Intellectuele schijnbewegingen – Alain Sokal en Jean Bricmont (3 – slot)

Logo VGSW (met de openingszin van het Latijnse verenigingslied dat geschreven en gecomponeerd werd door de vrijgemaakte predikant P. Deddens)

Dit is het derde en laatste deel van een driedelige serie over de Sokal-affaire en het boek dat Sokal en Bricmont daarover geschreven hebben: Intellectual Impostures – intellectuele schijnbewegingen.

Hier is deel 1.

Hier is deel 2.

Toen ik een jaar of twintig was, schreef ik mijn eerste artikel dat gepubliceerd werd in het blaadje van de VGSW – de Vereniging van Gereformeerde Studenten in Wageningen: de Melkbus. Het was een vrij uitgebreide en vernietigende bespreking van een artikel dat eerder dat jaar was verschenen in de lustrumbundel van diezelfde vereniging.

Ik moet bekennen dat het boek van Sokal en Bricmont mij sterk heeft doen denken aan die tijd. Uiteraard niet omdat mijn bespreking van destijds hetzelfde niveau had, maar omdat mijn bespreking wel dezelfde intentie had: ontmaskering van pretentie, opgeblazenheid, onleesbaarheid, prietpraat.

Hoofdstuk vier van Intellectual Impostures behandelt het onderwerp Epistemic Relativism in the Philosophy of Science – kentheoretisch relativisme in de wetenschapsfilosofie.

Het centrale punt van dit hoofdstuk is: bestaat er een echte werkelijkheid buiten wat onze zintuigen aan ons doorgeven? Is de werkelijkheid reëel, of is die slechts een illusie die we door ons gebabbel en ons gedrag met elkaar in stand houden.

De auteurs nemen uiteraard aan dat er een werkelijkheid is waar we iets over te weten kunnen komen, want anders zou elke wetenschapsbeoefening futiel zijn. En trouwens, als de werkelijkheid niet zou bestaan, zouden ook heel veel alledaagse gedragingen totaal onbegrijpelijk worden.

Ze onderscheiden allereerst solipsisme en radicaal skepticisme. Over solipsisme – de overtuiging dat er niets anders bestaat dan de ervaring in de geest van de waarnemer (Harry Mulisch kwam er dicht bij in de buurt) – zijn de auteurs kort: ze beschouwen deze niet als een serieuze intellectuele positie. Het is in hun ogen niet mogelijk om deze positie te goeder trouw in te nemen.

Maar ook het radicale skepticisme van David Hume verschilt volgens hen niet werkelijk van het solipsisme. “The universality of Humean scepticism is also its weakness.” Dit skepticisme is fundamenteel onweerlegbaar. Maar de meest voor de hand liggende manier om de samenhang van onze ervaringen te verklaren is door aan te nemen dat er een werkelijkheid buiten onze zintuigen bestaat.

De auteurs gebruiken een aantal argumenten om hun positie te staven. In de kern nemen ze het gezonde verstand als uitgangspunt: wat in het normale leven geldig is, is dat meestal ook in de wetenschap, ook al zijn wetenschappelijke conclusies vaak veel subtieler, en zijn die conclusies zeker wel eens strijdig met datzelfde gezonde verstand.

Vervolgens binden de auteurs de strijd aan met de rol die Kuhn (paradigma’s) en Feyerabend (Anything goes) hebben gespeeld in de discussie over kentheoretisch skepticisme.

De auteurs wijden ook een beschouwing over het veelvuldige misbruik dat wordt gebruikt van het Theorema van Gödel en de Verzamelingenleer.

Ten slotte: in hun epiloog verdedigen de auteurs een aantal stellingen:

  1. Zorg dat je weet waarover je praat.
  2. Niet alles wat moeilijk te begrijpen is, is ook diepzinnig.
  3. Wetenschap is geen ‘tekst’.
  4. Het naäpen van de natuurwetenschappen is een slecht idee.
  5. Gebruik geen autoriteitsargumenten.
  6. Verwar nooit specifieke vormen van skepsis met radicaal skepticisme.
  7. Gebruik dubbelzinnigheid of ambiguïteit nooit als truc of uitvlucht.

Erg opzienbarend zijn die stellingen niet, maar ze verdienen het wel om van tijd tot tijd herhaald te worden.

[Slot]

PS Hierbij een scan van de oorspronkelijke hoax – let ook op de uitgebreide literatuurlijst.

Intellectuele schijnbewegingen – Alain Sokal en Jean Bricmont (2)

Dit is het tweede deel van een driedelige serie over de Sokal-affaire en het boek dat Sokal en Bricmont daarover geschreven hebben: Intellectual Impostures – intellectuele schijnbewegingen.

Hier is deel 1.

Hier is deel 3.

Een groot deel van het boek is gewijd aan verschillende auteurs bij wie de auteurs het begripsmisbruik hebben geconstateerd waar hun boek over gaat. De hoofdstukken waar ze voorbeelden van dit misbruik bespreken zijn vrijwel niet samen te vatten. Het betreft forse citaten waarop de auteurs kort commentaar geven, met daarnaast wat uitgebreider commentaar in de voetnoten.

Wat bedoelen Sokal en Bricmont met misbruik van begrippen:

  1. Uiteenzettingen over theorieën die eigenlijk niet of maar heel vaagjes begrepen worden.
  2. Het toepassen van begrippen uit de natuurwetenschappen op sociaal- of literatuurwetenschappelijke of filosofische problemen zonder ook maar de geringste argumentatie waarom die begrippen in die domeinen van toepassing zouden kunnen zijn.
  3. Het tonen van nutteloze eruditie door termen rond te strooien die totaal irrelevant zijn voor de problemen waarop ze licht zouden moeten werpen.
  4. Inhoudsloze frasen gebruiken, wolligheid, woorddronkenheid.

De auteurs die een eigen hoofdstuk toebedeeld krijgen zijn: Jacques Lacan, Julia Kristeva, Luce Irigaray, Bruno Latour, Jean Baudrillard, Gilles Deleuze & Félix Guattari (samen behandeld in één hoofdstuk) en Paul Virilio.

Ik citeer de slotzinnen – soms de passage die er net aan vooraf gaat – van de betreffende hoofdstukken:

Lacan

… Lacan’s writings became, over time, increasingly cryptic – a characteristic to many sacred texts – by combining plays on words with fractured syntax; and they served as a basis for the reverent exegesis undertaken by his disciples. One may the wonder whether we are not, after all, dealing with a new religion.

[… Lacan’s teksten werden, na verloop van tijd, steeds cryptischer – een kenmerk van veel heilige teksten – door de combinatie van woordspeligheid met een gebrekkige (of afgebroken) zinsbouw; en ze dienden als basis voor de eerbiedige exegese die zijn discipelen eraan wijdden. Je kunt je afvragen of we hier uiteindelijk niet te maken hebben met een nieuwe religie.]

Kristeva

But the main problem raised by these texts is that she makes no effort to justify the relevance of these mathematical concepts to the fields she is purporting to study – linguistics, literary criticism, political philosophy, psychoanalysis – and this, in our opinion, is for the very good reason that there is none. Her sentences are more meaningful than those of Lacan, but she surpasses even him for the superficiality of her erudition.

[Maar het grootste probleem van deze teksten is dat ze geen enkele poging doen om de relevantie van deze wiskundige concepten te rechtvaardigen voor de gebieden die zouden zijn bestudeerd – linguïstiek, literaire kritiek, politieke filosofie, psychoanalyse – en dit is – denken wij – om de voor de hand liggende reden dat die relevantie ontbreekt. Haar zinnen hebben meer betekenis dan die van Lacan, maar ze is nog erger dan hij in de oppervlakkigheid van haar eruditie.]

Irigaray

The roots of the tree of science may be bitter, but its fruits are sweet. To say that women should shun a universal science amounts to infantilize them. To link rationality and objectivity to the male, and emotion and subjectivity to the female, is to repeat the most blatant sexual stereotypes. Speaking of the female ‘sexual economy’ from puberty to menopause, Irigaray writes:

But every stage in this development has its own temporality, which is possibly cyclic and linked to cosmic rhythms. If women have felt so terribly threatened by the accident at Chernobyl, that is because of the irreducible relation of their bodies to the universe.

Here Irigaray falls straight into mysticism. Cosmic rhytms, relation to the universe – what on earth is she talking about? To reduce women to their sexuality, menstrual cycles, and rhythms (cosmic or not) is to attack everything the feminist movement has fought for during the last three decades. Simone de Beauvoir must be turning in her grave.

[De wortels van de boom der wetenschap mogen dan bitter zijn, de vruchten zijn zoet. Zeggen dat vrouwen zich moeten afkeren van de wetenschap met haar universele geldigheid, betekent dat je hen infantiliseert. Rede en objectiviteit koppelen aan de man, en emotie en subjectiviteit aan de vrouw, is een terugkeer van de lompste geslachtelijke stereotypen. Als ze het heeft over de vrouwelijke ‘seksuele economie’ van puberteit tot menopauze, schrijft Irigaray:

Maar elk stadium in deze ontwikkeling heeft zijn eigen tijdshorizon, die mogelijk cyclisch is en verbonden met kosmische ritmes. Toen vrouwen zich zo vreselijk bedreigd voelden door de ramp in Tsjernobyl, kwam dat door de unieke relatie van hun lichaam met het universum.

Hier vervalt Irigaray regelrecht in mysticisme. Kosmische ritmes, relatie met het universum – waar heeft ze het in hemelsnaam over? Vrouwen reduceren tot hun seksualiteit, menstruatiecycli en ritmes (kosmisch of niet) is een aanval op alles waar de feministische beweging de afgelopen drie decennia voor heeft gevochten. Simone de Beauvoir draait zich vast om in haar graf.]

Latour

In conclusion, Latour confuses the pedagogy of relativity with the ‘technical content’ of the theory itself. His analysis of Einsteins semi-popular book could, at best, elucidate Einstein’s pedagogical and rhetorical strategies – an interesting project, to be sure, albeit a rather more modest one than showing that relativity theory is itself ‘social through and through’. But, even to analyse the pedagogy fruitfully, one needs to understand the underlying theory in order to disentangle the rhetorical strategies from the physics content in Einstein’s text. Latour’s analysis is fatally flawed by his inadequate understanding of the theory Einstein is trying to explain.

[Tot slot verwart Latour het uitleggen van relativiteit met de ‘technische inhoud’ van de theorie zelf. Zijn analyse van Einsteins populairwetenschappelijke boek zou in het beste geval Einsteins pedagogische en retorische strategieën kunnen verhelderen – een interessant project, dat zeker, zij het een wat bescheidener project dan proberen aan te tonen dat de relativiteitstheorie zelf ‘door en door sociaal’ is. Maar zelfs voor een vruchtbare analyse van de pedagogie moet je de onderliggende theorie begrijpen om de retorische strategieën te kunnen loskoppelen van de natuurkundige inhoud van Einsteins tekst. Latours analyse schiet volkomen tekort door zijn gebrekkige begrip van de theorie die Einstein probeert uit te leggen.]

Baudrillard

In summary, one finds in Baudrillard’s works a profusion of scientific terms, used with total disregard for their meaning and, above all, in a context where they are manifestly irrelevant. Whether or not one interprets them as metaphors, it is hard to see what role they could play, except to give an appearance of profundity to trite observations about sociology or history. Moreover, the scientific terminology is mixed up with a non-scientific vocabulary that is employed with equal sloppiness. When all is said and done, one wonders what would be left of Baudrillard’s thought if the verbal veneer covering it were stripped away.

[Samenvattend: je vind in de werken van Baudrillard een overweldigende hoeveelheid natuurwetenschappelijke termen die worden gebruikt zonder enige aandacht te schenken aan hun betekenis en ze komen vooral voor in een context waarin ze duidelijk irrelevant zijn. Of je ze nu interpreteert als metaforen of niet, het is moeilijk in te zien welke nuttige rol ze zouden kunnen spelen, behalve om een schijn van diepzinnigheid te geven aan platte observaties over sociologie of geschiedenis. Bovendien wordt de wetenschappelijke terminologie vermengd met een niet-wetenschappelijk vocabulaire dat al even slordig wordt gebruikt. Enfin, je vraagt je hoe dan ook in gemoede af wat er van Baudrillards denken zou overblijven als de uitbundige aankleding zou worden weggetrokken.]

Deleuze and Guattari

We are well aware that Deleuze and Guattari’s subject is philosophy and not the popularization of science. But what philosophical function can be fulfilled by this avalanche of ill-digested scientific (and pseudo-scientific) jargon? In our opinion, the most plausible explanation is that these authors possess a vast but very superficial erudition, which they put on display in their writings.

[We zijn ons er terdege van bewust dat het onderwerp van Deleuze en Guattari de filosofie is en niet de popularisering van de wetenschap. Maar welke filosofische functie kan deze stortvloed van slecht begrepen wetenschappelijk (en pseudowetenschappelijk) jargon vervullen? Volgens ons is de meest plausibele verklaring dat deze auteurs een weliswaar reusachtige, maar toch zeer oppervlakkige eruditie bezitten, die ze in hun geschriften tentoon spreiden.]

Virilio

Ze citeren een vreselijke passage uit het oeuvre van Virilio, en ze schrijven dan:

This paragraph – which in the French original is a single 193-word sentence, whose ‘poetry’ is unfortunately not fully captured by the translation – is the most perfect example of diarrhoea of the pen that we have ever encountered. And as far as we can see, it means precisely nothing.

[Deze paragraaf – die in het Franse origineel uit een enkele zin van 193 woorden bestaat, een zin waarvan de ‘poëzie’ die het bevat helaas niet volledig door de vertaling wordt weergegeven – is het zuiverste voorbeeld van pennedrek dat we ooit zijn tegengekomen. En voor zover we kunnen nagaan, betekent het werkelijk helemaal niets.]

Er zijn ook nog andere hoofdstukken, onder andere over kentheoretisch relativisme, daarover later meer.

Intellectuele schijnbewegingen – Alain Sokal en Jean Bricmont (1)

Dit is het eerste deel van een driedelige serie over de Sokal-affaire en het boek dat Sokal en Bricmont daarover geschreven hebben: Intellectual Impostures – intellectuele schijnbewegingen.

Hier is deel 2.

Hier is deel 3.

In 1996 verscheen een artikel van Alain Sokal in het lentenummer van het tijdschrift Social Text. Het was een opzienbarende ‘hoax’, en de titel luidde Transgressing the Boundaries: Towards a Transformative Hermeneutics of Quantum Gravity. Het nepartikel deed destijds veel stof opwaaien.

