Tagarchief: Biography

Voorwoord bij de biografie van Simon Leys – Julian Barnes

Voorwoord dat geschreven werd door Julian Barnes bij de biografie die Philippe Paquet schreef over Pierre Ryckmans: Simon Leys, Navigator between Worlds (vert. Julie Rose), Melbourne: La Trobe University Press 2017

Ten geleide

Dit is een vertaling van een korte tekst. Het is een eerbetoon aan een grote schrijver: Simon Leys (1935-2014). Misschien vindt u het een flaptekst, maar misschien vindt u het ook aardig om er kennis van te nemen. Ik vind het mooi.

Julian Barnes (1946-) is uiteraard de bekende Engelse schrijver die weinig introductie behoeft.

Over Simon Leys kunt u elders op deze website desgewenst nog meer informatie vinden. Ook is er hier een vertaalde tekst van zijn hand beschikbaar over de vriendschap tussen Czeslaw Milosz en Albert Camus, een vriendschap die gevoed werd door hun bewondering voor Simone Weil.

Hier vindt u het originele Engelse voorwoord van Julian Barnes bij de biografie van Leys.

Dan nu de vertaling:

Voorwoord – door Julian Barnes

Zijn handschrift was heel bijzonder: elegant en kalligrafisch; zwarte inkt, een dunne pennestreek, lijnen van gelijke dikte; kleine lettertjes, maar beslist heel leesbaar. Soms ondertekende hij met ‘Simon Leys’, soms met ‘Pierre Ryckmans’; ik was altijd ‘Mr. Barnes’. We wisselden vele jaren boeken uit, en hoewel we elkaar nooit ontmoet hebben, hadden we een van die hartelijke vriendschappen op afstand waartoe niemand ons verplichtte. Ik onderging het bovendien als iets wat bijna niet voorkomt: een puur literaire vriendschap. Op zeker moment drong hij er bij mij op aan dat ik H.B. [Henry Beyle, A.S.] – Prosper Mérimée’s eerbetoon aan Stendhal – zou vertalen. Ik voelde me een beetje schuldig dat ik het niet deed, maar mijn traagheid bleek vruchten af te werpen: toen niemand anders het wou doen, besloot hij toch maar om zelf de taak op zich te nemen. Ik wist niets van zijn privéleven, en we hadden slechts één gemeenschappelijke vriend: Murray Bail. Maar toch beleefde ik het als een rijke, zuivere band: onalledaags, maar niettemin rijk. Ik vermoed dat er vele anderen waren die een soortgelijke band met hem onderhielden.

Net als de meesten van ons, leerde ik hem aanvankelijk kennen via The Death of Napoleon, dat kluchtige bravourestuk dat ons in de maling nam door met tegendraadse feiten te werken. Dit maakte zijn naam in ruime kring bekend, maar toch schreef hij – en dat was typisch voor hem – daarna nooit meer een roman. Het was duidelijk dat hij geen welomlijnd idee had van een literaire carrière: maar wat hij wel had was een idee wat hij wou doen, en wat de volgende stap moest zijn.

Ik maakte onlangs een ronde door mijn huis om alle boeken van hem die ik bezat terug te vinden. Met bijna elke andere schrijver zou dit eenvoudig zijn: ze zouden allemaal bij elkaar staan, of, in het slechtste geval op twee plaatsen (bijv. Poëzie en Fictie). Van Leys stonden sommige in de sectie Frans, naast Stendhal; andere vond ik in een verzamelcategorie die ik alleen maar als ‘Diverse denkers’ kon aanduiden. Maar waar was zijn vertaling van De uitspraken van Confucius (The Analects of Confucius). Uiteindelijk vond ik die naast Epictetus. En dan het boek The Wreck of the Batavia – tja: waar was mijn categorie Zeevaart? En dan The Death of Napoleon? Het zou bij Fictie hebben moeten staan, ware het niet dat ik het had uitgeleend en nooit teruggekregen (zo’n boek is het). Zijn boeken passen in geen enkel bestaand of huidig literair stramien. Om Mérimée over Stendhal te citeren: hij was “origineel in elk opzicht – een zeldzame prestatie in deze tijd van grauwheid en gebrek aan durf”.

