Tagarchief: George Orwell

Leugens die de waarheid zeggen – Simon Leys

Ten geleide
Het artikel dat ik hier vertaald heb is geschreven door Simon Leys (1935-2014) – pseudoniem van de Belgische sinoloog en intellectueel Pierre Ryckmans. Het is opgenomen in Deel 1 – Quixotism – van de verzamelde essays: The Hall of Uselessness. Collected Essays, New York: New York Review of Books 2011, p. 43-52.

Het artikel werd opgenomen in The Monthly, november 2007. In The Monthly luidde de ondertitel: De paradox van kunst en literaire schepping.

Het is ten slotte nog wel aardig om op te merken dat Leys zo mogelijk nog meer gedaan heeft dan de in het stuk genoemde Conquest om de sympathie van de intellectuelen voor communistische gruwelen weg te nemen.

Voor een introductie van Simon Leys verwijs ik naar de gelinkte pagina elders op deze website.

Dan nu de vertaling:

Leugens die de waarheid zeggen

          In de kunst wordt waarheid gesuggereerd met valse middelen. – Edgar Degas

          Waarheid wordt alleen geloofd als iemand die mooi heeft verzonnen. – George
           Santayana

          Om helder te kunnen denken, op een menselijke manier, moet poëzie de aanzet geven.
           – Les Murray

Dit essay was oorspronkelijk een toespraak voor de jaarlijkse bijeenkomst van het Hooggerechtshof van New South Wales. De titel werd op verzoek van de organisatoren veranderd in ‘Historische en andere waarheden’ – wat geschikter werd geacht voor zo’n gewichtig publiek. Want rechters worden geacht gewichtig te zijn: dragen ze geen pruiken en toga’s om ons – en zichzelf – te overtuigen van hun gewichtigheid? Gewichtige mensen hebben weinig tijd voor welke vorm van fictie dan ook. Met een luchthartige titel als de bovenstaande zou mijn lezing waarschijnlijk niet veel luisteraars trekken. Toch voelde de verandering een beetje ongemakkelijk – ik ben strikt genomen geen historicus – en ik ben blij dat ik hier afstand kan doen van de misleidende reclame waaraan ik me toch op de een of andere manier heb schuldig gemaakt.

Mijn artikel bevat drie motto’s. De meeste lezingen, toespraken – en tijdschriftartikelen – kun je vaak snel weer vergeten. Motto’s dienen gedenkwaardig te zijn. Mijn lezers zullen ook dit artikel vanzelfsprekend snel vergeten, maar ze zouden zich de motto’s moeten blijven herinneren. De eerste is van een schilder, de tweede van een filosoof, de derde van een dichter.

Schilders, filosofen, dichters, literaire schrijvers – en ook uitvinders en wetenschappers – benaderen allemaal de waarheid door fantasierijke sluipweggetjes te nemen. Laten we er een paar bekijken.

Plato’s dialogen vormen nog steeds de hoeksteen van de gehele westerse filosofie. Het zijn vaak niet zozeer redeneringen die eraan ten grondslag liggen, maar mythische verhalen – korte filosofische parabels. Mythen zijn de oudste en rijkste vorm van fictie. Mythen hebben een essentiële functie: “Wat de mythe overbrengt is niet de waarheid maar de werkelijkheid; waarheid gaat altijd over iets anders – werkelijkheid is waar de waarheid over gaat.” (CS Lewis).

Ongeveer in dezelfde tijd als Plato bij ons, drukten de oude taoïstische denkers in China hun ideeën ook uit met behulp van verbeelding. Over het onderwerp dat ons hier bezighoudt – hoe benaderen we de waarheid – is er één verhaal in Liezi [taoïstische tekst, 5e eeuw v.Chr., AS] dat me verhelderend en fundamenteel lijkt.

In de Periode van de Strijdende Staten [laatste eeuwen van de Zhou-dynastie, ca. 475 – 221 v.Chr. – AS] waren paarden van groot belang om militaire redenen. De feodale heren schakelden experts in om goede paarden te vinden. Het beste was het superpaard (ch’ien-li ma), een dier dat duizend kilometer per dag kon lopen zonder sporen achter te laten en zonder stof te doen opwaaien. Superpaarden waren het meest gewild, maar ze waren ook erg zeldzaam en moeilijk op te sporen. Vandaar de behoefte aan zeer gespecialiseerde experts; de beroemdste onder hen was een man genaamd Po-lo. Ten slotte werd Po-lo te oud om zijn expedities op zoek naar superpaarden voort te zetten. Daarom vroeg zijn werkgever – de hertog van Ch’in – hem of hij een andere expert kon aanbevelen om deze taak op zich te nemen. “Jawel,” zei Po-lo, ”ik heb een vriend, een venter van brandhout op de markt, die een echte paardenkenner is.” Op advies van Po-lo stuurde de hertog deze man op een missie om een superpaard te vinden. Drie maanden later kwam de man terug en rapporteerde aan de hertog: “Ik heb er een gevonden; het staat op die en die plek; het is een bruine merrie.” De hertog stuurde zijn mensen om het dier te halen, en het bleek om een zwarte hengst te gaan. De hertog was ontevreden en riep Po-lo: “Die vriend van jou – hij lijkt bepaald geen expert te zijn: hij kon niet eens het geslacht en de kleur van het dier vaststellen!” Toen hij dit hoorde, was Po-lo verbaasd:

“Fantastisch! Hij is nog beter dan ik, honderd, duizend keer beter dan ik! Wat hij waarneemt is de diepste natuur van het dier. Hij zoekt en ziet wat hij moet zien. Hij negeert wat hij niet hoeft te zien. Hij laat zich niet afleiden door uiterlijkheden, maar gaat rechtstreeks af op de diepste essentie. De wijze waarop hij over paarden oordeelt laat zien dat hij over belangrijker zaken dan paarden zou behoren te oordelen.”

En het hoeft geen betoog dat dit bijzondere dier inderdaad een superpaard bleek te zijn, een paard dat duizend kilometer per dag kon rennen zonder sporen achter te laten en zonder stof te doen opwaaien.

Als je nadenkt over de manieren waarop wij de waarheid proberen te begrijpen, heb je misschien het gevoel dat een 2300 jaar oude Chinese parabel slechts van beperkt belang is. Goed, maar laten we dan eens kijken naar iets dat ons nader staat: wat gebeurt er eigenlijk in de geest van iemand die de moderne Westerse wetenschap beoefent.

Claude Bernard, de grote patholoog wiens onderzoekingen en ontdekkingen van groot belang zijn geweest voor de ontwikkeling van de moderne medische wetenschap, kwam op een dag de collegezaal binnen om onderwijs te geven, en hij merkte iets merkwaardigs op: op een tafel stonden een aantal schalen met verschillende menselijke organen, en op één van deze schalen hadden zich vliegen verzameld. Een alledaagser iemand zou misschien een alledaagse opmerking hebben gemaakt, over de zaal die niet schoon was, of hij zou de conciërge hebben gevraagd de ramen dicht te doen. Maar Bernard was geen alledaagse geest: hij zag dat de vliegen zich verzamelden op de schaal met levers – en hij dacht: er moet daar suiker zijn. En zo ontdekte hij de glycogene functie van de lever – een ontdekking die beslissend was voor onze kennis van diabetes en de behandeling ervan.

Ik vond deze anekdote niet in een boek over medische geschiedenis, maar in de dagboeken van de grootste moderne Franse dichter, Paul Claudel. En Claudel zei toen: “Dit mentale proces heb je ook bij het dichten … De drijfveer is eender. En dat laat zien dat de oorsprong van wetenschappelijk denken niet het redeneren is, maar het nauwkeurig nagaan van een intuïtie die oorspronkelijk door het voorstellingsvermogen werd geleverd.”

U merkt dat ik wanneer ik naar ‘poëzie’ verwijs dit woord in zijn meest fundamentele betekenis opvat. Samuel Johnson geeft in zijn monumentale woordenboek van de Engelse taal drie definities aan het woord ‘dichter’, in afnemende volgorde van belangrijkheid: allereerst “iemand die verzint”; vervolgens “een auteur van fictie”; en ten slotte “een schrijver van gedichten”.

Waarheid wordt toegeëigend door een sprong van de verbeelding. Dit geldt niet alleen voor wetenschappelijk denken, maar ook voor filosofisch denken. Toen ik een naïeve, jonge propaedeuse-student was, omvatte onze letterenstudie een cursus filosofie – een vooruitzicht dat me aanvankelijk erg opwond, hoewel ik al snel teleurgesteld werd door de middelmatigheid van de docent. Binnen de familiekring had ik echter het geluk om persoonlijk een uitnemende hedendaagse filosoof te kennen, die toevallig ook nog een aardige en genereuze man was. Op mijn verzoek stelde hij een lijst met basisliteratuur voor me op: het betrof één handgeschreven pagina met bibliografische verwijzingen naar belangrijke klassieke teksten, moderne werken, geschiedenissen van de filosofie en inleidingen in de filosofie. Ik koesterde dit document, maar door de jaren heen, zwervend over de wereld, raakte ik het kwijt en, zoals zo veel kostbare schatten, verloor ik het uiteindelijk. Nu, een halve eeuw later, ben ik de items op de lijst al lang vergeten. Wat ik me nog wel herinner is het naschrift dat de grote filosoof onderaan die pagina had geschreven – ik herinner het me levendig omdat ik het destijds niet begreep – het intrigeerde me. In het postscriptum stond (onderstreept): “Het allerbelangrijkste, vergeet dat niet: lees veel romans.”

