Tagarchief: Czeslaw Milosz

Over de afschaffing van alle politieke partijen – Simone Weil

Ten geleide

Dit is een nieuwe vertaling van een heel merkwaardige tekst die radicaal klinkt en toch zeer serieuze overweging verdient: Note sur la suppression générale des partis politiques.

De kern is de verdediging van het echte, zuivere, individuele denken, en de mate waarin dat streven gecorrumpeerd wordt door de geest van partijdigheid.

Simone Weil (1909-1943) is een interessante schrijfster. Over haar intellectuele ontwikkeling en haar biografie heeft Czesław Miłosz een fraai essay geschreven dat elders op deze website in vertaling beschikbaar is. Ook heel leesbaar is de beschouwing van de Belgische sinoloog en schrijver Simon Leys over de vriendschap tussen Albert Camus en Czesław Miłosz die mede tot stand kwam door een gedeelde liefde voor het werk van Simone Weil.

Het is ten slotte goed om te bedenken dat deze tekst werd geschreven door een joodse vrouw in 1943.

Twee versies van de oorspronkelijke Franse tekst zijn hier beschikbaar: het betreft de eerste publicatie die na Weils vroegtijdige dood in 1950 verscheen in het tijdschrift La Table Ronde, nr. 26, p. 9-28, en de editie uit 1957 in Écrits de Londres et dernières lettres, Gallimard, p. 126-148.

Ik heb de tekst vertaald uit het Frans, waarbij ik de Engelse vertaling door Simon Leys af en toe heb gebruikt als mijn kennis van het Frans me eventjes in de steek liet.

Ik heb ook de Engelse titel gebruikt voor mijn Nederlandse vertaling. Als je de Franse titel strikt zou volgen, zou je iets krijgen als: Aantekening over de algehele afschaffing van politieke partijen. Ook niet verkeerd, maar wel iets minder pakkend.

Het essay van Weil is al eerder vertaald: Simone Weil & Alicja Gescinska (Gescinska is de vertaalster), Politiek zonder partijen. Antwerpen: Davidsfonds 2023. Het essay van Weil heet hier in vertaling Aantekening over de algemene afschaffing van politieke partijen.

En er is bij Letterwerk nog een andere vertaling verschenen, ook in 2023: Nota over de algemene afschaffing van de politieke partijen.

Dan nu de vertaling:

Over de afschaffing van alle politieke partijen

Het woord ‘partij’ wordt hier gebruikt in de betekenis die het heeft op het Europese vasteland. Het woord duidt in Angelsaksische landen op een totaal andere realiteit, die wortels heeft in de Engelse traditie waardoor het begrip niet gemakkelijk overgeplant kan worden. De ervaringen van de afgelopen anderhalve eeuw laten dit duidelijk genoeg zien.[1] Binnen de Angelsaksische partijen heerst een element van spel, van sport, dat alleen kan bestaan in een instelling met een aristocratische oorsprong; in instellingen die van meet af aan volks zijn, gaat alles veel zwaarwichtiger toe.

In het Frankrijk van 1789 maakte het idee ‘partij’ geen deel uit van het politieke denken, behalve als een kwaad dat vermeden moest worden. Maar er was wel een Club de Jacobins [jakobijnen]. Aanvankelijk was dat een forum voor open discussie. Er was geen funest intern mechanisme van kracht dat hierin vervolgens verandering bracht. Pas de tweevoudige druk van oorlog en guillotine was de oorzaak dat deze beweging zich ontwikkelde tot een totalitaire partij.

De felle strijd die uitbrak tijdens de Terreur werd beheerst door de treffende uitspraak van Tomski[2]: “Eén partij aan de macht en alle andere in de gevangenis”. Op het Europese vasteland is totalitarisme daarmee de erfzonde van alle politieke partijen.

Dat er partijen in het Europese openbare leven tot stand kwamen was enerzijds de erfenis van de Terreur en anderzijds de invloed van de Engelse politiek. Maar het loutere feit dat die partijen nu bestaan is geen reden om ze te behouden. Alleen het goede erin kan een legitieme reden zijn. Het kwaad van de politieke partijen is duidelijk. Het probleem dat onderzocht moet worden is of er iets goeds in schuilt dat ruim opweegt tegen het slechte, iets wat hun bestaan daarmee wenselijk zou maken.

Maar het ligt eigenlijk veel meer voor de hand om te vragen: Zit er überhaupt wel iets goeds in? Zijn ze niet puur slecht, komen ze althans daar niet dicht bij in de buurt?

Als ze inderdaad slecht zouden zijn, dan staat vast dat ze feitelijk en praktisch alleen maar kwaad kunnen stichten. Zoals uitgedrukt in dit bijbelwoord: “Een goede boom kan geen slechte vruchten voortbrengen en een slechte boom kan geen goede vruchten voortbrengen.”[3]

Maar eerst moeten we vaststellen wat het criterium voor ‘goed’ is. Dat kan alleen maar waarheid en recht zijn, en daarmee: het algemeen belang.

Zaken als democratie, de keuze van de meerderheid, zijn niet zonder meer goed. Het zijn slechts middelen om het goede te bereiken, en hun effectiviteit spreekt geenszins vanzelf. Als niet Hitler maar de Weimarrepubliek had besloten, met behulp van keurig nageleefde parlementaire en wettelijke middelen, om de Joden in concentratiekampen te stoppen en ze geraffineerd dood te martelen, zou het martelen geen flintertje meer legitimiteit hebben gehad dan het nu heeft. En zoiets is bepaald niet ondenkbaar.

Alleen wat rechtvaardig is, is legitiem. Misdaad en leugens kunnen op geen enkele manier legitiem zijn.

Ons republikeinse ideaal komt volledig voort uit Rousseau’s idee van de ‘algemene wil’. Maar de betekenis van het begrip ging vrijwel onmiddellijk verloren, omdat het complex en veeleisend is. Afgezien van een paar hoofdstukken zijn er maar weinig boeken zo mooi, sterk, goed doordacht en scherp geformuleerd als Het maatschappelijk verdrag[4]. Men zegt vaak dat het een van de boeken is die een enorme invloed hebben gehad. Maar in feite ging destijds, en gaat nu nog steeds, alles door alsof het boek nooit gelezen is.

Rousseau had twee voor de hand liggende premissen. Allereerst dat de rede recht en onbetwijfelbaar nut aanwijst, en dat zij ook voor die dingen kiest, terwijl dwaling en kwaad worden ingegeven door hartstocht. De tweede is dat de rede identiek is in alle mensen, terwijl de hartstochten meestal verschillen. Als iedereen nu geheel zelfstandig nadenkt over een algemeen probleem en daarover zijn mening geeft, heeft dit, wanneer je die meningen vervolgens met elkaar vergelijkt, tot gevolg dat ze, voor zover ze redelijk en rechtvaardig zijn, waarschijnlijk overeen zullen komen, en dat ze zullen verschillen met betrekking tot de onrechtvaardigheden en dwalingen.

Alleen met behulp van zo’n soort redenering kun je concluderen dat een breed gedragen overeenstemming ook naar de waarheid verwijst.

Waarheid is één. Rechtvaardigheid is één. Dwalingen en onrechtvaardigheden zijn oneindig gevarieerd. Dus mensen komen elkaar nader in wat rechtvaardig en waar is, terwijl leugen en misdaad ervoor zorgen dat ze eindeloos ver uit elkaar gedreven worden. Omdat eenheid ons kracht geeft, moeten we hopen een bruikbaar middel te kunnen vinden om waarheid en recht sterker te maken dan misdaad en dwaling. Wat we daarvoor nodig hebben, is een geschikt mechanisme. Als democratie zo’n mechanisme is, is zij goed. Anders niet.

Een dwalende volkswil was in de ogen van Rousseau geenszins superieur – daarin had hij gelijk – aan de dwalende wil van een enkeling. Maar Rousseau meende alleen dat de algemene wil van een gehele natie grotere kans maakte om in overeenstemming te zijn met rechtvaardigheid, en wel omdat conflicterende hartstochten elkaar neutraliseren door elkaar onderling tegenwicht te bieden. Voor hem was dit de enige reden om de voorkeur te geven aan de volkswil boven de wil van de enkeling.