Ik was diep onder de indruk van zijn brede interesses, en van zijn talen: hij schreef in het Engels, Frans en Chinees, en hij vertaalde vanuit en naar die talen. Toen ik negentien was, wist ik niets, had ik nog nauwelijks gereisd, en wist ik nog niet wat ik wou. Toen hij negentien was, ging hij naar China en ontmoette hij Zhou Enlai (weliswaar samen met anderen), en hij schreef over dat bezoek: “De overweldigende indruk … is dat het volstrekt onbestaanbaar zou zijn om in deze tijd en in deze wereld te leven zonder een goede kennis van het Chinees, en een onbelemmerde toegang tot de Chinese cultuur.” In de jaren zeventig was hij een felle ontmaskeraar van Mao en het maoïsme. Hij wist veel van literatuur, schilderkunst, poëzie, kalligrafie, muziek, politiek – en van de zee (hij besteedde vijftien jaar aan de vertaling van Dana’s Two Years Before the Mast).

Ik vertrouwde elk woord dat hij schreef; zijn proza ademde integriteit, maar het was nooit een parmantige integriteit. Hij kon ook streng en misprijzend zijn, ignoranten verdroeg hij slecht, en de slimmeriken onder hen helemaal niet. Bruce Chatwin ontving een onbarmhartige oorvijg, en de Parijse intelligentsia kreeg te maken met de scherpte van zijn kalligrafische pen. Malraux was een ‘blaaskaak’; de commentaren van Roland Barthes na een bezoek aan China toonden zo’n blindheid en achteloosheid dat Leys simpelweg Orwell citeerde: “Je moet wel tot de intelligentsia behoren om zoiets te geloven; geen normaal mens kan zo stom zijn”.

In een kort essay uit Le Bonheur des petits poissons [Het geluk van de kleine visjes] boog Leys zich over de kwestie van het writer’s block, een uitdrukking die (en hij was misschien de enige die dat kon weten) geen equivalent heeft in het Frans of Chinees. Maar het verschijnsel is uiteraard universeel. In deze korte chronique van minder dan vijf pagina’s verwijst Leys naar Conrad, Graham Greene, Jules Renard, Hemingway, Camus, Sjostakovitsj, Flaubert, Guo Xi, Henri Michaux, D.H. Lawrence, Jean François Revel, Ted Hughes, Randall Jarrell en Cyril Connolly. Bij andere schrijvers zou je al gauw aan snoeverij gaan denken, maar bij Leys krijg je de indruk van een geest die kalm en onderzoekend beweegt van de ene naar de andere vertrouwde plaats, daarbij hoffelijk aannemend dat de lezer in staat zal zijn hem te volgen. Wat bij een ander arrogantie zou zijn, is bij Leys bescheidenheid. Het najagen van geluk vond hij nutteloos, en zo vond hij het ook intellectueel vulgair om succes na te jagen. Hij was niet een schrijver die haakte naar beroemdheid. Hij gaf zelden interviews. Ik ken niemand die hem ooit tegen het lijf gelopen is bij internationale literaire evenementen. Je kunt zelfs zeggen dat zijn afwezigheid op die rumoerige carrousel kan gelden als een berisping van diegenen onder ons die daarin behagen menen te moeten scheppen. Maar Leys had dan ook The Analects vertaald, en hij kende dus het aforisme: ‘Slimme praatjes maken de deugd kapot’ (geen wonder dat hij een aanvaring had met Christopher Hitchens).