Toen ik deze opmerking voor het eerst las, als onvolwassen student, schrok ik ervan. Op de een of andere manier klonk het niet gewichtig genoeg. Want, naïef als we zijn, hebben we de neiging om wat gewichtig is te verwarren met wat diepgaand is (in de redactionele pagina’s van onze kranten zijn hoofdartikelen gewichtig, terwijl cartoons grappig zijn; toch is de cartoon vaak diepgaand en het hoofdartikel flauw). Het heeft lang geduurd voor ik de wijsheid van mijn filosoof volledig begreep; nu kom ik er vaak echo’s van tegen. Theodore Dalrymple (de huisarts die een geestige en scherpzinnige column schrijft in de Spectator) merkte ooit op dat hij, als hij tussen twee artsen met dezelfde kwalificaties zou moeten kiezen, het meeste vertrouwen zou schenken aan degene die Tsjechov leest. Waaraan ik zou willen toevoegen: als ik een misdaad bega, zou ik willen dat ik beoordeeld zou worden door een rechter die Simenon heeft gelezen.

Mannen van de daad – zij die niks anders doen dan zich bezig houden met wat zij als het echte leven beschouwen – hebben sterk de neiging om poëzie en alle vormen van literair schrijven af te doen als lichtzinnig. Onze grote poolreiziger Mawson schreef in een brief aan zijn vrouw enkele instructies over de opvoeding van hun kinderen. Hij drong erop aan dat ze hun tijd niet zouden verdoen met het lezen van romans, maar in plaats daarvan feitelijke informatie uit geschiedenis- en biografieboeken zouden moeten halen.

Deze opvatting – die eigenlijk heel wijdverbreid is – dat er een essentieel verschil is tussen werken van verbeelding enerzijds en verslagen van feiten en gebeurtenissen anderzijds, is erg naïef. Als geschriften een zekere diepte bereiken of een bepaald kwaliteitsniveau, zijn ze allemaal creatief, want hun essentie is dezelfde: poëzie.

Geschiedschrijving legt (in tegenstelling tot de gangbare opvatting) geen gebeurtenissen vast. Zij registreert slechts echo’s van gebeurtenissen – wat iets heel anders is – en daarbij vertrouwt ze zowel op de verbeelding als op het geheugen. Het geheugen zelf kan alleen maar zinloze en betekenisloze gegevens verzamelen. Denk aan de filosofische parabel ‘De gedenkwaardige Funes’ van Jorge Luis Borges. Funes is een jongeman die, als hij van een paard afvalt en slecht op zijn hoofd terecht komt, op een vreemde manier gehandicapt raakt: zijn geheugen ontwikkelt zich buitengewoon, hij is niet langer in staat om wat dan ook te vergeten, hij herinnert zich alles; zijn geest wordt een monsterlijke vuilnisbelt die verstopt raakt met onbeduidende gegevens, een gigantische berg beelden zonder verband en momenten die niks met elkaar te maken hebben; hij kan geen enkel fragment van vroegere ervaringen verwijderen, hoe onbeduidend ze ook zijn. Dit permanente vermogen tot absolute en blijvende herinnering is een vloek; het sluit elke mogelijkheid tot denken uit. Want denken vereist ruimte om te vergeten, te selecteren, te wissen, om te isoleren wat belangrijk is. Als je niets uit je geheugen kunt verwijderen, kun je ook niet abstraheren en generaliseren. Maar zonder abstractie en generalisatie kan er geen denken bestaan.

De historicus registreert niet alleen; hij bewerkt, hij laat weg, hij oordeelt, hij interpreteert, hij reorganiseert, hij componeert. Zijn streven is om “in laatste aanleg recht te doen aan de zichtbare wereld, door de waarheid aan het licht te brengen die zowel veelvoudig als één is, en die ten grondslag ligt aan elk aspect ervan”. Toch is dit citaat niet afkomstig van een historicus die de geschiedschrijving bespreekt, maar van een romanschrijver die het heeft over de kunst van het literaire schrijven: het is het beroemde begin van Joseph Conrads voorwoord van The Nigger of the Narcissus – een waar manifest van de romanschrijver.

Het is onmiskenbaar dat deze twee kunsten – het schrijven van geschiedenis en het schrijven van fictie die allebei hun oorsprong vinden in de poëzie – vergelijkbare activiteiten met zich meebrengen en dezelfde vermogens mobiliseren: herinnering en verbeelding; en daarom kan met recht worden gezegd dat de romanschrijver de historicus van het heden is en de historicus de romanschrijver van het verleden. Beiden moeten de waarheid uitvinden.

Natuurlijk is de eerste vereiste voor elk historisch werk dat de gegevens kloppen. Maar wat het eindoordeel over een historicus bepaalt, is de kwaliteit van zijn oordeel. Twee historici kunnen over dezelfde gegevens beschikken, maar wat hen onderscheidt is wat ze van die gedeelde informatie weten te maken. Robert Hughes verzamelde bijvoorbeeld een schat aan materiaal over de Britse veroordeelden in het jonge Australië, die hij in zijn Fatal Shore op een levendige manier en in een heel leesbare stijl presenteerde. Op basis van diezelfde informatie trok Geoffrey Blainey echter een conclusie die radicaal anders was – en hij deed dat veel overtuigender. Hughes had de veroordeelde Britten vergeleken met de gevangenen in de Goelag Archipel in de Sovjet-Unie, maar Blainey wees erop dat, terwijl de Sovjet-Goelag fungeerde als een kille automaat die enkel ontworpen was om de gevangenen te verpletteren en te vernietigen, binnen het Australische systeem – weliswaar ook hartvochtig en wreed – toch een aantal individuen met energie en ambitie naar voren kwamen die tot de rijkste burgers van hun land zouden gaan behoren. Op hun beurt genereerden zij al snel een dynamische samenleving en uiteindelijk een levendige jonge democratie. Wat uiteindelijk de doorslag geeft, is hoe de historicus de gebeurtenissen leest – en dit is de lakmoesproef voor zijn oordeel.

Om de waarheid over het verleden te achterhalen, moeten historici bepaalde moeilijkheden overwinnen: ze moeten informatie verzamelen die niet altijd gemakkelijk beschikbaar is. Met het oog daarop moeten ze de specialistische methoden van hun discipline beheersen.

Maar om de waarheid van onze huidige tijd begrijpen, recht voor onze neus, is niet het domein van historici; het is een taak voor ons allemaal. Hoe gaan we daar meestal mee om? Niet al te best, zo lijkt het.

Laten we eens kijken naar twee voorbeelden – nog steeds heel dichtbij en van een reusachtige omvang. De twintigste eeuw was een afschuwelijke eeuw, met verschrikkingen op een gigantische schaal. Louter op basis van de omvang was de terreur van moderne totalitaire regimes werkelijk ongekend. Het kreeg hoofdzakelijk vorm in twee varianten: Stalinistisch en Hitleriaans.

Als we de geschriften van Sovjet- en Oost-Europese dissidenten en ballingen lezen, worden we getroffen door één terugkerend thema: hun verbazing, verontwaardiging en woede over de domheid, onwetendheid en onverschilligheid van de westerse opinie en vooral van de westerse intelligentsia, die grotendeels niet in staat bleek om de realiteit van hun hachelijke situatie onder ogen te zien. En toch spendeerden de Westerse landen enorme bedragen aan het verzamelen van inlichtingen en aan  het doen van wetenschappelijk onderzoek naar de communistische wereld – alles tevergeefs. Robert Conquest, één van de weinige Sovjet-deskundigen die vanaf het begin een heldere kijk op de zaak had, ervoer een enorme frustratie in zijn pogingen om zijn kennis te delen en over te brengen. Na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie stelde zijn uitgever voor om een verzameling van zijn vroegere essays opnieuw uit te geven en vroeg hem welke titel hij in gedachten had. Conquest dacht even na en zei toen: “Wat dacht je van ‘Ik heb het je toch gezegd, stomme idioten’?”.

Maar interessant is dat de naam van één schrijver steeds weer opduikt in de geschriften van de dissidenten uit de communistische wereld – ze brengen hem hulde als de enige auteur die de realiteit van hun toestand echt volledig heeft begrepen, tot aan de geluiden en geuren aan toe – en dat is George Orwell. Aleksander Nekrich vatte deze visie samen: “Orwell is de enige Westerse schrijver die de ware aard van de Sovjetwereld echt begreep.” Czesław Miłosz en vele anderen velden vergelijkbare oordelen. En toch is 1984 een fictiewerk – een gefantaseerde projectie die zich afspeelt in een toekomstig Engeland.