Zo is een bepaalde waterhoeveelheid, hoewel die bestaat uit deeltjes die voortdurend bewegen en botsen, in een volmaakt rustig evenwicht. Het water weerkaatst het beeld van voorwerpen met een onberispelijke waarheidsgetrouwheid. Het oppervlak is zuiver horizontaal. Het geeft ook feilloos de dichtheid aan van de voorwerpen die erin worden ondergedompeld.

Als door hun hartstochten tot misdaad en leugens geneigde individuen op zo’n manier worden verenigd tot een waarheidlievend en rechtvaardig volk, dan is er goede reden dat volk soeverein te maken. Een democratische grondwet is pas goed wanneer het dat volk primair in staat stelt deze evenwichtstoestand te bereiken, want alleen zo kan de volkswil worden uitgevoerd.

Een allegorie van de Franse Revolutie (1789) door Jeanne-Louise (Nanine) Vallain (1767-1815).
(Dit schilderij hing in de vergaderzaal van de Jakobijnen.)

De ware geest van 1789 bestaat er niet in dat iets rechtvaardig is omdat het volk het wil, maar dat onder bepaalde voorwaarden de wil van het volk waarschijnlijk het meest in overeenstemming is met rechtvaardigheid.

Er zijn verschillende onmisbare voorwaarden voor het toepassen van de algemene wil. Twee ervan verdienen hier onze bijzondere aandacht.

De eerste voorwaarde is dat wanneer de mensen zich bewust worden van hun streven, en er uitdrukking aan geven, er geen enkele sprake mag zijn van ook maar enige collectieve hartstocht.

Het is overduidelijk dat Rousseau’s redenering in elkaar zakt zodra er sprake is van collectieve hartstochten. Rousseau besefte dit heel goed. Collectieve hartstochten zijn aanzetten tot kwaad en dwaling, en ze zijn oneindig krachtiger dan welke individuele hartstocht dan ook. En in zulke gevallen neutraliseren kwade impulsen elkaar niet, maar ze versterken elkaar vrijwel oneindig. De druk is bijna onweerstaanbaar, behalve voor echte heiligen.

Water dat in beweging wordt gebracht door een woeste, onstuimige stroming reflecteert niet langer voorwerpen, heeft niet langer een horizontaal oppervlak, en geeft niet langer dichtheden op correcte wijze aan. En het maakt weinig uit of de turbulentie op gang wordt gebracht door één enkele stroming of door vijf of zes stromingen die op elkaar botsen en voor woelingen zorgen. Het is in alle gevallen even turbulent.

Als één enkele collectieve hartstocht een heel land in zijn greep krijgt, is het hele land eensgezind in zijn misdaad. Als twee of vier of vijf of tien collectieve hartstochten het land verdelen, is het land  verdeeld tussen verschillende criminele bendes. De verschillende collectieve hartstochten kunnen niet geneutraliseerd worden, zoals het geval is met een verzameling individuele hartstochten die verenigd zijn tot een massa; het aantal is veel te klein, de kracht van elke hartstocht is veel te groot om geneutraliseerd te kunnen worden. De onderlinge strijd maakt het nog erger. Ze botsen op elkaar met een hels kabaal zodat het onmogelijk wordt om zelfs maar eventjes de stem van recht en waarheid te horen, een stem die sowieso al moeilijk hoorbaar is.

Als een land in de greep is van een collectieve hartstocht, is de kans groot dat elke individuele wil dichter bij recht en rede ligt dan de algemene wil, of – beter gezegd – bij de karikatuur van die algemene wil.

De tweede voorwaarde is dat het volk zijn wil tot uitdrukking moet brengen met betrekking tot problemen die iedereen aangaan, en dat het volk niet simpelweg een keuze moet maken tussen verschillende personen, en al helemaal niet een keuze tussen verschillende onverantwoordelijke organisaties; de algemene wil heeft immers niets te maken met zulke keuzes.

Als er in 1789 al enigszins sprake was van een uiting van de algemene wil – bij gebrek aan beter was er weliswaar een systeem van vertegenwoordiging ingevoerd – dan was dat omdat men iets had dat veel bruikbaarder was dan verkiezingen. Alles wat in het hele land zich roerde of bewoog – en het land bruiste in die tijd van leven – probeerde zich uit te drukken door middel van cahiers de revendications [programma’s van eisen]. De meesten van de toekomstige volksvertegenwoordigers hadden bekendheid verworven door hieraan mee te doen, en ze waren de geestdrift die dat had opgeroepen niet vergeten; ze voelden dat de mensen aandachtig naar hun woorden luisterden, omdat deze mensen het belangrijk vonden dat hun streven juist werd weergegeven. Voor heel even – echt maar een heel korte tijd – waren deze vertegenwoordigers uitsluitend de spreekbuis van wat het publiek voelde en dacht.

Dat was eens maar nooit weer.

De genoemde twee voorwaarden laten onmiddellijk zien dat we nooit iets hebben gekend dat ook maar in de verste verte op een democratie lijkt. In wat wij een democratie noemen, heeft het volk nooit de mogelijkheid of de middelen om zich uit te spreken over welk probleem van het openbare leven dan ook. Alles wat het individuele belang overstijgt, wordt overgelaten aan collectieve hartstochten, die systematisch en officieel worden aangewakkerd.

Alleen al het gebruik van de begrippen ‘democratie’ en ‘republiek’ maakt het onontkoombaar om de volgende twee problemen heel nauwgezet te beschouwen:

  1. Op welke manier kunnen degenen die samen het Franse volk vormen de kans krijgen om zich uit te spreken over de grote onderwerpen van het openbare leven?
  2. Hoe kun je voorkomen dat mensen, wanneer je ze iets vraagt, worden gedreven door collectieve hartstochten?

Als we over deze twee punten weigeren na te denken, heeft het weinig zin om het te hebben over de legitimiteit van de republiek.

Oplossingen bedenken is niet eenvoudig. Maar bij nadere beschouwing, wordt het al gauw duidelijk dat elke oplossing allereerst de afschaffing van alle politieke partijen met zich meebrengt.

                                                                                         ******

Om politieke partijen te beoordelen volgens de criteria van waarheid, recht en het algemeen belang, moeten we beginnen met het vaststellen van hun hoofdkenmerken.

We kunnen er drie opsommen:

  1. Een politieke partij is een vehikel voor het produceren van collectieve hartstocht.
  2. Een politieke partij is een organisatie die erop uit is om collectieve druk uit te oefenen op het denken van elk van haar leden.
  3. Het eerste en uiteindelijk enige doel van elke politieke partij is de eigen onbeperkte groei.

Door deze drie hoofdkenmerken is elke partij in de kiem totalitair, en ook in wat ze nastreeft. Als ze af en toe een keer niet totalitair is, dan is dat alleen maar omdat haar omgeving dat ook is.

Deze drie kenmerken spreken vanzelf voor iedereen die betrokken is geweest bij het reilen en zeilen van welke partij dan ook.

Kenmerk drie is een speciaal geval van een verschijnsel dat overal optreedt waar een collectief het denken domineert. Het is de omkering van de relatie tussen doel en middel. Zonder uitzondering geldt dat in elk domein de dingen die door iedereen als doelen worden beschouwd uit de aard der zaak, per definitie, in de kern en vanzelfsprekend slechts middelen zijn. Het aantal voorbeelden is eindeloos op elk gebied. Geld, macht, de staat, nationale grootheid, economische productie, universitaire graden, en nog vele andere.

Alleen het goede is een doel. Alles wat tot het domein van de feiten behoort, is een middel om een doel te bereiken. Maar collectief denken is niet in staat om boven het domein van de feiten uit te komen. Het is dierlijk denken. Het heeft net genoeg besef van het goede om de fout te maken een of ander middel als een absoluut goed te bestempelen.

Dit geldt ook voor partijen. Een partij is in principe een instrument om een bepaald idee over het algemeen belang te dienen. Dit algemeen belang kan zelfs de belangen van een sociale groep omvatten, omdat er altijd een bepaald idee van dat algemeen belang bestaat volgens welk het algemeen belang en deze belangen samenvallen. Maar dit idee blijft uiterst vaag. Dit is zonder uitzondering bij alle partijen in ongeveer gelijke mate het geval. Zowel losjes gestructureerde als strak georganiseerde partijen zijn gelijk in de vaagheid van hun leerstellingen. Geen mens, hoe intensief hij zich ook in politieke zaken heeft verdiept, is in staat om de leer van enige partij, die van hemzelf incluis, nauwkeurig en duidelijk te formuleren.

