Categorie archief: Poëzievertaling

De stad – Konstantínos Kafávis

Konstantínos Kafávis (1863-1933) wordt beschouwd als de grootste moderne dichter van Griekenland. Hij werd in Alexandrië geboren als negende kind van een welgesteld koopmansgezin. Hij heeft een tijdlang in Engeland gewoond, maar keerde weer terug naar Griekenland. Hij was homoseksueel en had goede, maar weinig opvallende banen.

Zijn thema is het contrast tussen intense artistieke en lichamelijke genietingen en de voorbijgaande aard van alles wat zo groots en meeslepend lijkt, maar in wezen zo vergankelijk is. Hij gebruikt daartoe soms scènes uit de oudheid, maar hij slaagt er altijd in door zijn onopgesmukte stijl en zijn waarachtigheid dit thema heel dichtbij de lezer te brengen.

Hij gebruikte oudgrieks en moderngrieks door elkaar in zijn poëzie, een eigenschap die de vertaler in de moderne Europese talen niet kan nabootsen. In zijn vroege gedichten kwam soms nog onregelmatig rijm voor, later liet hij dat steeds meer los. De versregels hebben soms een jambisch metrum, maar heel vaak houdt hij zich ook daar niet strak aan.

Ithaka is misschien wel het beroemdste gedicht van Kafávis. Het centrale motief van het gedicht is ontleend aan de Odyssee van Homerus (ca. 800 v. Chr.). Ik heb het eerder vertaald.

Het gedicht De stad is niet moeilijk te begrijpen. Je zou het kunnen opvatten als een dichterlijke vorm van wat eerder al door de filosoof Schopenhauer was uitgedrukt. Iemand zegt tegen zichzelf:

”Het is nu zes uur ’s avonds, het werk voor vandaag zit erop. Ik kan nu een wandeling gaan maken, ik kan naar de club gaan, ik kan ook de toren beklimmen om de zon te zien ondergaan of bijvoorbeeld naar het theater gaan of deze of gene vriend opzoeken. Ik kan er zelfs vandoor gaan, de wijde wereld in en nooit meer terugkomen. Het hangt allemaal louter van mijzelf af: ik ben helemaal vrij om het allemaal te doen. Maar toch doe ik niets van dat al en ga in plaats daarvan eveneens uit Vrije Wil terug naar mijn huis, naar mijn vrouw.”

En dan vervolgt Schopenhauer met zijn raillerende water-beeldspraak:

Dat is net zoiets als wanneer het water zou beweren: ik kan mijn golven hoog laten opstaan (ja zeker, bij de storm op zee namelijk), ik kan onstuimig voortstromen (ja, in de bedding van een rivier), ik kan schuimend en spattend omlaag storten (ja, als waterval), ik kan vrij de lucht inspuiten (ja, als fontein) en ten slotte kan ik ook nog helemaal opkoken en verdwijnen (ja, bij een temperatuur van 100 graden). Maar vandaag doe ik niets van dat al, in plaats daarvan blijf ik uit Vrije Wil kalm en helder in mijn spiegelende vijver staan.

Ik beheers geen Grieks, en ik heb dus eigenlijk gedaan wat niet mag. Aan de hand van een drietal vertalingen, twee Nederlandse (G.H. Blanken en M. Blijstra) en een Engelse (Edmund Keeley and Philip Sherrard), heb ik een eigen vertaling gemaakt. Mijn enige verontschuldiging is dat ook vertalers van naam en faam soms gebruik maken van de vertalingen van anderen die de taal wel beheersen. De gebruikte Engelse vertaling behoort overigens tot de hoogst gewaardeerde vertalingen in het Engelse taalgebied.

In Frankrijk heeft Marguerite Yourcenar de gedichten vertaald, met hulp van iemand die het Grieks goed beheerste – zo ziet u maar.

Ik heb in dit geval een vertaalpoging gewaagd omdat ik hoopte nog iets te kunnen toevoegen: ik wilde het gedicht nog wat natuurlijker in het Nederlands laten klinken zonder de nuances uit het oog te verliezen. Maar vertalen is natuurlijk ook altijd de intiemste manier om een gedicht nabij te komen.


Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

De stad

Je zei: “Ik wil weg, ik wil een ander land, een andere kust,
Ik wil een andere stad die beter is dan deze.
Wat ik ook doe – het lijkt gedoemd of gaat verkeerd,
En mijn hart ligt in het graf als was het een dode.
Hoe lang nog zal ik mijn geest hier laten ontbinden?
Waar ik ook ga, waar ik ook kijk,
Ik zie de geblakerde ruïnes van mijn leven, juist daar
Waar ik al die jaren doorbracht, ze vermorste, ze totaal verwoestte.”

Je zult geen nieuw land vinden, geen andere kust.
Deze stad zal je blijven achtervolgen.
Je zult door deze straten blijven lopen, in deze buurten
Oud worden, je zult grijs worden in dezelfde huizen.
Deze stad zal je eindpunt zijn. Hoop niet op elders:
Geen schip ligt voor je klaar, er zijn geen wegen.
Nu je je leven hier hebt vermorst, in deze kleine uithoek,
Heb je het verwoest waar ook ter wereld.


Engelse vertaling (Edmund Keeley and Philip Sherrard)

The City

You said: “I’ll go to another country, go to another shore,
find another city better than this one.
Whatever I try to do is fated to turn out wrong
and my heart lies buried like something dead.
How long can I let my mind moulder in this place?
Wherever I turn, wherever I look,
I see the black ruins of my life, here,
where I’ve spent so many years, wasted them, destroyed them totally.”

You won’t find a new country, won’t find another shore.
This city will always pursue you.
You’ll walk the same streets, grow old
in the same neighborhoods, turn gray in these same houses.
You’ll always end up in this city. Don’t hope for things elsewhere:
there’s no ship for you, there’s no road.
Now that you’ve wasted your life here, in this small corner,
you’ve destroyed it everywhere in the world.


Origineel

Η πόλις

Είπες· «Θα πάγω σ’ άλλη γη, θα πάγω σ’ άλλη θάλασσα.
Μια πόλις άλλη θα βρεθεί καλλίτερη από αυτή.
Κάθε προσπάθεια μου μια καταδίκη είναι γραφτή·
κ’ είν’ η καρδιά μου — σαν νεκρός — θαμένη.
Ο νους μου ως πότε μες στον μαρασμόν αυτόν θα μένει.
Όπου το μάτι μου γυρίσω, όπου κι αν δω
ερείπια μαύρα της ζωής μου βλέπω εδώ,
που τόσα χρόνια πέρασα και ρήμαξα και χάλασα.»

Καινούριους τόπους δεν θα βρεις, δεν θάβρεις άλλες θάλασσες.
Η πόλις θα σε ακολουθεί. Στους δρόμους θα γυρνάς
τους ίδιους. Και στες γειτονιές τες ίδιες θα γερνάς·
και μες στα ίδια σπίτια αυτά θ’ ασπρίζεις.
Πάντα στην πόλι αυτή θα φθάνεις. Για τα αλλού — μη ελπίζεις—
δεν έχει πλοίο για σε, δεν έχει οδό.
Έτσι που τη ζωή σου ρήμαξες εδώ
στην κώχη τούτη την μικρή, σ’ όλην την γη την χάλασες.


Voor wie het interesseert: dit is de vertaling van Hans Warren en Mario Molegraaf, K.P. Kavafis, Gedichten, Amsterdam: Bert Bakker 1986, p.9. Deze vertaling is heel aardig, maar die heb ik niet gebruikt bij mijn eigen vertaling. Met dank aan de vraag hieronder van Ghurabalbayn.

En hier vindt u nog een oudere versie van het gedicht.

Wegzwemmen – Mary Oliver

Mary Oliver (1935-2019) is een Amerikaanse dichter, en ze werd geboren in een landelijk plaatsje, Maple Heights, vlakbij Cleveland in Ohio. Daar ontwikkelde ze een grote voorliefde voor de natuur. Ze woonde een groot deel van haar leven in Provincetown, Massachusetts.

Ze begon betrekkelijk vroeg met dichten. Ze schrijft verzen met een fraai ritme en een gevoelige toon, waarin vaak rijm ontbreekt, waarin een dichterlijke stroom en tegenstroom nooit ontbreken, verzen die ons gevoelig maken en verrijken – zoals elk goed gedicht – voor de gruwelen en de schoonheden en de geheimenissen van het bestaan – “We are nourished by the mystery” (The Fish).

Ze was bevriend met de zus van Edna St. Vincent Millay, en heeft met haar de nagelaten papieren van de dichteres geordend.

Een necrologie, geschreven door Lynn Neary, ‘Beloved Poet Mary Oliver, Who Believed Poetry ‘Mustn’t Be Fancy,’ Dies At 83‘ op de website van New Hampshire Public Radio (17 januari 2019), vindt u hier.

De slotregel van dat stuk is een voor mij zeer ontroerend en ook veelzeggend citaat uit het gedicht When Death Comes dat ik al eerder heb vertaald.

“When it’s over, I want to say: all my life / I was a bride married to amazement.”

Na haar dood in 2019 verscheen in Forward een mooi stukje van Talya Zax. Deze joodse schrijver/journalist schreef ware woorden:

The Pulitzer Prize-winning poet [Mary Oliver dus], who passed away on January 17 [2019] at age 83, was a voice of clarity in American letters. Her work, spare and full of silence, was often out of style. She was dismissed, by some who claimed authority, as a common kind of poet, not especially interesting, radical in neither subject nor form.

But when it came to the dimensions that most matter, those of language and soul, Oliver was unique. She could show you the world just as it was, and in doing so make it seem entirely new.

En ook citeerde ze de woorden van Mary Oliver:

 “The Real Prayers Are Not the Words, But the Attention that Comes First,”

Het gedicht zelf is niet heel moeilijk te begrijpen. Het is een aandachtige natuurwaarneming, fraai verwoord, met een ontroerend, universeel geldig slot.

Alle strofen bestaan uit één zin die verdeeld is via enjambementen over meerdere versregels, behalve de voorlaatste tweeregelige strofe: die bestaat uit twee korte verzen. Merk op hoe effectief dat is.

Voor mij werkt dit gedicht veel sterker dan de voorbeelden van de haiku die ik ken (de haiku streeft ook aandachtige natuurwaarneming na met een onopvallend aangebrachte universele strekking), al bewonder ik het streven naar beknoptheid dat in de haiku wordt getoond. Ongetwijfeld zijn dat culturele beperkingen waaraan ik mij niet gemakkelijk kan onttrekken, al heb ik dat wel geprobeerd.


Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

Wegzwemmen

Wie kan zeggen
of daar een zilverreiger staat
of een witte bloem
aan de oever
van de weelderige plas
vol waterlelies en kikkers?

Uren geleden opende de oranje zon
de knoppen van de waterlelies,
en de luipaardkikkers,
begonnen toen
hun lange spieren te strekken,
met hun schoolslag
als kleine groene dwergen
onder het dak van het rijke,
roestkleurige water.

Nu beginnen,
in hun omhulling van dril,
de tere eitjes van de salamander
zich te roeren.

Ze hebben genoeg geslapen.
Ze hebben een nieuw idee.

Ze willen wegzwemmen,
de wereld in.


Origineel

Swim Away

Who can say,
is it a snowy egret
or a white flower
standing
at the glossy edge
of the lily and frog-filled pond?

Hours ago the orange sun
opened the cups of the lilies
and the leopard frogs
began kicking
their long muscles,
breast-stroking
like little green dwarves
under the roof of the rich,
iron-colored water.

Now the soft
eggs of the salamander
in their wrappings of jelly
begin to shiver.

They’re tired of sleep.
They have a new idea.

They want to swim away
into the world.

Wilde ganzen – Mary Oliver

Mary Oliver (1935-2019) is een Amerikaanse dichter, en ze werd geboren in een landelijk plaatsje, vlakbij Cleveland in Ohio. Daar ontwikkelde ze een grote voorliefde voor de natuur. Ze woonde een groot deel van haar leven in Provincetown, Massachusetts, een kustplaats waar de kust niet erg steil is.

Ze begon betrekkelijk vroeg met dichten. Ze schrijft verzen met een fraai ritme en een gevoelige toon, waarin vaak rijm ontbreekt, waarin een dichterlijke stroom en tegenstroom nooit ontbreken, verzen die ons gevoelig maken en verrijken – zoals elk goed gedicht – voor de gruwelen en de schoonheden en de geheimenissen van het bestaan – “We are nourished by the mystery” (The Fish).

Ze was bevriend met de zus van  Edna St. Vincent Millay, en heeft met haar de nagelaten papieren van de dichteres geordend.

Een necrologie, geschreven door Lynn Neary, ‘Beloved Poet Mary Oliver, Who Believed Poetry ‘Mustn’t Be Fancy,’ Dies At 83‘ op de website van New Hampshire Public Radio (17 januari 2019), vindt u hier.

De slotregel van dat stuk is een voor mij zeer ontroerend en ook veelzeggend citaat uit het gedicht When Death Comes dat ik al eerder heb vertaald.

“When it’s over, I want to say: all my life / I was a bride married to amazement.”

Ik heb het gedicht Wild Geese – Wilde ganzen – vertaald nadat mijn oudste dochter me vertelde dat ze een bijzondere voorliefde had voor dat gedicht.


Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

Wilde ganzen

Je hoeft niet goed te zijn.
Je hoeft niet honderd kilometer op je knieën
door de woestijn te kruipen, als boetedoening.
Het enige wat je hoeft is het zachte dier van je lichaam
Laten liefhebben wat het liefheeft.
Vertel me over wanhoop, de jouwe, en ik vertel je de mijne.
Ondertussen gaat de wereld door.
Ondertussen bewegen zon en heldere regendruppels
Langzaam over landschappen,
Over de prairies en de verre bossen,
De bergen en de rivieren.
Ondertussen keren de ganzen, hoog in de helderblauwe lucht,
Weer naar hun thuis terug.
Wie je ook bent, hoe eenzaam misschien,
De wereld schenkt zich aan jouw verbeelding,
Roept naar jou als de wilde ganzen, luid en opwindend –
En keer op keer wijzen ze jou de plaats
In de familie van alle dingen.


Origineel

Wild geese

You do not have to be good.
You do not have to walk on your knees
For a hundred miles through the desert, repenting.
You only have to let the soft animal of your body
love what it loves.
Tell me about despair, yours, and I will tell you mine.
Meanwhile the world goes on.
Meanwhile the sun and the clear pebbles of the rain
are moving across the landscapes,
over the prairies and the deep trees,
the mountains and the rivers.
Meanwhile the wild geese, high in the clean blue air,
are heading home again.
Whoever you are, no matter how lonely,
the world offers itself to your imagination,
calls to you like the wild geese, harsh and exciting —
over and over announcing your place
in the family of things.

Als de dood komt – Mary Oliver

Mary Oliver (1935-2019) is een Amerikaanse dichter, en ze werd geboren in een landelijk plaatsje, vlakbij Cleveland in Ohio. Daar ontwikkelde ze een grote voorliefde voor de natuur. Ze woonde een groot deel van haar leven in Provincetown, Massachusetts, een kustplaats waar de kust niet erg steil is.

Mary Oliver - Kevork Djansezian
Mary Oliver – Getty Images

Ze begon betrekkelijk vroeg met dichten. Ze schrijft verzen met een fraai ritme en een gevoelige toon, waarin vaak rijm ontbreekt, waarin een dichterlijke stroom en tegenstroom nooit ontbreken, verzen die ons gevoelig maken en verrijken – zoals elk goed gedicht – voor de gruwelen en de schoonheden en de geheimenissen van het bestaan – “We are nourished by the mystery” (The Fish).

Ze was bevriend met de zus van  Edna St. Vincent Millay, en heeft met haar de nagelaten papieren van de dichteres geordend.

Een necrologie, geschreven door Lynn Neary, ‘Beloved Poet Mary Oliver, Who Believed Poetry ‘Mustn’t Be Fancy,’ Dies At 83‘ op de website van New Hampshire Public Radio (17 januari 2019), vindt u hier.

De slotregel van dat stuk is een voor mij zeer ontroerend en ook veelzeggend citaat uit het gedicht – When Death Comes – dat ik hier heb vertaald.

“When it’s over, I want to say: all my life / I was a bride married to amazement.”

Mijn vorige poëzie-vertaling dateert al weer van een poosje geleden.

Ik heb dit gedicht vertaald nadat mijn oudste dochter me vertelde dat ze een bijzondere voorliefde had voor het gedicht Wild Geese van Mary Oliver, een gedicht dat ik ook inmiddels heb vertaald.

Toen herinnerde ik me het gedicht When Death Comes, een gedicht dat altijd al dicht bij me heeft gestaan, maar dat me nog meer nabij kwam nadat onlangs mijn jongere broer is overleden.


Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

Als de dood komt

Als de dood komt
zoals de hongerige beer in de herfst;
als de dood komt met al dat glimmende geld in zijn beurs

Om mij te kopen, en als hij zijn beurs dichtklapt;
als de dood komt
zoals de mazelpok komt;

Als de dood komt
Zoals een ijsberg tussen de schouderbladen,

Dan wil ik nieuwsgierig de deur binnengaan, me afvragend:
hoe is het daar eigenlijk, in dat donkere huisje?

En daarom kijk ik naar alles
als naar een gemeenschap van broers en zussen,
en ik bezie de tijd slechts als een gedachte,
en ik beschouw de eeuwigheid als ook nog een mogelijkheid,

En ik denk over elk leven als een bloem, net zo gewoon
als een madelief in de wei, en net zo bijzonder,

En aan elke naam als een aangename muzikale klank,
neigend, zoals alle muziek, naar stilte,

En ik denk over elk lichaam als een dappere leeuw, als iets
dat waarde heeft voor de aarde.

Als het voorbij is, wil ik zeggen: heel mijn leven
was ik een bruid getrouwd met verwondering.
Ik was een bruidegom die de wereld in zijn armen nam.

Als het voorbij is, wil ik me niet afvragen
of ik iets bijzonders van mijn leven heb gemaakt, iets echts.
Ik wil niet iemand zijn die op het einde zucht of bang is,
of die blijft tegensputteren.

Ik wil niet eindigen als iemand die de wereld maar een bezoekje bracht.


Origineel

When Death Comes

When death comes
like the hungry bear in autumn;
when death comes and takes all the bright coins from his purse

to buy me, and snaps the purse shut;
when death comes
like the measle-pox;

when death comes
like an iceberg between the shoulder blades,

I want to step through the door full of curiosity, wondering:
what is it going to be like, that cottage of darkness?

And therefore I look upon everything
as a brotherhood and a sisterhood,
and I look upon time as no more than an idea,
and I consider eternity as another possibility,

and I think of each life as a flower, as common
as a field daisy, and as singular,

and each name a comfortable music in the mouth,
tending, as all music does, toward silence,

and each body a lion of courage, and something
precious to the earth.

When it’s over, I want to say: all my life
I was a bride married to amazement.
I was the bridegroom, taking the world into my arms.

When it’s over, I don’t want to wonder
if I have made of my life something particular, and real.
I don’t want to find myself sighing and frightened,
or full of argument.

I don’t want to end up simply having visited this world.

Reizen – R.S. Rhomas

Inleiding
Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilder Mildred Eldridge (1909-1991).

[Deze intro kunt u verder overslaan, als u al eerder mijn vertalingen van R.S. Thomas onder ogen hebt gehad. Het nieuwe deel begint onder het hoofdje Gedicht met de woorden: Het door mij vertaalde gedicht …]

R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).

Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.

In een treffend filmpje uit 1996 dat Bloodaxe Books beschikbaar heeft gemaakt – hier raadpleegbaar – zegt Thomas (vanaf 4’18”):

“Mocht er sowieso later nog aan mij gedacht worden, dan zal dat wel zijn om de intensiteit van een paar gedichten die ik heb geschreven. Maar, los van de gedichten, als mens hoop ik dat m’n voorbeeld van iemand die ervan hield buiten te zijn, die hield van de aardse dingen, en die het talent had meegekregen om ze niet alleen te horen maar ook te zien, voor anderen een zeker nut heeft gehad.”

Het gedicht

Het door mij vertaalde gedicht – Travels – is een karakteristiek Thomas-gedicht. Ik vermoed dat het ontstaan is op een van de wandelingen in onherbergzaam Welsh gebied aan de kust.

Het gedicht wijst erop dat alles wat ertoe doet voortkomt uit aandacht en contemplatie, en dat al ons gepraat, onze kennis en onze voorstellingen niet erg behulpzaam zijn om onze bestemming te bereiken.

Verbeelding en stilte zijn essentieel. Ook de god die op een afwezige manier aanwezig is – het lijkt of hij in zichzelf verdiept is, en wij kunnen hem niet bereiken; we kunnen alleen voelen dat hij er is – is heel karakteristiek voor Thomas.

Het gedicht is opgenomen in de bundel Frequencies (1978), uitgegeven door Macmillan.

Enfin, ik hoop dat de vertaling gelukt is.


Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

Reizen

Ik ging op reis, ontdekte trucs
voor misleiding, lachte zonder te
fronsen, hield mijn lippen soepel
met leugens; leerde kwaadaardigheid
verteren, wetend dat het een kroon
was op mijn succes. Is de wereld
uitgestrekt? Zijn er streken waar de
verbeelding niet bij kan? Verloochen nooit
de kennis die je er opdeed. Hier kwam ik,
de rivier stroomopwaarts volgend
naar zijn bronnen in de Welshe
heuvels, klaar om zijn rijkdom
te ontleden; ‘k staarde naar de gladde pupil
van water die naar mij terugstaarde
op een afwezige manier zoals een god
die zich bezon op zijn eigen
navel; ‘k voelde de kilte van
onmetelijke diepten die ik hier eigenlijk
had moeten peilen; ‘k aanschouwde het
wegstromen van bronwater
voor de vorming van verre
zeeën waarop de mens moet leren navigeren
om thuis te kunnen komen.


Origineel

Travels

I travelled, learned new ways
to deceive, smiling not
frowning; kept my lips supple
with lies; learned to digest
malice, knowing it tribute
to my success. Is the world
large? Are there areas uncharted
by the imagination? Never betray
your knowledge of them. Came here,
followed the river upward
to its beginning in the Welsh
moorland, prepared to analyse
its contents; stared at the smooth pupil
of water that stared at me
back as absent-mindedly as a god
in contemplation of his own
navel; felt the coldness
of unplumbed depths I should have
stayed here to fathom; watched the running
away of the resources
of water to form those far
seas that men must endeavour
to navigate on their voyage home.

Reiziger – Adam Zagajewski

Adam Zagajewski (1945-2021) is een Poolse dichter, vertaler, essayist en romanschrijver. Hij werd geboren in Lviv, wat nu in Oekraïne ligt. In zijn tijd was het nog Polen.

Zagajewski behoort tot een uitzonderlijke generatie Poolse dichters waartoe ook Czesław MiłoszZbigniew Herbert (1924-1998), Wisława Szymborska (1923-2012), Tadeusz Różewicz (1921-2014) behoorden. Wat me treft bij Zagajewski is het besef dat gruwel en vreugde onlosmakelijk verbonden zijn, dat ze samen ons leven uitmaken.

Een heel mooi interview met Zagajewski verscheen in De Groene op 17 april 2019: Bezing het verminkte continent – een verwijzing – een citaat zelfs – naar zijn beroemdste gedicht. Interviewer is de schrijver Jan Postma.

Enfin, ik heb ook dit gedicht van Zagajewski (net als het vorige) vertaald zonder Pools te beheersen. Ik heb in dit geval de Engelse vertaling van Clare Cavanagh vertaald.

De vertaling van Clare Cavanagh staat in mijn eiditie van Mysticism for Beginners, New York: Farrar, Straus and Giroux 1997, op p.38.

Het gedicht contrasteert de dichterlijke gevoeligheid voor het unieke, het bijzondere, het nieuwe met onze hang naar het vertrouwde, en met onze pogingen om in dat vertrouwde het echte leven te zoeken – waarschijnlijk tevergeefs.


Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

Reiziger

Een zekere reiziger, die nergens in geloofde,
bevond zich die zomer in een uitheemse stad.
Linden bloeiden, de uitheemsheid bloeide innig en vroom.

Over de geurige boulevard wandelde een onbekende menigte,
met trage pas, vervuld van angst, misschien wel omdat
de dalende zon zwaarder was dan de horizon,

en het dieprode asfalt wellicht toch niet
de spot dreef met de schaduwen, en de guillotine
niet alleen maar luister verleent aan musea,

en de in koor luidende kerkklokken
nog wel eens iets meer konden betekenen dan anders.
Misschien was het daarom dat de reiziger zijn hand

steeds aan zijn borst drukte, om bezorgd na te gaan
of zijn retourticket er nog was, zijn entree
naar de eenvoud waarin we meestal leven.


Origineel

Traveler

A certain traveler, who believed in nothing,
found himself one summer in a foreign city.
Lindens were blossoming, and foreignness bloomed devoutly.

An unknown crowd walked down the fragrant boulevard,
slowly, full of fear, perhaps because
the setting sun weighed more than the horizon

and the asphalt’s scarlet might not
jest the shadows and the guillotine
might not grace museums alone

and church bells chiming in chorus
might mean more than they usually mean.
Perhaps that’s why the traveler kept

putting his hand to his chest, checking warily
to make sure he still had his return ticket
to the ordinary places where we live.

Leda en de zwaan – William Butler Yeats

William Butler Yeats (1865-1939) is een Ierse dichter en toneelschrijver, een van de grootste engelstalige schrijvers van de twintigste eeuw. In 1923 kreeg hij de Nobelprijs voor literatuur.

Yeats groeide op als een lid van de protestantse Ierse elite, al had zijn vader zich in dat milieu tot vrijdenker ontwikkeld, maar hij nam daar afstand van, en hij ontwikkelde zich gaandeweg tot een man met grote belangstelling voor mystieke, esoterische en soms zelfs occulte onderwerpen. Deze onderwerpen kwamen zijn verbeeldingskracht zeker ten goede. Al in 1887 werd hij lid van Madame Blavatsky’s Loge van de Theosofische Vereniging in Londen en in 1900 werd hij voorzitter van de Londense loge van de Hermetic Order of the Golden Dawn. Hij ontwierp een ‘filosofisch’ systeem, neergelegd in zijn boek A vision (1925), waarin hij uiteenzet hoe mensen verschillen wat hun karakter betreft, hoe de menselijke levensloop zich uit dat karakter ontwikkelt, en hoe op grond daarvan vervolgens de gehele mensheid zich ontwikkelt.

De voorgaande alinea heb ik grotendeels ontleend aan het voorwoord dat de schrijver en dichter Jan Eijkelboom (1926–2008) schreef bij een tweetalige bundel met Yeats-gedichten: W.B.Yeats, Geef nooit het hele hart (vert. A. Roland Holst en J. Eijkelboom), Utrecht: Kwadraat 1985. In die bundel staat ook een vertaling van het onderhavige gedicht – Leda and the Swan – door Adriaan Roland Holst.