Het onvermogen van het Westen om de Sovjetrealiteit en al haar Aziatische varianten tot zich door te laten dringen was geen gebrek aan informatie (die was er altijd in overvloed); het was een gebrek aan verbeeldingskracht.

De gruwelen van het Nazi-regime zijn reeds lang uitputtend gedocumenteerd: de misdadigers zijn veroordeeld en gevangen gezet; de slachtoffers, overlevenden en getuigen hebben gesproken; de historici hebben bewijzen verzameld en een oordeel geveld. Dit hele tijdperk is uitvoerig belicht. De verslagen vullen bibliotheken.

Uit deze berg literatuur pik ik echter één klein boek dat bijzonder is vanwege zijn alledaagsheid: de vooroorlogse memoires van een jonge Berlijner, Raimund Pretzel, die er in 1938 om louter morele redenen voor koos zijn land te verlaten. Geschreven onder het pseudoniem Sebastian Haffner, draagt het een bescheiden en weinig pretentieuze titel: Geschichte eines Deutschen (Verhaal van een Duitser), dat voor de Engelse editie slecht werd vertaald als Defying Hitler (Hitler trotseren). Het werd pas een paar jaar geleden postuum gepubliceerd door de zoon van de auteur, die het manuscript ontdekte tussen de papieren van zijn vader.

De auteur was een goed opgeleide jongeman, de zoon van een rechter; hijzelf streefde dezelfde carrière na; zijn toekomstperspectieven zagen er goed uit; hij hield van zijn vrienden, zijn stad, zijn cultuur, zijn taal. Toch was hij, net als al zijn landgenoten, getuige van de opkomst van Hitler. Hij beschikte niet over bijzondere informatie; hij las gewoon de kranten, net als elke andere intellectueel, volgde het nieuws, besprak de actualiteit met vrienden en collega’s. Hij had overduidelijk het gevoel dat hij, samen met de rest van het land, steeds verder werd meegezogen in een giftig moeras. Om enigszins een soepel en probleemloos bestaan te kunnen leiden, waren er voortdurend kleine compromissen nodig – niks moeilijks of bijzonder dramatisch; het gold voor iedereen in zekere mate. Maar de optelsom van deze vrij banale, dagelijkse concessies maakte dat de integriteit van elk individu werd uitgehold. Haffner zelf werd nooit gedwongen om deel te nemen aan een extreme situatie, werd nooit geconfronteerd met wreedheden, was nooit persoonlijk getuige van dramatische gebeurtenissen of politieke misdaden. Hij werd gewoon omzwachteld door het alomtegenwoordige morele afglijden van een hele samenleving. Hij ervoer alleen wat al zijn landgenoten ook meemaakten, maar hij werd geconfronteerd met de onontkoombare waarheid. Omdat hij het geluk had geen familieverantwoordelijkheden te hebben, was hij vrij om zijn geliefde omgeving te verlaten en de kans op een briljante carrière te laten varen: hij ging in vrijwillige ballingschap, eerst naar Frankrijk en daarna naar Engeland – om zijn ziel te redden. Zijn korte (onvoltooide), heldere en nuchtere memoires roepen één angstaanjagende vraag op: alles wat Haffner op dat moment wist, wisten vele miljoenen mensen om hem heen net zo goed. Waarom was er maar één Haffner?

Eerder suggereerde ik dat kunstenaars en literaire schrijvers nieuwe manieren ontwikkelen om toegang te krijgen tot de waarheid – sluipweggetjes die de geïnspireerde verbeelding biedt. Begrijp me alsjeblieft niet verkeerd: als ik suggereer dat er alternatieve benaderingen van de waarheid zijn, bedoel ik zeker niet dat er alternatieve waarheden zijn. Waarheid is niet relatief; ze ligt van nature binnen ieders bereik, ze is overduidelijk en voor de hand liggend – soms zelfs op een pijnlijk manier. Zie het voorbeeld van Haffner.

Ten tijde van de Dreyfusaffaire – de meest beschamende gerechtelijke dwaling in de moderne Franse geschiedenis – was een van zijn voornaamste verdedigers een zeer onwaarschijnlijk figuur: Maréchal Lyautey, een aristocraat, monarchist, katholiek, militair van de derde generatie. Het zou aannemelijk geweest zijn dat hij aan de andere kant zou staan – de kant van de rechtse, antisemitische, klerikale, militair-chauvinistische dwepers. Maar hij werd een Dreyfus-aanhanger (die ten onrechte werd veroordeeld voor hoogverraad), en dat was om om één simpele reden: hij was zelf integer. Het pro-Dreyfus comité kwam bijeen om te bespreken hoe het zichzelf zou noemen; de meeste leden stelden de naam Alliantie voor Gerechtigheid voor. “Nee,” zei Lyautey. “We moeten het Alliantie voor de Waarheid noemen.” En hij had gelijk, want men kan altijd aarzelen over wat rechtvaardig is (omdat rechtvaardigheid steeds rekening moet houden met complexe en tegenstrijdige factoren), maar men kan niet aarzelen over wat waar is.

Dat brengt me bij mijn slotconclusie. Deze conclusie is in feite mijn onuitgesproken uitgangspunt. Toen ik voor het eerst werd uitgenodigd om over het onderwerp ‘waarheid’ te spreken, was dat een paar dagen voor Pasen. Tijdens de christelijke Goede Week lezen we in de kerk de vier evangelieverhalen over de twee laatste dagen in het leven van Christus. Al deze verhalen bevatten een passage over het proces van Jezus voor de Romeinse gouverneur Pontius Pilatus; het begrip waarheid verschijnt daar in een korte dialoog tussen rechter en beklaagde. Het is een bekende passage; het trof me toen op een heel bijzondere manier.

De hogepriesters en het Sanhedrin hadden Jezus gearresteerd en ze onderwierpen hem aan een ondervraging. Ten slotte besloten ze dat hij wegens godslastering ter dood gebracht moest worden. Maar ze waren inmiddels koloniale onderdanen van het Romeinse Rijk: ze hadden de macht verloren om doodvonnissen uit te spreken en uit te voeren. Alleen de Romeinse gouverneur had die bevoegdheid.

Dus brengen ze Jezus naar Pilatus. Pilatus bevindt zich in een lastig parket. Allereerst is er het probleem van zijn positie: hij is zowel hoofd van de uitvoerende macht als hoofd van de rechterlijke macht. Als hoogste uitvoerder houdt hij zich bezig met kwesties van openbare orde en veiligheid; als hoogste rechter moet hij ervoor zorgen dat aan de eisen van gerechtigheid wordt voldaan. Dan is er nog zijn persoonlijke situatie: de Joden zien hem natuurlijk voor wat hij is – een verfoeilijke buitenlandse onderdrukker. En hij koestert een diep wantrouwen jegens deze ruziënde en onbegrijpelijke Joden die hem eindeloos lastig vallen. Tijdens zijn ambtsperiode zijn er al twee keer ernstige ongeregeldheden geweest; de gouverneur heeft zich misdragen – hij werd zelfs in Rome aangeklaagd. Hij kan zich niet nog een incident veroorloven. En deze keer vreest hij een valstrik.

De Joodse leiders presenteren zichzelf als trouwe onderdanen van Caesar. Ze beschuldigen Jezus ervan een rebel te zijn, een politieke opruier die het volk vertelt geen belasting te betalen, iemand die het gezag van Caesar uitdaagt door te beweren dat hij zelf een koning is. Als Pilatus hem nu niet veroordeelt, zou Pilatus zelf ontrouw zijn aan Caesar.

Pilatus ondervraagt Jezus. Natuurlijk vindt hij Jezus’ idee van een geestelijk koninkrijk nogal bespottelijk, maar het lijkt ook onschuldig genoeg. De beschuldigde lijkt niet gewelddadig of fanatiek, hij is evenwichtig en welbespraakt. Pilatus is onder de indruk van zijn kalme waardigheid en het wordt hem al snel duidelijk dat Jezus volledig onschuldig is aan alle misdaden waarvan hij beschuldigd wordt. Pilatus herhaalt het verschillende keren: “Ik vind geen schuld in deze man.” Maar de menigte eist zijn dood en het evangelie voegt eraan toe dat Pilatus, toen hij hun geschreeuw hoorde, “banger was dan ooit”. Hij is doodsbang: hij wil niet nog eens een opstand over zich heen krijgen. Als dat zou gebeuren, zou dat het einde van zijn carrière betekenen.

