Tagarchief: W.H. Auden

De ondergang van Rome – W.H. Auden

800px-Cyril_Connolly_(3556836247)
Herdenkingssteen Cyril Connolly (Wikimedia Commons)

Dit gedicht van W.H. Auden roept in korte beeldende strofen een beeld van verval en ondergang op. De rendieren in de slotstrofe werken daarom bijna als een deus ex machina.

Het gedicht is geschreven in 1947 – kort na de oorlog dus – en staat in de Collected Poems, p. 332-333.

Hier kunt u Auden beluisteren die het gedicht voordraagt.

Het gedicht werd gepubliceerd in 1947, en is te vinden in de Collected Poems op de pagina’s 332-333.

Vertaling:

DE ONDERGANG VAN ROME
(Voor Cyril Connolly)

De pier voelt golven schuimend bonken;
Regenval op braak terrein
Geselt een verlaten trein;
Schorem vult de bergspelonken.

Welig tiert de gala-kleding;
Elke fiscus jaagt met zin
Op fraudeurs die vluchten in
Riolen van provincie-steden.

Riten vol privé-magie
Wiegen zacht de tempelhoer;
Elke literaat ontvoert
Vriendjes in zijn fantasie.

Cato prijst cerebrotoon
De Aloude Disciplines,
Maar gespierde mariniers
Muiten weer om drank en loon.

Caesars bijslaap heeft plezier,
Als een laagbetaalde klerk
Schrijft: IK HOUD NIET VAN MIJN WERK
Op een rôze formulier.

Zonder welvaart en compassie,
Broeden roodgepote sijsjes
Teder op hun spikkeleitjes,
Uitziend op een koortsig stadje.

Maar wat, ondanks alles, telt:
Kudden rendierherten trekken
Voort in goudbemoste verten,
Rustig en verbazend snel.

Origineel:

THE FALL OF ROME
(For Cyril Connolly)

The piers are pummelled by the waves;
In a lonely field the rain
Lashes an abandoned train;
Outlaws fill the mountain caves.

Fantastic grow the evening gowns;
Agents of the Fisc pursue
Absconding tax-defaulters through
The sewers of provincial towns.

Private rites of magic send
The temple prostitutes to sleep;
All the literati keep
An imaginary friend.

Cerebrotonic Cato may
Extol the Ancient Disciplines,
But the muscle-bound Marines
Mutiny for food and pay.

Caesar’s double-bed is warm
As an unimportant clerk
Writes I DO NOT LIKE MY WORK
On a pink official form.

Unendowed with wealth or pity,
Little birds with scarlet legs,
Sitting on their speckled eggs,
Eye each flu-infected city.

Altogether elsewhere, vast
Herds of reindeer move across
Miles and miles of golden moss,
Silently and very fast.

1 september 1939 – W.H. Auden

Polen, Parade vor Adolf Hitler
Polen, parade voor Adolf Hitler (1939), overgenomen van Wikimedia Commons

Het gedicht September 1, 1939 werd door Auden geschreven bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. De titel is de datum waarop Hitlers Duitsland Polen binnen viel. Auden bevond zich toen, net als de ik-figuur in het gedicht, in New York. Het gedicht werd al snel erg populair. Ook na de aanslagen op de Twin Towers in 2001 werd het gedicht veel geciteerd. De symboliek van wolkenkrabbers, waarvoor kennelijk ook de zelfmoordterroristen gevoelig waren, is een van de motieven in dit gedicht.

Maar de weerklank die het vindt, betekent nog niet dat het een “politiek gedicht” is, zoals vaak is betoogd. Ik zou niet weten wat dat is, een ‘politiek gedicht’.

De beroemdste zinnen – “We must love one another or die” – waren voor Auden in een later stadium van zijn dichterschap aanleiding om het gedicht als onwaarachtig te verwerpen. We moeten immers sowieso sterven. In het algemeen vond Auden dat de retoriek met hem aan de haal was gegaan, in plaats van andersom, reden waarom hij herdrukken ervan tegen hield. Veel critici vinden dit moeilijk te verteren, maar helemaal onbegrijpelijk is het niet: de slotzinnen van diverse strofen klinken bijzonder sonoor, maar ze ronken toch ook wel een beetje. Ook is voor mijn gevoel de in het gedicht geconstrueerde tegenstelling tussen een alomvattende liefde, die goed is, en een exclusieve liefde, die verkeerd is, wel heel erg idealistisch als de eraan gehechte waardeoordelen zonder meer worden toegepast op de gehele mensheid. Het is een paulinisch idealisme waarop ook het katholieke priestercelibaat is gebaseerd. De apostel Paulus zegt in 1 Kor. 7:7 : “Ik zou wel willen, dat alle mensen waren, zoals ikzelf [dat wil zeggen: ongehuwd, AS].” Enfin, ik heb erg mijn best gedaan om ook de welluidende retoriek netjes te vertalen.

De slotstrofe van het gedicht is geïnspireerd door E.M. Forster die in zijn essay uit 1938, What I Believe, schreef (hij benadrukte het belang van persoonlijke relaties boven de grote ideologische en nationale doeleinden):

And one can, at all events, show one’s own little light here, one’s own poor little trembling flame, with the knowledge that it is not the only light that is shining in the darkness, and not the only one which the darkness does not comprehend.

En even verderop:

It is a humiliating outlook – though the greater the darkness, the brighter shine the little lights, reassuring one another, signalling: “Well, at all events, I ‘m still here. I don’ t like it very much, but how are you ?” Unquenchable lights of my aristocracy! Signals of the invincible army ! “Come along – anyway, let’s have a good time while we can. “I think they signal that too.

