Tagarchief: Simone Weil

Over de afschaffing van alle politieke partijen – Over de tekst – Simon Leys

Dit is een kleine toelichting van de hand van Simon Leys – de vertaler van de Engelse NYRB-editie – op de ontstaansgeschiedenis van de primaire tekst: Over de afschaffing van alle politieke partijen.

Over de tekst

Note sur la suppression générale des partis politiques werd geschreven in 1943, helemaal aan het einde van het tragische leven van Simone Weil. Ze was toen in Londen, waar ze zich had aangesloten bij de Vrije Fransen [La France libre] rond Generaal de Gaulle; ze was verbijsterd door verschillende pogingen van Franse politici in ballingschap om de oude en destructieve partijpolitieke praktijken nieuw leven in te blazen: ruzies en eindeloze schisma’s. Uit principiële overwegingen gaf ze uiteindelijk op 26 juli al haar verplichtingen voor de Vrije Fransen op. Ze was toen al in het ziekenhuis, waar ze kort daarna stierf, op de leeftijd van vier-en-dertig jaar.

Dit essay werd voor het eerst gepubliceerd zeven jaar later, in het maandblad La Table Ronde (nr. 26, februari 1950). De publicatie werd onmiddellijk bejubeld, zowel door André Breton als door Alain (het pseudoniem van Emile Chartier, een voormalig filosofiedocent van Simone Weil, ook zelf een schrijver en filosoof van aanzien).

Het essay werd vervolgens opnieuw uitgebracht in boekvorm door Gallimard (1953), en onlangs nog door Climats-Flammarion (2008), in een uitgave waarin ook de eerdere artikelen van Breton en Alain waren opgenomen. Het essay zal ook deel uitmaken van het laatste deel van de monumentale Oeuvres complètes de Simone Weil, geredigeerd door Florence de Lussy (Gallimard).

Ik heb in dit boekje ook een kort maar voortreffelijk essay uit 1960 van Czesław Miłosz opgenomen dat een overzicht geeft van leven en werk van Simone Weil. Ik heb nog wat aantekeningen toegevoegd over Miłosz zelf en hoe hij Weil ontdekte dankzij zijn vriendschap met Camus.

SL

Over de afschaffing van alle politieke partijen – Simone Weil / Czesław Miłosz / Simon Leys

In 2013 verscheen een klein boekje van 71 pagina’s, uitgegeven door de New York Review of Books (NYRB), onder de titel On the Abolition of All Political Parties.

Het was de vertaling van een kernessay van Simone Weil dat ze schreef op het eind van haar leven in 1943 – waarschijnlijk betrof het slechts aantekeningen voor een definitiever werk.

Twee versies van de oorspronkelijke Franse tekst zijn hier beschikbaar: het betreft de eerste publicatie die na Weils vroegtijdige dood in 1950 verscheen in het tijdschrift La Table Ronde, nr. 26, p. 9-28, en de editie uit 1957 in Écrits de Londres et dernières lettres, Gallimard, p. 126-148.

De vertaler was Pierre Ryckmans – beter bekend onder zijn pseudoniem Simon Leys – de Belgische sinoloog en schrijver die zo’n voorname rol heeft gespeeld bij de ontmaskering van het maoïsme als heilsleer in westerse intellectuele kringen.

Het boekje van NYRB bevat, naast uiteraard het kernessay van Weil, ook een heel interessant essay (1960) van de Poolse dichter en Nobelprijswinnaar Czesław Miłosz over leven en werk van Simone Weil, en het sluit af met een zeer lezenswaardig stuk van Simon Leys over de vriendschap tussen Miłosz en Albert Camus die werd gevoed door een gedeelde liefde voor het werk van Simone Weil.

Ik heb alle relevante teksten uit dat boekje vertaald.

Hierbij de links naar de vertaalde teksten.

  1. Voorwoord van de vertaler (Leys)
  2. Over de tekst (Leys)
  3. Over de afschaffing van alle politieke partijen (Weil)
  4. Het belang van Simone Weil (Miłosz)
  5. In het licht van Simone Weil. Miłosz en zijn vriendschap met Camus (Leys)

Veel leesplezier!

Over de afschaffing van alle politieke partijen – Voorwoord van de vertaler – Simon Leys

Omslag van de biografie van Simon Leys (Pierre Ryckmans)

Dit is een nieuwe vertaling van het voorwoord dat Simon Leys schreef bij zijn vertaling van Simone Weils Note sur la suppression générale des partis politiques – On the Abolition of All Political Parties, New York: New York Review of Books (NYRB) 2013.

De Nederlandse vertaling van Simone Weils essay vindt u hier.

En hier vindt u het Engelse origineel van het voorwoord (en ook de overige teksten in de uitgave van NYRB).

Voorwoord van de vertaler

Een doodenkele keer mogen parlementsleden een ‘gewetensstem’ uitbrengen [conscience vote] over strikt niet-politieke kwesties, kwesties waarbij uitsluitend ethische afwegingen een rol spelen.

Een ‘gewetensstem’ – wat een merkwaardig begrip! Het zou een pleonasme moeten zijn: gaan we er niet allemaal van uit dat elke stem – per definitie – wordt uitgebracht door parlementsleden die naar hun geweten luisteren, in plaats van naar een of ander dictaat van een politieke partij?

De voornaamste eigenschap van een politicus is integriteit. Integriteit vereist een onafhankelijk oordeel. Een onafhankelijk oordeel trekt zich niets aan van partij-dictaten, want partij-dictaten verstikken in iemands geweten elk besef van rechtvaardigheid en het gevoel voor waarheid.

Wanneer dergelijke fundamentele waarheden worden genegeerd, verandert het Parlement in een afstotelijk circus dat over alle partijgrenzen heen ontzetting en minachting opwekt bij het publiek. Wanneer kiezers hun vertegenwoordigers wantrouwen en verachten, komt de democratie zelf in gevaar.

Hoewel ik zo bevoorrecht ben om in een Westerse democratie te leven, inspireren de stuitende kanten van de partijpolitiek me zo nu en dan om Simone Weils opmerkingen over dit specifieke kwaad te herlezen. Haar essay werd bijna zeventig jaar geleden geschreven[1], weliswaar in heel andere omstandigheden, maar toch lijkt het me zeer relevant voor onze huidige tijd. Daarom heb ik het in het Engels vertaald, in de hoop dat het een aanzet kan zijn voor een vruchtbaar debat.

Weliswaar beschik ik niet over bijzondere competenties die maken dat ik mag oordelen over de meningen van mensen die het niet met haar eens zijn, maar toch is er één bezwaar dat volgens mij van meet af aan moet worden weerlegd: sommigen zullen misschien tegenwerpen dat Weil hopeloos utopisch, onrealistisch en onpraktisch is. Een dergelijk bezwaar gaat volledig voorbij aan de kern van haar betoog, dat goed geïllustreerd werd door Chesterton in een beroemde parabel[2]:

Stel dat er op straat grote commotie ontstaat over iets, laten we zeggen een lantaarnpaal die door veel invloedrijke personen ongewenst wordt geacht. Een in grijze pij geklede monnik – de geest van de Middeleeuwen – wordt over de zaak benaderd, en hij begint met te zeggen, op de droge manier van de Scholastici: ‘Laten we eerst eens rustig nadenken, mijn broeders, over de waarde van Licht. Als Licht op zichzelf goed is …’ Op dit punt wordt hij – ergens wel begrijpelijk – tot zwijgen gebracht. Alle mensen haasten zich naar de lantaarnpaal, de lantaarnpaal wordt binnen tien minuten omver gehaald, en ze beginnen elkaar meteen te feliciteren met hun onmiddeleeuwse praktische zin. Maar al gauw blijkt het lastiger te liggen. Sommige mensen hadden de lantaarnpaal neergehaald omdat ze elektrisch licht wilden; sommigen omdat ze oud ijzer wilden; anderen omdat ze duisternis wilden die hun slechte daden aan het oog kon onttrekken. Sommigen vonden het ding te weinig lantaarnpaal, anderen te veel; sommigen deden het omdat ze gemeentelijke voorzieningen kapot wilden maken; anderen omdat ze alles kapot wilden maken. En het wordt oorlog die nacht, en niemand weet nog met wie hij vecht. En zo keert langzaam maar onvermijdelijk – vandaag, morgen, overmorgen – de overtuiging terug dat de monnik toch gelijk had, en dat alles afhangt van onze filosofie van het Licht. Alleen wat we toen misschien onder de gaslamp hadden kunnen bespreken, moeten we nu in het donker doen.

Laten we dan nu de filosofie van politieke partijen bespreken bij het licht van Simone Weil: terug naar eerste beginselen.

S.L.

Canberra, 2012

Noten

[1] We zijn inmiddels ruim tien jaar verder (2024).

[2] G.K. Chesterton, Heretics (1905), einde van hoofdstuk I, ‘Introductory Remarks on the Importance of Orthodoxy.’

Over de afschaffing van alle politieke partijen – Simone Weil

Ten geleide

Dit is een nieuwe vertaling van een heel merkwaardige tekst die radicaal klinkt en toch zeer serieuze overweging verdient: Note sur la suppression générale des partis politiques.

De kern is de verdediging van het echte, zuivere, individuele denken, en de mate waarin dat streven gecorrumpeerd wordt door de geest van partijdigheid.

Simone Weil (1909-1943) is een interessante schrijfster. Over haar intellectuele ontwikkeling en haar biografie heeft Czesław Miłosz een fraai essay geschreven dat elders op deze website in vertaling beschikbaar is. Ook heel leesbaar is de beschouwing van de Belgische sinoloog en schrijver Simon Leys over de vriendschap tussen Albert Camus en Czesław Miłosz die mede tot stand kwam door een gedeelde liefde voor het werk van Simone Weil.

Het is ten slotte goed om te bedenken dat deze tekst werd geschreven door een joodse vrouw in 1943.

Twee versies van de oorspronkelijke Franse tekst zijn hier beschikbaar: het betreft de eerste publicatie die na Weils vroegtijdige dood in 1950 verscheen in het tijdschrift La Table Ronde, nr. 26, p. 9-28, en de editie uit 1957 in Écrits de Londres et dernières lettres, Gallimard, p. 126-148.

Ik heb de tekst vertaald uit het Frans, waarbij ik de Engelse vertaling door Simon Leys af en toe heb gebruikt als mijn kennis van het Frans me eventjes in de steek liet.

Ik heb ook de Engelse titel gebruikt voor mijn Nederlandse vertaling. Als je de Franse titel strikt zou volgen, zou je iets krijgen als: Aantekening over de algehele afschaffing van politieke partijen. Ook niet verkeerd, maar wel iets minder pakkend.

Het essay van Weil is al eerder vertaald: Simone Weil & Alicja Gescinska (Gescinska is de vertaalster), Politiek zonder partijen. Antwerpen: Davidsfonds 2023. Het essay van Weil heet hier in vertaling Aantekening over de algemene afschaffing van politieke partijen.

En er is bij Letterwerk nog een andere vertaling verschenen, ook in 2023: Nota over de algemene afschaffing van de politieke partijen.

Dan nu de vertaling:

Over de afschaffing van alle politieke partijen

Het woord ‘partij’ wordt hier gebruikt in de betekenis die het heeft op het Europese vasteland. Het woord duidt in Angelsaksische landen op een totaal andere realiteit, die wortels heeft in de Engelse traditie waardoor het begrip niet gemakkelijk overgeplant kan worden. De ervaringen van de afgelopen anderhalve eeuw laten dit duidelijk genoeg zien.[1] Binnen de Angelsaksische partijen heerst een element van spel, van sport, dat alleen kan bestaan in een instelling met een aristocratische oorsprong; in instellingen die van meet af aan volks zijn, gaat alles veel zwaarwichtiger toe.

In het Frankrijk van 1789 maakte het idee ‘partij’ geen deel uit van het politieke denken, behalve als een kwaad dat vermeden moest worden. Maar er was wel een Club de Jacobins [jakobijnen]. Aanvankelijk was dat een forum voor open discussie. Er was geen funest intern mechanisme van kracht dat hierin vervolgens verandering bracht. Pas de tweevoudige druk van oorlog en guillotine was de oorzaak dat deze beweging zich ontwikkelde tot een totalitaire partij.

De felle strijd die uitbrak tijdens de Terreur werd beheerst door de treffende uitspraak van Tomski[2]: “Eén partij aan de macht en alle andere in de gevangenis”. Op het Europese vasteland is totalitarisme daarmee de erfzonde van alle politieke partijen.

Dat er partijen in het Europese openbare leven tot stand kwamen was enerzijds de erfenis van de Terreur en anderzijds de invloed van de Engelse politiek. Maar het loutere feit dat die partijen nu bestaan is geen reden om ze te behouden. Alleen het goede erin kan een legitieme reden zijn. Het kwaad van de politieke partijen is duidelijk. Het probleem dat onderzocht moet worden is of er iets goeds in schuilt dat ruim opweegt tegen het slechte, iets wat hun bestaan daarmee wenselijk zou maken.

Maar het ligt eigenlijk veel meer voor de hand om te vragen: Zit er überhaupt wel iets goeds in? Zijn ze niet puur slecht, komen ze althans daar niet dicht bij in de buurt?

Als ze inderdaad slecht zouden zijn, dan staat vast dat ze feitelijk en praktisch alleen maar kwaad kunnen stichten. Zoals uitgedrukt in dit bijbelwoord: “Een goede boom kan geen slechte vruchten voortbrengen en een slechte boom kan geen goede vruchten voortbrengen.”[3]

Maar eerst moeten we vaststellen wat het criterium voor ‘goed’ is. Dat kan alleen maar waarheid en recht zijn, en daarmee: het algemeen belang.

Zaken als democratie, de keuze van de meerderheid, zijn niet zonder meer goed. Het zijn slechts middelen om het goede te bereiken, en hun effectiviteit spreekt geenszins vanzelf. Als niet Hitler maar de Weimarrepubliek had besloten, met behulp van keurig nageleefde parlementaire en wettelijke middelen, om de Joden in concentratiekampen te stoppen en ze geraffineerd dood te martelen, zou het martelen geen flintertje meer legitimiteit hebben gehad dan het nu heeft. En zoiets is bepaald niet ondenkbaar.