Toen Pilatus Jezus ondervroeg over zijn activiteiten, antwoordt Jezus: “Ik ben in de wereld gekomen om te getuigen van de waarheid. Wie de waarheid liefheeft, luistert naar mijn stem.” Waarop Pilatus antwoordt: “Waarheid! Maar wat is de waarheid?” Hij was een geleerde en hoog-opgeleide Romein, en hij was bovendien wereldwijs en had filosofen gelezen; in tegenstelling tot deze eenvoudige man, deze provinciale timmerman uit Galilea, wist hij dat er vele goden en vele geloofsovertuigingen onder de zon zijn …

Maar pas op! Wanneer mensen zich afvragen: “Wat is waarheid?”, dan is dat meestal omdat de waarheid vlak onder hun neus ligt – maar het is te akelig zijn om die te erkennen. En dus, tegen beter weten in, geeft Pilatus toe aan de wil van de menigte en laat hij Jezus kruisigen.

Het probleem van Pilatus was niet hoe hij de onschuld van Jezus kon vaststellen. Dat was gemakkelijk genoeg: het was overduidelijk. Nee, het echte probleem was dat hij het uiteindelijk – net als wij allemaal – aangenamer vond om zijn handen in onschuld te wassen.

Orwell van nabij – Simon Leys

De uitgebreide bespreking van de dagboeken en brieven van George Orwell door de Belgische sinoloog en intellectueel Simon Leys (pseudoniem van Pierre Ryckmans), waarvan hierna de vertaling volgt, verscheen voor het eerst in de New York Review of Books van 26 mei 2011.

Het stuk The Intimate Orwell werd met aanvullingen opgenomen in Leys’ essaybundel The Hall of Uselessness. Collected Essays, New York: The New York Review of Books 2011, p. 174-187. De vertaling betreft de versie met de aanvullingen.

Voor een introductie van Simon Leys verwijs ik naar de gelinkte pagina elders op deze website.

George Orwell (1903-1950) behoeft hier geen nadere introductie.

Het is wel aardig om te noemen dat Leys en Orwell – allebei pseudoniemen – een aantal opvallende trekken gemeen hebben: ze waren heel goede schrijvers, ze schreven tegen het totalitarisme, ze schreven beiden fictie en nonfictie, en ze hielden beiden een zekere afstand tot literaire coterieën.

Dan nu de vertaling:

Pierre Ryckmans (door: Mathew Lynn)

Orwell van nabij

Simon Leys
New York Review of Books
26 mei 2011

Orwell van nabij? Voor een artikel over een uitgave van zijn dagboeken en een selectie van zijn brieven – Diaries, Londen: Harvill Secker 2009; A Life in Letters, Londen: Harvill Secker 2010 – leek zo’n titel op het eerste gezicht toepasselijk, maar deze kan ook misleidend zijn als er een kunstmatig onderscheid of zelfs een tegenstelling mee wordt gesuggereerd tussen de privépersoon Eric Blair en de bekende schrijver George Orwell. Eerstgenoemde was inderdaad van nature een gereserveerd, afstandelijk, zelfs wat onhandig persoon, terwijl Orwell – met pen (of pistool) in de hand – een dappere strijder was. Feit is, en dit wordt eens te meer duidelijk na het lezen van deze twee delen, weerspiegelden Blairs persoonlijke leven en Orwells publieke activiteiten één en dezelfde sterke, vastberaden persoonlijkheid. Blair-Orwell was een man uit één stuk: een terugkerend thema in de getuigenissen van iedereen die hem van nabij kende was zijn “ontstellende eenvoud”. Hij had de “onschuld van een wilde”.

In tegenstelling tot wat sommige critici vroeger veronderstelden (onder wie ikzelf), was de keuze voor een pseudoniem louter toeval en heeft het nooit een bijzondere betekenis voor hem gehad. Ten tijde van de publicatie van zijn eerste boek, Down and Out in Paris and London (1933), wilde hij eenvoudigweg zijn ouders niet in verlegenheid brengen: de oude heer en mevrouw Blair behoorden tot de ‘lower-upper-middle class’ (d.w.z. de hogere middenklasse die krap bij kas zit) en waren zeer bezorgd om hun sociale respectabiliteit. Ze zouden het vreselijk hebben gevonden als bekend zou worden dat hun enige zoon het leven leidde van een werkloze zwerver en berooide vagebond. Zijn schuilnaam had hij dus willekeurig gekozen, als een bijkomstigheid, vlak voor publicatie. Maar daarna bleef hij het gebruiken voor al zijn publicaties – journalistiek, essays, romans – en raakte hij er toch enigszins aan verknocht. In zijn privécorrespondentie ondertekende hij tot aan het eind van zijn leven nu eens met Eric Blair (of Eric), dan weer met George Orwell (of George), waarbij hij gewoon aansloot bij de manier waarop hij door de verschillende correspondenten – dat waren ofwel kennissen van vroeger, ofwel collega’s en vrienden uit een latere periode – werd aangesproken. Zijn eerste vrouw, Eileen (ze overleed vroegtijdig in 1945) en hun geadopteerde zoon, Richard, kozen beiden de achternaam Blair; zijn tweede vrouw, Sonia (met wie hij trouwde toen hij al haast op zijn sterfbed lag), koos de naam Orwell. Kort voor het einde van zijn leven legde hij de kwestie zelf duidelijk uit aan zijn oude docent van Eton College (die hem kende onder de naam Blair):

“Wat mijn naam betreft: ik heb minstens twaalf jaar geleden de naam Orwell gekozen als schrijversnaam, en de meeste mensen noemen me George, maar ik heb mijn naam nooit formeel veranderd; sommige mensen noemen me nog steeds Blair. Het is soms zo vervelend dat ik steeds van plan ben om het per akte te veranderen, maar dan moet je naar een advocaat toe enz., en dat schrikt me af.”

Alle dagboeken van Orwell die bewaard zijn gebleven (sommige zijn verloren gegaan, en één is er gestolen in Barcelona tijdens de Spaanse Burgeroorlog door de stalinistische geheime politie – misschien ligt die nu nog ergens in een Moskous archief) zijn voor het eerst gepubliceerd in 1998 door Peter Davison en opgenomen in diens monumentale uitgave The Complete Works of George Orwell (twintig delen; negenduizend pagina’s). Ze zijn nu handig gegroepeerd in één deel, uitstekend bezorgd en geannoteerd door Davison. De dagboeken bieden een schat aan informatie over Orwells dagelijkse activiteiten, zorgen en interesses; ze hebben een aanzienlijke documentaire waarde voor wetenschappers, maar ze maken niet helemaal waar wat de bezorger erover zegt: “Deze dagboeken bieden bijna een autobiografie, en ze beslaan een groot deel van zijn leven en denken.” Dit oordeel zou veel beter passen bij het uiterst fascinerende begeleidende deel (ook geredigeerd door Peter Davison), George Orwell: A Life in Letters.

Orwells dagboeken zijn geen bekentenissen: hij noteert hierin zelden zijn emoties, indrukken, stemmingen of gevoelens, en bijna nooit zijn ideeën, oordelen en meningen. Hij beperkt zich strikt tot de droge feiten – gebeurtenissen in de buitenwereld of die in zijn eigen moestuintje: de lichte diarree van zijn geit Muriel is misschien veroorzaakt door het eten van nat gras; Churchill keert terug in het kabinet; er worden gevechten gemeld in Mantsjoekwo [Japanse benaming voor het huidige Mantsjoerije, AS]; de rabarber groeit goed; Béla Kun [Hongaars politicus, 1886-1938, AS] is neergeschoten in Moskou; de viooltjes en de rode steenbreek staan in bloei; De rattenpopulatie in Groot-Brittannië wordt geschat op 4-5 miljoen; in de straattaal van de East-Enders is het woordje ‘tart’ [slet of sloerie, AS] volstrekt uitwisselbaar met ‘girl’ zonder de bijbetekenis van prostituee – mensen spreken over hun eigen dochter of zus als een ‘tart’; onder de hop-plukkers is rijmend jargon niet uitgestorven, dus bijvoorbeeld ‘a dig in the grave’ [graven in het graf] betekent een ‘shave’ [scheerbeurt]; en aan het eind van juli 1940, als de dreiging van een Duitse invasie heel reëel wordt, “betrap ik mezelf er voortdurend op als ik door de straat loop, dat ik omhoog kijk naar de ramen om te zien welk raam als goede mitrailleurpost kan dienen.” De toestand van het weer wordt dagelijks genoteerd, net als het aantal eieren dat zijn kippen legden of de hoeveelheid melk die zijn geit opleverde. De dagboeken zouden in veel opzichten Orwells treffende woorden uit het essay Why I Write uit 1946 als opschrift kunnen dragen:

“Ik ben niet in staat om het wereldbeeld dat ik in mijn kindertijd heb verworven volledig los te laten, en ik wil dat ook niet. Zolang ik leef en gezond ben, zal ik … van al wat op aarde is blijven houden en plezier beleven aan concrete voorwerpen en flarden nutteloze informatie.”

Heel zelden formuleert de dagboekschrijver een sociaal-psychologische observatie, maar die is dan steeds opvallend origineel en scherpzinnig. Bijvoorbeeld over het seksuele leven van zwervers:

“Ze praten op een weerzinwekkende manier over seksuele onderwerpen. Zwervers gedragen zich afschuwelijk met betrekking tot dit onderwerp, omdat hun armoede hen weerhoudt van de omgang met vrouwen en ze worden daardoor overmand door obscene gedachten. Louter wellustige mensen gaan nog wel, maar mensen die wellustig zouden willen zijn maar de kans niet krijgen, worden er vreselijk door vernederd. Ze doen me denken aan de honden die jaloers rondhangen terwijl andere honden copuleren.”

