Toen ik een kleine jongen was en op de ‘lagere school’ zat (jaren ’70), fietste ik dagelijks op neer langs de Klapwijkseweg in Berkel en Rodenrijs. Langs die weg liep een vaart, en over die vaart waren kwakels en ophaalbruggen gebouwd zodat de pramen met tuindersproducten er onderdoor of doorheen konden varen op weg naar de veiling in Rodenrijs – dat was uiteraard voor de Tweede Wereldoorlog.
Die Klapwijkseweg was destijds – en het is nog steeds – een weg tussen Berkel en Rodenrijs en Pijnacker. Op de hoek van de Meerweg en de Klapwijkseweg – net in de Meerpolder, precies tussen Berkel en Pijnacker – lag de tuinderij van mijn vader – vader Bram – en diens beide broers, oom Gerard en oom Dirk. Op die tuinderij stonden kassen, en in die kassen werden rozen geteeld – dat waren snijbloemen. De lagere school lag anderhalve kilometer verderop, op de hoek van de Klapwijkseweg en de Westersingel.
Mijn grootmoeder van vaderszijde heette Klapwijk, en ze had negen of tien zussen en één broer die allemaal trouwden, kinderen kregen en in Berkel en Rodenrijs bleven wonen, en daarom zat de genoemde lagere school vol met achterneven en achternichten. Ze heten allemaal anders, want in de jaren ’50 en ’60 namen vrouwen die trouwden bijna altijd de naam van hun man aan, zeker in het milieu waarin ik opgroeide.
Ik wil niet opscheppen over mijn gereformeerde jeugdtrauma’s, maar al die achterneven en achternichten waren – net als ikzelf – vrijgemaakt-gereformeerd. Iedereen ging twee keer per zondag naar de kerk, en omdat het kerkgebouw niet groot genoeg was, waren er twee diensten in de morgen en twee diensten in de middag.
Fietsend langs de Klapwijkseweg droomde ik vaak dat er oneindig lange messen aan mijn vingers zaten. En soms spreidde ik mijn vingers tijdens het fietsen, en dan wist ik dat in alle huizen waar ik langs kwam de mensen bloedend dubbel klapten, want mijn messen sneden dwars door die huizen en die mensen.
T. S. Eliot (1888-1965) was een Amerikaans-Engelse dichter die in Nederland het meest bekend is geworden door het desolate gedicht The Waste Land, met de bekende openingszinnen:
April is the cruellest month, breeding Lilacs out of the dead land, mixing Memory and desire, stirring Dull roots with spring rain. Winter kept us warm, covering Earth in forgetful snow, feeding A little life with dried tubers.
Eliot was een ‘conservatieve modernist’, om een woord te gebruiken dat de historicus, schrijver en journalist Rob Hartmans heeft opgenomen in de ondertitel van zijn zeer interessante Eliot-boek: T.S. Eliot. De vele gezichten van een conservatieve modernist, Amsterdam: Spectrum 2022. Aan het boek van Hartmans heb ik een aantal van de hierna genoemde feiten ontleend.
Eliot heeft zijn hele volwassen leven in het Verenigd Koninkrijk gewoond en gewerkt, eerst bij een bank, later bij Faber & Faber, een uitgever die zich ontwikkelde tot de voornaamste uitgever van poëzie in de engelstalige wereld.
Op latere leeftijd bekeerde hij zich tot de Anglo-Katholieke tak van The Church of England – de Anglicaanse Kerk. Uit die tijd dateren ook Four Quartets – Vier Kwartetten – die ook heel bekend geworden zijn. T.S. Eliot ontving in 1948 de Nobelprijs voor Literatuur.
De bekering tot het christendom van T.S. Eliot wordt vaak negatief begrepen, alsof de man totaal iemand anders geworden was, alsof de ernst waarmee hij het christendom aanhing zijn gedichten veel slechter zouden hebben gemaakt. Hier vindt u een bespreking door Joris Note van Paul Claes’ vertaling van de Four Quartets, waarin die afkeer van Eliots bekering tot in de titel doorklinkt: “Een bekeerde dichter”. Overigens zwalkt Note heel erg – enerzijds vindt hij Claes’ vertaling goed en heeft hij ook waardering voor de kwartetten, maar anderzijds vindt hij Eliot maar een vervelende zeur met zijn christendom. Deze spagaat tref je wel vaker aan bij recensenten.
In 1936 publiceerde Eliot het gedicht Burnt Norton. In 1939 besloot Eliot nog drie gedichten met een vergelijkbare vorm aan Burnt Norton toe te voegen. In 1940 publiceerde hij East Coker, in 1941 The Dry Salvages, in 1942 Little Gidding. In 1943 verschenen deze gedichten bij Faber and Faber als de bundel Four Quartets.
In ieder kwartet staat een bepaald seizoen centraal alsmede één van de vier elementen lucht, aarde, water en vuur. In East Coker ligt de nadruk op de late zomer en op het element ‘aarde’.
East Coker is een klein plaatsje in het Engelse Somerset. De voorouders Van T.S. Eliot kwamen daar vandaan en ze emigreerden in de 18e eeuw naar Amerika. T.S. Eliot ligt ook in East Coker begraven, om precies te zijn in de St Michael and All Angels’ Church.
Op zeker moment gebruikt T.S. Eliot een aantal citaten en verwijzingen naar een van zijn voorvaderen. Ik heb die verwerkt door te spreken over sinne- en minnebeelden (Jacob Cats) en een verwijzing naar Vondels opregte trou (die – zoals bekend – vooral gevonden wordt tussen man en vrouw).
Het gedicht heeft vijf delen die verschillen in tempo en toon. De delen beschrijven tijd, ervaring, loutering, gebed en heelheid.
