Adam Zagajewski (1945-2021) is een Poolse dichter, vertaler, essayist en romanschrijver. Hij werd geboren in Lviv, wat nu in Oekraïne ligt. In zijn tijd was het nog Polen. Het is wel veelzeggend en treurig dat er geen Nederlands Wikipedia-artikel van hem bestaat.
Zagajewski behoort tot een uitzonderlijke generatie Poolse dichters waartoe ook Czesław Miłosz, Zbigniew Herbert (1924-1998), Wisława Szymborska (1923-2012), Tadeusz Różewicz (1921-2014) behoorden. Wat me treft bij Zagajewski is het besef dat gruwel en vreugde onlosmakelijk verbonden zijn, dat ze samen ons leven uitmaken.
Een heel mooi interview met Zagajewski verscheen in De Groene op 17 april 2019: Bezing het verminkte continent – een verwijzing – een citaat zelfs – naar zijn beroemdste gedicht. Interviewer is de schrijver Jan Postma.
Ik citeer graag een stukje uit het gesprek dat jan Postma met hem voerde:
Enfin, ik heb ook dit gedicht van Zagajewski (net als het vorige) vertaald zonder Pools te beheersen. Ik heb in dit geval de Engelse vertaling van Clare Cavanagh vertaald.
De vertaling van Clare Cavanagh staat in mijn eiditie van Mysticism for Beginners, New York: Farrar, Straus and Giroux 1997, op p.3.
Het gedicht beschrijft een ervaring tijdens een lange rit door Frankrijk. Zagajewski contrasteert de snelheid en de oppervlakkigheid van de autorit met zijn verlangen naar contemplatie, overdenking, eeuwigheid.
De versregel in het latijn is een psalmcitaat en komt voor in Gregoriaanse gezangen – de gezangen waarnaar de hoofdpersoon luistert tijdens de autorit. De versregel betekent: “Heer, hoor naar mijn gebed“.
Geluidsopname
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling
Een snel gedicht
Ik beluisterde Gregoriaanse liederen in een voortsnellende auto op een snelweg in Frankrijk. Bomen vlogen voorbij. Stemmen van monniken zongen de lof van een ongeziene god (bij zonsopgang, klappertandend in een kapel) Domine, exaudi orationem meum, bepleitten mannenstemmen kalm alsof het heil zojuist was opgekomen in de tuin. Waar ging ik naar toe? Waar verborg zich de zon? Mijn leven lag aan flarden aan weerszijden van de weg, broos als een wegenkaart. Samen met de goede monniken ging ik op weg naar de wolken, donkerblauw, diep, zwaar, richting de toekomst, de afgrond, harde hageltranen opslokkend. Nog lang geen zonsopgang, nog lang geen thuis. Waar muren hoorden – blik. In plaats van een wake – een race. Reizen in plaats van overdenking. Een snel gedicht voor een loflied. Een kleine, vermoeide ster snelde vooruit en het asfalt van de snelweg glom, toonde waar de aarde was, waar het scheermes van de horizon wachtte, samen met de zwarte spin van avond en nacht – weduwe van al die dromen.
Origineel
A Quick Poem
I was listening to Gregorian chants in a speeding car on a highway in France. The trees rushed past. Monks’ voices sang praises to an unseen god (at dawn in a chapel trembling with cold). Domine, exaudi orationem meum, male voices pleaded calmly as if salvation were just growing in the garden. Where was I going? Where was the sun hiding? My life lay tattered on both sides of the road, brittle as a paper map. With the sweet monks I made my way toward the clouds, deep blue, heavy, dense, toward the future, the abyss, gulping hard tears of hail. Far from dawn. Far from home. In place of walls — sheet metal. Instead of a vigil — a flight. Travel instead of remembrance. A quick poem instead of a hymn. A small, tired star raced up ahead and the highway’s asphalt shone, showing where the earth was, where the horizon’s razor lay in wait, and the black spider of evening and night, widow of so many dreams.
Ten geleide Ik denk dat u nog nooit van Nelly Sachs (1891-1970) hebt gehoord. Ze is ongeveer van de leeftijd van mijn (overleden) grootouders – iets ouder – en ze heeft in 1966, samen met de Israëlische schrijver Shmuel Yosef Agnon, de Nobelprijs voor Literatuur gekregen.
Het door mij vertaalde gedicht is geïnspireerd door het werk van Nelly Sachs die in Zweden de droeve taak op zich nam om de verschrikkingen van de Holocaust in dichtvorm vast te leggen.
Het gedicht is opgedragen aan Ryszard Kryniscki (1943-), een Poolse dichter. Een interessant artikel van de Nederlandse vertaler Gerard Rasch (1946-2004) – De Poolse wrong – waarin zowel Zagajewski als Kryniscki ter sprake komt, vindt u hier.
Adam Zagajewski (1945-2021) is een Poolse dichter, vertaler, essayist en romanschrijver. Hij werd geboren in Lviv, wat nu in Oekraïne ligt. In zijn tijd was het nog Polen. Het is wel veelzeggend en treurig dat er geen Nederlands Wikipedia-artikel van hem bestaat.
Zagajewski behoort tot een uitzonderlijke generatie Poolse dichters waartoe ook Czesław Miłosz, Zbigniew Herbert (1924-1998), Wisława Szymborska (1923-2012), Tadeusz Różewicz (1921-2014) behoorden. Wat me treft bij Zagajewski is het besef dat gruwel en vreugde onlosmakelijk verbonden zijn, dat ze samen ons leven uitmaken.
Een heel mooi interview met Zagajewski verscheen in De Groene op 17 april 2019: Bezing het verminkte continent – een verwijzing – een citaat zelfs – naar zijn beroemdste gedicht. Interviewer is de schrijver Jan Postma.
Ik citeer graag een stukje uit het gesprek dat jan Postma met hem voerde:
Enfin, ik heb ook dit gedicht van Zagajewski (net als het vorige) vertaald zonder Pools te beheersen. Ik heb in dit geval de Engelse vertaling van Clare Cavanagh vertaald.
De vertaling van Clare Cavanagh staat in mijn eiditie van Mysticism for Beginners, New York: Farrar, Straus and Giroux 1997, op p.49.
Geluidsopname
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling
Ze schreef in het donker [Uit: Adam Zagajewski, Three Angels, Krakow: Wydawnictwo Literakie 1998]
Voor Ryszard Krynicki
Nelly Sachs werkte ‘s nachts bij schemerlicht toen ze woonde in Stockholm, om haar moeder niet wakker te maken.
Ze schreef in het donker. Wanhoop schonk woorden, zwaar als de staart van een komeet.
Ze schreef in het donker, in een stilte die slechts onderbroken werd door het zuchten van de klok.
Zelfs de letters werden slaperig – hun kopjes hingen op ‘t papier.
Het donker schreef door een rijpere vrouw met uitbundige pen.
Nacht omgaf haar met meelij; het gevang van de grauwe ochtend daagde over de stad, in zachtrode tinten.
Terwijl ze wegdoezelde ontwaakten de merels, en het verdriet bleef, niets onderbrak toen het lied.
Engelse vertaling van Clare Cavanagh
She Wrote in Darkness [From Three Angels, Adam Zagajewski, Wydawnictwo Literakie, Krakow, 1998]
To Ryszard Krynicki
While living in Stockholm Nelly Sachs worked at night by a dim lamp, so as not to waken her sick mother.
She wrote in darkness. Despair dictated words heavy as a comet’s tail.
She wrote in darkness, in silence broken only by the wall clock’s sighs.
Even the letters grew drowsy, their heads drooping on the paper.
Darkness wrote, having taken this middle-aged woman for its fountain pen.
Night took pity on her, morning’s gray prison rose over the city, rosy-fingered dawn.
While she dozed off the blackbirds woke and there was no break in the sorrow and song.
Adam Zagajewski (1945-2021) is een Poolse dichter, vertaler, essayist en romanschrijver. Hij werd geboren in Lviv, wat nu in Oekraïne ligt. In zijn tijd was het nog Polen. Het is wel veelzeggend en treurig dat er geen Nederlands Wikipedia-artikel van hem bestaat.
Zagajewski behoort tot een uitzonderlijke generatie Poolse dichters waartoe ook Czesław Miłosz, Zbigniew Herbert (1924-1998), Wisława Szymborska (1923-2012), Tadeusz Różewicz (1921-2014) behoorden. Wat me treft bij Zagajewski is het besef dat gruwel en vreugde onlosmakelijk verbonden zijn, dat ze samen ons leven uitmaken.
Een heel mooi interview met Zagajewski verscheen in De Groene op 17 april 2019: Bezing het verminkte continent – een verwijzing – een citaat zelfs – naar zijn beroemdste gedicht. Interviewer is de schrijver Jan Postma.
Ik citeer graag een stukje uit het gesprek dat jan Postma met hem voerde:
Enfin, ik heb ook dit gedicht van Zagajewski (net als het vorige) vertaald zonder Pools te beheersen. Ik heb het origineel gebruikt om vormkenmerken te achterhalen, ik heb een machinevertaling (DeepL) gebruikt om te zien wat het Poolse origineel betekende, en ik heb de Engelse vertaling van Clare Cavanagh gebruikt om te controleren dat ik mij niet volkomen zou vergissen.
Het hier vertaalde gedicht is ook het titelgedicht van een dichtbundel. De dichter zag toevallig een boektitel op een terras bij een lezende Duitse man. Deze titel die een beetje goedkoop klinkt – er had bijna ‘Mystiek voor dummies’ kunnen staan – zet niettemin een trein van herinneringen in beweging die eindigt met de verrassende conclusie dat al die herinneringen in wezen worden samengevat met de boektitel die ook de titel is van het gedicht.
Het Poolse woord ‘prolegomena’ – inleidende opmerkingen – is een vrij ongewoon woord dat je bij wijze van spreken alleen bij Kant en Schopenhauer aantreft. Dat is ook in het Nederlands zo. Ik heb het daarom letterlijk overgenomen. Met dank aan de polonist Arent van Nieukerken.
Het Poolse woord ‘jaskółki’ heb ik niet met ‘zwaluwen’ maar met ‘gierzwaluwen’ vertaald. Zwaluwen kwetteren vooral. Door de straten jagende vogels die sprekend op zwaluwen lijken (maar het niet zijn) en die een luid, schril geluid maken zijn gierzwaluwen (die ook daadwerkelijk in Montepulciano voorkomen).
Geluidsopname
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling
Mystiek voor beginners
De dag was lieflijk, het licht aangenaam. Op het terras zat een Duitse man met een klein boekje op schoot. Ik kon de titel zien: Mystiek voor beginners. Plotseling begreep ik dat de gierzwaluwen die met hun schrille roep patrouilleerden door de straten van Montepulciano, en de gedempte gesprekken van schuwe reizigers uit Oost-Europa, vaak Centraal-Europa genoemd, en de witte reigers die stapten – gisteren, eergisteren? – als nonnen door de rijstvelden, en de schemering die langzaam maar zeker de silhouetten van middeleeuwse huisjes wegvaagde, en de olijfbomen op de lage hellingen, die overgeleverd waren aan hitte en wind, en het gelaat van de Onbekende Prinses dat ik gezien en bewonderd had in het Louvre, en gebrandschilderde ramen als vleugels van vlinders, bestrooid met het stuifmeel van bloemen, en de kleine nachtegaal die zijn lied reciteerde vlak naast de snelweg, en dat elke reis, al die reizen, slechts opmaat zijn, mystiek voor beginners, de inleidende cursus, de prolegomena van een toets die wordt uitgesteld tot later.
Origineel
Engelse vertaling van Clare Cavanagh
Mysticism for Beginners
The day was mild, the light was generous. The German on the café terrace held a small book on his lap. I caught sight of the title: Mysticism for Beginners. Suddenly I understood that the swallows patrolling the streets of Montepulciano with their shrill whistles, and the hushed talk of timid travelers from Eastern, so-called Central Europe, and the white herons standing—yesterday? the day before?— like nuns in fields of rice, and the dusk, slow and systematic, erasing the outlines of medieval houses, and olive trees on little hills, abandoned to the wind and heat, and the head of the Unknown Princess that I saw and admired in the Louvre, and stained-glass windows like butterfly wings sprinkled with pollen, and the little nightingale practicing its speech beside the highway, and any journey, any kind of trip, are only mysticism for beginners, the elementary course, prelude to a test that’s been postponed.
Als hovaardige student had ik er aardigheid in om te zeggen dat de hel reëler is dan de hemel, dat de kunstenaars van alle tijden en plaatsen meer ruimte boden aan gruwel dan aan vreugde, dat de aarde een afschuwelijk tranendal is. De meeste mensen vinden het niet fijn om dat te horen, en daarom vond ik het leuk om dat te zeggen.
Misschien is het goed om er iets aan toe te voegen (ik ben net zestig geworden): gruwel en vreugde bestaan allebei. Ik word ontroerd door schoonheid, door kleine gebaren van mensen die ik liefheb en hoog acht, door mijn schoonvader die in het verzorgingshuis naar ons zwaait als we vertrekken, ook al vergeet hij bijna alles, ook al doet hij bij het klimmen van de jaren steeds meer dingen onhandig of ronduit fout. Ook liefde bestaat.
Wat me treft bij de Poolse dichter Adam Zagajewski (1945-2021) is het besef dat gruwel en vreugde onlosmakelijk verbonden zijn, dat ze samen ons leven uitmaken.
Een heel mooi interview met Zagajewski verscheen in De Groene op 17 april 2019: Bezing het verminkte continent – een verwijzing – een citaat zelfs – naar zijn beroemdste gedicht. Interviewer is de schrijver Jan Postma. Het citaat is genomen uit het beroemde gedicht waarvan ik hieronder een vertaling publiceer. Het werd eerder vertaald door de goede vertaler Gerard Rasch – maar diens vertaling heb ik niet onder ogen gehad (afgezien van de regels die Postma citeert). Op de vondst van Rasch ‘het zoute niets’ ben ik jaloers, maar ik wilde die om voor de hand liggende redenen niet gebruiken.
Zagajewski is een Poolse dichter, vertaler, essayist en romanschrijver. Hij werd geboren in Lviv, wat nu in Oekraïne ligt. In zijn tijd was het nog Polen. Het is wel veelzeggend en treurig dat er geen Nederlands Wikipedia-artikel van hem bestaat.
Ik citeer graag een stukje uit het gesprek dat jan Postma met hem voerde:
Enfin, ik heb ook dit gedicht van Zagajewski (net als het vorige) vertaald zonder Pools te beheersen. Ik heb het origineel gebruikt om vormkenmerken te achterhalen, ik heb een machinevertaling (DeepL) gebruikt om te zien wat het Poolse origineel betekende, en ik heb de Engelse vertaling van Clare Cavanagh gebruikt om te controleren dat ik mij niet volkomen zou vergissen.