In zijn onderzoek naar de arbeiders in Noord-Engeland tijdens de Depression [crisis in de jaren dertig, AS] geeft hij blijk van groot inlevingsvermogen en is het opmerkenswaardig dat hij aandacht heeft voor andermans hachelijke situatie, zoals bijvoorbeeld blijkt uit deze subtiele opmerking over een bepaald ongemak in het leven van de handarbeider: wachten.

“Als je een vast salaris ontvangt, wordt het op je bank gestort en neem je het op wanneer je wilt. Als je een onregelmatig uurloon of stukloon ontvangt, moet je het speciaal gaan halen op een tijdstip waarop iemand anders voor je klaar moet staan, vervolgens laat die je waarschijnlijk wachten en dien je je waarschijnlijk te gedragen alsof het uitbetalen van je loon een gunst is.”

En dan beschrijft hij het lange wachten in de kou, het gedoe en de kosten van het heen en weer reizen met de tram naar het betaalkantoor:

“Het resultaat van een lange gewenning aan dit soort dingen is dat de gegoede burger, binnen bepaalde grenzen, door het leven gaat in de verwachting te krijgen wat hij wil, terwijl de arbeider zich altijd de slaaf voelt van een min of meer geheimzinnige autoriteit. Ik was onder de indruk van het feit dat toen ik naar het stadhuis van Sheffield ging om bepaalde statistieken op te vragen, zowel Brown als Searle [twee lokale mijnwerkers met wie hij bevriend was, SL] – allebei mensen met een veel sterker karakter dan ikzelf – nerveus waren, niet met me mee het kantoor in wilden, en ervan uitgingen dat de gemeenteambtenaar de gevraagde informatie zou weigeren. Ze zeiden: “Hij zou het misschien aan jou geven, maar niet aan ons”. In de praktijk deed de gemeenteambtenaar uit de hoogte en kreeg ik niet alle informatie waar ik om vroeg. Maar het punt was dat ik ervan uitging dat mijn vraag beantwoord zou worden en de andere twee het tegendeel veronderstelden.”

Vervolgens ontwikkelen deze observaties zich tot bredere en gedurfdere overwegingen:

“Het is om deze reden dat in landen waar een klassenhiërarchie bestaat, mensen uit de hogere klasse altijd eerder de neiging hebben om naar voren te treden als het spannend wordt, hoewel ze daartoe niet werkelijk beter in staat zijn dan de anderen. Dat ze dat doen wordt altijd en overal min of meer als vanzelfsprekend beschouwd. Let op de passage in Lissagaray’s ‘History of the Commune’ [geschiedenis van de Commune van Parijs, AS] die de schietpartijen beschrijft nadat de [Parijse] Commune werd onderdrukt. Ze schoten de aanvoerders neer zonder vorm van proces, en omdat ze niet wisten wie de aanvoerders waren, pikten ze hen eruit op basis van het principe dat degenen die de hogere klasse vertegenwoordigden de aanvoerders zouden zijn. Eén man werd neergeschoten omdat hij een horloge droeg, een ander omdat hij ‘een intelligent gezicht’ had.”

De dagboeken zijn in een bondige, afstandelijke en onpersoonlijke stijl geschreven. Ik wil één voorbeeld er uitlichten – het is typerend zowel voor de drastische beperkingen van de vorm die de dagboekschrijver koos, als ook voor enkele opmerkelijke kenmerken van diens persoonlijkheid. Het is de aantekening van 19 augustus 1947 over het ongeluk in de draaikolk van Corryvreckan. De hele episode wordt afgehandeld in acht regels – de stijl is net zo zakelijk en emotieloos als die van een politierapport. Het zou voor de ongeïnformeerde lezer maar al te gemakkelijk zijn om het hele incident over het hoofd te zien, of in ieder geval de dramatische en bijna dodelijke aard ervan niet te onderkennen. Op die dag ontsnapten Orwell, zijn driejarige zoon en zijn neef en nicht (respectievelijk twintig en zestien) allemaal aan een bijna zekere verdrinkingsdood onder de meest angstaanjagende omstandigheden. Maar om de ernst van de gebeurtenis (die destijds in een krant in Glasgow stond) te kunnen inschatten, moet je het volledige verslag van Orwells neef lezen (in: Orwell Remembered, red. A. Coppard en B. Crick, London: BBC Books 1984, en uitgebreid geciteerd door B. Crick in: George Orwell: A Life, Londen: Secker and Warburg 1980).

Op Jura – een eiland behorend tot de Schotse Hebriden – was een afgelegen, spartaans ingerichte kluizenaarswoning waar Orwell in de laatste jaren van zijn leven met plezier de meeste tijd doorbracht – ten minste als hij niet in het ziekenhuis lag, want door zijn verslechterende gezondheid was hij al half invalide geworden. Daar bezat hij een kleine roeiboot met buitenboordmotor die hij gebruikte om te vissen (zijn grote passie) en voor korte kustexcursies. Toen hij terugkeerde van een van die excursies met zijn zoontje, zijn neef en zijn nicht, moest hij de beruchte Corryvreckan-draaikolk oversteken – een van de gevaarlijkste draaikolken in de Britse wateren. Normaal gesproken kan die oversteek maar heel kort veilig worden gemaakt, bij dood tij. Orwell misrekende zich – of hij las de getijdenkaart verkeerd of hij vergat die te raadplegen – en de kleine boot bereikte de gevaarlijke plek precies op het slechtste moment, toen er een kolkende ebstroom stond.

Orwell realiseerde zich zijn vergissing te laat; hij had al geen controle meer over de boot, en die werd heen en weer geslingerd door golven en wervelstromen; de buitenboordmotor, die niet goed was vastgemaakt, werd van de achtersteven losgerukt en door de zee opgeslokt. En nadat hij de boot met roeispanen in evenwicht had weten te houden en twee keer door de draaikolk was gevaren, voer Orwell naar een klein rotsachtig eilandje in de buurt. De boot kantelde net toen die door zijn neef aan land werd getrokken, waardoor de overige inzittenden en al hun spullen in de golven terechtkwamen. Orwell slaagde erin om zijn zoontje, die onder de boot klem zat, te bevrijden, en daarna konden hij en zijn zoontje en nicht veilig naar land zwemmen. Gelukkig was het zonnig weer. Orwell ging meteen aan de slag om zijn aansteker te drogen en wat brandstof te verzamelen – gras en turf – en al snel slaagde hij erin om een vuur te maken waarmee de schipbreukelingen zich enigermate wisten te drogen en te verwarmen. Toen Orwell het eilandje ging inspecteren, ontdekte hij een zoetwaterpoel die volgens hem gevoed werd door een zoetwaterbron, en daarnaast een grote hoeveelheid nestelende vogels. Onder zijn onverstoorbare en weldoordachte leiding verbleef de kleine groep daar zonder enige paniek. Enkele uren later – en dat was een buitengewoon toeval in zulke verlaten wateren – merkte een voorbijvarende kreeftenvisser hun aanwezigheid op en werden ze gered.

Vrijwel niets van deze dramatische opeenvolging van gebeurtenissen wordt overgebracht in Orwells onderkoelde notitie: de helft van de dagboekaantekening is gewijd aan natuurwaarnemingen: het gaat over de holen van de papegaaiduikers op het eilandje en over jonge aalscholvers die leren vliegen. Om een volledig beeld te krijgen, zoals ik al zei, moet je het verhaal van de neef lezen. Daarin word je ten eerste getroffen door Orwells gebrek aan praktische zeevaartkennis of gewoon zijn gebrek aan gezond verstand – en ten tweede door zijn kalmte, moed en volmaakte zelfbeheersing, waardoor het kleine gezelschap niet in paniek raakte. En toch maakte hij zich op dat moment geen illusies over hun overlevingskansen. Zoals hij zijn neef achteraf ronduit zei: “Ik dacht dat we er geweest waren.” En de neef gaf als commentaar: “Hij leek er bijna van te genieten.”

Conclusie: als je in een klein bootje de zee op moest, zou je Orwell niet als schipper kiezen. Maar bij schipbreuk, rampen of andere catastrofes kun je je geen beter gezelschap wensen.

                                                                          ________________

Orwell liet expliciete instructies achter dat er geen biografie over hem geschreven mocht worden en hij ontmoedigde zelfs actief een vroege poging. Hij vond dat “elk leven van binnenuit bekeken een reeks nederlagen zou zijn die te vernederend en te schandelijk zijn om over na te denken”. En toch is de postume behandeling die hij kreeg van zijn biografen en tekstbezorgers werkelijk bewonderenswaardig – denk in het bijzonder aan het werk van Bernard Crick en Peter Davison, wier boeken toonbeelden zijn van kritische intelligentie en geleerdheid.