Forster en Auden kenden elkaar, en Forster bewonderde Auden ook in sommige opzichten: “Because he once wrote ‘We must love one another or die’ he can command me to follow him.

Joseph Brodsky wijdde een 53 pagina’s tellende beschouwing aan dit gedicht, dat gepubliceerd werd in zijn essaybundel Less than One (1985), vertaald als Tussen iemand en niemand (vertaling: Frans Kellendonk en Kees Verheul, 1987).

Het gedicht voldoet aan een door de jonge Auden geciteerde definitie van poëzie: “Memorable Speech”. Ik ken het gedicht al sinds mijn studietijd – jaren tachtig van de 20e eeuw – uit mijn hoofd.

52d Street was de Jazz-straat van de wereld. De bijgaande foto is uit 1948 en de fotograaf is William P. Gottlieb.

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling:

1 september 1939

Ik zit in één van de bars
Van Fifty-second Street,
Onzeker en ook bang,
Nu de vernuftige hoop vervliegt
Van een laag en vals decennium:
Golven van woede en angst
Gaan rond over de  verlichte
En verduisterde streken der aarde,
En houden ons in hun ban;
Het onzegbare bouquet van de dood
Schendt de septembernacht.

Trefzekere geleerdheid kan
Het hele misdrijf opdelven,
Dat een cultuur al sinds Luther
In waanzin heeft gestort,
Nagaan wat er voorviel in Linz,
Welk kolossaal imago
Een geesteszieke god schiep:
U en ik, wij weten –
Elk kind leert dat al vlug –
Wie kwaad moet ondergaan,
Betaalt met kwaad terug.

Verbannen Thucidides wist
Wat een toespraak zeggen kon
Over Democratie,
En wat dictators doen,
Hun oudemannengezever,
Gericht tot een apathisch graf,
Ontleedde het in zijn boek:
De verdreven Verlichting,
De verslavende pijn,
Wanbeleid en verdriet:
Het overstelpt ons nu opnieuw.

In deze neutrale lucht,
Waar wolkenkrabbers blind
De kracht van het Collectief
In volle omvang proclameren,
Schenkt elke taal om strijd
Zijn scheut met loze praat:
Maar wie houdt het lang vol
In een euforische droom;
Uit de spiegel staren ze ons aan:
Het imperialistische gelaat,
En de internationale doem.

Koppen aan de bar
Hangen aan hun doorsneedag:
Licht mag niet uitgaan,
Muziek moet blijven spelen;
Alle mores spannen samen
Om dit fort te laten lijken
Op het meubilair van thuis.
We zouden eens zien waar we zijn,
Verdwaald in een behekst woud,
Kinderen, bang in het donker,
Nooit gelukkig geweest, of goed.

De holste militante wartaal
Die prominenten uitslaan,
Verbleekt bij onze aandriften:
Wat de gestoorde Nijinsky
Schreef over Djagilev,
Geldt voor ieder mensenhart,
Want de weeffout in het wezen
Van elke man en vrouw
Doet knielen voor een valse god:
Geen liefde die het al omvat,
Maar liefde alleen voor jou.

Uit het conservatieve donker
Trekken de drommen forenzen
Het ethische domein binnen,
Hun ochtendgelofte prevelend:
“Trouw zal ik zijn aan mijn vrouw,
Mijn best ga ik doen op mijn werk.”
Hulpeloze bestuurders staan op
En vervolgen obligaat hun spel:
Wie kan hen nu bevrijden,
Wie bereikt nog de doven,
Wie spreekt voor sprakelozen?

Ik heb alleen een stem
Om de leugenstrik te ontwarren,
De romantische leugen in de geest
Van de zinnelijke Gewone Man,
En de leugen van het Gezag
Wiens gebouwen de hemel kerven:
Iets als de Staat bestaat niet,
En niemand leeft alleen;
Honger laat geen keus
Aan burger of agent;
We moeten liefhebben, of sterven.

Weerloos in de zwarte nacht
Ligt onze wereld uitgeteld;
Toch pinken overal
Ironische lichtpuntjes
Die doven als de Oprechten
Van gedachten wisselen.
Misschien mag ik, die net als zij
Gevormd is uit Eros en stof,
Die net zo belaagd wordt
Door ontkenning en wanhoop,
Een beamende vlam tonen.

Origineel:

September 1, 1939

I sit in one of the dives
On Fifty-second Street
Uncertain and afraid
As the clever hopes expire
Of a low dishonest decade:
Waves of anger and fear
Circulate over the bright
And darkened lands of the earth,
Obsessing our private lives;
The unmentionable odour of death
Offends the September night.

Accurate scholarship can
Unearth the whole offence
From Luther until now
That has driven a culture mad,
Find what occurred at Linz,
What huge imago made
A psychopathic god:
I and the public know
What all schoolchildren learn,
Those to whom evil is done
Do evil in return.

Exiled Thucydides knew
All that a speech can say
About Democracy,
And what dictators do,
The elderly rubbish they talk
To an apathetic grave;
Analysed all in his book,
The enlightenment driven away,
The habit-forming pain,
Mismanagement and grief:
We must suffer them all again.

Into this neutral air
Where blind skyscrapers use
Their full height to proclaim
The strength of Collective Man,
Each language pours its vain
Competitive excuse:
But who can live for long
In an euphoric dream;
Out of the mirror they stare,
Imperialism’s face
And the international wrong.

