Categorie archief: Beschouwing

Waarom gedichten?

Boempaukeslag

Boem Paukeslag, Paul van Ostayen

Ik heb een vriend – een heel goede vertaler – die moeite heeft met gedichten. Hij kan haast niet begrijpen waarom dichters hun gedachten niet gewoon in begrijpelijk proza opschrijven. Hij snapt ook niet waarom dichters hun versregels soms zo onlogisch afbreken.

Poëzie heeft een grotere intensiteit dan proza. Wie de intensiteit van een goed gedicht in proza wil vangen, wekt al snel de indruk dat het niet goed met hem gaat, dat hij krankzinnig is, of in ieder geval ernstig in de war. Liefde, wanhoop, natuurbeleving, haat, lofprijzing, mededogen, waarheidsliefde, religiositeit, zelfverwijt – al die dingen klinken, als je de intensiteit daarvan wilt overbrengen, heel theatraal of pathetisch in didactisch of betogend proza. Maar ze kunnen heel overtuigend zijn in goede poëzie. Poëzie is ook beknopter dan proza. Humor heeft niet zelden een dichterlijke vorm.

De afkeer die sommige mensen van poëzie hebben, wordt begrijpelijkerwijs gevoed door slechte verzen. En daar zijn er heel veel van.

Het ergert mij bijvoorbeeld enigszins dat in Nederland de mode die door de Vijftigers is geïntroduceerd om alle leestekens weg te laten en verzen te produceren waaraan kop noch staart, noch ook enige andere syntactische bekommernis te ontdekken valt, zoveel navolging vindt. ‘Vond’ moet ik misschien zeggen. Bij sommige dichters werkt dat weliswaar heel goed en is het zelfs ronduit functioneel, bijvoorbeeld bij de Todesfuge van Paul Celan, maar dat is lang niet altijd het geval. Maar dit is een zijspoor.

Als de wens om iets met grote intensiteit te schrijven er wel is, maar het dichterlijke vermogen daartoe ontbreekt,  krijg je Candlelight-verzen.

Er is ongelooflijk veel slechte poëzie, zoals er ook ongelooflijk veel slechte muziek en onleesbaar proza is.

Laat alles wat je niks vindt ongelezen, maar verzet je niet tegen wat mooi of ontroerend of amusant of anderszins overrompelend is.

Maar waarom breken dichters hun regels vaak zo raar af?

Afbrekingen van versregels zijn heel goed te vergelijken met maatstrepen in de muziek. Als ze je hinderen, geen probleem, plak alles achter elkaar, en geniet het resultaat alsof die strepen er niet stonden. De melodielijn loopt vaak over de maatstrepen heen, en er is geen enkele reden om je door die stomme strepen van de wijs te laten brengen. In sommige klassieke versvormen wordt het metrum strak gehandhaafd en worden de maatstrepen soms nog benadrukt door een eindrijm; bij modernere poëzie is het vaak wat vrijer, maar in wezen is er weinig veranderd. De bijbelse psalmen zijn trouwens met betrekking tot metrum en rijm ook (relatief) vrij, en ze ontlenen hun effect vaak aan andere muzikale middelen, zoals een suggestieve en uitgestelde climaxopbouw,  refrein, contrast en gevarieerde herhaling.

De dichter Hendrik de Vries (1896-1989) heeft een heleboel Spaanse volksgedichtjes vertaald. Hij publiceerde ze als ‘copla’s’. Eén daarvan luidt als volgt (ik citeer uit het hoofd):

Ik liep op het kerkhof rond;
Daar nam ik een kloek besluit:
Ik sloeg met mijn stok op de grond,
“Wie dapper is, komt er maar uit!”

Ik zou niet weten hoe je dat beknopt in proza zeggen kan, zonder subiet de indruk te wekken dat je hulp nodig hebt. Maar een onbegrijpelijk besef of thema is het zeker niet. En de lach die het vers opwekt staat evenmin los van de poëtische vorm. Ernst en plezier zijn beide tegelijkertijd en in gelijke mate aanwezig. En de Tijd, het verstrijken ervan, de onomkeerbaarheid ervan, is het grondthema van alle kunst.

En al dit gepraat kan het vers met geen mogelijkheid vervangen.1


  1. Als je deze slotzin van maatstrepen zou willen voorzien – ik heb daarmee geen poëtische bedoelingen gehad, al is het natuurlijk wel een soort punchline of pointe – dan zou je dat bijvoorbeeld als volgt kunnen doen: En al dit gepraat / kan het vers / met geen mogelijkheid / vervangen. 