In dit gedicht wordt een wereld beschreven die verre van volmaakt is – kreupel, verminkt. Maar ook de mooie momenten bestaan. En het licht dat steeds terugkeert, en dat jou in staat stelt te zien.
Geluidsopname
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling
Prijs als je kunt deze kreupele wereld
Prijs als je kunt deze kreupele wereld. Denk terug aan die lange dagen in juni, aan wilde aardbeien, slokjes rosé. De brandnetels die stelselmatig de lege huisjes van de ballingen begroeien. Prijs dan deze kreupele wereld. Je zag sierlijke zeiljachten en schepen; één zeilde er af voor een lange reis, een ander voor een zilte vergetelheid. Je zag radeloze vluchtelingen, beulen die vrolijke liederen zongen. Kom, prijs deze kreupele wereld. Denk aan de momenten dat we samen waren in een witte kamer met wuivende gordijnen. Haal terug dat concert met onstuimige muziek. In de herfst verzamelde je eikels in het park, bladeren dwarrelden over de littekens van de aarde. Prijs deze kreupele wereld, het grauwe veertje dat een lijster verloor, het zachte licht dat ronddwaalt en verdwijnt en terugkeert.
Origineel
Engelse vertaling van Clare Cavanagh
Try to Praise the Mutilated World
Try to praise the mutilated world. Remember June’s long days, and wild strawberries, drops of rosé wine. The nettles that methodically overgrow the abandoned homesteads of exiles. You must praise the mutilated world. You watched the stylish yachts and ships; one of them had a long trip ahead of it, while salty oblivion awaited others. You’ve seen the refugees going nowhere, you’ve heard the executioners sing joyfully. You should praise the mutilated world. Remember the moments when we were together in a white room and the curtain fluttered. Return in thought to the concert where music flared. You gathered acorns in the park in autumn and leaves eddied over the earth’s scars. Praise the mutilated world and the gray feather a thrush lost, and the gentle light that strays and vanishes and returns.
Ik leef al een poosje met de Poolse schrijver en dichter Adam Zagajewski (1945-2021). Een heel mooi interview met hem verscheen in De Groene op 17 april 2019: Bezing het verminkte continent – een verwijzing – een citaat zelfs – naar zijn beroemdste gedicht. Interviewer is de schrijver Jan Postma.
Zagajewski is een Poolse dichter, vertaler, essayist en romanschrijver. Hij werd geboren in Lviv, wat nu in Oekraïne ligt. In zijn tijd was het nog Polen. Het is wel veelzeggend en treurig dat er geen Nederlands Wikipedia-artikel van hem bestaat.
Ik citeer graag een stukje uit het gesprek dat jan Postma met hem voerde:
Enfin, ik heb een gedicht van Zagajewski vertaald zonder Pools te beheersen. Ik heb het origineel gebruikt om vormkenmerken te achterhalen, ik heb een machinevertaling (DeepL) gebruikt om te zien wat het Poolse origineel betekende, en ik heb de Engelse vertaling van Clare Cavanagh gebruikt om te controleren dat ik mij niet volkomen zou vergissen.
Het gedicht beschrijft heel gewone, kalme dingen, maar je voelt aan alles dat er een grote onderhuidse spanning is: zonsondergang, rood, vogels die gaan zwijgen, de nacht die verstomt, zonnenbloemen die aan de galg lijken te hangen, stof, hagedissen die beschutting zoeken. Die spanning bouwt op tot wat gerust een apotheose kan worden genoemd: drie versregels, drie woorden, ‘jou’.
Dat slotwoordje ‘jou’ kan uiteraard betrekking hebben op de liefde. Het ontleent zijn dramatische kracht mede aan die associatie. Maar toch ligt het erg voor de hand om – gegeven de openingsregels ‘Ik schreef maandenlang / geen enkel gedicht’ – ook aan een periode van poëtische droogte te denken, een ‘writers block’, een toestand die eindigt met de totstandkoming van dit gedicht. Het is een bevrijding uit de tobberijen over macht en angst en dood en kleine dingen die onbeduidend schijnen. Al die dingen blijken toch heel goed bruikbaar te zijn, getransformeerd te kunnen worden tot betekenisvolle elementen van een gedicht. En daarmee verwijst dat woordje ‘jou’ vooral ook naar het gedicht dat u straks onder ogen krijgt (of reeds gelezen hebt). Om die reden heb ik het woord ’transformation’, dat ik aanvankelijk vertaald had met ‘alles anders’, alsnog (28-3-2025 – onder dank aan een gesprekspartner uit mijn naaste omgeving) vertaald met ’transformatie’. En uiteraard heb ik daarmee ook de titel van de vertaling gewijzigd in ‘Transformatie’.
Ik schreef maandenlang geen enkel gedicht. Ik leefde eenvoudig, las de krant, overdacht het raadsel van de macht, het waarom van gehoorzaamheid. Ik keek naar de ondergaande zon (scharlakenrood, vervuld van angst); ik hoorde vogels die stil werden, en de nacht die verstomde. Ik zag zonnebloemen in de schemer met hangende hoofden, alsof een achteloze beul zijn gang door de tuinen had gemaakt. Zacht septemberstof verzamelde zich op vensterbanken, en hagedissen kropen weg in spleten van muren. Ik maakte lange wandelingen, hunkerend naar slechts één ding: bliksem, transformatie, jou.
Origineel
Engelse vertaling van Clare Cavanagh
Transformation
I haven’t written a single poem in months. I’ve lived humbly, reading the paper, pondering the riddle of power and the reasons for obedience. I’ve watched sunsets (crimson, anxious), I’ve heard the birds grow quiet and night’s muteness. I’ve seen sunflowers dangling their heads at dusk, as if a careless hangman had gone strolling through the gardens. September’s sweet dust gathered on the windowsill and lizards hid in the bends of walls. I’ve taken long walks, craving one thing only: lightning, transformation, you.
Op het sociale medium BlueSky werd ik op 31 december 2024 via Jacobine SDJ attent gemaakt op een gedicht van Maggie Smith: Rain, New Year’s Eve. Jacobine had me daarvoor ook al geattendeerd op Maggie Smith’s Good Bones – Een prima skelet – waarvan ik gisteren al een vertaling had geplaatst.
Maggie Smith (1977-) is een Amerikaanse dichter, schrijver en redacteur. (Er was ook een beroemde Britse actrice met die naam, maar die is in 2024 overleden.)
Smith werd in 1977 geboren in Columbus, Ohio, en studeerde af met een Master in Fine Arts aan Ohio State University. Ze is freelance redacteur, docent en schrijver. Ze heeft drie poëziebundels gepubliceerd, een paar ‘chapbooks’, een essaybundel en een ‘memoir’ – wat in dit geval zeggen wil een boek waarin ze de scheiding met haar voormalige echtgenoot en de vader van haar twee kinderen beschrijft en verwerkt. De titel van dat laatste boek luidt: You Could Make This Place Beautiful, wat de slotzin is van haar beroemdste gedicht Good Bones. Ze ontving een groot aantal prijzen voor haar creatieve werk.
Het vertaalde gedicht – Rain, New Year’s Eve – is een moedergedicht in de edelste zin van dat woord. De hoofdpersoon probeert van de wereld te houden, zoals ze van haar soms woeste, soms lieve, soms vieze zoontje houdt, ook als de wereld haar teleurstelt, ook als die wereld koud en druilerig is, zoals zo vaak bij een jaarwisseling.
Het gedicht is opgebouwd uit tweeregelige strofen zonder rijm, met een mooi ritme en een fraaie slotstrofe die verwijst naar de openingsstrofe.
Ik heb het gedicht overgenomen van BlueSky – Maggie Smith postte het zelf op 31 december 2024, met de volgende toelichting:
It’s NYE & raining here. I wrote this poem in 2013, so the five-year-old is now sixteen.
Even when it’s hard to love the world unconditionally, and it’s never not hard, here’s to imagining what might be possible and what we can make so.
Love from here on a rainy Tuesday.
Geluidsopname
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling
Regen, oudejaarsavond
De regen is een kapotte piano die dezelfde noot speelt – steeds, steeds weer.
Dat zei mijn kind van vijf. Nu al weet ze dat houden van de wereld
betekent van gewiebel houden waar niks tegen helpt, geknars dat je niet kunt
weg-oliën – de stukken aan elkaar geflanst met touw en kauwgom als in MacGyver.
Laat me houden van die koude regentokkel. Laat me houden van de wereld, zoals ik hou
van m’n zoontje, en niet alleen als hij m’n wangen vasthoudt met plakhanden,
maar ook als hij, in het rond rauzend, per ongeluk mijn lip laat bloeden.
Laat me van de wereld houden als een moeder. Laat me zacht zijn als die me teleurstelt.
Laat me luisteren naar die ene regen-noot, en daarin een beginnersliedje horen.
Origineel
Rain, New Year’s Eve
The rain is a broken piano, playing the same note over and over.
My five-year-old said that. Already she knows loving the world
means loving the wobbles you can’t shim, the creaks you can’t
oil silent—the jerry-rigged parts, MacGyvered with twine and chewing gum.
Let me love the cold rain’s plinking. Let me love the world the way I love
my young son, not only when he cups my face in his sticky hands,
but when, roughhousing, he accidentally splits my lip.
Let me love the world like a mother. Let me be tender when it lets me down.
Let me listen to the rain’s one note and hear a beginner’s song.
Op het sociale medium BlueSky werd ik op 31 december 2024 via Jacobine SDJ attent gemaakt op een gedicht van Maggie Smith: Good Bones.
Jacobine SDJ – de afkorting SDJ in de accountnaam vind ik heel leuk gevonden: SDJ slaat zowel op Jacobines achternaam als op het ambt dat ze bekleed – vond het een heel mooi gedicht en ze had zelf ook een fraaie vertaling gemaakt (de hyperlink is alleen te gebruiken als je beschikt over een aangemeld BlueSky-account). Ik heb er vervolgens ook mijn best op gedaan. Ik heb bij mijn hier gepubliceerde vertaling ook geprofiteerd van een paar opmerkingen die Jacobine SDJ had gemaakt n.a.v. een eerste vertaalpoging – waarvoor dank!
Maggie Smith (1977-) is een Amerikaanse dichter, schrijver en redacteur. (Er was ook een beroemde Britse actrice met die naam, maar die is in 2024 overleden.)
Smith werd in 1977 geboren in Columbus, Ohio, en studeerde af met een Master in Fine Arts aan Ohio State University. Ze is freelance redacteur, docent en schrijver. Ze heeft drie poëziebundels gepubliceerd, een paar ‘chapbooks’, een essaybundel en een ‘memoir’ – wat in dit geval zeggen wil een boek waarin ze de scheiding met haar voormalige echtgenoot en de vader van haar twee kinderen beschrijft en verwerkt. De titel van dat laatste boek luidt: You Could Make This Place Beautiful, wat de ironische slotzin is van het gedicht dat ik hier heb vertaald, maar wat zeker ook kan opgevat als een uitdrukking van verlangen – voor zichzelf en voor haar kinderen. Ze ontving een groot aantal prijzen voor haar creatieve werk.
Het vertaalde gedicht – Good Bones – schreef Smith in 2016, en het ging destijds ‘viral’ zoals dat heet – meer dan een miljoen mensen hebben het via sociale mediakanalen gelezen. Het is een gedicht dat een wat minder rooskleurig beeld van het leven schetst – het leven duurt maar kort en de wereld kent veel narigheid. Maar je kunt het leven ook op duizend heerlijke en dwaze manieren leiden, al maak je het daarmee wel korter.
Het vers eindigt met zelfspot: de hoofdpersoon probeert haar kinderen enthousiast te maken voor het leven en de wereld, maar daarvoor gebruikt ze het voorbeeld van een makelaar die een bouwval met rooskleurige praatjes hoopt te verkopen. ‘Een prima skelet’ verwijst naar het leven dat maar zo kort is, en natuurlijk ook naar het geronk van de makelaar die erop wijst dat het geraamte van de bouwval prima in orde is.
En toch, en toch – we moeten allemaal wat van ons leven zien te maken. De truc van het gedicht is dat ruim de helft van het leven uit narigheid bestaat – en wat minder dan de helft uit iets anders, misschien zelfs iets moois. Maar het moois blijft heel abstract, en de narigheid wordt met zeer concrete beelden beschreven. De slotregels klinken vervolgens positief, en ze zijn ook positief, maar ze komen rechtstreeks voort uit de narigheid van ronkende makelaarspraatjes.
Good Bones is ook de titel van één van Maggie Smith’s dichtbundels.
Het gedicht heeft geen of weinig rijm, is opgetrokken uit herhalingen, en het kent een fraaie opbouw met een verrassend slotakkoord.
Hier vindt u het gedicht op de website van Poetry Foundation.
PS Gebruiker Navifax wees mij erop (BlueSky) dat de slotzinnen niet alleen – of zelfs niet in de eerste plaats – ironisch te lezen zijn, maar dat het eerder gaat om iets ‘dat grenst aan een smeekbede’. De ironie lijkt me onmiskenbaar, maar ik begrijp toch wel wat ze bedoelt. Ik heb twee keer ‘een mooi plekje’ vervangen door ‘iets moois’. Onder dank!
Geluidsopname:
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling
Een prima skelet
Leven is kort, al houd ik dit stil voor m’n kinderen. Leven is kort – en ‘k heb het mijne korter gemaakt op wel duizend heerlijke, dwaze manieren, wel duizend, heerlijk-dwaze manieren die ik stil houd voor m’n kinderen. De wereld is zeker voor vijftig procent narigheid – conservatieve schatting – al houd ik dit stil voor mijn kinderen. Naast elke vogel, wordt een steen gegooid naar een vogel. Naast elk geliefd kind, een kind verscheurd, in een zak gestopt, in een meer gegooid. Leven is kort en de wereld is zeker voor de helft narigheid, en naast elke lieve vreemdeling, is er één die jou wil verscheuren, al houd ik dit stil voor mijn kinderen. Ik probeer ze de wereld aan te prijzen. Elke keurige makelaar die jou door een stinkend krot geleidt, kakelt over een prima skelet: Dit kan iets moois worden, nietwaar? Jij kunt hier iets moois van maken.
Origineel
Good Bones
Life is short, though I keep this from my children. Life is short, and I’ve shortened mine in a thousand delicious, ill-advised ways, a thousand deliciously ill-advised ways I’ll keep from my children. The world is at least fifty percent terrible, and that’s a conservative estimate, though I keep this from my children. For every bird there is a stone thrown at a bird. For every loved child, a child broken, bagged, sunk in a lake. Life is short and the world is at least half terrible, and for every kind stranger, there is one who would break you, though I keep this from my children. I am trying to sell them the world. Any decent realtor, walking you through a real shithole, chirps on about good bones: This place could be beautiful, right? You could make this place beautiful.