Faces along the bar
Cling to their average day:
The lights must never go out,
The music must always play,
All the conventions conspire
To make this fort assume
The furniture of home;
Lest we should see where we are,
Lost in a haunted wood,
Children afraid of the night
Who have never been happy or good.

The windiest militant trash
Important Persons shout
Is not so crude as our wish:
What mad Nijinsky wrote
About Diaghilev
Is true of the normal heart;
For the error bred in the bone
Of each woman and each man
Craves what it cannot have,
Not universal love
But to be loved alone.

From the conservative dark
Into the ethical life
The dense commuters come,
Repeating their morning vow;
“I will be true to the wife,
I’ll concentrate more on my work,”
And helpless governors wake
To resume their compulsory game:
Who can release them now,
Who can reach the deaf,
Who can speak for the dumb?

All I have is a voice
To undo the folded lie,
The romantic lie in the brain
Of the sensual man-in-the-street
And the lie of Authority
Whose buildings grope the sky:
There is no such thing as the State
And no one exists alone;
Hunger allows no choice
To the citizen or the police;
We must love one another or die.

Defenceless under the night
Our world in stupor lies;
Yet, dotted everywhere,
Ironic points of light
Flash out wherever the Just
Exchange their messages:
May I, composed like them
Of Eros and of dust,
Beleaguered by the same
Negation and despair,
Show an affirming flame.

Begrafenisblues – W.H. Auden

De dichter Wystan Hugh Auden (1907-1973) is een van de grootste twintigste-eeuwse dichters in het Engelse taalgebied. Hij stamde uit een anglicaans middle class milieu (Church of England), studeerde in Oxford, was openlijk homoseksueel, werd al snel de centrale figuur van een groep dichters in de jaren dertig – Louis MacNeice, Stephen Spender, Christopher Isherwood, John Betjeman – was zich al vroeg bewust van zijn dichterlijke roeping, gebruikte Freud in zijn beginjaren, Marx in de jaren die erop volgden, en keerde op middelbare leeftijd terug naar de christelijke levensovertuiging waarmee hij was opgegroeid.

Het gedicht Funeral Blues is misschien wel het beroemdste gedicht van W.H. Auden. Het dankt zijn bekendheid bij het grote publiek aan de centrale plaats die het had in de film Four Weddings and a Funeral, een Britse romantische tragikomedie uit 1994 onder regie van Mike Newell.

Het gedicht werd voor het eerst gepubliceerd in 1936 in een vorm die sterk afweek van de vorm waaronder het bekend is geworden. Het maakte aanvankelijk deel uit van The Ascent of F6 (De beklimming van de F6), een toneelstuk in verzen van Auden en Christopher Isherwood. Het gedicht in de ons meest bekende vorm is voor het eerst gepubliceerd in Denys Kilham Roberts & Geoffrey Grigson (red.), The Year’s Poetry, 1938 (Londen: John Lane at the Bodley Head, 1938), en later opgenomen in Audens bundel Another Time (1940). Benjamin Britten heeft het vers op muziek gezet, als één van de Cabaret Songs; het is hier te beluisteren.

Funeral Blues is opgetrokken uit hyperbolen (overdrijvingen) en is hier en daar grotesk, kenmerken die het gedicht effectief benut om groot verdriet op te roepen. Misschien is elke geslaagde evocatie van sterke emotie wel een beetje cabaretesk.

Mij persoonlijk ontroert dit gedicht niet heel erg – het is me iets te theatraal – maar het is wel prachtig uitgevoerd natuurlijk.

Het is al vaak vertaald, bijvoorbeeld mooi door Willem Wilmink.

De slotstrofe luidt bij Wilmink:

Laat in de sterren kortsluiting ontstaan,
maak ook de zon onklaar. Begraaf de maan
Giet leeg die oceaan en kap het woud:
niets deugt meer, nu hij niet meer van me houdt.

De laatste regel van Wilminks vertaling doet voor mijn gevoel afbreuk aan de strekking – natuurlijk is ook doodgaan een vorm van verlaten, maar de zinsnede ‘nu hij niet meer van me houdt’ geeft toch een averechts effect.

Bij Jan Willem Schulte Nordholt luidt de laatste strofe:

Sterren zijn overbodig, doof ze stuk voor stuk;
Pak de maan in, blus de zon van ons geluk;
Maai weg het woud, leg droog de oceaan.
Want niets meer komt er ooit nog goed voortaan.

In Schulte Nordholts slotstrofe treft mij de zin “blus de zon van ons geluk” als minder gelukkig. Het doel is niet dat ‘de zon van ons geluk’ wordt geblust, maar de zon zelf.

Enfin, Funeral Blues wordt zo vaak geciteerd dat je er soms een beetje misselijk van wordt, net als van Mozarts Eine kleine Nachtmusik. Maar ik ben geen snob.

——————————————————————————————————————————-

Geluidsopname:

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Hier kunt u de voordracht van het oorspronkelijke gedicht in het Engels beluisteren (vier verschillende stemmen), met een fraai filmpje waarbij je Auden ziet lopen rondom zijn huisje in het Oostenrijkse Kirchstetten met een tas in zijn hand op weg naar de Volkswagen Kever waarmee hij uiteindelijk wegrijdt. Ik denk dat de tweede strofe wordt voorgedragen door Auden zelf.

——————————————————————————————————————————-

Vertaling:

Begrafenisblues

Weg met die klokken, gooi dat toestel kapot,
breng de hond tot zwijgen met een smakelijk bot,
demp de piano’s, begeleid met doffe trom
de treurenden, zeg tot de kist slechts: Kom!