Mensen geven zoiets ongaarne toe. Als ze dat wel zouden doen, zouden ze dat in hun naïveteit misschien zien als een teken van persoonlijk onvermogen, terwijl de uitdrukking “de leer van een politieke partij” in feite geen welomlijnde betekenis heeft. Een individu heeft maar zelden eigen leerstellingen, zelfs als hij zijn leven lang schrijft en nadenkt over de strijd der ideeën. Maar een collectief heeft dat nooit. Een leer is onverenigbaar met een collectief.

Het is waar dat we kunnen spreken van een christelijke leer, een hindoeïstische leer, een leer van Pythagoras, enzovoort. Wat in dat geval met het woord ‘leer’ wordt aangeduid is individueel noch collectief; het is iets dat verre boven deze domeinen uitgaat. Het slechts de waarheid in zuivere vorm.

Het doel van een politieke partij is vaag en onwerkelijk. Mocht het ergens bestaan, dan zou het veel van onze concentratie vergen, want het idee ‘algemeen belang’ daalt niet gemakkelijk in onze geest. Het bestaan van de partij daarentegen is tastbaar, vanzelfsprekend, en je herkent haar meteen. Het is daarom onvermijdelijk dat de partij in de praktijk haar eigen doel wordt.

Maar dit is afgoderij, omdat alleen God rechtmatig zijn eigen doel is.

De overgang komt eenvoudig tot stand. Het geldt als een axioma dat de partij alleen effectief de reden van haar bestaan, het algemeen belang, kan dienen, als ze groot en machtig is. Slechts een beperkte hoeveelheid macht kan in de praktijk nooit voldoende zijn, vooral niet nadat deze eenmaal is verworven. De partij kan nog steeds niet echt doen wat ze wil, iets wat ze altijd toeschrijft aan haar tekortschietende macht. Zelfs als ze absoluut over het land zou heersen, veroorzaken internationale beperkingen nog steeds smalle operationele marges.

Het hoofdstreven van partijen is dus totalitair, niet alleen met betrekking tot de natie, maar met betrekking tot de gehele wereld. Want juist omdat het idee van het algemeen belang dat eigen is aan deze of gene partij een fictie is, een leeg ding, iets onechts, dwingt het tot een streven naar totale macht. Alle realiteit impliceert een grens. Wat gewoonweg niet bestaat, kan nooit begrensd worden.

Daarom is er verwantschap, zelfs een bondgenootschap, tussen totalitarisme en leugens.

Het is waar dat veel mensen niet gauw aan onbeperkte macht denken; de gedachte zou hen bang maken. Het is een duizelingwekkend begrip, en je hebt een soort grootsheid nodig om het onder ogen te zien. Als deze mensen actief zijn in een partij, willen ze alleen maar dat die groeit, maar dan wel een groei die onbegrensd is. Als er dit jaar drie leden meer zijn dan vorig jaar, of als de collecte honderd francs meer heeft opgebracht, zijn ze blij. Maar ze willen dat het oneindig doorgaat in dezelfde richting. Ze kunnen nooit denken dat hun partij misschien te veel leden, te veel kiezers of te veel geld heeft.

Het revolutionaire temperament probeert zich een begrip van de totaliteit voor te stellen. Het kleinburgerlijke temperament stelt zich een langzame, voortdurende, onbeperkte vooruitgang voor. Maar in beide gevallen wordt de meetbare groei van de partij het enige criterium dat goed en kwaad in alle aangelegenheden definieert. Het is net alsof de partij een dier is dat moet worden vetgemest, en alsof het universum geschapen is om het vet te mesten.

Je kunt niet God dienen en mammon. Als we een ander criterium nemen voor wat goed is dan het goede zelf, raken we het begrip ‘goed’ kwijt.

Zodra de groei van de partij een criterium voor het goede vormt, volgt daaruit onvermijdelijk een collectieve partijdruk op de gedachten van de leden. Deze druk wordt daadwerkelijk uitgeoefend, publiekelijk getoond, beleden, verkondigd. We zouden ervan gruwen als gewenning ons niet zo ongevoelig had gemaakt. Partijen zijn organisaties die qua structuur in alle openheid op zo’n manier zijn ontworpen dat het gevoel voor waarheid en recht in de ziel van de mensen teloor gaat.

Met propaganda wordt er collectieve druk uitgeoefend op het grote publiek. Het doel van propaganda is om te overreden, niet om licht te verspreiden. Hitler zag heel goed dat propaganda altijd ten doel heeft om de geesten te knechten. Alle partijen gebruiken propaganda. Als ze dat niet doen, verdwijnen ze omdat de andere partijen het wel doen. Ze geven allemaal toe propaganda te gebruiken. En geen enkele partij maakt het zo bont dat ze beweert dat ze het publiek verheft, dat ze het eigen oordeel van mensen helpt te vormen.

Het mag dan wel zo zijn dat partijen praten over het ‘vormen’ van degenen die naar hen toekomen – supporters, jongeren, nieuwe leden – maar dit woord is een leugen. Het is een soort training ter voorbereiding op een nog rigoureuzere greep die de partij wil uitoefenen op het denken van haar leden.

Stel dat een lid van een partij – een parlementslid, een kandidaat voor een parlementszetel, of gewoon een actief lid – de volgende openbare belofte doet: “Telkens wanneer ik me met een politiek of sociaal probleem bezig houd, beloof ik dat ik volkomen zal vergeten dat ik lid ben van een bepaalde politieke groepering en dat ik uitsluitend zal proberen te bedenken hoe het algemeen belang en het recht het beste kunnen worden gediend.” Zo’n tekst zou zeer slecht worden ontvangen. Zijn partijgenoten en ook vele buitenstaanders zouden hem van verraad beschuldigen. Zelfs de goedmoedigen zouden zeggen: “Waarom is hij dan lid geworden van een partij?” – waarmee ze in hun naïveteit zouden toegeven dat je door lid te worden van een partij het streven opgeeft alleen het algemeen belang en het recht te dienen. Deze man zou uit de partij gezet worden, of op zijn minst zijn zetel of kandidatuur kwijt raken; hij zou nooit gekozen worden.

Sterker nog, het lijkt niet eens mogelijk om zulke teksten uit te spreken. Als ik me niet sterk vergis, is dat dan ook nog nooit gebeurd. Als er woorden zijn gesproken die er enigszins op leken, dan werden ze alleen gezegd door mannen die hun partij de macht wilden bezorgen met de steun van andere partijen. Zulke woorden klonken dan eerder als een soort schending van de erecode.

Aan de andere kant voelt het als volkomen natuurlijk, redelijk en eervol als iemand zegt: “Als conservatief vind ik dat …” of: “Als socialist denk ik dat …” Het is waar dat dit niet uniek is voor politieke partijen. We schamen ons ook niet om te zeggen: “Als Fransman vind ik dat …” of: “Als katholiek denk ik dat …”.

Sommige jongedames die zeiden dat ze zich verbonden hadden aan het Gaullisme dat in hun ogen het Franse equivalent van het Hitlerisme was, voegden eraan toe: “Waarheid is relatief, zelfs in de meetkunde”. Juist – ze raakten de kern van de zaak.

Als er geen waarheid zou zijn, dan is het passend om op zus of zo’n manier te denken, gewoon omdat je toevallig zo iemand bent. Net zoals we zwart, bruin, rood of blond haar hebben, omdat we nu eenmaal zo geboren zijn, uiten we ook de bijbehorende gedachten. Onze gedachten komen dan, net als ons haar, voort uit een proces van natuurlijke selectie. Als we daarentegen erkennen dat er één waarheid is, kunnen we alleen nog denken wat waar is. We denken dan iets, niet omdat we toevallig Frans, katholiek of socialist zijn, maar omdat we, geleid door het onweerstaanbare licht van de evidentie, niet anders kunnen dan zo te denken.

Als er geen bewijs is, als er twijfel is, dan is het evident dat de zaak onzeker is met de beschikbare staat van onze kennis. Als een bepaalde opvatting onwaarschijnlijk is, dan is het ook evident dat die opvatting onwaarschijnlijk is, enzovoort. In alle gevallen geeft het innerlijke licht iedereen die in ernst een vraag stelt altijd een evident antwoord. De inhoud van het antwoord kan bevestigend of ontkennend zijn – dat doet er niet toe. Het antwoord blijft altijd voor herziening vatbaar, maar een correctie kan alleen komen door een toename van dat innerlijke licht.