Het is nog wel aardig om op te merken dat een bepaalde retorische vorm die voorkomt in het bijbelboek Prediker – “Er is een tijd om te omhelzen en een tijd om je van omhelzingen te onthouden” – een vorm die enige tijd op vrij indrukwekkende wijze wordt volgehouden, door Eliot regelmatig wordt gehanteerd, te beginnen in het vroege gedicht The Love Song of J. Alfred Prufrock, maar ook in Burnt Norton en uiteraard ook op een paar plaatsen in het onderhavige gedicht.
East Coker bevat overigens ook een directe verwijzing naar de openingsregels van de Goddelijke Komedie van Dante.
Ik heb – tegen mijn gewoonte in – niet van het gehele gedicht één enkele audio-opname toegevoegd, maar ik heb van de verschillende delen afzonderlijke audio-opnames gemaakt.
Dit was geen gemakkelijke klus. Mocht u echte vertaalfouten tegenkomen, dan word ik daar graag op geattendeerd via e-mail – zie de pagina Over de vertaler/auteur, of via de reactiemogelijkheid.
Een vertaling van de hand van Peter van Huizen ter vergelijking, vindt u hier (Liter, Jrg 5, 2002 – via dbnl).
Deel 1 – Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
Vertaling
EAST COKER (Nr. 2 van Vier kwartetten)
– I – In mijn aanvang is mijn einde. Huizen komen, gaan, De een na de ander, ze verkrotten, worden uitgebouwd, Verwijderd, verwoest, hersteld, of waar ze waren Is nu een open veld, een fabriek of een rondweg. Oude steen wordt nieuwbouw, oud hout nieuw vuur, Oud vuur wordt stof, en stof keert weer tot aarde Die reeds bestaat uit vlees, vacht en faecaliën, Skelet van mens en dier, maisstengels en loof. Huizen leven en sterven: er is een tijd om te bouwen En een tijd om te leven, een tijd voor nakroost Een tijd voor de wind om de losse ruit te breken En aan het houtwerk te rukken waar de veldmuis scharrelt En te rukken aan het verrafelde wandkleed met stille zinspreuk geweven.
In mijn aanvang is mijn einde. Nu valt het licht Over het open veld, waarbij de holle weg wegvalt, Omsloten door begroeiing, donker in de namiddag, Terwijl je leunt tegen een bankje als een kar passeert, En de holle weg hardnekkig de kant op gaat Van het dorp, door een zoemende hitte Gehypnotiseerd. In een warme waas wordt zwoel licht Eerder opgezogen dan weerkaatst door grauwe steen. De dahlia’s slapen in de lege stilte. Wacht op de vroege uil. In dat open veld Als je niet te dichtbij komt, als je niet te dicht bij komt, Kun je midden in een zomernacht de muziek horen Van de tere fluit en de kleine trom En je ziet ze dansen om het kampvuur Een man en vrouw, verenigd In parendans, sinnebeeld van echtverbond – Sacrament van lust en waerdigheid. Zij aan zij, een onverbrekelyck minnebeeld, Verband van arm in arm of hand in hand, Een teecken van opregte trou. Rondom, rondom het vuur Springend door vlammen, of samen in kringen, Met boerse ernst of met een boerse lach Zware voeten geheven in plompe schoenen, Aardvoeten, lemen voeten, geheven in landelijke vreugde, Vreugde van wie reeds lang onder aarde Maiskolven voedt. Het kennen van de tijdmaat, Het houden van het ritme in de dans Zoals ze leefden in hun levensgetijden De tijd van seizoenen en hemelconstellaties De tijd van melken en de tijd van oogsten De tijd van paring voor man en vrouw, En die van beesten. Voeten die komen en gaan. Eten en drinken. Drek en dood.
De dageraad breekt aan, een nieuwe dag Maakt zich op voor warmte, stilte. De ochtendwind Streelt een rimpelende zee. Hier ben ik, Daar ben ik, of elders. In mijn aanvang.
Deel 2 – Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
East Coker – deel 2
– II – Wat is November aan het doen Met al die gekke lente-dingen Die schepsels van een zomertijd, Sneeuwklokjes zijn al wijd en zijd De stokroos is toch veel te hoog Rood wordt weer grijs; ze vallen af De jonge roos vol vroege sneeuw? Donder rolt langs sterren, roterend, Zegekarren simulerend Die in kosmische strijd verkeren; Schorpioen vecht met de Zon Tot Zon en Maan weer onder gaan Kometen huilen, Leoniden belagen De hemelen – het vlakke veld Tolt in een draaikolk die de wereld Voortjaagt naar verterend vuur Dat laait voordat de ijstijd heerst.
Zo kon je het misschien zeggen – weinig bevredigend: Omschrijvingskunst in uitgediende dichtvorm, Die ons achter laat met de ondraaglijke worsteling Om woord en betekenis. De poëzie doet er niet toe. Het was niet (ik begin opnieuw) wat je verwacht had. Wat was het waard waar je zo naar uitkeek, De verbeide rust, de sereniteit van de herfst, De wijsheid van de oude dag? Bedrogen ze ons Of bedrogen ze zichzelf, die zachte oude stemmen, Door ons alleen een recept voor bedrog na te laten? Hun sereniteit was misschien opzettelijke verdoving, Hun wijsheid slechts kennis van dode geheimen Onnut in het duister waarin ze tuurden Of waarvan ze hun ogen afwenden. Je kunt, zo komt het ons voor, Op z’n best beperkte waarde ontdekken In kennis gebaseerd op ervaring. Kennis verschaft patronen, maar falsifieert ook, Want het patroon is nieuw op elk moment, En elk moment verleent een nieuwe, schokkende Waarde aan ons hele bestaan. We worden alleen dan niet bedrogen Door wat – hoe bedrieglijk ook – ons niet langer schaadt. Daar ben je dan halverwege, niet alleen halverwege, Maar van begin tot eind, in een donker bos, tussen braamstruiken, Aan de rand van een zompig moeras, waar je nergens kunt staan, Belaagd door monsters, met dansende lichtjes, Die je mee willen lokken. Praat me niet Van de wijsheid van ouderen, maar liever van hun dwaasheid, Hun angst voor angst en razernij, hun angst voor bezetenheid, Voor afhankelijkheid van de ander, of van anderen, of van God. De enige wijsheid die we ooit kunnen verwerven Is de wijsheid van nederigheid: nederigheid is eindeloos.