Huur zeurende vliegtuigjes boven ons hoofd,
die aan de hemel schrijven: Hij is dood.
Geef aan de duif een kraag van crêpepapier,
een zwarte pet aan dienders in ‘t verkeer.

Hij was mijn Noord, mijn Zuid, mijn Oost en West,
mijn werkweek, weekend en mijn warme nest,
mijn dag, mijn nacht, mijn kletspraat en betekenis;
ik dacht dat liefde eeuwig was – ik had het mis.

Sterren verdwijn, doof ze zonder pardon,
vaag weg die maan, ontmantel de zon,
giet zeeën maar leeg, stamp ’t oerwoud fijn.
Want nooit kan iets nog mooi of zinrijk zijn.

Origineel:

Funeral Blues

Stop all the clocks, cut off the telephone,
Prevent the dog from barking with a juicy bone,
Silence the pianos and with muffled drum
Bring out the coffin, let the mourners come.

Let aeroplanes circle moaning overhead
Scribbling on the sky the message He Is Dead,
Put crêpe bows round the white necks of the public doves,
Let the traffic policemen wear black cotton gloves.

He was my North, my South, my East and West,
My working week and my Sunday rest,
My noon, my midnight, my talk, my song;
I thought that love would last for ever: I was wrong.

The stars are not wanted now: put out every one;
Pack up the moon and dismantle the sun;
Pour away the ocean and sweep up the wood.
For nothing now can ever come to any good.

Grafschrift voor een tiran – W.H. Auden

De dichter Wystan Hugh Auden (1907-1973) groeide op in Engeland, ging vlak voor de Tweede Wereldoorlog naar Amerika, ontving zijn opvoeding in een Anglicaans gezin, hield aanvankelijk van Freud, een tijdje halfhartig van Marx, keerde gerijpt terug naar het geloof van zijn jeugd, schreef gedichten, libretti en toneelteksten, en wordt veelal beschouwd als een van de grootste Engelse dichters in de twintigste eeuw.

Wie meer wil weten over Auden kan elders op mijn website terecht. Ik houd veel van zijn werk en heb al aardig wat vertalingen van zijn gedichten gemaakt. Peter Verstegen – een gelauwerd vertaler – heeft in De Tweede Ronde (jrg. 3, 1982) een informatief Ten Geleide bij een aantal Auden-vertalingen gepubliceerd. Het stuk bevat in een notendop Audens intellectuele en dichterlijke ontwikkeling.

De slotzin van het onderhavige gedicht is een omkering van een vrij bekende zin die de Amerikaanse historicus John Lothrop Motley schreef in zijn boek The Rise of the Dutch Republic (1856): “As long as he lived, he was the guiding-star of a whole brave nation, and when he died the little children cried in the streets.” Deze zin heeft betrekking op Willem van Oranje. Zie: Elizabeth Knowles, What They Didn’t Say: A Book of Misquotations (2006, onder: When he died the little children cried in the streets).

De omkering van Motley’s enigszins kwezelachtige, hagiografische zin, heeft een heel sterk effect: opeens besef je waar al die nog redelijk gewoon klinkende constateringen over de tiran toe kunnen leiden.

Hier is een geluidsopname van W.H. Auden die dit gedicht voordraagt.

En hier is mijn voordracht van de vertaling:

Arie Sonneveld – geluidsopname van de vertaling

Vertaling:

Grafschrift voor een tiran

Een soort van volmaaktheid, was wat hij najoeg,
En de verzen die hij bedacht waren eenvoudig genoeg;
Hij kende onze dwaasheid als de zak van zijn broek,
En was hogelijk geïnteresseerd in vloten en soldaten;
Als hij lachte, brulden achtenswaardige senatoren van de lach,
En als hij huilde, stierven de jonge kinderen in de straten.

Origineel:

Epitaph on a Tyrant

Perfection, of a kind, was what he was after,
And the poetry he invented was easy to understand;
He knew human folly like the back of his hand,
And was greatly interested in armies and fleets;
When he laughed, respectable senators burst with laughter,
And when he cried the little children died in the streets.

Bij welke lier – W.H. Auden

In 1946 – vlak na de oorlog dus – was Wystan Hugh Auden de Phi Beta Kappa-dichter aan de Harvard-universiteit. Hij droeg er het gedicht Under Which Lyre voor, met als ondertitel A Reactionary Tract For The Times. Een korte bespreking van de ontstaansgeschiedenis is te vinden in Adam Kirsch, A Poet’s Warning, Harvard Magazine, nov-dec 2007.

Het is een spits en geestig gedicht waarin Apollinische pompeusheid, humorloosheid en cynisch najagen van eigenbelang wordt gecontrasteerd met gebrek aan discipline, vroegrijpheid en bohemien-gedrag, zoals belichaamd door Hermes. Het gedicht eindigt met een grappige Hermetische dekaloog (Tien geboden).

Kiest u zelf bij welke lier de muziek u het beste bevalt.

Hier hoort u de stem van W.H. Auden zelf die zijn gedicht met verve voordraagt.

Geluidsopname van de vertaling

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling:

BIJ WELKE LIER
Een reactionaire tijdrede
(Phi Beta Kappa-gedicht, Harvard, 1946)

Ares staakt eindelijk de strijd;
Van struiken druipt nog lange tijd
Vergoten bloed,
En de in puin geschoten steden
Herrijzen weer en baden vredig
In zomergloed.

