lips supple
with lies; learned to digest
malice, knowing it tribute
to my success. Is the world
large? Are there areas uncharted
by the imagination? Never betray
your knowledge of them. Came here,
followed the river upward
to its beginning in the Welsh
moorland, prepared to analyse
its contents; stared at the smooth pupil
of water that stared at me
back as absent-mindedly as a god
in contemplation of his own
navel; felt the coldness
of unplumbed depths I should have
stayed here to fathom; watched the running
away of the resources
of water to form those far
seas that men must endeavour
to navigate on their voyage home.

Reiziger – Adam Zagajewski

Adam Zagajewski (1945-2021) is een Poolse dichter, vertaler, essayist en romanschrijver. Hij werd geboren in Lviv, wat nu in Oekraïne ligt. In zijn tijd was het nog Polen.

Zagajewski behoort tot een uitzonderlijke generatie Poolse dichters waartoe ook Czesław MiłoszZbigniew Herbert (1924-1998), Wisława Szymborska (1923-2012), Tadeusz Różewicz (1921-2014) behoorden. Wat me treft bij Zagajewski is het besef dat gruwel en vreugde onlosmakelijk verbonden zijn, dat ze samen ons leven uitmaken.

Een heel mooi interview met Zagajewski verscheen in De Groene op 17 april 2019: Bezing het verminkte continent – een verwijzing – een citaat zelfs – naar zijn beroemdste gedicht. Interviewer is de schrijver Jan Postma.

Enfin, ik heb ook dit gedicht van Zagajewski (net als het vorige) vertaald zonder Pools te beheersen. Ik heb in dit geval de Engelse vertaling van Clare Cavanagh vertaald.

De vertaling van Clare Cavanagh staat in mijn eiditie van Mysticism for Beginners, New York: Farrar, Straus and Giroux 1997, op p.38.

Het gedicht contrasteert de dichterlijke gevoeligheid voor het unieke, het bijzondere, het nieuwe met onze hang naar het vertrouwde, en met onze pogingen om in dat vertrouwde het echte leven te zoeken – waarschijnlijk tevergeefs.


Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

Reiziger

Een zekere reiziger, die nergens in geloofde,
bevond zich die zomer in een uitheemse stad.
Linden bloeiden, de uitheemsheid bloeide innig en vroom.

Over de geurige boulevard wandelde een onbekende menigte,
met trage pas, vervuld van angst, misschien wel omdat
de dalende zon zwaarder was dan de horizon,

en het dieprode asfalt wellicht toch niet
de spot dreef met de schaduwen, en de guillotine
niet alleen maar luister verleent aan musea,

en de in koor luidende kerkklokken
nog wel eens iets meer konden betekenen dan anders.
Misschien was het daarom dat de reiziger zijn hand

steeds aan zijn borst drukte, om bezorgd na te gaan
of zijn retourticket er nog was, zijn entree
naar de eenvoud waarin we meestal leven.


Origineel

Traveler

A certain traveler, who believed in nothing,
found himself one summer in a foreign city.
Lindens were blossoming, and foreignness bloomed devoutly.

An unknown crowd walked down the fragrant boulevard,
slowly, full of fear, perhaps because
the setting sun weighed more than the horizon

and the asphalt’s scarlet might not
jest the shadows and the guillotine
might not grace museums alone

and church bells chiming in chorus
might mean more than they usually mean.
Perhaps that’s why the traveler kept

putting his hand to his chest, checking warily
to make sure he still had his return ticket
to the ordinary places where we live.

Leda en de zwaan – William Butler Yeats

William Butler Yeats (1865-1939) is een Ierse dichter en toneelschrijver, een van de grootste engelstalige schrijvers van de twintigste eeuw. In 1923 kreeg hij de Nobelprijs voor literatuur.

Yeats groeide op als een lid van de protestantse Ierse elite, al had zijn vader zich in dat milieu tot vrijdenker ontwikkeld, maar hij nam daar afstand van, en hij ontwikkelde zich gaandeweg tot een man met grote belangstelling voor mystieke, esoterische en soms zelfs occulte onderwerpen. Deze onderwerpen kwamen zijn verbeeldingskracht zeker ten goede. Al in 1887 werd hij lid van Madame Blavatsky’s Loge van de Theosofische Vereniging in Londen en in 1900 werd hij voorzitter van de Londense loge van de Hermetic Order of the Golden Dawn. Hij ontwierp een ‘filosofisch’ systeem, neergelegd in zijn boek A vision (1925), waarin hij uiteenzet hoe mensen verschillen wat hun karakter betreft, hoe de menselijke levensloop zich uit dat karakter ontwikkelt, en hoe op grond daarvan vervolgens de gehele mensheid zich ontwikkelt.

De voorgaande alinea heb ik grotendeels ontleend aan het voorwoord dat de schrijver en dichter Jan Eijkelboom (1926–2008) schreef bij een tweetalige bundel met Yeats-gedichten: W.B.Yeats, Geef nooit het hele hart (vert. A. Roland Holst en J. Eijkelboom), Utrecht: Kwadraat 1985. In die bundel staat ook een vertaling van het onderhavige gedicht – Leda and the Swan – door Adriaan Roland Holst.

Het slot van dat voorwoord luidt:

“In zijn gedicht A. Roland Holst citeert de Ierse dichter Desmond O’Grady een oude vriend, die Roland Holst ‘een kardinaal noemde in de kerk van W.B. Yeats’.

Zelf behoor ik natuurlijk niet tot die hoge geestelijkheid. Maar men kan heel wel onder de indruk zijn van een kathedraal, zonder dat men gelooft aan de hocus-pocus, of mumbo-jumbo, welke onder die hoge gewelven bedreven wordt.”

Ik vind het wel grappig dat Eijkelboom in dat voorwoord zo nadrukkelijk afstand neemt van Yeats’ visioenen. Hij doet dat met een redenering die je bij alle cultuurchristenen aantreft. In onze tijd zou hij – de redelijkheid zelve – waarschijnlijk weer nadrukkelijk afstand nemen van de UFO’s van Lieke Marsman.

Het vertaalde gedicht – Leda and the Swan – van William Butler Yeats is gebaseerd op een bekende Griekse mythe. Zeus begeerde Leda, vermomde zich als een zwaan en overweldigde haar. Als gevolg daarvan kreeg ze een aantal kinderen, twee van Zeus en twee van haar eigen echtgenoot, onder wie Helena die de aanstichtster werd van de Trojaanse Oorlog, waar uiteindelijk ook de dood van Agamemnon uit voortkwam. In de derde strofe worden de gevolgen van de overweldiging beschreven: de ineengestorte muur, de branden, de dood van Agamemnon.

Het gedicht is een sonnet met een redelijk vast rijmschema. De regels zijn hoofdzakelijk geschreven in een jambische vijfvoet.

Na vertaling en origineel geef ik ook nog de vertalingen van Roland Holst en Paul Claes.


Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

Leda en de zwaan

Pats-boem: grote vleugels klapwieken nog na
Boven het wankelend meisje, zwemvliezen dorsten
Naar streling van dijen, haar nek in z’n snavel gevat,
En gedrukt aan zijn borst haar hulpeloze borsten.

Hoe konden haar vingers, onthutst en verward,
Van haar zwichtende dijen de vederpracht weren?
En wat kan vlees, verzonken in die witte drift,
Nog doen dan ‘t kloppen voelen van dit vreemde hart?

Een schok in de lendenen verwekt voorgoed
Een muur in puin, het vuur in dak en toren
En Agamemnon dood.
                                          Kon ze ook zien,
Zo overmand door redeloos, wervelend bloed,
Dat zijn kennis en macht bijeen zouden horen,
Voordat de koude snavel haar weer vallen liet?


Origineel

Leda and the Swan

A sudden blow: the great wings beating still
Above the staggering girl, her thighs caressed
By the dark webs, her nape caught in his bill,
He holds her helpless breast upon his breast.

How can those terrified vague fingers push
The feathered glory from her loosening thighs?
And how can body, laid in that white rush,
But feel the strange heart beating where it lies?

A shudder in the loins engenders there
The broken wall, the burning roof and tower
And Agamemnon dead.
                                           Being so caught up,
So mastered by the brute blood of the air,
Did she put on his knowledge with his power
Before the indifferent beak could let her drop?