Simon Leys – introductie

Pierre Ryckmans I

Pierre Ryckmans I (door: Mathew Lynn)

Op 11 augustus 2014 overleed de grote Belgische schrijver en sinoloog Pierre Ryckmans, alias Simon Leys, geboren in 1935, op 78-jarige leeftijd in Sydney.

Hij schreef het mooiste, scherpste en waarachtigste proza dat er na de Tweede Wereldoorlog geschreven is. Hij heeft meer gedaan dan wie ook om een eind te maken aan de westerse gevoeligheid (die ongeveer duurde van 1960-1985) voor de totalitaire, communistische verleiding.

Theodore Dalrymple, pseud. van Anthony M. Daniels, schreef op 13 augustus 2014 als openingszin van een kort In Memoriam:

If fame were the reward of merit alone, Pierre Ryckmans, who wrote under the name of Simon Leys and has just died in Canberra aged 78, would have been one of the most famous men in the world.[1]

Zijn bekendste werk, essays die een démasqué van het Chinese communisme behelzen, schreef hij onder het pseudoniem Simon Leys: Les habits neufs du président Mao (De nieuwe kleren van Voorzitter Mao), in 1971, en Ombres Chinoises (Chinese schimmen), in 1974.

Hij gaf met zijn boek Chinese schimmen een krachtige impuls aan wat bekend staat als ‘Het China-debat’, een debat over de waarde van de maoïstische revolutie voor China en de wereld, waaraan in Nederland onder anderen W.F. Wertheim, Rudy Kousbroek, Renate Rubinstein, Anja Meulenbelt en Martin van Amerongen meededen. Hij schreef zijn enige roman La mort de Napoléon (De dood van Napoleon) in 1986. Hij publiceerde de door hem vertaalde Analects of Confucius (Uitspraken van Confucius) in 1997. Zijn mooiste en veelzijdigste essaybundel is misschien wel zijn laatste: The Hall of Uselessness, uit 2011. Hij was een bewonderaar van G.K. Chesterton, Emile Cioran, C.S. Lewis en George Orwell. Hij ontving belangrijke prijzen in het Franse en Engelse taalgebied.

Pierre Ryckmans II

Pierre Ryckmans II (door: Mathew Lynn)

U heeft misschien nog nooit van hem gehoord. Geen Nederlandse krant heeft ter gelegenheid van zijn overlijden uitgebreid aandacht aan zijn leven en werk besteed. Ons Erfdeel, het belangrijkste Vlaams-Nederlandse culturele tijdschrift, heeft wel een mooi levensbericht gepubliceerd. Frans was zijn moedertaal. Hij schreef ook rechtstreeks in het Engels.

Hij was een geleerde, een essayist, een humoristisch schrijver, een romanschrijver, een kalligraaf, een vertaler, een literair criticus, een illustrator, een cartoonist. Hij was katholiek, maar geen kwezel. Hij had een Taiwanese vrouw en was vader van vier kinderen. Hij woonde en werkte van 1970 tot zijn dood in Australië.

Hij was oomzegger en naamgenoot van Pierre Ryckmans (1891-1959) die “de beste gouverneur-generaal [was] die Belgisch Congo ooit heeft gekend”, zoals David Van Reybrouck schreef in het boek Congo.[2]

Voetnoten
1. Anders dan Dalrymple zegt, stierf Ryckmans niet in Canberra, maar in Sydney. Zie ook de bewerkingssamenvatting van deze bewerking aan het Engelse Wikipedia-artikel.
2. Google Books geeft bij dit boek geen paginanummers. Zoeken op “Ryckmans”. Zie ook hier.

Over religie

368px-RümkeHC

H.C. Rümke (Wikimedia Commons)

Net als bijvoorbeeld Gerard Reve en R.S. Thomas beschouw ik kunst en religie als tweelingen.

Ik geloof niet in bekrompenheid.

Ik denk dat poëzie vaak een vorm van bidden is, en ik denk ook dat de joods-christelijke bijbel op veel plaatsen probeert de waarheid te benaderen op een dichterlijke manier.

Ik ben niet langer vrijgemaakt-gereformeerd, de kerk waarin ik ben opgegroeid en opgevoed, maar ben wel overwegend dankbaar voor de lessen die ik daar heb geleerd.