Ten geleide In de New York Review of Books, het nummer van 22 juli 1989, schreef de sinoloog en intellectueel Simon Leys, pseudoniem van Pierre Ryckmans (1935-2014), een stuk op verzoek.
Nadat het studentenprotest op het Tiananmenplein in Beijing – in Nederland ook bekend als Het Plein van de Hemelse Vrede – bloedig was neergeslagen, vroeg men hem hoe het toch kwam dat hij – samen met een paar anderen – het communistische bewind van Mao Zedong tot Deng Xiaoping vaak zo accuraat had beschreven en ingeschat, terwijl er zo veel grote geleerden, kunstenaars en belangrijke schrijvers daarover de grootste onzin hadden verkondigd.
Leys’ antwoord op die vraag is het stuk waarvan hierna de vertaling volgt. Het is een typerend Leys-stuk waarin hij tegelijk bescheiden, ironisch en scherp is. En hij bedient zich – zoals zo vaak – van verhelderende voorstellingen en parabels.
Leys schreef het mooiste, scherpste en waarachtigste proza dat er na de Tweede Wereldoorlog geschreven is. Hij heeft meer gedaan dan wie ook om een eind te maken aan de westerse gevoeligheid (die ongeveer duurde van 1960-1985) voor de totalitaire, communistische verleiding.
Zijn bekendste werk, essays die een démasqué van het Chinese communisme behelzen, schreef hij onder het pseudoniem Simon Leys: Les habits neufs du président Mao (De nieuwe kleren van Voorzitter Mao), in 1971, en Ombres Chinoises (Chinese schimmen), in 1974.
Hij gaf met zijn boek Chinese schimmen een krachtige impuls aan wat bekend staat als ‘Het China-debat’, een debat over de waarde van de maoïstische revolutie voor China en de wereld, waaraan in Nederland onder anderen W.F. Wertheim, Rudy Kousbroek, Renate Rubinstein, Anja Meulenbelt en Martin van Amerongen meededen. Hij schreef zijn enige roman La mort de Napoléon (De dood van Napoleon) in 1986. Hij publiceerde de door hem vertaalde Analects of Confucius (Uitspraken van Confucius) in 1997. Zijn mooiste en veelzijdigste essaybundel is misschien wel zijn laatste: The Hall of Uselessness, uit 2011. Hij was een bewonderaar van G.K. Chesterton, Emile Cioran, C.S. Lewis en George Orwell. Hij ontving belangrijke prijzen in het Franse en Engelse taalgebied.
Simon Leys The New York Review of Books Gepubliceerd: 20 juli 1989; gedateerd: 22 juni 1989
Voor Hanfang [1]
Sinds de moordpartijen in Beijing[2] is de vraag al een paar keer onbewimpeld aan mij gesteld: “Waarom zaten de meeste opinieleiders er zo voortdurend naast als ze over China spraken? Wat maakte dat u en nog een paar andere commentatoren in staat waren om de dingen te zien zoals ze werkelijk waren, en waarom luisterde er bijna nooit iemand naar u?”
In eerste instantie heb ik alle uitnodigingen om te schrijven over dit thema afgeslagen. Het idee om bovenop een berg Chinese dode lichamen te gaan staan – als een kip die zojuist een ei heeft gelegd – en triomfantelijk te kakelen: “Ik heb het jullie toch gezegd! Ik heb het jullie toch gezegd!”, is niet bepaald aantrekkelijk. Bovendien is er voor het eerst in vele decennia een opmerkelijke en roerende eensgezindheid ontstaan met betrekking tot China; dit zou ons nog iets van troost kunnen schenken – feitelijk is dat het enige waaraan je nog wat moed kunt ontlenen gegeven de huidige nachtmerrie. Met een dergelijke eensgezindheid zou het zelfs mogelijk moeten zijn om nog wat positieve invloed uit te oefenen op de publieke opinie, en vervolgens ook op onze politici. Het is nu dus zeker niet het moment om oude rekeningen te vereffenen of oude polemieken nieuw leven in te blazen. En een goede gelegenheid voor zo’n minne strafexpeditie is er eigenlijk nooit: wanneer het uiteindelijk om de waarheid gaat, kun je niet spreken van laatkomers, en we weten uit het Evangelie dat de arbeiders die pas aan het eind van de middag komen, recht hebben op dezelfde beloning als degenen die al sinds de vroege morgen in de wijngaard hebben gewerkt.
Als we het echter vanuit een meer universele en filosofische invalshoek bekijken, zou één vraag echt boven moeten komen drijven: hoe en waarom proberen we onszelf meestal tegen de waarheid in bescherming te nemen?
Het zou bijvoorbeeld hoogst unfair zijn om te vragen: ‘Waarom deden Shirley MacLaine [geb. 1934 – ze leeft nog, AS] of professor Fairbank [John King Fairbank (1907-1991), AS] hun beruchte uitspraken over China?’ (Men zal zich vast herinneren dat in een tijd waarin China was weggezonken in een afgrond van ellende, onderdrukking en terreur, de eminente Harvard-historicus schreef: “De maoïstische revolutie is, over het geheel genomen, het beste wat het Chinese volk in vele eeuwen is overkomen.”) Een relevantere vraag zou zijn: ‘Waarom zijn we altijd weer bereid om Shirley MacLaine en professor Fairbank met zo veel intellectueel en moreel gezag te bekleden?’ Want uiteindelijk is het enige gezag waarop zij kunnen bogen, het gezag dat wij hun toekennen.
Wat mensen geloven is in wezen wat ze willen geloven. Ze cultiveren illusies uit idealisme – en ook uit cynisme. Ze volgen hun eigen toekomstdromen omdat dit hun religieuze verlangens bevredigt, maar ook uit opportunisme. Ze zoeken overtuigingen die hun ziel kunnen verheffen en die hun maag kunnen vullen. Ze geloven uit generositeit en ook omdat het hun belangen dient. Ze geloven omdat ze dom zijn, maar ook omdat ze slim zijn. Simpel gezegd: ze geloven om te overleven. En omdat ze moeten overleven, zouden ze soms met genoegen iedereen vermoorden die de botheid, wreedheid en onmenselijkheid heeft om de leugens waarop hun bestaan is gebaseerd niet te accepteren.
Als ik te horen krijg dat ik het altijd bij het rechte eind had met betrekking tot communistisch China, kan zo’n compliment (want het is meestal bedoeld als compliment) mijn ijdelheid nauwelijks strelen; sterker nog, het dwingt me om de redenen waarom ik mijn betrekkelijk solitaire standpunt innam opnieuw te onderzoeken, en de resultaten van zo’n onderzoek geven me weinig reden tot zelfvoldaanheid en nog minder reden om optimistisch te zijn over de toekomst. Wat mijzelf betreft, ik kon mijn lot al vele jaren geleden voorzien; het stond in duidelijk schrift te lezen op de wand (en ironisch genoeg vast niet in het Chinees).[3]
Laten we onszelf niet voor de gek houden. De feiten die ik de afgelopen twintig jaar heb beschreven waren misschien onsmakelijk en onverteerbaar – ze waren ook algemeen bekend. Je kon ze moeiteloos verzamelen – je hoefde er niet naar te zoeken, ze bleven maar op je afkomen; de evidentie was zo helder en direct als een klap voor je kop. Mijn eerste kennismaking met de politieke praktijk van het communisme was in 1967 in Hong Kong, toen ik voor mijn deur het stervende lichaam van een moedige Chinese journalist aantrof – enkele seconden nadat hij op gruwelijke wijze was verminkt door communistische boeven. Na die eerste elementaire kennismaking met de communistische politiek was de rest eenvoudig genoeg. De volgende jaren luisterde ik alleen naar de gesprekken van een paar Chinese vrienden en las ik elke dag bij het ontbijt een paar Chinese kranten. Deze bescheiden intellectuele toerusting stelde me uiteindelijk in staat om vier boeken te schrijven over de Chinese actualiteit[4], boeken die blijkbaar vrij degelijk en betrouwbaar waren, aangezien hun inhoud is bevestigd door latere historische ontwikkelingen en door de talloze ondubbelzinnige getuigenissen van Chinese ooggetuigen.
Toch durf ik te beweren dat het niet mogelijk is om in deze vier boeken – ook al werden ze een tijdlang als schokkend, schandalig en ketters beschouwd – één enkele eye-opener, één bijzondere voorstelling van zaken of ook maar één geheel eigen idee aan te treffen. Vanaf het allereerste begin vertaalde en transcribeerde ik slechts stof die destijds elke redelijk geïnformeerde Chinese intellectueel simpelweg zou hebben beschouwd als een kwestie van gezond verstand en van open deuren – tragisch, dat wel, maar ook volkomen banaal. De enige technische vaardigheid die nodig was voor deze taak – een vaardigheid die nauwelijks als bijzonder kan gelden, aangezien die door meer dan een miljard mensen op aarde wordt gedeeld – was een goede kennis van de Chinese taal. In zekere zin werd ik met mijn bescheiden transcripties uiteindelijk de Bouvard en Pécuchet van de Chinese politiek.[5]
Het lijkt zeer toepasselijk om hier het beeld op te roepen van Flauberts ijverige en serieuze dwazen. Als een man met een gemiddelde intelligentie (wiens moed helaas ver onder het gemiddelde ligt) inderdaad in staat was om een taak uit te voeren die de meeste van zijn even goed geïnformeerde en veel slimmere collega’s nooit op zich zouden willen nemen, is het vrij duidelijk dat hiervoor, naast de basisvoorwaarde van de taalbeheersing die ik zojuist heb genoemd, slechts één kwalificatie echt nodig was: een onalledaagse mate van dwaasheid.
Onder primitieve stammen genieten idioten en gekken een bijzonder respect en hebben ze bepaalde privileges. Omdat hun toestand hen bevrijdt van de normale beperkingen die gelden voor behoedzaamheid en wijsheid, kan het alleen aan hen toegestaan worden om de waarheid te spreken – een activiteit die vanzelfsprekend niet getolereerd wordt bij iemand die mentaal gezond is. Want de waarheid is van nature lelijk, primitief en wreed; ze verstoort, maakt bang, doet pijn en doodt. Als zij in sommige extreme situaties al toegepast moet worden, dan alleen in kleine doses, in strikte afzondering en met de meest rigoureuze profylactische voorzorgsmaatregelen. Wie bereid zou zijn om haar in het wilde weg te verspreiden, of om haar in grote hoeveelheden over ons uit te storten, zomaar zoals het komt, is een levensgevaarlijk en onverantwoordelijk persoon die aan banden gelegd moet worden in het belang van zijn eigen veiligheid, maar ook ter bescherming van de sociale samenhang.
In het boek Liezi (derde eeuw v.Chr.)[6] staat een parabel over een man die door een bijzonder talent dieven op het eerste gezicht kon herkennen: hij hoefde alleen maar naar een bepaalde plek tussen oog en voorhoofd te kijken en hij kon meteen zien of iemand een dief was. De koning besloot natuurlijk om hem een positie te geven bij het Ministerie van Justitie, maar voordat de man zijn benoeming kon aannemen, sloegen alle dieven van het koninkrijk de handen ineen en lieten hem vermoorden. Om deze reden werden mensen met een helder inzicht over het algemeen beschouwd als kreupelen op wie de doem rustte dat ze slecht aan hun einde zouden komen; dit verschijnsel noemt men in het Chinees ook wel: “De vloek van de man die de kleine visjes kon zien op de bodem van de oceaan”.
Maar soms, zoals we zojuist in Peking hebben gezien, wordt de waarheid ontketend. En zoals een rivier die buiten haar oevers treedt met geweld onze verdedigingsmechanismen onschadelijk maakt, breekt ze zich ongecontroleerd baan in onze levens, overstroomt ze onze gemoedelijke huizen en laat ze, zodat iedereen het zien kan, op hoge plaatsen midden op de straat de vissen achter die daarvoor in de diepte hadden geleefd.
Zulke vloedgolven kunnen erg beangstigend zijn; gelukkig zijn ze relatief zeldzaam en duren ze niet lang. Vroeg of laat trekt het water zich terug. Meestal gaan dappere ingenieurs meteen aan de slag en beginnen ze met het opnieuw aanleggen van de dijken. De laatste pogingen van de communistische propagandaorganen om te verklaren dat “er eigenlijk niemand gestorven is op het Plein van de Hemelse Vrede” getuigen misschien van een ietwat overdreven ijver (het doet denken aan de goede zielen die, ongetwijfeld om ons geloof in de menselijke natuur gauw weer te herstellen, volhielden dat gas in Auschwitz alleen werd gebruikt om luizen te doden), maar als we ze genoeg tijd geven, zullen ze er met hun zegenrijke activiteiten te zijner tijd zeker in slagen om de wonden te helen die het rauwe dumpen van de ongepolijste en niet-omzwachtelde waarheid heeft toegebracht aan onze gevoeligheden.
ls het niet zo dat de meesten van ons al snel een discrete blik op hun horloges werpen tijdens de ceremoniële ‘minuut stilte’ die soms in acht wordt genomen? Hoe lang moet een ‘fatsoenlijke pauze’ eigenlijk precies duren voordat we weer over kunnen gaan tot de orde van de dag in onze omgang met de slagers van Beijing? De seniele en onbehouwen despoten die besloten hebben om de jeugd, de hoop en de intelligentie van China af te slachten, hebben misschien heel wat misrekeningen gemaakt, maar in één opzicht hebben ze zich niet vergist: ze hebben slim ingeschat dat onze capaciteit om verontwaardigd te blijven zeer beperkt zou zijn.
De zakenmensen, politici en academische toeristen die al koffers aan het pakken zijn voor hun volgende reis naar Beijing zijn niet per se cynisch – hoewel sommigen van hen reeds hebben aangekondigd dat het hoofddoel van hun bezoek deze keer zal zijn om naar het Plein van de Hemelse Vrede te gaan om te rouwen om de martelaren! – en ze hebben misschien zelfs een punt als ze volhouden dat ze de hervormingsgezinde tendensen in China actief versterken door opnieuw in te gaan op de uitnodiging om aan te zitten aan het banket van de moordenaars. Ik wou alleen dat ze een wat zwakkere maag hadden.
Ah menselijkheid! – Ons aller droevige bekommernis! …[7]
Voetnoten van de vertaler
[1] Het stuk is opgedragen aan Hanfang, de echtgenote van Pierre Ryckmans.
[2] Verwezen wordt naar het bloedige einde dat de Chinese machthebbers maakten aan het Tiananmenprotest in 1989. Op 4 juni van dat jaar werd het protest neergeslagen met vele honderden doden tot gevolg.