Het slot van dat voorwoord luidt:

“In zijn gedicht A. Roland Holst citeert de Ierse dichter Desmond O’Grady een oude vriend, die Roland Holst ‘een kardinaal noemde in de kerk van W.B. Yeats’.

Zelf behoor ik natuurlijk niet tot die hoge geestelijkheid. Maar men kan heel wel onder de indruk zijn van een kathedraal, zonder dat men gelooft aan de hocus-pocus, of mumbo-jumbo, welke onder die hoge gewelven bedreven wordt.”

Ik vind het wel grappig dat Eijkelboom in dat voorwoord zo nadrukkelijk afstand neemt van Yeats’ visioenen. Hij doet dat met een redenering die je bij alle cultuurchristenen aantreft. In onze tijd zou hij – de redelijkheid zelve – waarschijnlijk weer nadrukkelijk afstand nemen van de UFO’s van Lieke Marsman.

Het vertaalde gedicht – Leda and the Swan – van William Butler Yeats is gebaseerd op een bekende Griekse mythe. Zeus begeerde Leda, vermomde zich als een zwaan en overweldigde haar. Als gevolg daarvan kreeg ze een aantal kinderen, twee van Zeus en twee van haar eigen echtgenoot, onder wie Helena die de aanstichtster werd van de Trojaanse Oorlog, waar uiteindelijk ook de dood van Agamemnon uit voortkwam. In de derde strofe worden de gevolgen van de overweldiging beschreven: de ineengestorte muur, de branden, de dood van Agamemnon.

Het gedicht is een sonnet met een redelijk vast rijmschema. De regels zijn hoofdzakelijk geschreven in een jambische vijfvoet.

Na vertaling en origineel geef ik ook nog de vertalingen van Roland Holst en Paul Claes.


Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

Leda en de zwaan

Pats-boem: grote vleugels klapwieken nog na
Boven het wankelend meisje, zwemvliezen dorsten
Naar streling van dijen, haar nek in z’n snavel gevat,
En gedrukt aan zijn borst haar hulpeloze borsten.

Hoe konden haar vingers, onthutst en verward,
Van haar zwichtende dijen de vederpracht weren?
En wat kan vlees, verzonken in die witte drift,
Nog doen dan ‘t kloppen voelen van dit vreemde hart?

Een schok in de lendenen verwekt voorgoed
Een muur in puin, het vuur in dak en toren
En Agamemnon dood.
                                          Kon ze ook zien,
Zo overmand door redeloos, wervelend bloed,
Dat zijn kennis en macht bijeen zouden horen,
Voordat de koude snavel haar weer vallen liet?


Origineel

Leda and the Swan

A sudden blow: the great wings beating still
Above the staggering girl, her thighs caressed
By the dark webs, her nape caught in his bill,
He holds her helpless breast upon his breast.

How can those terrified vague fingers push
The feathered glory from her loosening thighs?
And how can body, laid in that white rush,
But feel the strange heart beating where it lies?

A shudder in the loins engenders there
The broken wall, the burning roof and tower
And Agamemnon dead.
                                           Being so caught up,
So mastered by the brute blood of the air,
Did she put on his knowledge with his power
Before the indifferent beak could let her drop?


Vertaling Adriaan Roland Holst


Vertaling Paul Claes

Gedichten eten – Mark Strand

Mark Strand, Joseph Brodsky, Adam Zagajewski en Derek Walcott – New York, 1986, foto: Jill Krementz

Toen ik onlangs een vertaling van een gedicht van Adam Zagajewski – de grote Poolse dichter – op mijn website zette, koos ik daarbij een foto met daarop vier mannen: Mark Strand, Joseph Brodsky, Adam Zagajewski en Derek Walcott. De eerstgenoemde dichter kende ik eigenlijk niet, althans nauwelijks, alleen vaagjes van naam.

Op de onvolprezen website van Poetry Foundation kwam ik wat gedichten van hem tegen, en ik besloot het onderhavige gedicht van hem – Eating Poetry – te vertalen. Later bleek me dat er al eens een tweetalige bundel gedichten in het Nederlands verschenen was, en het titelgedicht van die bundel is uitgerekend dit gedicht: Mark Strand, Gedichten eten (keuze en vert. Wiljan van den Akker & Esther Jansma), Amsterdam: De Arbeiderspers 2006.

Mark Strand (1934-2014) is een Joods-Amerikaanse schrijver, dichter en vertaler. Hij was van 1990 tot 1991 de vierde Poet Laureate van Amerika. In 1999 kreeg hij de Pulitzerprijs voor poëzie.

Het vertaalde gedicht is een baldadige evocatie van de vreugde die je kunt hebben als je poëzie leest, en die vreugde wordt gecontrasteerd met het onbegrip van de bibliotheek-mevrouw die bezig is met ordenen en indelen en categoriseren.

Het gedicht dat door Van den Akker en Jansma is vertaald, kunt u hier nalezen. We hebben er alledrie voor gekozen om Eating Poetry met Gedichten eten te vertalen, en niet met Poëzie eten. De verschillen zijn voor het overige niet groot. De blonde hondepoten die in het Engels ‘burn like brush’ branden bij Van den Akker en Jansma als stro, en bij mij als bosjes.

De slotstrofen kennen eindrijm.

Het is nog wel aardig om op deze website te wijzen: het is een heel persoonlijke taxatie van de kwaliteit van de Pullitzer-winnaars voor Poëzie in heden en verleden. Mark Strand belandt hier op de laatste plaats met Eating Poetry. Het gaat vergezeld met het volgende commentaar:

“Here’s an earlier poem by Mark Strand from the late 70s. This was once considered good. I think I probably liked it at one time. Now it just seems embarrassing.”


Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

Gedichten eten

Inkt druipt van mijn mondhoeken.
Niemand is zo gelukkig als ik.
Ik heb gedichten gegeten.

De bibliothecaresse weet niet wat ze ziet.
Ze heeft treurige ogen
en loopt met haar handen in haar kleren.

De gedichten zijn weg.
Het licht is gedempt.
De honden zijn op de keldertrap en komen naar boven.

Hun oogballen rollen,
hun blonde poten branden als bosjes.
De arme bibliothecaresse gaat nu stampvoeten en huilen.

Ze snapt er niks van.
Als ik neerkniel en lik aan haar hand,
schreeuwt ze.

Ik ben een nieuwe mens.
Ik blaf naar haar en grom.
Ik dartel vrolijk in het boekenduister om.


Origineel

Eating Poetry

Ink runs from the corners of my mouth.
There is no happiness like mine.
I have been eating poetry.

The librarian does not believe what she sees.
Her eyes are sad
and she walks with her hands in her dress.

The poems are gone.
The light is dim.
The dogs are on the basement stairs and coming up.

Their eyeballs roll,
their blond legs burn like brush.
The poor librarian begins to stamp her feet and weep.

She does not understand.
When I get on my knees and lick her hand,
she screams.

I am a new man.
I snarl at her and bark.
I romp with joy in the bookish dark.

Een snel gedicht – Adam Zagajewski

Adam Zagajewski (1945-2021) is een Poolse dichter, vertaler, essayist en romanschrijver. Hij werd geboren in Lviv, wat nu in Oekraïne ligt. In zijn tijd was het nog Polen. Het is wel veelzeggend en treurig dat er geen Nederlands Wikipedia-artikel van hem bestaat.

Zagajewski behoort tot een uitzonderlijke generatie Poolse dichters waartoe ook Czesław MiłoszZbigniew Herbert (1924-1998), Wisława Szymborska (1923-2012), Tadeusz Różewicz (1921-2014) behoorden. Wat me treft bij Zagajewski is het besef dat gruwel en vreugde onlosmakelijk verbonden zijn, dat ze samen ons leven uitmaken.

Een heel mooi interview met Zagajewski verscheen in De Groene op 17 april 2019: Bezing het verminkte continent – een verwijzing – een citaat zelfs – naar zijn beroemdste gedicht. Interviewer is de schrijver Jan Postma.

Ik citeer graag een stukje uit het gesprek dat jan Postma met hem voerde:

Enfin, ik heb ook dit gedicht van Zagajewski (net als het vorige) vertaald zonder Pools te beheersen. Ik heb in dit geval de Engelse vertaling van Clare Cavanagh vertaald.

De vertaling van Clare Cavanagh staat in mijn eiditie van Mysticism for Beginners, New York: Farrar, Straus and Giroux 1997, op p.3.

Het gedicht beschrijft een ervaring tijdens een lange rit door Frankrijk. Zagajewski contrasteert de snelheid en de oppervlakkigheid van de autorit met zijn verlangen naar contemplatie, overdenking, eeuwigheid.

De versregel in het latijn is een psalmcitaat en komt voor in Gregoriaanse gezangen – de gezangen waarnaar de hoofdpersoon luistert tijdens de autorit. De versregel betekent: “Heer, hoor naar mijn gebed“.


Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

Een snel gedicht

Ik beluisterde Gregoriaanse liederen
in een voortsnellende auto
op een snelweg in Frankrijk.
Bomen vlogen voorbij. Stemmen van monniken
zongen de lof van een ongeziene god
(bij zonsopgang, klappertandend in een kapel)
Domine, exaudi orationem meum,
bepleitten mannenstemmen kalm
alsof het heil zojuist was opgekomen in de tuin.
Waar ging ik naar toe? Waar verborg zich de zon?
Mijn leven lag aan flarden
aan weerszijden van de weg, broos als een wegenkaart.
Samen met de goede monniken
ging ik op weg naar de wolken, donkerblauw,
diep, zwaar,
richting de toekomst, de afgrond,
harde hageltranen opslokkend.
Nog lang geen zonsopgang, nog lang geen thuis.
Waar muren hoorden – blik.
In plaats van een wake – een race.
Reizen in plaats van overdenking.
Een snel gedicht voor een loflied.
Een kleine, vermoeide ster
snelde vooruit
en het asfalt van de snelweg glom,
toonde waar de aarde was,
waar het scheermes van de horizon wachtte,
samen met de zwarte spin van avond
en nacht – weduwe van al die dromen.


Origineel

A Quick Poem

I was listening to Gregorian chants
in a speeding car
on a highway in France.
The trees rushed past. Monks’ voices
sang praises to an unseen god
(at dawn in a chapel trembling with cold).
Domine, exaudi orationem meum,
male voices pleaded calmly
as if salvation were just growing in the garden.
Where was I going? Where was the sun hiding?
My life lay tattered
on both sides of the road, brittle as a paper map.
With the sweet monks
I made my way toward the clouds, deep blue,
heavy, dense,
toward the future, the abyss,
gulping hard tears of hail.
Far from dawn. Far from home.
In place of walls — sheet metal.
Instead of a vigil — a flight.
Travel instead of remembrance.
A quick poem instead of a hymn.
A small, tired star raced
up ahead
and the highway’s asphalt shone,
showing where the earth was,
where the horizon’s razor lay in wait,
and the black spider of evening
and night, widow of so many dreams.

Ze schreef in het donker – Adam Zagajewski

Mark Strand, Joseph Brodsky, Adam Zagajewski en Derek Walcott – New York, 1986, foto: Jill Krementz

Ten geleide
Ik denk dat u nog nooit van Nelly Sachs (1891-1970) hebt gehoord. Ze is ongeveer van de leeftijd van mijn (overleden) grootouders – iets ouder – en ze heeft in 1966, samen met de Israëlische schrijver Shmuel Yosef Agnon, de Nobelprijs voor Literatuur gekregen.

Het door mij vertaalde gedicht is geïnspireerd door het werk van Nelly Sachs die in Zweden de droeve taak op zich nam om de verschrikkingen van de Holocaust in dichtvorm vast te leggen.

Het gedicht is opgedragen aan Ryszard Kryniscki (1943-), een Poolse dichter. Een interessant artikel van de Nederlandse vertaler Gerard Rasch (1946-2004) – De Poolse wrong – waarin zowel Zagajewski als Kryniscki ter sprake komt, vindt u hier.

Adam Zagajewski (1945-2021) is een Poolse dichter, vertaler, essayist en romanschrijver. Hij werd geboren in Lviv, wat nu in Oekraïne ligt. In zijn tijd was het nog Polen. Het is wel veelzeggend en treurig dat er geen Nederlands Wikipedia-artikel van hem bestaat.

Zagajewski behoort tot een uitzonderlijke generatie Poolse dichters waartoe ook Czesław MiłoszZbigniew Herbert (1924-1998), Wisława Szymborska (1923-2012), Tadeusz Różewicz (1921-2014) behoorden. Wat me treft bij Zagajewski is het besef dat gruwel en vreugde onlosmakelijk verbonden zijn, dat ze samen ons leven uitmaken.

Een heel mooi interview met Zagajewski verscheen in De Groene op 17 april 2019: Bezing het verminkte continent – een verwijzing – een citaat zelfs – naar zijn beroemdste gedicht. Interviewer is de schrijver Jan Postma.

Ik citeer graag een stukje uit het gesprek dat jan Postma met hem voerde:

Enfin, ik heb ook dit gedicht van Zagajewski (net als het vorige) vertaald zonder Pools te beheersen. Ik heb in dit geval de Engelse vertaling van Clare Cavanagh vertaald.

De vertaling van Clare Cavanagh staat in mijn eiditie van Mysticism for Beginners, New York: Farrar, Straus and Giroux 1997, op p.49.


Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

Ze schreef in het donker
[Uit: Adam Zagajewski, Three Angels, Krakow: Wydawnictwo Literakie 1998]

Voor Ryszard Krynicki

                 Nelly Sachs werkte ‘s nachts bij schemerlicht
                 toen ze woonde in Stockholm,
                 om haar moeder niet wakker te maken.

Ze schreef in het donker.
Wanhoop schonk woorden,
zwaar als de staart van een komeet.