Alleen wat rechtvaardig is, is legitiem. Misdaad en leugens kunnen op geen enkele manier legitiem zijn.

Ons republikeinse ideaal komt volledig voort uit Rousseau’s idee van de ‘algemene wil’. Maar de betekenis van het begrip ging vrijwel onmiddellijk verloren, omdat het complex en veeleisend is. Afgezien van een paar hoofdstukken zijn er maar weinig boeken zo mooi, sterk, goed doordacht en scherp geformuleerd als Het maatschappelijk verdrag[4]. Men zegt vaak dat het een van de boeken is die een enorme invloed hebben gehad. Maar in feite ging destijds, en gaat nu nog steeds, alles door alsof het boek nooit gelezen is.

Rousseau had twee voor de hand liggende premissen. Allereerst dat de rede recht en onbetwijfelbaar nut aanwijst, en dat zij ook voor die dingen kiest, terwijl dwaling en kwaad worden ingegeven door hartstocht. De tweede is dat de rede identiek is in alle mensen, terwijl de hartstochten meestal verschillen. Als iedereen nu geheel zelfstandig nadenkt over een algemeen probleem en daarover zijn mening geeft, heeft dit, wanneer je die meningen vervolgens met elkaar vergelijkt, tot gevolg dat ze, voor zover ze redelijk en rechtvaardig zijn, waarschijnlijk overeen zullen komen, en dat ze zullen verschillen met betrekking tot de onrechtvaardigheden en dwalingen.

Alleen met behulp van zo’n soort redenering kun je concluderen dat een breed gedragen overeenstemming ook naar de waarheid verwijst.

Waarheid is één. Rechtvaardigheid is één. Dwalingen en onrechtvaardigheden zijn oneindig gevarieerd. Dus mensen komen elkaar nader in wat rechtvaardig en waar is, terwijl leugen en misdaad ervoor zorgen dat ze eindeloos ver uit elkaar gedreven worden. Omdat eenheid ons kracht geeft, moeten we hopen een bruikbaar middel te kunnen vinden om waarheid en recht sterker te maken dan misdaad en dwaling. Wat we daarvoor nodig hebben, is een geschikt mechanisme. Als democratie zo’n mechanisme is, is zij goed. Anders niet.

Een dwalende volkswil was in de ogen van Rousseau geenszins superieur – daarin had hij gelijk – aan de dwalende wil van een enkeling. Maar Rousseau meende alleen dat de algemene wil van een gehele natie grotere kans maakte om in overeenstemming te zijn met rechtvaardigheid, en wel omdat conflicterende hartstochten elkaar neutraliseren door elkaar onderling tegenwicht te bieden. Voor hem was dit de enige reden om de voorkeur te geven aan de volkswil boven de wil van de enkeling.

Zo is een bepaalde waterhoeveelheid, hoewel die bestaat uit deeltjes die voortdurend bewegen en botsen, in een volmaakt rustig evenwicht. Het water weerkaatst het beeld van voorwerpen met een onberispelijke waarheidsgetrouwheid. Het oppervlak is zuiver horizontaal. Het geeft ook feilloos de dichtheid aan van de voorwerpen die erin worden ondergedompeld.

Als door hun hartstochten tot misdaad en leugens geneigde individuen op zo’n manier worden verenigd tot een waarheidlievend en rechtvaardig volk, dan is er goede reden dat volk soeverein te maken. Een democratische grondwet is pas goed wanneer het dat volk primair in staat stelt deze evenwichtstoestand te bereiken, want alleen zo kan de volkswil worden uitgevoerd.

Een allegorie van de Franse Revolutie (1789) door Jeanne-Louise (Nanine) Vallain (1767-1815).
(Dit schilderij hing in de vergaderzaal van de Jakobijnen.)

De ware geest van 1789 bestaat er niet in dat iets rechtvaardig is omdat het volk het wil, maar dat onder bepaalde voorwaarden de wil van het volk waarschijnlijk het meest in overeenstemming is met rechtvaardigheid.

Er zijn verschillende onmisbare voorwaarden voor het toepassen van de algemene wil. Twee ervan verdienen hier onze bijzondere aandacht.

De eerste voorwaarde is dat wanneer de mensen zich bewust worden van hun streven, en er uitdrukking aan geven, er geen enkele sprake mag zijn van ook maar enige collectieve hartstocht.

Het is overduidelijk dat Rousseau’s redenering in elkaar zakt zodra er sprake is van collectieve hartstochten. Rousseau besefte dit heel goed. Collectieve hartstochten zijn aanzetten tot kwaad en dwaling, en ze zijn oneindig krachtiger dan welke individuele hartstocht dan ook. En in zulke gevallen neutraliseren kwade impulsen elkaar niet, maar ze versterken elkaar vrijwel oneindig. De druk is bijna onweerstaanbaar, behalve voor echte heiligen.

Water dat in beweging wordt gebracht door een woeste, onstuimige stroming reflecteert niet langer voorwerpen, heeft niet langer een horizontaal oppervlak, en geeft niet langer dichtheden op correcte wijze aan. En het maakt weinig uit of de turbulentie op gang wordt gebracht door één enkele stroming of door vijf of zes stromingen die op elkaar botsen en voor woelingen zorgen. Het is in alle gevallen even turbulent.

Als één enkele collectieve hartstocht een heel land in zijn greep krijgt, is het hele land eensgezind in zijn misdaad. Als twee of vier of vijf of tien collectieve hartstochten het land verdelen, is het land  verdeeld tussen verschillende criminele bendes. De verschillende collectieve hartstochten kunnen niet geneutraliseerd worden, zoals het geval is met een verzameling individuele hartstochten die verenigd zijn tot een massa; het aantal is veel te klein, de kracht van elke hartstocht is veel te groot om geneutraliseerd te kunnen worden. De onderlinge strijd maakt het nog erger. Ze botsen op elkaar met een hels kabaal zodat het onmogelijk wordt om zelfs maar eventjes de stem van recht en waarheid te horen, een stem die sowieso al moeilijk hoorbaar is.

Als een land in de greep is van een collectieve hartstocht, is de kans groot dat elke individuele wil dichter bij recht en rede ligt dan de algemene wil, of – beter gezegd – bij de karikatuur van die algemene wil.

De tweede voorwaarde is dat het volk zijn wil tot uitdrukking moet brengen met betrekking tot problemen die iedereen aangaan, en dat het volk niet simpelweg een keuze moet maken tussen verschillende personen, en al helemaal niet een keuze tussen verschillende onverantwoordelijke organisaties; de algemene wil heeft immers niets te maken met zulke keuzes.

Als er in 1789 al enigszins sprake was van een uiting van de algemene wil – bij gebrek aan beter was er weliswaar een systeem van vertegenwoordiging ingevoerd – dan was dat omdat men iets had dat veel bruikbaarder was dan verkiezingen. Alles wat in het hele land zich roerde of bewoog – en het land bruiste in die tijd van leven – probeerde zich uit te drukken door middel van cahiers de revendications [programma’s van eisen]. De meesten van de toekomstige volksvertegenwoordigers hadden bekendheid verworven door hieraan mee te doen, en ze waren de geestdrift die dat had opgeroepen niet vergeten; ze voelden dat de mensen aandachtig naar hun woorden luisterden, omdat deze mensen het belangrijk vonden dat hun streven juist werd weergegeven. Voor heel even – echt maar een heel korte tijd – waren deze vertegenwoordigers uitsluitend de spreekbuis van wat het publiek voelde en dacht.

Dat was eens maar nooit weer.

De genoemde twee voorwaarden laten onmiddellijk zien dat we nooit iets hebben gekend dat ook maar in de verste verte op een democratie lijkt. In wat wij een democratie noemen, heeft het volk nooit de mogelijkheid of de middelen om zich uit te spreken over welk probleem van het openbare leven dan ook. Alles wat het individuele belang overstijgt, wordt overgelaten aan collectieve hartstochten, die systematisch en officieel worden aangewakkerd.

Alleen al het gebruik van de begrippen ‘democratie’ en ‘republiek’ maakt het onontkoombaar om de volgende twee problemen heel nauwgezet te beschouwen:

  1. Op welke manier kunnen degenen die samen het Franse volk vormen de kans krijgen om zich uit te spreken over de grote onderwerpen van het openbare leven?
  2. Hoe kun je voorkomen dat mensen, wanneer je ze iets vraagt, worden gedreven door collectieve hartstochten?

Als we over deze twee punten weigeren na te denken, heeft het weinig zin om het te hebben over de legitimiteit van de republiek.

Oplossingen bedenken is niet eenvoudig. Maar bij nadere beschouwing, wordt het al gauw duidelijk dat elke oplossing allereerst de afschaffing van alle politieke partijen met zich meebrengt.

                                                                                         ******

Om politieke partijen te beoordelen volgens de criteria van waarheid, recht en het algemeen belang, moeten we beginnen met het vaststellen van hun hoofdkenmerken.

We kunnen er drie opsommen:

  1. Een politieke partij is een vehikel voor het produceren van collectieve hartstocht.
  2. Een politieke partij is een organisatie die erop uit is om collectieve druk uit te oefenen op het denken van elk van haar leden.
  3. Het eerste en uiteindelijk enige doel van elke politieke partij is de eigen onbeperkte groei.

Door deze drie hoofdkenmerken is elke partij in de kiem totalitair, en ook in wat ze nastreeft. Als ze af en toe een keer niet totalitair is, dan is dat alleen maar omdat haar omgeving dat ook is.

Deze drie kenmerken spreken vanzelf voor iedereen die betrokken is geweest bij het reilen en zeilen van welke partij dan ook.

Kenmerk drie is een speciaal geval van een verschijnsel dat overal optreedt waar een collectief het denken domineert. Het is de omkering van de relatie tussen doel en middel. Zonder uitzondering geldt dat in elk domein de dingen die door iedereen als doelen worden beschouwd uit de aard der zaak, per definitie, in de kern en vanzelfsprekend slechts middelen zijn. Het aantal voorbeelden is eindeloos op elk gebied. Geld, macht, de staat, nationale grootheid, economische productie, universitaire graden, en nog vele andere.

Alleen het goede is een doel. Alles wat tot het domein van de feiten behoort, is een middel om een doel te bereiken. Maar collectief denken is niet in staat om boven het domein van de feiten uit te komen. Het is dierlijk denken. Het heeft net genoeg besef van het goede om de fout te maken een of ander middel als een absoluut goed te bestempelen.

Dit geldt ook voor partijen. Een partij is in principe een instrument om een bepaald idee over het algemeen belang te dienen. Dit algemeen belang kan zelfs de belangen van een sociale groep omvatten, omdat er altijd een bepaald idee van dat algemeen belang bestaat volgens welk het algemeen belang en deze belangen samenvallen. Maar dit idee blijft uiterst vaag. Dit is zonder uitzondering bij alle partijen in ongeveer gelijke mate het geval. Zowel losjes gestructureerde als strak georganiseerde partijen zijn gelijk in de vaagheid van hun leerstellingen. Geen mens, hoe intensief hij zich ook in politieke zaken heeft verdiept, is in staat om de leer van enige partij, die van hemzelf incluis, nauwkeurig en duidelijk te formuleren.

Mensen geven zoiets ongaarne toe. Als ze dat wel zouden doen, zouden ze dat in hun naïveteit misschien zien als een teken van persoonlijk onvermogen, terwijl de uitdrukking “de leer van een politieke partij” in feite geen welomlijnde betekenis heeft. Een individu heeft maar zelden eigen leerstellingen, zelfs als hij zijn leven lang schrijft en nadenkt over de strijd der ideeën. Maar een collectief heeft dat nooit. Een leer is onverenigbaar met een collectief.

Het is waar dat we kunnen spreken van een christelijke leer, een hindoeïstische leer, een leer van Pythagoras, enzovoort. Wat in dat geval met het woord ‘leer’ wordt aangeduid is individueel noch collectief; het is iets dat verre boven deze domeinen uitgaat. Het slechts de waarheid in zuivere vorm.

Het doel van een politieke partij is vaag en onwerkelijk. Mocht het ergens bestaan, dan zou het veel van onze concentratie vergen, want het idee ‘algemeen belang’ daalt niet gemakkelijk in onze geest. Het bestaan van de partij daarentegen is tastbaar, vanzelfsprekend, en je herkent haar meteen. Het is daarom onvermijdelijk dat de partij in de praktijk haar eigen doel wordt.

Maar dit is afgoderij, omdat alleen God rechtmatig zijn eigen doel is.

De overgang komt eenvoudig tot stand. Het geldt als een axioma dat de partij alleen effectief de reden van haar bestaan, het algemeen belang, kan dienen, als ze groot en machtig is. Slechts een beperkte hoeveelheid macht kan in de praktijk nooit voldoende zijn, vooral niet nadat deze eenmaal is verworven. De partij kan nog steeds niet echt doen wat ze wil, iets wat ze altijd toeschrijft aan haar tekortschietende macht. Zelfs als ze absoluut over het land zou heersen, veroorzaken internationale beperkingen nog steeds smalle operationele marges.

Het hoofdstreven van partijen is dus totalitair, niet alleen met betrekking tot de natie, maar met betrekking tot de gehele wereld. Want juist omdat het idee van het algemeen belang dat eigen is aan deze of gene partij een fictie is, een leeg ding, iets onechts, dwingt het tot een streven naar totale macht. Alle realiteit impliceert een grens. Wat gewoonweg niet bestaat, kan nooit begrensd worden.

Daarom is er verwantschap, zelfs een bondgenootschap, tussen totalitarisme en leugens.