Alle huizen zijn verzwolgen door de zee.
Alle dansers zijn verzwolgen door de heuvels.
Deel 3 – Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
East Coker – deel 3
– III – O, diepe, diepe duisternis. Ze gaan allen het duister in, De lege interstellaire ruimten, leegte naar leegte, De hoge heren, de kooplieden, de eminente letterkundigen, De mecenassen, de staatslieden en de heersers, De knappe ambtenaren, voorzitters van menige commissie, Hoge industriëlen en onderaannemers, allen gaan het duister in, Donker zal de Sun & Moon zijn, en de Almanach de Gotha, Het Financiële Dagblad, het Register van Directeuren, Alle gevoel verdord, elk streven verbrijzeld. En ook wij gaan die kant op, in een zwijgende begrafenisstoet, Niemands begrafenis, want er is niemand om te begraven. Ik kalmeerde mezelf, wees stil, laat duisternis op je neerdalen Die Gods duisternis zal zijn. Zoals op toneel, De lichten gedoofd, wisseling van decors, Met drukte en gedoe, met een overgang van duisternis naar duisternis, En we weten dat de heuvels en de bomen, het verre panorama En de hele imposante façade zal worden weggetakeld – Net als wanneer de metro, in de tunnel, al te lang stopt tussen de stations, En de gesprekken die eerst oplaaien langzaam stil vallen En je ziet achter alle gezichten de mentale leegte verdiepen Waarbij de verschrikking overblijft van niks om over na te denken; Of wanneer, onder ether, de geest bewust is, maar bewust van niets – Ik zei tot mijn ziel, wees stil, en wacht zonder hoop Want hoop zou hoop zijn voor het verkeerde; wacht zonder liefde, Want liefde zou liefde zijn voor het verkeerde; er is nog geloof Maar het geloof en de liefde en de hoop liggen vervat in het wachten. Wacht zonder denken, want je bent nog niet klaar om te denken. Zo zal de duisternis het licht zijn, de stilte het dansen. Geruis van stromende beekjes, en winterweerlicht. De onooglijke wilde tijm en de wilde aardbei, De lach in de tuin, echo’s van extase, Niet zomaar, maar gretig, wijzend naar de kramp Van geboorte en dood. Je zegt dat ik herhaal Wat ik eerder al zei. Ik zal het nog eens zeggen. Zal ik het nog eens zeggen? Om te komen, Om te komen waar je bent, weg te komen van waar je niet bent, Moet je een weg bewandelen waar geen extase is. Om te komen bij wat je niet kent Moet je een weg bewandelen die de weg is van onwetendheid. Om te bezitten wat je niet bezit Moet je de weg bewandelen van ontlediging. Om te komen bij wat je niet bent Moet je een weg kiezen waar je niet bent. En wat je niet weet is het enige wat je weet En wat je hebt is wat je niet hebt En waar je bent is waar je niet bent.
Deel 4 – Geluidsopname van de vertaling – Arie onneveld
East Coker – deel 4
– IV – De arts – gewond – hanteert het staal Dat onderzoekt de ziek geworden delen; We voelen aan de bloedbesmeurde hand De scherpe meelij van wie ons wil helen, Die de rare koortstabel weet te bespelen.
Slechts wat gezond is, is de kwaal, Mits wij de stervende verpleegster horen Die ons niet met een opgewekt verhaal Maar ons met Adams vloek komt storen, En dat voor beterschap, de kwaal dient te ontsporen.
Ons ziekenhuis is heel de aarde Een gift van de geruïneerde miljonair, Waarin wij, als wij ons gedragen, Ooit zullen sterven met de absolute paternale Zorg die ons weerhoudt, nooit zal verlaten.
De kou stijgt op tot in de knoken, De koorts zingt in mentale koorden. Wie warm wil worden, zorgt dat hij bevriest, Gelouterd wordt in ijzig vagevuur Welks vlammen rozen zijn, welks rook is doornen.
Slechts druppend bloed kunnen we drinken, Slechts bloedig vlees is wat ons voedt: En toch, en toch blijven we denken Dat we solide zijn, gedegen vlees en bloed – Opnieuw, en toch, heet deze Vrijdag goed.