Ik beschouw mezelf als een christen, twijfelend, spottend, ironisch, soms me overgevend, soms me verzettend, maar me steeds verbonden wetend met de voornaamste christelijke tradities.

Op de overlegpagina van het Wikipedia-artikel Weet. (een artikel over een orthodox-christelijk, populair-wetenschappelijk blaadje) heb ik in het verleden onder het geleende pseudoniem Theobald Tiger het volgende geschreven, dat hier eigenlijk beter op zijn plaats is dan daar:

 

[…] ik heb ondervonden dat mijn achtergrond geen ruimte bood aan de vragen die ik stelde en er evenmin een antwoord op had. En ook bij mij was de losmaking een pijnlijk proces, vooral omdat ik er slecht tegen kon dat ik mijn ouders verdriet deed. Maar een echte bevrijding was het toch niet, omdat ik er gaandeweg achter kwam dat niemand antwoord op mijn vragen had, al was er uiteraard machtig veel te ontdekken – nog steeds.

Ook heb ik niet zozeer angst voor een leven zonder religie – al kan het leven zelf donders beangstigend zijn. Ik geloof namelijk […, niet] dat je in een God dient te geloven als voorwaarde om moreel te kunnen handelen, schoonheid te kunnen ondergaan of ontroerd te kunnen worden. Maar […, ik] geloof toch ook niet dat je de religie kunt uitbannen zonder dat er iets wezenlijks verloren gaat.

Religie is geen zingeving, geen normenstelsel en geen bindmiddel voor gemeenschappen. Het is dat allemaal ook natuurlijk, maar dat is slechts een (niet onbelangrijk) neveneffect van wat ik als haar kern beschouw: zij is volgens mij het besef dat je als sterfelijk mens een bescheiden plaats inneemt in een wereld die – om met Dante te spreken – gedragen wordt door de liefde die het al beweegt, dat je dus – zelf eindig – deel hebt aan iets onvergankelijks.

Voor een georganiseerde religie is het bovendien nodig dat dit besef wordt gedeeld. Het wegvallen van dat gedeelde besef acht ik op den duur schadelijk voor kunst (opgevat in ruime zin zodat het ook het scheppen van harmonie in de eigen leefomgeving insluit), wetenschap en moraal.

Dit betekent uiteraard niet dat niet-religieuze mensen niet serieus met die onderwerpen bezig kunnen zijn, of dat ze geen waardevolle bijdragen kunnen doen – ik bedoel daarmee dat het religieuze besef onmisbaar is om dwalingen te onderkennen en om de moed op te brengen om – desnoods – alleen te staan in de verdediging van de kernwaarden van onze beschaving.

Dat het religieuze levensbesef ook bij veel vertegenwoordigers van de georganiseerde religie ontbreekt, behoeft verder geen betoog. Dat ook het wetenschappelijke streven voortkomt uit l’amor che move il sole e l’altre stelle is zeker waar en er is dan ook niets in mij dat zich tegen de beoefening en de resultaten van strenge wetenschap verzet (ik maak nadrukkelijk een uitzondering voor de sociale wetenschappen die ik – gunstige uitzonderingen daargelaten – als broedplaatsen van cultuurbederf beschouw).

Sigmund_Freud_LIFE

Sigmund Freud (Wikimedia Commons)

Veel ontwikkelde mensen beschouwen godsdienstigheid – in navolging van Freud – als een ontwikkelingsstoornis, als een inadequaat, regressief antwoord op levensangst. Dat is soms zeker het geval. Maar dat is volgens mij toch niet het enige dat erover gezegd kan worden. De godsdienst heeft mensen zeker niet alleen maar geremd, maar ze ook soms de kracht gegeven om de waarheid hoog te houden, en om kunst en wetenschap voort te brengen op het hoogste niveau. “Nergens heeft ooit het onechte een dergelijke ontroerende wijdende en bevrijdende kracht gehad“, schreef H.C. Rümke in zijn essay Karakter en aanleg in verband met het ongeloof (1939).

Ter voorkoming van misverstanden: aan religieuze kwezelachtigheid heb ik een even grote hekel als aan atheïstische bigotterie. Ik ben een groot bewonderaar van de onlangs overleden Belgische schrijver en sinoloog Pierre Ryckmans (pseud.: Simon Leys), zelf katholiek, en een groot en welsprekend verdediger van de beschaving, te midden van de krankzinnigheden die werden uitgekraamd door de fellow-travellers (die veelal het verlaten van het christendom als een bevrijding hadden ondergaan) van het religievijandige maoïsme in de jaren zestig, zeventig en tachtig van de vorige eeuw.