John Henry Newman zei: “Het is altijd een lievelingsgedachte van me geweest (tenzij het, eerder dan een lievelingsgedachte, een waarheid is als een koe,) dat het leven van een man is te vinden in zijn brieven.” Deze selectie van Orwells correspondentie bevestigt Newmans observatie geheel en al – een observatie die overigens soms ook niet geldig is voor andere briefschrijvers, en vooral niet voor ‘letterkundigen’ die de neiging hebben om hun toon aan te passen aan de oren van degenen tot wie ze zich richten. Maar Orwell is altijd zichzelf en spreekt slechts met één stem: afstandelijk, zelfs tegenover oude vrienden; genereus tegenover volslagen vreemden; en hij behandelt iedereen met dezelfde oprechtheid. Het is zoals de directeur van de Indiase BBC-dienst (waarvoor Orwell tijdens de Tweede Wereldoorlog uitzendingen verzorgde) schreef: “Hij is open en eerlijk, niet in staat tot uitvluchten, en hij zou in vroeger tijden heilig zijn verklaard of op de brandstapel zijn beland! Beide lotgevallen zou hij met stoïcijnse moed hebben doorstaan.”

De brieven illustreren zijn voornaamste bekommernissen, interesses en hartstochten; ze belichten ook enkele opvallende aspecten van zijn persoonlijkheid.

Politiek

Orwells oude schoolvriend Cyril Connolly schreef ooit iets over Orwell dat heel beroemd is geworden: “Orwell was een politiek dier. Hij reduceerde alles tot politiek… Hij kon zijn neus niet snuiten zonder te gaan moraliseren over de toestanden in de zakdoek-industrie.” Deze opmerking is niet geheel onzinnig, maar kan ook heel misleidend zijn. Eileen, zijn vrouw – waarschijnlijk de enige persoon die hem ooit echt diepgaand heeft gekend, omdat ze er zowel in slaagde van hem te houden als met hem samen te leven (terwijl ze zelf absoluut niet iemand was om mee te sollen), had een veel scherpere kijk op de zaak. Ze zei dat Orwell gelukkig zou zijn geweest als hij op het platteland had gewoond (hij had een hekel aan het moderne stadsleven en verafschuwde Londen), zijn moestuin had mogen onderhouden en romans had kunnen schrijven. Orwell zelf zei herhaaldelijk bijna hetzelfde – en hij bewees het tijdens de laatste jaren van zijn leven toen hij zich vestigde op zijn geliefde eiland Jura (dat heel ontoegankelijk was). Hij had het al eerder verwoord in een vroeg gedicht (1935) – Orwells gedichten zijn misschien niet geweldig, maar ze brengen wel steeds zijn diepste gevoelens tot uitdrukking:

‘k Had een blije predikant kunnen zijn,
Tweehonderd jaar geleden,
Om te preken over ‘t hellevuur,
Terwijl mijn walnoot groeit;
Maar ach, geboren in een boze tijd
Heb ik dat toevluchtsoord gemist…

Orwell noemde zichzelf ooit half schertsend – maar slechts half – een ‘Tory Anarchist’ [conservatieve anarchist, AS]. En inderdaad, na zijn eerste ervaringen als jongeman bij de koloniale politie in Birma [het tegenwoordige Myanmar, AS], was de enige overtuiging die hij eraan overhield dat hij een hekel had aan imperialisme en alle vormen van politieke onderdrukking; elke autoriteit leek hem verdacht, en zelfs schreef hij: “reeds succes leek mij een vorm van intimidatie”. Nadat hij zich verdiept had in de omstandigheden van arbeiders in de industriegebieden van Noord-Engeland tijdens de crisis in de jaren dertig, ontwikkelde hij een brede, niet-partijgebonden toewijding aan het ‘socialisme’: “socialisme betekent rechtvaardigheid en vrijheid als de onzin ervan af wordt gehaald.” Het beslissende keerpunt in zijn politieke bewustwording vond plaats in Spanje, waar hij zich vrijwillig had aangemeld voor de strijd tegen het fascisme. Eerst werd hij bijna gedood door een fascistische kogel en daarna ontsnapte hij er ternauwernood aan te worden vermoord door de stalinistische geheime politie:

“Wat ik in Spanje zag, en wat ik sindsdien heb gezien van de manier waarop linkse politieke partijen intern functioneren, heeft afschuw van het politieke bedrijf in mij opgewekt… Ik ben absoluut ‘links’, maar ik geloof dat een schrijver alleen eerlijk kan blijven als hij zich verre houdt van enige partij-binding.” [Nadruk SL]

Vanaf dat moment was hij van mening dat het de voornaamste plicht was van een socialist om het totalitarisme te bestrijden, wat in de praktijk betekende: “de afbraak van de sovjetmythe, want er is niet veel verschil tussen fascisme en stalinisme.” Voor zover ze over politiek gaan, richten Orwells brieven zich op de strijd tegen het totalitaire streven. Hierbij zijn de drie meest opvallende kenmerken van Orwells houding zijn intuïtieve begrip van de concrete werkelijkheid, zijn ondogmatische benadering van politiek (samengaand met een diep wantrouwen jegens linkse intellectuelen) en zijn besef dat menselijkheid altijd op de eerste plaats komt. Hij meende zelf dat dit de bron was van zijn vasthoudendheid:

“Als ik meen dat mensen zoals wij de situatie beter begrijpen dan zogenaamde experts, ligt dat niet in ons vermogen om bepaalde gebeurtenissen juist te voorspellen, maar in het vermogen om te begrijpen in wat voor wereld we eigenlijk leven.”

Dit griezelige vermogen kreeg zijn meest welsprekende bevestiging toen sovjetdissidenten die Animal Farm in het Russisch wilden vertalen (voor clandestiene verspreiding achter het IJzeren Gordijn) hem om toestemming voor die vertaling vroegen: ze schreven in het Russisch in de veronderstelling dat een schrijver die zo’n verfijnd en grondig begrip had van de sovjetrealiteit – in scherpe tegenstelling tot de treurige onwetendheid van de meeste westerse intellectuelen – natuurlijk vloeiend Russisch moest spreken!

Ondogmatische benadering: in een brief aan een oude schoolvriendin (1 januari 1938) schreef Eileen dat ze hun hondje ‘Marx’ hadden genoemd “om ons eraan te herinneren dat we Marx nooit hadden gelezen, en nu we af en toe wat van hem hebben gelezen, hebben we zo’n hekel aan de man gekregen dat we de hond niet aan kunnen kijken als we met hem praten”.

Orwells afkeer van al die “onwelriekende orthodoxietjes die strijden om onze ziel” verklaart ook zijn wantrouwen en minachting jegens intellectuelen. Deze houding had hij al heel lang, zoals hij in een brief van oktober 1938 memoreert:

“Wat me mateloos irriteert aan linkse mensen, vooral de intellectuelen, is hun volslagen onwetendheid over de manier waarop dingen in de praktijk gebeuren. Dit viel me altijd al op toen ik in Birma was en anti-imperialistische teksten las.”

De koloniale ervaring leerde Orwell het imperialisme te haten, maar zorgde er ook voor dat hij (net als de hoofdpersoon in een Kipling-verhaal) respect kreeg voor “mannen die dingen doen”. “Intellectuelen deprimeren me vreselijk” is een ander thema dat vaak voorkomt in de Life of Letters. “Intellectuelen zijn vaker totalitair”; “… het gevaar is dat bepaalde inheemse vormen van totalitarisme hier ontwikkeld zullen worden, en mensen als Laski, Pratt, Zilliacus, The News Chronicle en al die anderen lijken me daartoe slechts voorbereidingen te treffen.” Was de situatie in Londen al deprimerend, in Parijs (dat hij in 1945 bezocht) was het ronduit somber: “Sartre is een grote windbuil”; “Franse uitgevers krijgen nu van Aragon [beroemd schrijver en vooraanstaand lid van de Communistische Partij, SL] en anderen commando’s om geen ongewenste boeken uit te geven.” Zijn eigen Animal Farm werd in negen talen vertaald, maar “het moeilijkst te regelen was die in het Frans. Eén uitgever tekende een contract en zei vervolgens dat het toch ‘niet mogelijk was om politieke redenen’.” “In Frankrijk kreeg ik de indruk dat bijna niemand meer iets geeft om persvrijheid, enz. De bezetting leek me een vreselijk neerdrukkend effect op de mensen te hebben gehad of misschien was er al jaren voor de oorlog een soort intellectuele decadentie ingetreden.” (Maar hij voegde eraan toe: “Het vreemde is dat er bij al dit morele verval in de afgelopen tien jaar of zo, zich veel meer literair talent in Frankrijk heeft voorgedaan dan in Engeland, of waar dan ook, moet ik misschien zeggen.”) Helaas heeft hij toen Camus niet ontmoet, wat hij betreurde. Deze twee mannen zouden zeker een gemeenschappelijke taal hebben kunnen vinden. In een brief van mei 1948 lanceerde hij een welgemikte aanval op Emmanuel Mounier en diens schare christelijke fellow-travellers: “Het is grappig dat toen ik Mounier in 1945 een minuut of tien sprak, ik bij mezelf dacht: deze man is een fellow-traveller; ik kan ze ruiken.” (En – als ik hier mag inbreken met een persoonlijke ervaring – wat ken ik ze zelf ook goed! Al mijn in duisternis verzonken medegelovigen, randdebiele geestelijken en andere maoïstische verdwaasden die twintig jaar later het evangelie van de Chinese ‘Culturele Revolutie’ zouden verkondigen…)