Deel 5 – Geluidsopname van de vertaling – Arie Sonneveld
East Coker – deel 5
– V – Hier ben ik dan, zo halverwege, twintig jaar verder – Twintig jaar grotendeels vermorst, de jaren van l’entre deux guerres Zoekend naar woorden, en elke poging Is een totaal nieuw begin, weer een nieuwe mislukking Omdat men slechts geleerd heeft om het beste uit woorden te halen Voor dingen die je niet langer zou moeten zeggen, of op een manier Waarop je het niet langer kunt zeggen. En zo begint elk streven Steeds opnieuw, een aanval op vaagheden Met gebrekkig gereedschap dat ons steeds in de steek laat In het rommeltje van slecht omlijnde gevoelens, Ongedisciplineerde sentimenten. En wat er nog te winnen is Met kracht en onderwerping, is allang ontdekt, Een keer, twee keer, meerdere keren, door mensen die je nooit zult kunnen Overtreffen – maar er is geen competitie – Er is slechts het gevecht om terug te winnen wat verloren ging En gevonden en steeds opnieuw verloren: en nu onder voorwaarden Die weinig veelbelovend lijken. Maar misschien is er winst noch verlies. We kunnen alleen blijven streven. De rest gaat ons niet aan. Thuis is van waar we vertrekken. Als we ouder worden Wordt de wereld vreemder, het patroon van leven en dood Wordt complexer. Het is niet de intensiteit van Het afzonderlijke moment, zonder voor en na, Maar een levenslang branden in elk moment, En niet slechts de levensduur van een enkel mens, Maar van oude stenen die je niet kunt ontcijferen. Er is een tijd voor de avond onder de sterren, Een tijd voor de avond bij lamplicht (Die avond met het foto-album). Liefde komt zichzelf het meest nabij Als hier en nu niet langer van belang zijn. Oude mensen horen onderzoekers te zijn Waar dan ook – het maakt niet uit We moeten kalm zijn, blijven bewegen Naar een andere intensiteit Om een andere eenheid te vinden, een diepere verbondenheid, Dwars door de kou en de kale verlatenheid, Door gierende golven, de gierende wind, de uitgestrekte wateren Van de stormvogel en de dolfijn. In mijn einde is mijn aanvang.
Origineel
EAST COKER (No. 2 of ‘Four Quartets’)
– I – In my beginning is my end. In succession Houses rise and fall, crumble, are extended, Are removed, destroyed, restored, or in their place Is an open field, or a factory, or a by-pass. Old stone to new building, old timber to new fires, Old fires to ashes, and ashes to the earth Which is already flesh, fur and faeces, Bone of man and beast, cornstalk and leaf. Houses live and die: there is a time for building And a time for living and for generation And a time for the wind to break the loosened pane And to shake the wainscot where the field-mouse trots And to shake the tattered arras woven with a silent motto.
In my beginning is my end. Now the light falls Across the open field, leaving the deep lane Shuttered with branches, dark in the afternoon, Where you lean against a bank while a van passes, And the deep lane insists on the direction Into the village, in the electric heat Hypnotised. In a warm haze the sultry light Is absorbed, not refracted, by grey stone. The dahlias sleep in the empty silence. Wait for the early owl. In that open field If you do not come too close, if you do not come too close, On a summer midnight, you can hear the music Of the weak pipe and the little drum And see them dancing around the bonfire The association of man and woman In daunsinge, signifying matrimonie— A dignified and commodiois sacrament. Two and two, necessarye coniunction, Holding eche other by the hand or the arm Whiche betokeneth concorde. Round and round the fire Leaping through the flames, or joined in circles, Rustically solemn or in rustic laughter Lifting heavy feet in clumsy shoes, Earth feet, loam feet, lifted in country mirth Mirth of those long since under earth Nourishing the corn. Keeping time, Keeping the rhythm in their dancing As in their living in the living seasons The time of the seasons and the constellations The time of milking and the time of harvest The time of the coupling of man and woman And that of beasts. Feet rising and falling. Eating and drinking. Dung and death.
Dawn points, and another day Prepares for heat and silence. Out at sea the dawn wind Wrinkles and slides. I am here Or there, or elsewhere. In my beginning.
– II – What is the late November doing With the disturbance of the spring And creatures of the summer heat, And snowdrops writhing under feet And hollyhocks that aim too high Red into grey and tumble down Late roses filled with early snow? Thunder rolled by the rolling stars Simulates triumphal cars Deployed in constellated wars Scorpion fights against the Sun Until the Sun and Moon go down Comets weep and Leonids fly Hunt the heavens and the plains Whirled in a vortex that shall bring The world to that destructive fire Which burns before the ice-cap reigns.
That was a way of putting it—not very satisfactory: A periphrastic study in a worn-out poetical fashion, Leaving one still with the intolerable wrestle With words and meanings. The poetry does not matter. It was not (to start again) what one had expected. What was to be the value of the long looked forward to, Long hoped for calm, the autumnal serenity And the wisdom of age? Had they deceived us Or deceived themselves, the quiet-voiced elders, Bequeathing us merely a receipt for deceit? The serenity only a deliberate hebetude, The wisdom only the knowledge of dead secrets Useless in the darkness into which they peered Or from which they turned their eyes. There is, it seems to us, At best, only a limited value In the knowledge derived from experience. The knowledge imposes a pattern, and falsifies, For the pattern is new in every moment And every moment is a new and shocking Valuation of all we have been. We are only undeceived Of that which, deceiving, could no longer harm. In the middle, not only in the middle of the way But all the way, in a dark wood, in a bramble, On the edge of a grimpen, where is no secure foothold, And menaced by monsters, fancy lights, Risking enchantment. Do not let me hear Of the wisdom of old men, but rather of their folly, Their fear of fear and frenzy, their fear of possession, Of belonging to another, or to others, or to God. The only wisdom we can hope to acquire Is the wisdom of humility: humility is endless.
The houses are all gone under the sea.
The dancers are all gone under the hill.