Dertig jaar lang woonde hij in Canberra, een stad waarvan buitenstaanders op een of andere manier kunnen denken dat die zowel aanzienlijk is als obscuur. Maar hij kende dan ook deze woorden van De Meester: ‘Een echte heer ergert zich aan zijn onbekwaamheid; hij ergert zich niet aan zijn obscure staat’. Voor ‘echte heer’ kun je ‘moreel individu’ lezen (en dus ook, misschien, ‘schrijver’). Leys was een schrijver van grote onkreukbaarheid en grote begaafdheid; hij was vooral obscuur in de geest van hen die denken dat schrijven iets te maken heeft met bestsellerlijsten. Hij werd gelezen door goede lezers in veel delen van de wereld, en dat was, vermoed ik, precies wat hij wilde. Zal deze biografie zijn ‘obscure staat’ verminderen? Ik vermoed dat het hem weinig zou kunnen schelen, hoe het ook zou uitvallen; hij zou de uitkomst rustig aanzien. Maar voor diegenen onder ons die zijn moedige, rake en ruimdenkende geest bewonderen, hoop ik sterk dat het hem minder obscuur maakt. Hij mag zich dan zelf niet geërgerd hebben aan zijn relatieve obscuriteit, maar nu hij er niet meer is kunnen wij, nabestaanden, ons vrij voelen om ons daaraan te ergeren in zijn plaats.

Een leven – R.S. Thomas

R.S. Thomas in Eglwys Fach. Fotograaf: John Hedgecoe

Ronald Stuart Thomas (1913-2000) was een Welshe dichter die (meestal) in het Engels schreef. Hij was een anglicaans priester die getrouwd was met de schilderes Mildred Eldridge (1909-1991).

R.S. Thomas was een enigszins zonderlinge, eenzelvige figuur, een groot liefhebber van het vaak desolate Welshe landschap, een vogelkenner, vaak in verzet tegen een tijdgeest die meer waarde hechtte aan materiële luxe en lichamelijk genot dan aan de geestelijke zaken waar het – in zijn visie – werkelijk om ging. John Betjeman en Kingsley Amis waren bewonderaars. Seamus Heaney hield in 2001 een herdenkingsrede in Westminster Abbey (vertaling via de link beschikbaar).

Een aardig artikel over Thomas’ leven en werk is van de hand van Theodore DalrympleA Man Out of Time.

Hij schreef veel religieuze poëzie. Volgens Christopher Morgan, de schrijver van R.S.Thomas: Identity, Environment, Deity (Manchester University Press, 2003, p.150-151; het boek is via de link online beschikbaar), maakte Thomas een ontwikkeling door van een mythische, deïstische religiositeit naar een houding die in de theologie wel wordt aangeduid met het begrip via negativa – de weg van de ontkenning. Dit is een spirituele houding waarin de relatie met een alomtegenwoordige God die de grond van ons bestaan is (in tegenstelling tot een veraf zijnde Schepper-God), wordt gevonden door zich te concentreren op afwezigheid en gemis.

In een treffend filmpje uit 1996 dat Bloodaxe Books beschikbaar heeft gemaakt – hier raadpleegbaar – zegt Thomas (vanaf 4’18”):

“Mocht er sowieso later nog aan mij gedacht worden, dan zal dat wel zijn om de intensiteit van een paar gedichten die ik heb geschreven. Maar, los van de gedichten, als mens hoop ik dat m’n voorbeeld van iemand die ervan hield buiten te zijn, die hield van de aardse dingen, en die het talent had meegekregen om ze niet alleen te horen maar ook te zien, voor anderen een zeker nut heeft gehad.”

Het gedicht A Life is een zelfportret. Dat geldt natuurlijk wel voor meer gedichten, maar in dit geval is dat heel letterlijk zo. Het is een ernstig gedicht, maar ook in zekere zin een onbekommerd gedicht, niet zonder zelfspot.