Op ieder campusplein verschenen
Ruige veteranen die weer trainen
Als corps-novieten;
Instructeurs met wrange spot
Geven groentjes toegang tot
De vakgebieden.

Ze bestormen de kronkeltrappen
Van kunsten en van wetenschappen,
Of hangen er rond,
En zenuwen, gestaald tot moorden,
Worden kapotgeschoten door de
Verzen van Donne.

Beroofd van oorlogsprivileges
Geeft de professor weer college,
Maar soms met spijt;
Zijn dictafoon beviel hem goed,
Hij heeft beroemdheden ontmoet
En wil dat kwijt.

Maar onnavolgbaar als zovaak
Zendt Zeus de wil-tot-tegenspraak
Als pandemie;
Hij dwingt de vaudeville tot preken
En wie een feestwoord uit moet spreken
Tot polemiek.

Laat Ares soezen, deze slag
Gaat altijd door, want elke dag
Geeft ons te zien
De danser naar Apollo’s pijpen
En hem die Hermes, de vroegrijpe,
Probleemloos dient.

Onsterfelijken zaaiden gaarne
Verderf en dood op Midden-aarde;
Hun nooit verjaard
Besef van haat krijgt elk geslacht,
Elk mensentype in zijn macht:
De tweedejaars

Die lacht om al wat somber is
Of doet alsof hij Cortez is
(De prairie-heerser),
En zij die, net als ik, verbleken,
Als ze een keel opzetten tegen
Hun jaren veertig.

Door een Olympisch Vuur verhit,
Hoewel men samen lacht en bidt,
Maar on-klassieker,
Voltrekken burgergoden even
Gemeen hun dialectisch streven,
Maar fanatieker.

De Hermes-zonen spelen graag,
Doen slechts hun best als men hen vraagt
Kalmaan te doen;
Apollo’s nakroost zwoegt met vlijt
En is tot slavendienst bereid
Om het fatsoen.

Een vredesmissie is in deze
Verbondenheid door antithese
Gedoemd tot flop;
Respect misschien maar vriendschap nooit:
Falstaff de dwaas strijdt meer dan ooit
Met Hal de snob.

Liet hij zijn Ik nu maar alleen,
Apollo kreeg de troon meteen,
Fasces en valken;
Hij zit daar graag, is het gewend;
’t Zou hier met Hermes als regent
Zijn als de Balkan.

Jaloers op onze god der dromen
Tracht hij met list omhoog te komen
In onze gunst;
Onthand met lier en partituur,
Schept hij met imitatievuur
Subsidiekunst.

Als hij de baas is op de faculteit,
Wordt Waarheid snel Doelmatigheid;
PR en Sport
Vult menig kern-curriculum;
Hij zorgt dat ieder practicum
Commercie wordt.

Atletisch, extravert en ruw
Geeft hij wie eenzaam is en schuw
Geen schijn van kans;
Het doel: een dichtbevolkt Nirwana;
Zijn schild draagt dit devies: Mens Sana
Qui mal y pense.

Zijn vaandels zijn van goudbrokaat;
Triomfen viert hij inderdaad,
Van Links tot Rechts,
Van Yale tot Princeton, en het nieuws
Van Broadway tot de Book Reviews
Geeft niets dan slechts.

Zijn radio galmt homerisch voort,
Niet door besef van maat gestoord
(Pastiche van Whitman);
Vol adjectieven is zijn taal
Om doughnut of om Jan Modaal
Flink te aanbidden.

Van hem is ook de huislyriek
Op huwelijk, hond of hosmuziek,
Op zweet of zwoerd,
Verzonnen door een hoofse bard
Wiens ellenlange rijm verward
Obstructie voert.

Zo gaan naar hem de feest-oraties
En series fuga-variaties
Op volksballaden;
Dieet-experts plengen een glas
Met pruimensap of kalebas
Met snoepsalade.

Hij is als sensatie-zuchtige
Verzot op seks en vluchtige
Godsdienstigheid;
Een stortbui van romans belooft
(Neerplenzend op ons weerloos hoofd)
Een griezeltijd.

Voorts tracht hij in het Hermes-kamp
Met vals tuniek en hoefgestamp
Een wig te drijven;
Het gonst van existentialisten
Die ieder elke hoop betwisten,
Maar blijven schrijven.

Geeft niks, want winnen zal hij niet;
Wij krijgen steun van Aphrodite!
Maar wat gedaan
Als zijn regiem verhardt? Wij zullen,
Bij Zeus, als politieke nullen,
Hem toch verslaan.

Geleerden, schietend uit de muren
Van tijdschriften met veel allure,
Staan voor de feiten;
Ons keurkorps intellectuelen
Bestormt de magazine-burelen
Om trends te grijpen.

’s Nachts smoest de zelfkant-avantgarde
Op feestjes over ons verstarde
Establishment;
Des ochtends stort een groot notabele
Terneer, geveld door een capabele
Verbale stunt.

Moreel herstel vormt onze kracht,
Opdat ons straks het schouwspel wacht
Van ’s vijands vlucht:
Apollo’s heir raakt in paniek.
De dekaloog der Hermetiek
Wordt nu Uw tucht:──

Gij zult professors nimmer vleien,
Noch in uw proefschrift-schrijverijen
Opvoedend praten;
Gij zult projecten niet aanbidden,
Noch onderdanig zijn temidden
Der bureaucraten.