Vertaling Adriaan Roland Holst


Vertaling Paul Claes

Gedichten eten – Mark Strand

Mark Strand, Joseph Brodsky, Adam Zagajewski en Derek Walcott – New York, 1986, foto: Jill Krementz

Toen ik onlangs een vertaling van een gedicht van Adam Zagajewski – de grote Poolse dichter – op mijn website zette, koos ik daarbij een foto met daarop vier mannen: Mark Strand, Joseph Brodsky, Adam Zagajewski en Derek Walcott. De eerstgenoemde dichter kende ik eigenlijk niet, althans nauwelijks, alleen vaagjes van naam.

Op de onvolprezen website van Poetry Foundation kwam ik wat gedichten van hem tegen, en ik besloot het onderhavige gedicht van hem – Eating Poetry – te vertalen. Later bleek me dat er al eens een tweetalige bundel gedichten in het Nederlands verschenen was, en het titelgedicht van die bundel is uitgerekend dit gedicht: Mark Strand, Gedichten eten (keuze en vert. Wiljan van den Akker & Esther Jansma), Amsterdam: De Arbeiderspers 2006.

Mark Strand (1934-2014) is een Joods-Amerikaanse schrijver, dichter en vertaler. Hij was van 1990 tot 1991 de vierde Poet Laureate van Amerika. In 1999 kreeg hij de Pulitzerprijs voor poëzie.

Het vertaalde gedicht is een baldadige evocatie van de vreugde die je kunt hebben als je poëzie leest, en die vreugde wordt gecontrasteerd met het onbegrip van de bibliotheek-mevrouw die bezig is met ordenen en indelen en categoriseren.

Het gedicht dat door Van den Akker en Jansma is vertaald, kunt u hier nalezen. We hebben er alledrie voor gekozen om Eating Poetry met Gedichten eten te vertalen, en niet met Poëzie eten. De verschillen zijn voor het overige niet groot. De blonde hondepoten die in het Engels ‘burn like brush’ branden bij Van den Akker en Jansma als stro, en bij mij als bosjes.

De slotstrofen kennen eindrijm.

Het is nog wel aardig om op deze website te wijzen: het is een heel persoonlijke taxatie van de kwaliteit van de Pullitzer-winnaars voor Poëzie in heden en verleden. Mark Strand belandt hier op de laatste plaats met Eating Poetry. Het gaat vergezeld met het volgende commentaar:

“Here’s an earlier poem by Mark Strand from the late 70s. This was once considered good. I think I probably liked it at one time. Now it just seems embarrassing.”


Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

Gedichten eten

Inkt druipt van mijn mondhoeken.
Niemand is zo gelukkig als ik.
Ik heb gedichten gegeten.

De bibliothecaresse weet niet wat ze ziet.
Ze heeft treurige ogen
en loopt met haar handen in haar kleren.

De gedichten zijn weg.
Het licht is gedempt.
De honden zijn op de keldertrap en komen naar boven.

Hun oogballen rollen,
hun blonde poten branden als bosjes.
De arme bibliothecaresse gaat nu stampvoeten en huilen.

Ze snapt er niks van.
Als ik neerkniel en lik aan haar hand,
schreeuwt ze.

Ik ben een nieuwe mens.
Ik blaf naar haar en grom.
Ik dartel vrolijk in het boekenduister om.


Origineel

Eating Poetry

Ink runs from the corners of my mouth.
There is no happiness like mine.
I have been eating poetry.

The librarian does not believe what she sees.
Her eyes are sad
and she walks with her hands in her dress.

The poems are gone.
The light is dim.
The dogs are on the basement stairs and coming up.

Their eyeballs roll,
their blond legs burn like brush.
The poor librarian begins to stamp her feet and weep.

She does not understand.
When I get on my knees and lick her hand,
she screams.

I am a new man.
I snarl at her and bark.
I romp with joy in the bookish dark.

Een snel gedicht – Adam Zagajewski

Adam Zagajewski (1945-2021) is een Poolse dichter, vertaler, essayist en romanschrijver. Hij werd geboren in Lviv, wat nu in Oekraïne ligt. In zijn tijd was het nog Polen. Het is wel veelzeggend en treurig dat er geen Nederlands Wikipedia-artikel van hem bestaat.

Zagajewski behoort tot een uitzonderlijke generatie Poolse dichters waartoe ook Czesław MiłoszZbigniew Herbert (1924-1998), Wisława Szymborska (1923-2012), Tadeusz Różewicz (1921-2014) behoorden. Wat me treft bij Zagajewski is het besef dat gruwel en vreugde onlosmakelijk verbonden zijn, dat ze samen ons leven uitmaken.

Een heel mooi interview met Zagajewski verscheen in De Groene op 17 april 2019: Bezing het verminkte continent – een verwijzing – een citaat zelfs – naar zijn beroemdste gedicht. Interviewer is de schrijver Jan Postma.

Ik citeer graag een stukje uit het gesprek dat jan Postma met hem voerde:

Enfin, ik heb ook dit gedicht van Zagajewski (net als het vorige) vertaald zonder Pools te beheersen. Ik heb in dit geval de Engelse vertaling van Clare Cavanagh vertaald.

De vertaling van Clare Cavanagh staat in mijn eiditie van Mysticism for Beginners, New York: Farrar, Straus and Giroux 1997, op p.3.

Het gedicht beschrijft een ervaring tijdens een lange rit door Frankrijk. Zagajewski contrasteert de snelheid en de oppervlakkigheid van de autorit met zijn verlangen naar contemplatie, overdenking, eeuwigheid.

De versregel in het latijn is een psalmcitaat en komt voor in Gregoriaanse gezangen – de gezangen waarnaar de hoofdpersoon luistert tijdens de autorit. De versregel betekent: “Heer, hoor naar mijn gebed“.


Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

Een snel gedicht

Ik beluisterde Gregoriaanse liederen
in een voortsnellende auto
op een snelweg in Frankrijk.
Bomen vlogen voorbij. Stemmen van monniken
zongen de lof van een ongeziene god
(bij zonsopgang, klappertandend in een kapel)
Domine, exaudi orationem meum,
bepleitten mannenstemmen kalm
alsof het heil zojuist was opgekomen in de tuin.
Waar ging ik naar toe? Waar verborg zich de zon?
Mijn leven lag aan flarden
aan weerszijden van de weg, broos als een wegenkaart.
Samen met de goede monniken
ging ik op weg naar de wolken, donkerblauw,
diep, zwaar,
richting de toekomst, de afgrond,
harde hageltranen opslokkend.
Nog lang geen zonsopgang, nog lang geen thuis.
Waar muren hoorden – blik.
In plaats van een wake – een race.
Reizen in plaats van overdenking.
Een snel gedicht voor een loflied.
Een kleine, vermoeide ster
snelde vooruit
en het asfalt van de snelweg glom,
toonde waar de aarde was,
waar het scheermes van de horizon wachtte,
samen met de zwarte spin van avond
en nacht – weduwe van al die dromen.


Origineel

A Quick Poem

I was listening to Gregorian chants
in a speeding car
on a highway in France.
The trees rushed past. Monks’ voices
sang praises to an unseen god
(at dawn in a chapel trembling with cold).
Domine, exaudi orationem meum,
male voices pleaded calmly
as if salvation were just growing in the garden.
Where was I going? Where was the sun hiding?
My life lay tattered
on both sides of the road, brittle as a paper map.
With the sweet monks
I made my way toward the clouds, deep blue,
heavy, dense,
toward the future, the abyss,
gulping hard tears of hail.
Far from dawn. Far from home.
In place of walls — sheet metal.
Instead of a vigil — a flight.
Travel instead of remembrance.
A quick poem instead of a hymn.
A small, tired star raced
up ahead
and the highway’s asphalt shone,
showing where the earth was,
where the horizon’s razor lay in wait,
and the black spider of evening
and night, widow of so many dreams.

Ze schreef in het donker – Adam Zagajewski

Mark Strand, Joseph Brodsky, Adam Zagajewski en Derek Walcott – New York, 1986, foto: Jill Krementz

Ten geleide
Ik denk dat u nog nooit van Nelly Sachs (1891-1970) hebt gehoord. Ze is ongeveer van de leeftijd van mijn (overleden) grootouders – iets ouder – en ze heeft in 1966, samen met de Israëlische schrijver Shmuel Yosef Agnon, de Nobelprijs voor Literatuur gekregen.

Het door mij vertaalde gedicht is geïnspireerd door het werk van Nelly Sachs die in Zweden de droeve taak op zich nam om de verschrikkingen van de Holocaust in dichtvorm vast te leggen.