De grappig-bittere zin: “Waar twee / bijeen zijn, was hij de ongewenste / derde” is een toespeling op het bijbelwoord: “Waar twee of drie in Mijn Naam bijeengekomen zijn, daar ben Ik in hun midden” (Mattheüs 18:20).

Dit gedicht wordt treffend besproken in de openingsalinea van de R.S. Thomas-herdenkingsrede die Seamus Heaney heeft gehouden in Westminster Abbey op 28 maart 2001. Deze rede is in vertaling beschikbaar op deze website.

Dat Thomas zijn gezicht redde met gedichten ten overstaan van de krenkingen die het proza voor hem in petto had, betekent dat hij kletspraat en cynische rechttoe-rechtaan-praatjes zonder diepzinnigheid en zonder het besef dat er ook nog zoiets als een ‘hoger honing’ kon worden verzameld, enigszins op afstand wist te houden door zijn dichterschap, en misschien ook door de pastorale kant van zijn predikantschap.

Zijn religieuze inslag wordt uitgedrukt met de zin: “Slechts visionair / in het besef van een horizon / achter de horizon.”

De ‘gewetensbezwaarde’, de ‘doodspropaganda’ en de ‘dwangmatige vrijwilliger’ zijn verwijzingen naar Thomas’ pacifistische inslag en de oorlogsretoriek die hij om zich heen hoorde – maar ze moeten hier dichterlijk worden opgevat: hij volgde zijn eigen spoor, bleef zijn dichterlijke en geestelijke roeping trouw, en gaf niet toe aan druk van buitenaf. Maar het vrijwilligerschap is wel dwangmatig – hier stond hij, en hij kon niet anders.

Het gedicht is opgenomen in de bundel Experimenting with an Amen (1986).

Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld

——————————————————————————————————————————-

Vertaling:

Een leven

Lang geleefd; veel angst, minder
moed. In de school der liefde slechtste
van de klas; wat de Tijd vroeg
is te ver heen om te achterhalen.
Goed in knielen; geeft toe,
verticaal, aan kleine verleidingen.
Een mond waaraan halfbakken
ideeën ontsnapten. Waar twee
bijeen zijn, was hij de ongewenste
derde. Een Narcissus, gekweld
door de fluisterstemmen achter
de spiegel. Slechts visionair
in het besef van een horizon
achter de horizon. Twijfelend
aan God, te lafhartig om hem
te verwerpen. Met verzen
z’n gezicht reddend voor de krenking
van proza. Een van ‘s levens
gewetensbezwaarden, nooit
zwichtend voor de doodspropaganda,
maar een dwangmatige vrijwilliger.

Origineel:

A Life

Lived long; much fear, less
courage. Bottom in love’s school
of his class; time’s reasons
too far back to be known.
Good on his knees, yielding,
vertical, to petty temptations.
A mouth thoughts escaped
from unfledged. Where two
were company, he the unwanted
third. A Narcissus tortured
by the whisperers behind
the mirror. Visionary only
in his perception of an horizon
beyond the horizon. Doubtful
of God, too pusillanimous
to deny him. Saving his face
in verse from the humiliations prose
inflicted on him. One of life’s
conscientious objectors, conceding
nothing to the propaganda of death
but a compulsion to volunteer.

Over een biografie van R.S. Thomas – The Man Who Went Into the West

Byron Rogers, The Man Who Went Into the West: The Life of R.S. Thomas, Aurum 2006

Ik heb de afgelopen jaren enkele tientallen gedichten van de Welshe dichter Ronald Stuart Thomas (1913-2000) vertaald – zie elders op deze website. Ik houd van zijn werk: de lyrische toon, de soms weinig troostrijke waarheden, de tederheid, de genadeloze eerlijkheid, de prachtige taal, de schitterende metaforen die zijn gedichten bijna altijd hun stuwende kracht verlenen. Ik had me natuurlijk al wel enigszins in RST, zijn context, zijn verstechniek, zijn godsdienstigheid verdiept, maar aan een biografie was ik nog niet eerder toegekomen. Tot nu.