– III – O dark dark dark. They all go into the dark, The vacant interstellar spaces, the vacant into the vacant, The captains, merchant bankers, eminent men of letters, The generous patrons of art, the statesmen and the rulers, Distinguished civil servants, chairmen of many committees, Industrial lords and petty contractors, all go into the dark, And dark the Sun and Moon, and the Almanach de Gotha And the Stock Exchange Gazette, the Directory of Directors, And cold the sense and lost the motive of action. And we all go with them, into the silent funeral, Nobody’s funeral, for there is no one to bury. I said to my soul, be still, and let the dark come upon you Which shall be the darkness of God. As, in a theatre, The lights are extinguished, for the scene to be changed With a hollow rumble of wings, with a movement of darkness on darkness, And we know that the hills and the trees, the distant panorama And the bold imposing facade are all being rolled away— Or as, when an underground train, in the tube, stops too long between stations And the conversation rises and slowly fades into silence And you see behind every face the mental emptiness deepen Leaving only the growing terror of nothing to think about; Or when, under ether, the mind is conscious but conscious of nothing— I said to my soul, be still, and wait without hope For hope would be hope for the wrong thing; wait without love, For love would be love of the wrong thing; there is yet faith But the faith and the love and the hope are all in the waiting. Wait without thought, for you are not ready for thought: So the darkness shall be the light, and the stillness the dancing. Whisper of running streams, and winter lightning. The wild thyme unseen and the wild strawberry, The laughter in the garden, echoed ecstasy Not lost, but requiring, pointing to the agony Of death and birth. You say I am repeating Something I have said before. I shall say it again. Shall I say it again? In order to arrive there, To arrive where you are, to get from where you are not, You must go by a way wherein there is no ecstasy. In order to arrive at what you do not know You must go by a way which is the way of ignorance. In order to possess what you do not possess You must go by the way of dispossession. In order to arrive at what you are not You must go through the way in which you are not. And what you do not know is the only thing you know And what you own is what you do not own And where you are is where you are not.
– IV – The wounded surgeon plies the steel That questions the distempered part; Beneath the bleeding hands we feel The sharp compassion of the healer’s art Resolving the enigma of the fever chart.
Our only health is the disease If we obey the dying nurse Whose constant care is not to please But to remind of our, and Adam’s curse, And that, to be restored, our sickness must grow worse.
The whole earth is our hospital Endowed by the ruined millionaire, Wherein, if we do well, we shall Die of the absolute paternal care That will not leave us, but prevents us everywhere.
The chill ascends from feet to knees, The fever sings in mental wires. If to be warmed, then I must freeze And quake in frigid purgatorial fires Of which the flame is roses, and the smoke is briars.
The dripping blood our only drink, The bloody flesh our only food: In spite of which we like to think That we are sound, substantial flesh and blood— Again, in spite of that, we call this Friday good.
– V – So here I am, in the middle way, having had twenty years— Twenty years largely wasted, the years of l’entre deux guerres Trying to use words, and every attempt Is a wholly new start, and a different kind of failure Because one has only learnt to get the better of words For the thing one no longer has to say, or the way in which One is no longer disposed to say it. And so each venture Is a new beginning, a raid on the inarticulate With shabby equipment always deteriorating In the general mess of imprecision of feeling, Undisciplined squads of emotion. And what there is to conquer By strength and submission, has already been discovered Once or twice, or several times, by men whom one cannot hope To emulate—but there is no competition— There is only the fight to recover what has been lost And found and lost again and again: and now, under conditions That seem unpropitious. But perhaps neither gain nor loss. For us, there is only the trying. The rest is not our business. Home is where one starts from. As we grow older The world becomes stranger, the pattern more complicated Of dead and living. Not the intense moment Isolated, with no before and after, But a lifetime burning in every moment And not the lifetime of one man only But of old stones that cannot be deciphered. There is a time for the evening under starlight, A time for the evening under lamplight (The evening with the photograph album). Love is most nearly itself When here and now cease to matter. Old men ought to be explorers Here or there does not matter We must be still and still moving Into another intensity For a further union, a deeper communion Through the dark cold and the empty desolation, The wave cry, the wind cry, the vast waters Of the petrel and the porpoise. In my end is my beginning.
T. S. Eliot (1888-1965) was een Amerikaans-Engelse dichter die in Nederland het meest bekend is geworden door het desolate gedicht The Waste Land, met de bekende openingszinnen:
April is the cruellest month, breeding Lilacs out of the dead land, mixing Memory and desire, stirring Dull roots with spring rain. Winter kept us warm, covering Earth in forgetful snow, feeding A little life with dried tubers.
Het gedicht The Waste Land weerspiegelde zowel zijn sombere kijk op de stand van de beschaving als zijn sombere kijk op de stand van zijn toenmalige huwelijk (1936).
Eliot was een ‘conservatieve modernist’, om een woord te gebruiken dat de historicus, schrijver en journalist Rob Hartmans heeft opgenomen in de ondertitel van zijn zeer interessante Eliot-boek: T.S. Eliot. De vele gezichten van een conservatieve modernist, Amsterdam: Spectrum 2022. Aan het boek van Hartmans heb ik een aantal van de hierna genoemde feiten ontleend.
Eliot heeft zijn hele volwassen leven in het Verenigd Koninkrijk gewoond en gewerkt, eerst bij een bank, later bij Faber & Faber, een uitgever die zich ontwikkelde tot de voornaamste uitgever van poëzie in de engelstalige wereld.
Op latere leeftijd bekeerde hij zich tot de Anglo-Katholieke tak van The Church of England – de Anglicaanse Kerk. Uit die tijd dateren ook Four Quartets – Vier Kwartetten – die ook heel bekend geworden zijn. T.S. Eliot ontving in 1948 de Nobelprijs voor Literatuur.
In 1936 heeft Eliot het gedicht Burnt Norton gepubliceerd. Het waren herschreven passages uit een vroege versie van het drama in verzen Murder in the Cathedral. Het was geïnspireerd door het vijftiende strijkkwartet van Beethoven (opus 132). Het gedicht telt 175 regels en is genoemd naar een landgoed dat Eliot twee jaar eerder met een vriendin – Emily Hale – had bezocht. Het gedicht bestaat uit vijf delen die onderling enigszins verschillen in stijl en tempo.