Als een man, lid van een partij, vastbesloten is om in al zijn gedachten alleen trouw te zijn aan het innerlijke licht en aan niets anders, dan kan hij deze ferme beslissing niet kenbaar maken aan zijn partij. Zodoende is hij gedoemd de partij te misleiden. Hij belandt dus in een leugenachtige toestand. De enige reden dat hij deze situatie accepteert is de noodzaak om lid te zijn van een partij om effectief te kunnen deelnemen aan discussies over de publieke zaak. Maar deze noodzaak is een kwaad, en we moeten er een einde aan maken door alle partijen af te schaffen.

Een man die zich niet vast heeft voorgenomen om trouw te zijn aan het innerlijke licht, plaatst valsheid in het centrum van zijn ziel. Daarvoor wordt hij gestraft met innerlijke duisternis.

Het zou zinloos zijn om een uitweg te zoeken met hulp van het onderscheid tussen innerlijke vrijheid en uiterlijke discipline. Want dan moet je liegen tegen het publiek, en elke kandidaat, elke gekozen functionaris, heeft een bijzondere plicht jegens het publiek om de waarheid te zeggen. Als ik op het punt sta om in naam van mijn partij dingen te zeggen die ik strijdig acht met waarheid en recht, zeg ik dat dan in een waarschuwing vooraf? Als ik dat niet doe, lieg ik. Van deze drie vormen van liegen – tegen de partij, tegen het publiek, tegen zichzelf – is de eerste veruit de minst slechte. Maar als het lidmaatschap van een partij steeds, in alle gevallen, tot liegen noopt, dan is het bestaan van partijen zonder meer een absoluut kwaad.

Het is gebruikelijk om in de aankondigingen van vergaderingen te zien: Dhr. X. zal het communistische standpunt presenteren (over het probleem dat het onderwerp van de vergadering is). Meneer Y. zal het socialistische standpunt presenteren. Meneer Z. zal het liberale standpunt presenteren. Hoe kwamen deze onfortuinlijke mensen erachter hoe het standpunt luidde dat ze geacht werden te presenteren? Wie konden ze raadplegen? Welk orakel? Een collectief heeft tong noch pen. Alle manieren om je uit te drukken zijn individueel. Het socialistische collectief huist in geen enkel individu. Het liberale collectief evenmin. Het communistische collectief huist in Stalin, maar hij is ver weg; je kunt hem niet bellen voordat je een vergadering toespreekt. Nee, de heren X., Y. en Z. hebben zichzelf geraadpleegd. Maar ook dan: als ze eerlijk waren, brachten ze zichzelf eerst in een speciale mentale toestand, een toestand die vergelijkbaar was met die waarin de sfeer van communistische, socialistische en liberale bijeenkomsten hen al zo vaak had gebracht.

Wanneer we ons eenmaal in deze staat bevinden, en we geven ons over aan wat in ons opkomt, produceren we vanzelf taal die overeenkomt met de communistische, socialistische of liberale ‘standpunten’. Op voorwaarde natuurlijk dat je je zorgvuldig onthoudt van elke inspanning om te overwegen wat hier recht en waarheid is. Wie zich voor dat laatste zou inspannen, loopt het risico – toppunt van gruwel – om een ‘persoonlijk standpunt’ te verkondigen.

Toen Pontius Pilatus aan Christus vroeg: “Wat is waarheid?” gaf Christus geen antwoord. Hij had van tevoren al geantwoord door te zeggen: “Ik ben gekomen om van de waarheid te getuigen.” Er is maar één antwoord. Waarheid is te vinden in de gedachten die opkomen in de geest van een denkend iemand die uitsluitend, absoluut en exclusief is geïnteresseerd in de waarheid. Leugens en dwalingen – het zijn synoniemen – zijn de gedachten van hen die niet naar de waarheid verlangen, en van hen die én naar de waarheid én naar nog iets anders verlangen. Bijvoorbeeld, zij die naar de waarheid verlangen en daarnaast naar gelijkluidendheid met deze of gene gevestigde opinie.

Maar hoe kun je ‘naar de waarheid verlangen’ zonder te weten dat die kan bestaan? Dat is het mysterie aller mysteriën. Woorden die een voor de mens onvoorstelbare volmaaktheid uitdrukken – God, waarheid, recht – woorden die zonder vooringenomenheid in het innerlijk verlangend opklinken, hebben de kracht om de ziel op te tillen en te overspoelen met licht. Door in stilte en leegte naar de waarheid te verlangen, zonder te proberen de inhoud ervan vooraf te raden, ontvangen we het licht. Daarin schuilt het mechanisme van de aandacht.

Het is onmogelijk om de beangstigend complexe problemen van het openbare leven te onderzoeken met aandacht voor zowel waarheid, recht en algemeen welzijn, als voor de zelfhandhaving als lid van zo’n groep. De menselijke aandacht is niet tegelijkertijd tot beide in staat. Sterker nog, wie gehecht raakt aan het ene, laat het andere los. Maar wie afstand doet van recht en waarheid, ondervindt geen ellende. Daarentegen kent het partijstelsel de pijnlijkste sancties voor gebrek aan loyaliteit. Sancties die bijna alles aantasten – carrière, gevoelens, vriendschap, reputatie, eerverlies in de ogen van anderen, soms zelfs het gezinsleven. De Communistische Partij heeft het systeem geperfectioneerd.

Zelfs bij mensen die innerlijk niet meebuigen, verstoort het bestaan van sancties onvermijdelijk het oordeelsvermogen. Want voor wie in verzet komt tegen de greep van de partij, is de verzetsimpuls zelf al een motief dat vreemd is aan de waarheid, en dat daarom gewantrouwd moet worden. Maar dit wantrouwen is dat vervolgens ook, enzovoort. Echte aandacht is zo’n inspannende toestand voor de mens, zo allesoverheersend, dat elke verstoring van de emotionele balans voldoende is om die aandacht te verhinderen. Daarom moeten we er altijd uit alle macht naar streven om ons innerlijke oordeelsvermogen zo goed mogelijk te beschermen tegen het tumult van persoonlijke hoop en vrees.

Een man die zeer ingewikkelde berekeningen maakt, wetende dat hij zweepslagen zal krijgen elke keer dat hij een even getal als uitkomst krijgt, bevindt zich in een uiterst precaire situatie. Iets in het gevoelige deel van zijn ziel zal hem pushen om een klein zetje te geven aan de berekeningen om altijd een oneven getal te krijgen. Door op de dreiging te willen reageren, loopt hij zelfs het risico even getallen te vinden waar die niet zijn. Heen en weer geslingerd tussen deze polen, is zijn aandacht niet langer zuiver. Als de berekeningen zo ingewikkeld zijn dat ze zijn volledige aandacht vragen, is het onvermijdelijk dat hij veel fouten zal maken, zelfs als hij zeer intelligent is, zeer moedig en zeer begaan met de waarheid. Wat moet hij dan doen? Heel eenvoudig. Als hij kan ontsnappen aan de greep van de mensen die klaar staan met de zweep, dan moet hij dat doen. Als hij kan vermijden dat hij in hun handen valt, dan moet hij dat vermijden.

Zo is het precies met politieke partijen.

Wanneer in een land partijen bestaan, is het gevolg al gauw dat het onmogelijk is om effectief mee te beslissen over zaken van algemeen belang zonder lid te worden van een partij en het spel mee te spelen. Iedereen die geïnteresseerd is in dat algemeen belang, wil dat zijn inspanningen effect hebben. Maar degenen die geven om het algemeen belang moeten óf hun betrokkenheid opgeven en andere dingen gaan doen, óf ze gaan door de partijmolen. In het laatste geval worden ze al gauw opgeslokt door zorgen die het algemeen belang uitsluiten. Partijen zijn wonderlijke structuren waardoor in een land geen enkele geest zich meer inspant om in zaken van algemeen belang te zoeken naar wat goed, rechtvaardig en waar is. Het resultaat – met uitzondering van een paar willekeurige toevalligheden – is dat er slechts maatregelen voor uitvoering in aanmerking komen die in strijd zijn met algemeen belang, waarheid en recht.