Ze schreef in het donker,
in een stilte die slechts onderbroken werd
door het zuchten van de klok.

Zelfs de letters werden slaperig –
hun kopjes hingen op ‘t papier.

Het donker schreef
door een rijpere vrouw
met uitbundige pen.

Nacht omgaf haar met meelij;
het gevang van de grauwe ochtend
daagde over de stad,
in zachtrode tinten.

Terwijl ze wegdoezelde
ontwaakten de merels,
en het verdriet bleef, niets
onderbrak toen het lied.


Engelse vertaling van Clare Cavanagh

She Wrote in Darkness
[From Three Angels, Adam Zagajewski, Wydawnictwo Literakie, Krakow, 1998]

To Ryszard Krynicki

             While living in Stockholm Nelly Sachs
             worked at night by a dim lamp,
             so as not to waken her sick mother.

She wrote in darkness.
Despair dictated words
heavy as a comet’s tail.

She wrote in darkness,
in silence broken only
by the wall clock’s sighs.

Even the letters grew drowsy,
their heads drooping on the paper.

Darkness wrote,
having taken this middle-aged woman
for its fountain pen.

Night took pity on her,
morning’s gray prison
rose over the city,
rosy-fingered dawn.

While she dozed off
the blackbirds woke
and there was no break
in the sorrow and song.

Mystiek voor beginners – Adam Zagajewski

Adam Zagajewski (1945-2021) is een Poolse dichter, vertaler, essayist en romanschrijver. Hij werd geboren in Lviv, wat nu in Oekraïne ligt. In zijn tijd was het nog Polen. Het is wel veelzeggend en treurig dat er geen Nederlands Wikipedia-artikel van hem bestaat.

Zagajewski behoort tot een uitzonderlijke generatie Poolse dichters waartoe ook Czesław MiłoszZbigniew Herbert (1924-1998), Wisława Szymborska (1923-2012), Tadeusz Różewicz (1921-2014) behoorden. Wat me treft bij Zagajewski is het besef dat gruwel en vreugde onlosmakelijk verbonden zijn, dat ze samen ons leven uitmaken.

Een heel mooi interview met Zagajewski verscheen in De Groene op 17 april 2019: Bezing het verminkte continent – een verwijzing – een citaat zelfs – naar zijn beroemdste gedicht. Interviewer is de schrijver Jan Postma.

Ik citeer graag een stukje uit het gesprek dat jan Postma met hem voerde:

Enfin, ik heb ook dit gedicht van Zagajewski (net als het vorige) vertaald zonder Pools te beheersen. Ik heb het origineel gebruikt om vormkenmerken te achterhalen, ik heb een machinevertaling (DeepL) gebruikt om te zien wat het Poolse origineel betekende, en ik heb de Engelse vertaling van Clare Cavanagh gebruikt om te controleren dat ik mij niet volkomen zou vergissen.

Het originele Poolse gedicht heb ik gevonden met hulp van Jan Prygoda (Twitter/X). Het staat op deze rijke Portugese website: De culturele tempel van Delphi: Adam Zagajewski – poeta, romancista, ensaísta e tradutor polonês.

Het hier vertaalde gedicht is ook het titelgedicht van een dichtbundel. De dichter zag toevallig een boektitel op een terras bij een lezende Duitse man. Deze titel die een beetje goedkoop klinkt – er had bijna ‘Mystiek voor dummies’ kunnen staan – zet niettemin een trein van herinneringen in beweging die eindigt met de verrassende conclusie dat al die herinneringen in wezen worden samengevat met de boektitel die ook de titel is van het gedicht.

Het Poolse woord ‘prolegomena’ – inleidende opmerkingen – is een vrij ongewoon woord dat je bij wijze van spreken alleen bij Kant en Schopenhauer aantreft. Dat is ook in het Nederlands zo. Ik heb het daarom letterlijk overgenomen. Met dank aan de polonist Arent van Nieukerken.

Het Poolse woord ‘jaskółki’ heb ik niet met ‘zwaluwen’ maar met ‘gierzwaluwen’ vertaald. Zwaluwen kwetteren vooral. Door de straten jagende vogels die sprekend op zwaluwen lijken (maar het niet zijn) en die een luid, schril geluid maken zijn gierzwaluwen (die ook daadwerkelijk in Montepulciano voorkomen).


Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

Mystiek voor beginners

De dag was lieflijk, het licht aangenaam.
Op het terras zat een Duitse man
met een klein boekje op schoot.
Ik kon de titel zien:
Mystiek voor beginners.
Plotseling begreep ik dat de gierzwaluwen
die met hun schrille roep patrouilleerden
door de straten van Montepulciano,
en de gedempte gesprekken van schuwe reizigers
uit Oost-Europa, vaak Centraal-Europa genoemd,
en de witte reigers die stapten – gisteren, eergisteren? –
als nonnen door de rijstvelden,
en de schemering die langzaam maar zeker
de silhouetten van middeleeuwse huisjes wegvaagde,
en de olijfbomen op de lage hellingen,
die overgeleverd waren aan hitte en wind,
en het gelaat van de Onbekende Prinses
dat ik gezien en bewonderd had in het Louvre,
en gebrandschilderde ramen als vleugels van vlinders,
bestrooid met het stuifmeel van bloemen,
en de kleine nachtegaal die zijn lied reciteerde
vlak naast de snelweg,
en dat elke reis, al die reizen,
slechts opmaat zijn, mystiek voor beginners,
de inleidende cursus, de prolegomena
van een toets die wordt uitgesteld
tot later.


Origineel


Engelse vertaling van Clare Cavanagh

Mysticism for Beginners

The day was mild, the light was generous.
The German on the café terrace
held a small book on his lap.
I caught sight of the title:
Mysticism for Beginners.
Suddenly I understood that the swallows
patrolling the streets of Montepulciano
with their shrill whistles,
and the hushed talk of timid travelers
from Eastern, so-called Central Europe,
and the white herons standing—yesterday? the day before?—
like nuns in fields of rice,
and the dusk, slow and systematic,
erasing the outlines of medieval houses,
and olive trees on little hills,
abandoned to the wind and heat,
and the head of the Unknown Princess
that I saw and admired in the Louvre,
and stained-glass windows like butterfly wings
sprinkled with pollen,
and the little nightingale practicing
its speech beside the highway,
and any journey, any kind of trip,
are only mysticism for beginners,
the elementary course, prelude
to a test that’s been
postponed.

Prijs als je kunt deze kreupele wereld – Adam Zagajewski

Als hovaardige student had ik er aardigheid in om te zeggen dat de hel reëler is dan de hemel, dat de kunstenaars van alle tijden en plaatsen meer ruimte boden aan gruwel dan aan vreugde, dat de aarde een afschuwelijk tranendal is. De meeste mensen vinden het niet fijn om dat te horen, en daarom vond ik het leuk om dat te zeggen.

Misschien is het goed om er iets aan toe te voegen (ik ben net zestig geworden): gruwel en vreugde bestaan allebei. Ik word ontroerd door schoonheid, door kleine gebaren van mensen die ik liefheb en hoog acht, door mijn schoonvader die in het verzorgingshuis naar ons zwaait als we vertrekken, ook al vergeet hij bijna alles, ook al doet hij bij het klimmen van de jaren steeds meer dingen onhandig of ronduit fout. Ook liefde bestaat.

Wat me treft bij de Poolse dichter Adam Zagajewski (1945-2021) is het besef dat gruwel en vreugde onlosmakelijk verbonden zijn, dat ze samen ons leven uitmaken.

Een heel mooi interview met Zagajewski verscheen in De Groene op 17 april 2019: Bezing het verminkte continent – een verwijzing – een citaat zelfs – naar zijn beroemdste gedicht. Interviewer is de schrijver Jan Postma. Het citaat is genomen uit het beroemde gedicht waarvan ik hieronder een vertaling publiceer. Het werd eerder vertaald door de goede vertaler Gerard Rasch – maar diens vertaling heb ik niet onder ogen gehad (afgezien van de regels die Postma citeert). Op de vondst van Rasch ‘het zoute niets’ ben ik jaloers, maar ik wilde die om voor de hand liggende redenen niet gebruiken.

Zagajewski behoort tot een uitzonderlijke generatie Poolse dichters waartoe ook Czesław MiłoszZbigniew Herbert (1924-1998), Wisława Szymborska (1923-2012), Tadeusz Różewicz (1921-2014) behoorden.

Zagajewski is een Poolse dichter, vertaler, essayist en romanschrijver. Hij werd geboren in Lviv, wat nu in Oekraïne ligt. In zijn tijd was het nog Polen. Het is wel veelzeggend en treurig dat er geen Nederlands Wikipedia-artikel van hem bestaat.

Ik citeer graag een stukje uit het gesprek dat jan Postma met hem voerde:

Enfin, ik heb ook dit gedicht van Zagajewski (net als het vorige) vertaald zonder Pools te beheersen. Ik heb het origineel gebruikt om vormkenmerken te achterhalen, ik heb een machinevertaling (DeepL) gebruikt om te zien wat het Poolse origineel betekende, en ik heb de Engelse vertaling van Clare Cavanagh gebruikt om te controleren dat ik mij niet volkomen zou vergissen.

Het originele Poolse gedicht heb ik gevonden met hulp van Jan Prygoda (Twitter/X). Het staat op deze rijke Portugese website: De culturele tempel van Delphi: Adam Zagajewski – poeta, romancista, ensaísta e tradutor polonês.

In dit gedicht wordt een wereld beschreven die verre van volmaakt is – kreupel, verminkt. Maar ook de mooie momenten bestaan. En het licht dat steeds terugkeert, en dat jou in staat stelt te zien.


Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

Prijs als je kunt deze kreupele wereld

Prijs als je kunt deze kreupele wereld.
Denk terug aan die lange dagen in juni,
aan wilde aardbeien, slokjes rosé.
De brandnetels die stelselmatig
de lege huisjes van de ballingen begroeien.
Prijs dan deze kreupele wereld.
Je zag sierlijke zeiljachten en schepen;
één zeilde er af voor een lange reis,
een ander voor een zilte vergetelheid.
Je zag radeloze vluchtelingen,
beulen die vrolijke liederen zongen.
Kom, prijs deze kreupele wereld.
Denk aan de momenten dat we samen waren
in een witte kamer met wuivende gordijnen.
Haal terug dat concert met onstuimige muziek.
In de herfst verzamelde je eikels in het park,
bladeren dwarrelden over de littekens van de aarde.
Prijs deze kreupele wereld,
het grauwe veertje dat een lijster verloor,
het zachte licht dat ronddwaalt en verdwijnt
en terugkeert.


Origineel


Engelse vertaling van Clare Cavanagh

Try to Praise the Mutilated World

Try to praise the mutilated world.
Remember June’s long days,
and wild strawberries, drops of rosé wine.
The nettles that methodically overgrow
the abandoned homesteads of exiles.
You must praise the mutilated world.
You watched the stylish yachts and ships;
one of them had a long trip ahead of it,
while salty oblivion awaited others.
You’ve seen the refugees going nowhere,
you’ve heard the executioners sing joyfully.
You should praise the mutilated world.
Remember the moments when we were together
in a white room and the curtain fluttered.
Return in thought to the concert where music flared.
You gathered acorns in the park in autumn
and leaves eddied over the earth’s scars.
Praise the mutilated world
and the gray feather a thrush lost,
and the gentle light that strays and vanishes
and returns.

Transformatie – Adam Zagajewski

Ik leef al een poosje met de Poolse schrijver en dichter Adam Zagajewski (1945-2021). Een heel mooi interview met hem verscheen in De Groene op 17 april 2019: Bezing het verminkte continent – een verwijzing – een citaat zelfs – naar zijn beroemdste gedicht. Interviewer is de schrijver Jan Postma.

Zagajewski behoort tot een uitzonderlijke generatie Poolse dichters waartoe ook Czesław Miłosz, Zbigniew Herbert (1924-1998), Wisława Szymborska (1923-2012), Tadeusz Różewicz (1921-2014) behoorden.

Zagajewski is een Poolse dichter, vertaler, essayist en romanschrijver. Hij werd geboren in Lviv, wat nu in Oekraïne ligt. In zijn tijd was het nog Polen. Het is wel veelzeggend en treurig dat er geen Nederlands Wikipedia-artikel van hem bestaat.

Ik citeer graag een stukje uit het gesprek dat jan Postma met hem voerde:

Enfin, ik heb een gedicht van Zagajewski vertaald zonder Pools te beheersen. Ik heb het origineel gebruikt om vormkenmerken te achterhalen, ik heb een machinevertaling (DeepL) gebruikt om te zien wat het Poolse origineel betekende, en ik heb de Engelse vertaling van Clare Cavanagh gebruikt om te controleren dat ik mij niet volkomen zou vergissen.

Het gedicht beschrijft heel gewone, kalme dingen, maar je voelt aan alles dat er een grote onderhuidse spanning is: zonsondergang, rood, vogels die gaan zwijgen, de nacht die verstomt, zonnenbloemen die aan de galg lijken te hangen, stof, hagedissen die beschutting zoeken. Die spanning bouwt op tot wat gerust een apotheose kan worden genoemd: drie versregels, drie woorden, ‘jou’.