[3] Een verwijzing naar het bijbelboek Daniël (hfdst. 5) waar een hand op de muur schreef: ‘Mene mene tekel ufarsin’ – meestal vertaald als: ‘gewogen, gewogen en te licht bevonden’. Het betekende dat het einde van het Babylonische rijk was aangebroken. Ik heb ten slotte de woorden ‘in duidelijk schrift’ die niet in het origineel voorkomen toegevoegd aan de vertaling – zonder die woorden is het Nederlands in mijn ogen niet geheel duidelijk.
[4] De titels van deze vier boeken som ik hierna op. Ik noem de Engelse vertalingen. De meeste boeken verschenen eerst – of tevens – in het Frans; de eerste twee zijn ook in Nederlandse vertaling verschenen: Chinese schimmen en De nieuwe kleren van voorzitter Mao):
Human Rights in China (United Daily Newspaper, 1979)
Broken Images: Essays on Chinese Culture and Politics (London: Allison & Busby, 1979; New York: St Martin’s Press, 1980)
[5] Bouvard et Pécuchet zijn de hoofdfiguren van de gelijknamige onvoltooide roman van Gustave Flaubert. Ze begonnen als kopiïsten, maar ze begonnen naarmate het boek vorderde steeds geestdriftiger zich in alle wetenschappen te verdiepen om toch uiteindelijk maar het wereldraadsel te kunnen oplossen. Dat blijkt vooral dwaasheid op te leveren – hun streven bleek het streven van dwazen – en ze keerden weer terug naar het aanvankelijke nederige kopiïstenarbeid, hun overschrijfwerk.
[6] De Liezi (spreek uit als [Ljeh Dz], niet als [Lie Zie]) is een taoïstische tekst, die wordt toegeschreven aan Lie Yukou, een filosoof uit de 5e eeuw v.Chr. Het boek zou in later eeuwen zijn samengesteld. (Bron: Wikipedia).
[7] Misschien een partiële verwijzing naar de uitroep van Bartleby in de novelle van Herman Melville: Bartleby the Scrivener – A Story of Wall Street (1853). De advocaat roept als hij zijn cliënt Bartleby ten slotte dood aantreft in de hof van de gevangenis: “Ah, Bartlelby! Ah, humanity.”
Inleiding Konstantínos Kaváfis (1863-1933) wordt beschouwd als de grootste moderne dichter van Griekenland. Hij werd in Alexandrië geboren als negende kind van een welgesteld koopmansgezin. Hij heeft een tijdlang in Engeland gewoond, maar keerde weer terug naar Griekenland. Hij was homoseksueel en had goede, maar weinig opvallende banen.
Zijn thema is het contrast tussen intense artistieke en lichamelijke genietingen en de voorbijgaande aard van alles wat zo groots en meeslepend lijkt, maar in wezen zo vergankelijk is. Hij gebruikt daartoe scènes uit de oudheid, maar hij slaagt er altijd in door zijn onopgesmukte stijl en zijn waarachtigheid dit thema heel dichtbij de lezer te brengen. Ithaka en Alexandrië zijn voor hem metaforen voor het leven zelf. Dat in dit gedicht Ithaka een metafoor is, houdt Kaváfis aanvankelijk impliciet, al maakt hij het aan het eind wel duidelijk. Het lijkt een verhaaltje, maar wie enigszins versgevoelig is, voelt de enorme intensiteit van zo’n gedicht.
Hij gebruikte oudgrieks en moderngrieks door elkaar in zijn poëzie, een eigenschap die de vertaler in de moderne Europese talen niet kan nabootsen. In zijn vroege gedichten kwam soms nog onregelmatig rijm voor, later liet hij dat steeds meer los. De versregels hebben soms een jambisch metrum, maar heel vaak houdt hij zich ook daar niet strak aan.
Het gedicht Het gedicht beschrijft hoe een juwelier annex edelsmid zijn mooiste creaties apart houdt voor zichzelf omdat ze het beste vertegenwoordigen wat hij in huis heeft, het meest gedurfde is wat hij kon maken, het diepste vertegenwoordigen wat hij kent. Aan klanten verkoopt hij zeker wel prachtige dingen maar het kostbaarste wat hij bezit verkoopt hij niet.
Zoals bijna altijd bij Kaváfis wordt met een centrale metafoor in vrij gewone woorden beschreven wat de kern is van zijn – en vaak ook onze – menselijkheid. Het mooiste wat wij hebben is verborgen, blijft in een kluis liggen, is niet te koop. Hij maakt de intensiteit van onze kern voelbaar zoals maar weinig andere dichters dat kunnen.
Ik beheers geen Grieks, en ik heb dus eigenlijk gedaan wat niet mag. Aan de hand van een drietal vertalingen, twee Nederlandse en een Engelse, heb ik een eigen vertaling gemaakt. Mijn enige verontschuldiging is dat ook vertalers van naam en faam soms gebruik maken van de vertalingen van anderen die de taal wel beheersen. De gebruikte Engelse vertaling behoort overigens tot de hoogst gewaardeerde vertalingen in het Engelse taalgebied.
In Frankrijk heeft Marguerite Yourcenar de gedichten vertaald, met hulp van iemand die het Grieks goed beheerste – zo ziet u maar.
Ik heb in dit geval een vertaalpoging gewaagd omdat ik hoopte nog iets te kunnen toevoegen: ik wilde het gedicht nog wat natuurlijker in het Nederlands laten klinken zonder de nuances uit het oog te verliezen. Maar vertalen is natuurlijk ook altijd de intiemste manier om een gedicht nabij te komen.
Dertig gedichten Konstantinos P. Kaváfis (Vertaling Hans Warren en Mario Molengraaf), De Tweede Ronde, jrg. 4 (1983) – deze door dbnl gedigitaliseerde publicatie bevat ook het Griekse origineel
Hij wikkelde ze keurig en met zorg in kostbare groene zijde. Rozen van robijn, lelies in parelschikking, violen van amethyst: ze vormen zijn beeld van schoonheid, zijn verlangen – niet zoals hij ze zag in de natuur, niet als in boeken. Hij zal ze in de kluis laten als blijk van zijn durf, zijn kunstvaardigheid. En telkens als er een klant in de winkel komt, haalt hij andere dingen tevoorschijn – de mooiste sieraden: armbanden, halssnoeren, kettinkjes, ringen.
Inleiding Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilder Mildred Eldridge (1909-1991).
[Deze intro kunt u verder overslaan, als u al eerder mijn vertalingen van R.S. Thomas onder ogen hebt gehad. Het nieuwe deel begint onder het hoofdje Gedicht met de woorden: Het door mij vertaalde gedicht …]
R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).
Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.
In een treffend filmpje uit 1996 dat Bloodaxe Books beschikbaar heeft gemaakt – hier raadpleegbaar – zegt Thomas (vanaf 4’18”):
“Mocht er sowieso later nog aan mij gedacht worden, dan zal dat wel zijn om de intensiteit van een paar gedichten die ik heb geschreven. Maar, los van de gedichten, als mens hoop ik dat m’n voorbeeld van iemand die ervan hield buiten te zijn, die hield van de aardse dingen, en die het talent had meegekregen om ze niet alleen te horen maar ook te zien, voor anderen een zeker nut heeft gehad.”
Het gedicht Het door mij vertaalde gedicht – The New Mariner – is een karakteristiek Thomas-gedicht. Thomas’ religieuze preoccupaties zijn aanwezig, en tevens de moeilijkheden die dat met zich meebrengt.
De titel bevat een verwijzing naar een bekend gedicht van Samuel Taylor Coleridge (1772-1834), The Rime of the Ancient Mariner – De Ballade van de Oude Zeeman – dat werd gepubliceerd in 1798 in een poëziebundel met als titel The Lyrical Ballads, een bundel die Coleridge schreef samen met William Wordsworth (1770-1850). The Lyrical Ballads wordt vaak beschouwd als het begin van de romantiek in de Engelse letteren.
De Ballade van de Oude Zeeman vertelt in detail over de ervaringen van een zeeman die terugkeert van een lange zeereis. De zeeman houdt een man staande die op weg is naar een huwelijkssluiting en begint zijn verhaal te vertellen. De reactie van de huwelijksgenodigde gaat van geamuseerdheid naar ongeduld naar angst naar fascinatie als het verhaal verder gaat, wat ook blijkt uit de stijl en het taalgebruik in het gedicht (overgenomen van Wikipedia).
De Nieuwe Zeeman van het gedicht bevindt zich het liefst in de stilte. Die stilte is voor hem rijk is aan interactie met de natuur, met het goddelijke in de natuur. En daarover vertelt hij anderen met woorden.
Maar het gepraat over die stilte wordt al gauw zinloos en verliest de betekenis die de zeeman erin ervaart. Het blijkt meestal een rationeel verhaal te zijn waarin feit gekoppeld wordt aan feit, en waarin de kern verloren gaat.
De enige ruimte die de ik-figuur nog overblijft is de God-ruimte, een term die (vermoed ik) ontleend is aan de theoloog Paul Tillich die net als Thomas veel heeft nagedacht over afwezigheid en aanwezigheid van God in de moderne wereld.
Aan deze ruimte wordt dan de beeldspraak van de astronaut ontleend, een figuur die – net als De Nieuwe Zeeman – al gauw verstrikt raakt in door de rede gedicteerd zinledig gepraat, druk als hij zich maakt om passerende genodigden die op weg zijn naar het huwelijk van het ene kale feit met het andere.
Het gedicht staat op p.388 van The Collected Poems 1945-1990. Het stond oorspronkelijk in de bundel Between Here and Now (1981).
In de stilte die het medium is waarin hij bij voorkeur communiceert en waarover hij anderen vertelt met woorden. Kun je eraan ontkomen een speelbal te zijn van de rede? Voor mij is er nu alleen nog de God-ruimte waarin ik mijn sondes uitzend. Ik had uitgekeken naar de oude dag als een tijd van rust, een tijd om m’n horizonnen om me heen te trekken, herinneringen te zien rijpen in het zonlicht van een ommuurde tuin. Maar er is een leegte boven mijn hoofd, er zijn de diepten binnen in mij waaruit onvermoeibaar signalen komen. Als astronaut die onmogelijke reizen aflegt naar de verste uithoeken van het ik, keer ik terug met boodschappen die ik niet kan ontcijferen, ben er babbelziek over, maak me druk over de passerende auto die driftig op weg is naar het huwelijk van kaal feit met kaal feit.
Origineel
The New Mariner
In the silence that is his chosen medium of communication and telling others about it in words. Is there no way not to be the sport of reason? For me now there is only the God-space into which I send out my probes. I had looked forward to old age as a time of quietness, a time to draw my horizons about me, to watch memories ripening in the sunlight of a walled garden. But there is the void over my head and the distance within that the tireless signals come from. And astronaut on impossible journeys to the far side of the self I return with messages I cannot decipher, garrulous about them, worrying the car of the passer-by, hot on his way to the marriage of plain fact with plain fact.
Christian Wiman (1966- ) is een Amerikaanse dichter en vertaler. Hij werd geboren in Texas, is getrouwd, en werkt aan Yale University als Professor of the Practice of Religion and Literature. Hij geeft college aan Yale Divinity School en Yale Institute of Sacred Music. Hij is religieus in christelijke zin.
[Deze intro kunt u verder overslaan, als u al eerder mijn vertalingen van Christian Wiman onder ogen hebt gehad. Het nieuwe deel begint met de woorden: Het door mij vertaalde gedicht …]
Wiman lijdt aan een traag voortschrijdende, ongeneeslijke ziekte. Het gedicht From one Time – elders op deze website in vertaling (Tijdsovergang) beschikbaar bevat de uitdrukking die de titel leverde van het door Willem Jan Otten vertaalde boek My Bright Abyss: Mijn heldere afgrond. De ondertitel van dat boek luidt: Meditation of a Modern Believer: Overpeinzingen van een moderne gelovige.
Uit Akkermans column citeer ik de volgende passage – degene die aan het woord is, is uiteraard Wiman zelf:
“Het geloof gidst me in de richting van een leven waarin ik tekortschiet, niet in een leven waarin alles me toevalt. Ik geloof dat je jezelf geen christen moet noemen, net zomin als dichter – het is iets dat je nastreeft, niet iets dat je bent. Het kan je gegeven zijn op momenten in je leven, maar in de tussentijd ben je er geen eigenaar van. Zoals ik zeg in het boek: ik heb de pijn van het ongeloof nooit gevoeld voordat ik begon te geloven. God is vaak pijn voor me, geen balsem.”
En nog een treffend citaat uit dat stuk, dit keer over het Amerikaanse geloof in jezelf dat het christelijke geloof corrumpeert:
Het Amerikaanse succesevangelie, met God als de leverancier van voorspoed, geluk en gezondheid, noemt Wiman onzinnig. “Het idee dat God je beloont als je geloof maar groot genoeg is, is in feite kwaadaardig. Ik moet zeggen dat het me erg verwart dat mijn leven enerzijds zo naar God en het christendom toe beweegt, terwijl ik anderzijds zo vervreemd ben van de manier waarop die religie in dit land wordt vormgegeven.”
En ten slotte nog een veelzeggend citaat uit He Held Radical Light (2018):
“Poetry itself—like life, like love, like any spiritual hunger—thrives on longings that can never be fulfilled, and dies when the poet thinks they have been. And what is true for the poem is true for the poet: “No layoff from this condensery,” as Lorine Niedecker says, no respite from the calling that comes in the form of a question, no ultimate arrival at an answer that every arrangement of words is trying to be. Perhaps only bad poets become poets. The good ones, though they may wax vatic and oracular in public, and though they may even have full-fledged masterpieces behind them, know full well that they can never quite claim the name.”
Een interessante lezing (ongeveer een half uur) over het onderwerp Geloof en Literatuur vindt u hier.
Het gedicht
Het door mij vertaalde gedicht – The Preacher Addresses the Seminarians – is een dramatische monoloog, een tirade eigenlijk, tegen een gemakzuchtig geloof dat maar al te vaak wordt aangemoedigd door gemakzuchtige preken. Het eindigt met een verrassende wending waarbij een bok de rol lijkt te vervullen die Christus in het evangelie heeft, een plaatsvervangende rol waarvan we de betekenis vaak niet lijken te beseffen, zozeer hebben we het met onszelf te doen. Ook speelt een weddenschap à la Blaise Pascal een rol.
Image Journal: ‘The Preacher Addresses the Seminarians’ is a dramatic monologue that combines humor and a certain astringent realism about human nature. (…) The poem starts out as a butt-kicking handed out by the preacher to presumably naïve seminary students but by the conclusion the speaker utters a poignant confession. In the end, it seems to be about the need for preachers, as well as laypeople, to “help untold souls back into their bodies.” If that’s true, what does that phrase mean?