Als we de organisatie van het openbare leven aan de duivel zouden toevertrouwen, had hij zich geen handiger vehikel kunnen wensen.

Als de werkelijkheid soms ietsje minder somber lijkt, dan is dat omdat de partijen nog wat laks zijn. Maar is de situatie wel ietsje minder somber? Is de situatie niet precies zo somber als het beeld dat ik zojuist heb geschetst? Geven de recente gebeurtenissen mij niet gelijk?

We moeten erkennen dat het mechanisme van geestelijke en intellectuele onderdrukking dat eigen is aan partijen, in de geschiedenis werd geïntroduceerd door de katholieke kerk in de strijd tegen ketterij. Een bekeerling die de Kerk binnenkomt – of een gelovige die met zichzelf beraadslaagt en besluit erin te blijven – heeft in het katholieke dogma een glimp opgevangen van het ware en het goede. Maar wanneer hij over de drempel stapt, belijdt hij niet tegelijkertijd instemming met alle geloofsartikelen waarvan hij geen flauwe notie heeft. Hij heeft deze artikelen niet bestudeerd. Een mensenleven zou niet toereikend zijn voor zo’n studie, zelfs niet als je beschikt over een superieure intelligentie en vorming.

Hoe kunnen we artikelen aanvaarden die we niet kennen? Het volstaat om ons onvoorwaardelijk te onderwerpen aan de autoriteit waarvan ze afkomstig zijn. Daarom wilde de heilige Thomas van Aquino zijn beweringen alleen steunen op het gezag van de Kerk, met uitsluiting van alle andere argumenten. Want, zegt hij, meer is er niet nodig voor hen die het aanvaarden, en geen enkel argument kan diegenen overtuigen die het verwerpen. Zo wordt de bewijskracht die licht verschaft aan ons innerlijk, aan het oordeelsvermogen dat van bovenaf wordt geschonken aan de menselijke ziel, een vermogen dat zelf een antwoord is op het verlangen naar waarheid, weggegooid of veroordeeld tot ondergeschikte klusjes, en daarmee uitgesloten van alle onderzoek naar de geestelijke bestemming van de mens. De drijfveer van het denken is niet langer het onvoorwaardelijke, nog onbestemde verlangen naar waarheid, maar het verlangen naar gelijkluidendheid met een vooraf vastgestelde leer.

Het is een tragische ironie dat de kerk die door Christus werd gesticht de geest van de waarheid op deze wijze heeft gesmoord – en als ze dat, ondanks de inquisitie, niet volledig deed, dan was dat vooral omdat de mystiek een veilig toevluchtsoord bood. Dit is al vaak opgemerkt. Maar een andere tragische ironie wordt minder vaak opgemerkt. Die is dat de geestelijke dwang onder het inquisitoriale regime een opstand creëerde die zich zo ontwikkelde dat die dwang werd voortgezet.

De Reformatie en het humanisme van de Renaissance zijn beide producten van deze opstand, en ze speelden, na drie eeuwen rijping, een grote rol bij het ontstaan van de geest van 1789. Het duurde wel even, maar vervolgens was het resultaat onze huidige democratie die gebaseerd is op het samenspel van partijen, partijen die ieder voor zich seculiere kerkjes zijn, altijd present met de dreiging van excommunicatie. Ons geestelijk leven is sterk beïnvloed door deze geest van partijdigheid.

Een man die lid wordt van een partij heeft ongetwijfeld iets moois en passends gezien in de acties en propaganda van die partij. Maar hij heeft nooit de standpunten van de partij over alle problemen van het openbare leven bestudeerd. Door lid te worden van de partij accepteerde hij standpunten waarvan hij niet op de hoogte was. Zo onderwierp hij zijn denken aan de autoriteit van de partij. Toen hij deze standpunten langzaamaan leerde kennen, accepteerde hij die zonder nader onderzoek. Dit is precies de situatie van de persoon die aanhanger werd van de orthodoxe katholieke leer zoals die door de heilige Thomas werd opgevat.

Als iemand die lid zou willen worden van een partij bij zijn aanmelding zou zeggen: “Ik ben het eens met de partij op dit en dat punt; de andere standpunten heb ik nog niet bestudeerd, en ik schort mijn mening volledig op totdat ik dat heb gedaan”, dan kreeg hij ongetwijfeld te horen dat hij op een later moment terug zou moeten komen. Maar in de praktijk neemt een man die lid wordt van een partij, op een hoogst zeldzame uitzondering na, gedwee de houding aan die hij later uitdrukt met de woorden: “Als monarchist, als socialist, denk ik dat …”. Het is zo gemakkelijk! Omdat het betekent dat je niet hoeft na te denken. Niets is gemakkelijker dan niet te hoeven nadenken.

Het derde karakter van partijen, namelijk dat het vehikels zijn om collectieve hartstocht te produceren, is zo vanzelfsprekend dat het eigenlijk niet aangetoond hoeft te worden. Collectieve hartstocht is de enige motor die partijen tot hun beschikking hebben voor propaganda en voor de druk die wordt uitgeoefend op de ziel van hun leden. We erkennen weliswaar dat de partijgeest soms verblindt, doof maakt voor recht en dat die zelfs eerlijke mensen aanzet tot zeer wreed gedrag jegens onschuldigen. We erkennen het, maar we peinzen er niet over om ons te ontdoen van organisaties die dit kwaad voortbrengen.

Toch zijn drugs verboden. En nog steeds zijn er mensen die verslaafd zijn aan drugs. Maar het zouden er meer zijn als de staat de verkoop van opium en cocaïne in tabakswinkels zou organiseren, met reclameaffiches om de consumenten aan te moedigen.

                                                                          ******

De conclusie is dat de instelling van partijen een bijna onversneden kwaad is: slecht in principe en slecht in de praktijk. De afschaffing van partijen zou bijna alleen gunstige gevolgen hebben. Die afschaffing zou in principe volkomen rechtsgeldig kunnen zijn en het lijkt erop dat die in de praktijk alleen maar positieve effecten zou hebben. Kandidaten zullen niet langer tegen hun kiezers zeggen: ‘Ik ben zus of zo’n partijman’ – wat in feite het electoraat helemaal niets zegt over hun houding tegenover concrete problemen – maar: ‘Ik denk zus en zo over dit of dat grote probleem’.

Gekozen vertegenwoordigers zullen samenwerken en afstand houden volgens het natuurlijke en wisselende spel van inhoudelijke verwantschap. Ik kan het heel goed eens zijn met meneer A over kolonisatie en het met hem oneens zijn over agrarisch eigendom. En het omgekeerde geldt voor meneer B. Als we het over kolonisatie hebben, ga ik voor de vergadering een praatje maken met meneer A; als we het over agrarisch eigendom hebben met meneer B. De kunstmatige samenklontering binnen partijen viel zo weinig samen met inhoudelijke verwantschap dat een afgevaardigde het over alle concrete standpunten oneens kon zijn met een partijgenoot, en het eens kon zijn met iemand van een andere partij. Hoe vaak gebeurde het niet dat in 1932 in Duitsland een communist en een nazi die op straat met elkaar praatten en geestelijk duizelig werden toen ze beseften dat ze het op alle punten met elkaar eens waren!

Buiten het parlement zullen zich ongetwijfeld kringen vormen rond tijdschriften die over politieke onderwerpen gaan. Maar deze kringen zouden vloeiend moeten blijven. Het is deze vloeibaarheid die ‘een milieu van verwantschap’ onderscheidt van ‘een partij’, een vloeibaarheid die voorkomt dat de partijgeest een negatieve invloed krijgt. Als je bevriend bent met de redacteur van een bepaald tijdschrift, met degenen die er vaak voor schrijven, als je er zelf voor schrijft, dan besef je dat je in contact staat met het milieu van dat tijdschrift. Maar je denkt niet meteen dat je er deel van uitmaakt; er is geen duidelijk onderscheid tussen binnen en buiten. In de binnenste kring tref je mensen die het tijdschrift lezen en een paar mensen die erin schrijven. Verder naar buiten zijn er de vaste lezers die er inspiratie uit putten. En dan zijn er nog de gelegenheidslezers. Maar niemand zou het in zijn hoofd halen om te denken of te zeggen: “Als medewerker van dit tijdschrift denk ik dat …”.