Nog één opmerking over Orwells politieke opvattingen: uiteindelijk lijkt Orwell in wezen te zijn teruggekeerd naar zijn oorspronkelijke positie van ‘Tory Anarchist’. In een brief aan Malcolm Muggeridge (4 december 1948 – de brief kwam pas heel laat boven water, en die staat helaas niet in Davison’s editie van de Collected Works, en evenmin in de Life in Letters; de brief werd afgedrukt in de Times Literary Supplement toen de Collected Works verschenen) staat een uitspraak die mij van fundamenteel belang lijkt: “De echte scheidslijn ligt niet tussen conservatieven en revolutionairen, maar tussen autoritairen en libertariërs [hier op te vatten als enigszins naar het anarchisme neigende vrijheidslievenden, AS].”

De menselijke factor

Zelfs in het heetst van de strijd, en juist omdat hij ideologie wantrouwde – ideologie doodt – bleef Orwell zich er altijd scherp van bewust dat de individuele mens zonder meer belangrijker is dan al die ‘onwelriekende orthodoxietjes’. Zijn briefwisseling (en daaropvolgende vriendschap) met Stephen Spender is hier een prachtig voorbeeld van. Orwell had Spender eerder belachelijk gemaakt (“parlour bolshevik” [babbelbolsjewiek, AS], “pansy poet” [viooltjesdichter, AS]); vervolgens kwamen ze elkaar tegen: de ontmoeting was eigenlijk heel prettig, wat Spender verbaasde, die Orwell hierover aansprak. Orwell, die daarna met Spender bevriend raakte, antwoordde:

“Je vraagt hoe het komt dat ik je aanviel zonder je ontmoet te hebben, & vervolgens weer van gedachten veranderde na je ontmoet te hebben…. [Daaraan voorafgaand, SL] was ik bereid jou te gebruiken als symbool van de ‘babbelbolsjewiek’, omdat a. jouw verzen … mij niet zo veel deden, b. ik jou zag als het modieuze geslaagde type, tevens een communist of communistische sympathisant, & ik erg vijandig sta tegenover de C.P. [communistische partij, AS] sinds ongeveer 1935, en c. juist omdat ik je niet ontmoet had, ik je kon zien als een type en zelfs als een abstractie. Ook als ik je, toen ik je eenmaal ontmoette, niet aardig had gevonden, had ik mijn houding moeten veranderen, want als je iemand in levenden lijve ontmoet, besef je onmiddellijk dat hij een mens is en niet een soort karikatuur die bepaalde ideeën belichaamt. Het is deels om deze reden dat ik niet veel in literaire kringen verkeer, omdat ik uit ervaring weet dat als ik eenmaal iemand heb ontmoet en met hem heb gesproken, ik nooit meer in staat zal zijn om enig intellectueel geweld jegens hem te gebruiken, zelfs als ik het gevoel heb dat ik dat zou moeten doen, zoals jegens die Labour M.P.s [linkse parlementsleden, AS] die een schouderklopje krijgen van de hertog, en voor altijd verloren zijn.”

Wat onmiddellijk doet denken aan een opmerkelijke passage uit Hommage to Catalonia: Orwell beschreef daarin hoe hij, vechtend aan het front tijdens de Spaanse burgeroorlog, een man uit een vijandelijke loopgraaf zag springen, half ontkleed en met beide handen zijn broek vasthoudend terwijl hij wegrende:

“Ik schoot toen niet, mede door die omhoog gehouden broek. Ik was hier gekomen om op ‘fascisten’ te schieten; maar een man die zijn broek omhoog houdt is geen ‘fascist’, hij is zichtbaar een medemens, vergelijkbaar met jezelf, en je kunt het daarom niet opbrengen om op hem te schieten.”

Literatuur

In een overigens stimulerend essay schreef Irving Howe: “Het laatste waar Orwell om gaf toen hij Nineteen Eighty-Four schreef, het laatste waar hij om had moeten geven, was literatuur.” Deze opvatting zit er totaal naast. Wat het schrijven van Nineteen Eighty-Four tot zo’n slopende worsteling maakte (waarvan de Life of Letters overvloedig bewijs leveren) was juist het probleem om een politieke visie om te zetten in “een kunstwerk”. (Denk aan Why I Write: “Ik zou het werk van het schrijven van een boek of zelfs een lang tijdschriftartikel niet kunnen doen als het niet ook een esthetische ervaring was.”) Als Nineteen Eighty-Four uiteindelijk niet volledig kon voldoen aan Orwells veeleisende literaire normen, dan was dat alleen maar omdat hij onder onmogelijke omstandigheden moest werken: hij stond onder tijdsdruk en was door een dodelijke ziekte invalide geworden. Dat hij in deze toestand uiteindelijk zo’n ambitieus werk kon voltooien, was op zichzelf al een verbazingwekkende prestatie.

Vanaf het allereerste begin was literatuur altijd Orwells eerste zorg. Dit is voortdurend zichtbaar in zijn correspondentie: sinds zijn vroege jeugd “wist ik altijd al dat ik wilde schrijven”. Deze uitspraak wordt in verschillende vormen herhaald, door de jaren heen, tot aan het einde. Maar het kostte hem veel tijd (en ongelooflijk hard werken) om te ontdekken wat hij moest schrijven en hoe hij het moest schrijven. (Zijn eerste literaire poging was een lang gedicht dat uiteindelijk werd weggegooid.) Het schrijven van romans werd zijn hartstochtelijke streven – en een ellendige beproeving: “Het schrijven van een roman is een kwelling.” Uiteindelijk concludeerde hij (volgens sommigen terecht): “Ik ben geen echte romanschrijver.” En toch zei hij nog kort voor zijn dood opgewonden tegen zijn vriend en uitgever Fredric Warburg: “Ik heb een prachtig idee voor een heel korte roman.”

Zoals uit Life in Letters blijkt, kwam hij tot een loepzuivere beoordeling van zijn eigen werk. Onder zijn vier ‘conventionele’ romans behield hij een zekere voorliefde voor Burmese Days, dat in zijn ogen trouw bleef aan zijn Birmese herinneringen. Hij voelde zich “beschaamd” over Keep the Aspidistra Flying en, nog erger, over A Clergyman’s Daughter en wilde niet toestaan dat ze werden herdrukt: “Ze zijn geschreven … voor geld … Op dat moment had ik simpelweg geen boek in me, maar ik was half uitgehongerd.” Hij was terecht blij met Coming Up for Air, met relatief gemak in één ruk geschreven, en het is inderdaad een zeer opmerkelijk boek – over een verkoper van verzekeringen die ontdekt dat de plaatsen die hij als jongen kende, zijn kapot gemaakt – en het is heel vooruitziend, in het licht van de huidige zorg om het milieu. Onder de boeken die het waard zijn om herdrukt te worden noemde hij (in 1946 – Nineteen Eighty-Four was nog niet geschreven) als de voornaamste, en in volgorde van belangrijkheid: Hommage to Catalonia; Animal Farm; Critical Essays; Down and Out in Paris and London; Burmese Days; Coming Up for Air.

De gewone man

De buitengewoon grote moeite die Orwell deed bij zijn vergeefse pogingen om van zichzelf een gewone man te maken, wordt goed geïllustreerd door de episode van de kruidenierszaak in Wallington, waarover Life in Letters kleurrijke informatie verschaft. In april 1936 begon Orwell met het huren en drijven van een dorpskruidenierswinkeltje dat gevestigd was in een oud, donker en sjofel optrekje – ongezond en verstoken van alle basisvoorzieningen (geen binnen-toilet, geen kookgelegenheid, geen elektriciteit – alleen olielampen als verlichting). Op regenachtige dagen stond de keukenvloer onder water; verstopte afvoeren maakten van de hele plek een stinkende beerput. Davison concludeert: “Je kunt zonder spot zeggen dat het Orwell op het lijf geschreven was.” En het paste vooral bij Eileen, zijn fantastische Orwelliaanse vrouw. Ze kwam bij hem inwonen op de dag van hun huwelijk, in 1936, en de manier waarop ze dit onwaarschijnlijke huis beheerde getuigt zowel van haar onverschrokkenheid als van haar excentrieke gevoel voor humor. De inkomsten uit de winkel dekten bijna nooit de huur van het huisje. De belangrijkste klanten waren kleine kinderen uit de buurt die na schooltijd voor een paar centen lolly’s kochten. Aan het eind van het jaar ging de kruidenierswinkel failliet, maar op dat moment had het zijn ware bestemming al bereikt: Orwell was toen in Barcelona als vrijwilliger om te vechten tegen het fascisme, en toen hij zich aanmeldde bij de anarchistische militie, kon hij trots tekenen met: “Eric Blair, kruidenier”.