Social Text is een vrij bekend sociaalwetenschappelijk tijdschrift dat zich – zeker destijds – als postmodernistisch afficheerde. De titel van het artikel is al volstrekte nonsens, uiteraard, maar het gehele artikel was bovendien één grote gewichtig klinkende aaneenschakeling van absurditeiten, nonsensicale citaten uit het werk van bekende sociaalwetenschappelijke, literatuurwetenschappelijke en filosofische auteurs. Maar het werd wel in het tijdschrift gepubliceerd. Op de publicatiedatum onthulde Sokal meteen dat het een hoax betrof. De affaire staat bekend als de Sokal-affaire.

Sokal is een Amerikaans hoogleraar in de wiskunde en natuurkunde, die zich enorm had geërgerd aan de manier waarop postmodernistische filosofen als Bruno Latour, Julia Kristeva, Jean Baudrillard, Jacques Lacan, Luce Irigaray, Gilles Deleuze natuurwetenschappelijke begrippen gebruikten om hun inzichten te illustreren, zonder dat ze zich ook maar enigszins bekommerden om de betekenis van die begrippen. Ze leken deze begrippen vooral te gebruiken om indruk te maken.

In 1997 verscheen in Frankrijk Impostures Intellectuelles – intellectuele schijnbewegingen – een boek dat in 1998 vertaald werd als Intellectual Impostures, geschreven door Alain Sokal en Jean Bricmont. Bricmont is een Belgisch theoretisch natuurkundige.

Ik las de Engelse vertaling die enigszins verschilt van de Franse editie – onder andere ontbreekt het hoofdstuk over Henri Bergson omdat de auteurs dat hoofdstuk van minder belang achtten voor de Engelstalige academische wereld.

In hun voorwoord proberen de auteurs een aantal misverstanden de pas af te snijden. Het is geen aanval tegen ‘links’, het is geen integrale afkeuring van de sociale wetenschappen, het behelst geen afkeer van multiculturalisme, het is zelfs geen debat over de merites van het werk van de aangevallen auteurs. Wat Sokal en Bricmont wel probeerden te laten zien is dat de natuurwetenschappelijke citaten waarvan de aangevallen auteurs zich bedienen vaak geen enkele betekenis hebben in de context waarin ze gebruikt worden, dat er op groteske wijze misbruik wordt gemaakt van de gehanteerde begrippen, dat er bovendien geen enkel aannemelijk argument wordt aangevoerd waarom die natuurwetenschappelijke begrippen in een sociaalwetenschappelijke, literatuurwetenschappelijke of filosofische context überhaupt nodig zijn.

Een tweede doel van het boek is om te laten zien dat het kentheoretisch relativisme dat vrij algemeen is in de Engelstalige wereld niet deugt. Wetenschap is wel degelijk meer dan een ‘mythe’, een ‘narratief’, een ‘sociaal construct’ temidden van vele andere mythes, narratieven, sociale constructen.

[De komende dagen zal ik af en toe een vervolg op deze inleiding publiceren, hier op mijn kleine website.]

De nacht

De ratten trekken naar de tuinen.
Het water klotst al aan de dijk.
Een aangevreten runderlijk
Vindt rust tegen de laatste duinen.

En dan volgt er het lege struinen
Door een verwilderd koninkrijk.
’t Zijn slechts ruïnes die ik zo bereik,
Apocalyptische bazuinen!

Aanzienlijk wou ik zijn, geducht.
Dolgraag wou ik de knoet hanteren.
De lijken zingen in een klucht

Om zo de dood nog te bezweren.
De ratten slaan al op de vlucht,
En geen geluk kan mij nog deren.

[Eigen werk]

Geluidsopname

Geluidsopname – Arie Sonneveld

Politieke turbulentie – verveling en balorigheid

Welvaart

Welvaart wordt soms voorgesteld als een aanjager van behoudzucht. De mens heeft het goed, en hij gaat vervolgens met zijn krent op het kapitaal zitten. Hij wil dat alles blijft zoals het is.

Nederland is een welvarend land. Toch stemde bijna de helft van de bevolking in 2023 (min of meer) pardoes op politieke stokebranden – één daarvan bereikte daarmee dat hij meteen de beschikking kreeg over veruit de grootste politieke partij in de Tweede Kamer. Dat is heel moeilijk te verklaren door de aandacht primair op ‘behoudzucht’ te richten.

De politieke turbulentie wordt vaak verklaard met de boosheid en ontgoocheling van ‘afgehaakten’, mensen die het gevoel hebben dat ze er niet meer toe doen, bijvoorbeeld omdat ze praktisch opgeleid zijn in plaats van theoretisch, omdat praatjesmakers overal mee wegkomen, omdat eerlijke, goedwillende burgers altijd de dupe zijn, omdat de MSM de wensen van het volk negeert, omdat ze in een regio wonen waar de politiek niet naar omziet, omdat ze weggedrukt worden uit de arbeidsmarkt door ‘immigranten’, omdat er geen betaalbare woningen zijn, omdat de Toeslagenaffaire heeft aangetoond dat de gehele overheid corrupt is, omdat de covid-vaccinatie een geregisseerd complot is, omdat de elite alleen aan zichzelf denkt, omdat juist dat waar de mensen zielsveel van houden niet meer mag van woke, omdat de linkse kerk nog net zo drammerig en intolerant is als in de jaren ‘70/’80, omdat alles in Den Haag wordt bedisseld in achterkamertjes, omdat alle politici leugenaars zijn.

Het merkwaardige is nu dat deze ‘afgehaakten’ het over het algemeen heel goed hebben, dat ze welvarend zijn.

Dat ze wakker liggen van het institutioneel racisme dat openbaar werd in het Toeslagenschandaal lijkt erg onwaarschijnlijk. Waarom zou je immers op een racistische partij stemmen als je daar wakker van ligt?

Het Nationaal Kiezersonderzoek liet bovendien duidelijk zien dat Eigen Volk Eerst de primaire bekommernis is van het electoraat van de stokebranden, en niet de opsomming die ik hierboven gaf. Het is onversneden, door-en-door bekrompen nationalisme dat hier de bazuin blaast.

Ik heb onlangs iemand naar de dokter gebracht. Die persoon heeft het goed, hij komt niets te kort, hij ziet nooit een immigrant, hij is feitelijk zelf een immigrant (hij is geboren in Indonesië, heeft daar tot zijn 17e gewoond, en hij heeft in een Jappenkamp gezeten), hij heeft uitstekende woonruimte, hij is goed opgeleid, zijn kinderen zijn welvarend, zijn kleinkinderen gaat het goed. Nochtans heeft hij op een partij gestemd, de PVV, die de rechtsstaat wenst op te blazen, die de elites wil uitroeien, en die immigranten wil terugsturen naar hun land van herkomst. Hij laat zich informeren door de MSM: hij leest de Telegraaf.

Welvarende mensen zijn dus niet vanzelfsprekend behoudzuchtig. Dat kan een eerste, voorlopige conclusie zijn.

Behoudzucht

Maar wat is ‘behoudzucht’? Wat willen de mensen dat er behouden wordt? Ik geloof zeker dat mensen proberen hun kapitaal(tje), hun bezit, hun materiële levensmogelijkheden te beschermen. En ik denk ook dat ze daarin heel ver kunnen gaan, dat ze hun eigenbelang scherp in het oog hebben, en dat ze andermans belangen gemakkelijk schenden als ze daarmee kunnen wegkomen zonder al te veel schade op te lopen.

Maar zaken als de teloorgang van het onderwijs, het afnemen van lees- en cijfervaardigheid, de desinteresse voor Duits en Frans, het verdampen van topografische kennis, de onkunde over wat wetenschap is, het verschrompelen van een liberale, tolerante houding jegens andersdenkenden, lijkt de mensen helemaal niet te beroeren. Ook de cultuurhaat van de stokebranden laat de kiezers volkomen onverschillig. Als er al van behoudzucht sprake is, dan is die bepaald selectief.

God verdween uit Jorwerd, en misschien ligt dat allemaal aan de minkukels in Den Haag. Maar bestellen ze in de buitengewesten dan niet bij Amazon, CoolBlue en Bol.com? Het is toch ook veel handiger en goedkoper dan bij de lokale winkels waar ze nooit wat op voorraad hebben, waar alles veel duurder is, waar dezelfde zelfingenomen onbenul al jaren achter de kassa staat, of juist andersom: er staat altijd een halfwasje dat van toeten noch blazen weet?

En dan hebben we nog de secularisatie. De kerken zijn in zestig jaar tijd bijna volkomen leeggelopen, wat toch een duidelijk teken is dat de mensen niet al te zeer hechten aan de gedachte dat alles moet blijven zoals het is.

Erg behoudzuchtig zijn de mensen niet, als je de zaken in een wat groter verband beschouwt – dat kan een tweede, voorlopige conclusie zijn.

Roekeloosheid

Bovengenoemde stokebranden prediken allemaal een vorm van (neo)nationalisme: de grenzen moeten dicht voor immigranten en gelukszoekers, de EU is een hoogst twijfelachtig samenwerkingsverband met een faliekante federale doelstelling, oude eerbiedwaardige tradities als Zwarte Piet, midwinterblazen, 130 of 140 kilometer per uur op de snelweg, de kerstboom en een vuurwerkorgie met oudjaar, moeten te vuur en te zwaard worden verdedigd, en in de MSM moeten weer blanke gezinnetjes worden geportretteerd in plaats van allemaal baardige Turken, kroezige Marokkanen of Antillianen met dreadlocks. De rechtsstaat is ten slotte doorgeslagen in een meedogenloze bureaucratisering, het is hoog tijd voor kordaat optreden, daadkracht, een sterke man die het volk weet te representeren.

Als je goed kijkt naar deze merkwaardige opsomming, dan zie je dat het programma van de stokebranden eerder revolutionair is dan conservatief. Die twee begrippen zijn uiteraard relatief – ze veronderstellen een verleden en een context. Maar sinds de Tweede Wereldoorlog hebben de West-Europese landen een koers gevolgd die gedomineerd werd door internationale samenwerking, integratie, anti-racisme, dekolonisering, een streven naar een open samenleving, en die koers werd gekenmerkt doordat geschillen werden beslecht met diplomatie in plaats van wapengekletter.

Dat moet allemaal worden vernietigd – en daarmee zijn de stokebranden revolutionairen onder conservatieve vlag.

De stokebranden zijn bovendien dol op Poetin en Trump – doortrapte leugenaars, zoals iedereen zou kunnen weten – wat het heel moeilijk maakt om te geloven dat het electoraat van de stokebranden werkelijk wakker ligt van de vermeende leugens van Rutte (die overigens in het niet vallen bij de maffiabaas in het Kremlin en de would-be maffiabaas in Amerika).

De welvaart en stabiliteit die de naoorlogse West-Europese koers ons gebracht heeft, wordt door de stokebranden roekeloos op het spel gezet. Dat kan een derde, voorlopige conclusie zijn.

Verveling en balorigheid

De conclusies luiden dus: Welvaart jaagt geen behoudzucht aan, behoudzuchtig zijn de mensen sowieso niet, een roekeloos en onhistorisch ultranationalisme lijkt de wind in de zeilen te hebben gegeven aan de stokebranden.

Bij de oudtestamentische profeten is een terugkerend thema dat welvaart en genot de mensen blind maakt voor het goddelijk gebod, voor datgene waar het werkelijk om gaat.

Welvaart stimuleert geen behoudzucht, welvaart maakt verveeld, gemakzuchtig en balorig, waardoor zelfs datgene wat behoud verdient, roekeloos op het spel wordt gezet.

Voorwoord bij de biografie van Simon Leys – Julian Barnes

Voorwoord dat geschreven werd door Julian Barnes bij de biografie die Philippe Paquet schreef over Pierre Ryckmans: Simon Leys, Navigator between Worlds (vert. Julie Rose), Melbourne: La Trobe University Press 2017

Ten geleide

Dit is een vertaling van een korte tekst. Het is een eerbetoon aan een grote schrijver: Simon Leys (1935-2014). Misschien vindt u het een flaptekst, maar misschien vindt u het ook aardig om er kennis van te nemen. Ik vind het mooi.

Julian Barnes (1946-) is uiteraard de bekende Engelse schrijver die weinig introductie behoeft.

Over Simon Leys kunt u elders op deze website desgewenst nog meer informatie vinden. Ook is er hier een vertaalde tekst van zijn hand beschikbaar over de vriendschap tussen Czeslaw Milosz en Albert Camus, een vriendschap die gevoed werd door hun bewondering voor Simone Weil.

Hier vindt u het originele Engelse voorwoord van Julian Barnes bij de biografie van Leys.

Dan nu de vertaling:

Voorwoord – door Julian Barnes

Zijn handschrift was heel bijzonder: elegant en kalligrafisch; zwarte inkt, een dunne pennestreek, lijnen van gelijke dikte; kleine lettertjes, maar beslist heel leesbaar. Soms ondertekende hij met ‘Simon Leys’, soms met ‘Pierre Ryckmans’; ik was altijd ‘Mr. Barnes’. We wisselden vele jaren boeken uit, en hoewel we elkaar nooit ontmoet hebben, hadden we een van die hartelijke vriendschappen op afstand waartoe niemand ons verplichtte. Ik onderging het bovendien als iets wat bijna niet voorkomt: een puur literaire vriendschap. Op zeker moment drong hij er bij mij op aan dat ik H.B. [Henry Beyle, A.S.] – Prosper Mérimée’s eerbetoon aan Stendhal – zou vertalen. Ik voelde me een beetje schuldig dat ik het niet deed, maar mijn traagheid bleek vruchten af te werpen: toen niemand anders het wou doen, besloot hij toch maar om zelf de taak op zich te nemen. Ik wist niets van zijn privéleven, en we hadden slechts één gemeenschappelijke vriend: Murray Bail. Maar toch beleefde ik het als een rijke, zuivere band: onalledaags, maar niettemin rijk. Ik vermoed dat er vele anderen waren die een soortgelijke band met hem onderhielden.

Net als de meesten van ons, leerde ik hem aanvankelijk kennen via The Death of Napoleon, dat kluchtige bravourestuk dat ons in de maling nam door met tegendraadse feiten te werken. Dit maakte zijn naam in ruime kring bekend, maar toch schreef hij – en dat was typisch voor hem – daarna nooit meer een roman. Het was duidelijk dat hij geen welomlijnd idee had van een literaire carrière: maar wat hij wel had was een idee wat hij wou doen, en wat de volgende stap moest zijn.