Wanneer medewerkers van een tijdschrift zich verkiesbaar stellen, moet het hen verboden worden te beweren dat ze horen bij het tijdschrift. Het moet het tijdschrift verboden worden om hun nominatie te steunen, of om hun kandidatuur direct of indirect te bevorderen of zelfs maar te noemen. Elke politieke groep die zich ‘Vrienden van [dit tijdschrift]’ noemt, zou verboden moeten worden. Als een tijdschrift zijn medewerkers verbiedt om samen te werken met andere publicaties van welke aard dan ook, op straffe van ontslag, moet het worden opgeheven zodra het feit is bewezen. Dit impliceert een persregime dat het onmogelijk maakt om samen te werken met publicaties die oneervol zijn, wat het deze publicaties onmogelijk maakt om hun (politieke) activiteiten voort te zetten, omdat niemand ermee geassocieerd wil worden. Zodra een bepaald intellectueel milieu poogt politieke gestalte aan te nemen door een formeel lidmaatschap, zal, als het feit lijkt vast te staan, een strafrechtelijke vervolging moeten plaats vinden.

Natuurlijk zullen er clandestiene partijen blijven. Maar eervol zal het lidmaatschap niet zijn. De leden zullen niet langer in staat zijn om publiekelijk zich als slaven in dienst te stellen van het partijbelang. De partij zal hen niet langer kunnen vasthouden in een ingewikkeld web van belangen, gevoelens en verplichtingen.

Als een wet onpartijdig en rechtvaardig is, steunend op een gangbaar idee over het algemeen welzijn, maakt ze vanzelf alles zwakker wat ze verbiedt. Die wet verzwakt het verbodene al door het feit dat ze bestaat, en repressieve maatregelen die de toepassing ervan proberen te garanderen zijn vaak niet eens nodig. Het grote gezag dat eigen is aan het recht is een lang vergeten factor in het openbare leven dat goed gebruikt zou moeten worden. En clandestiene partijen zullen weinig nadelen hebben die niet in veel grotere mate gevonden worden bij legale partijen.

Alles aandachtig in ogenschouw nemend komt er geen enkel nadeel aan het licht als je politieke partijen gewoon afschaft. Door een merkwaardige paradox zijn dergelijke maatregelen die geen nadelen met zich meebrengen, in feite de maatregelen waartoe het minst snel besloten wordt. We zeggen tegen onszelf: als het zo eenvoudig was, zou het dan niet allang zijn gedaan? Toch zijn grootse dingen meestal eenvoudig en gemakkelijk. Deze bijzondere maatregel zou een reinigende werking hebben die zich tot ver buiten het domein van de publieke zaak zou uitstrekken. Want partijpolitiek heeft alles vervuild.

De instellingen die het openbare leven in een land bepalen beïnvloeden altijd het denken – dat is het prestige van de macht. Wat we bereikt hebben is dat we over vrijwel ieder onderwerp alleen kunnen denken door ons pro of contra op te stellen. Vervolgens gaan we, afhankelijk van het geval, op zoek naar de argumenten pro of contra. Het is de partijgeest die alles doordringt.

Net zoals er bij politieke partijen democraten zijn die meerdere partijen toelaten, zo ontdekken ruimdenkende mensen iets waardevols in de meningen waarmee ze het, volgens henzelf, niet eens zijn. Zij hebben hun gevoel voor wat waar en wat onwaar is volledig verloren. Anderen, die een pro-standpunt hebben ingenomen, zijn niet bereid om iets in overweging te nemen dat contra is. Hier is sprake van een totalitaire geest.

Toen Einstein naar Frankrijk kwam, verzamelden alle mensen in enigszins intellectuele kringen, inclusief de wetenschappers zelf, zich in twee kampen, voor en tegen. In de wetenschappelijke wereld heeft elk nieuw wetenschappelijk idee zijn voor- en tegenstanders, die allebei – ongelukkigerwijs en in hoge mate – bezield zijn door partijdigheid. Bovendien zijn er in deze kringen altijd trends en kliekjes met een wisselende mate van organisatiegraad.

In de kunst en literatuur is dit nog duidelijker zichtbaar. Kubisme en surrealisme leken sprekend op partijen. De een was ‘Gideaan’[5], een ander bleek ‘Maurrassiaan’[6]. Om bekendheid te krijgen, is het altijd handig om omringd te zijn door bewonderaars die doordrongen zijn van de partijgeest.

Op een vergelijkbare manier was er weinig verschil tussen toewijding aan een partij en toewijding aan een kerk – of toewijding aan een antireligieuze groep. Mensen waren voor of tegen het geloof in God, voor of tegen het christendom, enzovoort. Als het over religie ging, hadden we ons punt gemaakt als we de tegenstander ‘militant’ noemden.

Zelfs op scholen weten we niet meer hoe we het denken van kinderen anders kunnen stimuleren dan door ze uit te nodigen om partij te kiezen voor of tegen iets. Ze krijgen een zin van een groot schrijver voorgeschoteld: ‘Ben je het ermee eens of oneens? Geef daarvoor je argumenten’. Op het examen kunnen deze ongelukkigen die hun opstel binnen drie uur moeten afhebben, niet meer dan vijf minuten besteden aan de vraag of ze het ermee eens zijn. En het zou zo eenvoudig zijn om tegen hen te zeggen: ‘Mediteer over deze tekst en geef de gedachten weer die in je opkomen’.

Bijna overal – vaak zelfs bij puur technische kwesties – wordt als vanzelf de plicht om na te denken vervangen door de plicht om partij te kiezen, voor of tegen. Het is een melaatsheid die begonnen is in politieke kringen, die zich over het hele land heeft verspreid, en die al ons denken heeft besmet.

Deze melaatsheid zal ons doden. Het is hoogst twijfelachtig of we deze ziekte kunnen bestrijden zonder te beginnen met de afschaffing van alle politieke partijen.

Simone Weil, Note sur la suppression générale des partis politiques (1943)

Noten

[1] Dit stuk werd geschreven in 1943.

[2] Michail Pavlovitsj Tomski (1880-1936), een Russisch hooggeplaatste politicus die zelfmoord pleegde voor hij aan een stalinistisch showproces zou worden onderworpen.

[3] Mattheüs 7:18 HSV.

[4] Jean Jacques Rousseau, Het maatschappelijk verdrag, uitgegeven bij Tilburg University Press (1988).

[5] Aanhanger van André Gide (1869-1951), Frans schrijver en Nobelprijswinnaar (1947), schrijver van Retour de l’U.R.S.S. (1936) dat scherpe kritiek op de Sovjetunie bevat.

[6] Aanhanger van Charles Maurras (1868-1952), Frans schrijver en nationalistisch politicus, oprichter van de Action Française en tijdens WO-II collaborateur met het nazi-regime.

In het licht van Simone Weil: Milosz en de vriendschap met Camus – Simon Leys

Deze vertaling is de slotbeschouwing van een klein boekje van Simone Weil dat door de letterkundige en sinoloog Pierre Ryckmans (1935-2014), onder het pseudoniem Simon Leys, in 2013 werd vertaald: On the Abolition of All Political Parties. Het boekje bevat tevens een essay van Czesław Miłosz over het belang van Simone Weil (p.37-58).

Het essay van Simone Weil is een hartstochtelijk pleidooi om intellectuele zuiverheid niet te offeren op het altaar van collectieve sentimenten, en het is geen wonder dat Simon Leys – die een deel van zijn werkzame leven met succes, maar ook met veel tegenwerking, had besteed aan de ontmanteling van de modieuze belangstelling voor het Maoïsme – de in dat essay ontwikkelde gedachten bewonderde.

Het essay van Simone Weil werd oorspronkelijk geschreven in het Frans: Note sur la suppression générale des partis politiques. Hier vindt u de Franse tekst.

Het onderwerp van deze slotbeschouwing is de vriendschap tussen Czeslaw Milosz en Albert Camus die werd gevoed door een gemeenschappelijke bewondering voor de enigszins mystieke beschouwingen van Simone Weil. Het is te vinden op de pagina’s 61-71 van On the Abolition of All Political Parties.