Dat slotwoordje ‘jou’ kan uiteraard betrekking hebben op de liefde. Het ontleent zijn dramatische kracht mede aan die associatie. Maar toch ligt het erg voor de hand om – gegeven de openingsregels ‘Ik schreef maandenlang / geen enkel gedicht’ – ook aan een periode van poëtische droogte te denken, een ‘writers block’, een toestand die eindigt met de totstandkoming van dit gedicht. Het is een bevrijding uit de tobberijen over macht en angst en dood en kleine dingen die onbeduidend schijnen. Al die dingen blijken toch heel goed bruikbaar te zijn, getransformeerd te kunnen worden tot betekenisvolle elementen van een gedicht. En daarmee verwijst dat woordje ‘jou’ vooral ook naar het gedicht dat u straks onder ogen krijgt (of reeds gelezen hebt). Om die reden heb ik het woord ‘transformation’, dat ik aanvankelijk vertaald had met ‘alles anders’, alsnog (28-3-2025 – onder dank aan een gesprekspartner uit mijn naaste omgeving) vertaald met ‘transformatie’. En uiteraard heb ik daarmee ook de titel van de vertaling gewijzigd in ‘Transformatie’.

Het originele Poolse gedicht heb ik gevonden met hulp van Jan Prygoda (Twitter/X). Het staat op deze rijke Portugese website: De culturele tempel van Delphi: Adam Zagajewski – poeta, romancista, ensaísta e tradutor polonês.


Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

Transformatie

Ik schreef maandenlang
geen enkel gedicht.
Ik leefde eenvoudig, las de krant,
overdacht het raadsel van de macht,
het waarom van gehoorzaamheid.
Ik keek naar de ondergaande zon
(scharlakenrood, vervuld van angst);
ik hoorde vogels die stil werden,
en de nacht die verstomde.
Ik zag zonnebloemen in de schemer
met hangende hoofden, alsof een achteloze beul
zijn gang door de tuinen had gemaakt.
Zacht septemberstof verzamelde zich
op vensterbanken, en hagedissen
kropen weg in spleten van muren.
Ik maakte lange wandelingen,
hunkerend naar slechts één ding:
bliksem,
transformatie,
jou.


Origineel


Engelse vertaling van Clare Cavanagh

Transformation

I haven’t written a single poem
in months.
I’ve lived humbly, reading the paper,
pondering the riddle of power
and the reasons for obedience.
I’ve watched sunsets
(crimson, anxious),
I’ve heard the birds grow quiet
and night’s muteness.
I’ve seen sunflowers dangling
their heads at dusk, as if a careless hangman
had gone strolling through the gardens.
September’s sweet dust gathered
on the windowsill and lizards
hid in the bends of walls.
I’ve taken long walks,
craving one thing only:
lightning,
transformation,
you.

Regen, oudejaarsavond – Maggie Smith

Op het sociale medium BlueSky werd ik op 31 december 2024 via Jacobine SDJ attent gemaakt op een gedicht van Maggie Smith: Rain, New Year’s Eve. Jacobine had me daarvoor ook al geattendeerd op Maggie Smith’s Good BonesEen prima skelet – waarvan ik gisteren al een vertaling had geplaatst.

Maggie Smith (1977-) is een Amerikaanse dichter, schrijver en redacteur. (Er was ook een beroemde Britse actrice met die naam, maar die is in 2024 overleden.)

Smith werd in 1977 geboren in Columbus, Ohio, en studeerde af met een Master in Fine Arts aan Ohio State University. Ze is freelance redacteur, docent en schrijver. Ze heeft drie poëziebundels gepubliceerd, een paar ‘chapbooks’, een essaybundel en een ‘memoir’ – wat in dit geval zeggen wil een boek waarin ze de scheiding met haar voormalige echtgenoot en de vader van haar twee kinderen beschrijft en verwerkt. De titel van dat laatste boek luidt: You Could Make This Place Beautiful, wat de slotzin is van haar beroemdste gedicht Good Bones. Ze ontving een groot aantal prijzen voor haar creatieve werk.

Het vertaalde gedicht – Rain, New Year’s Eve – is een moedergedicht in de edelste zin van dat woord. De hoofdpersoon probeert van de wereld te houden, zoals ze van haar soms woeste, soms lieve, soms vieze zoontje houdt, ook als de wereld haar teleurstelt, ook als die wereld koud en druilerig is, zoals zo vaak bij een jaarwisseling.

Het gedicht is opgebouwd uit tweeregelige strofen zonder rijm, met een mooi ritme en een fraaie slotstrofe die verwijst naar de openingsstrofe.

Ik heb het gedicht overgenomen van BlueSky – Maggie Smith postte het zelf op 31 december 2024, met de volgende toelichting:

It’s NYE & raining here. I wrote this poem in 2013, so the five-year-old is now sixteen.

Even when it’s hard to love the world unconditionally, and it’s never not hard, here’s to imagining what might be possible and what we can make so.

Love from here on a rainy Tuesday.


Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

Regen, oudejaarsavond

De regen is een kapotte piano
die dezelfde noot speelt – steeds, steeds weer.

Dat zei mijn kind van vijf.
Nu al weet ze dat houden van de wereld

betekent van gewiebel houden
waar niks tegen helpt, geknars dat je niet kunt

weg-oliën – de stukken aan elkaar geflanst
met touw en kauwgom als in MacGyver.

Laat me houden van die koude regentokkel.
Laat me houden van de wereld, zoals ik hou

van m’n zoontje, en niet alleen als hij
m’n wangen vasthoudt met plakhanden,

maar ook als hij, in het rond rauzend,
per ongeluk mijn lip laat bloeden.

Laat me van de wereld houden als een moeder.
Laat me zacht zijn als die me teleurstelt.

Laat me luisteren naar die ene regen-noot,
en daarin een beginnersliedje horen.


Origineel

Rain, New Year’s Eve

The rain is a broken piano,
playing the same note over and over.

My five-year-old said that.
Already she knows loving the world

means loving the wobbles
you can’t shim, the creaks you can’t

oil silent—the jerry-rigged parts,
MacGyvered with twine and chewing gum.

Let me love the cold rain’s plinking.
Let me love the world the way I love

my young son, not only when
he cups my face in his sticky hands,

but when, roughhousing,
he accidentally splits my lip.

Let me love the world like a mother.
Let me be tender when it lets me down.

Let me listen to the rain’s one note
and hear a beginner’s song.

Een prima skelet – Maggie Smith

Op het sociale medium BlueSky werd ik op 31 december 2024 via Jacobine SDJ attent gemaakt op een gedicht van Maggie Smith: Good Bones.

Jacobine SDJ – de afkorting SDJ in de accountnaam vind ik heel leuk gevonden: SDJ slaat zowel op Jacobines achternaam als op het ambt dat ze bekleed – vond het een heel mooi gedicht en ze had zelf ook een fraaie vertaling gemaakt (de hyperlink is alleen te gebruiken als je beschikt over een aangemeld BlueSky-account). Ik heb er vervolgens ook mijn best op gedaan. Ik heb bij mijn hier gepubliceerde vertaling ook geprofiteerd van een paar opmerkingen die Jacobine SDJ had gemaakt n.a.v. een eerste vertaalpoging – waarvoor dank!

Maggie Smith (1977-) is een Amerikaanse dichter, schrijver en redacteur. (Er was ook een beroemde Britse actrice met die naam, maar die is in 2024 overleden.)

Smith werd in 1977 geboren in Columbus, Ohio, en studeerde af met een Master in Fine Arts aan Ohio State University. Ze is freelance redacteur, docent en schrijver. Ze heeft drie poëziebundels gepubliceerd, een paar ‘chapbooks’, een essaybundel en een ‘memoir’ – wat in dit geval zeggen wil een boek waarin ze de scheiding met haar voormalige echtgenoot en de vader van haar twee kinderen beschrijft en verwerkt. De titel van dat laatste boek luidt: You Could Make This Place Beautiful, wat de ironische slotzin is van het gedicht dat ik hier heb vertaald, maar wat zeker ook kan opgevat als een uitdrukking van verlangen – voor zichzelf en voor haar kinderen. Ze ontving een groot aantal prijzen voor haar creatieve werk.

Het vertaalde gedicht – Good Bones – schreef Smith in 2016, en het ging destijds ‘viral’ zoals dat heet – meer dan een miljoen mensen hebben het via sociale mediakanalen gelezen. Het is een gedicht dat een wat minder rooskleurig beeld van het leven schetst – het leven duurt maar kort en de wereld kent veel narigheid. Maar je kunt het leven ook op duizend heerlijke en dwaze manieren leiden, al maak je het daarmee wel korter.

Het vers eindigt met zelfspot: de hoofdpersoon probeert haar kinderen enthousiast te maken voor het leven en de wereld, maar daarvoor gebruikt ze het voorbeeld van een makelaar die een bouwval met rooskleurige praatjes hoopt te verkopen. ‘Een prima skelet’ verwijst naar het leven dat maar zo kort is, en natuurlijk ook naar het geronk van de makelaar die erop wijst dat het geraamte van de bouwval prima in orde is.

En toch, en toch – we moeten allemaal wat van ons leven zien te maken. De truc van het gedicht is dat ruim de helft van het leven uit narigheid bestaat – en wat minder dan de helft uit iets anders, misschien zelfs iets moois. Maar het moois blijft heel abstract, en de narigheid wordt met zeer concrete beelden beschreven. De slotregels klinken vervolgens positief, en ze zijn ook positief, maar ze komen rechtstreeks voort uit de narigheid van ronkende makelaarspraatjes.

Good Bones is ook de titel van één van Maggie Smith’s dichtbundels.

Het gedicht heeft geen of weinig rijm, is opgetrokken uit herhalingen, en het kent een fraaie opbouw met een verrassend slotakkoord.

Hier vindt u het gedicht op de website van Poetry Foundation.

En dit is haar eigen website.

PS Gebruiker Navifax wees mij erop (BlueSky) dat de slotzinnen niet alleen – of zelfs niet in de eerste plaats – ironisch te lezen zijn, maar dat het eerder gaat om iets ‘dat grenst aan een smeekbede’. De ironie lijkt me onmiskenbaar, maar ik begrijp toch wel wat ze bedoelt. Ik heb twee keer ‘een mooi plekje’ vervangen door ‘iets moois’. Onder dank!


Geluidsopname:

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

Een prima skelet

Leven is kort, al houd ik dit stil voor m’n kinderen.
Leven is kort – en ‘k heb het mijne korter gemaakt
op wel duizend heerlijke, dwaze manieren,
wel duizend, heerlijk-dwaze manieren
die ik stil houd voor m’n kinderen. De wereld is zeker
voor vijftig procent narigheid – conservatieve
schatting – al houd ik dit stil voor mijn kinderen.
Naast elke vogel, wordt een steen gegooid naar een vogel.
Naast elk geliefd kind, een kind verscheurd, in een zak gestopt,
in een meer gegooid. Leven is kort en de wereld
is zeker voor de helft narigheid, en naast elke lieve
vreemdeling, is er één die jou wil verscheuren,
al houd ik dit stil voor mijn kinderen. Ik probeer ze
de wereld aan te prijzen. Elke keurige makelaar
die jou door een stinkend krot geleidt, kakelt over
een prima skelet: Dit kan iets moois worden,
nietwaar? Jij kunt hier iets moois van maken.


Origineel

Good Bones

Life is short, though I keep this from my children.
Life is short, and I’ve shortened mine
in a thousand delicious, ill-advised ways,
a thousand deliciously ill-advised ways
I’ll keep from my children. The world is at least
fifty percent terrible, and that’s a conservative
estimate, though I keep this from my children.
For every bird there is a stone thrown at a bird.
For every loved child, a child broken, bagged,
sunk in a lake. Life is short and the world
is at least half terrible, and for every kind
stranger, there is one who would break you,
though I keep this from my children. I am trying
to sell them the world. Any decent realtor,
walking you through a real shithole, chirps on
about good bones: This place could be beautiful,
right? You could make this place beautiful.

De vloek van de man die de kleine visjes kon zien op de bodem van de oceaan – Simon Leys

Ten geleide
In de New York Review of Books, het nummer van 22 juli 1989, schreef de sinoloog en intellectueel Simon Leys, pseudoniem van Pierre Ryckmans (1935-2014), een stuk op verzoek.

Nadat het studentenprotest op het Tiananmenplein in Beijing – in Nederland ook bekend als Het Plein van de Hemelse Vrede – bloedig was neergeslagen, vroeg men hem hoe het toch kwam dat hij – samen met een paar anderen – het communistische bewind van Mao Zedong tot Deng Xiaoping vaak zo accuraat had beschreven en ingeschat, terwijl er zo veel grote geleerden, kunstenaars en belangrijke schrijvers daarover de grootste onzin hadden verkondigd.

Leys’ antwoord op die vraag is het stuk waarvan hierna de vertaling volgt. Het is een typerend Leys-stuk waarin hij tegelijk bescheiden, ironisch en scherp is. En hij bedient zich – zoals zo vaak – van verhelderende voorstellingen en parabels.

Leys schreef het mooiste, scherpste en waarachtigste proza dat er na de Tweede Wereldoorlog geschreven is. Hij heeft meer gedaan dan wie ook om een eind te maken aan de westerse gevoeligheid (die ongeveer duurde van 1960-1985) voor de totalitaire, communistische verleiding.

Pierre Ryckmans II (door: Mathew Lynn)

Zijn bekendste werk, essays die een démasqué van het Chinese communisme behelzen, schreef hij onder het pseudoniem Simon Leys: Les habits neufs du président Mao (De nieuwe kleren van Voorzitter Mao), in 1971, en Ombres Chinoises (Chinese schimmen), in 1974.

Hij gaf met zijn boek Chinese schimmen een krachtige impuls aan wat bekend staat als ‘Het China-debat’, een debat over de waarde van de maoïstische revolutie voor China en de wereld, waaraan in Nederland onder anderen W.F. WertheimRudy KousbroekRenate RubinsteinAnja Meulenbelt en Martin van Amerongen meededen. Hij schreef zijn enige roman La mort de Napoléon (De dood van Napoleon) in 1986. Hij publiceerde de door hem vertaalde Analects of Confucius (Uitspraken van Confucius) in 1997. Zijn mooiste en veelzijdigste essaybundel is misschien wel zijn laatste: The Hall of Uselessness, uit 2011. Hij was een bewonderaar van G.K. ChestertonEmile CioranC.S. Lewis en George Orwell. Hij ontving belangrijke prijzen in het Franse en Engelse taalgebied.