In 1939 besloot Eliot nog drie gedichten met een vergelijkbare vorm aan Burnt Norton toe te voegen. In 1940 publiceerde hij East Coker, in 1941 The Dry Salvages, in 1942 Little Gidding. In 1943 verschenen deze gedichten bij Faber and Faber als de bundel Four Quartets.
Het centrale thema van de kwartettencuclus is de tijd – Eliot contrasteerde vergankelijke tijd en eeuwige tijd. Alle kwartetten verwezen naar een concrete plaats. En in ieder kwartet staat een bepaald seizoen centraal alsmede één van de vier elementen lucht, aarde, water en vuur. In Burnt Norton zijn het achtereenvolgens het landgoed uit de titel, de zomer en het element lucht.
Het gedicht is op veel plaatsen abstract, maar verwijst toch zeker ook naar concrete realiteiten: de tuin van Burnt Norton, een rit met een koets, het lichamelijke, een rit met de metro, het uitspansel, opnieuw de tuin. Het beeld van de rozentuin wordt vaak gebruikt in een erotische context.
Het gedicht verwijst naar tal van bekende werken uit de wereldliteratuur, onder andere naar de bijbel, de Veda’s, naar Dante (die in de slotregel van de Divina Kommedia gewag maakt van de liefde die het al beweegt), en naar Johannes van het Kruis, auteur van Donkere nacht van de ziel, in de passage over de trapopgangen.
Het Engelse woord ‘smokefall’ komt volgens de OED alleen in dit gedicht van Eliot voor. Ik heb het met ‘mistflarden’ vertaald, maar misschien weet iemand iets beters of beschikt hij/zij mogelijk over informatie waarover ik niet de beschikking had.
Het begrip tijd komt voortdurend voor. Begrippen als ‘de tijd van nu’, ‘de verleden tijd’ en ‘de toekomstige tijd’ worden voortdurend gebruikt, maar ze zijn in deze vorm voor mij als vertaler niet altijd goed bruikbaar – de retorische kracht van het gedicht is een heel belangrijk kenmerk. Ik heb een paar oplossingen verzonnen waarvan ik hoop dat ze voor de lezer van de vertaling werken.
Ik heb – tegen mijn gewoonte in – niet van het gehele gedicht één enkele audio-opname toegevoegd, maar ik heb van de verschillende delen afzonderlijke audio-opnames gemaakt.
Dit was geen gemakkelijke klus. Mocht u echte vertaalfouten tegenkomen, dan word ik daar graag op geattendeerd via e-mail – zie de pagina Over de vertaler/auteur, of via de reactiemogelijkheid.
Een vertaling van de hand van Peter van Huizen ter vergelijking, vindt u hier (Liter, Jrg 5, 2002 – via dbnl).
Hier vindt u een versie van het originele gedicht.
Vertaling
Burnt Norton Nr. 1 van Vier Kwartetten
Geluidsopname vertaling Burnt Norton – deel 1 – Arie Sonneveld
– I – Tijd van nu en tijd van toen Zijn wellicht tegenwoordig in de tijd van straks, En tijd van straks ligt steeds gevat in tijd van toen. Als alle tijd voor eeuwig tegenwoordig is Is alle tijd volkomen reddeloos. Wat had kunnen zijn is een abstractie, Blijft voor altijd mogelijkheid Maar slechts in een denkbeeldige wereld. Wat had kunnen zijn, wat is geweest Wijzen naar één verte, die altijd daar is. Voetstappen echoën in het geheugen Langs een pad dat we niet namen Naar de toegang tot de rozentuin Die we nooit openden. Zo echoën mijn woorden In jouw geest. Maar waartoe ik Het stof zou verstoren op een schaal met rozenblaadjes Weet ik niet. Andere echo’s Wonen in de tuin. Zullen we er achteraan? Vlug, zei de vogel, zoek ze, zoek ze Om de hoek. Zullen we gaan door dat hek, Naar onze eerste wereld. Zullen we erachter aan, De lokroep van de lijster. Naar onze eerste wereld. Daar waren ze, waardig, onzichtbaar, Zorgeloos bewegend, over dorre blaadjes, In de hitte van de herfst, door de trillende lucht, En de vogel riep, in antwoord op Ongehoorde muziek in struikgewas verborgen, En een ongeziene gekruiste blik, want de rozen Leken op bloemen die wisten bekeken te worden. Ze waren er als onze gasten, ze mochten er zijn, ze wilden er zijn. Zo gingen wij, ook zij, in formele schikking, Langs de verlaten laan, naar de ronde ruimte, Om neer te kijken in de verdroogde poel. Droog was de poel, droog het beton, bruingerand, En de poel werd gevuld met water uit zonlicht, En de lotus steeg op, zachtjes, zachtjes, Het oppervlak schitterde uit een lichtend hart, En ze waren achter ons, weerspiegeld in de poel. Toen schoof een wolk langs, en de poel was leeg. Ga nu, zei de vogel, want het gebladerte zat vol kinderen, Verstopt in spanning, hun lachen inhoudend. Ga, ga, ga nu, zei de vogel: de mensheid Kan weinig werkelijkheid verdragen. Tijd van toen en tijd van straks Wat had kunnen zijn, wat is geweest Wijzen naar één verte, die altijd daar is.
Geluidsopname vertaling Burnt Norton – deel 2 – Arie Sonneveld
– II – Saffier en knoflook in het slijk Remmen de wentelende as. Trillende snaren in ons bloed Zingen onder tekenen van wonden Die in oude oorlogen ontstonden. De dans doorheen ons bloedsysteem, De rondgang van ons lymfevocht Wordt aan de hemelen geschikt Stijgt op als zomer in ‘t geboomte, En wij zijn boven dat geboomte In het lichtspel op het loof En horen over natte gronden Onder ons, de zwijnen en de honden Die volgen trouw hun oud patroon Maar met de hemelen verbonden.