Dit is een kopie van het originele document:

Hier volgt de vertaling:

In het licht van Simone Weil – Milosz en de vriendschap met Camus

Simon Leys – 2013

Medische onderzoekers hebben aan de hand van bevolkingsstatistieken vastgesteld dat de opvallendste voorbeelden van een zeer lange levensduur worden aangetroffen in afgelegen berggebieden, bij mensen die een weinig opwindend, zelfs saai en eentonig leven leiden. De dichter Czeslaw Milosz, creatief tot het einde, stierf toen hij drie-en-negentig was, na een dramatisch bestaan dat hem had doen belanden in het centrum van wat een van de afschuwelijkste perioden was van de twintigste eeuw. Hij lijkt dus de omgekeerde weg te hebben bewandeld – maar goed, dichters vormen niet het meest geschikte materiaal voor statistieken.

Milosz werd geboren in 1911 in een klein stadje in tsaristisch Rusland (z’n hele leven bleef hij zich trouwens met diep inzicht en gefascineerde ontzetting bezig houden met het geheim van Rusland, net als zo veel Poolse intellectuelen – denk aan Conrad!) als de telg van een aristocratische familie, half Pools, half Litouws. Toen hij een klein kind was deelde hij in het nomadische leven van zijn vader, een civiele ingenieur die werd uitgezonden naar diverse uithoeken van Siberië waar hij verantwoordelijk was voor de constructie van overheidsgebouwen, en zodoende was hij soms getuige van de gevechten tijdens de bolsjewiekenopstand. Deze vroege ervaringen vormden een passend voorspel tot de woelingen van zijn latere leven.

Milosz bracht zijn jeugd en studentenjaren door in Vilnius, een barokke en kosmopolitische stad waar de voornaamste spreektalen Pools en Jiddisch waren, met daarbij een vleugje Litouws, Belarussisch  en Russisch. In de jaren dertig ging hij naar Parijs waar hij zijn reeds uitstekende kennis van de Franse taal en literatuur verder perfectioneerde, en waar hij het genoegen smaakte om onder de vriendschappelijke hoede te worden genomen door een ver familielid die zijn geestelijke mentor werd, O.V. de L. Milosz (1877-1939), een voormalige Litouwse diplomaat die zich had ontwikkeld tot een befaamde Franse dichter. De oudere Milosz moedigde zijn jongere verwant aan om diens dichtersroeping te volgen.

Terwijl de oorlog op uitbreken stond, ging Milosz terug naar Polen om te gaan werken voor de nationale radio. In 1939 nam hij vanaf het begin van de Duitse invasie actief deel aan het ondergrondse verzet tegen de nazi’s. De Duitse bezetting was bijzonder barbaars in Polen. Milosz constateerde naderhand: “Levende schepselen zijn onderworpen aan gruwel, en beschaving houdt zich bezig met het maskeren van die waarheid … Beschavingsgewoonten hebben de neiging te beklijven, en de Duitsers in het bezette West-Europa voelden zich duidelijk beschaamd en ze verhulden dus hun streven, terwijl ze in Polen handelden in volkomen openbaarheid.”[1]

Deze confrontatie met naakte gruwel zou een onuitwisbaar stempel op zijn werkelijkheidsbesef drukken. De alledaagse orde die ons leven kenmerkt kan weliswaar de indruk wekken natuurlijk en blijvend te zijn, maar ze is in feite zo kwetsbaar en illusoir als de kartonnen decorstukken op het toneel. Ze kunnen zomaar kapot vallen en in een oogwenk veranderen in een onmetelijke chaos. Onze toestand is precair; ook elementair menselijk fatsoen kan in een oogwenk vergruizelen of verdwijnen: “De nabijheid van de dood ruïneert elke schaamte. Mannen en vrouwen veranderen zodra ze weten dat het moment van hun executie is vastgesteld door een dik mannetje met glimmende laarzen en een paardezweep. Ze copuleren in het openbaar, op een klein stukje grond omheind door prikkeldraad – hun laatste plekje op Aarde.” [2]

Na de oorlog werd Milosz diplomaat, net als veel andere Poolse intellectuelen die hoopten dat ze door collaboratie met het communistische regime ertoe zouden bijdragen dat dit regime zichzelf zou hervormen. Hij werd uitgezonden als cultureel attaché, eerst naar Washington en toen naar Parijs. Hij begreep al heel snel dat het dienen van een stalinistisch regime niet alleen ontoelaatbare morele en intellectuele compromissen zou behelzen, maar eenvoudig zou leiden tot regelrechte walging: “Iemand kan zichzelf ervan overtuigen op basis van strikt logische redeneringen dat zijn gezondheid er grote baat bij heeft om levende kikkers door te slikken; vervolgens slikt hij, rationeel van het nut overtuigd, een eerste kikker, dan een tweede, maar bij de derde zal zijn maag in opstand komen.”[3]

In 1951 wierp hij zijn benoeming terzijde, brak met het regime en maakte een onomkeerbare sprong in ‘de afgrond van de ballingschap’, ‘de ergste van alle tegenslagen, omdat het onvruchtbaarheid en dadenloosheid behelst’. Maar anders dan de meeste exil-schrijvers, bleef hij trouw aan zijn moedertaal, zijn kostbaarste bezit. Met uitzondering van zijn privécorrespondentie (in het Frans en Engels), bleef hij tot zijn dood bijna altijd in het Pools schrijven.

De eerste tien jaar van zijn ballingschap verbleef hij in Frankrijk. Dat was financieel een heel zware periode, hij was geïsoleerd en voelde zich wanhopig. De onzekerheid van zijn materiële omstandigheden – om zijn jonge gezin te onderhouden was hij volledig afhankelijk van onzekere schrijfinkomsten – werd verder gecompliceerd door het politieke schervengericht van Parijse intellectuelen, wier lafheid en domheid hij nooit zou vergeten of vergeven. In het begin, toen hij nog de prestigieuze positie had een officiële vertegenwoordiger te zijn van ‘Democratisch Polen’ had de Franse ‘progressieve’  intelligentsia (onder het pontificaat van Sartre-Beauvoir) hem nog in de armen gesloten, maar zodra duidelijk werd dat hij was overgelopen, werd hij behandeld als een melaatse. Zelfs bij zijn toenmalige uitgever (Gallimard – de voornaamste en invloedrijkste Parijse uitgever) was er een redacteur die uit beduchtheid het initiatief had genomen om zijn manuscripten ter beoordeling voor te leggen aan een Poolse censor op de ambassade in de hoop het imprimatur te verwerven.

In 1953 maakte hij zijn situatie nog erger door zijn meest invloedrijke boek te publiceren, De geknechte geest, geschreven niet voor een Westers publiek maar ertegen – tegen de stompzinnige en zelfgekozen blindheid ervan; en het doel was precies om de lezer eraan te herinneren dat ‘als iets ergens bestaat, het overal bestaat’[4]. Met hun ontstellende gebrek aan verbeeldingskracht ‘beseften de inwoners van Westerse landen nauwelijks dat miljoenen medemensen die oppervlakkig beschouwd min of meer op hen leken, zich ophielden in een wereld die net zo bizar en onwerkelijk was als die van Mars.’ En laten we niet vergeten: ‘De mens is zo’n plooibaar wezen dat je je zelfs de dag kunt indenken waarop hoogst respectabele burgers op handen en voeten rondkruipen, met een staart van gekuifde veren, ten teken van onderhorigheid aan de orde waarin ze leven’[5]. Juist op dat moment, toen de intellectuele en literaire wereld hem schuwde als de pest, was er één man, een dapper en integer man, die een broederlijke hand naar hem uitstrekte, en die hem hielp te overleven: Albert Camus. Al gauw ontwikkelde zich een diepgaande vriendschap tussen de twee schrijvers – een vriendschap die nog versterkt werd door hun gedeelde bewondering voor Simone Weil.

Wat Camus betreft: je kunt zijn intellectuele en geestelijke leven in het laatste deel van zijn leven – tussen het einde van de oorlog tot zijn voortijdige dood in 1960 – niet volledig begrijpen zonder het buitengewone belang te beseffen van de invloed die Weils denken en haar manier van leven op hem had. Het is een onderwerp dat zelfs z’n beste biografen niet volledig hebben weten te treffen, waarmee ze Emersons opvatting bevestigen dat een literaire biografie een ijdele en futiele onderneming is, omdat het een levensbeschrijving oplevert waarvan de voornaamste gebeurtenissen zich hebben afgespeeld in een domein van stilte en onzichtbaarheid[6].