CW: I wrote this poem long before coming to Yale. I’ve just sat on it for a few years, as I usually do with my poems.
I suppose the poem is on one level about the body/spirit distinction, the fallacy of that. So many of us float—in our minds, our beliefs, our loves, our art—above the “No” that our actions express. The No to existence, I mean, to reality. Karl Barth has a great quote somewhere about the duty of every Christian to say “Yes” to existence, whatever it may bring you.
The traditional Christian distinction between heaven and earth is not helpful to me. I wrote somewhere or other that to love one’s life is to assent to its terms, the severest of which is death. (That’s the lesson the preacher learns in the incident with the goat, which is of course the same lesson that Jesus taught.) I think it’s the duty of preachers to ease people back into their bodies, back into the reality they must not only deal with but even come to love—and again, the hardest part of this is death. “Untold” has two meanings in the poem. It means innumerable, of course, but it also means quite literally “those who have not been told” the good news, which is also bad news (“costing not less than everything,” as Eliot put it). So that’s what the preacher is trying to teach the seminarians.
Het gedicht is heel rijk van taal, en het bevat bovendien een aantal neologismen: gluefutured, churchcurdled, unthunder die ook met neologismen vertaald zijn.
Aurora Borealis is het Noorderlicht. Ik heb gekozen voor theologiestudenten en niet voor seminaristen, omdat dat laatste woord in het Nederlands – anders dan in het Engels – vrij exclusief voor katholoieke priesteropleidingen wordt gebruikt.
Hominy, hominy is maïspap, maïspap in het Engels, iets licht verteerbaars dus, en het klinkt een beetje naar ‘homiletiek’ – preekkunde. Ik heb er ‘preekpulp, paaspap’ van gemaakt.
Het gedicht is opgenomen in de bundel Once in the West, New York: Farrar, Straus and Giroux 2014.
Geluidsopname
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling
De predikant wendt zich tot theologiestudenten
Laat ik zeggen het is soms een klote-bestaan op zondag en ‘t is verkeerd om te doen alsof je niet hoeft te doen alsof,
alsof je niet die toekomstkleffe zeikerds Hoop en Hulp hoeft aan te spannen om de ellendige strijdwagen van jezelf vooruit te geselen
naar wat voor hel dan ook die jouw hemel is op zulke dagen. Er is honger voor nodig, zeg ik je, die geen hemel kan stillen
om zo verwrongen te letten op het pedaalspel van die lieve organist, zo sissend alert te zijn op de vormeloosheid van haar koorkleed.
Dan nu, broeders en zusters, de schuldbelijdenis, preekpulp, paaspap, zuurzoete zegengroet, weer een koket kerkslaperig lied
dat we niet zingen, maar afraffelen: doodse alten, raspende tenoren, twee die het doen, tien die licht in verwarring hun lippen meebewegen.
En nu jij, dominee. Laat de donderdans stoppen. Even een pislauw aanrakinkje met de realiteit. Een stukje evangelie dat je eruit perst.
Ik zeg soms tegen jullie dat genade niks anders is als bevrijding uit dit homiletisch hologram, een klein vleespasje
opzij, om zo te zeggen, we zetten hartstocht op autopilot (alsof het dat niet al is!) om vredig te staren naar jullie van onvree borrelende parochianen:
drankneuzen en faceliften, slechte hypotheken, taaie huwelijken, een metselwerk van koppen, tegelijk eender en anders,
en hier en daar die extatische hongerige blik die overspringt van de een op de ander, jaar in, jaar uit, als een heilige griep.
Al deze kleine kiertjes waarin je gekropen bent als een dikke stukadoor met nutteloos gereedschap:
Hier, een gedichtje voor als je vrouw doodgaat. Hier, laat maar lekker doodgaan, jouw levensellende.
Ik zeg je dat op sommige zondagen zelfs het kinderpreekje – misschien dat wel speciaal – een aanslag is op je maag
als een bek vergif waaraan een bier-slurpende bok, dronken of per abuis, gretig de voorkeur geeft.
Ik weet wat je denkt. Het draait hier om Christus. Hij komt er wel, die ouwe streber, want hoe dan ook, ergens
is er het wondervlees, het aurora borealis-bloed, waarvan elk atoom wordt ingepast in een graf
en nu juist wat elk mens verliezen moet om gered te worden. Goed, vrienden, vandaag ga ik jullie twee dingen zeggen.
Allereerst, al is dit voor mij niet een van die zwartgallig-schrijnende dagen, al sta ik in feite vóór jullie met een zinderend geloof
en heb ik goede hoop dat jullie allemaal zullen helpen bij de terugkeer van die vele onwetende zielen in hun lichaam,
bij het beredderen van het verwoestende Nee waarop ze drijven, de waarheid is dat onze enige redder mislukking is.
En dat brengt me bij het tweede ding: die bok. Die was echt. Het is, als zo vaak, het afschuiven van verantwoordelijkheid
dat de leugen is. Het was lang geleden, Mexico, ‘k werd geplaagd door demonen: ‘t was een weddenschap waarvan ik niet zag wat er op het spel stond.
Hij wankelde. Hij schuimbekte. Hij wrong tijd uit tot een geladen stilte, en schopte af en toe, en lag daar te stuiptrekken, kijkend hoe ik stierf.
Origineel
The Preacher Addresses the Seminarians
I tell you it’s a bitch existence some Sundays and it’s no good pretending you don’t have to pretend,
don’t have to hitch up those gluefutured nags Hope and Help and whip the sorry chariot of yourself
toward whatever hell your heaven is on days like these. I tell you it takes some hunger heaven itself won’t slake
to be so twitchingly intent on the pretty organist’s pedaling, so lizardly alert to the curvelessness of her choir robe.
Here it comes, brothers and sisters, the confession of sins, hominy hominy, dipstick doxology, one more churchcurdled hymn
we don’t so much sing as haunt: grounded altos, gear-grinding tenors, two score and ten gently bewildered men lip-synching along.
You’re up, Pastor. Bring on the unthunder. Some trickle-piss tangent to reality. Some bit of the Gospel grueling out of you.
I tell you sometimes mercy means nothing but release from this homiletic hologram, a little fleshstep
sideways, as it were, setting passion on autopilot (as if it weren’t!) to gaze out in peace at your peaceless parishioners:
boozeglazes and facelifts, bad mortgages, bored marriages, a masonry of faces at once specific and generic,
and here and there that rapt famished look that leaps from person to person, year to year, like a holy flu.
All these little crevices into which you’ve crawled like a chubby plumber with useless tools:
Here, have a verse for your wife’s death. Here, have a death for your life’s curse.
I tell you some Sundays even the children’s sermon — maybe especially this — sharks your gut
like a bite of tin some beer-guzzling goat either drunkenly or mistakenly decides to sample.
I know what you’re thinking. Christ’s in this. He’ll get to it, the old cunner, somewhere somehow
there’s the miracle meat, the aurora borealis blood, every last atom compacted to a grave
and the one thing that every man must lose to save. Well, friends, I’m here to tell you two things today.
First, though this is not, for me, one of those bilious abrading days, though in fact I stand before you in a rage of faith
and have all good hope that you will all go help untold souls back into their bodies,
ease the annihilating No above which they float, the truth is our only savior is failure.
Which brings me to the second thing: that goat. It was real. It is, as is usually the case, the displacement of agency
that is the lie. It was long ago, Mexico, my demon days: It was a wager whose stakes I failed to appreciate.
He tottered. He flowered. He writhed time to a fraught quiet, and kicked occasionally, and lay there twitching, watching me die.
R.S. Thomas in tweevoud (afbeelding komt voor op de omslag van de bundel Uncollected Poems)
Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilder Mildred Eldridge (1909-1991).
[Deze intro kunt u verder overslaan, als u al eerder mijn vertalingen van R.S. Thomas onder ogen hebt gehad. Het nieuwe deel begint met de woorden: Het door mij vertaalde gedicht …]
R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).
Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.
In een treffend filmpje uit 1996 dat Bloodaxe Books beschikbaar heeft gemaakt – hier raadpleegbaar – zegt Thomas (vanaf 4’18”):
“Mocht er sowieso later nog aan mij gedacht worden, dan zal dat wel zijn om de intensiteit van een paar gedichten die ik heb geschreven. Maar, los van de gedichten, als mens hoop ik dat m’n voorbeeld van iemand die ervan hield buiten te zijn, die hield van de aardse dingen, en die het talent had meegekregen om ze niet alleen te horen maar ook te zien, voor anderen een zeker nut heeft gehad.”
Het door mij vertaalde gedicht beschrijft een aantal eeuwen, de vijftiende tot en met de twintigste. Elke eeuw wordt kort gekarakteriseerd, waarbij ik me wel een paar vrijheden heb veroorloofd bij de vertaling: ‘een woordenschat stropen uit de lach van de koning’, leek me in het Nederlands minder geslaagd.
Het gedicht mondt uit in de twintigste eeuw, een eeuw die weinig begrenzingen kende: zowel in positieve zin – wetenschap en techniek ontwikkelden zich op een duizelingwekkende manier – als in negatieve zin: de moordpartijen tartten eveneens elke verbeelding. R.S. Thomas legt in het afsluitende distichon impliciet een verband tussen beide vormen van grenzeloosheid.
Het gedicht is te vinden in de Collected Poems 1945-1990, Londen: Phoenix 2000, p.416. Eerder uitgegeven door J.M. Dent in 1993.
Geluidsopname
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling
Eeuwen
De vijftiende komt langs met trommel en kuras; de monnik slaat het gade door het rooster van de geest.
De zestiende zet zijn pet op, verheft luide zijn stem om zinnigheid te ontfutselen aan de lach van de koning.
De zeventiende draagt om zijn nek een kanten kraag, vlees dat zich afwendt van de vlam van de geest.
De achttiende heeft hoge koorts en suizend bloed, Maar reinigt zijn neusgat met een snuifje puntigheid.
De negentiende komt uit die oude grotten tevoorschijn Zijn ogen uitwrijvend bij een uitzicht van glas.
De twintigste is waarnaar hij zo uitkeek Zijn vleugels stukslaand tegen een raam dat ontbreekt.
Origineel
Centuries
The fifteenth passes with drums and in armour; the monk watches it through the mind’s grating.
The sixteenth puts on his cap and bells to poach vocabulary from a king’s laughter.
The seventeenth wears a collar of lace at its neck, the flesh running from thought’s candle.
The eighteenth has a high fever and hot blood, but clears it nostrils with the snuff of wit.
The nineteenth emerges from history’s cave rubbing its eyes at the glass prospect.
The twentieth is what it looked forward to beating its wings at windows that are not there.
Walt Whitman (1819-1892) was een bijzondere Amerikaanse dichter die leefde in de negentiende eeuw. Hij wordt wel beschouwd als de aartsvader van het vrije vers, en de voornaamste dichtbundel waaraan hij zijn hele leven is blijven schaven is Leaves of Grass.
De titel Leaves of Grass bevat een inside joke, een grapje voor ingewijden. De titel zelf betekent ‘gras-sprietjes’ en dat geeft een bescheiden, liefelijke sfeer. Elk sprietje is anders, maar een weide is een eenheid. Maar ‘grass’ was ook in 19e-eeuwse uitgeverskringen een negatieve term om waardeloze rommel mee aan te duiden. En ‘leaves’ zijn uiteraard ook bladzijden. Overigens is ‘Blades of Grass’ veel gebruikelijker dan ‘Leaves of Grass’.
Whitman kwam uit een Quaker-gezin. Zijn vader was van Engelse afkomst zijn moeder van Nederlandse afkomst. Zijn vorming was grotendeels autodidact.
Ik kreeg de bundel Leaves of Grass van mijn stiefdochter op mijn 60e verjaardag – onlangs dus. Het is een mooie editie met goud op snee. Ik kende Whitman nog niet goed, en dat maakt het cadeau extra waardevol.
Whitman was in veel opzichten een geestdriftige, en hij bezong het democratische Amerika vaak met hartstocht. Ik ben nog wel benieuwd of het volgende gedicht, nu Amerika zich zo ondemocratisch, isolationistisch en bigot lijkt op te stellen, in onze dagen nog vaak wordt geciteerd:
America
Centre of equal daughters, equal sons, All, all alike endear’d, grown, ungrown, young or old, Strong, ample, fair, enduring, capable, rich, Perennial with the Earth, with Freedom, Law and Love, A grand, sane, towering, seated Mother, Chair’d in the adamant of Time.
Enfin, het vertaalde gedicht Miracles heeft weinig toelichting nodig. Het is één grote opsomming – de meest elementaire en pure vorm van poëzie – om duidelijk te maken dat al wat bestaat een wonder is, een wonderbaarlijke zaak.
De opsomming zelf heeft iets extatisch, maar de taal is betrekkelijk eenvoudig – wat een merkwaardig effect heeft op een versgevoelig oor.
Het betreft duidelijk een ongebonden vers, al zijn de veelvuldige herhalingen natuurlijk wel een teken van enige vormvastheid.
Miracles is te vinden op p. 385/86 van mijn editie vanWhitmans gedichtenbundel:
Walt Whitman, Leaves of Grass (introd. Kern Mondschein, PhD), San Diego: Canterbury Classics 2018.
Geluidsopname
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling
Wonderen
Wie maakt zich druk om wonderen, en waarom? Wat mij betreft zijn er alleen maar wonderen, Of ik nu loop door de straten van Manhattan, Of mijn blik werp naar de lucht boven de daken van huizen, Of met blote voeten op het strand waad vlak achter de vloedlijn, Of sta onder de bomen in het bos, Of overdag praat met een van hen die ik liefheb, of ’s nachts in bed lig met een van hen die ik liefheb, Of zit aan een tafel met de anderen, Of kijk naar vreemdelingen in tegemoetkomende auto’s, Of honingbijen gadesla die op een zomerse voormiddag druk zijn om de korf, Of dieren die voedsel zoeken in het veld, Of de vogels, of de pracht van insecten in de lucht, Of de pracht van de zonsondergang, of van de sterren die zo stil en helder schijnen, Of het schitterende en verfijnde boogje van een beginnende maan in het voorjaar; Deze en andere dingen, elk en allemaal – het zijn wonderen voor mij, Elk afzonderlijk en op zijn plaats, maar verwijzend naar het geheel.
Voor mij is elk licht, elk donker uur een wonder, Elke kubieke centimeter van de ruimte is een wonder, Elke vierkante meter van het aardoppervlak is ermee bedekt, Elke halve meter van wat daaronder zit wemelt ervan.
Voor mij is de zee een onafgebroken wonder, De vissen die zwemmen – de rotsen – de beweging van golven – de schepen met mensen erin. Zijn er ergens nog gekkere wonderen?