Het is waar dat veel mensen niet gauw aan onbeperkte macht denken; de gedachte zou hen bang maken. Het is een duizelingwekkend begrip, en je hebt een soort grootsheid nodig om het onder ogen te zien. Als deze mensen actief zijn in een partij, willen ze alleen maar dat die groeit, maar dan wel een groei die onbegrensd is. Als er dit jaar drie leden meer zijn dan vorig jaar, of als de collecte honderd francs meer heeft opgebracht, zijn ze blij. Maar ze willen dat het oneindig doorgaat in dezelfde richting. Ze kunnen nooit denken dat hun partij misschien te veel leden, te veel kiezers of te veel geld heeft.

Het revolutionaire temperament probeert zich een begrip van de totaliteit voor te stellen. Het kleinburgerlijke temperament stelt zich een langzame, voortdurende, onbeperkte vooruitgang voor. Maar in beide gevallen wordt de meetbare groei van de partij het enige criterium dat goed en kwaad in alle aangelegenheden definieert. Het is net alsof de partij een dier is dat moet worden vetgemest, en alsof het universum geschapen is om het vet te mesten.

Je kunt niet God dienen en mammon. Als we een ander criterium nemen voor wat goed is dan het goede zelf, raken we het begrip ‘goed’ kwijt.

Zodra de groei van de partij een criterium voor het goede vormt, volgt daaruit onvermijdelijk een collectieve partijdruk op de gedachten van de leden. Deze druk wordt daadwerkelijk uitgeoefend, publiekelijk getoond, beleden, verkondigd. We zouden ervan gruwen als gewenning ons niet zo ongevoelig had gemaakt. Partijen zijn organisaties die qua structuur in alle openheid op zo’n manier zijn ontworpen dat het gevoel voor waarheid en recht in de ziel van de mensen teloor gaat.

Met propaganda wordt er collectieve druk uitgeoefend op het grote publiek. Het doel van propaganda is om te overreden, niet om licht te verspreiden. Hitler zag heel goed dat propaganda altijd ten doel heeft om de geesten te knechten. Alle partijen gebruiken propaganda. Als ze dat niet doen, verdwijnen ze omdat de andere partijen het wel doen. Ze geven allemaal toe propaganda te gebruiken. En geen enkele partij maakt het zo bont dat ze beweert dat ze het publiek verheft, dat ze het eigen oordeel van mensen helpt te vormen.

Het mag dan wel zo zijn dat partijen praten over het ‘vormen’ van degenen die naar hen toekomen – supporters, jongeren, nieuwe leden – maar dit woord is een leugen. Het is een soort training ter voorbereiding op een nog rigoureuzere greep die de partij wil uitoefenen op het denken van haar leden.

Stel dat een lid van een partij – een parlementslid, een kandidaat voor een parlementszetel, of gewoon een actief lid – de volgende openbare belofte doet: “Telkens wanneer ik me met een politiek of sociaal probleem bezig houd, beloof ik dat ik volkomen zal vergeten dat ik lid ben van een bepaalde politieke groepering en dat ik uitsluitend zal proberen te bedenken hoe het algemeen belang en het recht het beste kunnen worden gediend.” Zo’n tekst zou zeer slecht worden ontvangen. Zijn partijgenoten en ook vele buitenstaanders zouden hem van verraad beschuldigen. Zelfs de goedmoedigen zouden zeggen: “Waarom is hij dan lid geworden van een partij?” – waarmee ze in hun naïveteit zouden toegeven dat je door lid te worden van een partij het streven opgeeft alleen het algemeen belang en het recht te dienen. Deze man zou uit de partij gezet worden, of op zijn minst zijn zetel of kandidatuur kwijt raken; hij zou nooit gekozen worden.

Sterker nog, het lijkt niet eens mogelijk om zulke teksten uit te spreken. Als ik me niet sterk vergis, is dat dan ook nog nooit gebeurd. Als er woorden zijn gesproken die er enigszins op leken, dan werden ze alleen gezegd door mannen die hun partij de macht wilden bezorgen met de steun van andere partijen. Zulke woorden klonken dan eerder als een soort schending van de erecode.

Aan de andere kant voelt het als volkomen natuurlijk, redelijk en eervol als iemand zegt: “Als conservatief vind ik dat …” of: “Als socialist denk ik dat …” Het is waar dat dit niet uniek is voor politieke partijen. We schamen ons ook niet om te zeggen: “Als Fransman vind ik dat …” of: “Als katholiek denk ik dat …”.

Sommige jongedames die zeiden dat ze zich verbonden hadden aan het Gaullisme dat in hun ogen het Franse equivalent van het Hitlerisme was, voegden eraan toe: “Waarheid is relatief, zelfs in de meetkunde”. Juist – ze raakten de kern van de zaak.

Als er geen waarheid zou zijn, dan is het passend om op zus of zo’n manier te denken, gewoon omdat je toevallig zo iemand bent. Net zoals we zwart, bruin, rood of blond haar hebben, omdat we nu eenmaal zo geboren zijn, uiten we ook de bijbehorende gedachten. Onze gedachten komen dan, net als ons haar, voort uit een proces van natuurlijke selectie. Als we daarentegen erkennen dat er één waarheid is, kunnen we alleen nog denken wat waar is. We denken dan iets, niet omdat we toevallig Frans, katholiek of socialist zijn, maar omdat we, geleid door het onweerstaanbare licht van de evidentie, niet anders kunnen dan zo te denken.

Als er geen bewijs is, als er twijfel is, dan is het evident dat de zaak onzeker is met de beschikbare staat van onze kennis. Als een bepaalde opvatting onwaarschijnlijk is, dan is het ook evident dat die opvatting onwaarschijnlijk is, enzovoort. In alle gevallen geeft het innerlijke licht iedereen die in ernst een vraag stelt altijd een evident antwoord. De inhoud van het antwoord kan bevestigend of ontkennend zijn – dat doet er niet toe. Het antwoord blijft altijd voor herziening vatbaar, maar een correctie kan alleen komen door een toename van dat innerlijke licht.

Als een man, lid van een partij, vastbesloten is om in al zijn gedachten alleen trouw te zijn aan het innerlijke licht en aan niets anders, dan kan hij deze ferme beslissing niet kenbaar maken aan zijn partij. Zodoende is hij gedoemd de partij te misleiden. Hij belandt dus in een leugenachtige toestand. De enige reden dat hij deze situatie accepteert is de noodzaak om lid te zijn van een partij om effectief te kunnen deelnemen aan discussies over de publieke zaak. Maar deze noodzaak is een kwaad, en we moeten er een einde aan maken door alle partijen af te schaffen.

Een man die zich niet vast heeft voorgenomen om trouw te zijn aan het innerlijke licht, plaatst valsheid in het centrum van zijn ziel. Daarvoor wordt hij gestraft met innerlijke duisternis.

Het zou zinloos zijn om een uitweg te zoeken met hulp van het onderscheid tussen innerlijke vrijheid en uiterlijke discipline. Want dan moet je liegen tegen het publiek, en elke kandidaat, elke gekozen functionaris, heeft een bijzondere plicht jegens het publiek om de waarheid te zeggen. Als ik op het punt sta om in naam van mijn partij dingen te zeggen die ik strijdig acht met waarheid en recht, zeg ik dat dan in een waarschuwing vooraf? Als ik dat niet doe, lieg ik. Van deze drie vormen van liegen – tegen de partij, tegen het publiek, tegen zichzelf – is de eerste veruit de minst slechte. Maar als het lidmaatschap van een partij steeds, in alle gevallen, tot liegen noopt, dan is het bestaan van partijen zonder meer een absoluut kwaad.

Het is gebruikelijk om in de aankondigingen van vergaderingen te zien: Dhr. X. zal het communistische standpunt presenteren (over het probleem dat het onderwerp van de vergadering is). Meneer Y. zal het socialistische standpunt presenteren. Meneer Z. zal het liberale standpunt presenteren. Hoe kwamen deze onfortuinlijke mensen erachter hoe het standpunt luidde dat ze geacht werden te presenteren? Wie konden ze raadplegen? Welk orakel? Een collectief heeft tong noch pen. Alle manieren om je uit te drukken zijn individueel. Het socialistische collectief huist in geen enkel individu. Het liberale collectief evenmin. Het communistische collectief huist in Stalin, maar hij is ver weg; je kunt hem niet bellen voordat je een vergadering toespreekt. Nee, de heren X., Y. en Z. hebben zichzelf geraadpleegd. Maar ook dan: als ze eerlijk waren, brachten ze zichzelf eerst in een speciale mentale toestand, een toestand die vergelijkbaar was met die waarin de sfeer van communistische, socialistische en liberale bijeenkomsten hen al zo vaak had gebracht.

Wanneer we ons eenmaal in deze staat bevinden, en we geven ons over aan wat in ons opkomt, produceren we vanzelf taal die overeenkomt met de communistische, socialistische of liberale ‘standpunten’. Op voorwaarde natuurlijk dat je je zorgvuldig onthoudt van elke inspanning om te overwegen wat hier recht en waarheid is. Wie zich voor dat laatste zou inspannen, loopt het risico – toppunt van gruwel – om een ‘persoonlijk standpunt’ te verkondigen.

Toen Pontius Pilatus aan Christus vroeg: “Wat is waarheid?” gaf Christus geen antwoord. Hij had van tevoren al geantwoord door te zeggen: “Ik ben gekomen om van de waarheid te getuigen.” Er is maar één antwoord. Waarheid is te vinden in de gedachten die opkomen in de geest van een denkend iemand die uitsluitend, absoluut en exclusief is geïnteresseerd in de waarheid. Leugens en dwalingen – het zijn synoniemen – zijn de gedachten van hen die niet naar de waarheid verlangen, en van hen die én naar de waarheid én naar nog iets anders verlangen. Bijvoorbeeld, zij die naar de waarheid verlangen en daarnaast naar gelijkluidendheid met deze of gene gevestigde opinie.

Maar hoe kun je ‘naar de waarheid verlangen’ zonder te weten dat die kan bestaan? Dat is het mysterie aller mysteriën. Woorden die een voor de mens onvoorstelbare volmaaktheid uitdrukken – God, waarheid, recht – woorden die zonder vooringenomenheid in het innerlijk verlangend opklinken, hebben de kracht om de ziel op te tillen en te overspoelen met licht. Door in stilte en leegte naar de waarheid te verlangen, zonder te proberen de inhoud ervan vooraf te raden, ontvangen we het licht. Daarin schuilt het mechanisme van de aandacht.

Het is onmogelijk om de beangstigend complexe problemen van het openbare leven te onderzoeken met aandacht voor zowel waarheid, recht en algemeen welzijn, als voor de zelfhandhaving als lid van zo’n groep. De menselijke aandacht is niet tegelijkertijd tot beide in staat. Sterker nog, wie gehecht raakt aan het ene, laat het andere los. Maar wie afstand doet van recht en waarheid, ondervindt geen ellende. Daarentegen kent het partijstelsel de pijnlijkste sancties voor gebrek aan loyaliteit. Sancties die bijna alles aantasten – carrière, gevoelens, vriendschap, reputatie, eerverlies in de ogen van anderen, soms zelfs het gezinsleven. De Communistische Partij heeft het systeem geperfectioneerd.

Zelfs bij mensen die innerlijk niet meebuigen, verstoort het bestaan van sancties onvermijdelijk het oordeelsvermogen. Want voor wie in verzet komt tegen de greep van de partij, is de verzetsimpuls zelf al een motief dat vreemd is aan de waarheid, en dat daarom gewantrouwd moet worden. Maar dit wantrouwen is dat vervolgens ook, enzovoort. Echte aandacht is zo’n inspannende toestand voor de mens, zo allesoverheersend, dat elke verstoring van de emotionele balans voldoende is om die aandacht te verhinderen. Daarom moeten we er altijd uit alle macht naar streven om ons innerlijke oordeelsvermogen zo goed mogelijk te beschermen tegen het tumult van persoonlijke hoop en vrees.

Een man die zeer ingewikkelde berekeningen maakt, wetende dat hij zweepslagen zal krijgen elke keer dat hij een even getal als uitkomst krijgt, bevindt zich in een uiterst precaire situatie. Iets in het gevoelige deel van zijn ziel zal hem pushen om een klein zetje te geven aan de berekeningen om altijd een oneven getal te krijgen. Door op de dreiging te willen reageren, loopt hij zelfs het risico even getallen te vinden waar die niet zijn. Heen en weer geslingerd tussen deze polen, is zijn aandacht niet langer zuiver. Als de berekeningen zo ingewikkeld zijn dat ze zijn volledige aandacht vragen, is het onvermijdelijk dat hij veel fouten zal maken, zelfs als hij zeer intelligent is, zeer moedig en zeer begaan met de waarheid. Wat moet hij dan doen? Heel eenvoudig. Als hij kan ontsnappen aan de greep van de mensen die klaar staan met de zweep, dan moet hij dat doen. Als hij kan vermijden dat hij in hun handen valt, dan moet hij dat vermijden.

Zo is het precies met politieke partijen.

Wanneer in een land partijen bestaan, is het gevolg al gauw dat het onmogelijk is om effectief mee te beslissen over zaken van algemeen belang zonder lid te worden van een partij en het spel mee te spelen. Iedereen die geïnteresseerd is in dat algemeen belang, wil dat zijn inspanningen effect hebben. Maar degenen die geven om het algemeen belang moeten óf hun betrokkenheid opgeven en andere dingen gaan doen, óf ze gaan door de partijmolen. In het laatste geval worden ze al gauw opgeslokt door zorgen die het algemeen belang uitsluiten. Partijen zijn wonderlijke structuren waardoor in een land geen enkele geest zich meer inspant om in zaken van algemeen belang te zoeken naar wat goed, rechtvaardig en waar is. Het resultaat – met uitzondering van een paar willekeurige toevalligheden – is dat er slechts maatregelen voor uitvoering in aanmerking komen die in strijd zijn met algemeen belang, waarheid en recht.

Als we de organisatie van het openbare leven aan de duivel zouden toevertrouwen, had hij zich geen handiger vehikel kunnen wensen.