Ik maakte onlangs een ronde door mijn huis om alle boeken van hem die ik bezat terug te vinden. Met bijna elke andere schrijver zou dit eenvoudig zijn: ze zouden allemaal bij elkaar staan, of, in het slechtste geval op twee plaatsen (bijv. Poëzie en Fictie). Van Leys stonden sommige in de sectie Frans, naast Stendhal; andere vond ik in een verzamelcategorie die ik alleen maar als ‘Diverse denkers’ kon aanduiden. Maar waar was zijn vertaling van De uitspraken van Confucius (The Analects of Confucius). Uiteindelijk vond ik die naast Epictetus. En dan het boek The Wreck of the Batavia – tja: waar was mijn categorie Zeevaart? En dan The Death of Napoleon? Het zou bij Fictie hebben moeten staan, ware het niet dat ik het had uitgeleend en nooit teruggekregen (zo’n boek is het). Zijn boeken passen in geen enkel bestaand of huidig literair stramien. Om Mérimée over Stendhal te citeren: hij was “origineel in elk opzicht – een zeldzame prestatie in deze tijd van grauwheid en gebrek aan durf”.

Ik was diep onder de indruk van zijn brede interesses, en van zijn talen: hij schreef in het Engels, Frans en Chinees, en hij vertaalde vanuit en naar die talen. Toen ik negentien was, wist ik niets, had ik nog nauwelijks gereisd, en wist ik nog niet wat ik wou. Toen hij negentien was, ging hij naar China en ontmoette hij Zhou Enlai (weliswaar samen met anderen), en hij schreef over dat bezoek: “De overweldigende indruk … is dat het volstrekt onbestaanbaar zou zijn om in deze tijd en in deze wereld te leven zonder een goede kennis van het Chinees, en een onbelemmerde toegang tot de Chinese cultuur.” In de jaren zeventig was hij een felle ontmaskeraar van Mao en het maoïsme. Hij wist veel van literatuur, schilderkunst, poëzie, kalligrafie, muziek, politiek – en van de zee (hij besteedde vijftien jaar aan de vertaling van Dana’s Two Years Before the Mast).

Ik vertrouwde elk woord dat hij schreef; zijn proza ademde integriteit, maar het was nooit een parmantige integriteit. Hij kon ook streng en misprijzend zijn, ignoranten verdroeg hij slecht, en de slimmeriken onder hen helemaal niet. Bruce Chatwin ontving een onbarmhartige oorvijg, en de Parijse intelligentsia kreeg te maken met de scherpte van zijn kalligrafische pen. Malraux was een ‘blaaskaak’; de commentaren van Roland Barthes na een bezoek aan China toonden zo’n blindheid en achteloosheid dat Leys simpelweg Orwell citeerde: “Je moet wel tot de intelligentsia behoren om zoiets te geloven; geen normaal mens kan zo stom zijn”.

In een kort essay uit Le Bonheur des petits poissons [Het geluk van de kleine visjes] boog Leys zich over de kwestie van het writer’s block, een uitdrukking die (en hij was misschien de enige die dat kon weten) geen equivalent heeft in het Frans of Chinees. Maar het verschijnsel is uiteraard universeel. In deze korte chronique van minder dan vijf pagina’s verwijst Leys naar Conrad, Graham Greene, Jules Renard, Hemingway, Camus, Sjostakovitsj, Flaubert, Guo Xi, Henri Michaux, D.H. Lawrence, Jean François Revel, Ted Hughes, Randall Jarrell en Cyril Connolly. Bij andere schrijvers zou je al gauw aan snoeverij gaan denken, maar bij Leys krijg je de indruk van een geest die kalm en onderzoekend beweegt van de ene naar de andere vertrouwde plaats, daarbij hoffelijk aannemend dat de lezer in staat zal zijn hem te volgen. Wat bij een ander arrogantie zou zijn, is bij Leys bescheidenheid. Het najagen van geluk vond hij nutteloos, en zo vond hij het ook intellectueel vulgair om succes na te jagen. Hij was niet een schrijver die haakte naar beroemdheid. Hij gaf zelden interviews. Ik ken niemand die hem ooit tegen het lijf gelopen is bij internationale literaire evenementen. Je kunt zelfs zeggen dat zijn afwezigheid op die rumoerige carrousel kan gelden als een berisping van diegenen onder ons die daarin behagen menen te moeten scheppen. Maar Leys had dan ook The Analects vertaald, en hij kende dus het aforisme: ‘Slimme praatjes maken de deugd kapot’ (geen wonder dat hij een aanvaring had met Christopher Hitchens).

Dertig jaar lang woonde hij in Canberra, een stad waarvan buitenstaanders op een of andere manier kunnen denken dat die zowel aanzienlijk is als obscuur. Maar hij kende dan ook deze woorden van De Meester: ‘Een echte heer ergert zich aan zijn onbekwaamheid; hij ergert zich niet aan zijn obscure staat’. Voor ‘echte heer’ kun je ‘moreel individu’ lezen (en dus ook, misschien, ‘schrijver’). Leys was een schrijver van grote onkreukbaarheid en grote begaafdheid; hij was vooral obscuur in de geest van hen die denken dat schrijven iets te maken heeft met bestsellerlijsten. Hij werd gelezen door goede lezers in veel delen van de wereld, en dat was, vermoed ik, precies wat hij wilde. Zal deze biografie zijn ‘obscure staat’ verminderen? Ik vermoed dat het hem weinig zou kunnen schelen, hoe het ook zou uitvallen; hij zou de uitkomst rustig aanzien. Maar voor diegenen onder ons die zijn moedige, rake en ruimdenkende geest bewonderen, hoop ik sterk dat het hem minder obscuur maakt. Hij mag zich dan zelf niet geërgerd hebben aan zijn relatieve obscuriteit, maar nu hij er niet meer is kunnen wij, nabestaanden, ons vrij voelen om ons daaraan te ergeren in zijn plaats.

Het belang van Simone Weil – Czesław Miłosz

Ten geleide

De auteur van dit essay, Czesław Miłosz (1911-2004), was een Pools-Amerikaans dichter die in 1980 de Nobelprijs voor literatuur ontving. Hij werd geboren in een plaats die tegenwoordig in Litouwen ligt.

Zijn werk is bij uitstek geschikt om meer te begrijpen van de Oost-Europese gevoeligheden, omdat hij de wisselvalligheden van het lot van de Oost-Europeanen aan den lijve heeft ondervonden. Maar hij is ook een groot dichter, iemand die erin slaagt om thema’s die ontstijgen aan de plaats waar hij leefde of woonde voelbaar maken.

Thema’s die in zijn werk een rol spelen zijn de verdrukking van de mens onder een totalitair regime, de aanpassingsmechanismen die zo’n verdrukte mens kiest, het katholicisme, mededogen met de mens die een ontsnappingsroute kiest uit een ondraaglijke situatie.

Ik heb vier boeken van Miłosz in huis: (1) De geknechte geest, een zeer indrukwekkende gevalsstudie van vier vrienden die allemaal ten prooi vielen aan de totalitaire dwang van de Sovjet-Unie, (2) Geboortegrond, memoires over zijn afkomst en de wederwaardigheden van zijn bepaald avontuurlijke leven, gelardeerd met interessante bespiegelingen, (3) The Land of Ulro, een biografisch werk dat zijn intellectuele en artistieke en soms ook mystieke ontwikkelingsgang beschrijft, en (4) A Year of the Hunter, een literair dagboek, waarin Miłosz ook verslag doet van zijn aanwezigheid op Castel Gandolfo, de zomervilla van de paus.

Czesław Miłosz (Wikimedia) – mogelijk ongeveer in de tijd dat hij het essay schreef

Dit is een essay uit 1960 waarin Czesław Miłosz het belang van Simone Weil onder woorden probeert te brengen.

Het essay werd opgenomen in het boekje On the Abolition of All Political Parties, een belangrijk essay van Simone Weil, vertaald door Simon Leys, het pseudoniem van de sinoloog Pierre Ryckmans die zo’n belangrijke rol heeft gespeeld bij de deconfiture van het maoïsme in het westen. Het beslaat de pagina’s 37-58.

Het essay werd oorspronkelijk geschreven in het Frans: Note sur la suppression générale des partis politiques. Hier vindt u de Franse tekst.

Leys schreef ook zelf een interessant kort essay over de vriendschap tussen Miłosz en Camus, een vriendschap die gevoed werd door een gemeenschappelijke liefde voor het werk van Weil. Dit essay is het slot van On the Abolition of All Political Parties (p.61-71).

Het door mij vertaalde essay van Czesław Miłosz is tevens een introductie tot leven en werk van Simone Weil, wat mij vanzelfsprekend ontslaat van de plicht om haar leven en werk hier eerst te introduceren.

Hierbij het originele document:

En dan nu de vertaling:

Het belang van Simone Weil

Czesław Miłosz – 1960

Frankrijk schonk de huidige wereld een zeldzaam geschenk in de persoon van Simone Weil. Dat zo’n schrijver zou optreden in de twintigste eeuw ging in tegen alle wetten van de waarschijnlijkheid, maar rare dingen kunnen gebeuren.

Het leven van Simone Weil was kort. Ze werd geboren in 1909 in Parijs, en ze stierf in Engeland in 1943 toen ze vier-en-dertig was. Geen van haar boeken werd gepubliceerd tijdens haar leven. Na de oorlog werden haar verspreide artikelen en manuscripten – dagboeken, beschouwingen – vertaald in  vele talen. Haar werk vond bewonderaars over de gehele wereld, maar door de gestrengheid ervan vond het in ieder land maar een beperkt aantal lezers. Ik hoop dat dit exposé een zeker nut heeft voor mensen die nog nooit van haar hebben gehoord.

Misschien leven we momenteel in een tijd die alleen in uiterlijke zin a-theologisch is. Miljoenen zijn gedood in de Eerste Wereldoorlog, er zijn miljoenen gedood of doodgemarteld in Rusland tijdens en na de revolutie, er zijn ontelbare slachtoffers van nazisme en Tweede Wereldoorlog. Al deze gebeurtenissen hadden een grote invloed op het Europese denken. En eigenlijk vermoed ik dat het Europese denken altijd heeft gedraaid om één probleem dat zo oud is dat bijna niemand het durft te benoemen. Soms gebeurt het namelijk dat oude geheimen van de mensheid een tijdlang sluimeren of verborgen blijven voor een aantal generaties, en dat ze vervolgens weer tot leven komen en onder woorden worden gebracht in een nieuwe taal. En dat probleem is: wie kan het lijden van onschuldigen rechtvaardigen? Dit probleem, reeds aanwezig in het oudtestamentische boek Job, werd door Albert Camus behandeld in De Pest. Moeten we ons entreekaartje teruggeven, net als Ivan Karamazov, omdat een kindertraan al genoeg is om de wereld uit zijn voegen te lichten? Moeten we in opstand komen? Tegen wie? Is God bestaanbaar als hij verantwoordelijk is, als hij toestaat wat door onze waarden als gruwel veroordeeld wordt? Camus zei ‘nee’. We zijn alleen in het universum; het is ons lot om een onophoudelijke blootstelling aan blinde onmenselijke krachten te verdragen, zonder de troost van een toeverlaat, zonder ook maar enige metafysische ondersteuning.

Maar misschien is er niet zozeer een God, maar een godin die slagvelden bezoekt en concentratiekampen, die gevangenissen binnen gaat, aan wie geen bloeddruppeltje ontgaat, die elke banvloek registreert? Zij beseft dat ieder die klaagt er eenvoudigweg niets van begrijpt. Alles telt mee, alles gaat onvermijdelijk met geboorteweeën gepaard, en alles heeft zijn keerzijden. De mens zal godgelijk zijn onder de mensen. Op de weg naar zijn vervolmaking, moet hij de gang over de kruisigingsberg maken. De naam van deze godin wordt in onze eeuw uitgesproken met vrees en beven: Geschiedenis is haar naam.

Leszek Kolakowski, een marxistische hoogleraar in de wijsbegeerte in Warschau [toen dit werd geschreven, 1960, SL], zegt onomwonden dat alle moderne filosofische denksystemen, het marxistische denken incluis, reeds werden uitgedacht door theologen in de Middeleeuwen, en dat een aandachtige beschouwer oude twistpunten kan herkennen in nieuwe gedaanten. Onder andere maakt hij duidelijk dat Geschiedenis door marxisten wordt behandeld in termen van de theodicee – de rechtvaardiging van God [in het essay De priester en de nar, SL].

Ironie is hier niet aan de orde. De vraag naar de Voorzienigheid, of het ontbreken van Voorzienigheid, kan ook op een andere manier aan de orde worden gesteld. Is er een immanente kracht werkzaam in Le devenir, in alles wat wordt, wat groeit, een kracht die de mensheid verheft naar een toestand van volmaaktheid? Is er enige vorm van vruchtbare samenwerking tussen de mens en een universum dat onderworpen is aan voortdurende verandering? Zo geformuleerd is de vraag verbonden met de betrekkelijk recente ontdekking van de historische dimensie, een dimensie die onbekend was aan de relatief statische samenlevingen uit het verleden. Merkwaardig genoeg weten christelijke theologen niet goed wat ze aan moeten met deze kwesties.

Ze schamen zich voor de voorzienigheidsfilosofie die wordt uitgedragen door predikers als Bossuet en anderen, volgens wie God, als een Superkoning, de goede heersers steunde en de slechte strafte. Als dat waar zou zijn, wat het zeker niet is, zou het raadsel van de betrokkenheid van ieder individu nog steeds niet zijn opgelost. Ten minste één Frans theoloog, Pater Fessard, geeft toe dat dit de fundamentele intellectuele zwakte is van de moderne christenen. Zo gauw ze zich bemoeien met historische kwesties, geven ze toe aan filosofische denkpatronen die hen vreemd zijn: ze worden, bewust of onbewust, hegelianen of marxisten. Hun gebrek weerspiegelt een tekortkoming in de thomistische leer. Bij de heilige Thomas van Aquino, zo erkent Pater Fessard, vind je geen enkele verwijzing naar de historische dimensie. Hij had alleen aandacht voor de redelijke orde en de natuurlijke orde. “Zoals het historische element”, zegt Pater Fessard, “een cruciale rol speelt bij Hegel, bij Marx, en bij veel existentiefilosofen, zo ontbreekt dit element, volgens mensen die het weten kunnen – of althans het lijkt het te ontbreken – in de leerstellingen van het thomisme.” Dus een christelijke dialecticus zal zijn eigen begripsmatige instrumentarium moeten ontwikkelen.