Ter nadere introductie van de Simon Leys, verwijs ik naar dit korte stukje op deze website.

Het Engelse origineel van het vertaalde stuk op de website van de NYRB vindt u hier.

Het artikel is opgenomen in Leys’ essaybundel The Hall of Uselessness: Collected Essays, New York: New York Review of Books 2011, p.403-407


De vloek van de man die de kleine visjes kon zien op de bodem van de oceaan

Simon Leys
The New York Review of Books
Gepubliceerd: 20 juli 1989; gedateerd: 22 juni 1989

Voor Hanfang [1]

Sinds de moordpartijen in Beijing[2] is de vraag al een paar keer onbewimpeld aan mij gesteld: “Waarom zaten de meeste opinieleiders er zo voortdurend naast als ze over China spraken? Wat maakte dat u en nog een paar andere commentatoren in staat waren om de dingen te zien zoals ze werkelijk waren, en waarom luisterde er bijna nooit iemand naar u?”

In eerste instantie heb ik alle uitnodigingen om te schrijven over dit thema afgeslagen. Het idee om bovenop een berg Chinese dode lichamen te gaan staan – als een kip die zojuist een ei heeft gelegd – en triomfantelijk te kakelen: “Ik heb het jullie toch gezegd! Ik heb het jullie toch gezegd!”, is niet bepaald aantrekkelijk. Bovendien is er voor het eerst in vele decennia een opmerkelijke en roerende eensgezindheid ontstaan met betrekking tot China; dit zou ons nog iets van troost kunnen schenken – feitelijk is dat het enige waaraan je nog wat moed kunt ontlenen gegeven de huidige nachtmerrie. Met een dergelijke eensgezindheid zou het zelfs mogelijk moeten zijn om nog wat positieve invloed uit te oefenen op de publieke opinie, en vervolgens ook op onze politici. Het is nu dus zeker niet het moment om oude rekeningen te vereffenen of oude polemieken nieuw leven in te blazen. En een goede gelegenheid voor zo’n minne strafexpeditie is er eigenlijk nooit: wanneer het uiteindelijk om de waarheid gaat, kun je niet spreken van laatkomers, en we weten uit het Evangelie dat de arbeiders die pas aan het eind van de middag komen, recht hebben op dezelfde beloning als degenen die al sinds de vroege morgen in de wijngaard hebben gewerkt.

Als we het echter vanuit een meer universele en filosofische invalshoek bekijken, zou één vraag echt boven moeten komen drijven: hoe en waarom proberen we onszelf meestal tegen de waarheid in bescherming te nemen?

Het zou bijvoorbeeld hoogst unfair zijn om te vragen: ‘Waarom deden Shirley MacLaine [geb. 1934 – ze leeft nog, AS] of professor Fairbank [John King Fairbank (1907-1991), AS] hun beruchte uitspraken over China?’ (Men zal zich vast herinneren dat in een tijd waarin China was weggezonken in een afgrond van ellende, onderdrukking en terreur, de eminente Harvard-historicus schreef: “De maoïstische revolutie is, over het geheel genomen, het beste wat het Chinese volk in vele eeuwen is overkomen.”) Een relevantere vraag zou zijn: ‘Waarom zijn we altijd weer bereid om Shirley MacLaine en professor Fairbank met zo veel intellectueel en moreel gezag te bekleden?’ Want uiteindelijk is het enige gezag waarop zij kunnen bogen, het gezag dat wij hun toekennen.

Wat mensen geloven is in wezen wat ze willen geloven. Ze cultiveren illusies uit idealisme – en ook uit cynisme. Ze volgen hun eigen toekomstdromen omdat dit hun religieuze verlangens bevredigt, maar ook uit opportunisme. Ze zoeken overtuigingen die hun ziel kunnen verheffen en die hun maag kunnen vullen. Ze geloven uit generositeit en ook omdat het hun belangen dient. Ze geloven omdat ze dom zijn, maar ook omdat ze slim zijn. Simpel gezegd: ze geloven om te overleven. En omdat ze moeten overleven, zouden ze soms met genoegen iedereen vermoorden die de botheid, wreedheid en onmenselijkheid heeft om de leugens waarop hun bestaan is gebaseerd niet te accepteren.

Als ik te horen krijg dat ik het altijd bij het rechte eind had met betrekking tot communistisch China, kan zo’n compliment (want het is meestal bedoeld als compliment) mijn ijdelheid nauwelijks strelen; sterker nog, het dwingt me om de redenen waarom ik mijn betrekkelijk solitaire standpunt innam opnieuw te onderzoeken, en de resultaten van zo’n onderzoek geven me weinig reden tot zelfvoldaanheid en nog minder reden om optimistisch te zijn over de toekomst. Wat mijzelf betreft, ik kon mijn lot al vele jaren geleden voorzien; het stond in duidelijk schrift te lezen op de wand (en ironisch genoeg vast niet in het Chinees).[3]

Laten we onszelf niet voor de gek houden. De feiten die ik de afgelopen twintig jaar heb beschreven waren misschien onsmakelijk en onverteerbaar – ze waren ook algemeen bekend. Je kon ze moeiteloos verzamelen – je hoefde er niet naar te zoeken, ze bleven maar op je afkomen; de evidentie was zo helder en direct als een klap voor je kop. Mijn eerste kennismaking met de politieke praktijk van het communisme was in 1967 in Hong Kong, toen ik voor mijn deur het stervende lichaam van een moedige Chinese journalist aantrof – enkele seconden nadat hij op gruwelijke wijze was verminkt door communistische boeven. Na die eerste elementaire kennismaking met de communistische politiek was de rest eenvoudig genoeg. De volgende jaren luisterde ik alleen naar de gesprekken van een paar Chinese vrienden en las ik elke dag bij het ontbijt een paar Chinese kranten. Deze bescheiden intellectuele toerusting stelde me uiteindelijk in staat om vier boeken te schrijven over de Chinese actualiteit[4], boeken die blijkbaar vrij degelijk en betrouwbaar waren, aangezien hun inhoud is bevestigd door latere historische ontwikkelingen en door de talloze ondubbelzinnige getuigenissen van Chinese ooggetuigen.

Toch durf ik te beweren dat het niet mogelijk is om in deze vier boeken – ook al werden ze een tijdlang als schokkend, schandalig en ketters beschouwd – één enkele eye-opener, één bijzondere voorstelling van zaken of ook maar één geheel eigen idee aan te treffen. Vanaf het allereerste begin vertaalde en transcribeerde ik slechts stof die destijds elke redelijk geïnformeerde Chinese intellectueel simpelweg zou hebben beschouwd als een kwestie van gezond verstand en van open deuren – tragisch, dat wel, maar ook volkomen banaal. De enige technische vaardigheid die nodig was voor deze taak – een vaardigheid die nauwelijks als bijzonder kan gelden, aangezien die door meer dan een miljard mensen op aarde wordt gedeeld – was een goede kennis van de Chinese taal. In zekere zin werd ik met mijn bescheiden transcripties uiteindelijk de Bouvard en Pécuchet van de Chinese politiek.[5]

Het lijkt zeer toepasselijk om hier het beeld op te roepen van Flauberts ijverige en serieuze dwazen. Als een man met een gemiddelde intelligentie (wiens moed helaas ver onder het gemiddelde ligt) inderdaad in staat was om een taak uit te voeren die de meeste van zijn even goed geïnformeerde en veel slimmere collega’s nooit op zich zouden willen nemen, is het vrij duidelijk dat hiervoor, naast de basisvoorwaarde van de taalbeheersing die ik zojuist heb genoemd, slechts één kwalificatie echt nodig was: een onalledaagse mate van dwaasheid.

Onder primitieve stammen genieten idioten en gekken een bijzonder respect en hebben ze bepaalde privileges. Omdat hun toestand hen bevrijdt van de normale beperkingen die gelden voor behoedzaamheid en wijsheid, kan het alleen aan hen toegestaan worden om de waarheid te spreken – een activiteit die vanzelfsprekend niet getolereerd wordt bij iemand die mentaal gezond is. Want de waarheid is van nature lelijk, primitief en wreed; ze verstoort, maakt bang, doet pijn en doodt. Als zij in sommige extreme situaties al toegepast moet worden, dan alleen in kleine doses, in strikte afzondering en met de meest rigoureuze profylactische voorzorgsmaatregelen. Wie bereid zou zijn om haar in het wilde weg te verspreiden, of om haar in grote hoeveelheden over ons uit te storten, zomaar zoals het komt, is een levensgevaarlijk en onverantwoordelijk persoon die aan banden gelegd moet worden in het belang van zijn eigen veiligheid, maar ook ter bescherming van de sociale samenhang.

In het boek Liezi (derde eeuw v.Chr.)[6] staat een parabel over een man die door een bijzonder talent dieven op het eerste gezicht kon herkennen: hij hoefde alleen maar naar een bepaalde plek tussen oog en voorhoofd te kijken en hij kon meteen zien of iemand een dief was. De koning besloot natuurlijk om hem een positie te geven bij het Ministerie van Justitie, maar voordat de man zijn benoeming kon aannemen, sloegen alle dieven van het koninkrijk de handen ineen en lieten hem vermoorden. Om deze reden werden mensen met een helder inzicht over het algemeen beschouwd als kreupelen op wie de doem rustte dat ze slecht aan hun einde zouden komen; dit verschijnsel noemt men in het Chinees ook wel: “De vloek van de man die de kleine visjes kon zien op de bodem van de oceaan”.

Maar soms, zoals we zojuist in Peking hebben gezien, wordt de waarheid ontketend. En zoals een rivier die buiten haar oevers treedt met geweld onze verdedigingsmechanismen onschadelijk maakt, breekt ze zich ongecontroleerd baan in onze levens, overstroomt ze onze gemoedelijke huizen en laat ze, zodat iedereen het zien kan, op hoge plaatsen midden op de straat de vissen achter die daarvoor in de diepte hadden geleefd.

Zulke vloedgolven kunnen erg beangstigend zijn; gelukkig zijn ze relatief zeldzaam en duren ze niet lang. Vroeg of laat trekt het water zich terug. Meestal gaan dappere ingenieurs meteen aan de slag en beginnen ze met het opnieuw aanleggen van de dijken. De laatste pogingen van de communistische propagandaorganen om te verklaren dat “er eigenlijk niemand gestorven is op het Plein van de Hemelse Vrede” getuigen misschien van een ietwat overdreven ijver (het doet denken aan de goede zielen die, ongetwijfeld om ons geloof in de menselijke natuur gauw weer te herstellen, volhielden dat gas in Auschwitz alleen werd gebruikt om luizen te doden), maar als we ze genoeg tijd geven, zullen ze er met hun zegenrijke activiteiten te zijner tijd zeker in slagen om de wonden te helen die het rauwe dumpen van de ongepolijste en niet-omzwachtelde waarheid heeft toegebracht aan onze gevoeligheden.

ls het niet zo dat de meesten van ons al snel een discrete blik op hun horloges werpen tijdens de ceremoniële ‘minuut stilte’ die soms in acht wordt genomen? Hoe lang moet een ‘fatsoenlijke pauze’ eigenlijk precies duren voordat we weer over kunnen gaan tot de orde van de dag in onze omgang met de slagers van Beijing? De seniele en onbehouwen despoten die besloten hebben om de jeugd, de hoop en de intelligentie van China af te slachten, hebben misschien heel wat misrekeningen gemaakt, maar in één opzicht hebben ze zich niet vergist: ze hebben slim ingeschat dat onze capaciteit om verontwaardigd te blijven zeer beperkt zou zijn.

De zakenmensen, politici en academische toeristen die al koffers aan het pakken zijn voor hun volgende reis naar Beijing zijn niet per se cynisch – hoewel sommigen van hen reeds hebben aangekondigd dat het hoofddoel van hun bezoek deze keer zal zijn om naar het Plein van de Hemelse Vrede te gaan om te rouwen om de martelaren! – en ze hebben misschien zelfs een punt als ze volhouden dat ze de hervormingsgezinde tendensen in China actief versterken door opnieuw in te gaan op de uitnodiging om aan te zitten aan het banket van de moordenaars. Ik wou alleen dat ze een wat zwakkere maag hadden.

Ah menselijkheid! – Ons aller droevige bekommernis! …[7]

Voetnoten van de vertaler

[1] Het stuk is opgedragen aan Hanfang, de echtgenote van Pierre Ryckmans.

[2] Verwezen wordt naar het bloedige einde dat de Chinese machthebbers maakten aan het Tiananmenprotest in 1989. Op 4 juni van dat jaar werd het protest neergeslagen met vele honderden doden tot gevolg.

[3] Een verwijzing naar het bijbelboek Daniël (hfdst. 5) waar een hand op de muur schreef: ‘Mene mene tekel ufarsin’ – meestal vertaald als: ‘gewogen, gewogen en te licht bevonden’. Het betekende dat het einde van het Babylonische rijk was aangebroken. Ik heb ten slotte de woorden ‘in duidelijk schrift’ die niet in het origineel voorkomen toegevoegd aan de vertaling – zonder die woorden is het Nederlands in mijn ogen niet geheel duidelijk.

