Edgar Allan Poe (1809-1849) was een Amerikaans romantisch schrijver van korte verhalen en gedichten. Hij was goed in raadselachtige en soms macabere wendingen. Zijn verhalen hebben mede de aanzet gegeven tot het ontstaan van het detective– en science fiction-genre.
Zijn beste werk heeft een zeer hoge intensiteit. Deze intensiteit bereikt Poe met vreemde, soms angstaanjagende motieven en een merkwaardige afwisseling van stijlregisters. In zijn gedichten gebruikt hij nieuwe vormen en vaak heel inventieve en strakke rijmschema’s: soms rijmen hele zinnen op elkaar.
Poe had het vermogen tot exaltatie, geestvervoering. Zonder dat vermogen zou er – denk ik – geen kunst bestaan, wat zeker niet betekent dat goede kunst een geëxalteerde vorm moet hebben.
Voor Helena is een liefdesgedicht, al is de aanbedene niet alleen de schone vrouw, maar ook de beschaving die zij belichaamt of waarnaar zij verwijst.
Helena (van Troje) was de dochter van Zeus en werd in de Griekse mythologie beschouwd als de mooiste vrouw op aarde.
Niceaanse is een bijvoeglijk naamwoord dat verwijst naar Nicea, een stadje in de oudheid dat bekend is geworden van de concilies die er plaatsvonden. Het oude stadsdeel bevindt zich in de stad İznik, in het huidige Turkije.
Een bark is een zeilschip met ten minste drie masten dat reeds bestond in de oudheid .
Hyancinthenhaar verwijst naar Hyakinthos, een Spartaanse prins. En uiteraard ook naar de naar hem genoemde bloem.
Helena, uw schoonheid is voor mij Als een Niceaanse bark uit oude tijd, Die over de zoetgeurende zee voorbij Gaat, die deze reutelende reiziger verblijdt En naar zijn geboortegrond geleidt.
Gewend op woeste zeeën rond te dolen, Heeft uw Hyacinthenhaar, uw klassieke Gelaat, uw Naiaden-air mij thuis doen komen Bij de grootsheid van de Grieken, En het grandioze Rome.
Zie daar nu, in die verre stralende nis, Hoe sculpturaal is daar uw stand- Plaats – de agaten lamp in uw hand, Ah! Psyche, die afkomstig is Uit Heilig Land!
Origineel:
To Helen
Helen, thy beauty is to me Like those Nicean barks of yore That gently, o’er a perfumed sea, The weary, way-worn wanderer bore To his own native shore.
On desperate seas long wont to roam, Thy hyacinth hair, thy classic face, Thy Naiad airs have brought me home To the glory that was Greece, And the grandeur that was Rome.
Lo, in yon brilliant window-niche How statue-like I see thee stand, The agate lamp within thy hand, Ah! Psyche, from the regions which Are Holy Land!
Het gedicht ‘Hope’ is the thing with feathers is één van de bekendste gedichten van de Amerikaanse dichter Emily Dickinson (1830-1886). Dickinson schreef bijna 1800 gedichten, maar de meeste werden pas gepubliceerd na haar dood.
Volgens een onbevestigde overlevering zou Willem van Oranje gezegd of geschreven hebben: “Men hoeft niet te hopen om iets te ondernemen, noch te slagen om te volharden” (Point n’est besoin d’espérer pour entreprendre, ni de réussir pour persévérer). Dat is een mooie gedachte.
In de christelijke traditie zijn Geloof, Hoop en Liefde de goddelijke deugden.
Upton Sinclair schreef in The Jungle als openingszin van hoofdstuk 8: “Yet even by this deadly winter the germ of hope was not to be kept from sprouting in their hearts.“
Dit gedicht gaat dus over hoop. Maar hoe hartverwarmend de hoop vaak ook is, en hoe zelfklevend meestal de illusie dat wat je hoopt ooit waar zal wezen, de dichteres laat er zich op voorstaan dat het vogeltje niets – echt niets – aan haar te danken heeft.