Hier stop ik met mijn inleiding. Het leidt in tot een paar kernmomenten in het denken van Simone Weil.

Simone Weil werd geboren in een intellectueel gezin van Joodse afkomst. De familie van haar vader stamde uit de Elzas, het gezin van haar moeder was geëmigreerd van Rusland naar Frankrijk. Ze groeide op tussen mensen die geleerdheid boven alles stelden, en ze bleef haar gehele leven geïnteresseerd in wis- en natuurkunde. Ze leerde al vroeg vreemde talen: naast Latijn en Grieks (en haar buitengewone kennis van het Grieks bleek bepalend voor haar verdere ontwikkeling), Duits en Engels. Ze werd niet opgevoed in enige godsdienstige richting, en ze hield zich in haar jeugd niet bezig met religieuze problemen.

Nadat ze haar universitaire studie had afgerond aan de École Normale Superieure (waar één van haar medestudenten Simone de Beauvoir was, destijds nog katholiek), begon Simone Weil haar korte carrière als docent Grieks en Filosofie. Hoe briljant ze ook was, toch kwam ze regelmatig in problemen met de autoriteiten vanwege haar excentrieke houding. Ze bejegende haar bourgeois-omgeving met beleefde ironie, en schaarde zich aan de zijde van de mensen op wie de Franse middenklasse met afschuw neerkeek: de strijdvaardige vakbondsmensen en de werklozen. Er heerste in die jaren een economische crisis. Ze ontzegde zichzelf het recht geld te verdienen zolang anderen honger leden, en ze hield slechts een deel van het geld voor zichzelf: ze gaf de rest weg aan vakbonden en arbeidersbladen. Politiek gezien stond ze links, maar ze had nooit iets te maken met de Franse Communistische Partij. Ze stond het dichtst bij een kleine groepering, La Révolution Prolétarienne, die paste binnen de tradities van het Franse syndicalisme. Haar talloze politieke artikelen over de kansen van het Franse arbeidersprotest, over economisch beleid, over de oorzaken van het nazisme in Duitsland zijn, samen met haar essays over maatschappelijke bewegingen en Europese geschiedenis, onlangs samengebracht in een aantal bundels. Slechts een paar daarvan waren al gepubliceerd toen ze nog leefde, in niet al te bekende tijdschriften.

Haar verlangen om het lot van de verdrukten te delen, leidde tot een vrij plotseling besluit. Ondanks haar slechte gezondheid ging ze een jaar lang werken (1934-‘35) als arbeider in Parijse metaalfabrieken; ze verwierf aldus directe ervaring met handarbeid. Haar beschouwingen over dat onderwerp (gebundeld in La Condition ouvrière) zijn een vreselijke aanklacht tegen mishandeling, verwaarlozing, lichamelijke en geestelijke ellende.  Zoals ze later bekende, had dit jaar in de fabrieken haar jeugd verwoest en voor altijd het onuitwisbare brandmerk van de slaaf op haar gedrukt (‘net als de stigma’s die door de Romeinen gebrand werden op het voorhoofd van hun slaven’).

Toen de Spaanse burgeroorlog uitbrak ging Simone Weil naar Barcelona (in 1936), waar ze zich liet inschrijven als soldaat in de Colonna Durutti, een anarchistenbrigade. Ik benadruk het anarchisten-label – ze koos het omdat het anarchistische ideaal utopisch was. Maar als gevolg van een ongeluk, en de kwalijke gevolgen, bleef haar verblijf in Spanje erg kort.

In 1938 werd Simone Weil – in haar eigen woorden – “gegrepen door Christus”. Niemand kan met recht haar biografie voorstellen als een vroom bekeringsverhaal. Het patroon is bekend: hoe radicaler de omkering, hoe absoluter de ontkenning van het oude, hoe beter het is voor pedagogische doeleinden. In haar geval moet het begrip ‘bekering’ worden vermeden. Ze zegt dat ze voorheen nooit gedacht had dat zoiets als een persoonlijk contact met God mogelijk was. Maar ze zegt ook dat ze gedurende haar gehele bewuste leven een christelijke houding had ingenomen. Ik citeer: “Je kunt God alleen gehoorzamen als je orders ontvangt. Hoe kon het dan dat ik orders ontving in mijn vroege jeugd toen ik atheïst was?” Ik citeer opnieuw: “Religie, in zoverre als het een bron van troost is, is een obstakel voor waar geloof: in deze zin is atheïsme een loutering. Ik moet atheïstisch zijn met dat deel van mijzelf dat niet bij God hoort. Onder mensen in wie het bovennatuurlijke niet is ontwaakt, hebben atheïsten gelijk, en gelovigen ongelijk.”

De unieke plaats van Simone Weil in de moderne wereld komt voort uit de ongestoorde continuïteit van haar denken. Anders dan degenen die hun verleden moeten verwerpen als ze christen worden, ging zij door na 1938 met het ontwikkelen van bestaande ideeën, waarbij ze een nieuwe orde daarbinnen aanbracht, dankzij het nieuwe licht. Deze ideeën betroffen maatschappij, geschiedenis, marxisme, wetenschap.

Simone Weil was ervan overtuigd dat de Rooms-Katholieke Kerk de enige wettige hoeder was van de waarheid die was geopenbaard door de vleesgeworden God. Ze geloofde sterk in de aanwezigheid –  reëel en niet symbolisch – van Christus in de eucharistie. Ze beschouwde het als een groot geluk om te behoren tot de Kerk. Toch ontzegde ze zich dat geluk. Bij haar keus om niet gedoopt te worden en om trouw te blijven aan Christus, maar buiten Zijn Kerk, dienen we twee motieven te onderscheiden. Allereerst haar besef van persoonlijke roeping, van gehoorzaamheid aan God die wilde dat ze haar gehele leven zou blijven staan ‘aan de poort’ samen met alle moderne heidenen. Ten tweede haar strijd tegen de macht van de kerk om ketters te bestraffen.

Nadat Frankrijk verslagen was woonde ze enige tijd in Marseilles, en ze nam toen een boot naar Casablanca, en vervolgens van daaruit naar New York in de hoop zich te kunnen aansluiten bij een bevrijdingsgroep van vrije Fransen, Comité français de Libération nationale, in Londen. Haar bedoeling was om de Franse zaak te dienen, zo mogelijk gewapend. Na een paar maanden in New York te zijn geweest kwam ze aan in Londen. In 1943 stierf ze in een sanatorium in Ashford, waarschijnlijk door ondervoeding, want ze rantsoeneerde haar voedselinname op het niveau van de porties die de Duitsers aan de Franse bevolking toestonden.

Dat was het leven van Simone Weil. Een leven van opzettelijke dwaasheid. In een van haar laatste brieven aan haar familie, waarin ze ingaat op de rol van dwazen in de toneelstukken van Shakespeare, zegt ze: “In deze wereld kunnen alleen wezens die teruggeworpen zijn in de ultieme vernedering, lager nog dan bedelarij, mensen die niet alleen sociaal zijn weggevallen, maar die door iedereen beschouwd worden als ontdaan van elke waardigheid en redelijkheid – alleen zulke wezens kunnen nog de waarheid zeggen. Alle anderen liegen.” En over zichzelf: “Geraaskal over mijn intelligentie heeft slechts ten doel om de vraag te ontwijken: zegt ze de waarheid of niet? Mijn status als ‘intelligent type’ is net zoiets als een dwaas die dwaas genoemd wordt. Hoe veel liever zou ik hun etiket opgeplakt krijgen!”

Hoe nietsontziend ze ook was in haar schrijven en hoe totaal ongevoelig ze ook was voor modes, ze slaagde erin om rechtstreeks af te koersen op de zaken die ons ook vandaag nog intens bezig houden. Ik citeer: “Een man wiens gehele familie stierf na gemarteld te zijn, en die ook zelf lange tijd gemarteld was in een concentratiekamp. Of een zestiende-eeuwse Indiaan, de enige die de uitroeiing van zijn volk had overleefd. Zulke mensen die eerst hadden geloofd in de genade van God, zouden dat geloof hebben opgegeven, of ze zouden er heel anders over hebben gedacht dan daarvoor.” Maar hoe het dan te beschouwen? De oplossing van Simone Weil past niet bij de aanbidders van de Godin van de Geschiedenis; het zou ook nog wel eens ketters kunnen zijn vanuit een thomistisch gezichtspunt.

Een paar woorden over Simone Weils weg naar het christendom. Ze was doordrenkt met Griekse filosofie. Haar geliefde denker was Plato, die ze las en herlas in de oorspronkelijke taal. Je kunt een paradoxale overeenkomst constateren tussen onze tijd en de Romeinse decadentie toen voor veel mensen Plato – de ‘Griekse Mozes’, zoals hij soms werd genoemd – optrad als een leidsman naar het beloofde land van het christendom. Zo intens was de liefde van Simone Weil voor Griekenland dat ze alle Griekse filosofie beschouwde als bij uitstek christelijk – met één uitzondering: Aristoteles; hij was volgens haar: “een slechte boom die slechte vruchten droeg”. Ze verwierp nagenoeg alle joodse tradities. Ze heeft zich nooit verbonden met de joodse godsdienst, en ze wilde dat ook niet omdat ze niet in staat was om de oude Hebreeën hun wreedheden te vergeven, bij voorbeeld de meedogenloze uitroeiing van de Kanaänieten. Haar onalledaagse linkse houding maakte dat ze elke vorm van morele vooruitgang ontkende, de wijd verbreide gedachte volgens welke misdaden die drieduizend jaar geleden begaan zijn, min of meer kunnen worden gerechtvaardigd omdat de mensen toentertijd nog ‘minder ontwikkeld’ waren. En ze maakte het vroege christendom verantwoordelijk, via het idee van ‘een goddelijke pedagogiek’, voor de introductie van ‘een vergif’, namelijk de gedachte dat er historisch gezien morele vooruitgang bestond. Ze schreef: “De grote fout van de marxisten, en alle anderen in de negentiende eeuw, was dat je zou kunnen opstijgen wanneer je rechtdoor blijft lopen.” Volgens haar moest je misdaden van vroeger even streng beoordelen als die van vandaag. Dat verklaarde waarom ze een sterke afkeer had van het antieke Rome, een totalitaire staat die niet veel beter was dan die van Hitler. Voor haar gevoel hadden de vroege christenen groot gelijk toen zij Rome betitelden als Het Beest van de Apocalyps. Rome vernietigde de oude Europese beschavingen volkomen, beschavingen die waarschijnlijk superieur waren aan die van de Romeinen, die eigenlijk gewoon barbaren waren die zo behendig hun slachtoffers wisten te belasteren dat ons beeld van het pre-Romeinse Europa eeuwenlang onherkenbaar werd vertekend. Rome corrumpeerde ook het christendom tijdens zijn ontstaan. Het principe anathema sit [vervloekt zijt gij – een excommunicatieformule die gebruikt werd als een persoon voor ketterij was veroordeeld]  is van Romeinse oorsprong. De enige echt-christelijke beschaving kwam op in de elfde en twaalfde eeuw in de streken van de Languedoc, tussen de Middellandse Zee en de Loire. Nadat het was verwoest door de Fransen die het gebied binnenvielen vanuit het noorden en daar een bloedbad aanrichten onder de ketters – de Albigenzen – heeft er nooit meer ergens een christelijke beschaving bestaan.

Met haar heftige en compromisloze meningen was ze, althans qua temperament, een Albigens, een Kathaar – dit is de sleutel tot haar denken. Ze trok vergaande conclusies uit de Platoonse onderstroom van het christendom. Hier raken we misschien aan een verborgen overeenkomst tussen haar en Albert Camus. Het eerst boek van Camus was zijn doctoraalscriptie over de heilige Augustinus. Volgens mij was ook Camus een Kathaar, een zuivere, en zijn verwerping van God kwam voort uit liefde voor God, gewoon omdat hij niet in staat was om Hem te rechtvaardigen. De laatste roman die Camus geschreven heeft, De val, is niets minder dan een verhandeling over de Genade – afwezige Genade – maar het is tegelijk een satire: de praterige hoofdpersoon, Jean-Baptiste Clamence, die de woorden van Jezus ‘Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld worde’ omkeert en in plaats daarvan zegt: ‘Oordeelt, opdat gij niet geoordeeld worde’ zou zomaar wel eens Jean-Paul Sartre kunnen zijn.

De Albigenzen wortelden in een oude manicheïstische traditie, en ze leken daarmee op bepaalde secten in de Oosterse kerken van Bulgarije en Rusland. In hun ogen kon het goddelijk Opperwezen zo als die door de gelovigen werd aanbeden, niet worden gerechtvaardigd omdat hij een valse God is, een wrede Jehova, een minderwaardige demiurg, die identiek was aan de Vorst der Duisternis. In het spoor van dit manicheïsme placht Simone Weil te zeggen dat als we de woorden uit het Onze Vader uitspreken: ‘Uw koninkrijk kome’ dat we dan bidden om het einde van de wereld omdat alleen dan de macht van de Vorst der Duisternis zal worden gebroken. Maar ze zei er meteen achteraan dat “Maar Uw wil geschiede’ betekent aanvaarding van het aardse bestaan. Haar hele filosofie beweegt zich tussen die twee polen.

Er is een spanning tussen enerzijds ons verlangen naar het goede en anderzijds het kille universum dat absoluut onverschillig staat jegens waarden, dat slechts onderworpen is aan de onverbiddelijkheid van oorzaak en gevolg. Deze spanning werd opgelost door allerhande rationalisten en vooruitgangsdenkers die het goede in de wereld situeerden, in de materie, en meestal in de toekomst. De filosofie van Hegel en zijn navolgers zette de kroon op deze pogingen door het idee te ontwikkelen dat het goede school in voortgang en beweging, uitmondend in steeds hogere historische vormen. Simone Weil die een hardnekkige determinist was (in dit opzicht leek ze wel enigszins op Spinoza), verwierp zulke oplossingen als ongeldig. Haar inspanningen waren erop gericht om de spanning zo ondraaglijk mogelijk te maken. Wie probeert aan zo’n onvermijdelijke spanning te ontkomen door die een beetje toe te dekken, was, beweerde ze, een lafaard. Om die reden heeft men haar er soms van beschuldigd al te rigide te zijn en te weinig dialectische fijngevoeligheid te bezitten. Toch kun je je afvragen of ze niet meer dialectisch besef had dan menigeen die de kunst van de dialectiek gebruikte om behendige compromissen te sluiten, en die de eenheid van de tegenstellingen op een koopje bereikte.