Origineel
Miracles
Why, who makes much of a miracle? As to me I know of nothing else but miracles, Whether I walk the streets of Manhattan, Or dart my sight over the roofs of houses toward the sky, Or wade with naked feet along the beach just in the edge of the water, Or stand under trees in the woods, Or talk by day with any one I love, or sleep in the bed at night with any one I love, Or sit at table at dinner with the rest, Or look at strangers opposite me riding in the car, Or watch honey-bees busy around the hive of a summer forenoon, Or animals feeding in the fields, Or birds, or the wonderfulness of insects in the air, Or the wonderfulness of the sundown, or of stars shining so quiet and bright, Or the exquisite delicate thin curve of the new moon in spring; These with the rest, one and all, are to me miracles, The whole referring, yet each distinct and in its place.
To me every hour of the light and dark is a miracle, Every cubic inch of space is a miracle, Every square yard of the surface of the earth is spread with the same, Every foot of the interior swarms with the same.
To me the sea is a continual miracle, The fishes that swim—the rocks—the motion of the waves—the ships with men in them, What stranger miracles are there?
Konstantínos Kaváfis (1863-1933) wordt beschouwd als de grootste moderne dichter van Griekenland. Hij werd in Alexandrië geboren als negende kind van een welgesteld koopmansgezin. Hij heeft een tijdlang in Engeland gewoond, maar keerde weer terug naar Griekenland. Hij was homoseksueel en had goede, maar weinig opvallende banen.
Zijn thema is het contrast tussen intense artistieke en lichamelijke genietingen en de voorbijgaande aard van alles wat zo groots en meeslepend lijkt, maar in wezen zo vergankelijk is. Hij gebruikt daartoe scènes uit de oudheid, maar hij slaagt er altijd in door zijn onopgesmukte stijl en zijn waarachtigheid dit thema heel dichtbij de lezer te brengen. Ithaka en Alexandrië zijn voor hem metaforen voor het leven zelf. Dat in dit gedicht Ithaka een metafoor is, houdt Kaváfis aanvankelijk impliciet, al maakt hij het aan het eind wel duidelijk. Het lijkt een verhaaltje, maar wie enigszins versgevoelig is, voelt de enorme intensiteit van zo’n gedicht.
Hij gebruikte oudgrieks en moderngrieks door elkaar in zijn poëzie, een eigenschap die de vertaler in de moderne Europese talen niet kan nabootsen. In zijn vroege gedichten kwam soms nog onregelmatig rijm voor, later liet hij dat steeds meer los. De versregels hebben soms een jambisch metrum, maar heel vaak houdt hij zich ook daar niet strak aan.
Ithaka is misschien wel het beroemdste gedicht van Kaváfis. Het centrale motief van het gedicht is ontleend aan de Odyssee van Homerus (ca. 800 v. Chr.). Ithaka is het eiland waarvan Odysseus koning was. Na de Trojaanse oorlog kostte het hem tien jaar om weer terug te keren naar Ithaka, terwijl hij daar zo snel mogelijk naar terug wilde. Allerhande tegenslag maakte dat onmogelijk. Kaváfis gebruikt het Odyssee-motief, maar geeft er een geheel eigen draai aan. Het gehele gedicht is een advies om geen haast te maken, om de rijkdom te ervaren in de reis en niet in het reisdoel.
Net als bij het vorige gedicht dat ik op deze website plaatste, is er dus een centrale metafoor: in het gedicht Toen God Antonius verliet was het Alexandrië, hier is het Ithaka. Het eiland symboliseert het einddoel van onze levensreis, en de reis maakt ons rijk, niet het einddoel waarop ons leven is gericht.
Ik beheers geen Grieks, en ik heb dus eigenlijk gedaan wat niet mag. Aan de hand van een drietal vertalingen, twee Nederlandse en een Engelse, heb ik een eigen vertaling gemaakt. Mijn enige verontschuldiging is dat ook vertalers van naam en faam soms gebruik maken van de vertalingen van anderen die de taal wel beheersen. De gebruikte Engelse vertaling behoort overigens tot de hoogst gewaardeerde vertalingen in het Engelse taalgebied.
In Frankrijk heeft Marguerite Yourcenar de gedichten vertaald, met hulp van iemand die het Grieks goed beheerste – zo ziet u maar.
Ik heb in dit geval een vertaalpoging gewaagd omdat ik hoopte nog iets te kunnen toevoegen: ik wilde het gedicht nog wat natuurlijker in het Nederlands laten klinken zonder de nuances uit het oog te verliezen. Maar vertalen is natuurlijk ook altijd de intiemste manier om een gedicht nabij te komen.
Ik heb de volgende publicaties en websites geraadpleegd:
Website Rozemarijn van Leeuwen met origineel Grieks gedicht en een aantal vertalingen van Ithaka. Ik heb gebruik gemaakt van de volgende vertalingen: (1) Hans Warren en Mario Molegraaf; (2) G.H. Blanken; (3) Edmund Keeley en Philip Sherrard
Geluidsopname
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling
Ithaka
Als je op weg gaat naar Ithaka, wens dat de tocht lang zal zijn, rijk aan avontuur, rijk aan ervaring. Laistrygonen, Cyclopen, de boze Poseidon – wees niet bang voor ze: je komt op je pad zulke wezens nooit tegen, mits je denken voornaam blijft, mits een verfijnd gemoed je geest en je lichaam bezielt. Laistrygonen, Cyclopen de woeste Poseidon – je komt ze niet tegen tenzij je hen meevoert in je ziel, tenzij jouw ziel ze helder voor ogen stelt.
Wens dat de tocht lang zal zijn, en dat er veel zomerochtenden zullen komen, waarbij je – hoe voldaan, hoe uitgelaten – havens binnen vaart die je voor het eerst ziet; en dat je Phoenicische handelsposten zult aandoen om delicate waren te kopen, hoedster van parel en koraal, amber en ebbenhout, een rijkdom aan zinnestrelende parfums – zo veel sensuele parfums als je aankunt; en dat je veel Egyptische steden mag bezoeken om te leren, te blijven leren van de wijzen.
Houd Ithaka altijd in gedachten. Daar aankomen is jouw ware bestemming. Maar haast je nooit tijdens de reis. Beter dat het jaren duurt, en dat je oud bent wanneer je op het eiland aankomt, overvloedig bedeeld met wat je onderweg verwierf, zonder bijgedachte dat Ithaka je rijk zou maken.
Ithaka schonk jou de prachtige reis. Zonder haar zou je nooit zijn vertrokken. Niets is er dat ze je nu nog bieden kan.
En mocht je haar armoedig vinden, Ithaka bedroog je niet. Met de wijsheid die je opdeed, met jouw rijke ervaring, zul je op dat moment weten wat deze Ithaka’s waard zijn.
Konstantínos Kaváfis (1863-1933) wordt beschouwd als de grootste moderne dichter van Griekenland. Hij werd in Alexandrië geboren als negende kind van een welgesteld koopmansgezin. Hij heeft een tijdlang in Engeland gewoond, maar keerde weer terug naar Griekenland. Hij was homoseksueel en had goede, maar weinig opvallende banen.
Zijn thema is het contrast tussen intense artistieke en lichamelijke genietingen en de voorbijgaande aard van alles wat zo groots en meeslepend lijkt, maar in wezen zo vergankelijk is. Hij gebruikt daartoe scènes uit de oudheid, maar hij slaagt er altijd in door zijn onopgesmukte stijl en zijn waarachtigheid dit thema heel dichtbij de lezer te brengen. Alexandrië is voor hem de centrale metafoor voor het leven zelf, en de stad keert terug in veel gedichten, ook in het gedicht waar dit stuk de inleiding toe vormt. Dat het een metafoor is, houdt Kaváfis heel impliciet. Het lijkt een verhaaltje, maar wie enigszins versgevoelig is, voelt de enorme intensiteit van die gedichten.
Hij gebruikte oudgrieks en moderngrieks door elkaar in zijn poëzie, een eigenschap die de vertaler in de moderne Europese talen niet kan nabootsen. In zijn vroege gedichten kwam soms nog onregelmatig rijm voor, later liet hij dat steeds meer los. De versregels hebben vaak een jambisch metrum.
Het centrale motief van het gedicht is ontleend aan een beroemde passage uit Plutarchus, Parallelle levens. Marcus Antonius die zich samen met Cleopatra in Alexandrië bevindt, hoort, voorafgaand aan de laatste veldslag met Augustus, opeens muziek en geroep. Een geheimzinnige groep muzikanten (die Bacchus lijken te zijn toegewijd), verlaat de stad, op weg naar de vijand. En de levensgenieter Marcus Antonius beseft opeens dat zijn lot bezegeld is, de goden zijn niet meer op zijn hand: hij gaat de slag verliezen. (Deze alinea is ontleend aan: Gedicht van de week: C. P. Cavafy – The god forsakes Anthony.)
Ik beheers geen Grieks, en ik heb dus eigenlijk gedaan wat niet mag. Aan de hand van een viertal vertalingen, twee Nederlandse en twee Engelse, heb ik een eigen vertaling gemaakt. Mijn enige verontschuldiging is dat ook vertalers van naam en faam soms gebruik maken van de vertalingen van anderen die de taal wel beheersen. De gebruikte Engelse vertalingen behoren overigens tot de hoogst gewaardeerde in het Engelse taalgebied.
In Frankrijk heeft Marguerite Yourcenar de gedichten vertaald, met hulp van iemand die het Grieks goed beheerste – zo ziet u maar.
Ik heb in dit geval een vertaalpoging gewaagd omdat ik hoopte nog iets te kunnen toevoegen: ik wilde het gedicht nog wat natuurlijker in het Nederlands laten klinken zonder de nuances uit het oog te verliezen. Maar vertalen is natuurlijk ook altijd de intiemste manier om een gedicht nabij te komen.
Ik heb de volgende publicaties en websites geraadpleegd:
Dertig gedichten Konstantinos P. Kaváfis (Vertaling Hans Warren en Mario Molengraaf), De Tweede Ronde, jrg. 4 (1983) – deze door dbnl gedigitaliseerde publicatie bevat ook het Griekse origineel
The complete poems of Cavafy, vert. Rae Dalven, inl. W. H. Auden, 1961 (de inleiding van Auden is dezelfde tekst die ik hierboven ook al noemde bij de titel Forewords and Afterwords).
De Nederlandse vertalingen die ik gebruikt heb, zijn allereerst die van G.H. Blanken:
Vert. G.H. Blanken – K.P. Kafávis, Verzamelde gedichten, Amsterdam: Polak & Van Gennip 1977, dl.1, p. 71. De foto is uit een column van Tamar (Renate Rubinstein) in Vrij Nederland, 1 feb. 1986. Met dank aan Frans Linmans.
Als je opeens, om middernacht, een onzichtbare stoet hoort langskomen met verfijnde muziek, geluid van stemmen – mors dan geen klacht over jouw wrede lot, jouw mislukte werken, jouw levensplannen die stuk voor stuk illusies bleken. Alsof je het allang wist, alsof je de moed bezat, zeg vaarwel tegen het Alexandrië dat jou verlaat. Wees vooral geen dwaas, zeg niet tegen jezelf het was slechts een droom, mijn oor bedroog mij; val niet ten prooi aan zulke ijdele hoop. Alsof je het allang wist, alsof je de moed bezat, sta op als de man die zo’n stad waardig is; treedt toe tot het venster met ferme pas, en luister, zonder de smeekbeden en het geklaag van de lafhartige, met ontroering en een laatste diepe vreugde naar de klanken, de verfijnde instrumenten van de geheimzinnige stoet, en zeg haar vaarwel, het Alexandrië dat je nu kwijt raakt.
Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilder Mildred Eldridge (1909-1991).
[Deze intro kunt u verder overslaan, als u al eerder mijn vertalingen van R.S. Thomas onder ogen hebt gehad. Het nieuwe deel begint met de woorden: Het door mij vertaalde gedicht …]
R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).
Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.
In een treffend filmpje uit 1996 dat Bloodaxe Books beschikbaar heeft gemaakt – hier raadpleegbaar – zegt Thomas (vanaf 4’18”):
“Mocht er sowieso later nog aan mij gedacht worden, dan zal dat wel zijn om de intensiteit van een paar gedichten die ik heb geschreven. Maar, los van de gedichten, als mens hoop ik dat m’n voorbeeld van iemand die ervan hield buiten te zijn, die hield van de aardse dingen, en die het talent had meegekregen om ze niet alleen te horen maar ook te zien, voor anderen een zeker nut heeft gehad.”
Het door mij vertaalde gedicht – Cynddylan op een tractor – is een al wat ouder gedicht in het oeuvre van R.S. Thomas. Het beschrijft op een spottende manier de trots van een Welshe boer die een mooie nieuwe tractor heeft. Cynddylan – een Welshe naam die je uitspreekt als ‘kíndillən’, waarbij ‘ə‘ als een stomme ‘e’ wordt uitgesproken en alleen de eerste lettergreep beklemtoond is – is een nieuwe mens met zenuwen van staal en een hydraulische bloedsomloop. De gedomesticeerde dieren worden verstrooid en de wilde dieren verdreven door deze gehelmde ridder. Kijk hem daar eens rijden.
Het gedicht vertoont her en der wat eindrijm. De slotregels rijmen zelfs opzichtig, wat de spot benadrukt.
Thomas vreesde dat de jacht naar weelde, technische vooruitgang, gemak, gadgets en genot de mensen zouden vervreemden van de schepping en van zichzelf. Hij was een liefhebber van landschap en natuurobservatie – aandacht daarvoor was voor hem een spirituele oefening. Thomas is in zijn argwaan jegens de modernisering en de gevolgen van welvaartstoename verwant aan T.S. Eliot en Simone Weil. Zie daarvoor: Grahame Davies, Resident Aliens: R. S. Thomas and the Anti-Modern Movement, Welsh Writing in English: A Yearbook of Critical Essays, Volume 7 (2001-02): 50-77.
Ik heb het gedicht vertaald omdat het voorkomt als illustratie in een fraaie recensie van de biografie van R.S. Thomas: Byron Rogers, The Man Who Went into the West: The Life of R.S.Thomas. De schrijver van die beschouwing is Theodore Dalrymple, en het stuk heet A Man Out of Time. Deze recensie is elders op deze website in vertaling beschikbaar onder de titel: Een stem die klinkt als van gene zijde.
Het gedicht werd gepubliceerd in 1952 in de bundel An Acre of Land.
Hier kunt u meer informatie over het gedicht vinden waaronder een toelichting die per versregel gegeven wordt.