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
——————————————————————————————————————————-
Vertaling:
Hoop is dat ding met veren
‘Hoop’ is dat ding met veren, Dat neerstrijkt in de ziel, En ‘t wijsje zingt, zonder de woorden, En dat ons nooit – nog nooit – ontviel.
In Stormwind klinkt zij allerliefst; En vreselijk moet het noodweer zijn, Dat zorgt dat ’t Vogeltje de moed verliest; Ze is zo teder en zo fijn.
Ik hoorde haar in bitterkoude streken; Ook op de hachelijkste Zee was zij, Maar nooit – ik overdrijf niet – Vroeg zij een kruimeltje – van Mij.
Origineel:
‘Hope’ is the thing with feathers
‘Hope’ is the thing with feathers— That perches in the soul— And sings the tune without the words— And never stops—at all—
And sweetest—in the Gale—is heard— And sore must be the storm— That could abash the little Bird That kept so many warm—
I’ve heard it in the chillest land— And on the strangest Sea— Yet, never, in Extremity, It asked a crumb—of Me.
Emily Dickinson (1830-1886) was een Amerikaanse dichteres die pas na haar dood beroemd is geworden.
Het zonnetje in huis was ze bepaald niet, maar wat een geweldige poëzie!
Dit gedicht beschrijft een nachtmerrie die niet eindigt in een verlossing, maar in een verdoving – zoals nachtmerries vaak aflopen – net als de werkelijkheid trouwens. Aardig is dat waar in het gedicht Ratio en Rede genoemd worden, dezelfde nachtmerrie onverminderd van kracht blijft, zelfs het allersterkst is, Op Weg Naar het Krankzinnige Einde.
Vertaling:
Een Uitvaart voelde ik, in mijn Brein
Een Uitvaart voelde ik, in mijn Brein, Met rouwenden die bleven komen – Bleven komen, af en aan – tot het leek Of de Ratio zich plotseling vertoonde.
En toen ten slotte iedereen een plekje had, Begon een Dienst, die als gestage Trom Ging dreunen – dreunen – tot ik dacht Dat het mijn geest haast had verstomd.
Toen tilden ze, zo hoorde ik, een Kist Die knerpte dwars doorheen mijn Ziel, Met weer diezelfde Loden Laarzen, Toen kwam de Ruimte – het luide bonzen,
Alsof de Hemelen zich kromden tot een Gong, En het Zijn zich welfde tot een Oor, En ik, en Stilte, een vreemdsoortig Ras, Waren verscheurd, solitair, hier –
En in de Rede brak opeens een Plank, En ik, ik stortte naar omlaag – omlaag, En raakte een Wereld, bij elke buiteling, En Stopte met beseffen, daar –
Origineel:
I felt a Funeral, in my Brain
I felt a Funeral, in my Brain, And Mourners to and fro Kept treading – treading – till it seemed That Sense was breaking through –
And when they all were seated, A Service, like a Drum – Kept beating – beating – till I thought My mind was going numb –
And then I heard them lift a Box And creak across my Soul With those same Boots of Lead, again, Then Space – began to toll,
As all the Heavens were a Bell, And Being, but an Ear, And I, and Silence, some strange Race, Wrecked, solitary, here –
And then a Plank in Reason, broke, And I dropped down, and down – And hit a World, at every plunge, And Finished knowing – then –
Op 21 april 2016 overleed Prince Rogers Nelson (1958-2016), de artiest die bekend stond als Prince, die enige tijd The artist formerly known as Prince (1993-1999) werd genoemd, en ten slotte weer Prince mocht heten.1 De doodsoorzaak was naar alle waarschijnlijkheid de overdosis van een pijnstiller.2
Het verdient aanbeveling om over de doden niet dan op correcte wijze te spreken: ‘De mortuis nil nisi bene‘, luidt het Latijnse gezegde, wat niet hetzelfde is als ‘de mortuis nil nisi bonum‘, over de doden niets dan goeds.