RST was een Welshman van geboorte, maar schreef bijna al zijn werk in het Engels (op enkele prozawerken na), leerde pas op latere leeftijd Welsh, en hij sprak Engels met een upper-class accent. Als hij een Engelsman tegenkwam die de weg vroeg naar een toeristische attractie, dan pretendeerde hij soms dat hij geen Engels verstond.

Zijn geboorteplaats was Cardiff, in het zuiden van Wales. Het gezin met de kleine RST verhuisde al vrij snel naar Holyhead op het eiland Anglesey, gelegen in het noordwesten van Wales. Holyhead was ook de plaats waar RST opgroeide. Hij studeerde klassieke talen en theologie aan de universiteit van het Welshe Bangor en in Cardiff. Hij trouwde in 1940 met een Engelse schilder – Mildred ‘Elsi’ Eldridge – die op dat moment veel beroemder was dan hij. Ze kregen samen één zoon: Gwydion.

Hij diende als predikant in verschillende Welshe kerkelijke gemeenten, achtereenvolgens: Chirk, Manafon, Eglwys Fach, Aberdaron. Hij is op zijn oude dag, nadat Elsi was overleden, hertrouwd. Hij hield er een vast levensritme op na: ’s morgens studeren en schrijven, ’s middags tuinieren of wandelen, ’s avonds bezoek van gemeenteleden. In de laatste decennia van zijn leven was hij beroemd, hield hij lezingen, ontving hij literaire eerbewijzen, en werd hij – als ik zijn biograaf mag geloven – een stuk gezelliger – Byron Rogers noemt hem dan zelfs ergens een ‘socialite’, enigszins tongue in cheek.

Zoon Gwydion (overleden in 2016) bewaarde slechte herinneringen aan zijn jeugd. Vanaf betrekkelijk jonge leeftijd werd hij geïnterneerd op Engelse boarding schools. Hij woonde steeds in plaatsen met weinig vriendjes, vond zijn ouders abnormaal en ronduit asociaal, en hij blijkt bepaald weinig vergevingsgezind. De geest van Gwydion hangt soms wel vrij zwaar over dit boek, tot in de hoofdtitel toe – RST’s hang naar het westen is een running gag van Gwydion.

R.S. Thomas – The Ogre of Wales. Fotograaf: Howard Barlow

De hoofdtitel – The Man Who Went Into the West – verwijst naar het feit dat RST steeds westelijker in Wales ging wonen en werken. De eerste kerkelijke gemeente – Chirk – lag helemaal op de grens met Engeland in het oosten van Wales, en de laatste – Aberdaron – in het uiterste westen, op het puntje van het schiereiland Lleyn, met de Ierse zee op loopafstand.

De biograaf suggereert dat met die trek naar het westen een soort mythische droom werd nagejaagd, en hij verbindt daaraan ook het Welsh nationalisme van RST. Dat nationalisme bestond inderdaad, en het kreeg soms zelfs lachwekkende proporties, maar toch schuilt hierin misschien nog wel iets anders dan puur nationalisme. RST vond dat de wereld veranderde in een verwend welvaartsparadijs waarin de geestelijke zaken die hij essentieel achtte schandelijk werden verwaarloosd. Uit die houding zijn bijna al zijn nogal in het oog lopende eigenaardigheden te verklaren: zijn keuze voor de theologie, de ontwijkende rollen die hij speelde als hij op voorhand vermoedde (soms ten onrechte) toch niet begrepen te worden, zijn afkeer van moderne voorzieningen (zelfs een stofzuiger moest er weer uit omdat die te veel lawaai maakte), zijn volhardende streven om elke ochtend te studeren en te schrijven en zich aan preek of poëzie te wijden, zijn zelfdiscipline, zijn trouw aan een al even solitaire echtgenote, zijn verhuizing naar steeds stillere plaatsen waar hij zijn grote liefde – vogels kijken – kon uitleven.