Als de werkelijkheid soms ietsje minder somber lijkt, dan is dat omdat de partijen nog wat laks zijn. Maar is de situatie wel ietsje minder somber? Is de situatie niet precies zo somber als het beeld dat ik zojuist heb geschetst? Geven de recente gebeurtenissen mij niet gelijk?

We moeten erkennen dat het mechanisme van geestelijke en intellectuele onderdrukking dat eigen is aan partijen, in de geschiedenis werd geïntroduceerd door de katholieke kerk in de strijd tegen ketterij. Een bekeerling die de Kerk binnenkomt – of een gelovige die met zichzelf beraadslaagt en besluit erin te blijven – heeft in het katholieke dogma een glimp opgevangen van het ware en het goede. Maar wanneer hij over de drempel stapt, belijdt hij niet tegelijkertijd instemming met alle geloofsartikelen waarvan hij geen flauwe notie heeft. Hij heeft deze artikelen niet bestudeerd. Een mensenleven zou niet toereikend zijn voor zo’n studie, zelfs niet als je beschikt over een superieure intelligentie en vorming.

Hoe kunnen we artikelen aanvaarden die we niet kennen? Het volstaat om ons onvoorwaardelijk te onderwerpen aan de autoriteit waarvan ze afkomstig zijn. Daarom wilde de heilige Thomas van Aquino zijn beweringen alleen steunen op het gezag van de Kerk, met uitsluiting van alle andere argumenten. Want, zegt hij, meer is er niet nodig voor hen die het aanvaarden, en geen enkel argument kan diegenen overtuigen die het verwerpen. Zo wordt de bewijskracht die licht verschaft aan ons innerlijk, aan het oordeelsvermogen dat van bovenaf wordt geschonken aan de menselijke ziel, een vermogen dat zelf een antwoord is op het verlangen naar waarheid, weggegooid of veroordeeld tot ondergeschikte klusjes, en daarmee uitgesloten van alle onderzoek naar de geestelijke bestemming van de mens. De drijfveer van het denken is niet langer het onvoorwaardelijke, nog onbestemde verlangen naar waarheid, maar het verlangen naar gelijkluidendheid met een vooraf vastgestelde leer.

Het is een tragische ironie dat de kerk die door Christus werd gesticht de geest van de waarheid op deze wijze heeft gesmoord – en als ze dat, ondanks de inquisitie, niet volledig deed, dan was dat vooral omdat de mystiek een veilig toevluchtsoord bood. Dit is al vaak opgemerkt. Maar een andere tragische ironie wordt minder vaak opgemerkt. Die is dat de geestelijke dwang onder het inquisitoriale regime een opstand creëerde die zich zo ontwikkelde dat die dwang werd voortgezet.

De Reformatie en het humanisme van de Renaissance zijn beide producten van deze opstand, en ze speelden, na drie eeuwen rijping, een grote rol bij het ontstaan van de geest van 1789. Het duurde wel even, maar vervolgens was het resultaat onze huidige democratie die gebaseerd is op het samenspel van partijen, partijen die ieder voor zich seculiere kerkjes zijn, altijd present met de dreiging van excommunicatie. Ons geestelijk leven is sterk beïnvloed door deze geest van partijdigheid.

Een man die lid wordt van een partij heeft ongetwijfeld iets moois en passends gezien in de acties en propaganda van die partij. Maar hij heeft nooit de standpunten van de partij over alle problemen van het openbare leven bestudeerd. Door lid te worden van de partij accepteerde hij standpunten waarvan hij niet op de hoogte was. Zo onderwierp hij zijn denken aan de autoriteit van de partij. Toen hij deze standpunten langzaamaan leerde kennen, accepteerde hij die zonder nader onderzoek. Dit is precies de situatie van de persoon die aanhanger werd van de orthodoxe katholieke leer zoals die door de heilige Thomas werd opgevat.

Als iemand die lid zou willen worden van een partij bij zijn aanmelding zou zeggen: “Ik ben het eens met de partij op dit en dat punt; de andere standpunten heb ik nog niet bestudeerd, en ik schort mijn mening volledig op totdat ik dat heb gedaan”, dan kreeg hij ongetwijfeld te horen dat hij op een later moment terug zou moeten komen. Maar in de praktijk neemt een man die lid wordt van een partij, op een hoogst zeldzame uitzondering na, gedwee de houding aan die hij later uitdrukt met de woorden: “Als monarchist, als socialist, denk ik dat …”. Het is zo gemakkelijk! Omdat het betekent dat je niet hoeft na te denken. Niets is gemakkelijker dan niet te hoeven nadenken.

Het derde karakter van partijen, namelijk dat het vehikels zijn om collectieve hartstocht te produceren, is zo vanzelfsprekend dat het eigenlijk niet aangetoond hoeft te worden. Collectieve hartstocht is de enige motor die partijen tot hun beschikking hebben voor propaganda en voor de druk die wordt uitgeoefend op de ziel van hun leden. We erkennen weliswaar dat de partijgeest soms verblindt, doof maakt voor recht en dat die zelfs eerlijke mensen aanzet tot zeer wreed gedrag jegens onschuldigen. We erkennen het, maar we peinzen er niet over om ons te ontdoen van organisaties die dit kwaad voortbrengen.

Toch zijn drugs verboden. En nog steeds zijn er mensen die verslaafd zijn aan drugs. Maar het zouden er meer zijn als de staat de verkoop van opium en cocaïne in tabakswinkels zou organiseren, met reclameaffiches om de consumenten aan te moedigen.

                                                                          ******

De conclusie is dat de instelling van partijen een bijna onversneden kwaad is: slecht in principe en slecht in de praktijk. De afschaffing van partijen zou bijna alleen gunstige gevolgen hebben. Die afschaffing zou in principe volkomen rechtsgeldig kunnen zijn en het lijkt erop dat die in de praktijk alleen maar positieve effecten zou hebben. Kandidaten zullen niet langer tegen hun kiezers zeggen: ‘Ik ben zus of zo’n partijman’ – wat in feite het electoraat helemaal niets zegt over hun houding tegenover concrete problemen – maar: ‘Ik denk zus en zo over dit of dat grote probleem’.

Gekozen vertegenwoordigers zullen samenwerken en afstand houden volgens het natuurlijke en wisselende spel van inhoudelijke verwantschap. Ik kan het heel goed eens zijn met meneer A over kolonisatie en het met hem oneens zijn over agrarisch eigendom. En het omgekeerde geldt voor meneer B. Als we het over kolonisatie hebben, ga ik voor de vergadering een praatje maken met meneer A; als we het over agrarisch eigendom hebben met meneer B. De kunstmatige samenklontering binnen partijen viel zo weinig samen met inhoudelijke verwantschap dat een afgevaardigde het over alle concrete standpunten oneens kon zijn met een partijgenoot, en het eens kon zijn met iemand van een andere partij. Hoe vaak gebeurde het niet dat in 1932 in Duitsland een communist en een nazi die op straat met elkaar praatten en geestelijk duizelig werden toen ze beseften dat ze het op alle punten met elkaar eens waren!

Buiten het parlement zullen zich ongetwijfeld kringen vormen rond tijdschriften die over politieke onderwerpen gaan. Maar deze kringen zouden vloeiend moeten blijven. Het is deze vloeibaarheid die ‘een milieu van verwantschap’ onderscheidt van ‘een partij’, een vloeibaarheid die voorkomt dat de partijgeest een negatieve invloed krijgt. Als je bevriend bent met de redacteur van een bepaald tijdschrift, met degenen die er vaak voor schrijven, als je er zelf voor schrijft, dan besef je dat je in contact staat met het milieu van dat tijdschrift. Maar je denkt niet meteen dat je er deel van uitmaakt; er is geen duidelijk onderscheid tussen binnen en buiten. In de binnenste kring tref je mensen die het tijdschrift lezen en een paar mensen die erin schrijven. Verder naar buiten zijn er de vaste lezers die er inspiratie uit putten. En dan zijn er nog de gelegenheidslezers. Maar niemand zou het in zijn hoofd halen om te denken of te zeggen: “Als medewerker van dit tijdschrift denk ik dat …”.

Wanneer medewerkers van een tijdschrift zich verkiesbaar stellen, moet het hen verboden worden te beweren dat ze horen bij het tijdschrift. Het moet het tijdschrift verboden worden om hun nominatie te steunen, of om hun kandidatuur direct of indirect te bevorderen of zelfs maar te noemen. Elke politieke groep die zich ‘Vrienden van [dit tijdschrift]’ noemt, zou verboden moeten worden. Als een tijdschrift zijn medewerkers verbiedt om samen te werken met andere publicaties van welke aard dan ook, op straffe van ontslag, moet het worden opgeheven zodra het feit is bewezen. Dit impliceert een persregime dat het onmogelijk maakt om samen te werken met publicaties die oneervol zijn, wat het deze publicaties onmogelijk maakt om hun (politieke) activiteiten voort te zetten, omdat niemand ermee geassocieerd wil worden. Zodra een bepaald intellectueel milieu poogt politieke gestalte aan te nemen door een formeel lidmaatschap, zal, als het feit lijkt vast te staan, een strafrechtelijke vervolging moeten plaats vinden.

Natuurlijk zullen er clandestiene partijen blijven. Maar eervol zal het lidmaatschap niet zijn. De leden zullen niet langer in staat zijn om publiekelijk zich als slaven in dienst te stellen van het partijbelang. De partij zal hen niet langer kunnen vasthouden in een ingewikkeld web van belangen, gevoelens en verplichtingen.

Als een wet onpartijdig en rechtvaardig is, steunend op een gangbaar idee over het algemeen welzijn, maakt ze vanzelf alles zwakker wat ze verbiedt. Die wet verzwakt het verbodene al door het feit dat ze bestaat, en repressieve maatregelen die de toepassing ervan proberen te garanderen zijn vaak niet eens nodig. Het grote gezag dat eigen is aan het recht is een lang vergeten factor in het openbare leven dat goed gebruikt zou moeten worden. En clandestiene partijen zullen weinig nadelen hebben die niet in veel grotere mate gevonden worden bij legale partijen.

Alles aandachtig in ogenschouw nemend komt er geen enkel nadeel aan het licht als je politieke partijen gewoon afschaft. Door een merkwaardige paradox zijn dergelijke maatregelen die geen nadelen met zich meebrengen, in feite de maatregelen waartoe het minst snel besloten wordt. We zeggen tegen onszelf: als het zo eenvoudig was, zou het dan niet allang zijn gedaan? Toch zijn grootse dingen meestal eenvoudig en gemakkelijk. Deze bijzondere maatregel zou een reinigende werking hebben die zich tot ver buiten het domein van de publieke zaak zou uitstrekken. Want partijpolitiek heeft alles vervuild.

De instellingen die het openbare leven in een land bepalen beïnvloeden altijd het denken – dat is het prestige van de macht. Wat we bereikt hebben is dat we over vrijwel ieder onderwerp alleen kunnen denken door ons pro of contra op te stellen. Vervolgens gaan we, afhankelijk van het geval, op zoek naar de argumenten pro of contra. Het is de partijgeest die alles doordringt.

Net zoals er bij politieke partijen democraten zijn die meerdere partijen toelaten, zo ontdekken ruimdenkende mensen iets waardevols in de meningen waarmee ze het, volgens henzelf, niet eens zijn. Zij hebben hun gevoel voor wat waar en wat onwaar is volledig verloren. Anderen, die een pro-standpunt hebben ingenomen, zijn niet bereid om iets in overweging te nemen dat contra is. Hier is sprake van een totalitaire geest.

Toen Einstein naar Frankrijk kwam, verzamelden alle mensen in enigszins intellectuele kringen, inclusief de wetenschappers zelf, zich in twee kampen, voor en tegen. In de wetenschappelijke wereld heeft elk nieuw wetenschappelijk idee zijn voor- en tegenstanders, die allebei – ongelukkigerwijs en in hoge mate – bezield zijn door partijdigheid. Bovendien zijn er in deze kringen altijd trends en kliekjes met een wisselende mate van organisatiegraad.

In de kunst en literatuur is dit nog duidelijker zichtbaar. Kubisme en surrealisme leken sprekend op partijen. De een was ‘Gideaan’[5], een ander bleek ‘Maurrassiaan’[6]. Om bekendheid te krijgen, is het altijd handig om omringd te zijn door bewonderaars die doordrongen zijn van de partijgeest.

Op een vergelijkbare manier was er weinig verschil tussen toewijding aan een partij en toewijding aan een kerk – of toewijding aan een antireligieuze groep. Mensen waren voor of tegen het geloof in God, voor of tegen het christendom, enzovoort. Als het over religie ging, hadden we ons punt gemaakt als we de tegenstander ‘militant’ noemden.

Zelfs op scholen weten we niet meer hoe we het denken van kinderen anders kunnen stimuleren dan door ze uit te nodigen om partij te kiezen voor of tegen iets. Ze krijgen een zin van een groot schrijver voorgeschoteld: ‘Ben je het ermee eens of oneens? Geef daarvoor je argumenten’. Op het examen kunnen deze ongelukkigen die hun opstel binnen drie uur moeten afhebben, niet meer dan vijf minuten besteden aan de vraag of ze het ermee eens zijn. En het zou zo eenvoudig zijn om tegen hen te zeggen: ‘Mediteer over deze tekst en geef de gedachten weer die in je opkomen’.

Bijna overal – vaak zelfs bij puur technische kwesties – wordt als vanzelf de plicht om na te denken vervangen door de plicht om partij te kiezen, voor of tegen. Het is een melaatsheid die begonnen is in politieke kringen, die zich over het hele land heeft verspreid, en die al ons denken heeft besmet.

Deze melaatsheid zal ons doden. Het is hoogst twijfelachtig of we deze ziekte kunnen bestrijden zonder te beginnen met de afschaffing van alle politieke partijen.

Simone Weil, Note sur la suppression générale des partis politiques (1943)

Noten

[1] Dit stuk werd geschreven in 1943.