Het gedicht is opgedragen aan Ryszard Kryniscki (1943-), een Poolse dichter. Een interessant artikel van de Nederlandse vertaler Gerard Rasch (1946-2004) – De Poolse wrong – waarin zowel Zagajewski als Kryniscki ter sprake komt, vindt u hier.

Adam Zagajewski (1945-2021) is een Poolse dichter, vertaler, essayist en romanschrijver. Hij werd geboren in Lviv, wat nu in Oekraïne ligt. In zijn tijd was het nog Polen. Het is wel veelzeggend en treurig dat er geen Nederlands Wikipedia-artikel van hem bestaat.

Zagajewski behoort tot een uitzonderlijke generatie Poolse dichters waartoe ook Czesław MiłoszZbigniew Herbert (1924-1998), Wisława Szymborska (1923-2012), Tadeusz Różewicz (1921-2014) behoorden. Wat me treft bij Zagajewski is het besef dat gruwel en vreugde onlosmakelijk verbonden zijn, dat ze samen ons leven uitmaken.

Een heel mooi interview met Zagajewski verscheen in De Groene op 17 april 2019: Bezing het verminkte continent – een verwijzing – een citaat zelfs – naar zijn beroemdste gedicht. Interviewer is de schrijver Jan Postma.

Ik citeer graag een stukje uit het gesprek dat jan Postma met hem voerde:

Enfin, ik heb ook dit gedicht van Zagajewski (net als het vorige) vertaald zonder Pools te beheersen. Ik heb in dit geval de Engelse vertaling van Clare Cavanagh vertaald.

De vertaling van Clare Cavanagh staat in mijn eiditie van Mysticism for Beginners, New York: Farrar, Straus and Giroux 1997, op p.49.


Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

Ze schreef in het donker
[Uit: Adam Zagajewski, Three Angels, Krakow: Wydawnictwo Literakie 1998]

Voor Ryszard Krynicki

                 Nelly Sachs werkte ‘s nachts bij schemerlicht
                 toen ze woonde in Stockholm,
                 om haar moeder niet wakker te maken.

Ze schreef in het donker.
Wanhoop schonk woorden,
zwaar als de staart van een komeet.

Ze schreef in het donker,
in een stilte die slechts onderbroken werd
door het zuchten van de klok.

Zelfs de letters werden slaperig –
hun kopjes hingen op ‘t papier.

Het donker schreef
door een rijpere vrouw
met uitbundige pen.

Nacht omgaf haar met meelij;
het gevang van de grauwe ochtend
daagde over de stad,
in zachtrode tinten.

Terwijl ze wegdoezelde
ontwaakten de merels,
en het verdriet bleef, niets
onderbrak toen het lied.


Engelse vertaling van Clare Cavanagh

She Wrote in Darkness
[From Three Angels, Adam Zagajewski, Wydawnictwo Literakie, Krakow, 1998]

To Ryszard Krynicki

             While living in Stockholm Nelly Sachs
             worked at night by a dim lamp,
             so as not to waken her sick mother.

She wrote in darkness.
Despair dictated words
heavy as a comet’s tail.

She wrote in darkness,
in silence broken only
by the wall clock’s sighs.

Even the letters grew drowsy,
their heads drooping on the paper.

Darkness wrote,
having taken this middle-aged woman
for its fountain pen.

Night took pity on her,
morning’s gray prison
rose over the city,
rosy-fingered dawn.

While she dozed off
the blackbirds woke
and there was no break
in the sorrow and song.

Mystiek voor beginners – Adam Zagajewski

Adam Zagajewski (1945-2021) is een Poolse dichter, vertaler, essayist en romanschrijver. Hij werd geboren in Lviv, wat nu in Oekraïne ligt. In zijn tijd was het nog Polen. Het is wel veelzeggend en treurig dat er geen Nederlands Wikipedia-artikel van hem bestaat.

Zagajewski behoort tot een uitzonderlijke generatie Poolse dichters waartoe ook Czesław MiłoszZbigniew Herbert (1924-1998), Wisława Szymborska (1923-2012), Tadeusz Różewicz (1921-2014) behoorden. Wat me treft bij Zagajewski is het besef dat gruwel en vreugde onlosmakelijk verbonden zijn, dat ze samen ons leven uitmaken.

Een heel mooi interview met Zagajewski verscheen in De Groene op 17 april 2019: Bezing het verminkte continent – een verwijzing – een citaat zelfs – naar zijn beroemdste gedicht. Interviewer is de schrijver Jan Postma.

Ik citeer graag een stukje uit het gesprek dat jan Postma met hem voerde:

Enfin, ik heb ook dit gedicht van Zagajewski (net als het vorige) vertaald zonder Pools te beheersen. Ik heb het origineel gebruikt om vormkenmerken te achterhalen, ik heb een machinevertaling (DeepL) gebruikt om te zien wat het Poolse origineel betekende, en ik heb de Engelse vertaling van Clare Cavanagh gebruikt om te controleren dat ik mij niet volkomen zou vergissen.

Het originele Poolse gedicht heb ik gevonden met hulp van Jan Prygoda (Twitter/X). Het staat op deze rijke Portugese website: De culturele tempel van Delphi: Adam Zagajewski – poeta, romancista, ensaísta e tradutor polonês.

Het hier vertaalde gedicht is ook het titelgedicht van een dichtbundel. De dichter zag toevallig een boektitel op een terras bij een lezende Duitse man. Deze titel die een beetje goedkoop klinkt – er had bijna ‘Mystiek voor dummies’ kunnen staan – zet niettemin een trein van herinneringen in beweging die eindigt met de verrassende conclusie dat al die herinneringen in wezen worden samengevat met de boektitel die ook de titel is van het gedicht.

Het Poolse woord ‘prolegomena’ – inleidende opmerkingen – is een vrij ongewoon woord dat je bij wijze van spreken alleen bij Kant en Schopenhauer aantreft. Dat is ook in het Nederlands zo. Ik heb het daarom letterlijk overgenomen. Met dank aan de polonist Arent van Nieukerken.

Het Poolse woord ‘jaskółki’ heb ik niet met ‘zwaluwen’ maar met ‘gierzwaluwen’ vertaald. Zwaluwen kwetteren vooral. Door de straten jagende vogels die sprekend op zwaluwen lijken (maar het niet zijn) en die een luid, schril geluid maken zijn gierzwaluwen (die ook daadwerkelijk in Montepulciano voorkomen).


Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

Mystiek voor beginners

De dag was lieflijk, het licht aangenaam.
Op het terras zat een Duitse man
met een klein boekje op schoot.
Ik kon de titel zien:
Mystiek voor beginners.
Plotseling begreep ik dat de gierzwaluwen
die met hun schrille roep patrouilleerden
door de straten van Montepulciano,
en de gedempte gesprekken van schuwe reizigers
uit Oost-Europa, vaak Centraal-Europa genoemd,
en de witte reigers die stapten – gisteren, eergisteren? –
als nonnen door de rijstvelden,
en de schemering die langzaam maar zeker
de silhouetten van middeleeuwse huisjes wegvaagde,
en de olijfbomen op de lage hellingen,
die overgeleverd waren aan hitte en wind,
en het gelaat van de Onbekende Prinses
dat ik gezien en bewonderd had in het Louvre,
en gebrandschilderde ramen als vleugels van vlinders,
bestrooid met het stuifmeel van bloemen,
en de kleine nachtegaal die zijn lied reciteerde
vlak naast de snelweg,
en dat elke reis, al die reizen,
slechts opmaat zijn, mystiek voor beginners,
de inleidende cursus, de prolegomena
van een toets die wordt uitgesteld
tot later.


Origineel


Engelse vertaling van Clare Cavanagh

Mysticism for Beginners

The day was mild, the light was generous.
The German on the café terrace
held a small book on his lap.
I caught sight of the title:
Mysticism for Beginners.
Suddenly I understood that the swallows
patrolling the streets of Montepulciano
with their shrill whistles,
and the hushed talk of timid travelers
from Eastern, so-called Central Europe,
and the white herons standing—yesterday? the day before?—
like nuns in fields of rice,
and the dusk, slow and systematic,
erasing the outlines of medieval houses,
and olive trees on little hills,
abandoned to the wind and heat,
and the head of the Unknown Princess
that I saw and admired in the Louvre,
and stained-glass windows like butterfly wings
sprinkled with pollen,
and the little nightingale practicing
its speech beside the highway,
and any journey, any kind of trip,
are only mysticism for beginners,
the elementary course, prelude
to a test that’s been
postponed.