[4] De titels van deze vier boeken som ik hierna op. Ik noem de Engelse vertalingen. De meeste boeken verschenen eerst – of tevens – in het Frans; de eerste twee zijn ook in Nederlandse vertaling verschenen: Chinese schimmen en De nieuwe kleren van voorzitter Mao):

  • Chinese Shadows (New York: Viking Press, 1977)
  • The Chairman’s New Clothes: Mao and the Cultural Revolution (London: Allison & Busby, 1979; New York: St Martin’s Press, 1977)
  • Human Rights in China (United Daily Newspaper, 1979)
  • Broken Images: Essays on Chinese Culture and Politics (London: Allison & Busby, 1979; New York: St Martin’s Press, 1980)

[5] Bouvard et Pécuchet zijn de hoofdfiguren van de gelijknamige onvoltooide roman van Gustave Flaubert. Ze begonnen als kopiïsten, maar ze begonnen naarmate het boek vorderde steeds geestdriftiger zich in alle wetenschappen te verdiepen om toch uiteindelijk maar het wereldraadsel te kunnen oplossen. Dat blijkt vooral dwaasheid op te leveren – hun streven bleek het streven van dwazen – en ze keerden weer terug naar het aanvankelijke nederige kopiïstenarbeid, hun overschrijfwerk.

[6] De Liezi (spreek uit als [Ljeh Dz], niet als [Lie Zie]) is een taoïstische tekst, die wordt toegeschreven aan Lie Yukou, een filosoof uit de 5e eeuw v.Chr. Het boek zou in later eeuwen zijn samengesteld. (Bron: Wikipedia).

[7] Misschien een partiële verwijzing naar de uitroep van Bartleby in de novelle van Herman Melville: Bartleby the Scrivener – A Story of Wall Street (1853). De advocaat roept als hij zijn cliënt Bartleby ten slotte dood aantreft in de hof van de gevangenis: “Ah, Bartlelby!  Ah, humanity.”

Winkelvoorraad – Konstantínos Kafávis

Inleiding
Konstantínos Kafávis (1863-1933) wordt beschouwd als de grootste moderne dichter van Griekenland. Hij werd in Alexandrië geboren als negende kind van een welgesteld koopmansgezin. Hij heeft een tijdlang in Engeland gewoond, maar keerde weer terug naar Griekenland. Hij was homoseksueel en had goede, maar weinig opvallende banen.

Zijn thema is het contrast tussen intense artistieke en lichamelijke genietingen en de voorbijgaande aard van alles wat zo groots en meeslepend lijkt, maar in wezen zo vergankelijk is. Hij gebruikt daartoe scènes uit de oudheid, maar hij slaagt er altijd in door zijn onopgesmukte stijl en zijn waarachtigheid dit thema heel dichtbij de lezer te brengen. Ithaka en Alexandrië zijn voor hem metaforen voor het leven zelf. Dat in dit gedicht Ithaka een metafoor is, houdt Kafávis aanvankelijk impliciet, al maakt hij het aan het eind wel duidelijk. Het lijkt een verhaaltje, maar wie enigszins versgevoelig is, voelt de enorme intensiteit van zo’n gedicht.

Hij gebruikte oudgrieks en moderngrieks door elkaar in zijn poëzie, een eigenschap die de vertaler in de moderne Europese talen niet kan nabootsen. In zijn vroege gedichten kwam soms nog onregelmatig rijm voor, later liet hij dat steeds meer los. De versregels hebben soms een jambisch metrum, maar heel vaak houdt hij zich ook daar niet strak aan.

Het gedicht
Het gedicht beschrijft hoe een juwelier annex edelsmid zijn mooiste creaties apart houdt voor zichzelf omdat ze het beste vertegenwoordigen wat hij in huis heeft, het meest gedurfde is wat hij kon maken, het diepste vertegenwoordigen wat hij kent. Aan klanten verkoopt hij zeker wel prachtige dingen maar het kostbaarste wat hij bezit verkoopt hij niet.

Zoals bijna altijd bij Kafávis wordt met een centrale metafoor in vrij gewone woorden beschreven wat de kern is van zijn – en vaak ook onze – menselijkheid. Het mooiste wat wij hebben is verborgen, blijft in een kluis liggen, is niet te koop. Hij maakt de intensiteit van onze kern voelbaar zoals maar weinig andere dichters dat kunnen.

Ik beheers geen Grieks, en ik heb dus eigenlijk gedaan wat niet mag. Aan de hand van een drietal vertalingen, twee Nederlandse en een Engelse, heb ik een eigen vertaling gemaakt. Mijn enige verontschuldiging is dat ook vertalers van naam en faam soms gebruik maken van de vertalingen van anderen die de taal wel beheersen. De gebruikte Engelse vertaling behoort overigens tot de hoogst gewaardeerde vertalingen in het Engelse taalgebied.

In Frankrijk heeft Marguerite Yourcenar de gedichten vertaald, met hulp van iemand die het Grieks goed beheerste – zo ziet u maar.

Ik heb in dit geval een vertaalpoging gewaagd omdat ik hoopte nog iets te kunnen toevoegen: ik wilde het gedicht nog wat natuurlijker in het Nederlands laten klinken zonder de nuances uit het oog te verliezen. Maar vertalen is natuurlijk ook altijd de intiemste manier om een gedicht nabij te komen.

Ik heb gebruik gemaakt van de volgende vertalingen: (1) Vertaling Hans Warren en Mario Molegraaf; (2) Vertaling G.H. Blanken (zie bron [1]); (3) Vertaling Edmund Keeley en Philip Sherrard.

Bronnen: ik heb de volgende publicaties en websites geraadpleegd:

  1. K.P. Kafávis, Verzamelde gedichten (vert. G.H. Blanken), Amsterdam: Polak & Van Gennip 1977, dl.1, p.85
  2. Dertig gedichten Konstantinos P. Kaváfis (Vertaling Hans Warren en Mario Molengraaf), De Tweede Ronde, jrg. 4 (1983) – deze door dbnl gedigitaliseerde publicatie bevat ook het Griekse origineel
  3. Wim Hottentot Niet helemaal gespeend van Grieks’Maatstaf, Jrg. 32 (1984)
  4. W.H. Auden, Forewords and Afterwords, New York: Vintage Books 1974, p.333-444
  5. Joseph Brodsky, Less than One, New York: Farrar Strauss Giroux 1986, p.53-68
  6. Website Onassis: For the Shop – Vertaling Edmund Keeley en Philip Sherrard

Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

Winkelvoorraad

Hij wikkelde ze keurig en met zorg
in kostbare groene zijde.
Rozen van robijn, lelies in parelschikking,
violen van amethyst: ze vormen zijn beeld van schoonheid,
zijn verlangen – niet zoals hij ze zag in de natuur,
niet als in boeken. Hij zal ze in de kluis laten
als blijk van zijn durf, zijn kunstvaardigheid.
En telkens als er een klant in de winkel komt,
haalt hij andere dingen tevoorschijn – de mooiste sieraden:
armbanden, halssnoeren, kettinkjes, ringen.

Origineel

Bron: Dertig gedichten Konstantinos P. Kaváfis (Vertaling Hans Warren en Mario Molengraaf)

De gebruikte vertalingen zijn (1) Vertaling Hans Warren en Mario Molegraaf; (2) Vertaling G.H. Blanken (Verzamelde gedichten, dl.1, p.85); (3) Vertaling Edmund Keeley en Philip Sherrard.

De Nieuwe Zeeman – R.S. Thomas

Inleiding
Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilder Mildred Eldridge (1909-1991).

[Deze intro kunt u verder overslaan, als u al eerder mijn vertalingen van R.S. Thomas onder ogen hebt gehad. Het nieuwe deel begint onder het hoofdje Gedicht met de woorden: Het door mij vertaalde gedicht …]

R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).

Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.

In een treffend filmpje uit 1996 dat Bloodaxe Books beschikbaar heeft gemaakt – hier raadpleegbaar – zegt Thomas (vanaf 4’18”):

“Mocht er sowieso later nog aan mij gedacht worden, dan zal dat wel zijn om de intensiteit van een paar gedichten die ik heb geschreven. Maar, los van de gedichten, als mens hoop ik dat m’n voorbeeld van iemand die ervan hield buiten te zijn, die hield van de aardse dingen, en die het talent had meegekregen om ze niet alleen te horen maar ook te zien, voor anderen een zeker nut heeft gehad.”

Het gedicht
Het door mij vertaalde gedicht – The New Mariner – is een karakteristiek Thomas-gedicht. Thomas’ religieuze preoccupaties zijn aanwezig, en tevens de moeilijkheden die dat met zich meebrengt.

De titel bevat een verwijzing naar een bekend gedicht van Samuel Taylor Coleridge (1772-1834), The Rime of the Ancient Mariner – De Ballade van de Oude Zeeman – dat werd gepubliceerd in 1798 in een poëziebundel met als titel The Lyrical Ballads, een bundel die Coleridge schreef samen met William Wordsworth (1770-1850). The Lyrical Ballads wordt vaak beschouwd als het begin van de romantiek in de Engelse letteren.

De Ballade van de Oude Zeeman vertelt in detail over de ervaringen van een zeeman die terugkeert van een lange zeereis. De zeeman houdt een man staande die op weg is naar een huwelijkssluiting en begint zijn verhaal te vertellen. De reactie van de huwelijksgenodigde gaat van geamuseerdheid naar ongeduld naar angst naar fascinatie als het verhaal verder gaat, wat ook blijkt uit de stijl en het taalgebruik in het gedicht (overgenomen van Wikipedia).

De Nieuwe Zeeman van het gedicht bevindt zich het liefst in de stilte. Die stilte is voor hem rijk is aan interactie met de natuur, met het goddelijke in de natuur. En daarover vertelt hij anderen met woorden.

Maar het gepraat over die stilte wordt al gauw zinloos en verliest de betekenis die de zeeman erin ervaart. Het blijkt meestal een rationeel verhaal te zijn waarin feit gekoppeld wordt aan feit, en waarin de kern verloren gaat.

De enige ruimte die de ik-figuur nog overblijft is de God-ruimte, een term die (vermoed ik) ontleend is aan de theoloog Paul Tillich die net als Thomas veel heeft nagedacht over afwezigheid en aanwezigheid van God in de moderne wereld.

Aan deze ruimte wordt dan de beeldspraak van de astronaut ontleend, een figuur die – net als De Nieuwe Zeeman – al gauw verstrikt raakt in door de rede gedicteerd zinledig gepraat, druk als hij zich maakt om passerende genodigden die op weg zijn naar het huwelijk van het ene kale feit met het andere.

Het gedicht staat op p.388 van The Collected Poems 1945-1990. Het stond oorspronkelijk in de bundel Between Here and Now (1981).

Theodore Dalrymple verwijst naar dit gedicht in zijn interessante beschouwing over leven en werk van R.S. Thomas, een stuk dat ook in vertaling beschikbaar is op deze website: Een stem die klinkt als van gene zijde.


Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

De Nieuwe Zeeman

In de stilte die
het medium is waarin hij
bij voorkeur communiceert en
waarover hij anderen vertelt
met woorden. Kun je eraan
ontkomen een speelbal te zijn
van de rede? Voor mij is er nu
alleen nog de God-ruimte
waarin ik mijn sondes
uitzend. Ik had uitgekeken
naar de oude dag als een tijd
van rust, een tijd om m’n horizonnen
om me heen te trekken,
herinneringen te zien rijpen
in het zonlicht van een ommuurde tuin.
Maar er is een leegte
boven mijn hoofd, er zijn de diepten
binnen in mij waaruit onvermoeibaar
signalen komen. Als astronaut
die onmogelijke reizen aflegt
naar de verste uithoeken van het ik,
keer ik terug met boodschappen
die ik niet kan ontcijferen, ben er
babbelziek over, maak me druk over de
passerende auto die driftig op weg is
naar het huwelijk van kaal feit
        met kaal feit.

Origineel

The New Mariner

In the silence
that is his chosen medium
of communication and telling
others about it
in words. Is there no way
not to be the sport
of reason? For me now
there is only the God-space
into which I send out
my probes. I had looked forward
to old age as a time
of quietness, a time to draw
my horizons about me,
to watch memories ripening
in the sunlight of a walled garden.
But there is the void
over my head and the distance
within that the tireless signals
come from. And astronaut
on impossible journeys
to the far side of the self
I return with messages
I cannot decipher, garrulous
about them, worrying the car
of the passer-by, hot on his way
to the marriage of plain fact
        with plain fact.

De predikant wendt zich tot theologiestudenten – Christian Wiman

Inleiding

Christian Wiman (1966- ) is een Amerikaanse dichter en vertaler. Hij werd geboren in Texas, is getrouwd, en werkt aan Yale University als Professor of the Practice of Religion and Literature. Hij geeft college aan Yale Divinity School en Yale Institute of Sacred Music. Hij is religieus in christelijke zin.

[Deze intro kunt u verder overslaan, als u al eerder mijn vertalingen van Christian Wiman onder ogen hebt gehad. Het nieuwe deel begint met de woorden: Het door mij vertaalde gedicht …]

Wiman lijdt aan een traag voortschrijdende, ongeneeslijke ziekte. Het gedicht From one Time – elders op deze website in vertaling (Tijdsovergang) beschikbaar bevat de uitdrukking die de titel leverde van het door Willem Jan Otten vertaalde boek My Bright Abyss: Mijn heldere afgrond. De ondertitel van dat boek luidt: Meditation of a Modern BelieverOverpeinzingen van een moderne gelovige.

Stevo Akkerman schreef in het dagblad Trouw een sympathieke column (met interview-elementen) over dit boek. Willem Jan Otten schreef een verhelderend essay in Trouw.