Haar visie is bepaald niet troostrijk. Centraal staat het idee van een bewuste troonsafstand door God, van een God die terugtreedt uit het universum. Ik citeer: “God besteedde zonder uitzondering alle fenomenen uit aan het mechanisme van de wereld.” “De afstand tussen wat noodzakelijk is en wat goed, is exact dezelfde afstand als die tussen schepsel en Schepper.” “Noodzaak is de sluier van God.” “We moeten de cartesiaanse rationaliteit, dat wil zeggen de noodzaak of de mechanische orde, voor zover die aan ons mensen duidelijk is, achter laten waar we die aantreffen, om zodoende ervoor te zorgen dat datgene wat buiten hun bereik ligt, over het voetlicht komt.” “De afwezigheid van God is het allermooiste getuigenis van volmaakte liefde, en daarom is pure noodzaak, een noodzaak die nadrukkelijk verschilt van het goede, zo prachtig.”

Ze heeft geen ruimte voor de historische voorzienigheid van de christelijke predikers, en evenmin voor de historische voorzienigheid van de predikers van de vooruitgang. Betekent dat dat we helemaal overgeleverd zijn aan la pesanteur, het domein van de zwaartekracht, zodat onze hartekreten nooit beantwoord zullen worden? Nee. Er is een uitzondering op het universele determinisme, en dat is Genade. “Tegenspraak”, zegt Simone Weil, “werkt als hefboom voor transcendentie.” “Het onmogelijke is de toegangsdeur tot het bovennatuurlijke. We kunnen er alleen op kloppen. Iemand anders zal open doen.” De afwezige God, de verborgen God, Deus absconditus, handelt in de wereld door overreding, door Genade, een Genade die ons uit la pensateur, het domein van de zwaartekracht, zal trekken, ten minste als we haar gave niet afwijzen. Degenen die menen dat de spanning tussen noodzaak en het goede kan worden opgelost door iets anders dan het mysterie doen aan zelfmisleiding. “De woestijn is ons lot. Want degene die we moeten liefhebben is afwezig.” “God liefhebben ondanks en dankzij de verwoesting van Troje en Carthago, en zonder troost. Liefde is geen troost, het is licht.”

Voor Simone Weil is de maatschappij, net als alle andere wereldse fenomenen, onderworpen aan de orde van de noodzaak. Maar als de Natuur slechts noodzaak is en daarom onschuldig, duidelijk onder het niveau van goed en kwaad, dan is de maatschappij een domein waar wezens die toegerust zijn met bewustzijn lijden onder de knoet van een bondgenoot en dienstknecht van de noodzaak, de Vorst der Duisternis. Ze schrijft: “De Duivel is collectief (dit is de God van Durkheim).” Haar politieke positie wordt samengevat in een beeld dat ze vaak gebruikt, ontleend aan Plato. Plato vergelijkt de maatschappij met het Grote Beest. Alle burgers hebben een verhouding met dat Beest, met als gevolg dat als ze gevraagd wordt wat het algemeen goede is, iedereen een antwoord geeft dat in overeenstemming is met zijn functie: voor de een bestaat het goede in het kammen van het haar van het Beest, voor een ander zijn huid te krabben, voor de derde om zijn nagels schoon te maken. Op die manier verliezen de mensen het vermogen om het goede in zijn ware betekenis te leren kennen. Hierin lag voor Simone Weil de bron van alle absurditeiten en onrechtvaardigheden. In de klauwen van het sociale determinisme is de mens niet meer dan een aanbidder van het Grote Beest. Weil verzette zich tegen een idealistische moraalfilosofie omdat daarmee aan het individu een ondoorgrondelijke druk wordt opgelegd door een gegeven sociaal systeem. Volgens haar leidt ook het protestantisme onvermijdelijk tot een gewoonte-ethiek die de belangen van natie of klasse dient. Wat Karl Marx betreft, hij was op zoek naar zuivere waarheid; hij wilde de mens bevrijden van de zichtbare en onzichtbare ethische groepsdruk door die te ontmaskeren en te laten zien hoe die werkt. Door die initiële intentie van Marx is het marxisme veel waardevoller voor christenen dan welke idealistische filosofie dan ook. Maar Marx, betoogt Weil, probeerde, terwijl hij gedreven werd door een verlangen naar waarheid en recht, de ene fout te voorkomen en maakte daardoor een andere, wat altijd gebeurt als mensen de transcendentie afwijzen, de enige fundering van het goede die de mens ter beschikking staat. Marx stelde tegenover een klasse-gedreven ethiek een nieuwe ethiek van de beroepsrevolutionair, ook een groepsethiek, en baande zodoende de weg naar een nieuwe vorm van overheersing door het Grote Beest. Het volgende aforisme vat Weils opvatting goed samen: “Het hele marxisme, voor zover het waarheid bevat, vind je al in die ene bladzijde bij Plato over het Grote Beest; en de weerlegging ervan ook.”

Maar Simone Weil keerde niet haar rug toe naar de geschiedenis en was een pleitbezorger van persoonlijke betrokkenheid. Ze ontkende dat er een ‘marxistische leer’ bestond, en stelde het dialectische materialisme aan de kaak als een filosofische misvatting. In haar opvatting bestaat het dialectisch materialisme gewoonweg niet, omdat het dialectische element en het materialistische element, als ze worden samengevoegd, de samenstelling opblazen. Met zulke kritiek onthulde ze het akelige geheim dat alleen bekend is aan ingewijden binnen communistische partijen. Maar de klassenstrijd daarentegen, die al duizenden jaren gaande is, vormde voor haar een hoogst tastbare realiteit. Bezinning op het sociaal-determinisme hielpen haar zicht te krijgen op het kernprobleem van onze technische beschaving. Dat probleem ziet er als volgt uit. De primitieve mens stond onder enorme druk van vijandige natuurkrachten. Geleidelijk aan herwon deze mens zijn vrijheid door zich eraan te ontworstelen; hij beteugelde de krachten van water, vuur en elektriciteit en zorgde dat hij ze kon gebruiken. Maar hij kon dat niet voor elkaar krijgen zonder arbeidsdeling in te voeren en een gestroomlijnde productie.

Heel primitieve samenlevingen zijn egalitair, ze verkeren in een staat van ‘primitief-communisme’. Leden van zulke samenlevingen worden niet door de andere leden onderdrukt, alle angst is naar buiten gericht omdat de samenleving wordt bedreigd door wilde dieren, natuurrampen, en soms ook andere mensengroepen. Zodra de strijd van de mens tegen de omgeving vruchten gaat afwerpen, ontwikkelen zich binnen de samenleving groepen die bevelen geven en groepen die gehoorzamen. Naarmate het domein van menselijk kunnen groter wordt, groeit de onderdrukking van de een over de ander evenredig – het lijkt wel het onvermijdelijke gevolg. Jegens de Natuur is het lid van een technische maatschappij weliswaar in de positie van een god, maar hij is de slaaf van de maatschappij. De uiteindelijke strafmaatregel van elke overheersing die de ene mens uitoefent over de andere, is de dood – ofwel door het zwaard, het geweer, ofwel door de honger. De mensheid emancipeerde als collectief. “Maar deze collectieve mensheid heeft de onderdrukkende functie die vroeger door de Natuur werd uitgeoefend, zichzelf toegeëigend.”

In onze tijd zou Simone Weil haar sociale analyses kunnen ondersteunen met vele nieuwe voorbeelden; vaak wordt gezegd dat onderontwikkelde landen alleen kunnen industrialiseren wanneer ze totalitaire bestuursvormen accepteren. China zou haar bijvoorbeeld veel stof tot nadenken hebben geven.

De voornaamste sociale en politieke kwestie van de twintigste eeuw is: “Kan de door de maatschappij bereikte emancipatie worden overgedragen aan het individu?” Simone Weil was daar pessimistisch over. Het einde van de strijd tussen degenen die bevelen uitdelen en bevelen gehoorzamen is nog niet in zicht, betoogde zij. De bovenliggende groepen geven hun privileges niet op, tenzij ze ertoe gedwongen worden. Ondanks de spartelingen van de massa zal toch steeds de organisatie van de productie weer nieuwe meesters voortbrengen, en de strijd wordt voortgezet onder een nieuwe vlag en een andere naam. Heraclitus had gelijk: strijd is de moeder van goden en mensen.

Dit betekent niet dat we de geschiedenis kunnen verwerpen, door haar als eeuwige wedergeboorte te beschouwen, en dat we onze schouders kunnen ophalen bij wat ze te zien geeft. Of we het nu willen of niet, we zijn betrokkenen; het is onze zorg. We kunnen onze daden laten meewegen door ons solidair te verklaren met de verdrukten en door zo veel als mogelijk is de onderdrukkende macht  te verminderen van degenen die bevelen uitdelen. Maar zonder al te hoge verwachtingen: hubris, mateloosheid, wordt bestraft door het Lot, wat inherent is aan de wet van de noodzaak.

Het belang van Simone Weil moeten we, denk ik, zien in de context van onze tekortkomingen. We houden er niet van om door te denken tot het bittere einde. We proberen al gauw consequenties te ontlopen. Door de gestrengheid van haar leven en haar schrijven (klassiek, kernachtig, precies), slaagde ze erin onze schaamte in lof te veranderen. Hoe komt het dat ze zo veel moderne intellectuelen weet te fascineren? Misschien hierdoor: als onze eeuw een theologische eeuw is, dan heeft het een opmerkelijke voorkeur voor het manicheïsme. De moderne literatuur lijkt zich vaak vol woede te richten tegen deze wereld, een wereld die geenszins de indruk wekt het werk van een wijze klokkenmaker te zijn. De humor van zulke literatuur (denk aan Beckett, Ionesco, Genet) is, als het überhaupt humor genoemd kan worden, een minachtende grijns, een ricanement, jegens ons universum. De hoogleraar Michael Polanyi heeft onlangs de stelling verdedigd dat een van de meest karakteristieke kenmerken van de afgelopen decennia niet zozeer morele laksheid was, maar een morele razernij die tot ontploffing kwam zowel in de absurdistische literatuur als ook in revolutionaire bewegingen. Er zijn politieke moorden gepleegd uit naam van de overwinning van de mens op de wrede natuurlijke orde. Toch is het geloof in de magische zegeningen van de Geschiedenis deerlijk ondermijnd juist door de uitkomsten van dat geloof: industrialisering. De evidentie stapelt zich op (ook in de Oost-europese landen) dat koelkasten en televisieapparaten, of zelfs raketten die naar de maan worden geschoten, de mens nog niet tot een God maken. Oude conflicten tussen groepen mensen zijn uit de weg geruimd, maar ze zijn vervangen door nieuwe, die misschien dringender zijn.

Ik heb, zonder dat ik een ‘Weiliaan’ pretendeerde te zijn, in 1958 een selectie uit het werk van Simone Weil vertaald in het Pools. Ik schreef in het voorwoord eerlijk dat ik mezelf beschouwde als een Caliban, te vlezig, te zwaar om zich de vedertooi van een Ariel aan te meten. Simone Weil was een Ariel. Ik werd vooral geleid door overwegingen van nut en bruikbaarheid, maar  het was zeker in overeenstemming met haar wens om haar werk verspreid te zien. Een paar jaar geleden bracht ik vele middagen door in het appartement van haar familie dat uitkeek op de Jardin du Luxembourg – zittend aan haar tafel, met overal inktvlekken van haar pen – pratend met haar moeder, een fantastische vrouw van in de tachtig. Albert Camus vond ooit toevlucht in dat appartement op de dag dat hij de Nobelprijs kreeg en achternagezeten werd door fotografen en journalisten. Mijn doel was, als gezegd, nut en bruikbaarheid. Ik ergerde me aan de opdeling van Polen in twee kampen: de clericalen en de anticlericalen, nationalistische katholieken en marxisten – ik ga voorbij uiteraard aan de apparatchiki, bureaucraten die meedraaiden met elke wind uit Moskou. Ik vermoed dat onorthodoxe marxisten (ik gebruik dit woord bij gebrek aan beter) en niet-nationalistische katholieken veel overeenkomsten hebben, ze hebben op z’n minst gemeenschappelijke belangen. Simone Weil bestreed het soort religie dat neerkomt op sociaal of nationaal conformisme. Ze bestreed ook de oppervlakkigheid van zogenaamde progressieven. Misschien waren mijn bedoelingen toen ik bezig was met de Poolse selectie van haar werk wel enigszins boosaardig. Want als er een theologische strijd woedt – wat in Polen het geval is, zeker op hogescholen en universiteiten – dan is ieder wapen geschikt om de strijdenden grote ogen te laten opzetten, om te laten zien dat de keus tussen een nationalistisch christendom en de officiële marxistische ideologie niet de enige keus is die voorligt.

In onze huidige wereld, verscheurd door een veel serieuzere religieuze crisis dan je oppervlakkig zou vermoeden, worden katholieke schrijvers vaak verworpen door mensen die zich bewust zijn van hun eigen treurige positie als zoeker, en die in een defensieve reflex schieten als ze trotse waarheidsbezitters tegenkomen. Het werk van Simone Weil wordt gelezen door katholieken en protestanten, atheïsten en agnosten. Ze heeft een nieuw zuurdesem toegevoegd aan het bestaan van gelovigen en ongelovigen door te laten zien dat je je niet moet laten misleiden door bestaande meningsverschillen en dat menige christen in zijn hart een heiden is, en menige heiden in zijn hart een christen. Misschien was dat wel precies waarvoor ze geleefd heeft. Haar intelligentie, de nauwkeurigheid van haar stijl kwamen voort uit de intense aandacht die ze schonk aan het lijden van de mensheid. En, zoals ze schrijft: “Absolute, onverdeelde aandacht is bidden.”

Cologne – Samuel Taylor Coleridge

Samuel Taylor Coleridge (1772-1834) was een Engelse dichter die met William Wordsworth de stoot gaf aan de Engelse romantiek met een gezamenlijke dichtbundel: Lyrical Ballads (1798).

Colerdige was de jongste van een groot domineesgezin, had een gebrekkige gezondheid, was een groot deel van zijn leven verslaafd aan opium, en leefde een romantisch dichtersleven.