Prijs als je kunt deze kreupele wereld – Adam Zagajewski

Als hovaardige student had ik er aardigheid in om te zeggen dat de hel reëler is dan de hemel, dat de kunstenaars van alle tijden en plaatsen meer ruimte boden aan gruwel dan aan vreugde, dat de aarde een afschuwelijk tranendal is. De meeste mensen vinden het niet fijn om dat te horen, en daarom vond ik het leuk om dat te zeggen.

Misschien is het goed om er iets aan toe te voegen (ik ben net zestig geworden): gruwel en vreugde bestaan allebei. Ik word ontroerd door schoonheid, door kleine gebaren van mensen die ik liefheb en hoog acht, door mijn schoonvader die in het verzorgingshuis naar ons zwaait als we vertrekken, ook al vergeet hij bijna alles, ook al doet hij bij het klimmen van de jaren steeds meer dingen onhandig of ronduit fout. Ook liefde bestaat.

Wat me treft bij de Poolse dichter Adam Zagajewski (1945-2021) is het besef dat gruwel en vreugde onlosmakelijk verbonden zijn, dat ze samen ons leven uitmaken.

Een heel mooi interview met Zagajewski verscheen in De Groene op 17 april 2019: Bezing het verminkte continent – een verwijzing – een citaat zelfs – naar zijn beroemdste gedicht. Interviewer is de schrijver Jan Postma. Het citaat is genomen uit het beroemde gedicht waarvan ik hieronder een vertaling publiceer. Het werd eerder vertaald door de goede vertaler Gerard Rasch – maar diens vertaling heb ik niet onder ogen gehad (afgezien van de regels die Postma citeert). Op de vondst van Rasch ‘het zoute niets’ ben ik jaloers, maar ik wilde die om voor de hand liggende redenen niet gebruiken.

Zagajewski behoort tot een uitzonderlijke generatie Poolse dichters waartoe ook Czesław MiłoszZbigniew Herbert (1924-1998), Wisława Szymborska (1923-2012), Tadeusz Różewicz (1921-2014) behoorden.

Zagajewski is een Poolse dichter, vertaler, essayist en romanschrijver. Hij werd geboren in Lviv, wat nu in Oekraïne ligt. In zijn tijd was het nog Polen. Het is wel veelzeggend en treurig dat er geen Nederlands Wikipedia-artikel van hem bestaat.

Ik citeer graag een stukje uit het gesprek dat jan Postma met hem voerde:

Enfin, ik heb ook dit gedicht van Zagajewski (net als het vorige) vertaald zonder Pools te beheersen. Ik heb het origineel gebruikt om vormkenmerken te achterhalen, ik heb een machinevertaling (DeepL) gebruikt om te zien wat het Poolse origineel betekende, en ik heb de Engelse vertaling van Clare Cavanagh gebruikt om te controleren dat ik mij niet volkomen zou vergissen.

Het originele Poolse gedicht heb ik gevonden met hulp van Jan Prygoda (Twitter/X). Het staat op deze rijke Portugese website: De culturele tempel van Delphi: Adam Zagajewski – poeta, romancista, ensaísta e tradutor polonês.

In dit gedicht wordt een wereld beschreven die verre van volmaakt is – kreupel, verminkt. Maar ook de mooie momenten bestaan. En het licht dat steeds terugkeert, en dat jou in staat stelt te zien.


Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

Prijs als je kunt deze kreupele wereld

Prijs als je kunt deze kreupele wereld.
Denk terug aan die lange dagen in juni,
aan wilde aardbeien, slokjes rosé.
De brandnetels die stelselmatig
de lege huisjes van de ballingen begroeien.
Prijs dan deze kreupele wereld.
Je zag sierlijke zeiljachten en schepen;
één zeilde er af voor een lange reis,
een ander voor een zilte vergetelheid.
Je zag radeloze vluchtelingen,
beulen die vrolijke liederen zongen.
Kom, prijs deze kreupele wereld.
Denk aan de momenten dat we samen waren
in een witte kamer met wuivende gordijnen.
Haal terug dat concert met onstuimige muziek.
In de herfst verzamelde je eikels in het park,
bladeren dwarrelden over de littekens van de aarde.
Prijs deze kreupele wereld,
het grauwe veertje dat een lijster verloor,
het zachte licht dat ronddwaalt en verdwijnt
en terugkeert.


Origineel


Engelse vertaling van Clare Cavanagh

Try to Praise the Mutilated World

Try to praise the mutilated world.
Remember June’s long days,
and wild strawberries, drops of rosé wine.
The nettles that methodically overgrow
the abandoned homesteads of exiles.
You must praise the mutilated world.
You watched the stylish yachts and ships;
one of them had a long trip ahead of it,
while salty oblivion awaited others.
You’ve seen the refugees going nowhere,
you’ve heard the executioners sing joyfully.
You should praise the mutilated world.
Remember the moments when we were together
in a white room and the curtain fluttered.
Return in thought to the concert where music flared.
You gathered acorns in the park in autumn
and leaves eddied over the earth’s scars.
Praise the mutilated world
and the gray feather a thrush lost,
and the gentle light that strays and vanishes
and returns.

Transformatie – Adam Zagajewski

Ik leef al een poosje met de Poolse schrijver en dichter Adam Zagajewski (1945-2021). Een heel mooi interview met hem verscheen in De Groene op 17 april 2019: Bezing het verminkte continent – een verwijzing – een citaat zelfs – naar zijn beroemdste gedicht. Interviewer is de schrijver Jan Postma.

Zagajewski behoort tot een uitzonderlijke generatie Poolse dichters waartoe ook Czesław Miłosz, Zbigniew Herbert (1924-1998), Wisława Szymborska (1923-2012), Tadeusz Różewicz (1921-2014) behoorden.

Zagajewski is een Poolse dichter, vertaler, essayist en romanschrijver. Hij werd geboren in Lviv, wat nu in Oekraïne ligt. In zijn tijd was het nog Polen. Het is wel veelzeggend en treurig dat er geen Nederlands Wikipedia-artikel van hem bestaat.

Ik citeer graag een stukje uit het gesprek dat jan Postma met hem voerde:

Enfin, ik heb een gedicht van Zagajewski vertaald zonder Pools te beheersen. Ik heb het origineel gebruikt om vormkenmerken te achterhalen, ik heb een machinevertaling (DeepL) gebruikt om te zien wat het Poolse origineel betekende, en ik heb de Engelse vertaling van Clare Cavanagh gebruikt om te controleren dat ik mij niet volkomen zou vergissen.

Het gedicht beschrijft heel gewone, kalme dingen, maar je voelt aan alles dat er een grote onderhuidse spanning is: zonsondergang, rood, vogels die gaan zwijgen, de nacht die verstomt, zonnenbloemen die aan de galg lijken te hangen, stof, hagedissen die beschutting zoeken. Die spanning bouwt op tot wat gerust een apotheose kan worden genoemd: drie versregels, drie woorden, ‘jou’.

Dat slotwoordje ‘jou’ kan uiteraard betrekking hebben op de liefde. Het ontleent zijn dramatische kracht mede aan die associatie. Maar toch ligt het erg voor de hand om – gegeven de openingsregels ‘Ik schreef maandenlang / geen enkel gedicht’ – ook aan een periode van poëtische droogte te denken, een ‘writers block’, een toestand die eindigt met de totstandkoming van dit gedicht. Het is een bevrijding uit de tobberijen over macht en angst en dood en kleine dingen die onbeduidend schijnen. Al die dingen blijken toch heel goed bruikbaar te zijn, getransformeerd te kunnen worden tot betekenisvolle elementen van een gedicht. En daarmee verwijst dat woordje ‘jou’ vooral ook naar het gedicht dat u straks onder ogen krijgt (of reeds gelezen hebt). Om die reden heb ik het woord ‘transformation’, dat ik aanvankelijk vertaald had met ‘alles anders’, alsnog (28-3-2025 – onder dank aan een gesprekspartner uit mijn naaste omgeving) vertaald met ‘transformatie’. En uiteraard heb ik daarmee ook de titel van de vertaling gewijzigd in ‘Transformatie’.

Het originele Poolse gedicht heb ik gevonden met hulp van Jan Prygoda (Twitter/X). Het staat op deze rijke Portugese website: De culturele tempel van Delphi: Adam Zagajewski – poeta, romancista, ensaísta e tradutor polonês.


Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

Transformatie

Ik schreef maandenlang
geen enkel gedicht.
Ik leefde eenvoudig, las de krant,
overdacht het raadsel van de macht,
het waarom van gehoorzaamheid.
Ik keek naar de ondergaande zon
(scharlakenrood, vervuld van angst);
ik hoorde vogels die stil werden,
en de nacht die verstomde.
Ik zag zonnebloemen in de schemer
met hangende hoofden, alsof een achteloze beul
zijn gang door de tuinen had gemaakt.
Zacht septemberstof verzamelde zich
op vensterbanken, en hagedissen
kropen weg in spleten van muren.
Ik maakte lange wandelingen,
hunkerend naar slechts één ding:
bliksem,
transformatie,
jou.


Origineel


Engelse vertaling van Clare Cavanagh

Transformation

I haven’t written a single poem
in months.
I’ve lived humbly, reading the paper,
pondering the riddle of power
and the reasons for obedience.
I’ve watched sunsets
(crimson, anxious),
I’ve heard the birds grow quiet
and night’s muteness.
I’ve seen sunflowers dangling
their heads at dusk, as if a careless hangman
had gone strolling through the gardens.
September’s sweet dust gathered
on the windowsill and lizards
hid in the bends of walls.
I’ve taken long walks,
craving one thing only:
lightning,
transformation,
you.

Regen, oudejaarsavond – Maggie Smith

Op het sociale medium BlueSky werd ik op 31 december 2024 via Jacobine SDJ attent gemaakt op een gedicht van Maggie Smith: Rain, New Year’s Eve. Jacobine had me daarvoor ook al geattendeerd op Maggie Smith’s Good BonesEen prima skelet – waarvan ik gisteren al een vertaling had geplaatst.

Maggie Smith (1977-) is een Amerikaanse dichter, schrijver en redacteur. (Er was ook een beroemde Britse actrice met die naam, maar die is in 2024 overleden.)

Smith werd in 1977 geboren in Columbus, Ohio, en studeerde af met een Master in Fine Arts aan Ohio State University. Ze is freelance redacteur, docent en schrijver. Ze heeft drie poëziebundels gepubliceerd, een paar ‘chapbooks’, een essaybundel en een ‘memoir’ – wat in dit geval zeggen wil een boek waarin ze de scheiding met haar voormalige echtgenoot en de vader van haar twee kinderen beschrijft en verwerkt. De titel van dat laatste boek luidt: You Could Make This Place Beautiful, wat de slotzin is van haar beroemdste gedicht Good Bones. Ze ontving een groot aantal prijzen voor haar creatieve werk.

Het vertaalde gedicht – Rain, New Year’s Eve – is een moedergedicht in de edelste zin van dat woord. De hoofdpersoon probeert van de wereld te houden, zoals ze van haar soms woeste, soms lieve, soms vieze zoontje houdt, ook als de wereld haar teleurstelt, ook als die wereld koud en druilerig is, zoals zo vaak bij een jaarwisseling.

Het gedicht is opgebouwd uit tweeregelige strofen zonder rijm, met een mooi ritme en een fraaie slotstrofe die verwijst naar de openingsstrofe.

Ik heb het gedicht overgenomen van BlueSky – Maggie Smith postte het zelf op 31 december 2024, met de volgende toelichting:

It’s NYE & raining here. I wrote this poem in 2013, so the five-year-old is now sixteen.

Even when it’s hard to love the world unconditionally, and it’s never not hard, here’s to imagining what might be possible and what we can make so.

Love from here on a rainy Tuesday.


Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

Regen, oudejaarsavond

De regen is een kapotte piano
die dezelfde noot speelt – steeds, steeds weer.

Dat zei mijn kind van vijf.
Nu al weet ze dat houden van de wereld

betekent van gewiebel houden
waar niks tegen helpt, geknars dat je niet kunt

weg-oliën – de stukken aan elkaar geflanst
met touw en kauwgom als in MacGyver.

Laat me houden van die koude regentokkel.
Laat me houden van de wereld, zoals ik hou

van m’n zoontje, en niet alleen als hij
m’n wangen vasthoudt met plakhanden,

maar ook als hij, in het rond rauzend,
per ongeluk mijn lip laat bloeden.

Laat me van de wereld houden als een moeder.
Laat me zacht zijn als die me teleurstelt.

Laat me luisteren naar die ene regen-noot,
en daarin een beginnersliedje horen.


Origineel

Rain, New Year’s Eve

The rain is a broken piano,
playing the same note over and over.

My five-year-old said that.
Already she knows loving the world

means loving the wobbles
you can’t shim, the creaks you can’t

oil silent—the jerry-rigged parts,
MacGyvered with twine and chewing gum.

Let me love the cold rain’s plinking.
Let me love the world the way I love

my young son, not only when
he cups my face in his sticky hands,

but when, roughhousing,
he accidentally splits my lip.

Let me love the world like a mother.
Let me be tender when it lets me down.

Let me listen to the rain’s one note
and hear a beginner’s song.

Een prima skelet – Maggie Smith

Op het sociale medium BlueSky werd ik op 31 december 2024 via Jacobine SDJ attent gemaakt op een gedicht van Maggie Smith: Good Bones.

Jacobine SDJ – de afkorting SDJ in de accountnaam vind ik heel leuk gevonden: SDJ slaat zowel op Jacobines achternaam als op het ambt dat ze bekleed – vond het een heel mooi gedicht en ze had zelf ook een fraaie vertaling gemaakt (de hyperlink is alleen te gebruiken als je beschikt over een aangemeld BlueSky-account). Ik heb er vervolgens ook mijn best op gedaan. Ik heb bij mijn hier gepubliceerde vertaling ook geprofiteerd van een paar opmerkingen die Jacobine SDJ had gemaakt n.a.v. een eerste vertaalpoging – waarvoor dank!

Maggie Smith (1977-) is een Amerikaanse dichter, schrijver en redacteur. (Er was ook een beroemde Britse actrice met die naam, maar die is in 2024 overleden.)

Smith werd in 1977 geboren in Columbus, Ohio, en studeerde af met een Master in Fine Arts aan Ohio State University. Ze is freelance redacteur, docent en schrijver. Ze heeft drie poëziebundels gepubliceerd, een paar ‘chapbooks’, een essaybundel en een ‘memoir’ – wat in dit geval zeggen wil een boek waarin ze de scheiding met haar voormalige echtgenoot en de vader van haar twee kinderen beschrijft en verwerkt. De titel van dat laatste boek luidt: You Could Make This Place Beautiful, wat de ironische slotzin is van het gedicht dat ik hier heb vertaald, maar wat zeker ook kan opgevat als een uitdrukking van verlangen – voor zichzelf en voor haar kinderen. Ze ontving een groot aantal prijzen voor haar creatieve werk.

Het vertaalde gedicht – Good Bones – schreef Smith in 2016, en het ging destijds ‘viral’ zoals dat heet – meer dan een miljoen mensen hebben het via sociale mediakanalen gelezen. Het is een gedicht dat een wat minder rooskleurig beeld van het leven schetst – het leven duurt maar kort en de wereld kent veel narigheid. Maar je kunt het leven ook op duizend heerlijke en dwaze manieren leiden, al maak je het daarmee wel korter.

Het vers eindigt met zelfspot: de hoofdpersoon probeert haar kinderen enthousiast te maken voor het leven en de wereld, maar daarvoor gebruikt ze het voorbeeld van een makelaar die een bouwval met rooskleurige praatjes hoopt te verkopen. ‘Een prima skelet’ verwijst naar het leven dat maar zo kort is, en natuurlijk ook naar het geronk van de makelaar die erop wijst dat het geraamte van de bouwval prima in orde is.

En toch, en toch – we moeten allemaal wat van ons leven zien te maken. De truc van het gedicht is dat ruim de helft van het leven uit narigheid bestaat – en wat minder dan de helft uit iets anders, misschien zelfs iets moois. Maar het moois blijft heel abstract, en de narigheid wordt met zeer concrete beelden beschreven. De slotregels klinken vervolgens positief, en ze zijn ook positief, maar ze komen rechtstreeks voort uit de narigheid van ronkende makelaarspraatjes.

Good Bones is ook de titel van één van Maggie Smith’s dichtbundels.

Het gedicht heeft geen of weinig rijm, is opgetrokken uit herhalingen, en het kent een fraaie opbouw met een verrassend slotakkoord.

Hier vindt u het gedicht op de website van Poetry Foundation.

En dit is haar eigen website.