Uit Akkermans column citeer ik de volgende passage – degene die aan het woord is, is uiteraard Wiman zelf:

“Het geloof gidst me in de richting van een leven waarin ik tekortschiet, niet in een leven waarin alles me toevalt. Ik geloof dat je jezelf geen christen moet noemen, net zomin als dichter – het is iets dat je nastreeft, niet iets dat je bent. Het kan je gegeven zijn op momenten in je leven, maar in de tussentijd ben je er geen eigenaar van. Zoals ik zeg in het boek: ik heb de pijn van het ongeloof nooit gevoeld voordat ik begon te geloven. God is vaak pijn voor me, geen balsem.”

En nog een treffend citaat uit dat stuk, dit keer over het Amerikaanse geloof in jezelf dat het christelijke geloof corrumpeert:

Het Amerikaanse succesevangelie, met God als de leverancier van voorspoed, geluk en gezondheid, noemt Wiman onzinnig. “Het idee dat God je beloont als je geloof maar groot genoeg is, is in feite kwaadaardig. Ik moet zeggen dat het me erg verwart dat mijn leven enerzijds zo naar God en het christendom toe beweegt, terwijl ik anderzijds zo vervreemd ben van de manier waarop die religie in dit land wordt vormgegeven.”

En ten slotte nog een veelzeggend citaat uit He Held Radical Light (2018):

“Poetry itself—like life, like love, like any spiritual hunger—thrives on longings that can never be fulfilled, and dies when the poet thinks they have been. And what is true for the poem is true for the poet: “No layoff from this condensery,” as Lorine Niedecker says, no respite from the calling that comes in the form of a question, no ultimate arrival at an answer that every arrangement of words is trying to be. Perhaps only bad poets become poets. The good ones, though they may wax vatic and oracular in public, and though they may even have full-fledged masterpieces behind them, know full well that they can never quite claim the name.”

Een interessante lezing (ongeveer een half uur) over het onderwerp Geloof en Literatuur vindt u hier.

Het gedicht

Het door mij vertaalde gedicht – The Preacher Addresses the Seminarians – is een dramatische monoloog, een tirade eigenlijk, tegen een gemakzuchtig geloof dat maar al te vaak wordt aangemoedigd door gemakzuchtige preken. Het eindigt met een verrassende wending waarbij een bok de rol lijkt te vervullen die Christus in het evangelie heeft, een plaatsvervangende rol waarvan we de betekenis vaak niet lijken te beseffen, zozeer hebben we het met onszelf te doen. Ook speelt een weddenschap à la Blaise Pascal een rol.

In een interview met Wiman geeft hij enige toelichting bij de totstandkoming van dit gedicht:

Image Journal: ‘The Preacher Addresses the Seminarians’ is a dramatic monologue that combines humor and a certain astringent realism about human nature. (…) The poem starts out as a butt-kicking handed out by the preacher to presumably naïve seminary students but by the conclusion the speaker utters a poignant confession. In the end, it seems to be about the need for preachers, as well as laypeople, to “help untold souls back into their bodies.” If that’s true, what does that phrase mean?

CW: I wrote this poem long before coming to Yale. I’ve just sat on it for a few years, as I usually do with my poems.

I suppose the poem is on one level about the body/spirit distinction, the fallacy of that. So many of us float—in our minds, our beliefs, our loves, our art—above the “No” that our actions express. The No to existence, I mean, to reality. Karl Barth has a great quote somewhere about the duty of every Christian to say “Yes” to existence, whatever it may bring you.

The traditional Christian distinction between heaven and earth is not helpful to me. I wrote somewhere or other that to love one’s life is to assent to its terms, the severest of which is death. (That’s the lesson the preacher learns in the incident with the goat, which is of course the same lesson that Jesus taught.) I think it’s the duty of preachers to ease people back into their bodies, back into the reality they must not only deal with but even come to love—and again, the hardest part of this is death. “Untold” has two meanings in the poem. It means innumerable, of course, but it also means quite literally “those who have not been told” the good news, which is also bad news (“costing not less than everything,” as Eliot put it). So that’s what the preacher is trying to teach the seminarians.

Het gedicht is heel rijk van taal, en het bevat bovendien een aantal neologismen: gluefutured, churchcurdled, unthunder die ook met neologismen vertaald zijn.

Aurora Borealis is het Noorderlicht. Ik heb gekozen voor theologiestudenten en niet voor seminaristen, omdat dat laatste woord in het Nederlands – anders dan in het Engels – vrij exclusief voor katholoieke priesteropleidingen wordt gebruikt.

Hominy, hominy is maïspap, maïspap in het Engels, iets licht verteerbaars dus, en het klinkt een beetje naar ‘homiletiek’ – preekkunde. Ik heb er ‘preekpulp, paaspap’ van gemaakt.

Het gedicht is opgenomen in de bundel Once in the West, New York: Farrar, Straus and Giroux 2014.


Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

De predikant wendt zich tot theologiestudenten

Laat ik zeggen het is soms een klote-bestaan op zondag
en ‘t is verkeerd om te doen alsof je niet hoeft te doen alsof,

alsof je niet die toekomstkleffe zeikerds Hoop en Hulp hoeft aan te spannen
om de ellendige strijdwagen van jezelf vooruit te geselen

naar wat voor hel dan ook die jouw hemel is op zulke dagen.
Er is honger voor nodig, zeg ik je, die geen hemel kan stillen

om zo verwrongen te letten op het pedaalspel van die lieve organist,
zo sissend alert te zijn op de vormeloosheid van haar koorkleed.

Dan nu, broeders en zusters, de schuldbelijdenis,
preekpulp, paaspap, zuurzoete zegengroet, weer een koket kerkslaperig lied

dat we niet zingen, maar afraffelen: doodse alten, raspende tenoren,
twee die het doen, tien die licht in verwarring hun lippen meebewegen.

En nu jij, dominee. Laat de donderdans stoppen. Even een pislauw aanrakinkje
met de realiteit. Een stukje evangelie dat je eruit perst.

Ik zeg soms tegen jullie dat genade niks anders is
als bevrijding uit dit homiletisch hologram, een klein vleespasje

opzij, om zo te zeggen, we zetten hartstocht op autopilot (alsof het dat niet al is!)
om vredig te staren naar jullie van onvree borrelende parochianen:

drankneuzen en faceliften, slechte hypotheken, taaie huwelijken,
een metselwerk van koppen, tegelijk eender en anders,

en hier en daar die extatische hongerige blik die overspringt
van de een op de ander, jaar in, jaar uit, als een heilige griep.

Al deze kleine kiertjes waarin je gekropen bent
als een dikke stukadoor met nutteloos gereedschap:

Hier, een gedichtje voor als je vrouw doodgaat.
Hier, laat maar lekker doodgaan, jouw levensellende.

Ik zeg je dat op sommige zondagen zelfs het kinderpreekje –
misschien dat wel speciaal – een aanslag is op je maag

als een bek vergif waaraan een bier-slurpende
bok, dronken of per abuis, gretig de voorkeur geeft.

Ik weet wat je denkt. Het draait hier om Christus.
Hij komt er wel, die ouwe streber, want hoe dan ook, ergens

is er het wondervlees, het aurora borealis-bloed,
waarvan elk atoom wordt ingepast in een graf

en nu juist wat elk mens verliezen moet om gered te worden.
Goed, vrienden, vandaag ga ik jullie twee dingen zeggen.

Allereerst, al is dit voor mij niet een van die zwartgallig-schrijnende dagen,
al sta ik in feite vóór jullie met een zinderend geloof

en heb ik goede hoop dat jullie allemaal zullen helpen
bij de terugkeer van die vele onwetende zielen in hun lichaam,

bij het beredderen van het verwoestende Nee waarop ze drijven,
de waarheid is dat onze enige redder mislukking is.

En dat brengt me bij het tweede ding: die bok.
Die was echt. Het is, als zo vaak, het afschuiven van verantwoordelijkheid

dat de leugen is. Het was lang geleden, Mexico, ‘k werd geplaagd door demonen:
‘t was een weddenschap waarvan ik niet zag wat er op het spel stond.

Hij wankelde. Hij schuimbekte. Hij wrong tijd uit tot een geladen stilte,
en schopte af en toe, en lag daar te stuiptrekken, kijkend hoe ik stierf.

Origineel

The Preacher Addresses the Seminarians

I tell you it’s a bitch existence some Sundays
and it’s no good pretending you don’t have to pretend,

don’t have to hitch up those gluefutured nags Hope and Help
and whip the sorry chariot of yourself

toward whatever hell your heaven is on days like these.
I tell you it takes some hunger heaven itself won’t slake

to be so twitchingly intent on the pretty organist’s pedaling,
so lizardly alert to the curvelessness of her choir robe.

Here it comes, brothers and sisters, the confession of sins,
hominy hominy, dipstick doxology, one more churchcurdled hymn

we don’t so much sing as haunt: grounded altos, gear-grinding tenors,
two score and ten gently bewildered men lip-synching along.

You’re up, Pastor. Bring on the unthunder. Some trickle-piss tangent
to reality. Some bit of the Gospel grueling out of you.

I tell you sometimes mercy means nothing
but release from this homiletic hologram, a little fleshstep

sideways, as it were, setting passion on autopilot (as if it weren’t!)
to gaze out in peace at your peaceless parishioners:

boozeglazes and facelifts, bad mortgages, bored marriages,
a masonry of faces at once specific and generic,

and here and there that rapt famished look that leaps
from person to person, year to year, like a holy flu.

All these little crevices into which you’ve crawled
like a chubby plumber with useless tools:

Here, have a verse for your wife’s death.
Here, have a death for your life’s curse.

I tell you some Sundays even the children’s sermon
— maybe especially this — sharks your gut

like a bite of tin some beer-guzzling goat
either drunkenly or mistakenly decides to sample.

I know what you’re thinking. Christ’s in this.
He’ll get to it, the old cunner, somewhere somehow

there’s the miracle meat, the aurora borealis blood,
every last atom compacted to a grave

and the one thing that every man must lose to save.
Well, friends, I’m here to tell you two things today.

First, though this is not, for me, one of those bilious abrading days,
though in fact I stand before you in a rage of faith

and have all good hope that you will all go help
untold souls back into their bodies,

ease the annihilating No above which they float,
the truth is our only savior is failure.

Which brings me to the second thing: that goat.
It was real. It is, as is usually the case, the displacement of agency

that is the lie. It was long ago, Mexico, my demon days:
It was a wager whose stakes I failed to appreciate.

He tottered. He flowered. He writhed time to a fraught quiet,
and kicked occasionally, and lay there twitching, watching me die.

Eeuwen – R.S. Thomas

R.S. Thomas in tweevoud (afbeelding komt voor op de omslag van de bundel Uncollected Poems)

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilder Mildred Eldridge (1909-1991).

[Deze intro kunt u verder overslaan, als u al eerder mijn vertalingen van R.S. Thomas onder ogen hebt gehad. Het nieuwe deel begint met de woorden: Het door mij vertaalde gedicht …]

R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).

Een aardig artikel over Thomas’ leven en werk is van de hand van Theodore DalrympleA Man Out of Time.

Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.

In een treffend filmpje uit 1996 dat Bloodaxe Books beschikbaar heeft gemaakt – hier raadpleegbaar – zegt Thomas (vanaf 4’18”):

“Mocht er sowieso later nog aan mij gedacht worden, dan zal dat wel zijn om de intensiteit van een paar gedichten die ik heb geschreven. Maar, los van de gedichten, als mens hoop ik dat m’n voorbeeld van iemand die ervan hield buiten te zijn, die hield van de aardse dingen, en die het talent had meegekregen om ze niet alleen te horen maar ook te zien, voor anderen een zeker nut heeft gehad.”

Het door mij vertaalde gedicht beschrijft een aantal eeuwen, de vijftiende tot en met de twintigste. Elke eeuw wordt kort gekarakteriseerd, waarbij ik me wel een paar vrijheden heb veroorloofd bij de vertaling: ‘een woordenschat stropen uit de lach van de koning’, leek me in het Nederlands minder geslaagd.

Het gedicht mondt uit in de twintigste eeuw, een eeuw die weinig begrenzingen kende: zowel in positieve zin – wetenschap en techniek ontwikkelden zich op een duizelingwekkende manier – als in negatieve zin: de moordpartijen tartten eveneens elke verbeelding. R.S. Thomas legt in het afsluitende distichon impliciet een verband tussen beide vormen van grenzeloosheid.

Het gedicht is te vinden in de Collected Poems 1945-1990, Londen: Phoenix 2000, p.416. Eerder uitgegeven door J.M. Dent in 1993.


Geluidsopname

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling

Eeuwen

De vijftiende komt langs met trommel en kuras;
de monnik slaat het gade door het rooster van de geest.

De zestiende zet zijn pet op, verheft luide zijn stem
om zinnigheid te ontfutselen aan de lach van de koning.

De zeventiende draagt om zijn nek een kanten kraag,
vlees dat zich afwendt van de vlam van de geest.

De achttiende heeft hoge koorts en suizend bloed,
Maar reinigt zijn neusgat met een snuifje puntigheid.

De negentiende komt uit die oude grotten tevoorschijn
Zijn ogen uitwrijvend bij een uitzicht van glas.

De twintigste is waarnaar hij zo uitkeek
Zijn vleugels stukslaand tegen een raam dat ontbreekt.

Origineel

Centuries

The fifteenth passes with drums and in armour;
the monk watches it through the mind’s grating.

The sixteenth puts on his cap and bells
to poach vocabulary from a king’s laughter.

The seventeenth wears a collar of lace
at its neck, the flesh running from thought’s candle.

The eighteenth has a high fever and hot blood,
but clears it nostrils with the snuff of wit.

The nineteenth emerges from history’s cave
rubbing its eyes at the glass prospect.

The twentieth is what it looked forward to
beating its wings at windows that are not there.