Waar ben je lief … – ik word al oud.
Ik ken de grijnslach van de eeuw.
Er valt een ster… – er ligt wat sneeuw.
De ganzen gakken – het Is koud.
De route die ik koos is fout.
Diep in het bos weerklinkt een schreeuw.
Ik zie een zuil, een stenen leeuw
die om zijn dode partner rouwt.
Rivierklei, zware uiterwaarden,
een duister vuur dat mij doortrekt
dat smoren wil in natte aarde.
En elders wordt een kind verwekt,
een man, een jongen, een bejaarde –
geen lief heeft hem ooit toegedekt.
[Viervoetig sonnet. Eigen werk, gemaakt tijdens een nachtelijke wandeling door bos en uiterwaarden in een slapeloze nacht.]
Geluidsopname