De biografie is springerig, impressionistisch en praterig, met veel grapjes die soms door andere recensenten geprezen worden, maar die ik vond afleiden van het onderwerp. De auteur schrijft op een populair-journalistieke manier met toespelingen die voor een buitenlander niet altijd gemakkelijk te begrijpen zijn – ongeveer zoals de kopjes van de berichten en artikelen in Engelse tabloids voor iemand die Engels als tweede taal heeft op het eerste gezicht vaak onbegrijpelijk zijn. Het is lastig om de lijn van dit leven goed vast te houden tijdens het lezen.

Schilderij van Mildred ‘Elsi’ Eldridge

De mooiste passages in deze biografie – en ook de meest leesbare – zijn de uitgebreide citaten. Af en toe geeft Byron Rogers een collage van citaten uit de dagboeken van Elsi, of van de dingen die zijn informanten hem schreven, en stuk voor stuk zijn die passages informatiever en helderder dan wat de biograaf zelf te vertellen heeft. Zelfs de poëzie van RST vind ik vaak makkelijker te lezen dan het proza van Byron Rogers.

De biograaf is Welsh en dat heeft voordelen en nadelen. Voordeel is dat hij de Welshe wereld goed kent, de taal spreekt en toegang heeft tot soms vrij bijzondere mensen uit de directe nabijheid van RST. Voordeel is ook dat hij de eigenaardigheden in de omgang tussen Welshmen en sommige eigenaardigheden van zijn onderwerp goed kan duiden.

Er zijn ook nadelen. Hij gaat er soms van uit dat dingen vanzelfsprekend zijn die het in ieder geval voor mij niet zijn: er wordt vrijwel niets uitgelegd over kerkelijke bijzonderheden, liggingen of verschillen, er wordt heel weinig verteld over andere kerkelijke activiteiten dan preken: waren er regionale activiteiten, waren er ook kerkpolitieke onderwerpen, en – zo ja – wat was dan zijn positie daarin, hoe ging die verhuizing van de ene parochie naar de andere in zijn werk, welke morele, pastorale, kerkrechtelijke kwesties speelden er, was er ook een jongerenbeleid, wat deed hij eigenlijk tijdens die avondlijke huisbezoeken bij gemeenteleden.

Dit nadeel wijst – vrees ik – op een structureel gebrek van deze biografie. In het algemeen mis ik intellectuele diepgang. Pogingen om het werk uit het leven te laten voortkomen blijven oppervlakkig. De biograaf houdt duidelijk wel van de poëzie van RST, en hij laat dat ook wel merken, hij is er heel goed in om alle psychologische eigenaardigheden van RST stralend uit de verf te laten komen, diens tegenstellingen, de inconsistenties tussen woord en daad, diens zo nu en dan bijna solipsistische aard. Maar een poging om systematisch zijn leven en werk te begrijpen uit het principiële beginsel waaruit dat leven volgens mij goed te begrijpen is, doet Byron Rogers niet: er zijn weinig levens die zo volhardend gewijd zijn aan de evocatie van wat verloren gaat als het religieuze aspect uit het leven verdwijnt, en dat is precies wat er gebeurde in de jaren waarin hij leefde.

Ik mis ook wat RST’s relatie was met het toch vrij verhitte links-radicale intellectuele debat in de jaren zeventig en tachtig. Dat hij zo zwijgzaam was, kan niet alleen de reden zijn. Hij sprak zich, al of niet sarcastisch en afwerend, over van alles en nog wat uit. Zijn pacifisme past natuurlijk wel bij de geest des tijds, en hij ondernam ook wat activiteiten om de kernbom tegen te gaan, maar wat stemde hij bijvoorbeeld, wat zei hij daarover – dat soort dingen. Hij was sterk voor behoud van het landschap en hij was tegen massatoerisme gekant: maar dat is weer iets dat pas veel later een geliefd onderwerp voor sommige intellectuelen werd. In sommige opzichten was hij toch eerder behoudend: als predikant, als ijveraar voor kerkgang, als afwerende rots in een branding van aanzwellend consumentisme, hedonisme, materialisme.