[2] Michail Pavlovitsj Tomski (1880-1936), een Russisch hooggeplaatste politicus die zelfmoord pleegde voor hij aan een stalinistisch showproces zou worden onderworpen.

[3] Mattheüs 7:18 HSV.

[4] Jean Jacques Rousseau, Het maatschappelijk verdrag, uitgegeven bij Tilburg University Press (1988).

[5] Aanhanger van André Gide (1869-1951), Frans schrijver en Nobelprijswinnaar (1947), schrijver van Retour de l’U.R.S.S. (1936) dat scherpe kritiek op de Sovjetunie bevat.

[6] Aanhanger van Charles Maurras (1868-1952), Frans schrijver en nationalistisch politicus, oprichter van de Action Française en tijdens WO-II collaborateur met het nazi-regime.

Het belang van Simone Weil – Czesław Miłosz

Ten geleide

De auteur van dit essay, Czesław Miłosz (1911-2004), was een Pools-Amerikaans dichter die in 1980 de Nobelprijs voor literatuur ontving. Hij werd geboren in een plaats die tegenwoordig in Litouwen ligt.

Zijn werk is bij uitstek geschikt om meer te begrijpen van de Oost-Europese gevoeligheden, omdat hij de wisselvalligheden van het lot van de Oost-Europeanen aan den lijve heeft ondervonden. Maar hij is ook een groot dichter, iemand die erin slaagt om thema’s die ontstijgen aan de plaats waar hij leefde of woonde voelbaar maken.

Thema’s die in zijn werk een rol spelen zijn de verdrukking van de mens onder een totalitair regime, de aanpassingsmechanismen die zo’n verdrukte mens kiest, het katholicisme, mededogen met de mens die een ontsnappingsroute kiest uit een ondraaglijke situatie.

Ik heb vier boeken van Miłosz in huis: (1) De geknechte geest, een zeer indrukwekkende gevalsstudie van vier vrienden die allemaal ten prooi vielen aan de totalitaire dwang van de Sovjet-Unie, (2) Geboortegrond, memoires over zijn afkomst en de wederwaardigheden van zijn bepaald avontuurlijke leven, gelardeerd met interessante bespiegelingen, (3) The Land of Ulro, een biografisch werk dat zijn intellectuele en artistieke en soms ook mystieke ontwikkelingsgang beschrijft, en (4) A Year of the Hunter, een literair dagboek, waarin Miłosz ook verslag doet van zijn aanwezigheid op Castel Gandolfo, de zomervilla van de paus.

Czesław Miłosz (Wikimedia) – mogelijk ongeveer in de tijd dat hij het essay schreef

Dit is een essay uit 1960 waarin Czesław Miłosz het belang van Simone Weil onder woorden probeert te brengen.

Het essay werd opgenomen in het boekje On the Abolition of All Political Parties, een belangrijk essay van Simone Weil, vertaald door Simon Leys, het pseudoniem van de sinoloog Pierre Ryckmans die zo’n belangrijke rol heeft gespeeld bij de deconfiture van het maoïsme in het westen. Het beslaat de pagina’s 37-58.

Het essay werd oorspronkelijk geschreven in het Frans: Note sur la suppression générale des partis politiques. Hier vindt u de Franse tekst.

Leys schreef ook zelf een interessant kort essay over de vriendschap tussen Miłosz en Camus, een vriendschap die gevoed werd door een gemeenschappelijke liefde voor het werk van Weil. Dit essay is het slot van On the Abolition of All Political Parties (p.61-71).

Het door mij vertaalde essay van Czesław Miłosz is tevens een introductie tot leven en werk van Simone Weil, wat mij vanzelfsprekend ontslaat van de plicht om haar leven en werk hier eerst te introduceren.

Hierbij het originele document:

En dan nu de vertaling:

Het belang van Simone Weil

Czesław Miłosz – 1960

Frankrijk schonk de huidige wereld een zeldzaam geschenk in de persoon van Simone Weil. Dat zo’n schrijver zou optreden in de twintigste eeuw ging in tegen alle wetten van de waarschijnlijkheid, maar rare dingen kunnen gebeuren.

Het leven van Simone Weil was kort. Ze werd geboren in 1909 in Parijs, en ze stierf in Engeland in 1943 toen ze vier-en-dertig was. Geen van haar boeken werd gepubliceerd tijdens haar leven. Na de oorlog werden haar verspreide artikelen en manuscripten – dagboeken, beschouwingen – vertaald in  vele talen. Haar werk vond bewonderaars over de gehele wereld, maar door de gestrengheid ervan vond het in ieder land maar een beperkt aantal lezers. Ik hoop dat dit exposé een zeker nut heeft voor mensen die nog nooit van haar hebben gehoord.

Misschien leven we momenteel in een tijd die alleen in uiterlijke zin a-theologisch is. Miljoenen zijn gedood in de Eerste Wereldoorlog, er zijn miljoenen gedood of doodgemarteld in Rusland tijdens en na de revolutie, er zijn ontelbare slachtoffers van nazisme en Tweede Wereldoorlog. Al deze gebeurtenissen hadden een grote invloed op het Europese denken. En eigenlijk vermoed ik dat het Europese denken altijd heeft gedraaid om één probleem dat zo oud is dat bijna niemand het durft te benoemen. Soms gebeurt het namelijk dat oude geheimen van de mensheid een tijdlang sluimeren of verborgen blijven voor een aantal generaties, en dat ze vervolgens weer tot leven komen en onder woorden worden gebracht in een nieuwe taal. En dat probleem is: wie kan het lijden van onschuldigen rechtvaardigen? Dit probleem, reeds aanwezig in het oudtestamentische boek Job, werd door Albert Camus behandeld in De Pest. Moeten we ons entreekaartje teruggeven, net als Ivan Karamazov, omdat een kindertraan al genoeg is om de wereld uit zijn voegen te lichten? Moeten we in opstand komen? Tegen wie? Is God bestaanbaar als hij verantwoordelijk is, als hij toestaat wat door onze waarden als gruwel veroordeeld wordt? Camus zei ‘nee’. We zijn alleen in het universum; het is ons lot om een onophoudelijke blootstelling aan blinde onmenselijke krachten te verdragen, zonder de troost van een toeverlaat, zonder ook maar enige metafysische ondersteuning.

Maar misschien is er niet zozeer een God, maar een godin die slagvelden bezoekt en concentratiekampen, die gevangenissen binnen gaat, aan wie geen bloeddruppeltje ontgaat, die elke banvloek registreert? Zij beseft dat ieder die klaagt er eenvoudigweg niets van begrijpt. Alles telt mee, alles gaat onvermijdelijk met geboorteweeën gepaard, en alles heeft zijn keerzijden. De mens zal godgelijk zijn onder de mensen. Op de weg naar zijn vervolmaking, moet hij de gang over de kruisigingsberg maken. De naam van deze godin wordt in onze eeuw uitgesproken met vrees en beven: Geschiedenis is haar naam.

Leszek Kolakowski, een marxistische hoogleraar in de wijsbegeerte in Warschau [toen dit werd geschreven, 1960, SL], zegt onomwonden dat alle moderne filosofische denksystemen, het marxistische denken incluis, reeds werden uitgedacht door theologen in de Middeleeuwen, en dat een aandachtige beschouwer oude twistpunten kan herkennen in nieuwe gedaanten. Onder andere maakt hij duidelijk dat Geschiedenis door marxisten wordt behandeld in termen van de theodicee – de rechtvaardiging van God [in het essay De priester en de nar, SL].

Ironie is hier niet aan de orde. De vraag naar de Voorzienigheid, of het ontbreken van Voorzienigheid, kan ook op een andere manier aan de orde worden gesteld. Is er een immanente kracht werkzaam in Le devenir, in alles wat wordt, wat groeit, een kracht die de mensheid verheft naar een toestand van volmaaktheid? Is er enige vorm van vruchtbare samenwerking tussen de mens en een universum dat onderworpen is aan voortdurende verandering? Zo geformuleerd is de vraag verbonden met de betrekkelijk recente ontdekking van de historische dimensie, een dimensie die onbekend was aan de relatief statische samenlevingen uit het verleden. Merkwaardig genoeg weten christelijke theologen niet goed wat ze aan moeten met deze kwesties.

Ze schamen zich voor de voorzienigheidsfilosofie die wordt uitgedragen door predikers als Bossuet en anderen, volgens wie God, als een Superkoning, de goede heersers steunde en de slechte strafte. Als dat waar zou zijn, wat het zeker niet is, zou het raadsel van de betrokkenheid van ieder individu nog steeds niet zijn opgelost. Ten minste één Frans theoloog, Pater Fessard, geeft toe dat dit de fundamentele intellectuele zwakte is van de moderne christenen. Zo gauw ze zich bemoeien met historische kwesties, geven ze toe aan filosofische denkpatronen die hen vreemd zijn: ze worden, bewust of onbewust, hegelianen of marxisten. Hun gebrek weerspiegelt een tekortkoming in de thomistische leer. Bij de heilige Thomas van Aquino, zo erkent Pater Fessard, vind je geen enkele verwijzing naar de historische dimensie. Hij had alleen aandacht voor de redelijke orde en de natuurlijke orde. “Zoals het historische element”, zegt Pater Fessard, “een cruciale rol speelt bij Hegel, bij Marx, en bij veel existentiefilosofen, zo ontbreekt dit element, volgens mensen die het weten kunnen – of althans het lijkt het te ontbreken – in de leerstellingen van het thomisme.” Dus een christelijke dialecticus zal zijn eigen begripsmatige instrumentarium moeten ontwikkelen.

Hier stop ik met mijn inleiding. Het leidt in tot een paar kernmomenten in het denken van Simone Weil.

Simone Weil werd geboren in een intellectueel gezin van Joodse afkomst. De familie van haar vader stamde uit de Elzas, het gezin van haar moeder was geëmigreerd van Rusland naar Frankrijk. Ze groeide op tussen mensen die geleerdheid boven alles stelden, en ze bleef haar gehele leven geïnteresseerd in wis- en natuurkunde. Ze leerde al vroeg vreemde talen: naast Latijn en Grieks (en haar buitengewone kennis van het Grieks bleek bepalend voor haar verdere ontwikkeling), Duits en Engels. Ze werd niet opgevoed in enige godsdienstige richting, en ze hield zich in haar jeugd niet bezig met religieuze problemen.

Nadat ze haar universitaire studie had afgerond aan de École Normale Superieure (waar één van haar medestudenten Simone de Beauvoir was, destijds nog katholiek), begon Simone Weil haar korte carrière als docent Grieks en Filosofie. Hoe briljant ze ook was, toch kwam ze regelmatig in problemen met de autoriteiten vanwege haar excentrieke houding. Ze bejegende haar bourgeois-omgeving met beleefde ironie, en schaarde zich aan de zijde van de mensen op wie de Franse middenklasse met afschuw neerkeek: de strijdvaardige vakbondsmensen en de werklozen. Er heerste in die jaren een economische crisis. Ze ontzegde zichzelf het recht geld te verdienen zolang anderen honger leden, en ze hield slechts een deel van het geld voor zichzelf: ze gaf de rest weg aan vakbonden en arbeidersbladen. Politiek gezien stond ze links, maar ze had nooit iets te maken met de Franse Communistische Partij. Ze stond het dichtst bij een kleine groepering, La Révolution Prolétarienne, die paste binnen de tradities van het Franse syndicalisme. Haar talloze politieke artikelen over de kansen van het Franse arbeidersprotest, over economisch beleid, over de oorzaken van het nazisme in Duitsland zijn, samen met haar essays over maatschappelijke bewegingen en Europese geschiedenis, onlangs samengebracht in een aantal bundels. Slechts een paar daarvan waren al gepubliceerd toen ze nog leefde, in niet al te bekende tijdschriften.

Haar verlangen om het lot van de verdrukten te delen, leidde tot een vrij plotseling besluit. Ondanks haar slechte gezondheid ging ze een jaar lang werken (1934-‘35) als arbeider in Parijse metaalfabrieken; ze verwierf aldus directe ervaring met handarbeid. Haar beschouwingen over dat onderwerp (gebundeld in La Condition ouvrière) zijn een vreselijke aanklacht tegen mishandeling, verwaarlozing, lichamelijke en geestelijke ellende.  Zoals ze later bekende, had dit jaar in de fabrieken haar jeugd verwoest en voor altijd het onuitwisbare brandmerk van de slaaf op haar gedrukt (‘net als de stigma’s die door de Romeinen gebrand werden op het voorhoofd van hun slaven’).

Toen de Spaanse burgeroorlog uitbrak ging Simone Weil naar Barcelona (in 1936), waar ze zich liet inschrijven als soldaat in de Colonna Durutti, een anarchistenbrigade. Ik benadruk het anarchisten-label – ze koos het omdat het anarchistische ideaal utopisch was. Maar als gevolg van een ongeluk, en de kwalijke gevolgen, bleef haar verblijf in Spanje erg kort.

In 1938 werd Simone Weil – in haar eigen woorden – “gegrepen door Christus”. Niemand kan met recht haar biografie voorstellen als een vroom bekeringsverhaal. Het patroon is bekend: hoe radicaler de omkering, hoe absoluter de ontkenning van het oude, hoe beter het is voor pedagogische doeleinden. In haar geval moet het begrip ‘bekering’ worden vermeden. Ze zegt dat ze voorheen nooit gedacht had dat zoiets als een persoonlijk contact met God mogelijk was. Maar ze zegt ook dat ze gedurende haar gehele bewuste leven een christelijke houding had ingenomen. Ik citeer: “Je kunt God alleen gehoorzamen als je orders ontvangt. Hoe kon het dan dat ik orders ontving in mijn vroege jeugd toen ik atheïst was?” Ik citeer opnieuw: “Religie, in zoverre als het een bron van troost is, is een obstakel voor waar geloof: in deze zin is atheïsme een loutering. Ik moet atheïstisch zijn met dat deel van mijzelf dat niet bij God hoort. Onder mensen in wie het bovennatuurlijke niet is ontwaakt, hebben atheïsten gelijk, en gelovigen ongelijk.”