Tegen enquêtes zegt gij nee;
Aan quizzen doet gij nimmer mee;
Niet uit gemak
Zult gij een test doen; vormt geen span
Met statistici; hebt afschuw van
Elk socio-vak.

Gij zult u niet vertonen samen
Met snelle jongens in reclame,
Noch blij verrast
De bijbel lezen om zijn spraak,
Noch vrijen met wie zich te vaak
en grondig wast.

Uw grenzen houden u niet tegen;
Versmaadt vlak water, kalme wegen;
Als het mag zijn,
Kiest wat u hoon oplevert, spot;
Leest The New Yorker; hoopt op God;
En hou het klein.

Origineel:

UNDER WHICH LYRE
A Reactionary Tract for the Times
(Phi Beta Kappa Poem, Harvard, 1946, Collected Poems, pag. 335-339)

Ares at last has quit the field,
The bloodstains on the bushes yield
To seeping showers,
And in their convalescent state
The fractured towns associate
With summer flowers.

Encamped upon the college plain
Raw veterans already train
As freshman forces;
Instructors with sarcastic tongue
Shepherd the battle-weary young
Through basic courses.

Among bewildering appliances
For mastering the arts and sciences
They stroll or run,
And nerves that steeled themselves to slaughter
Are shot to pieces by the shorter
Poems of Donne.

Professors back from secret missions
Resume their proper eruditions,
Though some regret it;
They liked their dictophones a lot,
They met some big wheels, and do not
Let you forget it.

But Zeus’ inscrutable decree
Permits the will-to-disagree
To be pandemic,
Ordains that vaudeville shall preach
And every commencement speech
Be a polemic.

Let Ares doze, that other war
Is instantly declared once more
‘Twixt those who follow
Precocious Hermes all the way
And those who without qualms obey
Pompous Apollo.

What high immortals do in mirth
Is life and death in Middle-Earth;
Their a-historic
Antipathy forever gripes
All ages and somatic types,
The sophomoric

Who face the future’s darkest hints
With giggles or with prairie squints
As stout as Cortez,
And those who like myself turn pale
As we approach with ragged sail
The fattening forties.

Brutal like all Olympic games,
Though fought with smiles and Christian names
And less dramatic,
This dialectic strife between
The civil gods is just as mean,
And more fanatic.

The sons of Hermes love to play,
And only do their best when they
Are told they oughtn’t;
Apollo’s children never shrink
From boring jobs but have to think
Their work important.

Related by antithesis
A compromise between us is
Impossible;
Respect perhaps but friendship never:
Falstaff the fool confronts forever
The prig Prince Hal.

If he would leave the self alone,
Apollo’s welcome to the throne,
Fasces and falcons;
He loves to rule, has always done it;
The earth would soon, did Hermes run it,
Be like the Balkans.

But jealous of our god of dreams,
His common sense in secret schemes
To rule the heart;
Unable to invent the lyre,
Creates with simulated fire
Official art.

And when he occupies a college,
Truth is replaced by Useful Knowledge;
He pays particular
Attention to Commercial Thought,
Public Relations, Hygiene, Sport,
In his curricula.

Athletic, extravert and crude,
For him to work in solitude
Is the offence,
The goal a populous Nirvana:
His shield bears this device: Mens Sana
Qui mal y pense.

Today his arms we must confess
From Right to Left have met success,
His banners wave
From Yale to Princeton, and the news
From Broadway to the Book Reviews
Is very grave.

His radio homers all day long
In over-Whitmanated song
That does not scan,
With adjectives laid end to end,
Extol the doughnut and commend
The Comman Man.

His, too, each homely lyric thing
On sport or spousal love or spring
Or dogs or dusters,
Invented by some courthouse bard
For recitation by the yard
In filibusters.

To him ascend the prize orations
And sets of fugal variations
On some folk ballad,
While dietitians sacrifice
A glass of prune-juice or a nice
Marsh-mallow salad.

Charged with his compound of sensational
Sex plus some undenominational
Religious matter,
Enormous novels by co-eds
Rain down on our defenceless heads
Till our teeth chatter.

In fake Hermetic uniforms
Behind our battle lines, in swarms
That keep alighting,
His existentialists declare
That they are in complete despair,
Yet go on writing.

No matter; He shall be defied;
White Aphrodite is on our side:
What though his threat
To organize us grow more critical?
Zeus willing, we, the unpolitical,
Shall beat him yet.

Lone scholars, sniping from the walls
Of learned periodicals,
Our facts defend,
Our intellectual marines,
Landing in little magazines
Capture a trend.

By night our student Underground
At cocktail parties whisper round
From ear to ear;
Fat figures in the public eye
Collapse next morning, ambushed by
Some witty sneer.

In our morale must lie our strength:
So that we may behold at length
Routed Apollo’s
Batallions melt away like fog,
Keep well the Hermetic Decalogue,
Which runs as follows:──

Thou shalt not do as the dean pleases,
Thou shalt not write thy doctor’s thesis
On education,
Thou shalt not worship projects nor
Shalt thou or thine bow down before
Administration.

Thou shalt not answer questionnaires
Or quizzes upon World-Affairs,
Nor with compliance
Take any test. Thou shalt not sit
With statisticians nor commit
A social science.

Thou shalt not be on friendly terms
With guys in advertising firms,
Nor speak with such
As read the Bible for its prose,
Nor, above all, make love to those
Who wash too much.

Thou shalt not live within thy means
Nor on plain water or raw greens.
If thou must choose
Between the chances, choose the odd:
Read The New Yorker, trust in God;
And take short views.