De vertaling was een vertaalopdracht voor de wedstrijd die Nederland Vertaalt heet (2023). Mijn vertaling is niet in de prijzen gevallen. Hier vindt u de genomineerde vertalingen.

Het betreft hier uiteraard een schimpdicht – Keulen wordt hier belachelijk gemaakt. Op de achtergrond speelt mee dat parfum, welriekend water, soms wordt aangeduid met Eau de Cologne – vandaar ook de titel van het gedicht.

‘Two and seventy stenches’ is een grapje – in het Engels zeg je seventy two. Coleridge gebruikt hier de Duitse woordvolgorde. Deze grap is in het Nederlands niet eenvoudig na te bootsen omdat de gebruikelijke Nederlandse woordvolgorde van ’72’ gelijk is aan de Duitse.

Geluidsopname van de vertaling:

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling:

Cologne

Keulen, stad van knoken, grauwe pijen,
bezaaid met troep en boze keien,
vol feeksen en mismaakte wijven;
overal stank die doet verstijven –
je gaat wel tachtig keer over je nek!
Gij nimfen, toeziend op riool en drek,
de Rijn besprenkelt, zoals u weet,
in uw Cologne put en spleet;
maar zeg me, Nimf, welk hoger Zijn
Besprenkelt straks die Keulse Rijn?

Origineel:

Cologne

In Köln, a town of monks and bones,
And pavements fang’d with murderous stones,
And rags, and hags, and hideous wenches,
I counted two and seventy stenches,
All well defined, and several stinks!
Ye nymphs that reign o’er sewers and sinks,
The river Rhine, it is well known,
Doth wash your city of Cologne;
But tell me, Nymphs! what power divine
Shall henceforth wash the river Rhine?

De Notre-Dame van Parijs – Gérard de Nerval

Gérard de Nerval (1808-1855) is het pseudoniem van de Franse dichter Gérard Labrunie die een voorname vertegenwoordiger was van de Franse romantiek. Hij leefde een veelbewogen leven in de eerste helft van de negentiende eeuw.

[Kleine excursie: hierbij moet misschien wel bedacht worden dat vrijwel iedereen in die tijd van Verlichting en Romantiek, Napoleontische oorlogen, politieke woelingen en bovendien een geneeskunst die niet tot heel veel in staat was, veelbewogen levens leidde, zeker als je die vergelijkt met ons eigen gezapige welvaartsbestaan waaraan soms alleen nog door hyperbolen, zelfbedwelming en rare gedragingen enige betekenis kan worden geschonken.]

Gérard de Nerval ging om met de groten van zijn tijd, schreef romans, toneelstukken en gedichten. Hij introduceerde de Duitse romantici in Frankrijk, en werd geprezen door Goethe. Hij was bevriend met Heine, en stierf zeer waarschijnlijk door zelfmoord.

Het onderhavige gedicht was een vertaalopdracht voor de competitie die Nederland Vertaalt heet (2023). Mijn vertaling is niet in de prijzen gevallen. Hier vindt u de genomineerde vertalingen.

De verwijzing naar Hugo betreft het boek Notre-Dame de Paris (1831). Het werd uiteraard geschreven door de romanticus Victor Hugo, en het werd in het Nederlands vertaald als De klokkenluider van de Notre Dame.

Hierbij een geluidsopname van de vertaling:

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling:

De Notre-Dame van Parijs

Die oude Notre-Dame – wie weet of mettertijd
kraamvrouw Parijs haar naar haar graf begeleidt.
Duizend jaar is niets; ooit zal de Tijd haar belagen,
zoals een wolf een rund: zware, knokige resten,
de ijzeren snaren verwrongen, zodat hij ten leste
in droeve stilte aan het rotsig karkas zal knagen.

Van over de hele wereld zullen mensen komen
om de kale ruïne te bepeinzen, weer te dromen
van de taferelen die Hugo had ontboden:
– ze zullen menen iets te zien van de basiliek
zoals ze ooit was, machtig en magnifiek,
voor hen oprijzend als de geest van een dode!

Origineel:

Notre-Dame de Paris

Notre-Dame est bien vieille: on la verra peut-être
Enterrer cependant Paris qu’elle a vu naître;
Mais, dans quelque mille ans, le Temps fera broncher
Comme un loup fait un bœuf, cette carcasse lourde,
Tordra ses nerfs de fer, et puis d’une dent sourde
Rongera tristement ses vieux os de rocher!

Bien des Hommes, de tous les pays de la terre
Viendront, pour contempler cette ruine austère,
Rêveurs, et relisant le livre de Victor:
– Alors ils croiront voir la vieille basilique,
Toute ainsi qu’elle était, puissante et magnifique,
Se lever devant eux comme l’ombre d’un mort!

In het licht van Simone Weil: Milosz en de vriendschap met Camus – Simon Leys

Deze vertaling is de slotbeschouwing van een klein boekje van Simone Weil dat door de letterkundige en sinoloog Pierre Ryckmans (1935-2014), onder het pseudoniem Simon Leys, in 2013 werd vertaald: On the Abolition of All Political Parties. Het boekje bevat tevens een essay van Czesław Miłosz over het belang van Simone Weil (p.37-58).

Het essay van Simone Weil is een hartstochtelijk pleidooi om intellectuele zuiverheid niet te offeren op het altaar van collectieve sentimenten, en het is geen wonder dat Simon Leys – die een deel van zijn werkzame leven met succes, maar ook met veel tegenwerking, had besteed aan de ontmanteling van de modieuze belangstelling voor het Maoïsme – de in dat essay ontwikkelde gedachten bewonderde.

Het essay van Simone Weil werd oorspronkelijk geschreven in het Frans: Note sur la suppression générale des partis politiques. Hier vindt u de Franse tekst.

Het onderwerp van deze slotbeschouwing is de vriendschap tussen Czeslaw Milosz en Albert Camus die werd gevoed door een gemeenschappelijke bewondering voor de enigszins mystieke beschouwingen van Simone Weil. Het is te vinden op de pagina’s 61-71 van On the Abolition of All Political Parties.

Dit is een kopie van het originele document:

Hier volgt de vertaling:

In het licht van Simone Weil – Milosz en de vriendschap met Camus

Simon Leys – 2013

Medische onderzoekers hebben aan de hand van bevolkingsstatistieken vastgesteld dat de opvallendste voorbeelden van een zeer lange levensduur worden aangetroffen in afgelegen berggebieden, bij mensen die een weinig opwindend, zelfs saai en eentonig leven leiden. De dichter Czeslaw Milosz, creatief tot het einde, stierf toen hij drie-en-negentig was, na een dramatisch bestaan dat hem had doen belanden in het centrum van wat een van de afschuwelijkste perioden was van de twintigste eeuw. Hij lijkt dus de omgekeerde weg te hebben bewandeld – maar goed, dichters vormen niet het meest geschikte materiaal voor statistieken.

Milosz werd geboren in 1911 in een klein stadje in tsaristisch Rusland (z’n hele leven bleef hij zich trouwens met diep inzicht en gefascineerde ontzetting bezig houden met het geheim van Rusland, net als zo veel Poolse intellectuelen – denk aan Conrad!) als de telg van een aristocratische familie, half Pools, half Litouws. Toen hij een klein kind was deelde hij in het nomadische leven van zijn vader, een civiele ingenieur die werd uitgezonden naar diverse uithoeken van Siberië waar hij verantwoordelijk was voor de constructie van overheidsgebouwen, en zodoende was hij soms getuige van de gevechten tijdens de bolsjewiekenopstand. Deze vroege ervaringen vormden een passend voorspel tot de woelingen van zijn latere leven.

Milosz bracht zijn jeugd en studentenjaren door in Vilnius, een barokke en kosmopolitische stad waar de voornaamste spreektalen Pools en Jiddisch waren, met daarbij een vleugje Litouws, Belarussisch  en Russisch. In de jaren dertig ging hij naar Parijs waar hij zijn reeds uitstekende kennis van de Franse taal en literatuur verder perfectioneerde, en waar hij het genoegen smaakte om onder de vriendschappelijke hoede te worden genomen door een ver familielid die zijn geestelijke mentor werd, O.V. de L. Milosz (1877-1939), een voormalige Litouwse diplomaat die zich had ontwikkeld tot een befaamde Franse dichter. De oudere Milosz moedigde zijn jongere verwant aan om diens dichtersroeping te volgen.

Terwijl de oorlog op uitbreken stond, ging Milosz terug naar Polen om te gaan werken voor de nationale radio. In 1939 nam hij vanaf het begin van de Duitse invasie actief deel aan het ondergrondse verzet tegen de nazi’s. De Duitse bezetting was bijzonder barbaars in Polen. Milosz constateerde naderhand: “Levende schepselen zijn onderworpen aan gruwel, en beschaving houdt zich bezig met het maskeren van die waarheid … Beschavingsgewoonten hebben de neiging te beklijven, en de Duitsers in het bezette West-Europa voelden zich duidelijk beschaamd en ze verhulden dus hun streven, terwijl ze in Polen handelden in volkomen openbaarheid.”[1]

Deze confrontatie met naakte gruwel zou een onuitwisbaar stempel op zijn werkelijkheidsbesef drukken. De alledaagse orde die ons leven kenmerkt kan weliswaar de indruk wekken natuurlijk en blijvend te zijn, maar ze is in feite zo kwetsbaar en illusoir als de kartonnen decorstukken op het toneel. Ze kunnen zomaar kapot vallen en in een oogwenk veranderen in een onmetelijke chaos. Onze toestand is precair; ook elementair menselijk fatsoen kan in een oogwenk vergruizelen of verdwijnen: “De nabijheid van de dood ruïneert elke schaamte. Mannen en vrouwen veranderen zodra ze weten dat het moment van hun executie is vastgesteld door een dik mannetje met glimmende laarzen en een paardezweep. Ze copuleren in het openbaar, op een klein stukje grond omheind door prikkeldraad – hun laatste plekje op Aarde.” [2]

Na de oorlog werd Milosz diplomaat, net als veel andere Poolse intellectuelen die hoopten dat ze door collaboratie met het communistische regime ertoe zouden bijdragen dat dit regime zichzelf zou hervormen. Hij werd uitgezonden als cultureel attaché, eerst naar Washington en toen naar Parijs. Hij begreep al heel snel dat het dienen van een stalinistisch regime niet alleen ontoelaatbare morele en intellectuele compromissen zou behelzen, maar eenvoudig zou leiden tot regelrechte walging: “Iemand kan zichzelf ervan overtuigen op basis van strikt logische redeneringen dat zijn gezondheid er grote baat bij heeft om levende kikkers door te slikken; vervolgens slikt hij, rationeel van het nut overtuigd, een eerste kikker, dan een tweede, maar bij de derde zal zijn maag in opstand komen.”[3]

In 1951 wierp hij zijn benoeming terzijde, brak met het regime en maakte een onomkeerbare sprong in ‘de afgrond van de ballingschap’, ‘de ergste van alle tegenslagen, omdat het onvruchtbaarheid en dadenloosheid behelst’. Maar anders dan de meeste exil-schrijvers, bleef hij trouw aan zijn moedertaal, zijn kostbaarste bezit. Met uitzondering van zijn privécorrespondentie (in het Frans en Engels), bleef hij tot zijn dood bijna altijd in het Pools schrijven.

De eerste tien jaar van zijn ballingschap verbleef hij in Frankrijk. Dat was financieel een heel zware periode, hij was geïsoleerd en voelde zich wanhopig. De onzekerheid van zijn materiële omstandigheden – om zijn jonge gezin te onderhouden was hij volledig afhankelijk van onzekere schrijfinkomsten – werd verder gecompliceerd door het politieke schervengericht van Parijse intellectuelen, wier lafheid en domheid hij nooit zou vergeten of vergeven. In het begin, toen hij nog de prestigieuze positie had een officiële vertegenwoordiger te zijn van ‘Democratisch Polen’ had de Franse ‘progressieve’  intelligentsia (onder het pontificaat van Sartre-Beauvoir) hem nog in de armen gesloten, maar zodra duidelijk werd dat hij was overgelopen, werd hij behandeld als een melaatse. Zelfs bij zijn toenmalige uitgever (Gallimard – de voornaamste en invloedrijkste Parijse uitgever) was er een redacteur die uit beduchtheid het initiatief had genomen om zijn manuscripten ter beoordeling voor te leggen aan een Poolse censor op de ambassade in de hoop het imprimatur te verwerven.

In 1953 maakte hij zijn situatie nog erger door zijn meest invloedrijke boek te publiceren, De geknechte geest, geschreven niet voor een Westers publiek maar ertegen – tegen de stompzinnige en zelfgekozen blindheid ervan; en het doel was precies om de lezer eraan te herinneren dat ‘als iets ergens bestaat, het overal bestaat’[4]. Met hun ontstellende gebrek aan verbeeldingskracht ‘beseften de inwoners van Westerse landen nauwelijks dat miljoenen medemensen die oppervlakkig beschouwd min of meer op hen leken, zich ophielden in een wereld die net zo bizar en onwerkelijk was als die van Mars.’ En laten we niet vergeten: ‘De mens is zo’n plooibaar wezen dat je je zelfs de dag kunt indenken waarop hoogst respectabele burgers op handen en voeten rondkruipen, met een staart van gekuifde veren, ten teken van onderhorigheid aan de orde waarin ze leven’[5]. Juist op dat moment, toen de intellectuele en literaire wereld hem schuwde als de pest, was er één man, een dapper en integer man, die een broederlijke hand naar hem uitstrekte, en die hem hielp te overleven: Albert Camus. Al gauw ontwikkelde zich een diepgaande vriendschap tussen de twee schrijvers – een vriendschap die nog versterkt werd door hun gedeelde bewondering voor Simone Weil.

Wat Camus betreft: je kunt zijn intellectuele en geestelijke leven in het laatste deel van zijn leven – tussen het einde van de oorlog tot zijn voortijdige dood in 1960 – niet volledig begrijpen zonder het buitengewone belang te beseffen van de invloed die Weils denken en haar manier van leven op hem had. Het is een onderwerp dat zelfs z’n beste biografen niet volledig hebben weten te treffen, waarmee ze Emersons opvatting bevestigen dat een literaire biografie een ijdele en futiele onderneming is, omdat het een levensbeschrijving oplevert waarvan de voornaamste gebeurtenissen zich hebben afgespeeld in een domein van stilte en onzichtbaarheid[6].