Geluidsopname:
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling:
Cynddylan op een tractor
Ah, je moest Cynddylan eens zien op een tractor. Weg is het oude beeld dat hem aan de aarde bond; Een nieuwe mens is hij nu, deel van de machine, De zenuwen van staal, het hart pompt olie rond. De koppeling raast, de versnelling gehoorzaamt Zijn kleinste bevel, en kijk, hij rijdt weg, Van het erf, de kippen verstrooiend. Rijdend naar zijn werk, zoals het een groot man betaamt, Is hij de gehelmde ridder die de rust van het veld, Spiegel van stilte, doorbreekt, hij die ‘t bos ontdoet Van vossen en eekhoorns en felle gaaien. Boven de hoge bomen rijst nu zonnegloed, Die hagen laat oplichten, maar niet voor hem Die zijn motor laat lopen op geheel andere brandstof. En alle vogels zingen, vergeefs hun snavels wijd, Als Cynddylan trots het weggetje oprijdt.
Origineel:
Cynddylan on a Tractor
Ah, you should see Cynddylan on a tractor. Gone the old look that yoked him to the soil; He is a new man now, part of the machine, His nerves of metal, and his blood oil. The clutch curses, but the gears obey His least bidding, and lo, he’s away Out of the farmyard, scattering hens. Riding to work now as a great man should, He is the knight at arms breaking the fields’ Mirror of silence, emptying the wood Of foxes and squirrels and bright jays. The sun comes over the tall trees Kindling all the hedges, but not for him Who runs his engine on a different fuel. And all the birds are singing, bills wide in vain, As Cynddylan passes proudly up the lane.
Ten geleide Dit is de vertaling van een artikel in City Journal, een Amerikaans tijdschrift dat als webpublicatie verschijnt, geschreven door Theodore Dalrymple (pseud. van Anthony Daniels):‘A Man Out of Time‘, 6 november 2006
Dalrymple’s stuk is een beschouwing/recensie naar aanleiding van: Byron Rogers, The Man Who Went into the West: The Life of R.S.Thomas, Londen: Aurum Press, 2006.
Ik heb de afgelopen jaren een kleine vijftig gedichten van de Welshe dichter Ronald Stuart Thomas (1913-2000) vertaald. De eerste persoon die mij op diens werk attendeerde was de conservatieve publicist Theodore Dalrymple (1949-). Ik heb dat stuk vertaald omdat het me nog steeds ontroert als ik het lees.
Thomas heeft de naam een grimmige figuur te zijn, maar u zult zien dat dit stuk een paar heel tedere gedichten bevat.
Ik ben het niet helemaal eens met Dalrymple’s positieve beoordeling van de biografie zoals u ook kunt nalezen in de recensie die ik zelf van die biografie heb geschreven: Over een biografie van R.S. Thomas – The Man Who Went Into the West. Maar ik vind de karakterisering die Dalrymple geeft van Ronald Stuart Thomas en de manier waarop hij die karakterisering aannemelijk maakt en illustreert met gedichten wel bijzonder geslaagd.
Ik ben niet bijzonder frivool, maar zodra ik de poëzie van R.S. Thomas lees, of zijn biografie, kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat ik, net als de meeste mensen, het grootste deel van mijn leven valse goden heb nagejaagd. Thomas had een soortgelijk effect op anderen: John Betjeman zei in zijn inleiding op de eerste gedichtenbundel van R.S. Thomas die door een grote uitgever werd uitgegeven (in 1955) dat Thomas nog zou voortleven lang nadat hij, Betjeman, vergeten was. En een jaar later zei Kingsley Amis over het werk van Thomas dat het “de meeste moderne poëzie reduceert tot triviale gekkigheid.” Deze loftuitingen doen denken aan de woorden die Joseph Haydn, na ontvangst van de zes strijkkwartetten die Mozart aan hem opdroeg, aan diens vader schreef: “Ik zweer voor God, en als een eerlijk man, dat uw zoon de grootste componist is die ik ken, persoonlijk of van naam.”
R.S. Thomas
Ronald Stuart Thomas was een van de uitzonderlijkste literaire figuren van de twintigste eeuw. Hij werd geboren in 1913 en stierf in 2000. Zijn hele werkzame leven was hij anglicaans priester in afgelegen parochies in Wales. Hij schreef in het Engels en sprak met het accent van een Engelsman uit de hogere klasse (wat hij van geboorte niet was). Ondanks het feit dat Engelse adellijke titels indruk op hem maakten, was hij een felle, zelfs fanatieke Welshe nationalist die op zijn dertigste Welsh leerde en soms net deed alsof hij geen Engels sprak. Hoewel hij een christen was, was hij lang niet altijd menslievend. Hij stond bekend om zijn sociale onhandigheid en zwijgzaamheid; de meeste foto’s tonen hem als angstaanjagend, slechtgehumeurd en zichtbaar humorloos.
Mildred Eldridge. Dance of Life 3 Copyright: Gwydion Thomas; Supplied by The Public Catalogue Foundation
Hij huwde een kunstenares met wie zijn relatie, bezien uit het perspectief van gewone stervelingen, heel merkwaardig was. Ze spraken nauwelijks met elkaar; niemand zag ooit dat ze elkaar aanraakten; hun levens liepen meestal parallel maar ze kruisten elkaar af en toe. Ze leefden van een klein inkomen, zonder modern comfort. Bijna de enige huishoudelijke gemaksvoorziening die Thomas ooit bezat was een koelkast, waar hij al snel weer afstand van deed omdat het ding te veel lawaai maakte. Toen hij als priester met emeritaat ging, verhuisden ze naar een piepklein, onverwarmd huisje in een van de mooiste delen van Wales, waarin de temperatuur echter soms onder het vriespunt zakte.
Thomas was zeer productief en schreef meer dan 1500 gedichten. Hoewel zijn gedichten modernistisch van vorm zijn en zich bezighouden met de diepste lagen van het menselijk bestaan, raken ze onmiddellijk het gevoel. Hun taal is eenvoudig, hun weerklank diep. Aan het eind van zijn leven werden er van zijn nieuwe bundels 20.000 exemplaren verkocht in Groot-Brittannië – een enorm aantal voor iemand wiens eerste boek op eigen kosten werd gedrukt door een klein drukkerijtje boven een viswinkel in Carmathen, en een bevestiging dat niet alleen het clichématige of triviale goed verkoopt. Ook al was zijn uiterlijke leven niet veelbewogen en is er geen aanleiding om er een van die gigantische literaire biografieën aan te wijden die tegenwoordig in de mode zijn (als er al een leven is dat zoiets rechtvaardigt), een man als Thomas is van groot belang en betekenis.
Deze biografie – geschreven door iemand die Welsh als moedertaal heeft en die in 1960 als student Thomas voor het eerst ontmoette toen de dichter nog maar net bekend was geworden – is precies van de juiste lengte: de lezer hoeft niet een al te groot deel van zijn eigen leven opzij te zetten of alle andere bezigheden op te geven om het te lezen. De auteur heeft in het oog gehouden dat het doel van een dichtersbiografie is om het werk te belichten, en dit boek slaagt daar goed in. Omdat het onderwerp zowel onalledaags als briljant is, is het boek zeer onderhoudend.
Is er één thema dat aan Thomas’ leven en werk ten grondslag ligt en dat al diens tegenstrijdigheden met elkaar verzoent? Ik denk dat we het kunnen vinden in een essay dat hij in 1946 schreef voor een klein nationalistisch tijdschrift in Wales. “Zijn niet driekwart van onze moderne kwalen,” vroeg hij, ”te wijten aan het feit dat we vergeten zijn hoe we moeten leven …?” En we zijn vergeten hoe we moeten leven omdat we weelde en lichamelijke gemakken hebben aanbeden en God de rug hebben toegekeerd. Thomas’ politieke antwoord op deze moderne zielloosheid en op de moderne vernietiging van het Welshe platteland door wegen, bouwprojecten en vakantiegangers, was het Welshe nationalisme dat een sterke preoccupatie met het verleden heeft. Voor hem vertegenwoordigde Engeland de moderniteit en dus alles wat zielloos, oppervlakkig, mechanisch, materialistisch, vulgair en ijdel is. Het observeren van de schoonheid van de natuur, vooral het landschap en de vogels, was voor hem een spirituele oefening, een herinnering dat God ons alles heeft gegeven wat we nodig hebben voor een vervuld leven, als we er maar aandacht voor hebben. Niemand kon zeggen dat hij niet probeerde te leven naar zijn credo.
Thomas voerde zijn haat tegen de moderne wereld tot schijnbaar absurde hoogten op. De biograaf interviewde zijn enige zoon, die duidelijk niet veel om zijn vader gaf (hij woont nu in Thailand met zijn Thaise vrouw, zeker niet het lot dat een nationalist uit Wales hem zou toewensen). Zijn zoon zei: “Als zoon van een predikant moest ik verplicht naar de kerk om naar hem te luisteren terwijl hij maar doordramde over het kwaad van koelkasten.” “Koelkasten?” vroeg de biograaf ongelovig. “Dat zal toch wel niet.”
The Ogre of Wales
“Oh ja, dat deed hij wel, het was de Machine, weet je,” antwoordde de zoon. “En wasmachines. En televisies. En dit tegen een gemeente die geen van deze dingen bezat en ernaar verlangde.”
Het is gemakkelijk om hier om te lachen (en de dichter Philip Larkin verwees in zijn brieven naar R. S. Thomas als stomvervelende zeurpiet [Arsewipe Thomas]). Maar in feite stelde Thomas een diepe vraag waar geen antwoord op kwam: Waar dient het leven voor? Is het alleen maar om meer te consumeren en onszelf te verdoven met steeds meer vertier en gadgets? Wat doet dit met onze ziel? In een vroeg gedicht beschrijft Thomas een boer uit Wales, apetrots op zijn nieuwe tractor:
Ah, je moest Cynddylan eens zien op een tractor. Weg is het oude beeld dat hem aan de aarde bond; Een nieuwe mens is hij nu, deel van de machine, De zenuwen van staal, het hart pompt olie rond. De koppeling raast, de versnelling gehoorzaamt Zijn kleinste bevel, en kijk, hij rijdt weg, Van het erf, de kippen verstrooiend. Rijdend naar zijn werk, zoals het een groot man betaamt, Is hij de gehelmde ridder die de rust van het veld, Spiegel van stilte, doorbreekt, hij die ‘t bos ontdoet Van vossen en eekhoorns en felle gaaien. Boven de hoge bomen rijst nu zonnegloed, Die hagen laat oplichten, maar niet voor hem Die zijn motor laat lopen op geheel andere brandstof. En alle vogels zingen, vergeefs hun snavels wijd, Als Cynddylan trots het weggetje oprijdt.
[Origineel:]
Cynddylan on a Tractor
Ah, you should see Cynddylan on a tractor. Gone the old look that yoked him to the soil; He is a new man now, part of the machine, His nerves of metal, and his blood oil. The clutch curses, but the gears obey His least bidding, and lo, he’s away Out of the farmyard, scattering hens. Riding to work now as a great man should, He is the knight at arms breaking the fields’ Mirror of silence, emptying the wood Of foxes and squirrels and bright jays. The sun comes over the tall trees Kindling all the hedges, but not for him Who runs his engine on a different fuel. And all the birds are singing, bills wide in vain, As Cynddylan passes proudly up the lane.
We kunnen natuurlijk twisten over de vraag of er ooit wel zo’n spirituele harmonie heeft bestaan, waarbij de mens volledig één was met alle taken die uitgevoerd moesten worden om zijn zware bestaan aan de aarde te ontrukken. Maar het gedicht wijst er in ieder geval op dat vooruitgang zoals uitgebeeld door de tractor ook verlies met zich meebrengt, in dit geval een ernstig verlies, en dat een opeenstapeling van steeds meer tractorachtige apparaten (koelkasten, wasmachines, televisies, enzovoort) niet het goede leven vormt. Want als we al deze dingen uiteindelijk hebben, rijzen nog steeds de vragen: “Wat nu?” en “Hoe moeten we leven?” en “Waarom zouden we tevreden moeten zijn met meer van hetzelfde?” Aan alle gedichten van Thomas ligt een onderzoek naar de existentiële behoeften van de mens ten grondslag, en het bange vermoeden dat de mens deze volkomen verkeerd begrepen heeft, waardoor diens hele persoonlijkheid misvormd wordt. Daarom lijkt Thomas altijd zo intens individueel, altijd een minderheid van één, zelfs in zijn huwelijk. Hij heeft de intensiteit van een profeet en het meesterschap van een dichter – opmerkelijke eigenschappen in de tweede helft van de twintigste eeuw.
Byron Rogers – foto van Facebook
De auteur van de biografie is grappig zonder respectloos te zijn. Hij laat zien dat Thomas over een droge humor beschikte en hij brengt ook de diepte van zijn karakter goed over. Hij begrijpt dat Thomas, ondanks zijn uiterlijke froideur [kilheid] (hij leek vaak de voorkeur te geven aan vogels kijken boven menselijk gezelschap), een man was met een diepgaand gevoelsleven, iets wat onze tijd van uitbundige zelfexpressie misschien moeilijk kan begrijpen of zelfs maar geloven.
Het verslag van de dood van zijn vrouw in 1991 is buitengewoon ontroerend. Ze was al lange tijd ziek. Haar slaapkamer in hun kleine huisje – dat geen voorzieningen had, naast een uitzicht dat zo mooi was dat mijn hart een keer overslaat als ik eraan denk – was bereikbaar via een ladder. Hij bracht haar thuis uit het ziekenhuis toen duidelijk werd dat ze niet meer beter kon worden, en hij droeg haar “zelf de ladder op zoals hij een bruid zou dragen,” en dat terwijl hij net een hernia-operatie had ondergaan (hij was toen 78, zij 82). Ze stierf vier dagen later.
Na haar dood schreef hij liefdesgedichten die buitengewoon teder zijn:
[Hier vindt u nog wat toelichting bij de vertaling.]
Ze liet me alleen. Van wie was die stem, kouder dan grafwind, die sprak “Het is voorbij”? Ongrijpbaar, onzichtbaar, komt ze nog bij me, zoals ze vaak deed, terwijl ik wat lees. Er is een beving van licht, als van een vogel die de zonnebaan kruist, en ik kijk op in herkenning van een afwezige aanwezigheid. Geen woord, geen geluid als ze haar gang gaat, maar een geur die blijft hangen, geur van de tijd die zichzelf offert in liefdesvuur.
[Origineel:]
No Time
She left me. What voice colder than the wind out of the grave said: “It is over?” Impalpable, invisible, she comes to me still, as she would do, and I at my reading. There is a tremor of light, as of a bird crossing the sun’s path, and I look up in recognition of a presence in absence. Not a word, not a sound, as she goes her way, but a scent lingering which is that of time immolating itself in love’s fire.
En, zelfs met nog meer tederheid:
[Hier vind u nog wat toelichting bij de vertaling.]