De unieke plaats van Simone Weil in de moderne wereld komt voort uit de ongestoorde continuïteit van haar denken. Anders dan degenen die hun verleden moeten verwerpen als ze christen worden, ging zij door na 1938 met het ontwikkelen van bestaande ideeën, waarbij ze een nieuwe orde daarbinnen aanbracht, dankzij het nieuwe licht. Deze ideeën betroffen maatschappij, geschiedenis, marxisme, wetenschap.

Simone Weil was ervan overtuigd dat de Rooms-Katholieke Kerk de enige wettige hoeder was van de waarheid die was geopenbaard door de vleesgeworden God. Ze geloofde sterk in de aanwezigheid –  reëel en niet symbolisch – van Christus in de eucharistie. Ze beschouwde het als een groot geluk om te behoren tot de Kerk. Toch ontzegde ze zich dat geluk. Bij haar keus om niet gedoopt te worden en om trouw te blijven aan Christus, maar buiten Zijn Kerk, dienen we twee motieven te onderscheiden. Allereerst haar besef van persoonlijke roeping, van gehoorzaamheid aan God die wilde dat ze haar gehele leven zou blijven staan ‘aan de poort’ samen met alle moderne heidenen. Ten tweede haar strijd tegen de macht van de kerk om ketters te bestraffen.

Nadat Frankrijk verslagen was woonde ze enige tijd in Marseilles, en ze nam toen een boot naar Casablanca, en vervolgens van daaruit naar New York in de hoop zich te kunnen aansluiten bij een bevrijdingsgroep van vrije Fransen, Comité français de Libération nationale, in Londen. Haar bedoeling was om de Franse zaak te dienen, zo mogelijk gewapend. Na een paar maanden in New York te zijn geweest kwam ze aan in Londen. In 1943 stierf ze in een sanatorium in Ashford, waarschijnlijk door ondervoeding, want ze rantsoeneerde haar voedselinname op het niveau van de porties die de Duitsers aan de Franse bevolking toestonden.

Dat was het leven van Simone Weil. Een leven van opzettelijke dwaasheid. In een van haar laatste brieven aan haar familie, waarin ze ingaat op de rol van dwazen in de toneelstukken van Shakespeare, zegt ze: “In deze wereld kunnen alleen wezens die teruggeworpen zijn in de ultieme vernedering, lager nog dan bedelarij, mensen die niet alleen sociaal zijn weggevallen, maar die door iedereen beschouwd worden als ontdaan van elke waardigheid en redelijkheid – alleen zulke wezens kunnen nog de waarheid zeggen. Alle anderen liegen.” En over zichzelf: “Geraaskal over mijn intelligentie heeft slechts ten doel om de vraag te ontwijken: zegt ze de waarheid of niet? Mijn status als ‘intelligent type’ is net zoiets als een dwaas die dwaas genoemd wordt. Hoe veel liever zou ik hun etiket opgeplakt krijgen!”

Hoe nietsontziend ze ook was in haar schrijven en hoe totaal ongevoelig ze ook was voor modes, ze slaagde erin om rechtstreeks af te koersen op de zaken die ons ook vandaag nog intens bezig houden. Ik citeer: “Een man wiens gehele familie stierf na gemarteld te zijn, en die ook zelf lange tijd gemarteld was in een concentratiekamp. Of een zestiende-eeuwse Indiaan, de enige die de uitroeiing van zijn volk had overleefd. Zulke mensen die eerst hadden geloofd in de genade van God, zouden dat geloof hebben opgegeven, of ze zouden er heel anders over hebben gedacht dan daarvoor.” Maar hoe het dan te beschouwen? De oplossing van Simone Weil past niet bij de aanbidders van de Godin van de Geschiedenis; het zou ook nog wel eens ketters kunnen zijn vanuit een thomistisch gezichtspunt.

Een paar woorden over Simone Weils weg naar het christendom. Ze was doordrenkt met Griekse filosofie. Haar geliefde denker was Plato, die ze las en herlas in de oorspronkelijke taal. Je kunt een paradoxale overeenkomst constateren tussen onze tijd en de Romeinse decadentie toen voor veel mensen Plato – de ‘Griekse Mozes’, zoals hij soms werd genoemd – optrad als een leidsman naar het beloofde land van het christendom. Zo intens was de liefde van Simone Weil voor Griekenland dat ze alle Griekse filosofie beschouwde als bij uitstek christelijk – met één uitzondering: Aristoteles; hij was volgens haar: “een slechte boom die slechte vruchten droeg”. Ze verwierp nagenoeg alle joodse tradities. Ze heeft zich nooit verbonden met de joodse godsdienst, en ze wilde dat ook niet omdat ze niet in staat was om de oude Hebreeën hun wreedheden te vergeven, bij voorbeeld de meedogenloze uitroeiing van de Kanaänieten. Haar onalledaagse linkse houding maakte dat ze elke vorm van morele vooruitgang ontkende, de wijd verbreide gedachte volgens welke misdaden die drieduizend jaar geleden begaan zijn, min of meer kunnen worden gerechtvaardigd omdat de mensen toentertijd nog ‘minder ontwikkeld’ waren. En ze maakte het vroege christendom verantwoordelijk, via het idee van ‘een goddelijke pedagogiek’, voor de introductie van ‘een vergif’, namelijk de gedachte dat er historisch gezien morele vooruitgang bestond. Ze schreef: “De grote fout van de marxisten, en alle anderen in de negentiende eeuw, was dat je zou kunnen opstijgen wanneer je rechtdoor blijft lopen.” Volgens haar moest je misdaden van vroeger even streng beoordelen als die van vandaag. Dat verklaarde waarom ze een sterke afkeer had van het antieke Rome, een totalitaire staat die niet veel beter was dan die van Hitler. Voor haar gevoel hadden de vroege christenen groot gelijk toen zij Rome betitelden als Het Beest van de Apocalyps. Rome vernietigde de oude Europese beschavingen volkomen, beschavingen die waarschijnlijk superieur waren aan die van de Romeinen, die eigenlijk gewoon barbaren waren die zo behendig hun slachtoffers wisten te belasteren dat ons beeld van het pre-Romeinse Europa eeuwenlang onherkenbaar werd vertekend. Rome corrumpeerde ook het christendom tijdens zijn ontstaan. Het principe anathema sit [vervloekt zijt gij – een excommunicatieformule die gebruikt werd als een persoon voor ketterij was veroordeeld]  is van Romeinse oorsprong. De enige echt-christelijke beschaving kwam op in de elfde en twaalfde eeuw in de streken van de Languedoc, tussen de Middellandse Zee en de Loire. Nadat het was verwoest door de Fransen die het gebied binnenvielen vanuit het noorden en daar een bloedbad aanrichten onder de ketters – de Albigenzen – heeft er nooit meer ergens een christelijke beschaving bestaan.

Met haar heftige en compromisloze meningen was ze, althans qua temperament, een Albigens, een Kathaar – dit is de sleutel tot haar denken. Ze trok vergaande conclusies uit de Platoonse onderstroom van het christendom. Hier raken we misschien aan een verborgen overeenkomst tussen haar en Albert Camus. Het eerst boek van Camus was zijn doctoraalscriptie over de heilige Augustinus. Volgens mij was ook Camus een Kathaar, een zuivere, en zijn verwerping van God kwam voort uit liefde voor God, gewoon omdat hij niet in staat was om Hem te rechtvaardigen. De laatste roman die Camus geschreven heeft, De val, is niets minder dan een verhandeling over de Genade – afwezige Genade – maar het is tegelijk een satire: de praterige hoofdpersoon, Jean-Baptiste Clamence, die de woorden van Jezus ‘Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld worde’ omkeert en in plaats daarvan zegt: ‘Oordeelt, opdat gij niet geoordeeld worde’ zou zomaar wel eens Jean-Paul Sartre kunnen zijn.

De Albigenzen wortelden in een oude manicheïstische traditie, en ze leken daarmee op bepaalde secten in de Oosterse kerken van Bulgarije en Rusland. In hun ogen kon het goddelijk Opperwezen zo als die door de gelovigen werd aanbeden, niet worden gerechtvaardigd omdat hij een valse God is, een wrede Jehova, een minderwaardige demiurg, die identiek was aan de Vorst der Duisternis. In het spoor van dit manicheïsme placht Simone Weil te zeggen dat als we de woorden uit het Onze Vader uitspreken: ‘Uw koninkrijk kome’ dat we dan bidden om het einde van de wereld omdat alleen dan de macht van de Vorst der Duisternis zal worden gebroken. Maar ze zei er meteen achteraan dat “Maar Uw wil geschiede’ betekent aanvaarding van het aardse bestaan. Haar hele filosofie beweegt zich tussen die twee polen.

Er is een spanning tussen enerzijds ons verlangen naar het goede en anderzijds het kille universum dat absoluut onverschillig staat jegens waarden, dat slechts onderworpen is aan de onverbiddelijkheid van oorzaak en gevolg. Deze spanning werd opgelost door allerhande rationalisten en vooruitgangsdenkers die het goede in de wereld situeerden, in de materie, en meestal in de toekomst. De filosofie van Hegel en zijn navolgers zette de kroon op deze pogingen door het idee te ontwikkelen dat het goede school in voortgang en beweging, uitmondend in steeds hogere historische vormen. Simone Weil die een hardnekkige determinist was (in dit opzicht leek ze wel enigszins op Spinoza), verwierp zulke oplossingen als ongeldig. Haar inspanningen waren erop gericht om de spanning zo ondraaglijk mogelijk te maken. Wie probeert aan zo’n onvermijdelijke spanning te ontkomen door die een beetje toe te dekken, was, beweerde ze, een lafaard. Om die reden heeft men haar er soms van beschuldigd al te rigide te zijn en te weinig dialectische fijngevoeligheid te bezitten. Toch kun je je afvragen of ze niet meer dialectisch besef had dan menigeen die de kunst van de dialectiek gebruikte om behendige compromissen te sluiten, en die de eenheid van de tegenstellingen op een koopje bereikte.

Haar visie is bepaald niet troostrijk. Centraal staat het idee van een bewuste troonsafstand door God, van een God die terugtreedt uit het universum. Ik citeer: “God besteedde zonder uitzondering alle fenomenen uit aan het mechanisme van de wereld.” “De afstand tussen wat noodzakelijk is en wat goed, is exact dezelfde afstand als die tussen schepsel en Schepper.” “Noodzaak is de sluier van God.” “We moeten de cartesiaanse rationaliteit, dat wil zeggen de noodzaak of de mechanische orde, voor zover die aan ons mensen duidelijk is, achter laten waar we die aantreffen, om zodoende ervoor te zorgen dat datgene wat buiten hun bereik ligt, over het voetlicht komt.” “De afwezigheid van God is het allermooiste getuigenis van volmaakte liefde, en daarom is pure noodzaak, een noodzaak die nadrukkelijk verschilt van het goede, zo prachtig.”

Ze heeft geen ruimte voor de historische voorzienigheid van de christelijke predikers, en evenmin voor de historische voorzienigheid van de predikers van de vooruitgang. Betekent dat dat we helemaal overgeleverd zijn aan la pesanteur, het domein van de zwaartekracht, zodat onze hartekreten nooit beantwoord zullen worden? Nee. Er is een uitzondering op het universele determinisme, en dat is Genade. “Tegenspraak”, zegt Simone Weil, “werkt als hefboom voor transcendentie.” “Het onmogelijke is de toegangsdeur tot het bovennatuurlijke. We kunnen er alleen op kloppen. Iemand anders zal open doen.” De afwezige God, de verborgen God, Deus absconditus, handelt in de wereld door overreding, door Genade, een Genade die ons uit la pensateur, het domein van de zwaartekracht, zal trekken, ten minste als we haar gave niet afwijzen. Degenen die menen dat de spanning tussen noodzaak en het goede kan worden opgelost door iets anders dan het mysterie doen aan zelfmisleiding. “De woestijn is ons lot. Want degene die we moeten liefhebben is afwezig.” “God liefhebben ondanks en dankzij de verwoesting van Troje en Carthago, en zonder troost. Liefde is geen troost, het is licht.”

Voor Simone Weil is de maatschappij, net als alle andere wereldse fenomenen, onderworpen aan de orde van de noodzaak. Maar als de Natuur slechts noodzaak is en daarom onschuldig, duidelijk onder het niveau van goed en kwaad, dan is de maatschappij een domein waar wezens die toegerust zijn met bewustzijn lijden onder de knoet van een bondgenoot en dienstknecht van de noodzaak, de Vorst der Duisternis. Ze schrijft: “De Duivel is collectief (dit is de God van Durkheim).” Haar politieke positie wordt samengevat in een beeld dat ze vaak gebruikt, ontleend aan Plato. Plato vergelijkt de maatschappij met het Grote Beest. Alle burgers hebben een verhouding met dat Beest, met als gevolg dat als ze gevraagd wordt wat het algemeen goede is, iedereen een antwoord geeft dat in overeenstemming is met zijn functie: voor de een bestaat het goede in het kammen van het haar van het Beest, voor een ander zijn huid te krabben, voor de derde om zijn nagels schoon te maken. Op die manier verliezen de mensen het vermogen om het goede in zijn ware betekenis te leren kennen. Hierin lag voor Simone Weil de bron van alle absurditeiten en onrechtvaardigheden. In de klauwen van het sociale determinisme is de mens niet meer dan een aanbidder van het Grote Beest. Weil verzette zich tegen een idealistische moraalfilosofie omdat daarmee aan het individu een ondoorgrondelijke druk wordt opgelegd door een gegeven sociaal systeem. Volgens haar leidt ook het protestantisme onvermijdelijk tot een gewoonte-ethiek die de belangen van natie of klasse dient. Wat Karl Marx betreft, hij was op zoek naar zuivere waarheid; hij wilde de mens bevrijden van de zichtbare en onzichtbare ethische groepsdruk door die te ontmaskeren en te laten zien hoe die werkt. Door die initiële intentie van Marx is het marxisme veel waardevoller voor christenen dan welke idealistische filosofie dan ook. Maar Marx, betoogt Weil, probeerde, terwijl hij gedreven werd door een verlangen naar waarheid en recht, de ene fout te voorkomen en maakte daardoor een andere, wat altijd gebeurt als mensen de transcendentie afwijzen, de enige fundering van het goede die de mens ter beschikking staat. Marx stelde tegenover een klasse-gedreven ethiek een nieuwe ethiek van de beroepsrevolutionair, ook een groepsethiek, en baande zodoende de weg naar een nieuwe vorm van overheersing door het Grote Beest. Het volgende aforisme vat Weils opvatting goed samen: “Het hele marxisme, voor zover het waarheid bevat, vind je al in die ene bladzijde bij Plato over het Grote Beest; en de weerlegging ervan ook.”