Al in 1948 nam Camus het initiatief tot de publicatie van twee van de belangrijkste werken van Simone Weil. Hij deed dat in L’Espoir, een serie waarvan hij de hoofdredacteur was bij Gallimard: het betrof L’Enracinement en La Condition ouvrière (dit waren overigens de meest succesvolle boeken van de gehele serie). Samen met Gustave Thibon (die in diezelfde tijd het initiatief nam om een selectie van haar filosofische en religieuze werk te publiceren) werd hij daarmee een van de eerste en meest toegewijde hoeders van haar nalatenschap. Belangrijker nog was dat Weils publicaties een voortdurende bron van inspiratie vormden voor Camus’ eigen denken, zoals ook bevestigd wordt door vele passages in zijn dagboeken, wat in alle openbaarheid bevestigd werd ter gelegenheid van de uitreiking van zijn Nobelprijs in 1957: hem werd gevraagd op een persconferentie in Stockholm, kort voor de plechtigheid, welke schrijvers het belangrijkste voor hem waren: hij noemde een paar vrienden, Algerijnse en Franse, en zei toen: ‘En ook Simone Weil – soms staan de doden ons nader dan de levenden.’

Ongeveer tien jaar daarvoor, toen hij werk van Simone Weil redigeerde, kwam hij in contact met haar ouders, die hem zeer hartelijk bejegenden, in het bijzonder haar moeder, Mevr. Bernard Weil, die ook zelf een uitzonderlijk iemand was. Ook Milosz leerde haar kennen, en hij bleef haar bezoeken na de dood van Camus, een dood die Mevr. Weil bijzonder had aangegrepen. Aan het eind van zijn essay over Weil vertelt Milosz een ontroerende en veelzeggende anekdote: op de dag dat Camus had gehoord dat hij de Nobelprijs voor literatuur had gekregen, en nadat hij achterna werd gezeten door een menigte journalisten en fotografen, vluchtte hij naar Mevr. Weils appartement. Voor Camus die geteisterd werd door twijfels aan zichzelf, gold dat deze verpletterende eer in veel opzichten een beproeving was: het verbijsterde hem en hij ontleende er zeker geen zelfvertrouwen aan. Zoals een godsdienstige die als hij volledig uit het veld geslagen wordt, een kerk binnengaat voor een moment van stilte en bezinning, zo ervoer Camus toen het verlangen om stil te zijn, geheel alleen, in de kamer waarin Simone dacht en schreef.

In 1960 vestigde Milosz zich in de Verenigde Staten waar de Universiteit van California in Berkely hem de leerstoel aanbood in de Slavische taal en letterkunde. Zijn wetenschappelijke activiteiten zaten zijn literaire werk niet in de weg – er kwamen meer dan veertig bundels met gedichten en beschouwingen tot stand, bekroond met meerdere prijzen, inclusief uiteindelijk in 1980 de Nobelprijs zelf. Na de ineenstorting van het communisme, en tot zijn dood in 2004, was hij soms in Krakow en soms in Berkely. Na meer dan een halve eeuw te zijn weg geweest, moet hij zijn moederland als uitheemser hebben ervaren dan de buitenlanden waar hij het grootste deel van zijn leven doorbracht, en waar hij het beste deel van zijn scheppende werk schreef – werk dat zelf het product was van ballingschap.

De ontdekking van het werk van Simone Weil gaf voor Milosz en Camus een nieuwe richting aan hun geestelijk leven[8]. Je vindt sporen van deze openbaring overal in Milosz essays, zijn correspondentie, en zelfs in zijn colleges aan de universiteit (hij gaf een cursus over Manicheïsme die direct werd beïnvloed door Weils inzichten, en hij redigeerde in het Pools een ruime selectie van haar essays).

De religieuze houding van Milosz was zowel parallel als tegengesteld aan die van Simone Weil. Haar opmerking over heidenen die uiteraard christelijk waren, en christenen die uiteraard heidenen waren, beschrijft heel behoorlijk hun beider levenshoudingen. Simone Weil verlangde er sterk naar om bij de kerk te horen – ze wilde graag deelnemen aan de sacramenten – maar ze ontzegde zichzelf deze genade: met opzet nam ze geen deel, en bleef ze buitenstaander – uit solidariteit en mededogen met de akelige toestand van moderne heidenen. Milosz daarentegen, die was geboren en opgevoed binnen de kerk, wenste deze te verlaten; hij wilde af van de door politiek en chauvinisme getekende Poolse kerk van zijn jeugd, en tevens van de akelige protestantse karikatuur ervan waarnaar het post-conciliaire katholicisme onmiskenbaar afgleed [9].

Milosz noemde zichzelf ooit ‘een ecstatische pessimist’, en het is misschien in dit opzicht dat hij het meest lijkt op Simone Weil. Als je geconfronteerd wordt met het mysterie van het kwaad is er weinig ruimte voor geloof in een Voorzienigheid (die troost zou geven voor het lijden), en evenmin  voor een Gemeenschap der Heiligen (die betekenis zou geven aan het lijden).

Is een troostrijke godsdienst een ontaarde vorm van godsdienst? “Liefde is geen troost, zij is licht” – deze zin van Simone Weil is echt heel goed; maar waarom zou licht niet troostend kunnen zijn? Dat is in ieder geval hoe nederige zielen het ervaren, als ze vroom hun kaarsjes branden voor beelden van de Heilige Maagd, of voor enige andere heilige. Maar het is niet eenvoudig, uiteraard, om onze grote filosofe – met haar onbetwistbare genie – ooit zich te zien overgeven aan zulke praktijken (waarvoor Pascal trouwens geenszins minachting voelde).

[1] Milosz’s ABC. Farrar, Strauss & Giroux, New York 2001, ‘Anus Mundi’, pp. 39-40.

[2] Milosz, The Captive Mind, Secker & Warburg, London, 1953, p.28.

[3] ibid., pp. xii-xiii.

[4] ibid., p.29

[5] ibid., p.29

[6] Genieën hebben de kortste biografieën omdat hun echte leven zich ongezien afspeelt buiten gehoorsafstand, en uiteindelijk kunnen zelfs hun neven niks zinnigs over hen zeggen.

[7] Milosz noemt dit in een brief aan zijn Amerikaanse vriend, de trappistische monnik en schrijver Thomas Merton. Zie: Striving towards Being: the Letters of Thomas Merton and Czeslaw Milosz. Farrar, Straus & Giroux, New York, 1997, p.68.

[8] Het probleem van de religie speelde een belangrijke rol in de vriendschap tussen Camus en Milosz. Camus was een atheïst die twijfelde aan zijn atheïsme, en Milosz was een christen die twijfelde aan zijn christendom. Ze twijfelden allebei voortdurend. De mystieke zekerheden van Simone Weil waren voor hen beiden een baken in de mist. (Uiteraard versimpel ik hier op groteske wijze een zeer ingewikkeld onderwerp.)

Hoe hij Simone Weil ontdekte, in een situatie van grote eenzaamheid en chaos – bij het schrijven aan De geknechte geest – lees zijn brief aan Thomas Merton (op. cit., p. 8): “Ik was zeer wanhopig. Ik ondervond steun in mijn wanhoop door bepaalde dingen en medemensen – onder wie Simone Weil, met haar boeken. Daarna beseft ik dat ze niet alleen mij kon helpen, en ik slaagde erin om haar Verzamelde werken uit te geven in een Poolse vertaling – een boek van 350 bladzijden …”

[9] Deelname aan de sacramenten was een probleem voor hem, maar hij liet zijn kinderen deelnemen aan de Heilige Mis – daarmee in zekere zin het dilemma van Camus herhalend: “Ik herinner me een gesprek met Camus. Hij vroeg me of ik vond dat hij, als een atheïst, zijn kinderen naar de Eerste Communie moest sturen. Dit gesprek vond plaats kort nadat ik Karl Jaspers had ontmoet in Bazel. Ik had hem gevraagd of ik mijn kinderen als katholiek moest opvoeden. Jaspers had geantwoord dat hij als protestant niet erg gunstig dacht over het Katholicisme, maar dat kinderen dienden te worden opgevoed in hun eigen geloof, al was het maar om ze toegang te geven tot de bijbelse overlevering, zodat ze later hun eigen keus konden maken. Ik antwoordde op Camus’ vraag ongeveer op dezelfde manier.” Milosz’s ABCs, pp. 77-78.

[10] Pascal, Pensées. Kaplan edition: pensée 115, Lafuma ed.: pensée 418.

Hemel en hel

Het eerste wat hij deed
was om de dichter hartelijk
uit te nodigen
zichzelf in de lucht te steken.

Wist hij veel.

De dichter stamelde,
hij twijfelde,
hij wist het niet.

Toen stierf de man
die zichzelf in de lucht
had kunnen steken.

Vrouwen, vrienden
maakten hun opwachting.

Het kwijl droop van onze lippen.

Sorry voor mijn realisme,
maar hemel en hel
zijn werkelijker
dan deze farce.

Geluidsopname

Geluidsopname – Arie Sonneveld

(Eigen werk)

Afschaffing

Hij droeg de metaforen ten grave,
laadde de assonanties en stafrijmen
in de laadbak van zijn strontkarretje,
en reed naar de gemeentewerf.

Van een volbloed binnenrijm,
op voorwaarde van verdoezeling,
klaarde zijn gemoed soms op.

Maar hij autonoom bepaalde dat
een enkele inversie, wat hem betreft –

hij wilde niemand iets opleggen
en als men de ironie maar te verstaan wist –
mocht blijven bestaan.

De eerste de beste metonymie
die hem te na zou komen,
ranselde hij het raam uit.

Hij slachtte ‘s avonds de ellips.

Geen amfibrach vermocht hem op te beuren,
in de lucht explodeerden de jamben.

Hoofdletters, interpunctie,
staande, slepende rijmen,
ja zelfs het rime riche,
heel die autoritaire boevenbende,
ze werden op een avond opgepakt,
en opgesloten in de rommelkamer
naast zijn zolderkamer.

Soms kwam er nog één tevoorschijn,
met verbrand gezicht.
Kijk daar kruipt nog een neologisme
uit het bebloede flodder-ei.

Liefde en haat, wanhoop en wet –
dat was meer iets voor psalmen.
Parallellie was een gruwel,
ritme een vloek;
een beetje kinky Engels
mocht.

Een mecenas was welkom,
maar een bourgeois – mijn god!

De geest verdween schielijk
in een klokkende keel.

Zo gingen jaren heen.
Hij schafte het liefste alles af,
maar meende dat de dichtkunst,
nochtans evenwel, zou overleven.

Geluidsopname

Geluidsopname – Arie Sonneveld

[Eigen werk]

Zomer

Daar liep ze door het warme zand.
Ik kuste traag haar lieve mond.
Ik heb me ooit aan haar verwond.
Iets in mij schreeuwde moord en brand.

Ik heb geen grein gezond verstand,
Zodat ik nooit de rust hervond.
Daar liep ze door het warme zand.
Ik kuste traag haar lieve mond.

Aan vrome praat heb ik het land.
Haar broek spant om de geile kont.
Ik doof mijn haat, ik blus mijn lont.
We zijn vervreemd, we zijn verwant.
Daar liep ze door het warme zand.

Geluidsopname

Geluidsopname – Arie Sonneveld

(Eigen werk, een rondeel)

Wolkbreuk

Het veld is dor, de aarde scheurt.
Een hemeltraan zag ik nog niet.
De boer stopt pijpen vol verdriet.
De schepping heeft zijn kans verbeurd.

Hoe ver je kijkt, hoe hard je speurt,
’t zijn dode vlakten die je ziet.
Het veld is dor, de aarde scheurt.
Een hemeltraan zag ik nog niet.

Eén bui, en heel de aarde kleurt,
Eén wolkbreuk die dit alles overgiet,
Dan zingt een vogel ‘t hoogste lied,
Op land dat weer naar kruiden geurt.
Het veld is dor, de aarde scheurt.

Geluidsopname

Geluidsopname – Arie Sonneveld

(Dit is een probatio pennae – dit is mijn eerste poging om een rondeel te schrijven.)

Modderige kreken

Daar was dan eindelijk die brief.
Het water stond in modderige kreken,
Terwijl de maan zich sprakeloos verhief.

De golven overspoelden het gerief.
Het schip bleef in de modder steken.
Daar was dan eindelijk die brief.

We zagen ook de kiekendief,
Die liet het zich aan niets ontbreken,
Terwijl een maan zich sprakeloos verhief.

De geest bleek weer een witte wief,
Met echte witte wievenstreken.
Daar was dan eindelijk die brief.

Geen otter werd ooit zo gegriefd,
Dat-ie wou wreken, of ten minste preken.
Er is een maan die zwijgend zich verhief.

De waarheid is niet altijd lief.
Wij maken zelden, maar wij kunnen breken.
Daar was dan eindelijk die brief,
Terwijl de maan zich sprakeloos verhief.

Geluidsopname

Geluidsopname – Arie Sonneveld

PS N.a.v. een leuke tweet over een madeliefje, schreef ik nog een extra terzine die zou kunnen worden ingevoegd voorafgaand aan het slotkwatrijn, en die als volgt luidt:

En nergens groeit de madelief;
Een sater wil graag distels kweken.
Daar was dan eindelijk die brief.

De wereld is gelukkig plat

Wij willen dolgraag feesten vieren,
Maar er zijn kazen zonder gat.
Is er een aarde zonder klieren?

Er zijn geen zeeën zonder wieren.
De wereld is gelukkig plat
Zodat wij feesten kunnen vieren.

Wij proeven graag elkanders nieren
En drinken bieren liefst per krat.
Is er een aarde zonder klieren?

’t Is tijd voor boeren om te gieren.
De stront is smeuïg; ‘t land is nat,
Opdat wij feesten kunnen vieren.

De demon blijft gedurig tieren.
Wij zitten zalig op ons gat.
Is er een wereld zonder klieren?

Door smalle straten draven stieren.
De parel is in goud gevat.
Wat blijft is dat we feesten vieren;
We dromen dan dat we niet klieren.

Geluidsopname

Geluidsopname – Arie Sonneveld

Ik ben de bangste man op aarde

Ik ben de bangste man op aarde.
De bramen bloeien als een zweer.
De lijken rotten in de gaarde.

Dood is een klus die ik wel klaarde.
Ik loste een schot, ik wierp een speer.
Ik ben de bangste man op aarde.