Het is niet gemakkelijk om over zijn muzikale prestaties ook maar een voorzichtig woordje van kritiek te vinden. Bijna iedereen is diep onder de indruk van wat Prince tot stand gebracht heeft. Zijn composities zijn geniaal, zijn orkestraties formidabel, zijn optredens waren fenomenaal, en zijn persoonlijkheid was onweerstaanbaar en – jawel – sexy. De muziek na zijn verscheiden zal nooit meer dezelfde zijn als de muziek voor zijn entree.
Prince, Paisley Park, 1988. Fotograaf Joel Bernstein
Over het masturbatieliedje Darling Nikki schreef The Guardian likkebaardend:3
“If Darling Nikki doesn’t make you want to have hot, dirty sex – the kind you remember years afterwards with a frisson going down your back – then I don’t know what would. This was the song that caused Tipper Gore to form the Parents Music Resource Center to police the music industry in 1985, putting “Parental Advisory” stickers all over album covers.“
Dat de waardering op een dergelijke kwijlende manier tot uitdrukking wordt gebracht, lijkt niet zonder betekenis: de muziek van Prince bedoelt bandeloze seks aan te prijzen en de opvoeding te ondermijnen, en slaagt daar – tot kennelijke tevredenheid van The Guardian – ook daadwerkelijk in. Egalité is het hoogste ideaal, want nooit zijn wij meer aan elkaar gelijk dan in het moment van seksuele vervoering.
Op TMF, een website gewijd aan nieuws over celebrities, werd na zijn dood het sentimentele getwitter van collega-celebrities gereproduceerd,4 tweets die vervolgens duizendvoudig werden herhaald en gerecycled en uitgekauwd, als waren het uitspraken van betekenis.
In dit koor voegden zich uiteraard ook politici zoals de Nederlandse Minister van Onderwijs Jet Bussemaker: “Hij was super-, supersexy”.5
Ik begrijp natuurlijk de ontsteltenis – en in een enkel geval: het verdriet – van collega-artiesten en nabestaanden. Ik hoop dat de artiest die gemeenlijk bekend stond onder de naam Prince zal rusten in vrede.
Maar de overledene lijkt me toch niet een cultuurdrager van de eerste orde geweest te zijn. Hij was misschien niet onmuzikaal, maar hij heeft toch eigenlijk geen mooie muziek gemaakt – helaas!
Prince was ijdel, narcistisch en megalomaan. Dat verhindert het maken van mooie muziek mogelijk nog niet helemaal, maar hij ontwikkelde zich eerder tot een performer, een zakenman en een stijlicoon – Kinderen allemaal naar binnen komen; sluit ramen en deuren! – dan tot een toonkunstenaar van betekenis. Hij verheerlijkte een permanente adolescentie – wat bij het klimmen der jaren uiteraard steeds moeilijker werd vol te houden. Is dat mogelijk de oorzaak van zijn voortijdige dood?
In 1999 was er een uitgebreid interview met The Artist bij Larry King. Prince gedroeg zich ijdel, self-conscious en onpersoonlijk: hij waakte ervoor – zichtbaar zenuwachtig en handenwringend – iets te zeggen dat zijn imperium aan het wankelen kon brengen.
When Doves Cry wordt wel als een hoogtepunt van de componist, uitvoerend musicus en zanger Prince beschouwd. Ik heb het liedje zojuist nog eens driemaal in zijn geheel beluisterd, maar het is, net als Purple Rain – toch zijn allergrootste hit – van een monotone, meedogenloze, paralyserende leegheid die de luisteraar neerdrukt in een staat van eindeloze, doffe verveling.
Als u mijn oordeel over zijn muzikale kwaliteiten niet vertrouwt, luister maar eens rustig naar het liedje Cream – ook al overladen met seksuele symboliek, net als bijna alles wat hij maakte – en u zult horen dat zijn muziek de artistieke kwaliteit heeft van een stofzuiger.
Of het liedje I Wanna Be Your Lover, een stomvervelende Michael Jackson-imitatie, en dat terwijl het nagebootste en door plastische chirurgie misvormde voorbeeld – The King of Pop – zelf ook al van een intense treurigheid was.