Al in 1948 nam Camus het initiatief tot de publicatie van twee van de belangrijkste werken van Simone Weil. Hij deed dat in L’Espoir, een serie waarvan hij de hoofdredacteur was bij Gallimard: het betrof L’Enracinement en La Condition ouvrière (dit waren overigens de meest succesvolle boeken van de gehele serie). Samen met Gustave Thibon (die in diezelfde tijd het initiatief nam om een selectie van haar filosofische en religieuze werk te publiceren) werd hij daarmee een van de eerste en meest toegewijde hoeders van haar nalatenschap. Belangrijker nog was dat Weils publicaties een voortdurende bron van inspiratie vormden voor Camus’ eigen denken, zoals ook bevestigd wordt door vele passages in zijn dagboeken, wat in alle openbaarheid bevestigd werd ter gelegenheid van de uitreiking van zijn Nobelprijs in 1957: hem werd gevraagd op een persconferentie in Stockholm, kort voor de plechtigheid, welke schrijvers het belangrijkste voor hem waren: hij noemde een paar vrienden, Algerijnse en Franse, en zei toen: ‘En ook Simone Weil – soms staan de doden ons nader dan de levenden.’

Ongeveer tien jaar daarvoor, toen hij werk van Simone Weil redigeerde, kwam hij in contact met haar ouders, die hem zeer hartelijk bejegenden, in het bijzonder haar moeder, Mevr. Bernard Weil, die ook zelf een uitzonderlijk iemand was. Ook Milosz leerde haar kennen, en hij bleef haar bezoeken na de dood van Camus, een dood die Mevr. Weil bijzonder had aangegrepen. Aan het eind van zijn essay over Weil vertelt Milosz een ontroerende en veelzeggende anekdote: op de dag dat Camus had gehoord dat hij de Nobelprijs voor literatuur had gekregen, en nadat hij achterna werd gezeten door een menigte journalisten en fotografen, vluchtte hij naar Mevr. Weils appartement. Voor Camus die geteisterd werd door twijfels aan zichzelf, gold dat deze verpletterende eer in veel opzichten een beproeving was: het verbijsterde hem en hij ontleende er zeker geen zelfvertrouwen aan. Zoals een godsdienstige die als hij volledig uit het veld geslagen wordt, een kerk binnengaat voor een moment van stilte en bezinning, zo ervoer Camus toen het verlangen om stil te zijn, geheel alleen, in de kamer waarin Simone dacht en schreef.

In 1960 vestigde Milosz zich in de Verenigde Staten waar de Universiteit van California in Berkely hem de leerstoel aanbood in de Slavische taal en letterkunde. Zijn wetenschappelijke activiteiten zaten zijn literaire werk niet in de weg – er kwamen meer dan veertig bundels met gedichten en beschouwingen tot stand, bekroond met meerdere prijzen, inclusief uiteindelijk in 1980 de Nobelprijs zelf. Na de ineenstorting van het communisme, en tot zijn dood in 2004, was hij soms in Krakow en soms in Berkely. Na meer dan een halve eeuw te zijn weg geweest, moet hij zijn moederland als uitheemser hebben ervaren dan de buitenlanden waar hij het grootste deel van zijn leven doorbracht, en waar hij het beste deel van zijn scheppende werk schreef – werk dat zelf het product was van ballingschap.

De ontdekking van het werk van Simone Weil gaf voor Milosz en Camus een nieuwe richting aan hun geestelijk leven[8]. Je vindt sporen van deze openbaring overal in Milosz essays, zijn correspondentie, en zelfs in zijn colleges aan de universiteit (hij gaf een cursus over Manicheïsme die direct werd beïnvloed door Weils inzichten, en hij redigeerde in het Pools een ruime selectie van haar essays).

De religieuze houding van Milosz was zowel parallel als tegengesteld aan die van Simone Weil. Haar opmerking over heidenen die uiteraard christelijk waren, en christenen die uiteraard heidenen waren, beschrijft heel behoorlijk hun beider levenshoudingen. Simone Weil verlangde er sterk naar om bij de kerk te horen – ze wilde graag deelnemen aan de sacramenten – maar ze ontzegde zichzelf deze genade: met opzet nam ze geen deel, en bleef ze buitenstaander – uit solidariteit en mededogen met de akelige toestand van moderne heidenen. Milosz daarentegen, die was geboren en opgevoed binnen de kerk, wenste deze te verlaten; hij wilde af van de door politiek en chauvinisme getekende Poolse kerk van zijn jeugd, en tevens van de akelige protestantse karikatuur ervan waarnaar het post-conciliaire katholicisme onmiskenbaar afgleed [9].

Milosz noemde zichzelf ooit ‘een ecstatische pessimist’, en het is misschien in dit opzicht dat hij het meest lijkt op Simone Weil. Als je geconfronteerd wordt met het mysterie van het kwaad is er weinig ruimte voor geloof in een Voorzienigheid (die troost zou geven voor het lijden), en evenmin  voor een Gemeenschap der Heiligen (die betekenis zou geven aan het lijden).

Is een troostrijke godsdienst een ontaarde vorm van godsdienst? “Liefde is geen troost, zij is licht” – deze zin van Simone Weil is echt heel goed; maar waarom zou licht niet troostend kunnen zijn? Dat is in ieder geval hoe nederige zielen het ervaren, als ze vroom hun kaarsjes branden voor beelden van de Heilige Maagd, of voor enige andere heilige. Maar het is niet eenvoudig, uiteraard, om onze grote filosofe – met haar onbetwistbare genie – ooit zich te zien overgeven aan zulke praktijken (waarvoor Pascal trouwens geenszins minachting voelde).

[1] Milosz’s ABC. Farrar, Strauss & Giroux, New York 2001, ‘Anus Mundi’, pp. 39-40.

[2] Milosz, The Captive Mind, Secker & Warburg, London, 1953, p.28.

[3] ibid., pp. xii-xiii.

[4] ibid., p.29

[5] ibid., p.29

[6] Genieën hebben de kortste biografieën omdat hun echte leven zich ongezien afspeelt buiten gehoorsafstand, en uiteindelijk kunnen zelfs hun neven niks zinnigs over hen zeggen.

[7] Milosz noemt dit in een brief aan zijn Amerikaanse vriend, de trappistische monnik en schrijver Thomas Merton. Zie: Striving towards Being: the Letters of Thomas Merton and Czeslaw Milosz. Farrar, Straus & Giroux, New York, 1997, p.68.

[8] Het probleem van de religie speelde een belangrijke rol in de vriendschap tussen Camus en Milosz. Camus was een atheïst die twijfelde aan zijn atheïsme, en Milosz was een christen die twijfelde aan zijn christendom. Ze twijfelden allebei voortdurend. De mystieke zekerheden van Simone Weil waren voor hen beiden een baken in de mist. (Uiteraard versimpel ik hier op groteske wijze een zeer ingewikkeld onderwerp.)

Hoe hij Simone Weil ontdekte, in een situatie van grote eenzaamheid en chaos – bij het schrijven aan De geknechte geest – lees zijn brief aan Thomas Merton (op. cit., p. 8): “Ik was zeer wanhopig. Ik ondervond steun in mijn wanhoop door bepaalde dingen en medemensen – onder wie Simone Weil, met haar boeken. Daarna beseft ik dat ze niet alleen mij kon helpen, en ik slaagde erin om haar Verzamelde werken uit te geven in een Poolse vertaling – een boek van 350 bladzijden …”

[9] Deelname aan de sacramenten was een probleem voor hem, maar hij liet zijn kinderen deelnemen aan de Heilige Mis – daarmee in zekere zin het dilemma van Camus herhalend: “Ik herinner me een gesprek met Camus. Hij vroeg me of ik vond dat hij, als een atheïst, zijn kinderen naar de Eerste Communie moest sturen. Dit gesprek vond plaats kort nadat ik Karl Jaspers had ontmoet in Bazel. Ik had hem gevraagd of ik mijn kinderen als katholiek moest opvoeden. Jaspers had geantwoord dat hij als protestant niet erg gunstig dacht over het Katholicisme, maar dat kinderen dienden te worden opgevoed in hun eigen geloof, al was het maar om ze toegang te geven tot de bijbelse overlevering, zodat ze later hun eigen keus konden maken. Ik antwoordde op Camus’ vraag ongeveer op dezelfde manier.” Milosz’s ABCs, pp. 77-78.

[10] Pascal, Pensées. Kaplan edition: pensée 115, Lafuma ed.: pensée 418.