Er zal geen vrede zijn – W.H. Auden

W.H. Auden (1907-1973) is een van de grootste dichters van het Engelse taalgebied in de twintigste eeuw. Hij schreef in 1956 het gedicht ‘There Will Be No Peace’ (Collected Poems, p.617): een evocatie van een paranoïde geestestoestand.

(Dat komt in de beste kringen voor, zie bijvoorbeeld het liedje van Tom Waits: “What’s He Building?”, Mule Variations.)

Er wordt ook wel gesproken van een personificatie van schuldgevoelens: de schuldgevoelens zijn dan wezens, demonen, die het bepaald niet goed met jou voorhebben.

Auden noemde het een van de persoonlijkste gedichten die hij ooit had geschreven. In zekere zin zou je het gedicht tot de Confessional Poetry kunnen rekenen, een beweging in de Amerikaanse dichtkunst die vertegenwoordigd werd door Robert Lowell, Sylvia Plath, John Berryman, Anne Sexton, Allen Ginsberg en W. D. Snodgrass. Auden had overigens niet veel op met de Confessional Poets.

Het gedicht kent bewonderaars en verguizers, zoals zoveel gedichten, maar het heeft in ieder geval op mij een blijvende indruk gemaakt.

Er zijn niet veel formele vormkenmerken die het vertalen lastig maken. Vertalen betekent (ook) in dit geval: de emotionele sequentie van het gedicht in het Nederlands proberen na te bootsen. Dat is overigens lastig genoeg.

Hier draagt Auden het gedicht zelf voor (vanaf 12:55).

Ik heb ook een geluidsopname van de vertaling gemaakt.

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling:

Er zal geen vrede zijn

Ook nu kalm helder weer
Het domein van jouw zelfrespect weer toelacht,
En de kleur erin terugkeert, heeft de storm jou veranderd:
Niet, nooit zul je vergeten
De nacht die alle hoop wegvaagde, het geloei
Dat voorbode was van jouw ondergang.

Met die wetenschap moet je leven.
Ver weg, boven, buiten jou zijn anderen,
In een maanloos verstek waarvan je nooit hebt gehoord,
Die zeker wel gehoord hebben van jou,
Wezens van onbekend geslacht en aantal:
En zij zijn niet dol op jou.

Wat heb je hun misdaan?
Niets? Niets kan geen antwoord zijn;
Je zult gaan geloven – kun jij het helpen? –
Dat je iets, dat je echt iets misdaan hebt;
Je zult merken dat je hen aan het lachen wilt maken,
Je zult naar hun vriendschap verlangen.

Er zal geen vrede zijn.
Vecht dus terug, met alle moed die in je is
En elke minne streek die je bedenken kunt;
Laat een ding helder voor je zijn:
Hun motief, als het er was, heeft elke zin voor hen verloren;
Zij haten om te kunnen haten.

Origineel:

There Will Be No Peace

Though mild clear weather
Smile again on the shire of your esteem
And its colors come back, the storm has changed you:
You will not forget, ever,
The darkness blotting out hope, the gale
Prophesying your downfall.

You must live with your knowledge.
Way back, beyond, outside of you are others,
In moonless absences you never heard of,
Who have certainly heard of you,
Beings of unknown number and gender:
And they do not like you.

What have you done to them?
Nothing? Nothing is not an answer;
You will come to believe – how can you help it? –
That you did, you did do something;
You will find yourself wishing you could make them laugh,
You will long for their friendship.

There will be no peace.
Fight back, then, with such courage as you have
And every unchivalrous dodge you know of,
Clear in your conscience on this:
Their cause, if they had one, is nothing to them now;
They hate for hate’s sake.

De Stille Wet – W.H. Auden

De naam van deze website – een blog is het eigenlijk niet – The Hidden Law, is het onderwerp van een gedicht van Wystan Hugh Auden (1907-1973). Het gedicht voldoet aan een door de jonge Auden geciteerde definitie van poëzie: ‘Memorable Speech’. Ik ken het al sinds mijn studietijd – vijfendertig jaar geleden – uit mijn hoofd.

The Hidden Law verscheen in 1941 zonder titel als afsluiting van een noot bij Auden’s gedicht ‘New Year Letter’ in The Double Man (p.113-114).[1] Het werd later, in 1945, ook als Aera sub Lege gepubliceerd in The Collected Poetry of W.H. Auden (p.117).

Er zijn ook versies van het gedicht die in regel 8 het woord ‘legal’ hebben in plaats van ‘verbal’. Ik heb gekozen voor de vorm die ik aantrof in mijn editie van de Collected Poems (Faber & Faber 1976) – d.w.z. de versie met het woord ‘verbal’.

Aera sub Lege – Het tijdperk onder de Wet – wordt meestal gecontrasteerd met Aera sub Gratia – het tijdperk onder de Genade – wat uiteraard het contrast is tussen het tijdvak van de Wet in de oude bedeling voor Christus (joodse godsdienst, tenach/OT) en het tijdvak van de Genade in de nieuwe bedeling na Christus (christelijke godsdienst, NT).[2]

Het lijkt erop dat Auden in dit gedicht een notie introduceert die ook voorkomt bij Pascal, de notie van een verborgen God – Deus Absconditus – ontleend aan Jesaja 45:15: “En: ‘Voorwaar, u bent een God die zich verborgen houdt, …”.[3]

Bij Auden blijft ook in het tijdvak van de Genade de Wet actief – reden waarom hij misschien tijdelijk voor de ironische titel Aera sub Lege koos – want anders dan de Codex Gentium (een soort natuurrecht) die gemakkelijk door de Waarheid wordt ontmaskert, blijft de Lex Abscondita (verborgen wet) ook onder de Genade werkzaam, hoezeer onze formuleringskunst, ontmaskeringsijver en vluchtgedrag ook proberen aan haar jurisdictie te ontkomen.