En daaraan voorafgaand schreef ik:

Militante atheïsten zijn […] vaak heel fel, en ik heb een grondige hekel aan de zendingsdrift, humorloosheid en onverdraagzaamheid van militante atheïsten […]. Ik beschouw de militante atheïsten die zo dapper met hun sabeltjes zwaaien in de stoet die aangevoerd wordt/werd door Harris, wijlen Hitchens en Dawkins als de kwezels van onze tijd.

Maar er speelt wel degelijk nog iets. Ik heb een orthodox-protestantse achtergrond. Ik heb van deze geloofsrichting zekere afstand genomen, zonder de gehele christelijke erfenis overboord te hebben gezet. Ik beschouw de gretigheid waarmee de westerse beschaving zich ontdoet van haar metafysische erfenis als een ernstige vergissing. Ik geloof niet dat een levenshouding die zich uitsluitend wenst te baseren op rationaliteit en wetenschap de beschaving die ik waardevol vind – het goede en het ware en het schone – in stand kan houden.

Ik denk – als ik mij voor de gelegenheid even wat verheven mag uitdrukken – dat een mythopoëtische houding een belangrijke manier is om toegang te krijgen tot de waarheid. Ik denk dat Freud, Marx en Darwin alledrie een rol gespeeld hebben – althans in bepaalde interpretaties van hun werk – in de afbraak van de houding die ik voorsta (van deze drie is Darwins erfenis overigens de meest waardevolle). En dat komt omdat de evolutietheorie niet alleen een vruchtbare wetenschappelijke hypothese is gebleken, maar van de aanvang af ook is geweest wat ik hierboven een pseudoreligieuze Ersatz heb genoemd.

Daartegen verzetten de christenen zich ook, en – of je het nu met ze eens bent of niet – daarin hebben ze volgens mij volkomen gelijk. Dat ze daarbij allerlei creationistische en andere dwaalwegen bewandelen, is heel jammer, maar dat is, vermoed ik, het directe gevolg van de letterlijkheidscultus en de symboolblindheid die je veel bij hen aantreft en die je trouwens ook vaak bij rationalisten ziet. Ik ben er niet zo zeker van dat de ernst waarmee wij elkaar proberen te begrijpen en waarmee we ons jegens elkaar verstaanbaar proberen te maken, een gevolg is van de ‘evolutie’, […].

Ik [… vind wel] dat de natuurwetenschappen heel belangrijk zijn, en feitelijk als enige aanspraak kunnen maken op de titel ‘wetenschap’. […] Ik beschouw persoonlijk alle niet-natuurwetenschappen als pseudowetenschap. Maar ik denk wel dat er nog heel andere domeinen zijn dan die van ratio en wetenschap, domeinen die ook onze volle aandacht en liefde verdienen.

En even verderop:

Religies zijn weliswaar meestal gebaseerd op een openbaring, maar religies zijn toch niet bedoeld om zekerheid te bieden. Zekerheid bestaat niet, vroeger niet en nu niet, en zekerheid zal ook nooit bestaan. Militante atheïsten als Sam Harris, Richard Dawkins, wijlen Christopher Hitchens, wijlen Rudy Kousbroek en de nog levende Max Pam weten niets van het christendom; ze vervloeken, kleineren en ridiculiseren het christendom, maar ze citeren nooit de beste vertegenwoordigers ervan.

Wetenschap bevordert inderdaad de twijfel, en godsdienst probeert de aandacht te richten op wat eeuwig is. Dat zijn twee buitengewoon goede strevingen, die elkaar – volgens mij – geenszins uitsluiten.

(…)

De afgelopen eeuw van wetenschap en techniek heeft inderdaad wonderen voortgebracht. Maar de religie heeft dat ook, zij het geheel andere wonderen, zoals de muziek van Bach. De kerk is verantwoordelijk voor een groot aantal gruwelen – en zij heeft daar nooit passende verontschuldigingen voor aangeboden – maar ook het atheïsme heeft het bedrijven van gruwelen niet geschuwd.

Voor goed geformuleerde en interessante tegenspraak verwijs ik naar de Wikipedia-overlegpagina waarop deze citaten voorkomen.

Aan de in 2014 overleden Simon Leys/Pierre Ryckmans zal ik binnenkort op deze plaats aandacht besteden.