Misschien denkt u nu dat toch ten minste de teksten van Prince flonkeren boven een woud van deprimerende clichés, en dat het juweeltjes van poëzie zijn, die – je weet het maar nooit – de drammerige, hitsige dreun van zijn muziek kunnen goedmaken:
There’s something about u, baby It happens all the time Whenever I’m around u, baby I get a dirty mind It doesn’t matter where we are It doesn’t matter who’s around It doesn’t matter I just wanna lay ya down In my daddy’s car It’s you I really wanna drive But you never go too far I may not be your kind of man I may not be your style But honey all I wanna do Is just love you for a little while
(…)
3FM-kuiken met zonnebril
Helaas, ook deze tekst getuigt, zoals u ongetwijfeld ziet, van een gebrekkige formuleerkunst en bovendien van een erbarmelijke leeghoofdigheid die zijn weerga alleen in de popmuziek kent. Seks is natuurlijk iets moois, maar ik denk niet dat de muziek van Prince ons zal helpen om dat te ontdekken.
Prince leek in sommige opzichten op de kort voor hem (eveneens door eigen toedoen) overleden collega-artiest Amy Winehouse: de verschillen waren groot, maar beiden waren zelfdestructief, ambitieus en (in muzikale zin) middelmatig, een giftige combinatie.
Net als dictators en bokskampioenen worden popmuzikanten overladen met buitensporige (en hoogst twijfelachtige) vormen van eerbetoon: His Purple Majesty, His Royal Badness, The Artist en His Purple Highness waren de bijnamen van deze Jehova-getuige, en alleen al het leveren van voorzichtige kritiek maakt voor zijn bewonderaars duidelijk dat de criticus te kwader trouw is.
Het zij zo. De muziek van Prince lijkt mij eerst en vooral de triomf van zelfpromotionele agressie, overschenen – nu en dan – met vlaagjes van valse sentimentaliteit.6
De naamsverandering wordt toegeschreven aan een zakelijk geschil met zijn platenmaatschappij Warner Brothers. De tijdelijke naamsverandering, die natuurlijk geen echte naamsverandering was, genereerde uiteraard ook winstgevende publiciteit.↩
W.J.M. Bronzwaer (1936-1999), bij leven hoogleraar Algemene Literatuurwetenschap in Nijmegen, heeft in 1984 bij Ambo een door hem samengestelde tweetalige bundel gepubliceerd: Gedichten / Gerard Manley Hopkins (keuze uit zijn poëzie met vertaling en commentaren). Een voorpublicatie daarvan en een interessante inleiding zijn online beschikbaar bij de Digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren (dbnl).4
Ik heb op deze vertaling kritiek gekregen die ik inmiddels verwerkt heb. Ik ben de criticus (die op deze openbare plaats liever anoniem blijft) zeer erkentelijk.
Volgens Bronzwaer heeft het woord ‘change’ in de laatste regel “zonder twijfel” betrekking op Darwins evolutie. Ik heb mede daarom gekozen voor de vertaling ‘variatie’.
Vertaling:
Bonte pracht
Eer zij God voor bonte dingen –
Voor bipolaire luchten als een gevlekte koe;
Voor rozige sproetjes als stippels op zwemmende forellen;
Vers-gloeiende kastanje-oogst; vleugelglans van vinken;
Verdeeld, verkaveld land – braak, geplooid, geploegd;
En van ieder ambacht het gerei, het tuig, de toestellen.
Hoe strijdig ook, oorspronkelijk, raar, apart;
Al wat balsturig is, bespikkeld (wie weet hoe?)
Met zoet, zuur, flonkerend, flauw, het trage of het snelle –
Hij vadert voort, wiens schoonheid elke variatie tart:
Looft Hem.
Origineel:
Pied Beauty
Glory be to God for dappled things –
For skies of couple-colour as a brinded cow;
For rose-moles all in stipple upon trout that swim;
Fresh-firecoal chestnut-falls; finches’ wings;
Landscape plotted and pieced – fold, fallow, and plough;
And áll trádes, their gear and tackle and trim.
All things counter, original, spare, strange;
Whatever is fickle, freckled (who knows how?)