‘t Geheim dat ik het langst bewaarde:
Ik ben een goedertieren Heer.
De lijken rotten in de gaarde.

Hoe lang ik naar haar lokken staarde,
De grijzen keerden telkens weer.
Ik ben de bangste man op aarde.

Zelfs toen de lucht een keer opklaarde
Boven een graf te Winneweer,
Rotten de lijken in de gaarde.

De geest is van zeer grote waarde.
De liefde treft ons telkens weer.
Ik ben de bangste man op aarde.
De lijken rotten in de gaarde.

Geluidsopname:

Geluidsopname

Beter worden – Louise Glück

‘At a slight remove’: Louise Glück outside her home in Cambridge, Massachusetts. Photograph: Daniel Ebersole/AP

Louise Glück (1943 –) is een Amerikaanse dichter (van joodse afkomst) die in 2020 de Nobelprijs voor literatuur won. Ze doceert Engels aan Yale University. Toen ze jong was leed ze een tijdlang aan anorexia nervosa, een ziekte die ze overwon. Ze is twee keer getrouwd geweest en heeft een zoon.

Haar thematiek is gericht op verlatenheid, op de overwinning van trauma, op verlies en op relaties die mislukken. Een strenge zelfanalyse verschaft haar vaak de motieven die in haar gedichten een rol spelen. Ze bereikt vaak een grote luciditeit in haar verzen. Ze is er goed in om de natuur te bezielen.

De vorm van haar gedichten is betrekkelijk vrij – dat wil zeggen ze schrijft meestal geen gebonden poëzie. Maar de emotionele sequentie van de gedichten, ondersteund door de klank, is altijd sterk.

Er is wel getwist of ze tot de Confessional Poets moet worden gerekend. Ik zou dat zeker niet doen: uiteraard gebruikt ze wat ze heeft doorleefd in haar poëzie, maar haar motieven zijn vaak ontleend aan de natuur, of ze zijn van mythologische aard. Ze slaagt er uitstekend in om haar thema’s universeel te maken.

Uit een bespreking van Louise Glück, American Originality. Essays on Poetry (2017) door Nathaniel Rosenthalis onder de titel A Great Poet Writes About the Making of Poetry.
Louise Glück’s criticism has the depth of her poetry
 (8 september 2017) citeer ik de volgende passage (de ingesprongen alinea is een – ingekort – citaat van Glück):

Ik heb een kort stuk vertaald uit deze prozabundel American Originality. Essays on Poetry (New York: Farrar, Straus and Giroux 2017): The Culture of healing (p.58-60).

Het stuk gaat over een cultuur die geneigd is alles als zelfverbetering of herstel te beschouwen, een cultuur waarin de schepper-kunstenaar altijd zegevierend over de finish komt, waarin het lijden slechts reëel is in zoverre het aanleiding is voor een triomferend kunstwerk. Ze heeft daar ernstige bedenkingen bij.

Vertaling:

Beter worden

Als we spreken over de heilzame kracht van de kunst, moeten we onderscheid maken tussen de ervaring van de lezer en de ervaring van de schrijver. Voor de lezer kan een kunstwerk een soort mantra worden: door vorm te verlenen aan de ontreddering verlost het gedicht de lezer van een amorfe duisternis zonder zwaartekracht; het wordt een eiland in vrije val; het wordt zijn metgezel in verdriet, zijn steun en toeverlaat, een onmiskenbaar teken dat lijden op een of andere manier zin heeft.

Maar de relatie van de dichter tot zijn taalschepping lijkt me een andere.

We leven in een cultuur die bijna fascistisch is in zijn dwangmatige optimisme. Grote schaamte is verbonden met het idee en het schouwspel van een pijnlijke beproeving: de impuls om zo’n beproeving weg te drukken, te ontkennen of in te dammen kent twee uitersten – aan de ene kant de verering van een volmaakte gezondheid (lichamelijk en psychologisch), en aan de andere kant wat je een pornografie van het litteken kunt noemen, de schier eindeloze vloed van gedenkschriften en gedichten en romans die zijn gebaseerd op de aanname dat het tentoonstellen van leed wel moet leiden tot authentieke en machtige kunst. Maar als lijden zo zwaar is, waarom zou de uitdrukking ervan dan gemakkelijk zijn? Trauma en verlies zijn op zichzelf nog geen kunst: ze hebben iets weg van een onaffe metafoor. Zo’n werk is in feite aangestoken door een soort ingehouden gulzigheid. Het wil wat al te graag de meest dramatische uitersten belichamen; het ontkent al te gemakkelijk verlies als blijvend, als onherroepelijk. In plaats daarvan vertelt het een verhaal van persoonlijke overwinning, een verhaal dat bol staat met signaalwoorden als ‘groei’ en ‘heling’ en ‘zelfverwerkelijking’, wat uiteindelijk culmineert in het onvoorwaardelijke en alomvattende getuigenis dat de ziel geeft van zijn eigen heelheid, alsof verlies slechts een katalysator voor zelfverbetering zou zijn. Maar als de overweldigende kracht van het verlies wordt ondermijnd of ontkend, dan is het onvermijdelijke gevolg dat we gaan denken dat de spreker een kunstmatige constructie is, geen werkelijk mens.

Mijn eigen ervaring van acuut lijden, zowel in leven als werk, is dat ik in zulke perioden haast niks doe dan overleven, ervan uitgaande dat als ik maar overleef ik er in ieder geval nog ben als er iets verandert. Ik ben me er niet van bewust dat ik probeer zo’n verandering te bewerkstelligen. En ook geloof ik niet dat de opmerkelijke veerkracht van de kunstenaar een teken is van de helende kracht van de kunst. De manier waarop de kunstenaar zijn eigen werk ervaart, slingert heen en weer tussen paniek en dankbaarheid. Wat wel steeds aanwezig is, wat volgens mij de bron is van veerkracht (of volharding), is het vermogen om zich aandachtig over te geven aan de stof. Dat vermogen tot overgave is een soort opschorting van de eisen van het ‘Ik’; het komt voort, in het geval van de kunstenaar, uit een diep geloof in de waarde van de kunst (zij het niet noodzakelijkerwijs zijn eigen kunst, behalve dan het werk dat hij net onderhanden heeft). Soms, gedurende korte perioden in zijn leven, wordt de kunstenaar uit dat leven weggetrokken door zijn concentratie; hij leeft even in een tussentijd die tevens een zoektocht is, een respijt dat tevens een hoogspanning inhoudt. Zijn geloof in kunst, zijn investering in kunst, die bestaat in de droom zich helder uit te drukken, drijven hem voortdurend naar de toekomst – naar het ingebeelde moment waarin een overweldigende duisternis omgrenzing en vorm aanneemt. Dat geloof vervangt nostalgie door verschrikking en honger, de droom van herstel door de droom van ontdekking. En met dat doel cultiveert de kunstenaar een standvastige afkeer van zelfbegoocheling, wat niet zozeer een morele houding is als wel een pragmatisch besluit, want het enige voordeel dat het lijden meebrengt, is dat het inzicht verschaft.

De grote detective-schrijver Ross Macdonald zegt dat hij, “net als veel andere schrijvers,” “[zijn] eigen ervaringen of gevoelens niet rechtstreeks kon gebruiken”. Macdonald vond dat een verteller “moest worden afgeschermd, als met een loodafdekking tussen [hemzelf] en het radioactieve materiaal”. De dichter heeft genoeg aan de tijd, omdat die een andere invalshoek verschaft. Maar de kunstwerken die direct zijn terug te voeren tot specifieke gebeurtenissen – hoe veel eerder ze misschien ook hebben plaatsgevonden – plaatsen de kunstenaar in een bijzondere verhouding tot deze gebeurtenissen. Het gedicht is een wraakneming op het verlies dat wordt geperst in een nieuwe vorm, tot een ding dat eerder nog nergens ter wereld bestond. Het verlies wordt daarmee zowel een optelling als een aftrekking: zonder dat verlies zou dit gedicht, deze roman, dit beeldhouwwerk niet hebben bestaan. En een merkwaardig besef van geschiedvervalsing kan optreden als de onontkoombaarheid van het verlies ambigu wordt, als de manipulator er voordeel van trekt. Tegen zo’n functieverdubbeling bestaat, denk ik, geen remedie. En de drijvende kracht achter de transformatie is in alle gevallen de tijd, die ongevoelig is voor dwang of haast.

Origineel:

Blondines – R.S. Thomas

R.S. Thomas

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilder Mildred Eldridge (1909-1991).

[Deze intro kunt u verder overslaan, als u al eerder mijn vertalingen van R.S. Thomas onder ogen hebt gehad. Het nieuwe deel begint met de woorden: Het door mij vertaalde gedicht …]

R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).

Een aardig artikel over Thomas’ leven en werk is van de hand van Theodore DalrympleA Man Out of Time.

Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.

In een treffend filmpje uit 1996 dat Bloodaxe Books beschikbaar heeft gemaakt – hier raadpleegbaar – zegt Thomas (vanaf 4’18”):

“Mocht er sowieso later nog aan mij gedacht worden, dan zal dat wel zijn om de intensiteit van een paar gedichten die ik heb geschreven. Maar, los van de gedichten, als mens hoop ik dat m’n voorbeeld van iemand die ervan hield buiten te zijn, die hield van de aardse dingen, en die het talent had meegekregen om ze niet alleen te horen maar ook te zien, voor anderen een zeker nut heeft gehad.”

Het hier vertaalde gedicht beschrijft een kloof. De kloof tussen enerzijds de mensen wier predikant hij was, of althans de mensen tussen wie hij leefde, en anderzijds de dichter die hij ook was.

De dames keuren hem nauwelijks een blik waardig, druk als ze zijn met de dingen die het leven onvermijdelijk met zich meebrengt: er leuk uitzien, de kinderen, en de omgang met de niet altijd even trouwe echtgenoten.

Wat Thomas als dichter en predikant te vertellen heeft resoneert niet, of nauwelijks, of maar zo heel af en toe.

Ik heb de titel ‘Blondes’ met ‘Kille dames’ vertaalt om het verband tussen ‘blonde’ en ‘bland’, ‘kil’ en ‘koel’ te behouden. De haarkleur vind ik hier niet van doorslaggevend belang. Mocht ik me daarin vergist hebben, dan houd ik me aanbevolen voor uw gemotiveerde kritiek.

(Bij nader inzien vind ik ‘kille dames’ te onbewimpeld. Bovendien verdwijnt met die ‘kille dames’ de verrassing van het gedicht. Ik heb de titel daarom toch gewijzigd in ‘Blondines’.)

Het gedicht werd gepubliceerd in de bundel Pietà (1966)

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling:

Blondines

Ze liepen langs met nietszeggende blik.
Het is de eenvoud van hun levens waar ik
Naar smacht: mooi zijn, vol begrip, geen probleem
Dat niet met een kus of een lach kan worden
Weggepoetst. Ik zie ze lange straten aflopen
Met de accuratesse van een lijnbus
tijdens de dienst, draden die patronen vormen
Die ze niet kennen. Duizend gordijnen
Worden opengeschoven ter verwelkoming
Van een echtgenoot die hun trouw
beschaamde, die hen kinderen schonk
Om mee te spelen, gerinkel van kleingeld
Voor hun noden. De met tranen behangen boom
Van een dichter schiet geen wortel in hun hart.

Origineel:

Blondes

They pass me with bland looks.
It is the simplicity of their lives
I ache for: prettiness and a soft heart, no problems
Not to be brought to life size
By a kiss or a smile. I see them walking
Up long streets with the accuracy of shuttles
At work, threads crossed to make a pattern
Unknown to them. A thousand curtains
Are parted to welcome home
The husbands to have overdrawn
On their blank trust, giving them children
To play with, a jingle of small change
For their pangs. The tear-laden tree
Of a poet strikes no roots in their hearts.

Het kleine raampje – R.S. Thomas

R.S. Thomas – The Ogre of Wales. Fotograaf: Howard Barlow

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilder Mildred Eldridge (1909-1991).

[Deze intro kunt u verder overslaan, als u al eerder mijn vertalingen van R.S. Thomas onder ogen hebt gehad. Het nieuwe deel begint met de woorden: Het door mij vertaalde gedicht …]

R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).

Een aardig artikel over Thomas’ leven en werk is van de hand van Theodore DalrympleA Man Out of Time.

Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.

In een treffend filmpje uit 1996 dat Bloodaxe Books beschikbaar heeft gemaakt – hier raadpleegbaar – zegt Thomas (vanaf 4’18”):

“Mocht er sowieso later nog aan mij gedacht worden, dan zal dat wel zijn om de intensiteit van een paar gedichten die ik heb geschreven. Maar, los van de gedichten, als mens hoop ik dat m’n voorbeeld van iemand die ervan hield buiten te zijn, die hield van de aardse dingen, en die het talent had meegekregen om ze niet alleen te horen maar ook te zien, voor anderen een zeker nut heeft gehad.”

Het door mij vertaalde gedicht is een illustratie van bovenstaand citaat: het beschrijft het belang van ontvankelijkheid, van echt kijken – en het benoemt wat het onmogelijk maakt om tot die weelde door te dringen: wie zich met anderen verdringt, ontneemt zichzelf de mogelijkheid tot zien. Het is bijna onmogelijk om te zien als je geen afzondering kent.

De uitdrukking ‘de weinigen die zijn uitverkoren’ is ontleend aan een gelijkenis van Jezus: “Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren” (Mattheüs 22:14).

Het gedicht werd gepubliceerd in de bundel Not That He Brought Flowers (1968).

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

Vertaling:

Het kleine raampje

In Wales kun je juwelen
Vinden, maar alleen met het
Oog. Een heuvel baadt plotseling
In licht. Een weide zindert
Van kleur, en dooft vervolgens
Weer uit; op één dag kun je
De breedte van het spectrum
Gadeslaan, en rijk worden

Met kijken. Maar pas op;
Deze weelde is voor de weinigen
Die zijn uitverkoren. Zij die zich verdringen
Voor een klein raampje, maken het vuil
Met hun adem, al is het uitzicht
Nog zo subliem en onuitputtelijk.

Origineel:

The Small Window

In Wales there are jewels
To gather, but with the eyes
Only. A hill lights up
Suddenly. A field trembles
With colour and goes out
In its turn; in one day
You can witness the extent
Of the spectrum and grow rich

With looking. Have a care;
This wealth is for the few
And chosen. Those who crowd
A small window dirty it
With their breathing, though sublime
And inexhaustible the view.