Ik citeer in dit verband de relevante passage uit het lange gedicht New Year Letter dat overigens Audens terugkeer naar het christendom markeert. Daaraan voorafgaand ging zijn aandacht meer uit naar Marx en Freud.

The Hidden Law is de afsluiting van één van de lange en complexe voetnoten bij dit gedicht, geplaatst bij regel 762 van New Year Letter. De complete NYR-voetnoot treft u hieronder aan in voetnoot 1.

Great sedentary Cæsars who
Have pacified some dread tabu,
Whose wits were able to withdraw
The numen from some local law
And with a single concept brought
Some ancient rubbish heap of thought
To rational diversity,
You are betrayed unless we see
No
codex gentium we make
Is difficult for Truth to break;
The
Lex Abscondita evades [REGEL 762]
The vigilantes in the glades;
Now here, now there, one leaps and cries
‘I’ve got her and I claim the prize,’
But when the rest catch up, he stands
With just a torn blouse in his hands.

Ik heb een vertaling gemaakt van The Hidden Law die in 2000 gepubliceerd is in het lustrumnummer van De Tweede Ronde (zomer 2000, p.186).

Ik ben niet ontevreden over de kwaliteit van mijn vertaling, maar ik word af en toe gekweld door de gedachte dat de taal die ik in mijn vertaling heb gebruikt een beetje te ouderwets is, te veel doet denken aan een tijd die definitief voorbij is: ‘nimmer’, ‘bescheid geven’, ‘lankmoedigheid’, ‘kastijdt’.

De Tweede Ronde 2000 - cover lustrumnummer

Ik houd van dit gedicht. De Stille Wet is altijd en overal van kracht, ook zonder nageleefd te worden. De hachelijkheid van het bestaan, feilbaarheid, vluchtgedrag, zwelgen in slachtofferschap, zelfzucht, totalitair gedram zijn haar vanzelfsprekend bekend. Het is binnen haar universele jurisdictie al even misplaatst om een gesneden beeld van de Godheid te maken als om in iconoclasme te vervallen. Het is een ongeschreven wet, zonder wetshandhavers en bureaucratie.

Ik hoop op deze plaats met ingang van vandaag, 6 juli 2015, af en toe beschouwingen, gedichten en vertalingen te publiceren.

Veel leesplezier. Commentaar en kritiek is zeer welkom.

Arie Sonneveld

—————————————————————————————————————————-

Noten

[1] Hier volgt de voetnoot bij regel 762 van New Year Letter in zijn geheel:

The Lex Abscondita
Natural law is not to be confused with human political law. The latter is a generalized will imposed by force upon particular wills. If it is broken it does not cease to be the law. Human law rests upon Force and Belief, i.e., belief in this rightness.
In Natural law, on the other hand, there can be no opposition between the will of the whole and the separate wills of the parts. It is simply what happens in the field under consideration if there is no interference from outside. Our knowledge of Natural Law is derived from an observation of particulars. If we find a single exception, it means that our formulation of Natural Law has been incorrect.
There is therefore no Natural Philosophy, only a Natural Way. The way rests upon Faith and Doubt: Faith that Natural Law exists and that we can have knowledge of it; Doubt that our knowledge can ever be perfect or unmixed with error.
Our grounds for Faith: the unhappiness of Man
Our grounds for doubt: the same.
(Definition. I believe X=I believe the proposition X to be true.
I have faith in X=The existence of X is, for me, an absolute presupposition.
I doubt X=I admit the possibility that, at some future unspecified date, and for reasons also unspecified, I may come
either to believe the proposition X to be false
or to find that, for me, the presupposition that
X exists in longer absolute but relative.)
[Here the poem “The Hidden Law” followed]

[2] Website: Lex Christianorum, A Commonplace Blog Dedicated to the Law of the Christian Peoples and the Natural Law. Wednesday, “The Hidden Law”, May 20, 2009.

[3] Bij Pascal is dit idee te vinden in de Pensées 335 en 591, cf. John Fuller, W.H. Auden: A Commentary, p.328.

——————————————————————————————————————————-

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

——————————————————————————————————————————-

Vertaling:

De Stille Wet

De Stille Wet voert nimmer strijd
Met wetten van waarschijnlijkheid,
Maar laat atoom en ster hun baan,
Ziet mensen in hun wezen aan,
Geeft onze leugens geen bescheid.

Zo komt het dat geen overheid
Haar code in de vingers krijgt;
Formules doen slechts afbreuk aan
De Stille Wet.

Nooit maakte haar lankmoedigheid
Aan wie de dood zoekt een verwijt:
Wie haar per auto wil verslaan,
Wie haar in drank zoekt te ontgaan,
Wordt zo gewaar hoe zij kastijdt,
De Stille Wet.

Origineel:

The Hidden Law

The Hidden Law does not deny
Our laws of probability,
But takes the atom and the star
And human beings as they are,
And answers nothing when we lie.

It is the only reason why
No government can codify,
And verbal definitions mar
The Hidden Law.

Its utter patience will not try
To stop us if we want to die;
If we escape it in a car,
If we forget It in a bar,
These are the ways we’re punished by
The Hidden Law.