Eerlijkheid

Orwells gevoel voor eerlijkheid was zo zuiver dat het zelfs Stalin betrof. Toen Animal Farm op het punt stond gedrukt te worden, stuurde Orwell op het allerlaatste moment nog een correctie die net op tijd werd uitgevoerd. (Zoals alle lezers zich zullen herinneren, is “Napoleon” de naam van het zwijn dat de baas is, en dat in Orwells fabel Stalin voorstelt).

“In hoofdstuk VIII, als de windmolen wordt opgeblazen, schreef ik: ‘alle dieren inclusief Napoleon stortten zich met hun gezicht ter aarde.’ Ik zou het willen veranderen in ‘alle dieren behalve Napoleon.’ Ik bedacht zojuist dat deze aanpassing recht zou doen aan Stalin omdat hij in Moskou bleef tijdens de opmars van de Duitsers.”

Armoede en slechte gezondheid

Orwell was verregaand stoïcijns en klaagde nooit over materiële en fysieke omstandigheden, hoe schrijnend die vaak ook waren. Maar uit de informatie in de brieven wordt duidelijk dat zijn materiële onzekerheid (die soms de vorm van extreme armoede aannam) pas drie jaar voor zijn dood ophield, toen hij zijn eerste royalty’s voor Animal Farm ontving, en dat terwijl zijn gezondheid vrijwel vanaf zijn terugkeer uit Birma op vijfentwintigjarige leeftijd, een ernstig en blijvend probleem werd (ongediagnosticeerde tuberculose). In latere jaren had hij frequente, langdurige en vaak pijnlijke behandelingen nodig in verschillende ziekenhuizen. De laatste twaalf jaar van zijn korte leven (hij stierf op zesenveertigjarige leeftijd in 1950) was hij in feite invalide, maar hij stond er toch op om het grootste deel van de tijd door te gaan met zijn normale activiteiten.

Zijn hele schrijverscarrière duurde maar zestien jaar. De hoeveelheid en de kwaliteit van het werk dat hij in deze relatief korte tijdspanne produceerde zou zelfs voor een gezonde man met vrije tijd opmerkelijk zijn; dat hij het voor elkaar kreeg in de afschuwelijke toestand van permanente slechte gezondheid en armoede is gewoonweg verbijsterend.

Vrouwen

In zijn relaties met vrouwen lijkt Orwell over het algemeen onhandig en onbeholpen te zijn geweest. Hij werd gemakkelijk door hen aangetrokken, terwijl zij hem zelden aantrekkelijk vonden. Toch vond hij door een wonderbaarlijk geluk in Eileen O’Shaughnessy een vrouw die niet alleen in staat was om hem heel goed te begrijpen, maar ook om echt van hem te houden en zijn buitenissigheden te verdragen, zonder ook maar iets van haar eigen originaliteit op te geven – een originaliteit die nog steeds in al haar brieven doorschemert. Als Orwell aan een kant een mislukte dichter was, dan was Eileen van haar kant pure poëzie.

Na haar vroegtijdige dood in 1945 was Orwell lange tijd uit het veld geslagen en ellendig. Een jaar later benaderde hij abrupt een getalenteerde jonge vrouw die hij nauwelijks kende (ze woonden in hetzelfde gebouw). En met een zelfmedelijden dat totaal niet paste bij zo’n trotse man, en ook  overigens pijnlijk uit de toon viel, schreef hij haar hoe ziek hij was en bood hij haar aan om “de weduwe van een literator te worden”.

“Ik besef heel goed dat ik niet geschikt ben voor iemand als jij, die jong en knap is…. Het is alleen dat ik me zo wanhopig alleen voel… Ik heb … geen vrouw die interesse in me heeft en me kan aanmoedigen… Natuurlijk is het absurd dat iemand zoals ik wil vrijen met iemand van jouw leeftijd. Ik zou het wel willen, maar … ik zou niet beledigd of zelfs gekwetst zijn als je gewoon nee zegt …”

De vrouw was verbijsterd en ontmoedigde hem beleefd.

Enkele jaren daarvoor maakte hij ook al een ongelukkige en ongewenste toenadering tot een andere vrouw; deze episode wordt door de tekstbezorger met beschamende precisie gedocumenteerd – waarbij lezers zich misschien Orwells afkeer van het concept ‘biografie’ zouden kunnen herinneren. Hebben biografen, hoe serieus en nauwgezet ook, echt het recht of de noodzaak om zulke intieme details te onderzoeken en openbaar te maken? Toch lezen we ze. Is het juist dat we dat doen? Deze vragen zijn niet retorisch bedoeld. Ik weet het antwoord eerlijk gezegd niet.

Vaste objecten en stukjes nutteloze informatie – bomen, vissen, vlinders en padden

Orwell schreef in Why I Write “plezier te beleven aan vaste objecten en flarden nutteloze informatie”. In zijn beroemde stuk Some Thoughts on the Common Toad voegde hij daar aan toe:

“Als een mens niet kan genieten van de terugkeer van de lente, waarom zou hij dan gelukkig worden in een vrijetijds-utopia? Ik denk dat je een vreedzame en fatsoenlijke toekomst een beetje waarschijnlijker maakt door je jeugdliefde voor dingen als bomen, vissen, vlinders en – om tot mijn eerste voorbeeld terug te keren – padden te behouden.”

Zijn sympathieke en eigenzinnige smaak, zijn onuitputtelijke en liefdevolle aandacht voor alle aspecten van de wereld van de natuur, duiken voortdurend op in zijn correspondentie. De brieven staan ​​vol met ontwapenende non sequiturs [het één volgt niet uit het ander, AS]: hij onderbreekt bijvoorbeeld enkele overpeinzingen over de Spaanse Inquisitie om te wijzen op het dagelijkse bezoek van een egel aan zijn badkamer. Terwijl hij in 1939 buitenshuis is, schrijft hij een brief aan de vriend die voor zijn huis zorgt: zijn zorgen over de dreigende oorlog maken zonder overgang plaats voor interesse in zijn groentetuin en de bevruchting van zijn geit:

“Ik hoop dat het dekken van Muriel is doorgegaan. Het is trouwens een weinig verheffend schouwspel, mocht je het toevallig hebben gezien. Ik ben benieuwd: is mijn rabarber opgekomen? Ik had er heel veel van, maar vorig jaar heeft de vorst het verpest.”

Aan een anarchistische vriend (die hoogleraar Engels is geworden aan een Canadese universiteit) schrijft hij vanuit zijn Schotse toevluchtsoord een hele pagina, waarin hij tot in detail alle aspecten van het leven en werk van de plaatselijke pachters beschrijft. Opnieuw blijkt hieruit de permanente en onuitputtelijke belangstelling voor ‘mensen die dingen doen’ in de echte wereld.

Het einde

Terwijl hij al in het ziekenhuis lag, trouwde hij drie maanden voor zijn dood met Sonia Brownell. Destijds koesterde hij nog de illusie dat hij een paar jaar te leven had en hij nam zich voor het jaar daarop een boek met essays te schrijven, waarin ook een lang essay over Joseph Conrad zou staan ​​(mocht het ooit geschreven zijn, dan is het nu verloren gegaan). Hij zei ook dat hij nog twee boeken in gedachten had, naast een “verbluffend idee voor een heel kort verhaal”.

Hij begon plannen te maken om een ​​varken, beter gezegd een zeug, te houden in zijn Schotse kluizenaarswoning op de Hebriden. Zoals hij zijn zus, die er toezicht op hield, schreef:

“Het enige probleem is om haar eenmaal per jaar bij een beer [mannetjesvarken, AS] in de buurt te krijgen. Ik neem aan dat je in de herfst een drachtige zeug kunt kopen om die rond maart te laten werpen, maar je moet er wel heel zeker van zijn dat ze echt de eerste keer zwanger is.”

Toen hij stierf, stond in zijn ziekenhuiskamer, vlak voor hem tegen de muur, een prachtige nieuwe hengel, een luxe die hij zichzelf had toegestaan toen hij de eerste royalty’s van Nineteen Eighty-Four ontving. Hij heeft nooit de kans gehad om er gebruik van te maken.

Zijn allereerste liefde die terugging tot zijn adolescentie en jeugd – ze was nu een vrouw van middelbare leeftijd – schreef hem onverwachts in het ziekenhuis, na een verwijdering en een stilzwijgen van ongeveer zevenentwintig jaar. Hij was verrast en dolblij, en hij hervatte de correspondentie. In zijn laatste brief aan haar trok hij de conclusie dat hij, hoewel hij slechts in staat was maar heel vaagjes te geloven in een soort hiernamaals, hij één zekerheid had: “Niets zal ooit sterven.”