Maar Simone Weil keerde niet haar rug toe naar de geschiedenis en was een pleitbezorger van persoonlijke betrokkenheid. Ze ontkende dat er een ‘marxistische leer’ bestond, en stelde het dialectische materialisme aan de kaak als een filosofische misvatting. In haar opvatting bestaat het dialectisch materialisme gewoonweg niet, omdat het dialectische element en het materialistische element, als ze worden samengevoegd, de samenstelling opblazen. Met zulke kritiek onthulde ze het akelige geheim dat alleen bekend is aan ingewijden binnen communistische partijen. Maar de klassenstrijd daarentegen, die al duizenden jaren gaande is, vormde voor haar een hoogst tastbare realiteit. Bezinning op het sociaal-determinisme hielpen haar zicht te krijgen op het kernprobleem van onze technische beschaving. Dat probleem ziet er als volgt uit. De primitieve mens stond onder enorme druk van vijandige natuurkrachten. Geleidelijk aan herwon deze mens zijn vrijheid door zich eraan te ontworstelen; hij beteugelde de krachten van water, vuur en elektriciteit en zorgde dat hij ze kon gebruiken. Maar hij kon dat niet voor elkaar krijgen zonder arbeidsdeling in te voeren en een gestroomlijnde productie.

Heel primitieve samenlevingen zijn egalitair, ze verkeren in een staat van ‘primitief-communisme’. Leden van zulke samenlevingen worden niet door de andere leden onderdrukt, alle angst is naar buiten gericht omdat de samenleving wordt bedreigd door wilde dieren, natuurrampen, en soms ook andere mensengroepen. Zodra de strijd van de mens tegen de omgeving vruchten gaat afwerpen, ontwikkelen zich binnen de samenleving groepen die bevelen geven en groepen die gehoorzamen. Naarmate het domein van menselijk kunnen groter wordt, groeit de onderdrukking van de een over de ander evenredig – het lijkt wel het onvermijdelijke gevolg. Jegens de Natuur is het lid van een technische maatschappij weliswaar in de positie van een god, maar hij is de slaaf van de maatschappij. De uiteindelijke strafmaatregel van elke overheersing die de ene mens uitoefent over de andere, is de dood – ofwel door het zwaard, het geweer, ofwel door de honger. De mensheid emancipeerde als collectief. “Maar deze collectieve mensheid heeft de onderdrukkende functie die vroeger door de Natuur werd uitgeoefend, zichzelf toegeëigend.”

In onze tijd zou Simone Weil haar sociale analyses kunnen ondersteunen met vele nieuwe voorbeelden; vaak wordt gezegd dat onderontwikkelde landen alleen kunnen industrialiseren wanneer ze totalitaire bestuursvormen accepteren. China zou haar bijvoorbeeld veel stof tot nadenken hebben geven.

De voornaamste sociale en politieke kwestie van de twintigste eeuw is: “Kan de door de maatschappij bereikte emancipatie worden overgedragen aan het individu?” Simone Weil was daar pessimistisch over. Het einde van de strijd tussen degenen die bevelen uitdelen en bevelen gehoorzamen is nog niet in zicht, betoogde zij. De bovenliggende groepen geven hun privileges niet op, tenzij ze ertoe gedwongen worden. Ondanks de spartelingen van de massa zal toch steeds de organisatie van de productie weer nieuwe meesters voortbrengen, en de strijd wordt voortgezet onder een nieuwe vlag en een andere naam. Heraclitus had gelijk: strijd is de moeder van goden en mensen.

Dit betekent niet dat we de geschiedenis kunnen verwerpen, door haar als eeuwige wedergeboorte te beschouwen, en dat we onze schouders kunnen ophalen bij wat ze te zien geeft. Of we het nu willen of niet, we zijn betrokkenen; het is onze zorg. We kunnen onze daden laten meewegen door ons solidair te verklaren met de verdrukten en door zo veel als mogelijk is de onderdrukkende macht  te verminderen van degenen die bevelen uitdelen. Maar zonder al te hoge verwachtingen: hubris, mateloosheid, wordt bestraft door het Lot, wat inherent is aan de wet van de noodzaak.

Het belang van Simone Weil moeten we, denk ik, zien in de context van onze tekortkomingen. We houden er niet van om door te denken tot het bittere einde. We proberen al gauw consequenties te ontlopen. Door de gestrengheid van haar leven en haar schrijven (klassiek, kernachtig, precies), slaagde ze erin onze schaamte in lof te veranderen. Hoe komt het dat ze zo veel moderne intellectuelen weet te fascineren? Misschien hierdoor: als onze eeuw een theologische eeuw is, dan heeft het een opmerkelijke voorkeur voor het manicheïsme. De moderne literatuur lijkt zich vaak vol woede te richten tegen deze wereld, een wereld die geenszins de indruk wekt het werk van een wijze klokkenmaker te zijn. De humor van zulke literatuur (denk aan Beckett, Ionesco, Genet) is, als het überhaupt humor genoemd kan worden, een minachtende grijns, een ricanement, jegens ons universum. De hoogleraar Michael Polanyi heeft onlangs de stelling verdedigd dat een van de meest karakteristieke kenmerken van de afgelopen decennia niet zozeer morele laksheid was, maar een morele razernij die tot ontploffing kwam zowel in de absurdistische literatuur als ook in revolutionaire bewegingen. Er zijn politieke moorden gepleegd uit naam van de overwinning van de mens op de wrede natuurlijke orde. Toch is het geloof in de magische zegeningen van de Geschiedenis deerlijk ondermijnd juist door de uitkomsten van dat geloof: industrialisering. De evidentie stapelt zich op (ook in de Oost-europese landen) dat koelkasten en televisieapparaten, of zelfs raketten die naar de maan worden geschoten, de mens nog niet tot een God maken. Oude conflicten tussen groepen mensen zijn uit de weg geruimd, maar ze zijn vervangen door nieuwe, die misschien dringender zijn.

Ik heb, zonder dat ik een ‘Weiliaan’ pretendeerde te zijn, in 1958 een selectie uit het werk van Simone Weil vertaald in het Pools. Ik schreef in het voorwoord eerlijk dat ik mezelf beschouwde als een Caliban, te vlezig, te zwaar om zich de vedertooi van een Ariel aan te meten. Simone Weil was een Ariel. Ik werd vooral geleid door overwegingen van nut en bruikbaarheid, maar  het was zeker in overeenstemming met haar wens om haar werk verspreid te zien. Een paar jaar geleden bracht ik vele middagen door in het appartement van haar familie dat uitkeek op de Jardin du Luxembourg – zittend aan haar tafel, met overal inktvlekken van haar pen – pratend met haar moeder, een fantastische vrouw van in de tachtig. Albert Camus vond ooit toevlucht in dat appartement op de dag dat hij de Nobelprijs kreeg en achternagezeten werd door fotografen en journalisten. Mijn doel was, als gezegd, nut en bruikbaarheid. Ik ergerde me aan de opdeling van Polen in twee kampen: de clericalen en de anticlericalen, nationalistische katholieken en marxisten – ik ga voorbij uiteraard aan de apparatchiki, bureaucraten die meedraaiden met elke wind uit Moskou. Ik vermoed dat onorthodoxe marxisten (ik gebruik dit woord bij gebrek aan beter) en niet-nationalistische katholieken veel overeenkomsten hebben, ze hebben op z’n minst gemeenschappelijke belangen. Simone Weil bestreed het soort religie dat neerkomt op sociaal of nationaal conformisme. Ze bestreed ook de oppervlakkigheid van zogenaamde progressieven. Misschien waren mijn bedoelingen toen ik bezig was met de Poolse selectie van haar werk wel enigszins boosaardig. Want als er een theologische strijd woedt – wat in Polen het geval is, zeker op hogescholen en universiteiten – dan is ieder wapen geschikt om de strijdenden grote ogen te laten opzetten, om te laten zien dat de keus tussen een nationalistisch christendom en de officiële marxistische ideologie niet de enige keus is die voorligt.

In onze huidige wereld, verscheurd door een veel serieuzere religieuze crisis dan je oppervlakkig zou vermoeden, worden katholieke schrijvers vaak verworpen door mensen die zich bewust zijn van hun eigen treurige positie als zoeker, en die in een defensieve reflex schieten als ze trotse waarheidsbezitters tegenkomen. Het werk van Simone Weil wordt gelezen door katholieken en protestanten, atheïsten en agnosten. Ze heeft een nieuw zuurdesem toegevoegd aan het bestaan van gelovigen en ongelovigen door te laten zien dat je je niet moet laten misleiden door bestaande meningsverschillen en dat menige christen in zijn hart een heiden is, en menige heiden in zijn hart een christen. Misschien was dat wel precies waarvoor ze geleefd heeft. Haar intelligentie, de nauwkeurigheid van haar stijl kwamen voort uit de intense aandacht die ze schonk aan het lijden van de mensheid. En, zoals ze schrijft: “Absolute, onverdeelde aandacht is bidden.”

In het licht van Simone Weil: Milosz en de vriendschap met Camus – Simon Leys

Deze vertaling is de slotbeschouwing van een klein boekje van Simone Weil dat door de letterkundige en sinoloog Pierre Ryckmans (1935-2014), onder het pseudoniem Simon Leys, in 2013 werd vertaald: On the Abolition of All Political Parties. Het boekje bevat tevens een essay van Czesław Miłosz over het belang van Simone Weil (p.37-58).

Het essay van Simone Weil is een hartstochtelijk pleidooi om intellectuele zuiverheid niet te offeren op het altaar van collectieve sentimenten, en het is geen wonder dat Simon Leys – die een deel van zijn werkzame leven met succes, maar ook met veel tegenwerking, had besteed aan de ontmanteling van de modieuze belangstelling voor het Maoïsme – de in dat essay ontwikkelde gedachten bewonderde.

Het essay van Simone Weil werd oorspronkelijk geschreven in het Frans: Note sur la suppression générale des partis politiques. Hier vindt u de Franse tekst.

Het onderwerp van deze slotbeschouwing is de vriendschap tussen Czeslaw Milosz en Albert Camus die werd gevoed door een gemeenschappelijke bewondering voor de enigszins mystieke beschouwingen van Simone Weil. Het is te vinden op de pagina’s 61-71 van On the Abolition of All Political Parties.

Dit is een kopie van het originele document:

Hier volgt de vertaling:

In het licht van Simone Weil – Milosz en de vriendschap met Camus

Simon Leys – 2013

Medische onderzoekers hebben aan de hand van bevolkingsstatistieken vastgesteld dat de opvallendste voorbeelden van een zeer lange levensduur worden aangetroffen in afgelegen berggebieden, bij mensen die een weinig opwindend, zelfs saai en eentonig leven leiden. De dichter Czeslaw Milosz, creatief tot het einde, stierf toen hij drie-en-negentig was, na een dramatisch bestaan dat hem had doen belanden in het centrum van wat een van de afschuwelijkste perioden was van de twintigste eeuw. Hij lijkt dus de omgekeerde weg te hebben bewandeld – maar goed, dichters vormen niet het meest geschikte materiaal voor statistieken.

Milosz werd geboren in 1911 in een klein stadje in tsaristisch Rusland (z’n hele leven bleef hij zich trouwens met diep inzicht en gefascineerde ontzetting bezig houden met het geheim van Rusland, net als zo veel Poolse intellectuelen – denk aan Conrad!) als de telg van een aristocratische familie, half Pools, half Litouws. Toen hij een klein kind was deelde hij in het nomadische leven van zijn vader, een civiele ingenieur die werd uitgezonden naar diverse uithoeken van Siberië waar hij verantwoordelijk was voor de constructie van overheidsgebouwen, en zodoende was hij soms getuige van de gevechten tijdens de bolsjewiekenopstand. Deze vroege ervaringen vormden een passend voorspel tot de woelingen van zijn latere leven.

Milosz bracht zijn jeugd en studentenjaren door in Vilnius, een barokke en kosmopolitische stad waar de voornaamste spreektalen Pools en Jiddisch waren, met daarbij een vleugje Litouws, Belarussisch  en Russisch. In de jaren dertig ging hij naar Parijs waar hij zijn reeds uitstekende kennis van de Franse taal en literatuur verder perfectioneerde, en waar hij het genoegen smaakte om onder de vriendschappelijke hoede te worden genomen door een ver familielid die zijn geestelijke mentor werd, O.V. de L. Milosz (1877-1939), een voormalige Litouwse diplomaat die zich had ontwikkeld tot een befaamde Franse dichter. De oudere Milosz moedigde zijn jongere verwant aan om diens dichtersroeping te volgen.