With swift, slow; sweet, sour; adazzle, dim;
He fathers-forth whose beauty is past change:
Praise him.
Paul Begheyn S.J. (1944-), jezuiet, stafmedewerker Ignatiushuis en schrijver; hij publiceert sinds 1963 over geschiedenis, spiritualiteit, cultuur van de jezui͏̈etenorde, beeldende kunst en poëzie. Hij wordt beschouwd als een Petrus Canisius-kenner.↩
De Italiaanse dichter Eugenio Montale (1896-1981) is een belangrijk Italiaans dichter die (desondanks of misschien wel daarom) in 1975 de Nobelprijs voor Literatuur won.
Dit gedicht is een klassiek voorbeeld van de afkeer die veel kunstenaars hebben van het feit dat het publiek meer aandacht heeft voor de biografie dan voor het werk.
Dit gedicht is eerder vertaald – een beetje onbevredigend naar mijn smaak – door de overigens terecht geroemde en bekroonde vertaler Frans van Dooren (1934-2005).1
Geluidsopname:
Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling:
Ten slotte
Geef ik mijn erfgenamen In de literatuur (indien aanwezig), Een onmogelijk advies: Ontsteek een fraai vreugdevuur van alles wat Mijn leven, mijn doen, mijn nalaten betreft. Ik ben geen Leopardi; veel brandbaars is er niet, Een beetje leven is al heel wat. Ik leefde voor vijf procent, daarmee houdt het Wel op. Maar al te vaak regent het echter Op dat wat al nat is.
Origineel:
Per finire
Raccomando ai miei posteri (se ne saranno) in sede letteraria, il che resta improbabile, di fare un bel falò di tutto che riguardi la mia vita, i miei fatti, i miei nonfatti. Non sono un Leopardi, lascio poco da ardere ed è già troppo vivere in percentuale. Vissi al cinque per cento, non aumentate la dose. Troppo spesso invece piove sul bagnato.
TOT BESLUIT geef ik mijn nakomelingen in de literatuur (als die er tenminste zullen zijn), iets wat onwaarschijnlijk is, de raad een mooi vreugdevuur te ontsteken van alles wat betrekking heeft op mijn leven, op dat wat ik wel en niet heb gedaan. Ik ben geen Leopardi, ik laat weinig brandbaars na en het is al te veel om voor een percentage te leven. Ik leefde niet meer dan vijf procent, vergroot de dosis niet. Te dikwijls echter regent het op iets dat al doorweekt is. ↩
Het gedicht Meer licht! Meer licht! van Anthony Hecht (1923-2004) contrasteert twee executie-taferelen: één van een Engelse martelaar op de brandstapel in de zestiende eeuw, en een meervoudige executie in Buchenwald tijdens de Tweede Wereldoorlog.
De trein naar Buchenwald stopte in Weimar, de stad waar Johann Wolfgang von Goethe woonde en werkte van 1775 tot zijn dood in 1832.
De titel verwijst naar de laatste woorden die Goethe volgens de overlevering op zijn sterfbed heeft gesproken: Mehr Licht.
Het “Vriend’lijk Licht” waarvan in het gedicht sprake is, is een enigszins anachronistische toespeling op Lead, Kindly Light, een lied dat geschreven werd door John Henry Newman.
De Tower waarnaar in het gedicht wordt verwezen is de Tower of London.
De Lüger die wordt genoemd – de umlaut lijkt me twijfelachtig, maar ik heb hem voorlopig in vertaling gehandhaafd – is een Duits pistool. Dat de schutter niet wordt genoemd, is opzettelijk: de nazi wordt gedepersonaliseerd.1
Hier kunt u de dichter het gedicht horen inleiden en voordragen.2
Het gedicht werd opgedragen aan het filosofenechtpaar Heinrich Blücher (1899-1970) en Hannah Arendt (1906-1975) die in 1940 waren getrouwd.