PS Gebruiker Navifax wees mij erop (BlueSky) dat de slotzinnen niet alleen – of zelfs niet in de eerste plaats – ironisch te lezen zijn, maar dat het eerder gaat om iets ‘dat grenst aan een smeekbede’. De ironie lijkt me onmiskenbaar, maar ik begrijp toch wel wat ze bedoelt. Ik heb twee keer ‘een mooi plekje’ vervangen door ‘iets moois’. Onder dank!


Geluidsopname:

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

Een prima skelet

Leven is kort, al houd ik dit stil voor m’n kinderen.
Leven is kort – en ‘k heb het mijne korter gemaakt
op wel duizend heerlijke, dwaze manieren,
wel duizend, heerlijk-dwaze manieren
die ik stil houd voor m’n kinderen. De wereld is zeker
voor vijftig procent narigheid – conservatieve
schatting – al houd ik dit stil voor mijn kinderen.
Naast elke vogel, wordt een steen gegooid naar een vogel.
Naast elk geliefd kind, een kind verscheurd, in een zak gestopt,
in een meer gegooid. Leven is kort en de wereld
is zeker voor de helft narigheid, en naast elke lieve
vreemdeling, is er één die jou wil verscheuren,
al houd ik dit stil voor mijn kinderen. Ik probeer ze
de wereld aan te prijzen. Elke keurige makelaar
die jou door een stinkend krot geleidt, kakelt over
een prima skelet: Dit kan iets moois worden,
nietwaar? Jij kunt hier iets moois van maken.


Origineel

Good Bones

Life is short, though I keep this from my children.
Life is short, and I’ve shortened mine
in a thousand delicious, ill-advised ways,
a thousand deliciously ill-advised ways
I’ll keep from my children. The world is at least
fifty percent terrible, and that’s a conservative
estimate, though I keep this from my children.
For every bird there is a stone thrown at a bird.
For every loved child, a child broken, bagged,
sunk in a lake. Life is short and the world
is at least half terrible, and for every kind
stranger, there is one who would break you,
though I keep this from my children. I am trying
to sell them the world. Any decent realtor,
walking you through a real shithole, chirps on
about good bones: This place could be beautiful,
right? You could make this place beautiful.

De vloek van de man die de kleine visjes kon zien op de bodem van de oceaan – Simon Leys

Ten geleide
In de New York Review of Books, het nummer van 22 juli 1989, schreef de sinoloog en intellectueel Simon Leys, pseudoniem van Pierre Ryckmans (1935-2014), een stuk op verzoek.

Nadat het studentenprotest op het Tiananmenplein in Beijing – in Nederland ook bekend als Het Plein van de Hemelse Vrede – bloedig was neergeslagen, vroeg men hem hoe het toch kwam dat hij – samen met een paar anderen – het communistische bewind van Mao Zedong tot Deng Xiaoping vaak zo accuraat had beschreven en ingeschat, terwijl er zo veel grote geleerden, kunstenaars en belangrijke schrijvers daarover de grootste onzin hadden verkondigd.

Leys’ antwoord op die vraag is het stuk waarvan hierna de vertaling volgt. Het is een typerend Leys-stuk waarin hij tegelijk bescheiden, ironisch en scherp is. En hij bedient zich – zoals zo vaak – van verhelderende voorstellingen en parabels.

Leys schreef het mooiste, scherpste en waarachtigste proza dat er na de Tweede Wereldoorlog geschreven is. Hij heeft meer gedaan dan wie ook om een eind te maken aan de westerse gevoeligheid (die ongeveer duurde van 1960-1985) voor de totalitaire, communistische verleiding.

Pierre Ryckmans II (door: Mathew Lynn)

Zijn bekendste werk, essays die een démasqué van het Chinese communisme behelzen, schreef hij onder het pseudoniem Simon Leys: Les habits neufs du président Mao (De nieuwe kleren van Voorzitter Mao), in 1971, en Ombres Chinoises (Chinese schimmen), in 1974.

Hij gaf met zijn boek Chinese schimmen een krachtige impuls aan wat bekend staat als ‘Het China-debat’, een debat over de waarde van de maoïstische revolutie voor China en de wereld, waaraan in Nederland onder anderen W.F. WertheimRudy KousbroekRenate RubinsteinAnja Meulenbelt en Martin van Amerongen meededen. Hij schreef zijn enige roman La mort de Napoléon (De dood van Napoleon) in 1986. Hij publiceerde de door hem vertaalde Analects of Confucius (Uitspraken van Confucius) in 1997. Zijn mooiste en veelzijdigste essaybundel is misschien wel zijn laatste: The Hall of Uselessness, uit 2011. Hij was een bewonderaar van G.K. ChestertonEmile CioranC.S. Lewis en George Orwell. Hij ontving belangrijke prijzen in het Franse en Engelse taalgebied.

Ter nadere introductie van de Simon Leys, verwijs ik naar dit korte stukje op deze website.

Het Engelse origineel van het vertaalde stuk op de website van de NYRB vindt u hier.

Het artikel is opgenomen in Leys’ essaybundel The Hall of Uselessness: Collected Essays, New York: New York Review of Books 2011, p.403-407


De vloek van de man die de kleine visjes kon zien op de bodem van de oceaan

Simon Leys
The New York Review of Books
Gepubliceerd: 20 juli 1989; gedateerd: 22 juni 1989

Voor Hanfang [1]

Sinds de moordpartijen in Beijing[2] is de vraag al een paar keer onbewimpeld aan mij gesteld: “Waarom zaten de meeste opinieleiders er zo voortdurend naast als ze over China spraken? Wat maakte dat u en nog een paar andere commentatoren in staat waren om de dingen te zien zoals ze werkelijk waren, en waarom luisterde er bijna nooit iemand naar u?”

In eerste instantie heb ik alle uitnodigingen om te schrijven over dit thema afgeslagen. Het idee om bovenop een berg Chinese dode lichamen te gaan staan – als een kip die zojuist een ei heeft gelegd – en triomfantelijk te kakelen: “Ik heb het jullie toch gezegd! Ik heb het jullie toch gezegd!”, is niet bepaald aantrekkelijk. Bovendien is er voor het eerst in vele decennia een opmerkelijke en roerende eensgezindheid ontstaan met betrekking tot China; dit zou ons nog iets van troost kunnen schenken – feitelijk is dat het enige waaraan je nog wat moed kunt ontlenen gegeven de huidige nachtmerrie. Met een dergelijke eensgezindheid zou het zelfs mogelijk moeten zijn om nog wat positieve invloed uit te oefenen op de publieke opinie, en vervolgens ook op onze politici. Het is nu dus zeker niet het moment om oude rekeningen te vereffenen of oude polemieken nieuw leven in te blazen. En een goede gelegenheid voor zo’n minne strafexpeditie is er eigenlijk nooit: wanneer het uiteindelijk om de waarheid gaat, kun je niet spreken van laatkomers, en we weten uit het Evangelie dat de arbeiders die pas aan het eind van de middag komen, recht hebben op dezelfde beloning als degenen die al sinds de vroege morgen in de wijngaard hebben gewerkt.

Als we het echter vanuit een meer universele en filosofische invalshoek bekijken, zou één vraag echt boven moeten komen drijven: hoe en waarom proberen we onszelf meestal tegen de waarheid in bescherming te nemen?

Het zou bijvoorbeeld hoogst unfair zijn om te vragen: ‘Waarom deden Shirley MacLaine [geb. 1934 – ze leeft nog, AS] of professor Fairbank [John King Fairbank (1907-1991), AS] hun beruchte uitspraken over China?’ (Men zal zich vast herinneren dat in een tijd waarin China was weggezonken in een afgrond van ellende, onderdrukking en terreur, de eminente Harvard-historicus schreef: “De maoïstische revolutie is, over het geheel genomen, het beste wat het Chinese volk in vele eeuwen is overkomen.”) Een relevantere vraag zou zijn: ‘Waarom zijn we altijd weer bereid om Shirley MacLaine en professor Fairbank met zo veel intellectueel en moreel gezag te bekleden?’ Want uiteindelijk is het enige gezag waarop zij kunnen bogen, het gezag dat wij hun toekennen.