Bij de roerloze kern van een rusteloze wereld. Geen vlees geen vleesloosheid; Niet heen- en niet teruggaand; bij die roerloze kern, daar is de dans, Maar zonder gaan en zonder staan. En noem het geen starheid, Waar heden en verleden bijeen zijn. Geen terugkomst, geen heengaan, Geen opgang, geen neergang. Zonder die kern, die roerloze kern, Kon geen dans ooit bestaan, en slechts daar is de dans. Ik kan alleen zeggen, daar waren we: maar ik kan niet zeggen waar. En ik kan niet zeggen hoe lang, want dat plaatst het in de tijd. Bevrijding van praktische verlangens, Vrijheid van handeling en leed, losmaking van innerlijke En uiterlijke dwang, terwijl je omringd bent Door een rijkdom aan zin, een wit licht dat je omgeeft, Erhebung zonder beweging, concentratie Zonder uitsluiting, zowel een nieuwe wereld Als de oude die scherp wordt uitgedrukt, begrepen In de voltooiing van zijn onvolkomen extase, De losmaking uit zijn onvolkomen gruwel. Toch zal de ketening aan toen en straks, Geweven in de zwakte van het vergankelijke lichaam, De mensheid beschermen tegen hemel en doem Zo onverdraaglijk voor het vlees. Tijd van toen en tijd van straks Staan maar weinig bewustzijn toe. Bewust te zijn is buiten de tijd te staan Maar slechts in tijd kan het moment in de rozentuin, Het moment in het prieel als de regen tokkelt, Het moment in de tochtige kerk tussen de mistflarden Worden herinnerd – betrokken op toen en straks. Tijd wordt slechts door tijd overwonnen.
Geluidsopname vertaling Burnt Norton – deel 3 – Arie Sonneveld
– III – Dit is een plaats van ongemak Tijd ervoor en tijd erna In schemertoestand: geen daglicht Die de gestalte ongereptheid verleend Die schaduwen vluchtige schoonheid geeft Door trage wisseling die bestendigheid suggereert Geen duisternis die de ziel zuivert Die het zinnelijke ledigt door onthouding Die genegenheid reinigt van het tijdelijke. Geen volheid geen leegte. Slechts een schijnsel Op gespannen gezichten getekend door de tijd Door afleiding afgeleid van elke afleiding Gevuld met inbeelding en gespeend van zin Apathie die zich breed maakt zonder concentratie Mensen en snippers, rondtollend in koude wind Die waait voor en na de tijd, wind die ongezonde longen in gaat en uit De tijd ervoor en de tijd erna. Oprispingen van zieke zielen In armelijke lucht, loomheid Die wegdrijft op de wind die strijkt over de sombere heuvels van Londen, Hampstead en Clerkenwell, Capden en Putney Highgate, Primrose en Ludgate. Niet hier Niet hier de duisternis, in deze kwetterende wereld.
Daal verder af, daal af om te komen In de wereld van niet aflatende eenzaamheid, Wereld geen wereld, al wat geen wereld is, Innerlijke duisternis, teloorgang En aftakeling van alle bezit, Verdorring van de wereld der zinnen, Ontruiming van de wereld der verbeelding, Werkeloosheid van de wereld van de geest; Dit is de ene richting, en de ander Is hetzelfde, niet in gaan Maar in afzien van gaan; terwijl de wereld voortgaat Met gretigheid, op zijn metalen sporen Van de verleden tijd en de toekomende.
Geluidsopname vertaling Burnt Norton – deel 4 – Arie Sonneveld
– IV – Tijd en klokgelui droegen de dag ten grave, De zwarte wolk doet de zon uitgeleide. Zal de zonnebloem naar ons neigen, zal de clematis Zich zoekend tot ons wenden, rank en twijg Die zich vastklampen? Sluiten Kille vingers van de taxusboom Zich om ons heen? Sinds het kleed van de ijsvogel Licht heeft beantwoord met licht, roerloos werd, was het licht nog Bij de roerloze kern van een rusteloze wereld.
Geluidsopname vertaling Burnt Norton – deel 5 – Arie Sonneveld
– V – Woorden bewegen, muziek beweegt Alleen in de tijd; maar dat wat slechts leeft Kan slechts sterven. Woorden, voorbij taal, reiken Naar de stilte. Slechts door de vorm, het patroon Kunnen woord of muziek reiken Naar roerloze stilte, zoals een Chinese vaas Voortdurend stil beweegt in zijn roerloze stilte. Niet de stilte van de viool, terwijl de noot naklinkt, Niet dat alleen, maar het samen bestaan, Of zeg dat het eind voorafgaat aan het begin, En het eind en het begin waren er steeds Voor het begin en na het eind, En alles is nu altijd. Woorden krampen, Kraken, en breken soms onder de last, Onder de spanning, ze glippen, glijden, kwijnen weg, Sterven in slordigheid, blijven niet waar ze horen, Blijven niet stil. Schrille stemmen Die schelden, spotten of alleen maar kletsen Vergezellen hen altijd. Het Woord in de woestijn Wordt het meest bedreigd door stemmen der verleiding, De luidruchtige schaduw in de begrafenisdans, De luide klacht van de troosteloze chimaera.
Het detail van het patroon is beweging Zoals in het beeld van de tien trapopgangen. De begeerte zelf is beweging, Op zichzelf niet begerenswaardig; De liefde zelf is onbeweeglijk, Slechts doel en oorzaak van beweging, Tijdloos, en niets begerend Behalve in het aspect van tijd Dat zich laat kennen als beperking Tussen zijn en niet-zijn. Opeens in een baan van zonlicht Zelfs als het stof beweegt Verheft zich het verborgen lachen Van kinderen in het groen Snel nu, hier, nu, altijd – Lachwekkend hoe vermorste droeve tijd zich uitstrekt voor en na.