Ik zou ook wel eens willen weten welke boeken hij las, theologisch, filosofisch, natuurhistorisch en literair – en in welke verhouding. Er is sprake van een bibliotheek van drieduizend banden, maar hoe zag die bibliotheek eruit? Waar kocht hij die boeken, en wanneer?

Er worden een paar woorden gewijd aan de preken die hij hield: hij vond het niet zijn taak om zijn eigen opvattingen te etaleren, maar hij wilde de boodschap van de kerk vertellen. Hij heeft die preken niet bewaard, maar er moet toch wel iets over te zeggen zijn, en dan geen met humor vertelde lokale babbels, maar iets inhoudelijks.

Een literatuurhistorische plaatsbepaling ontbreekt ook grotendeels, behalve impressionistische kwalificaties als ‘modernist in form’.

Aan het eind van zijn leven was RST – zo zegt de biograaf – eindelijk niet meer orthodox. Ik vraag mij af of je veel opschiet met het onderscheid tussen orthodox en niet-orthodox, zeker in het geval van RST. Over de details van zijn theologische positie vernemen we verder niets, zelfs de titel van één van zijn kerngedichten – Via Negativa – wordt niet toegelicht.

In het algemeen vind ik deze biografie overladen met oudewijvengeklets – reden misschien waarom de psychiater Theodore Dalrymple het boek wel met plezier heeft gelezen. Dalrymple schreef overigens een aardige beschouwing naar aanleiding van het boek in City Journal (2006): A Man Out of Time – en de titel van zijn beschouwing is ook nog eens veel beter dan de titel van het boek. Dalrymple heeft de kern van RST vrij goed getroffen. Ter lezing aanbevolen.

In de Irish Times verscheen in 2006 een uitstekende recensie van Dennis O’Driscoll: A Poet of a Few Words. Hieruit citeer ik tot slot met instemming de volgende passage:

Byron Rogers’s lively biography will be enjoyed most by those who like their poets eccentric to the point of caricature and who don’t object to the inner life – albeit essential to the poems – being played down. His book is a trove of biographical trivia. For instance, we are twice (which is more than once too often by my count) treated to Gwydion Thomas’s earth-shattering insight that his father, out walking, was a “great pee-er in fields”; but Thomas père’s greatness in the literary field is obfuscated in certain respects. Rogers’s emphasis is on the man who, in the course of a number of parish transfers, moved increasingly further west in search of the “old, unchanged Wales”. The crucial literary narrative – the story of Thomas’s courage, dedication and extraordinary independence as a poet – tends to be lost somewhere among the hill farms and bird sanctuaries.

Voor Byron Rogers spreekt het vanzelf dat de soms eigenaardige reacties van RST op tegenspraak of onbegrip voortkwamen uit het systematische en in zekere zin overmijdelijke ontbreken van weerwoord op wat hij van de kansel verkondigde en in zijn poëzie te berde bracht. Dat zou natuurlijk kunnen, maar schuilt in deze verklaring niet vooral het ressentiment van wijlen Gwydion? En gaat die verklaring niet voorbij aan RST’s ernst en eerlijkheid, en ook aan de vooroordelen waarmee hij soms te kampen had?

Op een dag zou RST gefilmd worden door de BBC als de stijve dichter-dominee die ze dachten dat hij was. Hij kwam in vol ornaat het kerkje uitgelopen en de camera’s snorden. Toen begon hij met zijn armen te zwaaien en te springen: “I am a bird, I am a bird …

Het leven is interessanter, rijker en samenhangender dan de biografie laat zien, maar het zijn in mijn ogen de gedichten die zullen voortleven.