Wat mensen geloven is in wezen wat ze willen geloven. Ze cultiveren illusies uit idealisme – en ook uit cynisme. Ze volgen hun eigen toekomstdromen omdat dit hun religieuze verlangens bevredigt, maar ook uit opportunisme. Ze zoeken overtuigingen die hun ziel kunnen verheffen en die hun maag kunnen vullen. Ze geloven uit generositeit en ook omdat het hun belangen dient. Ze geloven omdat ze dom zijn, maar ook omdat ze slim zijn. Simpel gezegd: ze geloven om te overleven. En omdat ze moeten overleven, zouden ze soms met genoegen iedereen vermoorden die de botheid, wreedheid en onmenselijkheid heeft om de leugens waarop hun bestaan is gebaseerd niet te accepteren.

Als ik te horen krijg dat ik het altijd bij het rechte eind had met betrekking tot communistisch China, kan zo’n compliment (want het is meestal bedoeld als compliment) mijn ijdelheid nauwelijks strelen; sterker nog, het dwingt me om de redenen waarom ik mijn betrekkelijk solitaire standpunt innam opnieuw te onderzoeken, en de resultaten van zo’n onderzoek geven me weinig reden tot zelfvoldaanheid en nog minder reden om optimistisch te zijn over de toekomst. Wat mijzelf betreft, ik kon mijn lot al vele jaren geleden voorzien; het stond in duidelijk schrift te lezen op de wand (en ironisch genoeg vast niet in het Chinees).[3]

Laten we onszelf niet voor de gek houden. De feiten die ik de afgelopen twintig jaar heb beschreven waren misschien onsmakelijk en onverteerbaar – ze waren ook algemeen bekend. Je kon ze moeiteloos verzamelen – je hoefde er niet naar te zoeken, ze bleven maar op je afkomen; de evidentie was zo helder en direct als een klap voor je kop. Mijn eerste kennismaking met de politieke praktijk van het communisme was in 1967 in Hong Kong, toen ik voor mijn deur het stervende lichaam van een moedige Chinese journalist aantrof – enkele seconden nadat hij op gruwelijke wijze was verminkt door communistische boeven. Na die eerste elementaire kennismaking met de communistische politiek was de rest eenvoudig genoeg. De volgende jaren luisterde ik alleen naar de gesprekken van een paar Chinese vrienden en las ik elke dag bij het ontbijt een paar Chinese kranten. Deze bescheiden intellectuele toerusting stelde me uiteindelijk in staat om vier boeken te schrijven over de Chinese actualiteit[4], boeken die blijkbaar vrij degelijk en betrouwbaar waren, aangezien hun inhoud is bevestigd door latere historische ontwikkelingen en door de talloze ondubbelzinnige getuigenissen van Chinese ooggetuigen.

Toch durf ik te beweren dat het niet mogelijk is om in deze vier boeken – ook al werden ze een tijdlang als schokkend, schandalig en ketters beschouwd – één enkele eye-opener, één bijzondere voorstelling van zaken of ook maar één geheel eigen idee aan te treffen. Vanaf het allereerste begin vertaalde en transcribeerde ik slechts stof die destijds elke redelijk geïnformeerde Chinese intellectueel simpelweg zou hebben beschouwd als een kwestie van gezond verstand en van open deuren – tragisch, dat wel, maar ook volkomen banaal. De enige technische vaardigheid die nodig was voor deze taak – een vaardigheid die nauwelijks als bijzonder kan gelden, aangezien die door meer dan een miljard mensen op aarde wordt gedeeld – was een goede kennis van de Chinese taal. In zekere zin werd ik met mijn bescheiden transcripties uiteindelijk de Bouvard en Pécuchet van de Chinese politiek.[5]

Het lijkt zeer toepasselijk om hier het beeld op te roepen van Flauberts ijverige en serieuze dwazen. Als een man met een gemiddelde intelligentie (wiens moed helaas ver onder het gemiddelde ligt) inderdaad in staat was om een taak uit te voeren die de meeste van zijn even goed geïnformeerde en veel slimmere collega’s nooit op zich zouden willen nemen, is het vrij duidelijk dat hiervoor, naast de basisvoorwaarde van de taalbeheersing die ik zojuist heb genoemd, slechts één kwalificatie echt nodig was: een onalledaagse mate van dwaasheid.

Onder primitieve stammen genieten idioten en gekken een bijzonder respect en hebben ze bepaalde privileges. Omdat hun toestand hen bevrijdt van de normale beperkingen die gelden voor behoedzaamheid en wijsheid, kan het alleen aan hen toegestaan worden om de waarheid te spreken – een activiteit die vanzelfsprekend niet getolereerd wordt bij iemand die mentaal gezond is. Want de waarheid is van nature lelijk, primitief en wreed; ze verstoort, maakt bang, doet pijn en doodt. Als zij in sommige extreme situaties al toegepast moet worden, dan alleen in kleine doses, in strikte afzondering en met de meest rigoureuze profylactische voorzorgsmaatregelen. Wie bereid zou zijn om haar in het wilde weg te verspreiden, of om haar in grote hoeveelheden over ons uit te storten, zomaar zoals het komt, is een levensgevaarlijk en onverantwoordelijk persoon die aan banden gelegd moet worden in het belang van zijn eigen veiligheid, maar ook ter bescherming van de sociale samenhang.

In het boek Liezi (derde eeuw v.Chr.)[6] staat een parabel over een man die door een bijzonder talent dieven op het eerste gezicht kon herkennen: hij hoefde alleen maar naar een bepaalde plek tussen oog en voorhoofd te kijken en hij kon meteen zien of iemand een dief was. De koning besloot natuurlijk om hem een positie te geven bij het Ministerie van Justitie, maar voordat de man zijn benoeming kon aannemen, sloegen alle dieven van het koninkrijk de handen ineen en lieten hem vermoorden. Om deze reden werden mensen met een helder inzicht over het algemeen beschouwd als kreupelen op wie de doem rustte dat ze slecht aan hun einde zouden komen; dit verschijnsel noemt men in het Chinees ook wel: “De vloek van de man die de kleine visjes kon zien op de bodem van de oceaan”.

Maar soms, zoals we zojuist in Peking hebben gezien, wordt de waarheid ontketend. En zoals een rivier die buiten haar oevers treedt met geweld onze verdedigingsmechanismen onschadelijk maakt, breekt ze zich ongecontroleerd baan in onze levens, overstroomt ze onze gemoedelijke huizen en laat ze, zodat iedereen het zien kan, op hoge plaatsen midden op de straat de vissen achter die daarvoor in de diepte hadden geleefd.

Zulke vloedgolven kunnen erg beangstigend zijn; gelukkig zijn ze relatief zeldzaam en duren ze niet lang. Vroeg of laat trekt het water zich terug. Meestal gaan dappere ingenieurs meteen aan de slag en beginnen ze met het opnieuw aanleggen van de dijken. De laatste pogingen van de communistische propagandaorganen om te verklaren dat “er eigenlijk niemand gestorven is op het Plein van de Hemelse Vrede” getuigen misschien van een ietwat overdreven ijver (het doet denken aan de goede zielen die, ongetwijfeld om ons geloof in de menselijke natuur gauw weer te herstellen, volhielden dat gas in Auschwitz alleen werd gebruikt om luizen te doden), maar als we ze genoeg tijd geven, zullen ze er met hun zegenrijke activiteiten te zijner tijd zeker in slagen om de wonden te helen die het rauwe dumpen van de ongepolijste en niet-omzwachtelde waarheid heeft toegebracht aan onze gevoeligheden.

ls het niet zo dat de meesten van ons al snel een discrete blik op hun horloges werpen tijdens de ceremoniële ‘minuut stilte’ die soms in acht wordt genomen? Hoe lang moet een ‘fatsoenlijke pauze’ eigenlijk precies duren voordat we weer over kunnen gaan tot de orde van de dag in onze omgang met de slagers van Beijing? De seniele en onbehouwen despoten die besloten hebben om de jeugd, de hoop en de intelligentie van China af te slachten, hebben misschien heel wat misrekeningen gemaakt, maar in één opzicht hebben ze zich niet vergist: ze hebben slim ingeschat dat onze capaciteit om verontwaardigd te blijven zeer beperkt zou zijn.

De zakenmensen, politici en academische toeristen die al koffers aan het pakken zijn voor hun volgende reis naar Beijing zijn niet per se cynisch – hoewel sommigen van hen reeds hebben aangekondigd dat het hoofddoel van hun bezoek deze keer zal zijn om naar het Plein van de Hemelse Vrede te gaan om te rouwen om de martelaren! – en ze hebben misschien zelfs een punt als ze volhouden dat ze de hervormingsgezinde tendensen in China actief versterken door opnieuw in te gaan op de uitnodiging om aan te zitten aan het banket van de moordenaars. Ik wou alleen dat ze een wat zwakkere maag hadden.