Origineel
BURNT NORTON (No. 1 of Four Quartets)
– I – Time present and time past Are both perhaps present in time future, And time future contained in time past. If all time is eternally present All time is unredeemable. What might have been is an abstraction Remaining a perpetual possibility Only in a world of speculation. What might have been and what has been Point to one end, which is always present. Footfalls echo in the memory Down the passage which we did not take Towards the door we never opened Into the rose-garden. My words echo Thus, in your mind. But to what purpose Disturbing the dust on a bowl of rose-leaves I do not know. Other echoes Inhabit the garden. Shall we follow? Quick, said the bird, find them, find them, Round the corner. Through the first gate, Into our first world, shall we follow The deception of the thrush? Into our first world. There they were, dignified, invisible, Moving without pressure, over the dead leaves, In the autumn heat, through the vibrant air, And the bird called, in response to The unheard music hidden in the shrubbery, And the unseen eyebeam crossed, for the roses Had the look of flowers that are looked at. There they were as our guests, accepted and accepting. So we moved, and they, in a formal pattern, Along the empty alley, into the box circle, To look down into the drained pool. Dry the pool, dry concrete, brown edged, And the pool was filled with water out of sunlight, And the lotos rose, quietly, quietly, The surface glittered out of heart of light, And they were behind us, reflected in the pool. Then a cloud passed, and the pool was empty. Go, said the bird, for the leaves were full of children, Hidden excitedly, containing laughter. Go, go, go, said the bird: human kind Cannot bear very much reality. Time past and time future What might have been and what has been Point to one end, which is always present.
– II – Garlic and sapphires in the mud Clot the bedded axle-tree. The trilling wire in the blood Sings below inveterate scars Appeasing long forgotten wars. The dance along the artery The circulation of the lymph Are figured in the drift of stars Ascend to summer in the tree We move above the moving tree In light upon the figured leaf And hear upon the sodden floor Below, the boarhound and the boar Pursue their pattern as before But reconciled among the stars.
At the still point of the turning world. Neither flesh nor fleshless; Neither from nor towards; at the still point, there the dance is, But neither arrest nor movement. And do not call it fixity, Where past and future are gathered. Neither movement from nor towards, Neither ascent nor decline. Except for the point, the still point, There would be no dance, and there is only the dance. I can only say, there we have been: but I cannot say where. And I cannot say, how long, for that is to place it in time. The inner freedom from the practical desire, The release from action and suffering, release from the inner And the outer compulsion, yet surrounded By a grace of sense, a white light still and moving, Erhebung without motion, concentration Without elimination, both a new world And the old made explicit, understood In the completion of its partial ecstasy, The resolution of its partial horror. Yet the enchainment of past and future Woven in the weakness of the changing body, Protects mankind from heaven and damnation Which flesh cannot endure. Time past and time future Allow but a little consciousness. To be conscious is not to be in time But only in time can the moment in the rose-garden, The moment in the arbour where the rain beat, The moment in the draughty church at smokefall Be remembered; involved with past and future. Only through time time is conquered.
– III – Here is a place of disaffection Time before and time after In a dim light: neither daylight Investing form with lucid stillness Turning shadow into transient beauty With slow rotation suggesting permanence Nor darkness to purify the soul Emptying the sensual with deprivation Cleansing affection from the temporal. Neither plenitude nor vacancy. Only a flicker Over the strained time-ridden faces Distracted from distraction by distraction Filled with fancies and empty of meaning Tumid apathy with no concentration Men and bits of paper, whirled by the cold wind That blows before and after time, Wind in and out of unwholesome lungs Time before and time after. Eructation of unhealthy souls Into the faded air, the torpid Driven on the wind that sweeps the gloomy hills of London, Hampstead and Clerkenwell, Campden and Putney, Highgate, Primrose and Ludgate. Not here Not here the darkness, in this twittering world.
Descend lower, descend only Into the world of perpetual solitude, World not world, but that which is not world, Internal darkness, deprivation And destitution of all property, Desiccation of the world of sense, Evacuation of the world of fancy, Inoperancy of the world of spirit; This is the one way, and the other Is the same, not in movement But abstention from movement; while the world moves In appetency, on its metalled ways Of time past and time future.
– IV – Time and the bell have buried the day, The black cloud carries the sun away. Will the sunflower turn to us, will the clematis Stray down, bend to us; tendril and spray Clutch and cling? Chill Fingers of yew be curled Down on us? After the kingfisher’s wing Has answered light to light, and is silent, the light is still At the still point of the turning world.
– V – Words move, music moves Only in time; but that which is only living Can only die. Words, after speech, reach Into the silence. Only by the form, the pattern, Can words or music reach The stillness, as a Chinese jar still Moves perpetually in its stillness. Not the stillness of the violin, while the note lasts, Not that only, but the co-existence, Or say that the end precedes the beginning, And the end and the beginning were always there Before the beginning and after the end. And all is always now. Words strain, Crack and sometimes break, under the burden, Under the tension, slip, slide, perish, Decay with imprecision, will not stay in place, Will not stay still. Shrieking voices Scolding, mocking, or merely chattering, Always assail them. The Word in the desert Is most attacked by voices of temptation, The crying shadow in the funeral dance, The loud lament of the disconsolate chimera.
The detail of the pattern is movement, As in the figure of the ten stairs. Desire itself is movement Not in itself desirable; Love is itself unmoving, Only the cause and end of movement, Timeless, and undesiring Except in the aspect of time Caught in the form of limitation Between un-being and being. Sudden in a shaft of sunlight Even while the dust moves There rises the hidden laughter Of children in the foliage Quick now, here, now, always— Ridiculous the waste sad time Stretching before and after.