Een Huwelijk Wij troffen elkaar onder een stortbui van vogelklanken. Vijftig jaar verliepen, moment van Liefde in een wereld onderhorig aan de tijd. Ze was jong; ik kuste haar met mijn ogen dicht en toen ik ze opsloeg zag ik haar rimpels. “Kom” zei de dood, haar uitverkiezend als zijn partner voor de laatste dans. En zij, die bij leven alles deed met de gratie van een vogel, opende nu haar snavel voor het slaken van een zucht, niet zwaarder dan een veertje.
[Origineel:]
A Marriage
We met under a shower of bird-notes. Fifty years passed, love’s moment in a world in servitude to time. She was young; I kissed her with my eyes closed and opened them on her wrinkles. “Come” said death, choosing her as his partner for the last dance. And she, who in life had done everything with a bird’s grace, opened her bill now for the shedding of one sigh no heavier than a feather.
Dit is des te opmerkelijker omdat, volgens de gedichten die Thomas in de loop der jaren schreef, hun huwelijk bepaald geen sprookje was. Sterker nog, hij en zijn vrouw hadden het huwelijk bijna koeltjes gesloten, zonder verwachtingen van romantische gelukzaligheid:
[Vertaling:]
Ik zag haar – we waren jong – en spreidde instinctief de weelde van mijn vedertooi om aandacht. Ze werd niet misleid, maar ze aanvaardde mij – zoals een meisje dat onder een zuinig maantje soms doet zonder veel liefde – als iemand met wie je een thuis kunt maken voor het kind waar ze vandroomde.
[Origineel:]
I saw her, when young, and spread the panoply of my feathers instinctively to engage her. She was not deceived, but accepted me as a girl will under a thin moon, in love’s absence as someone she could build a home with for her imagined child.
Vijftig jaar nadat ze getrouwd waren, schreef hij:
[Vertaling:]
Samenzijn van koude handen, de ogen afgewend als geloften worden afgelegd zonder dat een woord klinkt. Geleidelijk aan na vijftig lange jaren met ingehouden adem is het hart warm geworden.
[Origineel:]
Cold hands meeting, the eyes aside as vows are contracted in the tongue’s absence. Gradually over fifty long years of held breath the heart has become warm.
Ik betwijfel of er een huwelijk is dat voor de moderne ontvankelijkheid afstotelijker is dan dit huwelijk: een simpele calculatie bij de één die uitgroeit tot een onopvallende, maar diepe emotie. Juist omdat zulke relaties zo ver van ons afstaan of onalledaags zijn, is het de moeite waard om erover na te denken.
Thomas was een man van grote ernst – ernstig, niet zwaar op de hand of alleen maar eerlijk. Hij worstelde tot het einde van zijn leven om God te vinden, niet in de zin van halleluja-roepende born again-christenen, maar in de vorm van een heuse zoektocht naar de zin van het bestaan:
[Het betreft het gedicht The New Mariner. Het complete gedicht met vertaling en wat toelichting treft u hier aan.]
[Vertaling:]
Voor mij is er nu alleen nog de God-ruimte waarin ik mijn sondes uitzend. Ik had uitgekeken naar de oude dag als een tijd van rust, een tijd om m’n horizonnen om me heen te trekken, herinneringen te zien rijpen in het zonlicht van een ommuurde tuin. Maar er is een leegte boven mijn hoofd, er zijn de diepten binnen in mij waaruit onvermoeibaar signalen komen. Als astronaut die onmogelijke reizen aflegt naar de verste uithoeken van het ik, keer ik terug met boodschappen die ik niet kan ontcijferen …
…
[Origineel:]
For me now there is only the God-space into which I send out my probes. I had looked forward to old age as a time of quietness, a time to draw my horizons about me, to watch memories ripening in the sunlight of a walled garden. But there is the void over my head and the distance within that the tireless signals come from. And astronaut on impossible journeys to the far side of the self I return with messages I cannot decipher …
Weinig mensen leefden intenser dan Thomas, hoewel hij de windstreken van het kleine Noord-Wales zelden verliet. Al zijn relaties waren intens, zonder aandacht te trekken. Hij voelde een bittere haat jegens zijn moeder – de reden is niet helemaal duidelijk (maar ik vermoed omdat ze zo alledaags was). Toch mocht ze aan het eind van haar leven bij hem en zijn vrouw in komen wonen.
[Vertaling:]
We zorgden dat ze door kon leven, niet zozeer uit liefde voor haar, maar uit afkeer van de dood.
[Origineel:]
We made her live on, not out of our affection for her, but from a dislike of death.
Deze eerlijkheid wekt bijna de indruk dat er een huid wordt afgestroopt, maar verzoening komt aan het einde:
[Vertaling:]
De ambulance kwam om ons te verlossen van de besognes van haar lichaam; ze werd overgedragen van de onkunde die ons geweten teisterde naar de zoveel zuiverder ziekenhuiszorg. Daar nam ik toen nog haar hand en maakte een strak koordje van onze vingers om de misvormde gevoelens daarmee wat steun te geven.
[Origineel:]
The ambulance came to rescue us from the issues of her body; she was delivered from the incompetence of our conscience into the hospital’s cleaner care. Yet I took her hand there and made a tight-rope of our fingers for the misshapen feelings to keep their balance upon.
Er zijn maar weinig levens, zeker van hedendaagse figuren, die ons zo hevig naar binnen doen kijken als het leven van Thomas. Deze korte biografie is de best denkbare introductie tot zijn werk.
Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilder Mildred Eldridge (1909-1991).
[Deze intro kunt u verder overslaan, als u al eerder mijn vertalingen van R.S. Thomas onder ogen hebt gehad. Het nieuwe deel begint met de woorden: Het door mij vertaalde gedicht …]
R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).
Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.
In een treffend filmpje uit 1996 dat Bloodaxe Books beschikbaar heeft gemaakt – hier raadpleegbaar – zegt Thomas (vanaf 4’18”):
“Mocht er sowieso later nog aan mij gedacht worden, dan zal dat wel zijn om de intensiteit van een paar gedichten die ik heb geschreven. Maar, los van de gedichten, als mens hoop ik dat m’n voorbeeld van iemand die ervan hield buiten te zijn, die hield van de aardse dingen, en die het talent had meegekregen om ze niet alleen te horen maar ook te zien, voor anderen een zeker nut heeft gehad.”
Het door mij vertaalde gedicht is niet moeilijk te begrijpen. Er staat een bijna zestigjarige voor de spiegel, en hij bestudeert zijn blik, zijn gelaat, zichzelf. Hij trekt een paar hardhandige conclusies, en eindigt met een verlangen. De gebruikte werkwoorden ‘outdistanced‘ en ‘overtake‘, die enigszins tegenstrijdig zijn – de blijdschap die hem moet inhalen is hem voorbijgevlogen – maken duidelijk dat hier geen vanzelfsprekendheden aan de orde zijn.
Het gedicht is vrij van vorm, zonder noemenswaardig eindrijm. Het is bovendien opgetrokken uit enjambementen – zinnen die doorlopen over de versregels. Die enjambementen zijn bepaald niet willekeurig gekozen. Het zinselement dat op de volgende versregel terechtkomt verleent er een zekere nadruk en ernst aan, en is soms ook verrassend. Alledrie zijn belangrijk voor het effect dat het gedicht heeft.
Eigenlijk had ik dit gedicht een paar maanden geleden moeten vertalen, want toen was ik zelf nog 59, maar het gedicht had toen nog niet mijn aandacht getrokken.
Self Portrait werd gepubliceerd in de bundel: R.S. Thomas, Laboratories of the Spirit, London: Macmillan 1975.
Geluidsopname
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling
Zelfportret
Die lijdzame blik! Hier ben ik dan, Zegt-ie; negenenvijftig, kalend, de uitdaging ontlopend van de jonge meisjes. De tijd raakt gauw op, en de ziel is niet af. En het hart beseft dit is niet het portret waarvoor het poseerde. Houd de lippen strak; te veel teleurstellingen hebben de mondhoeken omlaag gehaald. Geen chirurgie die iets aan deze lijnen kan doen; wreed is het licht dat ze betast en de geest huivert. Al die bedrevenheid, leven, in het snijden van zo’n gebogen neusvleugel en voor geen ander doel dan walging. De schichtige ogen staan even stil, wachtend tot een blijdschap die uit het zicht verdween, hen in zal halen.
Origineel
Self-Portrait
That resigned look! Here I am, it says; fifty-nine, balding, shirking the challenge of the young girls. Time running out now, and the soul unfinished. And the heart knows this is not the portrait it posed for. Keep the lips firm; too many disappointments have turned the mouth down at the corners. There is no surgery can mend those lines; cruelly the light fingers them and the mind winces. All that skill, life, on the carving of the curved nostril and to no end but disgust. The hurrying eyes pause, waiting for an outdistanced gladness to overtake them.
Walt Whitman (1819-1892) was een bijzondere Amerikaanse dichter die leefde in de negentiende eeuw. Hij wordt wel beschouwd als de aartsvader van het vrije vers, en de voornaamste dichtbundel waaraan hij zijn hele leven is blijven schaven is Leaves of Grass.
De titel Leaves of Grass bevat een inside joke, een grapje voor ingewijden. De titel zelf betekent ‘gras-sprietjes’ en dat geeft een bescheiden, liefelijke sfeer. Maar ‘grass’ was ook in 19e-eeuwse uitgeverskringen een negatieve term om waardeloze rommel mee aan te duiden. En ‘leaves’ zijn uiteraard ook bladzijden.
Whitman kwam uit een Quaker-gezin. Zijn vader was van Engelse afkomst zijn moeder van Nederlandse afkomst. Zijn vorming was grotendeels autodidact.
Ik kreeg de bundel Leaves of Grass van mijn stiefdochter op mijn 60e verjaardag. Het is een mooie editie met goud op snee. Ik kende Whitman nog niet goed, en dat maakt het cadeau extra waardevol.
Het gedicht dat ik vertaald heb is niet moeilijk om te begrijpen. Het contrasteert geleerdheid en kennis met de beleving van het verschijnsel waar die kennis over gaat,
Geluidsopname:
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling:
Toen ik luisterde naar de geleerde astronoom
Toen ik luisterde naar de geleerde astronoom, Toen de bewijzen, grafieken, tabellen voor mijn neus verschenen, Toen hij me z’n kaarten, diagrammen toonde om ze te plussen, te minnen en te waarderen, Toen ik daar zat te luisteren naar de astronoom terwijl hij onder veel applaus sprak achter zijn spreekgestoelte, Werd ik al snel zo ellendig, moe en afwezig, Dat ik ten slotte afgemat opstond en wegliep In de mystieke, klamme nacht, en zo nu en dan Opkeek in volmaakte stilte naar de sterren.
Origineel:
When I Heard the Learn’d Astronomer
When I heard the learn’d astronomer, When the proofs, the figures, were ranged in columns before me, When I was shown the charts and diagrams, to add, divide, and measure them, When I sitting heard the astronomer where he lectured with much applause in the lecture-room, How soon unaccountable I became tired and sick, Till rising and gliding out I wander’d off by myself, In the mystical moist night-air, and from time to time, Look’d up in perfect silence at the stars.
Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilder Mildred Eldridge (1909-1991).
[Deze intro kunt u verder overslaan, als u al eerder mijn vertalingen van R.S. Thomas onder ogen hebt gehad. Het nieuwe deel begint met de woorden: Het door mij vertaalde gedicht …]
R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).
Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.
In een treffend filmpje uit 1996 dat Bloodaxe Books beschikbaar heeft gemaakt – hier raadpleegbaar – zegt Thomas (vanaf 4’18”):
“Mocht er sowieso later nog aan mij gedacht worden, dan zal dat wel zijn om de intensiteit van een paar gedichten die ik heb geschreven. Maar, los van de gedichten, als mens hoop ik dat m’n voorbeeld van iemand die ervan hield buiten te zijn, die hield van de aardse dingen, en die het talent had meegekregen om ze niet alleen te horen maar ook te zien, voor anderen een zeker nut heeft gehad.”
Het door mij vertaalde gedicht is niet moeilijk te begrijpen. In de eerste strofe wordt een onbeduidend Welsh kerkje beschreven dat enigszins in verval is en geen toeristen trekt. In de tweede strofe wordt beeldend beschreven hoe ooit in een ver verleden een dominee in staat was eenvoudige mensen te bezielen met zijn woorden.
Daarmee is het zonder twijfel ook een nostalgisch gedicht.
Maar er is misschien nog wel iets meer over te zeggen. Thomas heeft vrij veel gedichten gemaakt over eenzame bezoeken aan eenzame kerkjes. Dit gedicht is – denk ik – ook een poging om voor zichzelf te definiëren wat zijn roeping was, de roeping van een onalledaagse anglicaanse priester in een tijd waarin de kerk massaal werd verlaten.
Hij wilde de mensen bezielen zodat ze gevoelig zouden worden voor de schoonheid van de schepping en het mysterie van het leven.
En je moet bij de slotregels ook even denken aan Life at the Bottom – het boek waarin de Britse schrijver-psychiater Theodore Dalrymple (pseud. van Anthony Daniels) beschrijft hoe de Britse onderklasse is afgedaald in treurnis, armoe en ‘self-inflicted misery’, waarin duidelijk wordt hoezeer de Britse ‘kleyne luyden’ door de intellectuelen worden geminacht, maar vooral hoe deze luyden zichzelf hebben verwaarloosd.
Geluidsopname
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling
Het kerkje
Op enige afstand van de hoofdweg, Tot rust gekomen in de grauwheid van z’n eeuw, ligt daar het kerkje – lelijk – zonder de toerist te verleiden z’n auto stil te zetten om even te kijken. Het verkeer komt er langs, en de rivier komt er langs, en ook de vluchtige schaduw van wolken, en dan nestelt het kerkje zich weer wat dieper in het gras.
Toch was het ooit hier, op net zo’n avond, in de duisternis die de toehoorders omgaf, dat een predikant in vuur ontstak en aanhoudend voor hun ogen vlamde met een vreemd licht, zodat zij de pracht van de kale bergen om hen heen zagen en zij vurig hun herhaalde ‘amen’ zongen, klein maar bevrijd zoals mensen nu niet meer zijn.
Origineel
The Chapel
A little aside from the main road, becalmed in a last-century greyness, there is the chapel, ugly, without the appeal to the tourist to stop his car and visit it. The traffic goes by, and the river goes by, and quick shadows of clouds, too, and the chapel settles a little deeper into the grass.
But here once on an evening like this, in the darkness that was about his hearers, a preacher caught fire and burned steadily before them with a strange light, so that they saw the splendour of the barren mountains about them and sang their amens fiercely, narrow but saved in a way that men are not now.