Anthony Hecht was een Amerikaans dichter van Duits-Joodse afkomst die naast gedichtenbundels ook enkele boeken over poëzie heeft geschreven, waaronder The Hidden Law: The Poetry of W. H. Auden (1993). Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog was hij als soldaat van het Amerikaanse leger betrokken bij de bevrijding van het concentratiekamp Flossenburg, wat een ingrijpende ervaring voor hem was.3
Een informatieve necrologie, geschreven kort na de dood van Hecht in 2004, kunt u hier lezen.4
Ik heb het rijm niet helemaal consequent gevolgd om de dramatiek van het vers niet te ontkrachten met een al te onnatuurlijke woordvolgorde en woordkeus.
Vertaling:
Meer licht! Meer licht!
Voor Heinrich Blücher en Hannah Arendt
Deze bewogen regels, volgens pijnlijk gebruik
Naar de brandstapel gebracht, werden in de Tower geschreven,
Nog voor de executie; ze werden overhandigd en luidden:
“God is mijn getuige, dat ik geen misdaad heb bedreven.”
Hij was welzeker moedig, maar de dood was gruwelijk:
De zak met buskruit vatte maar geen vlam.
Zijn benen waren beblaarde staken, waarop het zwarte sap,
Bubbelde en spatte, terwijl hij smeekte om het Vriend’lijk Licht.
En dat – het kon zeker veel erger – was er dan nog één
Die hem zijn jammerlijke waardigheid niet ontnam;
Zij die erbij stonden, zegden gebeden in Christus’ naam,
Die alle mensen oordelen zal, voor de rust van zijn ziel.
We wenden ons nu naar de rand van een Duits bos.
Drie mannen krijgen daar opdracht een gat te graven,
Waarin de twee Joden worden gemaand te gaan liggen,
Om levend te worden begraven door de derde, een Pool.
Geen licht uit de schrijn in Weimar, achter de heuvel,
Geen licht daagde van boven. Toch deed hij het niet.
Een Lüger zat diep in z’n handschoen verscholen.
Hij moest met de Joden ruilen van plaats.
De alomtegenwoordige dood had hun zielen weggespoeld.
Zware modder hoopte zich op tot aan zijn sidderende kin.
Toen je alleen het hoofd nog zag, klonk het commando
Hem weer uit te graven, en er zelf weer in te gaan liggen.
Geen licht, geen licht in het blauwe Poolse oog.
Toen hij klaar was, stampte een rijlaars de aarde aan.
De Lüger kwam lichtjes in z’n handschoen omhoog.
Het schot trof zijn buik; hij bloedde binnen drie uur dood.
Geen gebed of wierook steeg op in die uren,
Die zich rekten tot jaren, en elke dag kwamen uit de ovens
De stille geesten, die zich verdeelden in de winterlucht,
En zich afzetten als een roetlaag op zijn ogen.
Origineel:
More Light! More Light!
for Heinrich Blücher and Hannah Arendt
Composed in the Tower before his execution
These moving verses, and being brought at that time
Painfully to the stake, submitted, declaring thus:
“I implore my God to witness that I have made no crime.”
Nor was he forsaken of courage, but the death was horrible,
The sack of gunpowder failing to ignite.
His legs were blistered sticks on which the black sap
Bubbled and burst as he howled for the Kindly Light.
And that was but one, and by no means one of the worst;
Permitted at least his pitiful dignity;
And such as were by made prayers in the name of Christ,
That shall judge all men, for his soul’s tranquillity.
We move now to outside a German wood.
Three men are there commanded to dig a hole
In which the two Jews are ordered to lie down
And be buried alive by the third, who is a Pole.
Not light from the shrine at Weimar beyond the hill
Nor light from heaven appeared. But he did refuse.
A Lüger settled back deeply in its glove.
He was ordered to change places with the Jews.
Much casual death had drained away their souls.
The thick dirt mounted toward the quivering chin.
When only the head was exposed the order came
To dig him out again and to get back in.
No light, no light in the blue Polish eye.
When he finished a riding boot packed down the earth.
The Lüger hovered lightly in its glove.
He was shot in the belly and in three hours bled to death.
No prayers or incense rose up in those hours
Which grew to be years, and every day came mute
Ghosts from the ovens, sifting through crisp air,
And settled upon his eyes in a black soot.