Terwijl de oorlog op uitbreken stond, ging Milosz terug naar Polen om te gaan werken voor de nationale radio. In 1939 nam hij vanaf het begin van de Duitse invasie actief deel aan het ondergrondse verzet tegen de nazi’s. De Duitse bezetting was bijzonder barbaars in Polen. Milosz constateerde naderhand: “Levende schepselen zijn onderworpen aan gruwel, en beschaving houdt zich bezig met het maskeren van die waarheid … Beschavingsgewoonten hebben de neiging te beklijven, en de Duitsers in het bezette West-Europa voelden zich duidelijk beschaamd en ze verhulden dus hun streven, terwijl ze in Polen handelden in volkomen openbaarheid.”[1]

Deze confrontatie met naakte gruwel zou een onuitwisbaar stempel op zijn werkelijkheidsbesef drukken. De alledaagse orde die ons leven kenmerkt kan weliswaar de indruk wekken natuurlijk en blijvend te zijn, maar ze is in feite zo kwetsbaar en illusoir als de kartonnen decorstukken op het toneel. Ze kunnen zomaar kapot vallen en in een oogwenk veranderen in een onmetelijke chaos. Onze toestand is precair; ook elementair menselijk fatsoen kan in een oogwenk vergruizelen of verdwijnen: “De nabijheid van de dood ruïneert elke schaamte. Mannen en vrouwen veranderen zodra ze weten dat het moment van hun executie is vastgesteld door een dik mannetje met glimmende laarzen en een paardezweep. Ze copuleren in het openbaar, op een klein stukje grond omheind door prikkeldraad – hun laatste plekje op Aarde.” [2]

Na de oorlog werd Milosz diplomaat, net als veel andere Poolse intellectuelen die hoopten dat ze door collaboratie met het communistische regime ertoe zouden bijdragen dat dit regime zichzelf zou hervormen. Hij werd uitgezonden als cultureel attaché, eerst naar Washington en toen naar Parijs. Hij begreep al heel snel dat het dienen van een stalinistisch regime niet alleen ontoelaatbare morele en intellectuele compromissen zou behelzen, maar eenvoudig zou leiden tot regelrechte walging: “Iemand kan zichzelf ervan overtuigen op basis van strikt logische redeneringen dat zijn gezondheid er grote baat bij heeft om levende kikkers door te slikken; vervolgens slikt hij, rationeel van het nut overtuigd, een eerste kikker, dan een tweede, maar bij de derde zal zijn maag in opstand komen.”[3]

In 1951 wierp hij zijn benoeming terzijde, brak met het regime en maakte een onomkeerbare sprong in ‘de afgrond van de ballingschap’, ‘de ergste van alle tegenslagen, omdat het onvruchtbaarheid en dadenloosheid behelst’. Maar anders dan de meeste exil-schrijvers, bleef hij trouw aan zijn moedertaal, zijn kostbaarste bezit. Met uitzondering van zijn privécorrespondentie (in het Frans en Engels), bleef hij tot zijn dood bijna altijd in het Pools schrijven.

De eerste tien jaar van zijn ballingschap verbleef hij in Frankrijk. Dat was financieel een heel zware periode, hij was geïsoleerd en voelde zich wanhopig. De onzekerheid van zijn materiële omstandigheden – om zijn jonge gezin te onderhouden was hij volledig afhankelijk van onzekere schrijfinkomsten – werd verder gecompliceerd door het politieke schervengericht van Parijse intellectuelen, wier lafheid en domheid hij nooit zou vergeten of vergeven. In het begin, toen hij nog de prestigieuze positie had een officiële vertegenwoordiger te zijn van ‘Democratisch Polen’ had de Franse ‘progressieve’  intelligentsia (onder het pontificaat van Sartre-Beauvoir) hem nog in de armen gesloten, maar zodra duidelijk werd dat hij was overgelopen, werd hij behandeld als een melaatse. Zelfs bij zijn toenmalige uitgever (Gallimard – de voornaamste en invloedrijkste Parijse uitgever) was er een redacteur die uit beduchtheid het initiatief had genomen om zijn manuscripten ter beoordeling voor te leggen aan een Poolse censor op de ambassade in de hoop het imprimatur te verwerven.

In 1953 maakte hij zijn situatie nog erger door zijn meest invloedrijke boek te publiceren, De geknechte geest, geschreven niet voor een Westers publiek maar ertegen – tegen de stompzinnige en zelfgekozen blindheid ervan; en het doel was precies om de lezer eraan te herinneren dat ‘als iets ergens bestaat, het overal bestaat’[4]. Met hun ontstellende gebrek aan verbeeldingskracht ‘beseften de inwoners van Westerse landen nauwelijks dat miljoenen medemensen die oppervlakkig beschouwd min of meer op hen leken, zich ophielden in een wereld die net zo bizar en onwerkelijk was als die van Mars.’ En laten we niet vergeten: ‘De mens is zo’n plooibaar wezen dat je je zelfs de dag kunt indenken waarop hoogst respectabele burgers op handen en voeten rondkruipen, met een staart van gekuifde veren, ten teken van onderhorigheid aan de orde waarin ze leven’[5]. Juist op dat moment, toen de intellectuele en literaire wereld hem schuwde als de pest, was er één man, een dapper en integer man, die een broederlijke hand naar hem uitstrekte, en die hem hielp te overleven: Albert Camus. Al gauw ontwikkelde zich een diepgaande vriendschap tussen de twee schrijvers – een vriendschap die nog versterkt werd door hun gedeelde bewondering voor Simone Weil.

Wat Camus betreft: je kunt zijn intellectuele en geestelijke leven in het laatste deel van zijn leven – tussen het einde van de oorlog tot zijn voortijdige dood in 1960 – niet volledig begrijpen zonder het buitengewone belang te beseffen van de invloed die Weils denken en haar manier van leven op hem had. Het is een onderwerp dat zelfs z’n beste biografen niet volledig hebben weten te treffen, waarmee ze Emersons opvatting bevestigen dat een literaire biografie een ijdele en futiele onderneming is, omdat het een levensbeschrijving oplevert waarvan de voornaamste gebeurtenissen zich hebben afgespeeld in een domein van stilte en onzichtbaarheid[6].

Al in 1948 nam Camus het initiatief tot de publicatie van twee van de belangrijkste werken van Simone Weil. Hij deed dat in L’Espoir, een serie waarvan hij de hoofdredacteur was bij Gallimard: het betrof L’Enracinement en La Condition ouvrière (dit waren overigens de meest succesvolle boeken van de gehele serie). Samen met Gustave Thibon (die in diezelfde tijd het initiatief nam om een selectie van haar filosofische en religieuze werk te publiceren) werd hij daarmee een van de eerste en meest toegewijde hoeders van haar nalatenschap. Belangrijker nog was dat Weils publicaties een voortdurende bron van inspiratie vormden voor Camus’ eigen denken, zoals ook bevestigd wordt door vele passages in zijn dagboeken, wat in alle openbaarheid bevestigd werd ter gelegenheid van de uitreiking van zijn Nobelprijs in 1957: hem werd gevraagd op een persconferentie in Stockholm, kort voor de plechtigheid, welke schrijvers het belangrijkste voor hem waren: hij noemde een paar vrienden, Algerijnse en Franse, en zei toen: ‘En ook Simone Weil – soms staan de doden ons nader dan de levenden.’

Ongeveer tien jaar daarvoor, toen hij werk van Simone Weil redigeerde, kwam hij in contact met haar ouders, die hem zeer hartelijk bejegenden, in het bijzonder haar moeder, Mevr. Bernard Weil, die ook zelf een uitzonderlijk iemand was. Ook Milosz leerde haar kennen, en hij bleef haar bezoeken na de dood van Camus, een dood die Mevr. Weil bijzonder had aangegrepen. Aan het eind van zijn essay over Weil vertelt Milosz een ontroerende en veelzeggende anekdote: op de dag dat Camus had gehoord dat hij de Nobelprijs voor literatuur had gekregen, en nadat hij achterna werd gezeten door een menigte journalisten en fotografen, vluchtte hij naar Mevr. Weils appartement. Voor Camus die geteisterd werd door twijfels aan zichzelf, gold dat deze verpletterende eer in veel opzichten een beproeving was: het verbijsterde hem en hij ontleende er zeker geen zelfvertrouwen aan. Zoals een godsdienstige die als hij volledig uit het veld geslagen wordt, een kerk binnengaat voor een moment van stilte en bezinning, zo ervoer Camus toen het verlangen om stil te zijn, geheel alleen, in de kamer waarin Simone dacht en schreef.

In 1960 vestigde Milosz zich in de Verenigde Staten waar de Universiteit van California in Berkely hem de leerstoel aanbood in de Slavische taal en letterkunde. Zijn wetenschappelijke activiteiten zaten zijn literaire werk niet in de weg – er kwamen meer dan veertig bundels met gedichten en beschouwingen tot stand, bekroond met meerdere prijzen, inclusief uiteindelijk in 1980 de Nobelprijs zelf. Na de ineenstorting van het communisme, en tot zijn dood in 2004, was hij soms in Krakow en soms in Berkely. Na meer dan een halve eeuw te zijn weg geweest, moet hij zijn moederland als uitheemser hebben ervaren dan de buitenlanden waar hij het grootste deel van zijn leven doorbracht, en waar hij het beste deel van zijn scheppende werk schreef – werk dat zelf het product was van ballingschap.

De ontdekking van het werk van Simone Weil gaf voor Milosz en Camus een nieuwe richting aan hun geestelijk leven[8]. Je vindt sporen van deze openbaring overal in Milosz essays, zijn correspondentie, en zelfs in zijn colleges aan de universiteit (hij gaf een cursus over Manicheïsme die direct werd beïnvloed door Weils inzichten, en hij redigeerde in het Pools een ruime selectie van haar essays).

De religieuze houding van Milosz was zowel parallel als tegengesteld aan die van Simone Weil. Haar opmerking over heidenen die uiteraard christelijk waren, en christenen die uiteraard heidenen waren, beschrijft heel behoorlijk hun beider levenshoudingen. Simone Weil verlangde er sterk naar om bij de kerk te horen – ze wilde graag deelnemen aan de sacramenten – maar ze ontzegde zichzelf deze genade: met opzet nam ze geen deel, en bleef ze buitenstaander – uit solidariteit en mededogen met de akelige toestand van moderne heidenen. Milosz daarentegen, die was geboren en opgevoed binnen de kerk, wenste deze te verlaten; hij wilde af van de door politiek en chauvinisme getekende Poolse kerk van zijn jeugd, en tevens van de akelige protestantse karikatuur ervan waarnaar het post-conciliaire katholicisme onmiskenbaar afgleed [9].

Milosz noemde zichzelf ooit ‘een ecstatische pessimist’, en het is misschien in dit opzicht dat hij het meest lijkt op Simone Weil. Als je geconfronteerd wordt met het mysterie van het kwaad is er weinig ruimte voor geloof in een Voorzienigheid (die troost zou geven voor het lijden), en evenmin  voor een Gemeenschap der Heiligen (die betekenis zou geven aan het lijden).

Is een troostrijke godsdienst een ontaarde vorm van godsdienst? “Liefde is geen troost, zij is licht” – deze zin van Simone Weil is echt heel goed; maar waarom zou licht niet troostend kunnen zijn? Dat is in ieder geval hoe nederige zielen het ervaren, als ze vroom hun kaarsjes branden voor beelden van de Heilige Maagd, of voor enige andere heilige. Maar het is niet eenvoudig, uiteraard, om onze grote filosofe – met haar onbetwistbare genie – ooit zich te zien overgeven aan zulke praktijken (waarvoor Pascal trouwens geenszins minachting voelde).

[1] Milosz’s ABC. Farrar, Strauss & Giroux, New York 2001, ‘Anus Mundi’, pp. 39-40.

[2] Milosz, The Captive Mind, Secker & Warburg, London, 1953, p.28.

[3] ibid., pp. xii-xiii.

[4] ibid., p.29

[5] ibid., p.29

[6] Genieën hebben de kortste biografieën omdat hun echte leven zich ongezien afspeelt buiten gehoorsafstand, en uiteindelijk kunnen zelfs hun neven niks zinnigs over hen zeggen.

[7] Milosz noemt dit in een brief aan zijn Amerikaanse vriend, de trappistische monnik en schrijver Thomas Merton. Zie: Striving towards Being: the Letters of Thomas Merton and Czeslaw Milosz. Farrar, Straus & Giroux, New York, 1997, p.68.

[8] Het probleem van de religie speelde een belangrijke rol in de vriendschap tussen Camus en Milosz. Camus was een atheïst die twijfelde aan zijn atheïsme, en Milosz was een christen die twijfelde aan zijn christendom. Ze twijfelden allebei voortdurend. De mystieke zekerheden van Simone Weil waren voor hen beiden een baken in de mist. (Uiteraard versimpel ik hier op groteske wijze een zeer ingewikkeld onderwerp.)

Hoe hij Simone Weil ontdekte, in een situatie van grote eenzaamheid en chaos – bij het schrijven aan De geknechte geest – lees zijn brief aan Thomas Merton (op. cit., p. 8): “Ik was zeer wanhopig. Ik ondervond steun in mijn wanhoop door bepaalde dingen en medemensen – onder wie Simone Weil, met haar boeken. Daarna beseft ik dat ze niet alleen mij kon helpen, en ik slaagde erin om haar Verzamelde werken uit te geven in een Poolse vertaling – een boek van 350 bladzijden …”

[9] Deelname aan de sacramenten was een probleem voor hem, maar hij liet zijn kinderen deelnemen aan de Heilige Mis – daarmee in zekere zin het dilemma van Camus herhalend: “Ik herinner me een gesprek met Camus. Hij vroeg me of ik vond dat hij, als een atheïst, zijn kinderen naar de Eerste Communie moest sturen. Dit gesprek vond plaats kort nadat ik Karl Jaspers had ontmoet in Bazel. Ik had hem gevraagd of ik mijn kinderen als katholiek moest opvoeden. Jaspers had geantwoord dat hij als protestant niet erg gunstig dacht over het Katholicisme, maar dat kinderen dienden te worden opgevoed in hun eigen geloof, al was het maar om ze toegang te geven tot de bijbelse overlevering, zodat ze later hun eigen keus konden maken. Ik antwoordde op Camus’ vraag ongeveer op dezelfde manier.” Milosz’s ABCs, pp. 77-78.

[10] Pascal, Pensées. Kaplan edition: pensée 115, Lafuma ed.: pensée 418.