Ah menselijkheid! – Ons aller droevige bekommernis! …[7]

Voetnoten van de vertaler

[1] Het stuk is opgedragen aan Hanfang, de echtgenote van Pierre Ryckmans.

[2] Verwezen wordt naar het bloedige einde dat de Chinese machthebbers maakten aan het Tiananmenprotest in 1989. Op 4 juni van dat jaar werd het protest neergeslagen met vele honderden doden tot gevolg.

[3] Een verwijzing naar het bijbelboek Daniël (hfdst. 5) waar een hand op de muur schreef: ‘Mene mene tekel ufarsin’ – meestal vertaald als: ‘gewogen, gewogen en te licht bevonden’. Het betekende dat het einde van het Babylonische rijk was aangebroken. Ik heb ten slotte de woorden ‘in duidelijk schrift’ die niet in het origineel voorkomen toegevoegd aan de vertaling – zonder die woorden is het Nederlands in mijn ogen niet geheel duidelijk.

[4] De titels van deze vier boeken som ik hierna op. Ik noem de Engelse vertalingen. De meeste boeken verschenen eerst – of tevens – in het Frans; de eerste twee zijn ook in Nederlandse vertaling verschenen: Chinese schimmen en De nieuwe kleren van voorzitter Mao):

  • Chinese Shadows (New York: Viking Press, 1977)
  • The Chairman’s New Clothes: Mao and the Cultural Revolution (London: Allison & Busby, 1979; New York: St Martin’s Press, 1977)
  • Human Rights in China (United Daily Newspaper, 1979)
  • Broken Images: Essays on Chinese Culture and Politics (London: Allison & Busby, 1979; New York: St Martin’s Press, 1980)

[5] Bouvard et Pécuchet zijn de hoofdfiguren van de gelijknamige onvoltooide roman van Gustave Flaubert. Ze begonnen als kopiïsten, maar ze begonnen naarmate het boek vorderde steeds geestdriftiger zich in alle wetenschappen te verdiepen om toch uiteindelijk maar het wereldraadsel te kunnen oplossen. Dat blijkt vooral dwaasheid op te leveren – hun streven bleek het streven van dwazen – en ze keerden weer terug naar het aanvankelijke nederige kopiïstenarbeid, hun overschrijfwerk.

[6] De Liezi (spreek uit als [Ljeh Dz], niet als [Lie Zie]) is een taoïstische tekst, die wordt toegeschreven aan Lie Yukou, een filosoof uit de 5e eeuw v.Chr. Het boek zou in later eeuwen zijn samengesteld. (Bron: Wikipedia).

[7] Misschien een partiële verwijzing naar de uitroep van Bartleby in de novelle van Herman Melville: Bartleby the Scrivener – A Story of Wall Street (1853). De advocaat roept als hij zijn cliënt Bartleby ten slotte dood aantreft in de hof van de gevangenis: “Ah, Bartlelby!  Ah, humanity.”

Winkelvoorraad – Konstantínos Kafávis

Inleiding
Konstantínos Kafávis (1863-1933) wordt beschouwd als de grootste moderne dichter van Griekenland. Hij werd in Alexandrië geboren als negende kind van een welgesteld koopmansgezin. Hij heeft een tijdlang in Engeland gewoond, maar keerde weer terug naar Griekenland. Hij was homoseksueel en had goede, maar weinig opvallende banen.

Zijn thema is het contrast tussen intense artistieke en lichamelijke genietingen en de voorbijgaande aard van alles wat zo groots en meeslepend lijkt, maar in wezen zo vergankelijk is. Hij gebruikt daartoe scènes uit de oudheid, maar hij slaagt er altijd in door zijn onopgesmukte stijl en zijn waarachtigheid dit thema heel dichtbij de lezer te brengen. Ithaka en Alexandrië zijn voor hem metaforen voor het leven zelf. Dat in dit gedicht Ithaka een metafoor is, houdt Kafávis aanvankelijk impliciet, al maakt hij het aan het eind wel duidelijk. Het lijkt een verhaaltje, maar wie enigszins versgevoelig is, voelt de enorme intensiteit van zo’n gedicht.

Hij gebruikte oudgrieks en moderngrieks door elkaar in zijn poëzie, een eigenschap die de vertaler in de moderne Europese talen niet kan nabootsen. In zijn vroege gedichten kwam soms nog onregelmatig rijm voor, later liet hij dat steeds meer los. De versregels hebben soms een jambisch metrum, maar heel vaak houdt hij zich ook daar niet strak aan.

Het gedicht
Het gedicht beschrijft hoe een juwelier annex edelsmid zijn mooiste creaties apart houdt voor zichzelf omdat ze het beste vertegenwoordigen wat hij in huis heeft, het meest gedurfde is wat hij kon maken, het diepste vertegenwoordigen wat hij kent. Aan klanten verkoopt hij zeker wel prachtige dingen maar het kostbaarste wat hij bezit verkoopt hij niet.

Zoals bijna altijd bij Kafávis wordt met een centrale metafoor in vrij gewone woorden beschreven wat de kern is van zijn – en vaak ook onze – menselijkheid. Het mooiste wat wij hebben is verborgen, blijft in een kluis liggen, is niet te koop. Hij maakt de intensiteit van onze kern voelbaar zoals maar weinig andere dichters dat kunnen.

Ik beheers geen Grieks, en ik heb dus eigenlijk gedaan wat niet mag. Aan de hand van een drietal vertalingen, twee Nederlandse en een Engelse, heb ik een eigen vertaling gemaakt. Mijn enige verontschuldiging is dat ook vertalers van naam en faam soms gebruik maken van de vertalingen van anderen die de taal wel beheersen. De gebruikte Engelse vertaling behoort overigens tot de hoogst gewaardeerde vertalingen in het Engelse taalgebied.

In Frankrijk heeft Marguerite Yourcenar de gedichten vertaald, met hulp van iemand die het Grieks goed beheerste – zo ziet u maar.

Ik heb in dit geval een vertaalpoging gewaagd omdat ik hoopte nog iets te kunnen toevoegen: ik wilde het gedicht nog wat natuurlijker in het Nederlands laten klinken zonder de nuances uit het oog te verliezen. Maar vertalen is natuurlijk ook altijd de intiemste manier om een gedicht nabij te komen.

Ik heb gebruik gemaakt van de volgende vertalingen: (1) Vertaling Hans Warren en Mario Molegraaf; (2) Vertaling G.H. Blanken (zie bron [1]); (3) Vertaling Edmund Keeley en Philip Sherrard.

Bronnen: ik heb de volgende publicaties en websites geraadpleegd:

  1. K.P. Kafávis, Verzamelde gedichten (vert. G.H. Blanken), Amsterdam: Polak & Van Gennip 1977, dl.1, p.85
  2. Dertig gedichten Konstantinos P. Kaváfis (Vertaling Hans Warren en Mario Molengraaf), De Tweede Ronde, jrg. 4 (1983) – deze door dbnl gedigitaliseerde publicatie bevat ook het Griekse origineel
  3. Wim Hottentot Niet helemaal gespeend van Grieks’Maatstaf, Jrg. 32 (1984)
  4. W.H. Auden, Forewords and Afterwords, New York: Vintage Books 1974, p.333-444
  5. Joseph Brodsky, Less than One, New York: Farrar Strauss Giroux 1986, p.53-68
  6. Website Onassis: For the Shop – Vertaling Edmund Keeley en Philip Sherrard

Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

Winkelvoorraad

Hij wikkelde ze keurig en met zorg
in kostbare groene zijde.
Rozen van robijn, lelies in parelschikking,
violen van amethyst: ze vormen zijn beeld van schoonheid,
zijn verlangen – niet zoals hij ze zag in de natuur,
niet als in boeken. Hij zal ze in de kluis laten
als blijk van zijn durf, zijn kunstvaardigheid.
En telkens als er een klant in de winkel komt,
haalt hij andere dingen tevoorschijn – de mooiste sieraden:
armbanden, halssnoeren, kettinkjes, ringen.

Origineel

Bron: Dertig gedichten Konstantinos P. Kaváfis (Vertaling Hans Warren en Mario Molengraaf)

De gebruikte vertalingen zijn (1) Vertaling Hans Warren en Mario Molegraaf; (2) Vertaling G.H. Blanken (Verzamelde gedichten, dl.1, p.85); (3) Vertaling Edmund Keeley en Philip Sherrard.